De ochtendstond was nog niet aangebroken, nog had Danitza2 haar gelaat niet vertoond, toen een veela van den top van den berg Avala bij Belgrado luid Demitrius en Stephanus, de twee gebroeders Yakshitch riep: “O, gij broeders Yakshitch! Slechts ongunst verbergt het lot dezen morgen voor u in zijn schoot! Ziet gij niet, dat de machtige Turk zich heeft opgemaakt om de heerlijke stad Belgrado van drie kanten aan te vallen? Luistert, ik zal u de Pasha’s bij name noemen. De vizier van Tyoopria is met veertigduizend man troepen gekomen; de Pasha van Vidin leidt een leger van dertig duizend; en de Pasha van Novi Bazar heeft twintigduizend woeste Janitsaren om zich verzameld! Indien gij mij niet wilt gelooven, klim dan op den top van een uwer torens en kijk over de breede vlakte van Belgrado!”
Op het hooren van deze plechtige verzekering keek Demitrius uit, en zag werkelijk, wat de veela had gezegd. Indien er regen uit den hemel ware gevallen, dan zou er geen druppel op den grond zijn neergekomen, zoo dicht was de vlakte bedekt door de menigte Turken met hun paarden! Bij den aanblik daarvan werd hij met schrik vervuld en zonder zich een oogenblik te bedenken snelde hij naar zijn stal, zadelde zijn paard en ontsloot [178]de hoofdpoort van de vesting, rende naar buiten en liet de sleutels in de poort steken. Hij haalde de teugels niet in voordat hij een groot bosch bereikt had, en nu stond de zon reeds hoog aan den hemel. Hij sprong uit het zadel, ging aan de oevers van de verkoelende rivier Yahorika zitten en sprak aldus bij zich zelf: “Helaas, Demitrius, gij verdient het om te komen! Hoe hebt gij aldus uw eenigen broeder Stephanus kunnen achterlaten?”
Overstelpt door berouw over zijn lafheid, wilde hij naar Belgrado terugkeeren, maar het was te laat. De Turken waren de stad reeds door de geopende poort binnen getrokken. Er was niemand, die zich tegen hen verzette en na de stad geplunderd te hebben trokken zij af, waarbij zij verscheidene gevangenen mede voerden, onder wie zich ook Stephanus Yakshitch bevond. Zij onthoofdden hem niet om zijn ongewone schoonheid en omdat zij ook zeer goed bekend waren met zijn heldenmoed, waarvan de faam wijd en zijd verbreid was. Zij brachten Stephanus in tegenwoordigheid van den vizier van Tyoopria, die zoo aangenaam verrast was, toen hij hem zag, dat hij beval zijn handen vrij te maken en hem zijn paard en wapenen terug te geven. Hij gaf ook een groot feestmaal, waarbij een groot aantal kanonnen werden afgeschoten. Hierna keerde de vizier van Tyoopria met zijn geheele leger in triomf terug naar Stamboel, waar hij zijn aanzienlijken gevangene voor den Sultan leidde.
De machtige Padisha zat op zijn sidjadé,3 en nadat hij Stephanus had voorgesteld, nam de vizier in zijn nabijheid plaats. Stephanus maakte een diepe neiging en kuste de muil en de knie van den sultan. Daarna noodigde de sultan hem uit een zetel te nemen dicht bij hem en sprak aldus: [179]
“O heldhaftige Stephanus Yakshitch! Indien gij een Turk wilt worden, (Dat Allah u bescherme)! dan zal ik u tot mijn Groot-vizier van Bosnië in de stad Travnik maken! Gij zult zeven andere viziers hebben, die aan uw bevelen zullen gehoorzamen; ik zal u mijn eenige dochter ten huwelijk geven en voor u zorgen als voor mijn eigen zoon!”
