Er was eens een koning, die drie zoons had. In den tuin van het paleis groeide een gouden appelboom, die in een en denzelfden nacht bloeide en rijpe vruchten droeg. Maar gedurende den nacht kwam een dief en plukte de gouden appelen, en niemand wist hem te ontdekken. Op zekeren dag overlegde de koning met zijn zoons en zei: “Het was mij heel wat waard, als ik wist, wat er met de vruchten van onzen appelboom gebeurt!” Daarop antwoordde de oudste zoon: “Ik zal vannacht onder den appelboom de wacht houden en zien, wie de vruchten plukt.”
Toen de avond daalde, legde de prins zich onder den appelboom om de wacht te houden; maar terwijl de appels rijpten, viel hij in slaap en ontwaakte niet voor den volgenden morgen, toen de appels verdwenen waren. Hij vertelde zijn vader, wat er was gebeurd, waarop zijn broeder, de tweede zoon, aanbood dien nacht de wacht te houden. Maar hij had niet meer succes dan zijn oudste broer.
Het was nu de beurt van zijn jongsten zoon om zijn geluk te beproeven en toen de nacht kwam, plaatste deze een bed onder den boom en legde zich neer om te slapen. Ongeveer middernacht werd hij wakker en keek op naar den boom. En zie! de appels rijpten juist en het geheele kasteel was verlicht door hun glans. Op dat oogenblik vlogen negen pauwinnen naar den boom en streken neer op de takken, waar acht harer gingen zitten om de vruchten te plukken. Maar de negende streek dadelijk op den grond neer, waar ze in een meisje veranderde. Zoo mooi was zij, dat men vergeefs naar haar gelijke zou zoeken door het geheele koninkrijk.
Streek dadelijk op den grond neer, waar ze in een meisje veranderde
De prins werd onmiddellijk doodelijk verliefd op zijn bezoekster en het mooie meisje was volstrekt niet onwillig [266]om te blijven en met den jongeman te praten. Zoo verstreken een paar uren. Ten laatste zei het meisje, dat zij niet langer mocht blijven. Zij dankte de prins voor de appels, die haar zusters hadden geplukt; maar hij vroeg, of zij hem er althans een wilde geven om mee naar huis te nemen.
Het meisje glimlachte lieftallig en overhandigde hem twee appels, een voor hem zelf, den anderen voor zijn vader, den koning. Toen veranderde zij weer in een pauwin, voegde zich bij haar zusters en allen vlogen heen.
Den volgenden morgen bracht de prins de twee appels naar zijn vader. De koning, die zeer tevreden was, prees zijn zoon, en den volgenden nacht begaf de gelukkige prins zich evenals den vorigen keer naar den boom en ’s morgens bracht hij weer twee appels bij zijn vader. Toen dit verscheidene nachten gebeurd was, werden zijn twee broers jaloersch, omdat zij niet instaat waren geweest te doen, wat hij had gedaan. Toen bood een slechte, oude vrouw den ontevreden prinsen aan hun het geheim te openbaren. Den volgenden avond sloop de oude vrouw zachtjes onder het bed van den jongen prins en verborg zich daar. Spoedig daarop verscheen de prins en viel dadelijk evenals de vorige keeren in slaap. Toen het middernacht was, zie! streken de pauwinnen als gewoonlijk neer; acht gingen er op de takken van den appelboom zitten, maar de negende daalde neer op het bed van den prins en veranderde dadelijk in een meisje. Toen de oude vrouw deze vreemde gedaanteverwisseling zag, kroop zij zachtjes nader en sneed een lok van het haar van het meisje af, waarop dit dadelijk opstond en weer in een pauwin veranderde en met haar zusters verdween. Toen sprong de jonge prins op, verwonderd over het plotseling vertrek van zijn geliefde, en keek overal rond. Hij zag de oude vrouw, sleurde haar onder het bed vandaan en beval zijn knechts haar vast te binden aan de staarten van vier paarden en haar zoo te dooden.
