[Inhoud]

Hoofdstuk XIII. Drie servische balladen.

[Inhoud]

De bouw van Skadar (Scoetari).1

De volgende gedichten zijn overgenomen uit Sir John Bowrings “Servian popular Poetry”, London 1827. Deze vertalingen zijn in dien vorm opgenomen, om eenig denkbeeld te geven van den vorm van het nationale gedicht, waaraan de stof van dit boek voor het grootste gedeelte ontleend is.

Drie broeders kwamen overeen een vesting te bouwen.

Het waren de gebroeders Mrnyavtchevitch,

Kraly Vukashin2 was de oudste broeder;

En de tweede was voïvode-Uglesha;

En de derde, de jongste broeder, Goïko.

Volle drie jaren werkten zij aan de vesting,

De vesting Skadra, aan de rivier Boyana;

Volle drie jaren werkten ook drie honderd werklieden.

IJdel was de poging om de grondvesten voor den muur te leggen.

Nog ijdeler die om de vesting zelf op te trekken:

Wat des avonds door de werklieden was opgetrokken,

Werd voor de ochtendschemering door de veela geslecht.

Toen in ’t vierde jaar opnieuw werd begonnen,

Hoor! de veela van den met bosch begroeiden berg

Riep—“Gij koning Vukashin! IJdel is uw pogen!

Nooit, nooit zult gij de vesting bouwen,

Indien gij niet twee gelijknamige wezens vindt,

Indien gij niet vindt Stoyan en Stoyana:

En deze beiden,—die elkaar liefhebben,

Zij moeten onder het fundament worden ingemetseld.

Dan alleen zullen de fundamenten de vesting dragen,

Dan kunt gij de muren optrekken.” [198]

Toen Vukashin de woorden der veela hoorde,

Riep hij spoedig tot Dessimir, zijn dienstknecht:

“Luister Dessimir, mijn getrouwe dienstknecht,

Gij waart mij steeds een trouw dienaar;

Van dezen dag af zult gij mijn zoon zijn;

Span mijn renpaarden voor mijn zegewagen,

Belaad dien met zes lasten gouden schatten,

Reis de geheele wijde wereld door, en breng mij,

Breng mij mede die twee wezens van één naam,

Breng mij die twee, die elkaar zoo liefhebben,

Breng mij Stoyan en Stoyana.

Steel hen, zoo ge hen met goud niet kunt koopen,

Breng hen hier naar Skadar aan de Boyana.3

Wij zullen hen begraven onder de fundamenten van den muur,

Dan zullen de fundamenten den muur kunnen dragen,

Dan zullen wij onze vesting Skadar kunnen bouwen.”

Dessimir gehoorzaamde aan het bevel van zijn meester.

Hij spande onmiddellijk de paarden voor den wagen,

Vulde dien met zes lasten gouden schatten.

Door de geheele wijde wereld reed de getrouwe dienstknecht

En rondzwervend vroeg hij overal naar de gelijknamige schepsels,

Naar de tweelingen—naar Stoyan en Stoyana;—

Volle drie jaren zocht hij hen—zocht hen te vergeefs:

Nergens vond hij Stoyan en Stoyana.

Toen spoedde hij zich huiswaarts naar zijn meester;

Hij bracht den koning zijn paarden en zijn wagen en

Gaf hem zijn zes lasten gouden schatten.

“Hier, mijn vorst, zijn uw paarden en wagen:

Hier hebt gij uw gouden schatten—

Vergeefs zocht ik deze gelijknamige wezens:

Nergens vond ik Stoyan en Stoyana.” [199]

Toen Vukashin zijn dienaar had ontslagen,

Riep hij onmiddellijk zijn bouwmeester Rado.

En Rado riep zijn driehonderd werklieden;

En zij vingen weer aan de vesting Skadar te bouwen;

Maar ’s avonds slechtte de veela hun werk weer.

Vergeefs trachtten zij de fundamenten van den muur te leggen;

Vergeefsch was hun poging de vesting Skadar te bouwen.

En de veela van het bergwoud riep:

“Vukashin, luister, luister naar mij!

Gij verkwist uw rijkdom en verspilt uw kracht.

Vergeefs tracht gij het fundament voor den muur te leggen,

Vergeefs poogt gij de vestingmuren op te richten!

Luister nu naar mij: gij zijt met drie broeders.

Ieder heeft tehuis een getrouwe gade.

