[Inhoud]

Hij, wien God helpt, kan niemand kwaad doen.

Er leefden eens een man en een vrouw en zij waren gezegend met drie zoons. De jongste was de knapste en hij had een beter hart dan zijn broers, die hem een dwaas vonden. Toen de drie broers den mannelijken leeftijd hadden bereikt, gingen zij samen naar hun vader en vroegen toestemming om te trouwen. De vader was verlegen met dien plotselingen wensch van zijn zoons en zei, dat hij eerst met zijn vrouw over het antwoord wilde overleggen.

De eerste tocht.

Eenige dagen later riep de man zijn zoons bij zich en zei hun, dat zij naar de naburige stad moesten gaan om werk te zoeken. “Hij, die mij de mooiste reisdeken brengt, krijgt van mij toestemming om het eerst te trouwen,” zei hij.

De broeders gingen op weg naar de naburige stad. Onderweg begonnen de twee oudste broers den gek te steken met den jongsten; zij bespotten zijn eenvoud en eindelijk noodzaakten zij hem een anderen weg te nemen.

Verlaten door zijn boosaardige broers, bad de jongeman tot God hem bij te staan. Eindelijk kwam hij aan een meer, aan welks versten oever een prachtig kasteel lag. Het kasteel behoorde aan een tiranniek en wreed prins, die lang geleden was gestorven. De jonge prinses was buitengewoon schoon, en menig aanzoek om haar hand had zij reeds gehad. Zij, die aanzoek deden, werden steeds gastvrij ontvangen, maar als zij naar hun kamers gingen, verscheen onveranderlijk de gestorven heer van het kasteel als een vampier en worgde hen.

Toen de jongste broer aan het strand stond, en zich afvroeg, hoe hij het meer zou oversteken, zag de prinses hem vanuit haar venster en zij gaf een knecht dadelijk bevel de boot te nemen en den jongeman bij haar te brengen. Toen hij verscheen, was hij wel wat verlegen, maar het edele meisje stelde hem met eenige vriendelijke woorden [298]gerust—want hij maakte werkelijk een goeden indruk op haar en zij hield van hem op het eerste gezicht. Zij vroeg hem, vanwaar hij kwam en waarheen hij dacht te gaan, en de jonge man vertelde haar, wat zijn vader hem en zijn broers had opgedragen.

Toen de prinses dit hoorde, zei zij tot den jongeman: “Gij zult vannacht hier blijven en morgen zullen wij zien, wat wij kunnen doen om u te helpen.”

Nadat zij het avondeten hadden gebruikt, geleidde de prinses haar gast naar een groene kamer en voor zij hem “goeden nacht” wenschte, zei zij: “Dit is uw kamer. Word niet bang, als vannacht iets ongewoons mocht gebeuren; verontrust u er niet over.”

Daar hij een eenvoudige jongen was, kon hij niet eens zijn oogen sluiten, zoo was hij onder den indruk van al het moois om hem heen.

Plotseling, tegen middernacht, hoorde hij een groot geraas. Onder het rumoer door hoorde hij duidelijk een geheimzinnige stem fluisteren: “Deze jongeling zal den prinselijken kroon erven; niemand kan hem kwaad doen!” De jongen nam zijn toevlucht tot een ernstig gebed, en toen de dag begon te grauwen, stond hij veilig en gezond op.

Toen de prinses wakker werd, zond zij een bediende om den jongeman in haar tegenwoordigheid te leiden; deze was uiterst verbaasd hem nog levend aan te treffen; dat was de prinses ook en iedereen in het kasteel.

Na het ontbijt gaf de prinses aan haar gast een prachtige reisdeken en zei: “Breng deze deken aan uw vader en indien hij nog wat anders verlangt, hebt ge slechts terug te keeren.” De jongeman dankte zijn schoone gastvrouw en nam met een diepe buiging afscheid van haar. Toen hij thuiskwam, vond hij zijn beide broeders daar reeds; zij lieten hun vader de dekens zien, die zij hadden meegebracht. Toen de jongste de zijne uitspreidde, waren zij verbaasd en riepen uit: “Hoe zijt gij in het bezit gekomen [299]van zulk een kostbare deken; die moet ge gestolen hebben!”

De tweede tocht.

Eindelijk zei de vader om hen te kalmeeren: “Gaat nog eens de wereld in en hij, die mij een ketting terug brengt, lang genoeg om er ons huis negen keer mee te omspannen, zal mijn toestemming hebben om het eerst te trouwen!” Aldus slaagde de vader er in zijn zoons tevreden te stellen. De twee oudste broers gingen hun eigen weg en de jongste haastte zich terug naar de prinses. Toen hij aankwam, vroeg zij hem: “Wat heeft uw vader u nu bevolen te doen?” En hij antwoordde: “Ieder onzer moet trachten een ketting mee te brengen, lang genoeg om ons huis negen maal te omspannen.” De prinses heette hem weer welkom en na het souper wees zij hem een gele kamer en zei: “Er zal vannacht weer iemand komen om u bang te maken; maar gij moet geen aandacht aan hem schenken en morgen zullen wij zien, wat wij voor u kunnen doen.”