Maar de pauwinnen kwamen nooit terug, tot groot [267]verdriet van den prins, die luid weenend uiting gaf aan zijn smart.
Weenen beweegt geen enkelen berg, en eindelijk besloot de prins de wijde wereld in te gaan, om zijn liefste te vinden en niet terug te keeren, voordat hij haar had gevonden. Als een goed zoon vroeg hij toestemming aan zijn vader, die al zijn best deed, hem van dit gewaagde plan af te brengen en hem een veel mooiere bruid beloofde uit zijn uitgestrekt koninkrijk—want hij was er zeker van, dat elk meisje blij zou zijn zulk een dapperen prins te trouwen.
Maar al zijn vaderlijke raad was vergeefsch, zoodat de koning den prins tenslotte toestond te doen, wat zijn hart verlangde en de bedroefde prins vertrok slechts van een bediende vergezeld, om zijn liefste te zoeken. Nadat hij een langen tijd had gereisd, kwam hij eindelijk aan den oever van een groot meer, waarbij een prachtig kasteel stond, waarin een heel oude vrouw woonde, een koningin met haar eenige dochter. De prins vroeg de bejaarde koningin smeekend: “Ik bid u, grootmoeder, vertel mij, wat u weet van de negen gouden pauwinnen?” De koningin antwoordde: “O, mijn zoon, ik ken deze pauwinnen heel goed, want zij komen elken dag om twaalf uur naar dit meer om te baden. Maar deedt gij niet beter deze pauwinnen te vergeten en zoudt gij niet liever naar dit mooie meisje zien. Zij is mijn eenige dochter en zal mijn rijkdommen en schatten erven en gij kunt dan alles met haar deelen.” Maar de prins, die ongeduldig was om de pauwinnen te vinden, luisterde niet eens naar de koningin. Toen de oude dame zijn onverschilligheid zag, kocht zij zijn knecht om en gaf hem een blaasbalg, zeggende: “Ziet gij dit? Indien gij morgen naar het meer gaat, blaas dan stilletjes achter in den hals van uw meester, hij zal in slaap vallen en niet tegen de pauwinnen kunnen spreken.” [268]
De ontrouwe knecht stemde er in toe om precies te doen, wat de koningin hem beval, en toen zij naar het meer gingen, maakte hij van de eerste gunstige gelegenheid gebruik om met den blaasbalg achter den hals van zijn armen heer te blazen, waarop de prins in een zoo diepen slaap viel, dat hij wel een doode geleek. Spoedig daarna vlogen de acht pauwinnen naar het meer, en de negende streek neer op het paard van den prins, omhelsde hem en sprak: “Ontwaak lieveling! Word wakker, geliefde! O, doe het!” Helaas, de arme prins bleef als dood. Toen verdwenen al de pauwinnen, nadat zij hadden gebaad.
Kort na haar vertrek ontwaakte de prins en vroeg aan zijn knecht: “Wat is er gebeurd? Zijn zij hier geweest?” De knecht antwoordde, dat zij er werkelijk waren geweest; dat acht harer in het meer hadden gebaad, terwijl de negende hem geliefkoosd en gekust had en beproefd had hem uit den slaap te wekken. Toen hij dit hoorde, was de prins zoo boos, dat hij er bijna toe gekomen was om zich zelf te dooden.
Den volgenden morgen gebeurde hetzelfde. Maar bij deze gelegenheid verzocht de pauwin aan den knecht den prins te zeggen, dat zij den volgenden dag voor het laatst zou terugkeeren. Toen de derde dag daagde, ging de prins weer naar het meer, en uit vrees weer in te slapen, galoppeerde hij langs den oever, in plaats van langzaam stapvoets te gaan. Maar zijn bedriegelijke knecht volgde hem dicht op de hielen en vond weer gelegenheid den blaasbalg te gebruiken, en weer viel de prins in slaap.