Hierop antwoordde Stephanus met vaste stem: “O, groote Padisha! Gij machtige beheerscher der wereld! Ik zal nooit een Turk worden en het Heilige Kruis verzaken, ja, al boodt gij mij uw eigen kroon aan! Ik ben bereid mijn leven te geven voor het heilige, christelijke geloof!”
Op het hooren van deze stoutmoedige woorden werd de sultan zeer verstoord en gaf bevel Stephanus terecht te stellen. Maar Stephanus bezat een goed vriend in den vizier van Tyoopria, die op dit kritieke oogenblik den sultan smeekte niet toe te geven aan zijn toorn. “Laat, in den naam van Allah, o mijn Padisha,” zei hij, “een zoo onverschrokken jongeman niet onthoofden! Ik heb hem mijn eerewoord gegeven, o sultan, dat gij zijn leven niet zoudt nemen! Stel hem onder borgtocht in mijn handen! Ik zal u evenveel gouden dukaten geven als hij op uw weegschaal weegt en zal hem bewaken in mijn kasteel te Tyoopria, waar, ik beloof het u, ik hem het Mohammedaansche geloof zal leeren liefhebben.”
De sultan stond zijn vizier genadiglijk dit verzoek toe en Stephanus vertrok met den Turk naar zijn provincie.
Toen de vizier te Tyoopria kwam, noodigde hij Stephanus uit om te genieten van al de weelde van zijn kasteel en gedurende een geheel jaar beproefde hij door voorkomendheid en vriendelijkheid den Servischen prins tot het geloof van den Muzelman over te halen. Toen al zijn [180]pogingen mislukten, riep hij zijn hodja’s4 en kadi’s5 zoowel als de edellieden van zijn district op en deze mannen spraken aldus tegen Stephanus:
“O, Stephanus, de vizier heeft ons bevolen u tot het ware geloof te bekeeren. Indien gij dit wilt omhelzen, dan zal hij u zijn eenige dochter ten huwelijk geven—zij is mooier dan de witte veela zelf—en hij zal u dan doen aanwijzen tot Groot-vizier van Novi Bazar. Maar indien gij weigert een Turk te worden, dan zal zijn djelat6 uw hoofd doormidden splijten.”
Hierop antwoordde Stephanus: “Ik dank u, eerwaardige hodja’s en kadi’s! Maar ik zou liever mijn leven willen verliezen voor de zaak van ons heilig geloof en de wet van onzen Heer Jezus, dan te leven en een Turk te worden.”
De vizier wendde zich treurig af, en beval zijn djelat prins Stephanus te onthoofden. Maar weer stond Stephanus’ goed gesternte hem bij. De Groot-vizier van Novi Bazar kwam naar den vizier van Tyoopria en smeekte hem den jongen man niet te onthoofden. “Herinnert gij u niet,” zei hij, “dat gij beloofd hebt hem niet naar het leven te staan? Het zou beter zijn hem aan mij onder borgstelling over te leveren. Ik zal u tweemaal zijn gewicht in gouden dukaten geven, en ik beloof plechtig dat ik, indien ik hem in mijn provincie Novi Bazar heb, er zeker in slagen zal hem tot den Islam te bekeeren!”
De vizier van Tyoopria nam het aanbod aan en Stephanus was dus voor den tweeden keer gered van den dood.
Toen de vizier te Novi Bazar aankwam, stuurde hij om zijn knecht Hoossein.
“Luister, Hoossein, mijn getrouwe dienaar!” zei hij. [181]
“Neem dezen duur gekochten gevangene en leid hem door de kerkers, totdat gij aan den twaalfden komt; laat hem daarin en sluit de twaalf deuren zorgvuldig achter u, zoodat hij noch zon noch maan kan zien. Mij dunkt, dan zal hij spoedig bereid zijn een Mohammedaan te worden!”