En ja, omstreeks middernacht kwamen er een menigte geesten rond zijn bed dansen en maakten een vreeselijk geraas, maar hij volgde den raad der prinses en bleef kalm en rustig. Den volgenden morgen kwam er weer een bediende, om hem voor de prinses te geleiden en na het ontbijt gaf zij hem een mooie doos. Zij zei: “Neem deze doos mee naar uw vader en als hij nog wat anders wenscht, dan hebt gij slechts terug te keeren.”

De jongeman dankte haar en nam afscheid. Weer bemerkte hij, dat zijn broers voor hem waren thuisgekomen met hun kettingen, maar de hunne waren niet lang genoeg, zelfs niet om het huis een keer te omspannen, en zij waren ten zeerste verbaasd, toen hun jongste broer uit de doos, die de prinses hem had gegeven een reusachtigen gouden ketting haalde van de vereischte lengte. Verteerd door jaloezie riepen zij uit: “Gij zult den goeden naam van onze familie te schande maken, want dezen ketting moet gij gestolen hebben!” [300]

De derde tocht.

Eindelijk zond de vader, moe van hun gekrakeel, hen weer weg, zeggende: “Gaat; laat ieder uwer zijn liefste meebrengen en ik zal u toestemming geven te trouwen.” Daarop gingen de twee oudste broers vroolijk naar de meisjes, die zij liefhadden en de jongste spoedde zich weer naar de prinses om haar den wensch van zijn vader over te brengen. Toen zij hoorde, wat deze verlangde, zei de prinses: “Gij moet een derden nacht hier doorbrengen en dan zullen wij zien, wat wij doen kunnen.”

Na samen het souper gebruikt te hebben, bracht zij hem in een roode kamer. Gedurende den nacht hoorde hij weer een geluid, waarbij het bloed haast stolde van angst en in de duisternis fluisterde een geheimzinnige stem: “Deze jongeman staat op het punt zich mijn bezittingen en mijn kroon toe te eigenen!” Hij werd aangevallen door spoken en vampiers en uit zijn bed gesleept; maar wat er ook gebeurde, hij volhardde in het gebed en God redde hem.

Maar wat ook gebeurde, hij volhardde in het gebed

Maar wat ook gebeurde, hij volhardde in het gebed

Toen hij den volgenden morgen voor de prinses verscheen, wenschte zij hem geluk met zijn dapperheid en zei hem, dat hij haar liefde had gewonnen. De jongeman was overstelpt van geluk en ofschoon hij het geheim van zijn liefde eigener beweging nooit geopenbaard zou hebben, beminde ook hij de prinses. Een barbier werd geroepen om het uiterlijk van den jongeman te verzorgen en een kleermaker om hem als prins te kleeden. Toen dit gedaan was, ging het paar naar de kapel van het kasteel en zij werden getrouwd.

Eenige dagen later reden zij naar het dorp van den jongeman en toen zij voor zijn woning stil hielden, hoorden zij veel vreugde en muziek, waaruit zij opmaakten, dat de beide broers hun huwelijksfeest vierden. De jongere broer klopte aan de poort en toen de vader kwam, herkende hij zijn zoon niet in den rijk uitgedosten prins, die voor hem stond. Hij was verbaasd, dat zulke aanzienlijke [301]gasten hem een bezoek zouden brengen en nog meer, toen de prins zei: “Goede man, wilt ge ons voor den nacht gastvrijheid verleenen?” De vader antwoordde: “Heel graag, maar wij vieren juist feest in ons huis, en ik ben bang, de deze eenvoudige lieden u met hun gezang en muziek zullen storen.” Hierop zei de jonge prins: “O, neen, ik zou het prettig vinden de boeren te zien feestvieren, en mijn vrouw zal het nog prettiger vinden!”

Nu gingen zij het huis binnen en terwijl de gastvrouw diep voor hen neeg, zei de prins tegen haar: “Wat moet u gelukkig zijn, dat ge uw beide zoons op denzelfden dag getrouwd ziet!” De vrouw zuchtte. “Ach,” zei zij, “aan den eenen kant beleef ik vreugde, aan den anderen kant verdriet; ik had een derden zoon, die ook de wereld in is gegaan en wie weet, welk onheil hem is overkomen.”

Na een poos vond de prins gelegenheid zijn oude kamer binnen te gaan, en een van zijn oude pakken kleeren over zijn prinselijk gewaad aan te trekken. Daarna keerde, hij naar de kamer terug, waar het feestmaal was gereed gezet en bleef achter de deur staan. Heel gauw zagen zijn beide broers hem en zij riepen uit: “Zie eens hier, vader, daar is u veel geprezen zoon, die heenging en stal als een dief!” De vader wendde zich om en toen hij den jongeman zag, riep hij uit: “Waar zijt gij zoo lang geweest en waar is uw liefste?”

Toen sprak de jongste zoon: “Maak mij geen verwijten, het gaat mij even goed als u!” Onder het spreken legde hij zijn oude kleeren af en zijn prinselijk gewaad kwam te voorschijn. Daarna deed hij zijn verhaal en stelde zijn vrouw aan zijn ouders voor.

De broers drukten nu hun spijt uit over hun gedrag en de prins schonk hun grootmoedig vergiffenis, waarna zij elkaar omhelsden; het feestmaal werd voortgezet en gedurende dagen werd er feest gevierd. Ten slotte verdeelde de jonge prins onder zijn vader en broeder groote stukken van zijn nieuwe landen en zij leefden allen lang en gelukkig met elkaar. [302]