[Inhoud]

Goede daden zijn onvergankelijk.

Er leefden eens een man en een vrouw, die een zoon hadden. Toen de jongen opgroeide, deden zijn ouders hun best hem een goede opvoeding te geven, die hem van nut zou zijn in zijn verdere leven. Hij was een goede, kalme jongen en bovenal vreesde hij God. Nadat hij zijn studiën voltooid had, vertrouwde zijn vader hem een galei toe, die beladen was met verschillende goederen, waarmee hij handel kon drijven in verre landen. Zoodoende zou hij de steun van zijn ouders worden op hun ouden dag.

De eerste reis.

Op zijn eerste reis ontmoette hij op zekeren dag een Turksch schip, waarin hij hoorde schreien. Hij riep de [289]zeelieden op het Turksche schip toe: “Ik bid u, zeg mij, waarom er zoo’n verdriet aan boord van uw schip is!” En zij antwoordden: “Wij hebben veel slaven, die in verschillende deelen der wereld gevangen zijn genomen en die wij geketend hebben. Zij zijn het, die schreien en jammeren.” Daarop zei de jongeman: “Ik verzoek u, o broeders, vraagt aan uw kapitein, of hij mij wil toestaan de slaven te koopen voor een som geld?” De zeelieden riepen hun kapitein, die bereid was te onderhandelen en ten slotte gaf de jongeman zijn schip met de geheele lading aan den Turk in ruil voor zijn schip met slaven.

De jongeman vroeg aan elken slaaf, vanwaar hij kwam; hij gaf aan allen de vrijheid terug en zei, dat ieder naar zijn eigen land mocht terugkeeren.

Onder de slaven was een oude vrouw, die een zeer mooi meisje aan den arm hield. Toen hij vroeg, vanwaar zij kwamen, antwoordde de oude vrouw schreiende: “Wij komen van een veraf gelegen land. Dit jonge meisje is de eenige dochter van den tsaar; ik heb haar groot gebracht van haar kindsheid af. Op een ongelukkigen dag wandelde zij in de tuinen van het paleis en dwaalde af naar een eenzame plek, waar drie vervloekte Turken haar zagen en grepen. Zij begon te gillen en ik, die toevallig in de nabijheid was, snelde toe, om haar te helpen, maar helaas, ik kon haar niet redden en de Turken voerden ons beiden mee en brachten ons aan boord van deze galei.” Toen smeekten de goede verzorgster en het schoone meisje den jongeman, daar zij den weg naar hun eigen land niet kenden en ook de middelen om terug te keeren niet bezaten, haar met zich mee te nemen. En hiertoe was hij bereid; ja, hij was dadelijk verliefd geworden op de prinses, en nu trouwde hij het arme meisje, dat geen tehuis had, en keerde met haar en de oude vrouw naar huis terug.

Bij hun aankomst vroeg zijn vader, waar zijn galei en de lading was en hij vertelde hem, hoe hij de slaven had [290]vrijgekocht en hun de vrijheid had hergeven. “Dit meisje” zei hij, “is de dochter van een tsaar, en deze oude vrouw is haar verzorgster; daar zij niet naar haar land konden terugkeeren, nam ik haar mee en ik heb het meisje getrouwd.” Daarover was zijn vader zeer verstoord, en hij zei: “O, dwaze zoon, wat hebt gij gedaan? Waarom hebt gij zoo dom zonder mijn toestemming over mijn eigendom beschikt?” En hij joeg hem het huis uit.

Gelukkig voor den jongeman bood een goede buurman hem gastvrijheid aan—en ook zijn vrouw en haar oude verzorgster; hij woonde langen tijd in de buurt, en poogde telkens, geholpen door zijn moeder en vele vrienden zijn vader te bewegen hem vergiffenis te schenken.

De tweede reis.

Na eenigen tijd liet zijn vader zich vermurwen en ontving zijn zoon weer in zijn huis met zijn jonge vrouw en haar verzorgster. Spoedig daarna kocht hij een tweede galei, grooter en mooier dan de eerste en laadde die vol koopwaren, waarmede zijn zoon groote winsten zou kunnen behalen, indien hij het tenminste verstandig aanlegde.

