Toen zij op zekeren avond samen aan het avondeten zaten, sprak tsarina Militza aldus tot tsaar Lazarus:
“O Lazarus, gij gouden kroon van Servië! Gij zult morgen naar de vlakte van Kossovo gaan met uw hertogen en dienaren, maar helaas, gij zult niemand in het paleis achterlaten om mijn brieven aan u te bezorgen, en de uwe van Kossovo naar mij te brengen. Gij neemt ook mijn negen broeders Yougovitchs met u mede; ik verzoek u althans een van mijn broeders bij mij te laten, op wien ik kan vertrouwen en bij wien ik kan zweren!”1
En de tsaar antwoordde: “O, mijn vrouwe, gij tsarina Militza! Welken van uw broeders zoudt gij het liefst thuis houden.” Daarop sprak de tsarina: “Het liefst zou ik Boshko Yougovitch bij mij houden!”
Hierin stemde de tsaar toe. “O, mijn vrouwe, tsarina Militza! Als de ochtend daagt en de zon boven de kim rijst en de poorten van de vesting geopend worden, dan kunt gij naar de hoofdpoort gaan, waardoor het geheele leger, voorafgegaan door zijn standaards, zal uittrekken—de ridders met krijgsmanslansen worden aangevoerd door Boshko Yougovitch, die de vlag met het gouden kruis zal dragen. Groet hem uit mijn naam en zeg hem uit mijn naam, dat ik hem verlof geef met u in ons witte kasteel te blijven en zijn vlag over te dragen aan wien hij wil!”
Toen de morgen daagde en de zon scheen, werden de poorten van de vesting geopend en tsarina Militza verscheen aan de hoofdpoort der stad, en zie! het machtige leger maakte zich gereed uit te trekken; aan het hoofd [171]reden de roemruchtige ridders, aangevoerd door Boshko Yougovitch. Boshko stond op het punt zijn bruin paard te bestijgen, een heerlijk met gouden harnachement opgetuigd dier. Op den vlaggestok was een gouden appel bevestigd en van het groote kruis hingen gouden kwasten neer, die zachtjes tegen de schouders van Boshko tikten.
Tsarina Militza naderde haar broer en haar teedere armen om zijn hals slaande sprak zij hem met haar lieve stem aldus toe: “O, mijn lieve broeder, onze tsaar heeft u aan mij gegeven en wenscht, dat gij niet ten oorlog trekt naar Kossovo. Hij draagt u op uw vlag over te geven aan wien gij wenscht en in Kroushavatz te blijven, opdat ik een broeder heb op wien ik kan vertrouwen!”
Maar Boshko Yougovitch antwoordde: “Ga terug, o lieve zuster, naar uw witte kasteel! Ik wil niet terugkeeren, noch deze vlag uit mijn handen geven, al kreeg ik Kroushavatz2 zelf als belooning. Hoe zou ik kunnen verdragen dat mijn makkers zeiden: ‘Ziet naar den lafaard Boshko Yougovitch! Hij durft niet naar Kossovo gaan, om zijn bloed te storten voor de zaak van het Heilige Kruis en zijn geloof!’ ” Hierna maakte hij zich los uit de omhelzing zijner zuster en sprong in het zadel.
Ziet! Daar komt de bejaarde Youg-Bogdan aan het hoofd van een rij van zijn zeven andere zoons! De tsarina beproefde achtereenvolgens ieder hunner tegen te houden, maar te vergeefs. Voïn Yougovitch, de achtste broer, was de laatste in de rij; hij wilde evenmin als zijn broeders luisteren en toen hij verder ging viel de arme tsarina voor de voeten der paarden in zwijm. De doorluchtige Lazarus zag zijn geliefde gade neervallen en daar hij de oorzaak van haar verdriet begreep, stortte hij tranen. Na snel rechts en links een blik geworpen te hebben, ontwaardde hij zijn vertrouwden dienstknecht Golouban en riep hem [172]toe: “O Golouban, mijn getrouwe knecht! Stijg van uw ros en breng de tsarina in uw heldhaftige armen zacht naar haar slanken toren. God en ik stellen u vrij van den dienst in den oorlog, blijf in ons witte kasteel in de nabijheid van de tsarina!”
Op het hooren van deze woorden verbleekte Golouban en tranen stroomden langs zijn wangen, toen hij afsteeg van zijn Laboud.3 Hij nam de tsarina in zijn armen en droeg haar in den slanken, hoogen toren, zooals de tsaar bevolen had; maar nadat hij dit gedaan had, kon hij niet langer weerstand bieden aan den wensch van zijn hart om naar Kossovo te gaan; daarom snelde hij terug naar zijn ros, gaf het de sporen en reed snel zijn makkers achterna.