Kort daarna verschenen de pauwinnen; acht gingen zich als gewoonlijk baden, en de negende streek neer op het paard van den prins, en beproefde hem te wekken. Zij omhelsde hem en sprak aldus: “Word wakker, lieveling. Liefste, sta op! O, mijn ziel!” Maar haar pogingen waren vruchteloos; de prins sliep, alsof hij dood was. Toen sprak zij tot den knecht: “Als uw heer wakker wordt, zeg hem dan, dat hij den kop van den spijker moet [269]afslaan; dan alleen zal hij in staat zijn mij weer te vinden.”
Na dit gezegd te hebben, verdween de pauwin met haar zusters en nauwelijks waren zij verdwenen, of de prins ontwaakte en vroeg aan zijn knecht: “Zijn zij er geweest?” En de boosaardige man antwoordde: “Ja; zij, die neerstreek op uw paard, gaf mij bevel u te zeggen, dat gij, indien gij haar terug wenscht te vinden, eerst den kop van den spijker af moet slaan.” Toen de prins dit hoorde, haalde hij zijn zwaard uit de scheede en sloeg zijn ontrouwen dienstknecht het hoofd af.
Nu hervatte de prins zijn pelgrimstocht alleen en na lang reizen kwam hij aan een berg, waar hij een kluizenaar ontmoette, die hem gastvrij ontving. In den loop van het gesprek vroeg de prins aan zijn gastheer, of hij iets wist omtrent de negen pauwinnen. De kluizenaar antwoordde: “O, mijn zoon, gij zijt werkelijk gelukkig. God zelf heeft u den rechten weg gewezen. Van hier tot haar woning is het maar een halve dagreis; morgen zal ik u den weg wijzen.”
De prins stond den volgenden morgen heel vroeg op, maakte zich gereed voor de reis, dankte den kluizenaar voor het onderdak, dat hij hem gegeven had en vervolgde zijn weg volgens de aanwijzingen, die hem verstrekt werden. Hij kwam aan een groote poort en toen hij er door gegaan was, richtte hij zich naar rechts; tegen den middag zag hij eenige witte muren. Dat verheugde hem buitengewoon. Toen hij aan het kasteel kwam, vroeg hij den weg naar het paleis van de negen pauwinnen en voortgaande bereikte hij het spoedig. Hij werd natuurlijk aangeroepen door de wacht, zijn naam werd gevraagd en vanwaar hij kwam. Toen de koningin hoorde, dat hij gekomen was, was zij overstelpt van vreugde en in een meisje veranderend, snelde zij naar de poort en bracht den prins in het paleis. [270]
Er werd feest gevierd, en een groote vreugde heerschte, toen later hun huwelijksvoltrekking werd gevierd, en na de bruiloft bleef de prins in het paleis en leefde daar in vrede.
Op zekeren dag ging de koningin vergezeld van een bediende in het park van het paleis wandelen; de prins bleef in het paleis. Vóór zij ging, gaf de koningin aan haar echtgenoot de sleutels van twaalf kelders, waarbij zij sprak: “gij moogt in al de kelders gaan op een na; ga onder geen voorwaarde in den twaalfden; ge moogt de deur zelfs niet openen.” De vraag, wat er toch wel in den twaalfden kelder zou kunnen zijn, begon den prins al spoedig te kwellen; en na den eenen kelder na den anderen te hebben geopend, stond hij aarzelend voor den twaalfden. Wie aarzelt, is verloren, en zoo stak de prins eindelijk den sleutel in het slot en het volgend oogenblik trad hij de verboden ruimte binnen. In het midden van den vloer stond een reusachtig vat met drie sterke ijzeren hoepels er omheen. Het spongat was open en daaruit klonk een gedempte stem, die zei: “Ik bid u, broeder, geef mij een dronk water, anders sterf ik van dorst!” De prins nam een glas water en goot het door het spongat; dadelijk daarop sprong een hoepel. Daarna sprak de stem weer: “O, broeder, geef mij meer water, opdat ik niet van dorst omkom!” De goedhartige prins ledigde een tweede glas in het vat en een tweede hoepel sprong onmiddellijk stuk. Weer smeekte de stem: “O, broeder, geef mij nog een derde glas! Ik verga nog van dorst!” De prins haastte zich aan den wensch van den onzichtbaren spreker te voldoen, en nadat hij voor den derden keer water gegeven had, barstte de derde hoepel. Het vat viel in stukken en een groote draak werkte er zich uit, stormde door de deur en vloog de lucht in. Spoedig daarna ontmoette hij de koningin, die op den terugweg naar het paleis was en hij voerde haar met zich mee. Vreeselijk ontdaan deelde de bediende den prins mee, wat [271]gebeurd was en het nieuws trof hem als een donderslag.
