[Inhoud]

De droom van den koningszoon.

Er was eens een koning, die drie zoons had. Op zekeren avond, toen de jonge prinsen zich te slapen legden, zeide de koning tot hen, dat zij goed acht moesten geven op ’t geen zij droomden en dat zij hem den volgenden morgen hun droom moesten vertellen. Den volgenden morgen gingen de prinsen, zoodra zij ontwaakten, naar hun vader en toen de koning hen zag, vroeg hij den oudste:

“Nu, wat hebt gij gedroomd?”

De prins antwoordde: “Ik heb gedroomd, dat ik de erfgenaam van den troon was.”

En de tweede zei: “Ik droomde, dat ik de eerste onderdaan in het koninkrijk zou zijn.” [319]

Toen sprak de jongste: “Ik droomde, dat ik mijn handen waschte en dat de prinsen, mijn broeders, de kom vasthielden, terwijl de koningin, mijn moeder, fijne handdoeken ophield, waaraan ik mijn handen zou kunnen afdrogen en Uwe Majesteit zelf schonk er water over heen uit een gouden emmer.”

De koning werd, toen hij dit hoorde, zeer vertoornd en riep uit: “Wat! ik—de koning—zou water schenken over de handen van mijn eigen zoon! Verwijder u onmiddellijk uit mijn paleis en uit mijn koninkrijk! Gij zijt niet langer mijn zoon.”

De arme, jonge prins deed al zijn best vrede met zijn vader te sluiten, en zei, dat hij toch werkelijk niet te laken was om hetgeen hij had gedroomd; maar de koning werd steeds woedender, en wierp eindelijk eigenhandig de prins uit het paleis.

Zoo was de prins genoodzaakt verschillende landen door te trekken, totdat hij op zekeren dag in een groot bosch een hol ontdekte, dat hij binnen ging om er in te rusten. Daar vond hij tot zijn groote verbazing en vreugde een grooten ketel vol maïs, die op het vuur stond te koken en daar hij buitengewoon hongerig was, bediende hij zich zelf van de maïs. Hij ging daarmede door, tot hij tot zijn ontsteltenis bemerkte, dat hij bijna al de maïs had opgegeten. Bevreesd, dat er onheil uit zou kunnen voortkomen, keek hij rond naar een plaats, waar hij zich zou kunnen verbergen. Op dat oogenblik ontstond een groot geraas aan den ingang van het hol, en hij had zich nauwelijks in een donkeren hoek teruggetrokken, of een blinde, oude man kwam binnen. Hij zat op een groote geit, terwijl hij een groot aantal geiten voor zich uitdreef.

De oude man reed regelrecht naar den ketel; toen hij bemerkte, dat bijna al de maïs er uit verdwenen was, vermoedde hij, dat er iemand in het hol moest zijn en tastend ging hij het hol rond, totdat hij den prins greep,

“Wie zijt gij?” vroeg hij boos en de prins antwoordde: [320]

“Ik ben een arme zwerver, die de wereld doortrekt, een dak heb ik niet en ik smeek u mij gastvrijheid te verleenen.”

“Wel,” sprak de oude man, “waarom niet? Ik zal tenminste iemand hebben, die toezicht op mijn maïs houdt, als ik met mijn geiten in het bosch ben.”

Zoo leefden zij eenigen tijd te zamen; de prins bleef in het hol, om de maïs te koken, terwijl de oude man zijn geiten elken morgen het woud indreef.

Op zekeren dag zei de oude man echter tot den prins: “Ik vind, dat gij heden met de geiten moest uitgaan; ik zal thuis blijven bij de maïs.”

Hierin stemde de prins toe, daar hij er genoeg van had altijd rustig in het hol te blijven. Maar de oude man voegde er aan toe: “Vergeet een ding niet! Er zijn negen verschillende heuvels; gij kunt de geiten vrij op acht er van laten grazen, maar in geen geval moet gij naar den negenden gaan. Daar verblijven de veele en zij zullen u zeker de oogen uitsteken, evenals zij het mij hebben gedaan, indien gij het waagt op haar heuvel te komen.”

De prins dankte den ouden man voor zijn waarschuwing, steeg daarna op de groote geit en dreef de andere geiten voor zich uit naar buiten.