De jongeman zeilde weg met dit nieuwe schip; hij liet zijn vrouw en haar verzorgster in de woning zijner ouders achter en spoedig kwam hij aan een stad, waar hij een droevig schouwspel zag. Hij zag soldaten bezig arme boeren te grijpen en in de gevangenis te werpen en hij vroeg: “Waarom, broeders, zijt gij zoo wreed tegen deze arme lieden?” En de soldaten antwoordden: “Omdat zij de belasting aan den tsaar niet hebben betaald.” De jongeman ging dadelijk naar den officier en zei: “Zeg mij asjeblieft, hoeveel deze arme lieden betalen moeten.” De officier noemde hem de verschuldigde som en zonder aarzeling verkocht de jongeman zijn schip met lading en al en voldeed de schulden van al de gevangenen. Nu keerde hij naar huis terug, en voor zijn vader neerknielende, verhaalde hij, wat er gebeurd was en bad om zijn vergiffenis. [291]

Maar dezen keer was de woede van zijn vader buitengewoon en hij joeg hem zijn huis uit.

Wat kon de ongelukkige zoon doen in dit nieuwe verdriet? Hoe kon hij bedelen, hij, wiens ouders zoo welgesteld waren? Weer wendden oude vrienden der familie hun invloed bij zijn vader aan en drongen er op aan, dat hij medelijden zou hebben met zijn zoon en hem weer ontvangen, “want”, zeiden zij, “het is zeker, dat zijn lijden hem verstandiger heeft gemaakt en dat hij nooit meer zoo dwaas zal doen.” Eindelijk zwichtte zijn vader, nam hem weer in huis en rustte een derde galei uit, veel grooter en mooier dan de eerste twee.

De derde reis.

De jonge man was meer dan blij met zijn geluk en het portret van zijn geliefde vrouw liet hij op het roer van zijn schip schilderen en dat van de oude verzorgster op den achtersteven.

Nadat al de toebereidselen voor zijn reis getroffen waren, nam hij afscheid van zijn ouders, zijn vrouw en de andere leden van de familie en lichtte het anker. Nadat hij eenigen tijd gezeild had, kwam hij aan een groote stad, waar een tsaar woonde; hij liet het anker vallen en kanonschoten lossen, om de stad te begroeten. Tegen den avond zond de tsaar een van zijn ministers uit, om te hooren, wie de vreemdeling was en vanwaar hij kwam en hem mede te deelen, dat zijn heer den volgenden morgen om negen uur een bezoek aan de galei zou brengen. De minister was verbaasd op het roer het portret te zien van de keizerlijke prinses, die hem, toen zij nog een kind was, door den tsaar ten huwelijk was beloofd—en op den achtersteven dat van de oude verzorgster; hij maakte echter geen opmerking en vertelde niemand, wat hij had gezien. Om negen uur den volgenden morgen kwam de tsaar aan boord van de galei in gezelschap van zijn ministers, en toen hij al pratende met den kapitein op het dek heen [292]en weer liep, zag ook hij het portret van het meisje, dat op het roer geschilderd was en dat van de oude vrouw op den achtersteven en hij herkende dadelijk de trekken van zijn eenige dochter en haar verzorgster, die door de Turken gevangen genomen waren. Dadelijk koesterde hij de hoop, dat zijn geliefd kind nog leefde en gezond was, maar hij was zoo aangedaan, dat hij er niet over spreken dorst. Hij beheerschte zich zooveel mogelijk en noodigde den kapitein uit dien middag om twee uur in zijn paleis te komen; hij was voornemens hem dan te ondervragen en hoopte, dat zijn hartewensch vervuld zou worden.

Precies om twee uur verscheen de kapitein in het paleis en de tsaar begon hem dadelijk op omslachtige manier te ondervragen over het meisje, wier portret hij op het roer van zijn galei had gezien. Was zij een van zijn bloedverwanten en zoo ja, in welken graad? Hij was ook nieuwsgierig naar de oude vrouw, wier portret op den achtersteven was geschilderd.

De jonge kapitein giste dadelijk, dat de tsaar de vader moest zijn van zijn vrouw, en hij vertelde hem woord voor woord al zijn avonturen, waarbij hij niet verzuimde mee te deelen, dat hij, toen hij hoorde, dat het jonge meisje en haar verzorgster den weg naar haar land vergeten waren, medelijden met haar had gehad en later het meisje had getrouwd. Toen de tsaar dit hoorde, riep hij uit: “Dat meisje is mijn eenig kind en de oude vrouw haar verzorgster; spoed u en breng mijn dochter hier, opdat ik haar nog eens zie, voordat ik sterf. Breng uw ouders en uw geheele familie ook hier; uw vader zal mijn broeder zijn en uw moeder mijn zuster, want gij zijt mijn zoon en de erfgenaam van mijn kroon. Ga en verkoop al uw bezittingen en kom, opdat wij gelukkig samen in mijn paleis kunnen leven!” Toen riep hij de tsarina, zijn vrouw, en al zijn ministers, opdat zij het heugelijk nieuws zouden hooren, en er heerschte groote vreugde aan het hof.