Een oogenblik was de prins als waanzinnig, maar daarna werd hij kalmer en besloot zich opnieuw op weg te begeven, om zijn geliefde koningin te zoeken. Op zijn tochten kwam hij aan een rivier, en liep langs den oever; in een kleine holte zag hij een kleinen visch springen en moeite doen om er uit te komen.
Toen de visch den prins zag, smeekte hij met deerniswekkende stem: “Wees mijn broeder-in-God! Werp mij weer in de rivier; het kan zijn, dat de dag komt, waarop ik u van dienst kan zijn! Maar zorg er voor een schubbe van mij te nemen en als gij in nood verkeert, wrijf die dan zacht.” De prins nam den visch op, trok hem een schubbe uit en wierp het arme dier in het water; daarna wikkelde hij de schubbe zorgvuldig in zijn zakdoek.
Toen hij zijn weg vervolgde, zag hij een vos, die gevangen zat in een klem; het dier sprak hem aan en zei: “Wees mijn broeder-in-God! Bevrijd mij, bid ik u uit dezen wreeden klem, en ik zal u misschien nog eens van dienst zijn. Maar neem een haar van mijn staart en als gij in nood verkeert, wrijf dat dan zacht!” De prins nam een haar uit den staart van den vos en liet hem vrij. Hij trok verder en zag een wolf in een klem. En de wolf smeekte hem met deze woorden: “Wees mijn broeder-in-God en verlos mij! Het kan zijn, dat gij op zekeren dag mijn hulp noodig hebt; neem daarom een haar van mijn vacht en mocht gij ooit mijn hulp noodig hebben, dan hebt gij maar zacht te wrijven!” Ook dat deed de prins.
Hoe vermoeid hij ook was, de prins vervolgde zijn weg. Eenige dagen later bevond hij zich in de bergen. Daar ontmoette hij een man, tot wien hij zei: “O, mijn broeder-in-God! Kunt gij mij den weg wijzen naar het kasteel van den koning der draken?” Gelukkig had de man van dit kasteel gehoord en hij was instaat hem den weg te wijzen; hij lichtte den prins ook nauwkeurig in over den duur van de reis. [272]
De prins dankte den vreemdeling en vervolgde zijn weg met nieuwen moed, totdat hij aan de plaats kwam, waar de koning der draken woonde. Hij trad het kasteel stoutmoedig binnen en vond er zijn vrouw; nadat zij aan hun vreugde over de ontmoeting uiting hadden gegeven, overlegden zij, hoe zij zouden ontsnappen. Ten slotte namen zij vlugge paarden uit de stallen, maar nauwelijks waren zij op weg, of de draak kwam terug. Toen hij zag, dat de koningin ontsnapt was, overlegde hij met zijn strijdros: “Wat raad je mij aan? Zullen wij eerst eten en drinken, of zullen wij hen dadelijk achtervolgen!” Het paard antwoordde: “Laten we ons eerst verfrisschen, want we zullen hen stellig vangen.” Na den maaltijd steeg de draak te paard en binnen enkele minuten bereikten zij de vluchtelingen. Hij greep de koningin en sprak tot den prins: “Ga in vrede! Voor dezen keer vergeef ik u, omdat gij mij bevrijd hebt uit den kelder: maar waag het niet mijn pad nog eens te kruisen, want een tweeden keer zal ik u geen vergiffenis schenken.”
