[Inhoud]

De drie vrijers.

In een ver verwijderd land leefde lang geleden een koning, die maar een kind had—een buitengewoon mooie dochter. Velen dongen naar de hand van de prinses en onder hen waren drie jonge edellieden, van wie de koning veel hield. Daar de koning echter van alle drie evenveel hield, kon hij niet besluiten aan wien hij zijn dochter tot vrouw zou geven.—Op zekeren dag riep hij de drie jonge edellieden bij zich en sprak als volgt: “Gaat alle drie een reis door de wereld maken. Hij, die mij het merkwaardigste van zijn reis mee terugbrengt, zal mijn schoonzoon worden.”

De drie begaven zich dadelijk op weg, waarbij elk hunner een verschillende richting insloeg; elk der drie koos een ander land om merkwaardige dingen te zoeken.

Niet lang duurde het, of een der jonge edelen vond een prachtig tapijt, dat, wie er ook op ging zitten, snel door de lucht droeg.

Een der anderen vond een bewonderingswaardigen verrekijker, waardoor hij iedereen en alles op de wereld kon zien en zelfs het veelkleurige zand op den bodem van de groote, diepe zee.

De derde vond een wonderdadige zalf, die elke ziekte in de wereld kon genezen, en zelfs dooden tot het leven kon terugroepen.

Nu waren de edele reizigers ver van elkaar af, toen zij deze wonderlijke dingen vonden. Maar toen de jongeman, die den verrekijker had gevonden, er door keek, zag hij een van zijn vroegere vrienden en tegenwoordige medeminnaars met een tapijt op zijn schouder loopen en daarom begaf hij zich op weg om zich bij hem te voegen. Daar hij door zijn wonderlijken verrekijker altijd kon zien, waar de andere edelman was, kostte het hem niet veel moeite den ander te vinden en toen de twee elkaar hadden getroffen, gingen zij naast elkaar op het tapijt zitten en het droeg hen door de lucht, totdat ook de derde reiziger [314]zich bij hen voegde. Op zekeren dag, toen ieder had verteld, welke merkwaardige dingen hij op reis had ontmoet, riep een hunner plotseling: “Laat ons nu eens zien, wat de mooie prinses doet en waar zij is.” Toen keek de edelman, die den verrekijker had gevonden, er doorheen, en zag tot zijn groote ontsteltenis en verslagenheid, dat de dochter des konings heel ziek lag en op het punt was te sterven.

Hij vertelde dit aan zijn twee vrienden en medeminnaars en ook zij stonden als van den donder getroffen door het slechte nieuws—totdat hij, die de zalf had gevonden, zich eensklaps de wonderdadige kracht van zijn middel herinnerde en uitriep: “Ik ben er zeker van, dat ik haar zou kunnen genezen, als ik het paleis maar spoedig genoeg bereikte!” Toen de edelman, die het merkwaardige tapijt had gevonden, dit hoorde, riep hij uit: “Laten we op mijn tapijt gaan zitten, en het zal ons snel naar het paleis van den koning brengen!”

Daarop gingen de drie edellieden op het tapijt zitten, dat zich onmiddellijk in de lucht verhief, en hen regelrecht naar het paleis droeg.

De koning ontving hen dadelijk, maar zei treurig: “Het spijt mij voor u, want uw reizen zijn vergeefsch geweest. De prinses is helaas stervende; zij kan dus geen uwer trouwen!”

Maar de edelman, die de wonderdadige zalf bezat, zei eerbiedig: “Vrees niet, sire, de prinses zal niet sterven!” En na toestemming te hebben gekregen om het vertrek binnen te gaan, waar zij ziek lag, legde hij de zalf zoo, dat zij ze kon ruiken. Na enkele oogenblikken leefde de prinses weer op en toen haar kamenier een weinig van de zalf in haar hand had gewreven, herstelde zij zoo snel, dat zij zich na enkele dagen reeds beter voelde, dan voor haar ziekte.