Daarna gaf de tsaar den kapitein een prachtig schip [293]en verzocht hem zijn eigen galei achter te laten. De jongeman was natuurlijk heel dankbaar, maar hij zei: “O, doorluchtige tsaar! Mijn ouders zullen mij niet gelooven, indien gij mij niet een van uw ministers als getuige meegeeft.” Daarop gaf de tsaar als zijn metgezel voor de reis den minister mee, wien hij zijn dochter ten huwelijk had beloofd.

De vader van den kapitein was zeer verbaasd zijn zoon zoo spoedig te zien terugkeeren en met zulk een prachtig schip. Toen vertelde de jongeman aan zijn vader en de anderen alles, wat hem was overkomen en de keizerlijke minister bevestigde zijn woorden. Toen de prinses den minister zag, riep zij blijde uit: “Ja waarlijk, alles wat hij gezegd heeft, is waar; dit is de minister van mijn vader, die mijn bruigom had moeten worden.” Toen verkochten de man en zijn familie al hun eigendommen en gingen aan boord van het schip.

De verraderlijke minister.

Nu was de minister een slecht man, en hij beraamde een plan om den jongen echtgenoot der prinses te dooden, opdat hij haar zou kunnen trouwen en eens tsaar worden. Op een avond, toen de jongeman zich op het dek bevond, voegde hij zich bij hem om met hem te praten. De kapitein had een rein geweten, en dacht aan geen kwaad, zoodat hij geheel onvoorbereid was, toen de minister hem greep en over boord wierp. Het schip zeilde snel; het was onmogelijk het in te halen en hij bleef hoe langer hoe meer achter. Het was nog een geluk, dat het dicht bij het land gebeurde en hij spoedig door de golven op het strand geworpen werd. Maar helaas! Dit land was slechts een kale, onbewoonde rots.

Intusschen was de minister terug geslopen naar zijn hut en toen den volgenden morgen gemerkt werd, dat de kapitein verdwenen was, begonnen allen te weenen en te jammeren, en vermoedden, dat hij in den nacht over [294]boord was gevallen en verdronken. Zijn familie was ontroostbaar, vooral zijn vrouw, die hem zeer lief had. Toen zij aan het paleis van den tsaar kwamen en vertelden, dat de jonge man verdronken was, rouwde het geheele hof met hen.

Gedurende vijftien dagen was de ongelukkige schoonzoon van den tsaar veroordeeld tot hongerlijden; hij kon zich alleen voeden met het schaarsche gras, dat op het rotsige eilandje groeide. Zijn huid werd gebruind door de felle zon, en zijn kleeren werden vuil en kwamen vol scheuren, zoodat niemand hem herkend zou hebben. Op den ochtend van den vijftienden dag had hij het geluk een ouden man op het strand te zien, die op een stok leunde en bezig was met visschen. Hij riep den ouden man dadelijk aan en smeekte hem hulp te verleenen om van de rots af te komen. De oude visscher zei: “Ik zal u helpen, als gij mij wilt betalen!” “Hoe kan ik u betalen; ik heb slechts deze havelooze plunje en niets meer?”

“O, wat dat betreft,” antwoordde de oude man, “gij kunt een schuldbekentenis schrijven en onderteekenen, waarbij gij mij belooft de helft te zullen geven van hetgeen gij ooit zult bezitten.” Deze belofte deed de jongeman met vreugde. Toen haalde de oude man schrijfgereedschap te voorschijn en de jongeman onderteekende de overeenkomst, waarna zij beiden in de visschersboot van den ouden man wegzeilden naar het vasteland. Daarna trok de jongeman als een bedelaar van huis tot huis en van dorp tot dorp op bloote voeten, verbrand en hongerig.

De terugkomst van den jongeman.