De arme prins aanvaardde treurig den terugweg, maar spoedig bemerkte hij, dat hij zonder zijn vrouw niet zou kunnen leven. Wat het ook kosten mocht, hij moest een tweede poging wagen om haar te redden. Hij keerde dus op zijn schreden terug en ging den tweeden dag het kasteel weer binnen en vond zijn vrouw badende in tranen. Het was duidelijk, dat zij een list te baat moesten nemen, indien zij wilden ontkomen aan de magische macht van den drakenkoning, en nadat zij over de vraag hadden nagedacht, zei de prins: “Als de draak vanavond thuis komt, vraag hem dan, vanwaar hij zijn paard kreeg; mogelijk ben ik in staat mij een paard te verschaffen, dat even vlug is: dan alleen zouden wij met kans op slagen een nieuwe poging om te ontvluchten kunnen wagen.” Met deze woorden verliet hij zijn vrouw. Toen de drakenkoning terugkeerde, begon de koningin hem te [273]liefkoozen en genoegelijk met hem te babbelen; eindelijk zei zij: “Wat bewonder ik uw prachtig paard! Het is stellig geen gewoon ras! Waar hebt gij zulk een vlug ros gevonden?” En de drakenkoning antwoordde: “O, zijns gelijke kan niemand krijgen. In een zekeren berg woont een oude vrouw, die twaalf wonderpaarden in haar stallen heeft; het zou niemand gemakkelijk vallen uit te maken, welk het edelste is! In een hoek staat er echter een, dat oogenschijnlijk melaatsch is; maar het is feitelijk het beste van den geheelen stal en hij, die zich zijn meester mag noemen, kan hooger rijden zelfs dan de wolken. Mijn paard is een van die paarden. Eer iemand een er van kan krijgen, moet hij de oude vrouw drie dagen dienen. Zij heeft een merrie en een veulen, en wie haar knecht is, moet ze drie dagen en drie nachten verzorgen; indien hij erin slaagt ze te bewaken en ze aan de oude vrouw terug te brengen, mag hij een paard uit den stal kiezen. Maar indien de knecht niet goed op de merrie en het veulen past, dan schiet hij er het leven bij in.”
Den volgenden morgen, toen de draak het kasteel had verlaten, kwam de prins en de koningin vertelde, wat zij had vernomen. Na een haastig afscheid van zijn vrouw begaf de prins zich met allen spoed naar den berg en nadat hij de vrouw had gevonden, sprak hij: “God helpe u, grootmoeder!”
En zij beantwoordde den groet: “Dat God ook u helpe, mijn zoon! Welke goede wind voerde u hierheen, en wat verlangt gij?” Hij antwoordde: “Ik zou u graag dienen!” Waarop de oude vrouw sprak: “Zeer goed, mijn zoon! Indien gij met goed gevolg drie dagen en drie nachten waakt over mijn merrie en haar veulen, dan zal ik u beloonen met een paard, dat gij zelf uit mijn stallen moogt kiezen; maar indien gij ze niet zorgvuldig bewaakt, dan moet ge sterven.” [274]
Toen bracht zij den prins op het binnenplein, waar hij dicht bij elkaar vele staken in het rond zag staan en op elk der staken op een na zag hij een menschelijk hoofd. De eene staak riep voortdurend: “Geef mij een hoofd, o grootmoeder! Geef mij een hoofd!” De oude vrouw zei: “Dit zijn alle hoofden van hen, die mij hebben gediend; zij slaagden er niet in mijn merrie en haar veulen goed te bewaken; daarom moesten zij met hun hoofd betalen!” Maar de prins werd niet bang door hetgeen hij zag en hij nam de voorwaarde van de oude vrouw aan.