Zij, die morgen naar de Boyana komt,

Zij, die de rantsoenen aan de werklieden brengt,

Sluit haar diep in der muren fundamenten

Zoodoende zullen de fundamenten stevigheid erlangen.

Dan zult gij de sterkte aan de Boyana bouwen.

Toen de koning de veela hoorde,

Riep hij terstond zijn beide broeders tot zich:

“Hoort mijn woorden, hoort nu mijn woorden, broeders!

Aldus sprak de veela van het woud op den berg:

Verspil niet langer uw schatten en uw kracht

Met uw vergeefsche pogingen om de vesting te bouwen

Op een wrak en ondeugdelijk fundament.

Voorts zei de veela van het woud op den berg:

Ieder uwer bezit een getrouwe gade;

Ieder een getrouwe bruid, die uw woning bestiert;

Zij, die morgen naar de vesting komt,

Zij, die de werklieden hun rantsoen brengt,

Worde onder de fundamenten van den muur ingemetseld;

Dan zullen de fundamenten de vesting dragen,

Dan kan de vesting aan de Boyana verrijzen. [200]

Nu dan broeders! In Gods heilige tegenwoordigheid

Laat ieder zweren het vreeselijke geheim te bewaren;

Dat het noodlot beslisse, wie de eerste zal zijn,

Die haar weg neemt naar de rivier van Skadar.”

En elk der broers zwoer in Gods heilige tegenwoordigheid

Het vreeselijke geheim voor zijn vrouw te bewaren.

Toen de nacht op de aarde was neergedaald,

Spoedde zich ieder naar zijn eigen witte woning;

Ieder nam deel aan het liefelijk avondmaal,

Ieder zocht zijn bed voor den verkwikkenden slaap.

Zie! Toen gebeurde er een verbazingwekkend wonder.

Het eerst brak Vukashin zelf zijn eed,

Toen hij zijn vrouw het vreeselijk geheim toefluisterde:

Verschuil u! mijn getrouwe gade, houd u verborgen!

Ga morgen niet naar de Boyana!

Breng den werklieden morgen geen voedsel!

Anders, mijn schoone! zal het u uw jonge leven kosten

En onder de muren zal men u insluiten!”

Ook Uglesha brak zijn eed!

En hij gaf zijn vrouw met deze woorden raad:

“Begeef u niet noodeloos in gevaar, liefste lief!

Ga morgen niet naar de Boyana!

Breng den werklieden hun rantsoen niet!

Anders kon het zijn, dat gij van uw vriend nu reeds gescheiden werdt,

Het kon zijn, dat gij ingesloten werdt onder het fundament!”

Getrouw aan zijn eed, fluisterde de jonge Goïko

Geen woord ter waarschuwing aan zijn lieftallige gade.

Toen de ochtend begon te grauwen,

Stonden al de broeders bij het aanbreken van den dag op,

En ieder spoedde zich naar de Boyana:

Aanschouwt nu! twee edele jonge vrouwen: [201]

Ze zijn half-zusters, de oudste zusters—

De een brengt haar door de sneeuw gebleekt linnen

Om het nog eens in de zomerzon te bleeken.

Zie! zij komt naar de bleekvelden—

Daar blijft zij staan—zij doet geen stap nader.

Zie! de tweede, met de kruik van roode klei;

Zie! zij komt—zij vult ze in het stroompje;

Daar praat zij met andere vrouwen—draalt—

Ja! zij draalt—doch komt geen schrede nader.

De jeugdige vrouw van Goïko draalt thuis;

Want zij heeft een kindje in de wieg.

Geen volle maand oud is de kleine lieveling:

Maar de tijd van het maal nadert;

En haar bejaarde moeder zet haar aan tot arbeid;

Liefst zou zij de dienstmaagd roepen om haar te bevelen

Het middagmaal naar de Boyana te brengen.

“Niet zoo!” zei de jonge gade van Goïko;

“Blijf, zit rustig neer, ik bid u moeder!

Wieg het kindje in zijn wieg:

Ik zelf zal het voedsel naar Skadar brengen.

In het aangezicht van God zou het een schande zijn.

Een beleediging en schande voor het geheele volk,

Indien geen van ons drieën bereid zou zijn om het te dragen.”

Zoo bleef zij thuis, de bejaarde moeder.

En zij wiegde de kleine lieveling in de wieg.

Toen stond Goïko’s jeugdige gade op,

Riep alle dienstmaagden om zich heen,

Gaf haar het voedsel, en gaf bevel haar te volgen.