Hoossein deed gelijk hem bevolen was en Stephanus werd voor een half jaar gevangen gezet. Na verloop van dien tijd kreeg de vizier medelijden met hem. Hij liet zijn eenige dochter Haykoona roepen en sprak haar aldus aan: “Mijn liefste dochter, mijn hart van zuiver goud! Luister naar de woorden van uw vader! Ga terug naar uw toren, open uw gouden kasten en tooi u met uw rijksten opschik. Trek uw mooiste gewaad van rose zijde aan, dat versierd is met fluweelen lussen en gouden draden en sla over dat alles uw van goud geweven mantel. Neem in uw rechter hand een gouden appel en onder uw arm deze flesch; het is een drank, bereid van planten en bloemetjes uit het bosch. Het wordt genoemd ‘water der vergetelheid.’ Men heeft mij gezegd, dat hij, die zijn gezicht er mede wascht en er van drinkt, zijn bloedverwanten moet haten en zijn godsdienst. Ga naar de diepste der torengewelven en open de twaalf deuren; sluit ze weer alle zorgvuldig achter u. Indien gij bij prins Stephanus komt, geef hem dan deze flesch met haar wondervollen inhoud. Hij zal stellig zijn gelaat er mede wasschen en er van drinken: dan zal hij zijn geloof vergeten, den Islam omhelzen en u trouwen!”
Het Turksche meisje haakte naar geen grooter geluk, want sinds zij den knappen Servischen prins gezien had, had een vreemd verlangen haar gepijnigd. In haar droomen zag zij niemand dan hem; en overdag werd zij verteerd van koorts.
Daarom voldeed zij met groote levendigheid aan den wensch van haar vader en toen zij Stephanus bereikte, [182]begroette zij hem teeder: “Heil u, o Servische held! Dat God met u zij!” En de ridderlijke prins beantwoordde haar groet: “Dat God u helpe, o weergalooze Haykoona!”
Toen zei het mooie meisje: “O, prins Stephanus, ik schat u hooger dan mijn zwarte oogen! Het smart mij, dat uw gelaat zoo donker geworden is en gij een zoo ellendig leven moet leiden in de gevangenisgewelven van mijn vader. Neem deze flesch verkoelend water; wasch uw heldhaftig gelaat met het vocht en drink er van!”
De held nam de flesch uit de mooie handen; maar hij was verstandig! Zonder aarzeling verbrijzelde hij haar tegen den steenen muur, waarbij hij er wel zorg voor droeg, dat geen druppel hem bespatte. Het Turksche meisje bloosde van toorn, maar een oogenblik later beheerschte zij zich en een teederen blik op den prins werpende, zei zij lieftallig: “Ik smeek u, word een Turk en trouw mij! Ik houd meer van u dan van mijn zwarte oogen.”
Maar Stephanus was tegen de verleiding bestand en hij antwoordde streng: “O, Turksche jonkvrouwe, dat ongeluk u vergezelle! Gij weet, dat mijn geloof een christen verbiedt een Turk te kussen! De hemelen boven ons zouden vaneen scheuren en steenen zouden op ons hoofd neervallen!”
De dochter van den vizier had den prins oprecht lief en ofschoon het voor haar hooghartig gemoed niet gemakkelijk was zich over zulk een afwijzing heen te zetten, sprak zij toch aldus: “O prins Stephanus, waarlijk ik heb u meer lief dan mijn eigen oogen! Ik zou voor al den rijkdom dezer wereld niet gedoopt willen zijn, maar indien gij mij bezweert, dat gij mij lief zult hebben en belooft mij te trouwen, dan wil ik zelfs het christelijk geloof omhelzen! Laat ons veel goud nemen uit mijns vaders schatkamers en te zamen vluchten naar uw heerlijk Belgrado.”
Toen hij dit hoorde, sprong de jonge prins verheugd op en opende zijn armen voor het mooie meisje. Hij was volstrekt niet ongevoelig voor haar bekoorlijkheden en hij [183]riep met vuur uit: “Gij hebt mijn prinselijke belofte, dat ik u zal liefhebben en trouw blijven—gelijk de plicht van een goed ridder is. Dat de Heere Jezus in den hemel mijn getuige zij!”
