[Inhoud]

Het vogelmeisje.

Er was eens een koning, die een eenigen zoon had, dien hij, toen hij opgegroeid was, uitzond om een geschikte vrouw te zoeken. De prins begaf zich op reis; maar ofschoon hij de geheele wereld rondreisde, slaagde hij er niet in een bruid te vinden. Ten slotte, toen zijn beurs en zijn geduld uitgeput waren, besloot hij te sterven en opdat er geen spoor van hem zou achterblijven, klom hij op een hoogen berg met het voornemen zich van den top naar beneden te werpen. Hij was op het punt zich van den hoogsten top te storten, toen een stem deze geheimzinnige woorden uitte: “Wacht! wacht! O man! Dood u zelf niet, voor de driehonderdvijfenzestig in een jaar om zijn!”

De prins beproefde tevergeefs te ontdekken, vanwaar de stem kwam. Daar hij niemand zag, vroeg hij: “Wie zijt gij, die tegen mij spreekt? Laat u zien! Indien gij wist, hoe groot mijn verdriet is, dan zoudt gij mij zeker niet trachten te weerhouden!” Daarop verscheen een oud man, met haren zoo wit als sneeuw en hij zei tot den ongelukkigen prins: “Ik weet heel goed, hoe gij lijdt; luister naar mij. Ziet gij gindschen hoogen heuvel?” De zoon van den koning antwoordde: “Ja stellig.” “Heel goed,” vervolgde de oude man, “daar zit dag en nacht op een en dezelfde plek, op den top van dien heuvel, een oude vrouw met gouden haren; zij houdt een vogel op haar schoot. Hij, die dien vogel kan bemachtigen, is de gelukkigste man op aarde. Maar indien gij uw geluk wilt beproeven, moet gij omzichtig te werk gaan; gij moet de oude vrouw stilletjes naderen en voordat zij u ziet, moet gij haar bij de haren vatten. Indien zij u ziet, voordat gij haar gegrepen hebt, dan verandert gij oogenblikkelijk in een steen, gelijk al met zoo vele jonge mannen gebeurd is, die gij daar in den vorm van blokken marmer zult zien staan!”

De oude heks.

Toen de prins deze woorden hoorde, dacht hij na. [279]“Het is mij alles om het even; ik zal gaan en als ik er in slaag haar te grijpen, des te beter voor mij; en mocht zij mij zien, voordat ik haar grijp, dan kan ik toch niet meer dan sterven, wat ik toch reeds van plan was te doen.” Hij dankte dus den ouden man en ging opgeruimd verder om zijn geluk te beproeven. Weldra beklom hij den anderen heuvel en zag de oude vrouw, die hij van achteren heel behoedzaam naderde. Gelukkig werd de oude vrouw zoo in beslag genomen door het spelen met den vogel, dat de prins heel dicht bij kon komen zonder opgemerkt te worden. Toen sprong hij plotseling naar voren en greep haar bij de gouden haren. Hierop begon zij zoo hard te gillen, dat de berg, als door een aardbeving bewogen, schudde. Maar de moedige prins hield haar stevig vast. Toen riep de oude vrouw uit: “Laat mij los, en vraag, wat gij maar wenscht!” En de prins antwoordde: “Ik zal u loslaten, indien gij mij dien vogel geeft, en indien gij dadelijk al de jonge mannen weer in het leven terugroept, die gij hebt betooverd.” De oude vrouw was genoodzaakt zijn eisch in te willigen en zij gaf den vogel. Daarna blies zij van haar lippen een blauwen wind naar de versteende gestalten, waardoor zij onmiddellijk weer levende menschen werden. De edele prins kuste den vogel in zijn handen van blijdschap, waarop deze in een buitengewoon mooi meisje veranderde, dat de toovenares naar het scheen behekst had, om jonge mannen tot zich te lokken en een afschuwelijk lot te bereiden.

Gelukkig werd de oude vrouw zoo in beslag genomen door het spelen met den vogel

Gelukkig werd de oude vrouw zoo in beslag genomen door het spelen met den vogel

De prins was zoo ingenomen met zijn gezellin, dat hij onmiddellijk verliefd op haar werd. Toen zij van de plaats weggingen, gaf het meisje hem een stok, waarmee hij, naar zij zei, alles zou kunnen doen, wat hij wenschte. Dadelijk verlangde de prins de middelen te bezitten om te reizen, zooals het een prins en zijn verloofde betaamt; hij sloeg met den stok op een rots en onmiddellijk stroomde er een vloed van goudstukken uit, waarvan zij zooveel namen, als zij voor de reis noodig hadden. Toen zij aan [280]een rivier kwamen, raakte de prins het water aan met zijn stok en een pad ontstond, waarover zij droogvoets konden gaan. Een eindje verder werden zij aangevallen door een troep wolven, maar de prins verdedigde zijn bruid met zijn stok en een voor een veranderden de wolven in mieren.

En nog veel meer avonturen beleefden zij. Eindelijk bereikten zij veilig het huis van den prins. Toen trouwden zij en leefden verder gelukkig.