Toen zij de stroomende rivier Boyana bereikten,

En Mrnyavtchevitch Goïko haar zag,

Omhelsde hij met verscheurd hart zijn jeugdige gade;

Kuste duizend keer haar sneeuwwit voorhoofd.

Brandende tranen vloeiden snel van zijn oogleden—

[202]

En hij sprak met van smart gebroken stem:

“O mijn gade, mijn eigen: hoe innig ben ik over u bekommerd.

Hebt gij geen oogenblik gedroomd, dat gij moest omkomen?

Waarom hebt gij onze kleine verlaten?

Wie zal onze kleine baden in uw afwezigheid?

Wie zal de borst ontblooten om de zuigeling te voeden?”

Meer en steeds meer zou hij nog willen spreken,

Maar de koning stond het niet toe. Vukashin

Grijpt haar blanke hand en roept

Meester Rado—hem, den bouwmeester;

En hij roept zijn driehonderd werklieden.

Maar de jonggehuwde glimlacht en waant het

Alles een grap—geen vrees overvalt haar.

Als de driehonderd werklieden zich om haar verzamelen,

De steenen opstapelen en de balken rondom haar.

Zij hebben haar nu ingesloten tot den gordel.

Hooger verheffen de muren en balken zich, steeds hooger;

Eindelijk begrijpt de rampzalige het lot dat haar wacht.

En zij gilt luid in haar wanhoop;

In haar smart smeekt zij haar echtgenoot en zijn broeders:

“Kunt gij aan God denken? hebt gij geen medelijden?

Kunt gij mij aldus insluiten, mij, jong en gezond?”

Maar te vergeefsch, tevergeefsch waren haar smeekingen;

En haar broeders verlieten haar, toen zij voortging met smeeken.

Schaamte en vrees volgden toen op verwijten

En met deerniswekkende stem riep zij tot haar echtgenoot:

“Kan het, kan het zijn, mijn heer en echtgenoot,

Dat gij mij, zoo jong, meedoogenloos laat insluiten?

Laat ons gaan en mijn bejaarde moeder opzoeken:

Laat ons gaan—mijn moeder, zij is rijk: [203]

Zij zal een slaaf koopen—een man of een vrouw,

Dien gij begraven kunt onder de fundamenten van den muur.”

Toen de moeder-gade—de gade en moeder,

Zag, dat haar smeekbeden en klachten onverhoord verklonken,

Richtte zij zich tot Neimar Rado:4

“In Gods naam, mijn broeder Neimar Rado,

Laat een opening voor deze sneeuwwitte borst,

Laat mij deze sneeuwwitte borst vrij kunnen opheffen,

Als mijn sprakelooze Yovo tot mij komt.

Als hij komt, o laat hem mijn borst ledigen!”

Rado beval den werklieden aan haar verzoek te voldoen

En een venster te laten voor haar sneeuwwitte borst,

Zoodat zij haar vrij zou kunnen opheffen,

Als haar sprakelooze Yovo tot haar zou komen,

Als hij kwam om uit haar borst te drinken.

Nog eens riep zij tot Neimar Rado,

“Neimar Rado! In Gods naam, mijn broeder!

Laat ook voor mijn oogen een klein venster,

Opdat deze oogen onze witte woning zien kunnen,

Als mijn Yovo naar mij toe gebracht wordt,

Als mijn Yovo naar huis wordt gedragen.”

Rado beval zijn werklieden haar te gehoorzamen.

En voor die heldere oogen een klein venster te laten,

Opdat haar oogen haar eigen witte woning zouden zien,

Als haar kindje Yovo tot haar gebracht werd,

Als zij het kindje Yovo naar huis zouden brengen.

Zoo bouwden zij den zwaren muur rondom haar.

En brachten toen het kindje in zijn wieg

Dat een lange poos door zijn moeder gezoogd werd

Toen werd haar stem zwak—toen zweeg zij geheel.

Nog vloeide de stroom en voedde het kind:

[204]

Ruim een jaar hing hij aan haar borst;

Nog vloeide de stroom—en hij vloeit nog steeds.5

Als de levensstroom in haar opdroogt,

Komen de vrouwen daarheen—de plaats behoudt haar kracht—

Komen ze daarheen om haar schreiende kinderen te stillen.

