[Inhoud]

Het meisje, dat wijzer is dan de tsaar.

Lang geleden leefde er een oude man, die in een armoedige hut woonde. Hij bezat slechts een ding in de wereld en dat was een dochter, die zoo verstandig was, dat zij zelfs haar ouden vader kon onderrichten.

Op zekeren dag ging de man naar den tsaar om te bedelen en de tsaar, verbaasd over zijn beschaafde manieren, vroeg hem, wie hem geleerd had zoo goed te spreken. Hij vertelde den tsaar, waar hij woonde en dat het zijn [285]dochter was, die hem geleerd had zoo welsprekend te zijn.

“En van wie ontving uw dochter haar onderricht?” vroeg de tsaar.

“God en onze armoede hebben haar zoo wijsgemaakt,” antwoordde de arme man.

Daarop gaf de tsaar hem dertig eieren en zei: “Breng deze aan uw dochter en beveel haar er kuikens uit te voorschijn te doen komen. Indien zij dit met goed gevolg volbrengt, zal ik haar rijke geschenken geven, maar indien zij faalt, zult gij gemarteld worden.”

De arme man ging weenende terug naar zijn hut en vertelde alles aan zijn dochter. Het meisje zag dadelijk, dat de eieren, die de tsaar gezonden had, gekookt waren, en verzocht haar vader zich ter ruste te leggen, terwijl zij overlegde, wat haar te doen stond. Toen de oude man sliep, vulde het meisje een pot met water en kookte eenige boonen.

Den volgenden morgen wekte zij haar vader en verzocht hem een paar ossen voor den ploeg te spannen en langs den weg te gaan ploegen, waar de tsaar voorbij zou komen. “Als gij hem ziet komen”, zei zij, “neem dan een handvol boonen, en terwijl gij zaait moet gij roepen: ‘Gaat voort, ossen, en dat God geve, dat de gekookte boonen ontkiemen!’ Als de tsaar dan vraagt: ‘Hoe kunt gij van gekookte boonen vruchten verwachten?’ Moet gij hem antwoorden: ‘Evengoed als men van gekookte eieren kuikens kan krijgen!’ ”

De oude man deed, zooals zijn dochter hem zei en ging heen om te ploegen. Toen hij den tsaar zag, nam hij een handvol boonen en riep uit: “Gaat voort, ossen! En dat God geve, dat de gekookte boonen ontkiemen!”

Toen de tsaar dit hoorde, liet hij zijn rijtuig stilstaan en zei tegen den man: “Maar arme man, hoe kunt gij verwachten, dat gekookte boonen vrucht dragen?”

“Even goed als gekookte eieren kuikens kunnen voortbrengen,” antwoordde de op het oog eenvoudige, arme man. [286]

De tsaar lachte en ging verder, maar hij had den ouden man herkend en vermoedde, dat zijn dochter hem het antwoord in den mond had gegeven. Hij zond daarom dienaren uit om den boer in zijn tegenwoordigheid te brengen. Toen de oude man kwam, gaf de tsaar hem een bos vlas en zei: “Neem dit en maak daarvan al de zeilen, die noodig zijn voor een schip; indien gij het niet doet, zult gij uw leven verliezen.”

De arme man nam het vlas met de grootste vrees aan en ging in tranen badende naar huis om zijn dochter te vertellen, welke nieuwe opdracht hij gekregen had. Dit verstandige meisje stelde hem gerust en zei, dat hij maar kalm moest zijn en dat zij wel een plan zou beramen. Den volgenden morgen gaf zij haar vader een klein stukje hout en verzocht hem er mede naar den tsaar te gaan met het verzoek daarvan al de noodige werktuigen om te spinnen en te weven te laten maken, opdat hij in staat zou zijn het bevel van Zijne Majesteit uit te voeren. De oude man gehoorzaamde en toen de tsaar het buitengewone verzoek hoorde, was hij ten hoogste verbaasd over de schranderheid van het meisje, en om niet door haar overtroffen te worden, nam hij een klein glas, zeggende: “Neem dit kleine glas mee naar uw dochter en zeg haar, dat zij er de zee mee moet ledigen, zoodat er droog land komt, waar nu zee is.”