Na een reis van dertig dagen, bracht zijn goed gesternte hem naar de stad van den tsaar en hij zette zich met den staf in de hand bij de poorten van het paleis neer; nog altijd droeg hij zijn trouwring aan zijn vinger, waarop zijn naam en die van zijn vrouw gegraveerd was. De bedienden van den tsaar hadden medelijden met hem; [295]zij boden hem een nachtverblijf in het paleis aan en gaven hem een deel van hun eigen maal. Den volgenden morgen ging hij naar den tuin van het paleis, maar de tuinman kwam en joeg hem weg, waarbij hij hem toevoegde, dat de tsaar en zijn familie spoedig voorbij zouden komen. Hij verwijderde zich en ging in een hoek op het gras zitten, tot hij plotseling de tsaar met zijn eigen vader en moeder zag loopen en zijn geliefde vrouw arm in arm met zijn vijand, den minister. Hij maakte zich niet dadelijk bekend, en de tsaar en zijn gevolg gingen voorbij en gaven hem aalmoezen. Hij strekte zijn hand uit om ze te ontvangen en toen trok de trouwring aan zijn vinger de aandacht der prinses. Zij herkende dien dadelijk, maar het was ongelooflijk, dat de bedelaar haar echtgenoot kon zijn en zij zei tegen hem: “Geef mij uw hand, opdat ik uw ring kan zien!” De minister trachtte dit te verhinderen, maar de prinses sloeg geen acht op hem, en zij bekeek den ring en zag, dat haar eigen naam en dien van haar echtgenoot er in gegraveerd waren. Haar hart was zeer ontroerd, maar zij deed haar best om haar aandoening niet te toonen en zei niets. Bij de terugkomst in het paleis ging zij naar haar vader en vertelde hem, wat zij had gezien. “Laat u hem, alsjeblieft, voor u komen; dan kunnen wij onderzoeken, hoe hij in het bezit van den ring komt!” De tsaar zond onmiddellijk een bediende om den bedelaar te halen. Het bevel werd dadelijk uitgevoerd, en toen de vreemdeling verscheen, vroeg de tsaar hem zijn naam, van waar hij kwam en hoe hij den ring had verkregen. De ongelukkige jonge man kon zijn vermomming niet langer handhaven, hij vertelde dus aan den tsaar, wie hij was en verder al de avonturen, die hij had beleefd, sedert de minister hem verraderlijk in de zee geworpen had! “Zie!” zei hij ten laatste: “de genade van onzen Heer heeft mij terug gebracht bij mijn ouders en mijn vrouw.”

Geef mij uw hand, opdat ik uw ring kan zien

Geef mij uw hand, opdat ik uw ring kan zien

Bijna buiten zich zelf van vreugde liet de tsaar de ouders van den jongeman komen en deelde hun het goede [296]nieuws mede. Wie is in staat de vreugde uit te drukken van het bejaarde paar, toen zij hun zoon herkenden. De woorden ontbreken ons de vreugde te beschrijven, die het geheele hof vervulde. De bedienden maakten welriekende baden voor den jongeman gereed en brachten hem prachtige gewaden. De tsaar beval, dat hij als tsaar gekroond zou worden en gedurende verscheidene dagen waren er schitterende feesten, waaraan heel de stad deelnam; ieder zong, danste en richtte feestmalen aan. De oude tsaar beval den slechten minister voor zijn schoonzoon te verschijnen, opdat deze naar eigen goeddunken over hem zou beslissen. Maar de jonge tsaar had een vriendelijk hart; hij vergaf hem dus op voorwaarde, dat hij het rijk onmiddellijk zou verlaten en gedurende zijn regeering nooit meer zou terugkeeren.

De nieuwe tsaar had ternauwernood het bewind aanvaard, of de oude visscher, die hem van het rotsachtig eiland had gered, vroeg bij hem toegelaten te worden. De tsaar ontving zijn bevrijder dadelijk, die daarop zijn geschreven belofte te voorschijn haalde. “Heel goed, oude man,” zei de tsaar: “nu ben ik heerscher, maar ik zal even trouw mijn woord houden, alsof ik een bedelaar was, die maar weinig te deelen heeft; laten wij dus mijn bezittingen in twee gelijke deelen verdeelen.” De tsaar nam nu de boeken en begon de steden te verdeelen; telkens, als hij een naam noemde, zei hij: “dit is voor u”—en dan “dit is voor mij.” Zoo teekende hij alles op een kaart aan, totdat het geheele czarenrijk tusschen hen beiden was verdeeld, van de grootste stad tot de kleinste hut.

Toen de tsaar gereed was, sprak de oude man: “Neem alles terug! Ik ben geen man van deze wereld; ik ben een engel van God, die mij zond om u te redden voor uw goede daden. Regeer nu en wees gelukkig, en dat gij lang moogt leven in volkomen voorspoed!” Na deze woorden verdween hij plotseling, en de jonge tsaar regeerde nog vele jaren gelukkig en voorspoedig. [297]