De koning was zoo blij, dat zijn dochter hem uit den dood was teruggegeven, dat hij verzekerde, dat niemand haar zou trouwen dan de jonge edelman, wiens wonderdadige zalf haar had genezen. [315]

De twist.

Maar nu ontstond er een groote twist tusschen de drie jonge edelen; hij, die de zalf had gevonden, verzekerde, dat de prinses gestorven zou zijn, als hij haar niet genezen had, en dat zij dan niemand zou hebben kunnen trouwen; de edelman, die den wonderbaren verrekijker had gevonden, verzekerde, dat zij zonder hem nooit zouden hebben geweten, dat de prinses stervende was en zijn vriend dan ook niet de zalf zou hebben gebracht om haar te genezen, terwijl de derde edelman hun bewees, dat zonder medewerking van zijn tapijt noch de zalf noch de verrekijker de prinses iets zou hebben geholpen, daar zij zulk een afstand op andere wijze niet intijds zouden hebben afgelegd om haar te redden.

Toen de koning van dezen twist hoorde, sprak hij tot hen: “Mijne heeren, uit hetgeen gij gezegd hebt, merk ik, dat het niet billijk zou zijn mijn dochter aan een uwer te geven; daarom verzoek ik u het denkbeeld om haar te trouwen geheel op te geven en weer vrienden te worden, zooals gij waart, voordat gij medeminnaars werdt.”

De drie jonge edelen zagen in, dat de koning geen beter besluit had kunnen nemen; daarom verlieten zij allen hun vaderland en begaven zich naar een verwijderde woestijn, waar zij als kluizenaars gingen leven. En de koning gaf de prinses aan een ander edelman.

Vele, vele jaren waren voorbij gegaan, sinds het huwelijk van de prinses, toen haar echtgenoot door haar vader naar een ver verwijderd land werd gezonden, waarmede hij in oorlog was gewikkeld. De edelman nam zijn vrouw, de prinses, met zich mee, daar het mogelijk was, dat hij genoodzaakt zou zijn heel lang weg te blijven. Nu gebeurde het, dat een hevige storm opstak, juist toen het schip, waarop de prinses en haar echtgenoot zich bevonden, een vreemde kust naderde, en toen de orkaan op zijn hevigst was, sloeg het schip tegen rotsen, en ging dadelijk onder. Allen aan boord kwamen in de golven om, uitgenomen [316]de prinses, die zich stevig vasthield aan een boot en door wind en getij naar de kust werd gedreven. Dit was, naar het scheen, een onbewoond land, en toen zij een klein hol in een rots ontdekte, bleef zij daar en leefde er gedurende drie jaren; zij voedde zich met wilde grassen en vruchten. Elken dag zocht zij naar een weg om door het bosch, dat het hol omgaf, te ontkomen, maar zij kon er geen vinden. Op zekeren dag echter, toen zij zich verder dan gewoonlijk van het hol had verwijderd, kwam zij eensklaps bij een ander hol, dat tot haar groote verbazing door een kleine deur was afgesloten. Zij beproefde herhaaldelijk de deur te openen, want zij was voornemens daar den nacht door te brengen; maar al haar pogingen waren vruchteloos, zoo stevig was de deur gesloten.

Eindelijk echter riep een diepe stem van uit het hol: “Wie is daar aan de deur?”

Op het hooren van een menschelijke stem was de prinses zoo ontsteld, dat zij gedurende enkele oogenblikken niet kon antwoorden; toen zij zich hersteld had, zei zij: “Ik smeek u de deur voor mij te openen!” Onmiddellijk werd de deur van binnen geopend en zij zag tot haar schrik een ouden man met een dikken, grijzen baard, die tot aan zijn middel reikte en lange witte haren, die over zijn schouders golfden.

Wat de prinses het meest beangst maakte, was, dat zij hier, in dezelfde woestijn, waar zij drie jaar had gewoond zonder een levende ziel te ontmoeten, nu een man aantrof.