Werd voor de ochtendschemering door de Veela geslecht

Werd voor de ochtendschemering door de Veela geslecht

[Inhoud]

II. De Stiefzusters.

Een hooge, slanke den stond tusschen twee groene lorkenboomen.

Lorkenboomen waren zij niet, deze twee,

En geen hooge, slanke den stond er tusschen.

Het waren broeders, kinderen van een moeder.

De een was Paul; de andere broeder Radool,

En middenin Yelitza, hun zuster.

Hartelijk was de liefde, die de broeders haar toedroegen;

Menig teeken van genegenheid gaven zij haar,

Soms een schitterend geschenk en dikwijls kleinigheden,

En ten laatste een mes met zilveren heft.

En versierd met goud; dat gaven zij hun zuster.

Toen Pauls jeugdige gade dit had gehoord,

Verhief haar boezem zich van jaloezie:

En zij riep verwoed tot de gade van Radool:

“Ach zuster! Mijn zuster in den Heer,

Kent gij een plant van demonische kracht,

Die verderf over onze zuster kan brengen?” [205]

De gade van Radool antwoordde snel:

“In Godsnaam, zuster, wat bedoelt gij?

Van tooverkruiden weet ik niets—En wist ik het wel,

Nooit zou ik u ervan vertellen, nooit;

Want mijn broeders hebben mij lief; ja, ze hebben mij lief.

Van hun liefde geven zij mij menigmaal bewijs.”

Toen Pauls jeugdige gade dit antwoord had vernomen,

Begaf zij zich naar het paard in de weide,

Bracht het een doodelijke wonde toe, en spoedde

Zich naar haar echtgenoot, dien zij aldus aansprak:—

“Uw zuster, die gij liefhebt, is die liefde onwaardig,

Uw gaven zijn aan deze onwaardige slechts verspild;

Uw ros, dat in de weide liep, heeft zij doorstoken.”

Toen wendde Paul zich tot Yelitza, zijne zuster

En vroeg: “Waarom deedt gij ’t?—Dat God er u voor straffe!”

Doch toen de maagd ontkende en zwoer:

“Bij mijn leven en bij uw leven, ik deed het niet!”

Toen twijfelde hij niet meer aan zijn zuster.

Waarop Pauls jonge gade, toen zij dit merkte,

Zich ’s avonds heimelijk spoedde naar den tuin,

Waar zij Pauls grijzen valk den nek omdraaide—

Toen spoedde zij zich naar haar echtgenoot en zei:

“Uw zuster, die gij liefhebt, is die liefde onwaardig,

En uw gaven zijn aan deze onwaardige slechts verspild,

Zie! Zij doodde Uw lievelingsvalk.”

Paul ondervroeg Yelitza, zijne zuster.

“Zeg mij waarom, en God moge u straffen!”

Maar hoog en luid bezwoer zijn zuster:

“Ik was het niet, bij mijn leven, broeder;

Bij mijn leven en het uwe, ik deed het niet!”

En de broer geloofde zijn zuster weer. [206]

Toen Pauls jeugdige vrouw dit bemerkte,

Sloop zij ’s avonds van den avondmaaltijd weg,

En stal het gouden mes en daarmede vermoordde,

Vermoordde zij haar arme kindje in de wieg!

En toen de ochtendstond den morgen bracht,

Wekte zij schreeuwend haar echtgenoot

“Wee!” schreeuwde zij en reet haar wangen open:

“Boos is de liefde, die gij uw zuster toedraagt.

En uw gaven zijn aan deze onwaardige verspild;

Ons kindje in de wieg heeft zij doorstoken!

Zult gij nog langer aan mijn woorden twijfelen?

Zie! het mes is in uw zusters gordel.”

Paul sprong op, als door den waanzin overmeesterd,

Onstuimig stormde hij naar de verdieping boven,

Waar zijn zuster op haar matten sliep

Met het gouden mes onder haar kussen.

Snel greep hij het gouden mes,—en trok het—

Hij trok het nijgend uit de zilveren scheede;—

En zie, ’t was vochtig van het bloed,—

’t Was rood en met geronnen bloed bedekt!

Toen Paul, de edele, dit zag, greep hij haar vast,—

Hij knelde haar kleine, mooie hand en vloekte haar:

“Dat Gods vloek op u ruste, zuster!

Gij hebt mijn lievelingspaard vermoord;

Uw hand vermoordde ook mijn edele valk;

Maar gij hadt de hulpelooze zuigeling moeten sparen.”