Toen de avond daalde, steeg hij op de merrie en reed op haar naar het weiland; het veulen volgde. Hij bleef op de merrie zitten, maar tegen middernacht dommelde hij wat in en viel eindelijk vast in slaap. Toen hij wakker werd, zag hij tot zijn groote ontsteltenis, dat hij op een boomstronk zat en den teugel van de merrie in zijn hand hield. Hij sprong er af en begon dadelijk naar het bedriegelijke dier te zoeken. Spoedig kwam hij aan een rivier; die herinnerde hem aan den kleinen visch en nadat hij de schubbe uit zijn zakdoek had genomen, begon hij haar zacht tusschen zijn vingers te wrijven en zie, onmiddellijk verscheen de visch en vroeg: “Wat scheelt er aan, mijn broeder-in-God?” De prins antwoordde: “Mijn merrie is gevlucht en ik weet niet, waar ik haar moet zoeken!” En de visch antwoordde: “Zie, hier is zij; zij heeft zich veranderd in een visch en haar veulen in een kleinen visch! Sla eens met den teugel op het water en roep: ‘Doora! Merrie van de oude vrouw!’ ”
De prins deed, wat hem werd gezegd en dadelijk kwamen de merrie en het veulen uit het water; hij deed de merrie den teugel weer aan, steeg te paard en reed naar huis; het jonge veulen draafde zijn moeder achterna. De oude vrouw bracht zonder een woord te spreken wat voedsel voor den prins en nam de merrie mee naar den stal, sloeg haar met een pook en zei: “Heb ik je niet gezegd je bij de visschen te voegen.” De merrie antwoordde: “Ik [275]ben bij de visschen geweest, maar de visschen zijn zijn vrienden en zij hebben mij aan hem verraden.” Daarop zei de oude vrouw: “Vannacht gaat gij bij de vossen!”
Toen de avond daalde, steeg de prins weer op de merrie en reed naar het veld; het veulen volgde zijn moeder. Weer besloot hij in het zadel te blijven zitten en de wacht te houden, maar tegen middernacht werd hij weer overvallen door den slaap en weer merkte hij niet, wat er om hem gebeurde. Toen hij den volgenden morgen ontwaakte, zie! Hij zat op een boomstronk en hield den teugel vast. Dit verontrustte hem zeer, en hij keek overal rond. Maar hoe hij ook zocht, hij kon geen spoor van de merrie en haar veulen vinden. Toen herinnerde hij zich zijn vriend den vos, en hij nam het haar van den vossestaart uit zijn zakdoek en hij wreef dat zacht tusschen zijn vingers.
Onmiddellijk stond de vos voor hem. “Wat scheelt er aan, mijn broeder-in-God?” vroeg hij. De prins klaagde over zijn ongeluk en zei, dat hij zijn merrie kwijt was en niet wist, hoe hij haar weer opvangen kon. De vos stelde hem spoedig gerust: “De merrie is bij ons; zij heeft zich veranderd in een vos en haar veulen in een jongen vos. Sla een keer met den teugel op den grond en roep: ‘Doora! Merrie van de oude vrouw!’ ” Hij deed aldus en zie! De merrie en het veulen verschenen voor hem. Hij deed haar den teugel aan, steeg op en toen hij thuiskwam, gaf de oude vrouw hem voedsel, bracht de merrie naar den stal en sloeg haar met den pook, terwijl zij zei: “Waarom heb je je niet in een vos veranderd, jij ongehoorzaam schepsel?” De merrie verzette zich echter en zei: “Ik heb mij in een vos veranderd; maar de vossen zijn zijn vrienden, daarom verraadden zij mij!” Hierop zei de oude vrouw: “Den volgenden keer ga je naar de wolven!”
Toen de avond viel, ging de prins op weg met de merrie, en weer herhaalde zich dezelfde geschiedenis. Den volgenden morgen zat hij weer op een boomstronk en [276]nu riep hij den wolf. Deze zei: “De merrie van de oude vrouw is bij ons; zij heeft de gedaante van een wolvin aangenomen en het veulen die van een jong wolfje; sla den grond eens met den teugel en roep: ‘Doora! Merrie van de oude vrouw!’ ” De prins deed, wat de wolf hem aanried en de merrie verscheen weer voor hem met het veulen achter zich.