Voortdurend achter de geiten aanrijdend, deed hij achtereenvolgens alle acht heuvels aan en toen hij den laatsten bereikte, kon hij den negenden zien. Toen kon hij de verzoeking niet weerstaan dien op te gaan. Daarom zei hij tegen zich zelf: “Ik wil het er op wagen, wat er ook gebeure!”

De Prins en de veele.

Ternauwernood had hij zijn voet op den negenden heuvel gezet, of de veele omringden hem, en maakten zich gereed hem de oogen uit te steken. Op het laatste oogenblik viel hem echter een gelukkige gedachte in en hij riep haastig: “Lieve veele, waarom zoudt gij deze zonde op uw hoofd laden? Ik stel u voor de volgende afspraak te [321]maken. Indien gij over een boom springt, dien ik daar neer zal leggen, moogt gij mij de oogen uitsteken, en ik zal er u niet om laken!”

De veele stemden hierin toe en de prins ging heen en haalde een grooten boom, dien hij bijna tot aan den wortel doormidden hieuw. Toen hij dit gedaan had, dreef hij er een wig in, om de twee helften van elkaar te houden. Nadat hij den stam weer rechtop had geplaatst, sprong hij er eerst over en zei toen tegen de veele: “Nu is het uw beurt. Laat eens zien, of gij over den boom kunt springen!”

Een veela beproefde er over te springen, maar toen zij tusschen de twee helften zweefde, sloeg de prins de wigge er uit, de stam sloot zich en hield de veela vast. Toen werden al de anderen bang en zij verzochten hem den stam te openen en haar zuster vrij te laten; op haar beurt beloofden zij, dat zij hem alles zouden geven, wat hij mocht vragen. Toen sprak de prins: “Ik verlang niets anders dan dat ik mijn oogen mag behouden en dat gij het gezicht teruggeeft aan den armen, ouden man.” De veele gaven hem nu een bosje kruiden, zeiden hem, dat hij dat op de oogen van den ouden man moest leggen, waarna hij het gezicht terug zou krijgen. De prins nam het kruid, opende den boom een weinig, zoodat de veela vrij kwam, en reed toen op de geit terug naar het hol, waarbij hij weer al de andere geiten voor zich uit dreef.

Toen hij thuiskwam, legde hij dadelijk het kruid op de oogen van den ouden man en oogenblikkelijk had deze tot zijn buitengewone verbazing en vreugde zijn gezicht terug.

Den volgenden morgen gaf de oude man, voordat hij op zijn geit uitreed, aan den prins de sleutels van acht kabinetjes, die in het hol waren; hij waarschuwde hem in geen geval het negende kabinet te openen, al hing de sleutel vlak tegenover de deur. Daarna vertrok hij, nadat hij den prins nog had opgedragen er goed voor te zorgen, dat de maïs voor het avondeten gereed kwam. [322]

Toen hij alleen was gelaten in het hol, begon hij er over te peinzen, wat er toch wel in het negende kabinet zou kunnen zijn en eindelijk kon hij geen weerstand bieden aan de verzoeking den sleutel te nemen en de deur te openen om er een blik in te werpen.

Het gouden paard.

Wat was hij verbaasd, toen hij een gouden paard met een gouden hazewind naast zich zag en verder een gouden hen met gouden kuikens, die bezig waren gouden gierstkorrels op te pikken.

De jonge prins staarde er eenigen tijd naar en bewonderde hun schoonheid; toen sprak hij tot het gouden paard:

“Vriend, ik geloof, dat het beter is, dat wij deze plek verlaten, voordat de oude man terugkomt.”

“Heel best,” antwoordde het gouden paard. “Ik ben volkomen bereid heen te gaan, maar sla den goeden raad, dien ik u geven zal, niet in den wind. Ga zooveel linnen halen, als ge krijgen kunt om over de steenen bij den ingang van het hol te leggen; want als de oude man het gekletter van mijn hoeven hoort, zal hij u zeker dooden. Verder moet gij een kleinen steen meenemen, een druppel water en een schaar en op het oogenblik, dat ik u zeg, dat ge ze neer moet werpen, moet gij mij dadelijk gehoorzamen—anders zijt gij verloren.”