Zie, den volgenden morgen, toen het daagde, streken twee onheilspellende raven van het slagveld van Kossovo neer op den witten toren van den doorluchtigen tsaar Lazarus. De een zei tegen den ander: “Is dit het kasteel van den beroemden vorst Lazarus? Is er geen levende ziel in?”
Slechts een in het kasteel hoorde het. Tsarina Militza trad op het balkon van haar toren en smeekend sprak zij de twee raven aldus aan: “Ter wille van alles, wat u dierbaar is, o gij twee donkere raven! Vanwaar komt gij? Komt gij niet aangevlogen van het slagveld van Kossovo? Hebt gij daar twee machtige legers gezien? O, zeg het mij. Hebben zij elkander ontmoet? Welke van de twee zal overwinnen?”
Daarop antwoordden de beide raven: “Dat onheil ons treffe, indien wij de waarheid niet tot u spreken, o schoone keizerin Militza! Wij komen werkelijk aanvliegen van de vlakte van Kossovo. Ja! Daar hebben wij twee machtige [173]legers gezien; twee tsaren zijn omgekomen.4 Van de Turken zijn er maar weinigen in leven gebleven, de overlevenden van de Serviërs zijn bedekt met wonden en bloed!”
Nauwelijks hadden de raven uitgesproken, of de tsarina zag een ruiter naderen, dien zij herkende. Zijn linkerarm hing hulpeloos neer; hij was overdekt met zeventien wonden; bloed liep langs zijn paard. De tsarina riep hem toe op een toon van ontzetting: “Helaas, helaas! Zijt gij het, mijn getrouwe Miloutin? Hebt gij dan uw tsaar verraderlijk achtergelaten op de vlakte van Kossovo?”
Maar Miloutin antwoordde langzaam en pijnlijk: “Help mij, o vrouwe, bij het afstijgen van mijn paard! Bet mijn gelaat met koel water en verfrisch mij met rozekleurigen wijn, want met zware wonden is mijn lichaam overdekt!”
De tsarina liep naar hem toe en hielp hem bij het afstijgen van zijn met bloed bedekt paard, bette zijn gelaat met koel water en bracht wijn aan zijn verdroogde lippen. Toen zij hem aldus had verkwikt, sprak zij: “Wat voor vreeselijke dingen zijn er gebeurd, o gij trouwe dienstknecht, te Kossovo, op de vlakte? Waar is de roemruchte prins Lazarus omgekomen? Waar kwam de bejaarde Youg-Bogdan om? Waar vielen de negen broeders Yougovitch? Waar Voïvode Milosh? Waar kwam Vouk Brankovitch om? Waar Ban Strahiyna?”
Daarop bracht de krijgsman er met moeite en kreunend uit:
“Allen bleven te Kossovo, o vrouwe! Waar de doorluchtige Prins Lazarus omkwam, daar zijn vele, vele lansen gebroken, zoowel Turksche als Servische, maar minder Turksche dan Servische, die daar, o vrouwe, werden opgeheven bij de verdediging van onzen geliefden heer, den [174]roemruchtigen Prins Lazarus. En uw vader, o vrouwe, kwam bij den eersten aanval om. Ook uw negen broeders vielen—getrouw bleven zij bij elkaar. Totdat hij stierf, hadt gij daar den dapperen Boshko kunnen zien, zijn vlag wapperend in den wind, terwijl hij her en derwaarts snelde en de Turken verspreidde als een valk, die onder een vlucht bedeesde duiven neerstrijkt. Daar bij het riviertje de Sitnitza, waar het bloed den helden tot boven de knieën reikte, kwam Ban Strahiyna om.
“Maar onze helden stierven niet alleen! Twaalf duizend Turken liggen neer op de vlakte. Sultan Mourat5 werd verslagen door voïvode Milosh. Dat God hem al zijn zonden vergeve! De held heeft aan het Servische volk de herinnering aan vele edele daden nagelaten, welke de barden zullen bezingen, zoolang menschen leven en Kossovo is, wat het is. Wat den verrader Vouk betreft, vervloekt zij zij, die hem het leven schonk! Hij bedroog onzen tsaar te Kossovo. Twaalf duizend onzer beste en krachtigste ruiters misleidde hij en bracht hij op een dwaalspoor, o, vrouwe! Vervloekt voor altijd zij zijn nageslacht!”