Nog luider en op hooger toon nog zwoer zijn zuster:

“Ik was het niet, bij mijn leven, mijn broeder,

Bij mijn leven en bij uw leven, ik zweer het u!

Maar indien gij op mijn eed geen acht wilt geven;

Voer mij dan naar de open vlakten der wildernis;

Bind uw zuster aan de staarten uwer paarden;

Laat vier paarden mijn ledematen vaneen scheuren.”

En de broer vertrouwde zijn zuster niet! [207]

Woest greep hij haar blanke armen—en droeg haar

Naar de verwijderde vlakten—de open wildernis;—

Aan de staarten van vier paarden bond hij haar

En hij joeg ze voort over de woestenij;—

En ziet! waar een druppel stortte van haar bloed,

Daar ontsproot een bloem,—een geurig bloempje;

Waar haar lichaam viel, toen het dood en verminkt was,

Daar rees een kerk op uit de wildernis.

Korte tijd verliep; een noodlottige ziekte

Overviel Pauls jeugdige gade;—de ziekte

Lag negen lange jaren op haar,—een zware ziekte!

Hondstarwegras schoot op tusschen haar beenderen

En daartusschen nestelden toornige slangen,

Die, ofschoon verborgen, de helderheid van het licht harer oogen dronken.

Toen betreurde zij haar lot en toen zij wanhopend treurde,

Sprak zij aldus tot Paul, haar echtgenoot:

“O breng mij, Paul, mijn heer

En voer mij naar de kerk uwer zuster,

Want zoo er redding is, vind ik ze mooglijk daar.”

Toen Paul de bede van zijn gade hoorde,

Droeg hij haar naar zijn zusters kerk

En nauwelijks had hun voet ’t portaal der kerk betreden,

Of zij vernamen een geheimzinnige stem:

“Kom hier niet, jonge vrouw! kom hier niet!

Want deze kerk kan u noch redding, noch genezing geven.”

Groot was haar zielesmart, toen zij dit hoorde;

En smeekend zei de vrouw tot Paul, haar heer:

“In Godsnaam, Paul, mijn echtgenoot, mijn heer!

Breng mij nooit, nooit naar onze woning terug!

Bind mij aan de staarten van de wilde paarden en jaag ze,

Jaag ze in de onmetelijke wildernis;

Laat hen mijn ellendige ledematen uiteen rukken.”

[208]

En Paul verhoorde de bede van zijn gade.

Hij bond haar aan de staarten van vier wilde paarden;

Joeg ze voort over de groote vlakte der woestenij

En waar een druppel van haar bloed neerviel,

Daar sprongen stekelige doornen en distels op

En waar het lichaam viel, toen het dood was,

Stroomden de wateren toe en vormden een stilstaand meer.

Over het meer zwom een klein, zwart paard,

Naast hem dreef een gouden wieg,

Op de wieg zat een jonge, grijze valk,

In de wieg sluimerde een klein kindje,

Met de blanke hand zijner moeder om zijn keel:

En die hand omknelde een gouden mes.

Waar zij Pauls grijzen valk den nek omdraaide

Waar zij Pauls grijzen valk den nek omdraaide

[Inhoud]

III. De ontvoering van de schoone Iconia.

Gouden wijn drinkt Theodorus van Stalatch,6

In zijn kasteel Stalatch aan de Morava;

Zijn bejaarde moeder schenkt hem wijn in.

Terwijl de wijn-dampen naar zijn hoofd stijgen—

Spreekt de moeder aldus tot den held:

“Mijn zoon! Gij, Theodorus van Stalatch!

Zeg mij, waarom zijt gij niet gehuwd?

Gij zijt in de dagen van jeugd en schoonheid:

In uw woning zou uw bejaarde moeder

Nu graag uw kinderen rondom zich zien spelen.”

En hij, Theodorus van Stalatch, antwoordde:

“God is mijn getuige, o mijn bejaarde moeder!

Ik heb door menig land en stad gezworven

Maar nooit vond ik het gezochte meisje;

Of, als ik het meisje vond, dan vond ik nooit

In uw hart vriendelijke gevoelens jegens haar;

En als gij u vriendelijk en voorkomend toondet, [209]

Dan vond ik het meisje valsch en trouweloos.

Maar toen ik gisteren, bij zonsondergang,

Dwaalde bij de rivier de Ressava,

Zie: daar zag ik dertig liefelijke maagden

Bezig op de oevers haar garen en linnen te bleeken:

Onder haar bevond zich de schoone Iconia,

De schoonste dochter van vorst Miloutin;

Van hem, den vorstelijken heerscher over Resseva.