De prins deed alles, wat het gouden paard had bevolen, en na de gouden hen met de kuikens in den zak te hebben gedaan, nam hij dien onder zijn arm, steeg te paard en reed snel het hol uit, waarbij de gouden hazewind, dien hij aan een leeren riem meevoerde, hem volgde. Maar zoodra zij in de open lucht waren, hoorde de oude man, ofschoon hij ver weg op een verwijderden berg zijn geiten hoedde, het gekletter van de gouden hoeven en hij riep tegen zijn groote geit: “Zij zijn weggeloopen. Laten we hen dadelijk volgen.”

In merkwaardig korten tijd zat de oude man op zijn [323]groote geit den prins dicht op de hielen. Toen zei het paard: “Werp uw kleinen steen neer!”

Op hetzelfde oogenblik, waarop de prins het steentje had neergeworpen, verhief zich een rotsige berg tusschen hem en den ouden man, en voordat de geit er overgeklommen was, had het gouden paard een heel stuk op de vervolgers gewonnen. Maar heel spoedig had de oude man hen weer ingehaald en toen riep het paard: “Werp den druppel water neer!”

De prins gehoorzaamde onmiddellijk en zag toen tot zijn verbazing, dat een breede rivier tusschen hem en zijn vervolger stroomde.

Het kostte den ouden man en zijn geit zooveel tijd om de rivier over te steken, dat de prins op zijn gouden paard hem ver voor kwam; maar desondanks duurde het niet lang, of het paard had de geit weer zoo dicht achter zich, dat het riep: “Werp de schaar neer!” En toen de geit er over liep, bezeerde zij ernstig haar pooten.

Toen de oude man dit zag, riep hij uit: “Nu ik merk, dat ik u niet kan inhalen, moogt gij houden, wat gij genomen hebt. Maar gij zult verstandig doen naar mijn raad te luisteren. De menschen zullen u zeker dooden om uw gouden paard; daarom deedt gij beter dadelijk een ezel te koopen, en met de huid uw paard te overdekken en doe hetzelfde met uw gouden hazewind.”

Toen hij dit gezegd had, wendde de oude man zich om en keerde terug naar zijn hol; de prins volgde zijn raad onmiddellijk op en bedekte zijn gouden paard met een ezelhuid en zijn gouden hazewind eveneens.

Na een lange reis kwam de prins onverwacht in het koninkrijk van zijn vader. Daar hoorde hij, dat de koning een gracht had laten graven, die driehonderd meter breed en vierhonderd meter diep was en dat hij had laten bekend maken, dat hij, die zijn paard er over kon laten springen, de prinses, zijn dochter, tot vrouw zou krijgen.

Bijna een geheel jaar was verloopen sedert de bekendmaking, [324]maar tot nu toe had zich niemand aan den sprong gewaagd. Toen de prins dit hoorde, zei hij: “Ik zal er met mijn ezel en mijn hond over springen,” en hij sprong er over.

De koning was echter zeer boos, toen hij vernam, dat een armoedig gekleed man op een ezel den sprong over de breede gracht had durven doen, die zijn dapperste ridders had afgeschrikt; daarom liet hij den vermomden prins met zijn ezel en zijn hond in een van zijn diepste kerkers werpen.

Den volgenden morgen stuurde de koning een van zijn bedienden om te zien, of de man nog leefde, doch deze snelde zeer ontsteld naar hem terug en vertelde hem, dat hij in den kerker inplaats van een armen man met een ezel, een jongen, fraai uitgedoschten ridder, een gouden paard, een gouden hazewind en een gouden hen omringd door gouden kuikens, die gouden gierstkorrels van den grond oppikten, had aangetroffen. Toen sprak de koning: “Dat moet een machtig prins zijn.” Daarom gaf hij bevel aan de koningin en de prinsen, zijn zoons, om alles voor de ontvangst van den vreemdeling gereed te maken en te zorgen, dat hij zijn handen zou kunnen wasschen. Toen ging hij zelf naar beneden, naar den kerker en bracht den prins met veel plichtplegingen naar boven, waarmee hij de slechte behandeling, die de prins ondergaan had, weer wilde goedmaken. De koning zelf nam een gouden emmer vol water, en schonk het over de handen van den prins, terwijl de beide prinsen de kom vasthielden en de koningin fijne handdoeken ophield, waaraan hij zijn handen kon drogen.

Toen dit gedaan was, riep de jonge prins uit: “Nu is mijn droom vervuld,” en op eens herkenden zij hem en zij waren zeer blij hem weer in hun midden te zien.