Hij steeg weer op en ging naar het huis van de oude vrouw. Bij zijn aankomst was zij bezig een maaltijd te bereiden. Nadat zij voedsel voor hem had neergezet, bracht zij de merrie naar den stal en sloeg haar met een pook. “Heb ik je niet gezegd naar de wolven te gaan, jij ellendig schepsel?” schold zij. Maar weer verzette de merrie zich en zei: “Ik ging naar de wolven, maar ook zij zijn zijn vrienden en zij hebben mij verraden!” Toen ging de vrouw terug naar het huis en de prins zei tegen haar: “Nu, grootmoeder, ik geloof, dat ik u eerlijk heb gediend; nu hoop ik, dat gij mij zult geven, wat gij mij beloofd hebt!” De oude vrouw antwoordde: “O, mijn zoon, waarlijk, een belofte moet men houden! Kom mee naar den stal; daar staan twaalf paarden; gij moogt daaruit het paard kiezen, dat u het best aanstaat.”
Daarop zei de prins vastbesloten: “Wel, waarom zou ik lastig in mijn keus zijn? Geef mij het melaatsche paard, dat daar in den hoek staat.” De oude vrouw deed al haar best er hem van af te houden dat leelijke paard te nemen. Zij sprak: “Waarom zijt gij zoo dwaas een melaatschen knol te nemen, terwijl gij het mooiste paard kunt hebben?” Maar de prins bleef bij zijn keus: “Geef mij liever dat, hetwelk ik koos, zooals wij overeen gekomen zijn!”
Toen de oude vrouw zag, dat hij niet te overreden was, gaf zij toe, en de prins nam afscheid en voerde zijn paard mee. Toen zij aan een bosch kwamen, roskamde en verzorgde hij het paard en zijn huid glansde als zuiver goud. [277]Daarna steeg hij op en het paard, dat als een vogel vloog, bracht hem in enkele seconden bij het kasteel van den drakenkoning.
De prins ging dadelijk binnen en begroette de koningin met de woorden: “Haast u, alles is gereed voor onze vlucht!” De koningin was gereed, en binnen enkele minuten spoedden zij zich heen, snel als de wind op den rug van het wondervolle paard.
Kort nadat zij waren vertrokken, kwam de drakenkoning thuis en toen hij bemerkte, dat de koningin weer verdwenen was, sprak hij de volgende woorden tegen zijn paard: “Wat zullen wij doen? Zullen wij ons eerst verfrisschen, of zullen wij de vluchtelingen dadelijk achtervolgen?”
Hierop antwoordde het paard: “Gij kunt doen, wat gij wilt, maar wij zullen hen nooit inhalen!”
Toen hij dit hoorde, wierp de drakenkoning zich dadelijk op zijn paard en in een oogenblik waren zij weg. Na een poosje keek de prins om en zag den drakenkoning op eenigen afstand achter zich. Hij zette zijn paard aan, maar dit zei: “Wees niet bevreesd. Het is volstrekt niet noodig harder te loopen.” De drakenkoning naderde meer en meer; zoo dichtbij kwam hij, dat zijn paard in staat was met zijn broeder te spreken. “O, lieve broeder, ga wat langzamer, ik smeek het u, anders zal ik omkomen, zoo houd ik het niet uit!” Maar het paard van den prins antwoordde: “Neen, waarom zijt gij ook zoo dwaas dat monster te dragen? Werp uw hoeven in de hoogte en gooi hem tegen een rots, en kom dan met mij mee!” Bij deze woorden schudde het paard van den drakenkoning den kop, kromde den rug en sloeg de hoeven zoo verwoed omhoog, dat zijn ruiter tegen een rots werd geworpen en dood liggen bleef. Toen het dit zag, stond het paard van den prins stil. Zijn broeder kwam aandraven en daar steeg de koningin toen op. Zoo kwamen zij gelukkig in haar eigen land, waar zij in grooten voorspoed verder leefden en regeerden. [278]