De kluizenaar en de prinses keken elkaar lang en ernstig aan zonder een woord te spreken. Eindelijk echter zei de oude man: “Zeg mij: zijt gij een engel of een dochter van deze wereld?”

Toen antwoordde de prinses: “Oude man, laat mij een oogenblik uitrusten en dan zal ik u mijn geheele geschiedenis vertellen, ook wat de oorzaak is, dat ik hier ben.”

De kluizenaar haalde eenige wilde peren te voorschijn, [317]en toen de prinses er een paar van gebruikt had, begon zij hem te vertellen, wie zij was en hoe zij in deze woestijn kwam. Zij zei: “Ik ben de dochter van een koning, en eens, vele jaren geleden, hebben drie jonge edellieden van mijns vaders hof mij aan den koning ten huwelijk gevraagd. Nu was de koning dezen drie jongen mannen allen even genegen, zoodat hij niet graag een hunner leed deed; daarom zond hij ze heen om verre landen te doorreizen en beloofde hun, dat hij bij hun terugkomst een beslissing zou nemen.

De drie edellieden bleven langen tijd weg; en terwijl zij nog ergens buitenslands waren, werd ik gevaarlijk ziek. Ik was op het punt te sterven, toen zij alle drie plotseling terugkeerden; een hunner bracht een wonderdadige zalf mee, die mij onmiddellijk genas; de twee anderen brachten even merkwaardige dingen mede—een tapijt, dat elk, die er zich op neerzette, door de lucht kon dragen, een verrekijker, waarmede men iedereen en alles in de wereld tot zelfs het zand op den bodem van de zee kon zien.

De herkenning.

Zoover was de prinses met haar verhaal gekomen, toen de kluizenaar haar plotseling in de rede viel met de woorden: “Alles, wat daarna gebeurde, weet ik even goed als gij. Zie mij aan, dochter! Ik was een dier edellieden, die dongen naar uw hand en hier is de wonderbare verrekijker.” En de kluizenaar haalde, voordat hij verder ging, het instrument uit een nis in den wand van het hol te voorschijn.

“Mijn twee vrienden en medeminnaars kwamen met mij naar deze woestijn. Wij gingen echter dadelijk van elkaar en hebben elkaar nooit meer ontmoet. Ik weet niet, of zij nog leven of dood zijn, maar ik wil naar hen uitzien.”

De kluizenaar keek toen door zijn verrekijker en zag, dat de beide andere edellieden evenals hij leefden in holen in verschillende deelen van de woestijn. Nadat hij dit had [318]ontdekt, nam hij de prinses bij de hand en voerde haar naar de andere kluizenaars. Toen allen hereend waren, vertelde de prinses haar avonturen, die zij had beleefd, sinds het vergaan van het schip, waarin haar echtgenoot omgekomen was en waarvan zij alleen werd gered.

Het deed de drie edele kluizenaars genoegen haar nog eens levend te zien; maar zij waren het er dadelijk over eens, dat zij haar naar den koning, haar vader, moesten terugzenden.

Zij gaven de prinses toen den wonderbaren verrekijker en de wonderdoende zalf en zetten haar op het wonderdadige tapijt, dat haar en haar schatten snel en veilig naar het paleis van haar vader bracht. En wat de drie edellieden betrof, zij bleven, steeds als kluizenaars levende, in de woestijn, met dit verschil echter, dat zij elkaar nu en dan bezochten, zoodat de jaren hen niet zoo lang en eentonig leken. Want zij hadden elkaar nog vele avonturen te vertellen.

De koning was buitengewoon blij, dat hij zijn eenig kind weer veilig terugzag en de prinses leefde vele jaren met haar vader; maar noch de koning noch de prinses konden de drie edelen geheel vergeten, die terwille van haar als kluizenaars leefden in de woestijn van een ver verwijderd land.