Toen opende de jonge dochter van den vizier achtereenvolgens de twaalf deuren en het jonge paar stond weldra in de heerlijke, frissche lucht, onder het uitspansel, dat bezaaid was met sterren en bestraald werd door het licht der maan. Zij namen drie tovars goud en uit haar vaders stallen twee van zijn beste paarden. En het meisje gaf Stephanus een sabel, bezet met groote diamanten—het was half Novi Bazar waard—zeggende: “Neem dit zwaard, mijn geliefde heer, opdat gij niet gedwongen wordt te zwichten voor mindere helden, indien wij op onzen weg mochten aangevallen worden!”
Toen stegen zij op hun paarden en zetten ze tot snelle vaart aan: in een nacht legden ze een afstand tusschen zich en het kasteel van den vizier, waarover een karavaan niet minder dan drie dagen en drie nachten zou gedaan hebben.
Den volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag bereikten zij Belgrado en onmiddellijk liet prins Stephanus twaalf monniken komen, die het mooie Turksche meisje doopten, waarna het jonge paar gelukkig vereenigd werd.
De bard eindigt zijn ballade met de volgende woorden, die dikwijls het slot van een Montenegrijnsche ballade vormen: “Dit gebeurde op zekeren tijd; laat ons, o broeders, God bidden, dat hij onzen heiligen Vladika7 een goede gezondheid schenke! Amen o God, tot Wien wij altijd bidden!” [184]
In den regel eindigen de Servische barden zoo niet; zij stellen er zich mee tevreden hun toehoorders een goede gezondheid toe te wenschen.
Gedurende de lange periode van Ottomaansche overheersching over de lijdende christelijke rassen van de Balkanstaten waren er aan de hoven der christenvorsten altijd ontevredenen, die de sluwe Turksche staatslieden maar al te gemakkelijk geneigd vonden hun trouw aan hun rechtmatige heeren te breken. Zij vonden steeds groote gastvrijheid te Constantinopel en werden vaak met rijkdom en eerbewijzen overladen. Daarvoor bewezen zij dan zeer gewichtige diensten aan de sultans in hun vele veldtochten, daar zij natuurlijk goed bekend waren met den strategischen toestand van hun land en vaak ook met gewichtige staatsgeheimen. Soms dienden deze verraders den Turk door in hun eigen land voornamelijk onder de boeren ontevredenheid te zaaien. Zij verzekerden dan, dat de bevolking het beter zou hebben onder Ottomaansch bestuur. Onder den invloed van zulke afvalligen kwam het landvolk in Bosnië en Herzegovina ten tijde van den slag van Kossovo (1389) tegen zijn heerschers in opstand en nam het geen deel aan den gedenkwaardigen veldslag.
Het aantal voorbeelden van een dergelijk verraad, dat Montenegro oplevert, is echter zeer gering. Van de vroegste tijden af werd het bewoond door de edelsten van de Servische aristocratie en haar helden. Daar werd het aannemen van het geloof van den Islam, onverschillig om welke reden of op welk motief ook als de grootste lafhartigheid beschouwd, waaraan een christen zich schuldig kon maken. [185]
2 Danitza is de morgenster. De Servische barden beginnen vaak hun gedichten met de vermelding van den ochtendstond en de verschijning van “Danitza”. Verscheidene algemeen bekende balladen beginnen aldus: De maan beknort de ster Danitza: “Waar zijt gij geweest? Waarmee hebt gij uw tijd verspild?” En Danitza deelt dan ter verontschuldiging van haar lang wegblijven onveranderlijk aan de Maan mede, hetgeen zij in den nacht, gedurende haar afwezigheid heeft gezien, meestal een slechte daad van een Turk of een bewijs van karakterloosheid van een jongen man tegenover zijn broer of een ander bloedverwant, een oneerlijkheid bij de verdeeling van het vaderlijk erfdeel, of iets dergelijks. ↑