Zij zou waarlijk een bruid zijn om lief te hebben.

Zij zou waarlijk Uw genegenheid waard zijn:

Maar dat meisje is reeds verloofd;

Haar hand is beloofd aan George Irene—

Aan Irene, voor Sredoi, zijn bloedverwant.

Maar ik wil dat meisje winnen—ik wil haar winnen

Of de poging zal mij mijn leven kosten, moeder!”

Zijn moeder ontried hem dit en waarschuwde hem—

“Zeg dat niet, mijn zoon! het meisje is verloofd;

Het is geen grap! zij is verwant aan monarchen.”

Maar de held sloeg geen acht op zijn moeder:

Luid riep hij tot Dobrivoy, zijn knecht—

“Dobrivoy! kom hier, trouwe dienstknecht!

Breng mijn bruine paard voor, en maak het gereed.

Leg het het zilveren zadel op den rug,

Tuig het op met de met goud geboorde teugels.”

Toen het ros gereed was, ging hij er heen,

Hij wierp zich op zijn rug, gaf het de sporen,

En stuurde ’t naar de kalme rivier de Morava,

Die door de vreedzame vlakte van Ressava stroomt.

En hij bereikte de kalme rivier Ressava;

Daar zag hij weer de dertig maagden—

Daar zag hij de schoone Iconia,

Toen veinsde de held een plotselinge ongesteldheid;

Vroeg om hulp; en begroette haar hoffelijk—

“God in den hooge zij met u, lieftallig meisje!” [210]

En de lieftalligste beantwoordde zijn woorden,

“En u zij zaligheid, vreemdeling en krijgsman?”

“Lief meisje! in naam van de liefde des hemels,

Wilt gij mij een beker verkoelend water geven?

Want een hevige koorts gloeit in mij;

Ik durf niet van mijn paard te stijgen, schoon meisje!

Want mijn ros heeft een boozen trek—

Tweemaal wil hij zijn ruiter niet laten opstijgen.”

Warm en ernstig was het medelijden van het meisje;

En met lieve stem sprak zij hem aldus aan:

“Neen! dat niet—dat niet, gij onbekende krijgsman!

Hard en zwaar is het water van de Ressava;

Hard en zwaar zelfs voor gezonde krijgslieden;

Hoe veel te meer voor hen, die door koorts aangetast en vermoeid zijn!

Wacht, en ik zal U een beker wijn brengen.”

Snel trippelde het meisje naar haar woning;

Zij keerde terug met een gouden beker met wijn,

Dien zij Theodorus van Stalatch toereikte.

Hij strekte zijn hand uit; echter niet den beker wijn,

Maar de hand van het meisje greep hij

En met een zwaai wierp hij haar op zijn kastanjebruin paard achter zich:

Driemaal omwond hij haar met zijn lederen gordel,

En ten slotte bond hij haar ook met zijn degenriem;

En hij bracht haar naar zijn eigen witte woning.

[211]


1 Skadar of Skadra afgeleid van de Italiaansche benaming Scodra of ook Scoetari, de tegenwoordige hoofdstad van Albanië. Scoetari heeft sinds onheugelijke tijden aan de Serviërs behoord. 

2 Kraly beteekent Koning. 

3 Boyana is de naam van de rivier, die de muren van Skadar bespoelt 

4 Neimar beteekent architect. 

5 Sir John Bowring, die in 1827 hierover schreef, verhaalt, dat een kleine stroom van vloeibare koolzure kalk op de muren van Scoetari wordt aangemerkt als een blijk van de waarheid dezer geschiedenis. Vouk St. Karadgitch zegt, dat het Servische volk zelfs nu nog gelooft, dat geen groot gebouw met succes opgericht kan worden, zonder dat er een levend wezen ingemetseld wordt. Daarom vermijden zij de nabijheid van zulke gebouwen, als men bezig is ze op te trekken, want er wordt gezegd, dat het reeds voldoende is, wanneer slechts de geest van zulk een ongelukkige wordt ingemetseld, waarop echter een spoedige dood volgt. Srpske Narodne Pyesme, Weenen 1875, deel II p. 124 noot 20. 

6 Een vervallen vesting aan de oevers van de rivier Morava. Den zelfden naam draagt een stad in Midden-Servië, niet ver verwijderd van het kasteel van Theodorus.