De oude man ging met een bezwaard hart naar huis, om dit aan zijn dochter te vertellen. Maar het meisje stelde hem weer gerust, en den volgenden morgen gaf zij hem een pond werk, zeggende: “Breng dit naar den tsaar en zeg, dat ik de zee zal droog maken, indien hij met dit werk de bronnen van alle rivieren verstopt.”

De tsaar stuurt om het meisje.

De vader ging terug naar den tsaar en zei hem, wat zijn dochter had voorgezegd en de tsaar, die nu inzag, dat het meisje verstandiger was dan hij zelf, gaf bevel, [287]dat zij voor hem gebracht zou worden. Toen zij verscheen, vroeg de tsaar haar: “Kunt gij raden, wat op den grootsten afstand gehoord kan worden?” En het meisje antwoordde: “Uwe Majesteit, er zijn twee dingen: de donder en de leugen kunnen op den grootsten afstand gehoord worden!”

De verbaasde tsaar greep naar zijn baard, en zich tot zijn hovelingen wendende, riep hij uit: “Raadt eens, wat mijn baard waard is?” Eenigen zeiden zooveel, weer anderen zooveel; maar het meisje zei tegen den tsaar, dat geen van zijn hovelingen goed had geraden. “De baard van Uwe Majesteit is evenveel waard als drie zomerregens,” zei zij. De tsaar, die verbaasder dan ooit was, zei: “Het meisje heeft goed geraden!”

Toen vroeg hij haar zijn vrouw te willen worden, want “ik heb u lief” zei hij. Het meisje was verliefd geworden op den tsaar; zij neeg diep voor hem en sprak: “Gij doorluchtige Majesteit! Laat het zijn, gelijk gij verlangt! Maar ik verzoek Uwe Majesteit eigenhandig op een stuk perkament te schrijven, dat zoo Uwe Majesteit zelf of een uwer hovelingen ontevreden op mij is en ik dientengevolge uit uw paleis verbannen zou worden, het mij toegestaan is dat mee te nemen, waar ik het meest van houd.”

De tsaar stemde daar met vreugde in toe, schreef de verklaring en hechtte er zijn zegel aan.

Eenige jaren gingen gelukkig voorbij, maar er kwam eindelijk een dag, waarop de tsaar zich beleedigd voelde door de tsarina en hij sprak toornig: “Gij zult mijn vrouw niet langer zijn; ik beveel u het paleis te verlaten!”

De tsarina antwoordde gehoorzaam: “O, zeer doorluchtige tsaar, ik zal gehoorzamen; sta mij toe nog een nacht in het paleis te vertoeven en morgen zal ik vertrekken.”

Hierin stemde de tsaar toe.

Dien avond mengde de tsarina eenige kruiden in den wijn en gaf den beker aan den tsaar, terwijl zij zei: “Drink, o zeer roemruchtige tsaar! En wees vol moed! Ik zal [288]heengaan, maar geloof mij, ik zal gelukkiger zijn dan toen ik u den eersten keer ontmoette!”

Nadat de tsaar had gedronken, viel hij in slaap. Toen zette de tsarina, die een koets in gereedheid had gehouden, den tsaar er in en voerde hem weg naar de hut van haar vader.

Toen de tsaar den volgenden morgen wakker werd en zag, dat hij in een hut was, riep hij uit: “Wie bracht mij hierheen?”

“Ik deed het,” antwoordde de tsarina.

De tsaar werd boos en zei: “Hoe hebt gij dat durven doen? Heb ik u niet gezegd, dat gij niet langer mijn vrouw zijt?”

In plaats van te antwoorden, haalde de tsarina het perkament te voorschijn en hij stond met stomheid geslagen.

Hij kon geen woord uitbrengen

Hij kon geen woord uitbrengen

Toen sprak de tsarina: “Zooals gij ziet, gij hebt mij beloofd, dat ik, indien ge mij uit het paleis bandet, mee mocht nemen, wat mij het liefste was!”

Toen hij dit hoorde, keerde de liefde van den tsaar voor zijn gade terug; hij nam haar in zijn armen en samen keerden zij naar het paleis terug.