Onveranderlijk werpen de barden de verantwoordelijkheid voor den grooten tegenspoed der Servische wapenen, die hen trof in dien beroemden slag te Kossovo, op Vouk Brankovitch, die een der schoonzoons was van tsaar Lazarus. Eenigen van onze historici zijn er van overtuigd, dat er een groot deel waarheid schuilt in deze licencia poëtica en zij wijzen op het feit, dat de geschiedenis der middeleeuwen van Servië vele voorbeelden bevat van ontevredenen als Vouk Brankovitch, die verleid door mooie beloften van sluwe Turksche staatslieden, naar Stamboel gingen om nuttige werktuigen te worden in de handen der Ottomaansche krijgsoversten, die daardoor in staat [175]waren de Slaven van de Balkanstaten te onderwerpen. Maar de waarheid is, dat onze tegenspoed voornamelijk te wijten was aan de ongehoorzaamheid der Servische Heeren, die bijna onafhankelijk over Bosnië en Herzegovina regeerden. Deze edelen hadden geen gevolg gegeven aan den oproep van tsaar Lazarus om zich met al hun mannen bij zijn leger te voegen en zoo kwam het, dat het Servische leger aanmerkelijk kleiner was dan het Turksche.
Maar hoe het zij, de nederlaag, die de Serviërs leden in dien gedenkwaardigen slag, maakte diepen indruk op het volk, en de Serviërs hebben sinds dien steeds geloofd, dat alleen aan dit onheil de verplettering van het Servische rijk door den Turk geweten moet worden. Deze meening hield gedurende vier eeuwen stand in het hart der onderdrukte Serviërs. Na dien stonden zij herhaaldelijk tegen hun onderdrukkers op, onder anderen in het begin der vorige eeuw onder leiding van twee Servische prinsen: George Petrovitch, den grootvader van den tegenwoordigen koning Peter I Karageorgevitch in het jaar 1804, en Milosh Obrenovitch in 1815. Maar nog een eeuw moest verloopen eer de gelegenheid kwam voor een beslissenden slag, waarbij de slag van Kossovo gewroken werd. Dat geschiedde in den beroemden slag van Koumanova in 1913, waar meer Turken vielen dan vijf eeuwen geleden Serviërs. Toen pas was Servië gelukkig!
Schrijver dezes maakte de Balkanveldtocht van 1912–1913 mee, en was getuige van roemrijke daden en wapenfeiten van zijn landgenooten, die vergelijkenderwijs gesproken in geen enkel opzicht onderdoen voor die van hun voorouders uit de middeleeuwen, toen Milosh Obilitch, Marko Kralyevitch, Ban Strahiyna en anderen de Serviërs aanvoerden. Het was een indrukwekkend gezicht, toen het Servische leger na afloop van den oorlog als overwinnaar in Belgrado terugkeerde. De intocht der soldaten ging onder ontelbare triomf bogen door, waarboven reusachtige opschriften prijkten: [176]
“Voor Kossovo: Koumanovo” en “Voor Slivnitza: Bregalnitza.”
De onvermoeide Servische barden houden zich nu bezig met de heldendaden in den tegenwoordigen tijd bedreven te Monastir, Koumanovo, Periep (Prilip), Scoetari (Skadar) enz. en die zij zoodoende aan de vergetelheid ontrukken. Elk der volgende geslachten zal zich opnieuw verheugen over den triomf van den Serviër op den onderdrukker van zijn ras, aan wien tenslotte het rijk van zijn dappere voorouders ontworsteld werd—zooal niet in zijn geheele uitgestrektheid, gelijk die onder de regeering van tsaar Doushan den Machtigen was, dan toch voor zoover het zich uitstrekte in den tijd van tsaar Lazarus.
Wat tsaar Lazarus verloor, werd herwonnen door zijn dappere landslieden, mede dank zij het wijs beleid van onzen tegenwoordigen koning Peter I. [177]
1 De liefde van een zuster voor haar broer is spreekwoordelijk in Servië. Geheele balladen zijn gewijd aan schoone voorbeelden van zulk een liefde. In Servië kan geen zuster een plechtiger eed zweren, dan die welke zij aflegt bij den naam van haar broer. ↑
2 Kroushavatz was onder de regeering van tsaar Lazarus Hrebélianovitch en dus tijdens den vermaarden slag van Kossovo (A.D. 1389) de hoofdstad van het uitgestrekte Servische keizerrijk. ↑