[Inhoud]

De bijter gebeten.

Er was eens een oud man, die telkens, als hij hoorde, dat iemand zich er over beklaagde, dat hij zooveel zoons [325]had, lachte en zei: “Ik wilde, dat het God behaagde mij honderd zoons te geven!”

Dit zei hij voor de grap; maar in den loop van den tijd kreeg hij inderdaad honderd zoons.

Hij had moeite genoeg om verschillende ambachten voor zijn zoons te vinden, maar toen zij eenmaal allen gevestigd waren, werkten zij ijverig en verdienden een overvloed van geld. Nu deed zich echter een nieuwe moeielijkheid voor. Op zekeren dag kwam de oudste zoon naar hem toe en zei: “Lieve vader, ik geloof, dat het meer dan tijd is, dat ik trouw.”

Ternauwernood had hij dit gezegd, of de tweede zoon kwam, en zei: “Beste vader, ik geloof, dat het hoog tijd is, dat u eens naar een vrouw voor mij uitziet.”

Een oogenblik later kwam de derde zoon en vroeg: “Lieve vader, vindt u niet, dat het hoog tijd is, dat u een vrouw voor mij zoekt?” Met dezelfde boodschap kwamen ook de vierde en de vijfde, tot het geheele honderdtal hetzelfde verzoek had gedaan. Allen wenschten te trouwen en verzochten hun vader zoo spoedig mogelijk een vrouw voor hen te zoeken.

De oude man was niet weinig in verlegenheid gebracht door deze verzoeken; hij zei evenwel tegen zijn zoons: “Heel goed, mijn zoons, ik heb er niets tegen, dat gij trouwt; ik vrees echter, dat het niet gemakkelijk zal gaan. Gij vraagt alle honderd een vrouw, en ik betwijfel, of er wel honderd huwbare meisjes in de vijftien dorpen van onze omgeving te vinden zijn.”

Maar hierop antwoordden de zoons: “Maak u daarover niet ongerust; bestijg uw paard en neem in uw zak een voldoend aantal verlovingskoeken mee. Gij moet ook een stok in uw hand nemen, waarin gij een inkerving maakt, telkens als gij een meisje ziet. Het komt er niet op aan, of zij mooi of leelijk, kreupel of blind is—maak een insnijding voor elk meisje, dat u ontmoet.”

De oude man zei: “Dat is heel verstandig gesproken, [326]mijn zoons! Ik zal precies doen, wat gij mij gezegd hebt.”

Hij steeg dus te paard, nam een zak vol koeken op zijn schouders en een langen stok in zijn hand en vertrok om de omgeving af te zoeken naar meisjes, die zijn zoons zouden kunnen trouwen.

De oude man reisde van dorp tot dorp, een gansche maand lang en als hij een meisje zag, maakte hij een insnijding in zijn stok. Maar het verveelde hem toch en hij begon te tellen, hoeveel kerfjes hij reeds had. Toen hij ze zorgvuldig had geteld, telkens en telkens weer, om er zeker van te zijn, dat hij er geen had overgeslagen, kon hij het toch niet verder dan vierenzeventig brengen, zoodat er nog zesentwintig ontbraken om het honderdtal vol te maken. Maar hij was zoo afgemat door zijn reis van een maand, dat hij besloot naar huis terug te keeren. Onder het rijden zag hij een priester, die ossen voortdreef, welke voor een ploeg waren gespannen. De priester was, naar het scheen, over het een of ander zeer diep in gedachten verzonken. Nu was de oude man een beetje verbaasd, toen hij zag, dat de priester zijn eigen korenvelden ploegde, zonder dat hij zelfs een jongen had om hem te helpen; daarom riep hij hem toe: “Waarom bestuurt ge zelf uw ossen?” Maar de priester hief zelfs zijn hoofd niet op om te zien, wie hem riep; zoo was zijn aandacht in beslag genomen door zijn werk, het voortdrijven van zijn ossen en het sturen van zijn ploeg.

De oude man dacht, dat hij niet luid genoeg had gesproken, daarom riep hij nog eens zoo hard als hij kon: “Laat uw ossen een oogenblik stilstaan en vertel mij eens, waarom gij zelf bezig zijt met ploegen, en waarom geen jongen u helpt—en dat nog wel op een heiligendag!”

Nu antwoordde de priester—wien het zweet langs het gelaat liep, zoo hard werkte hij—knorrig: “Ik bezweer u bij uw ouden dag, laat mij met rust! Ik kan u mijn ongeluk niet vertellen.” [327]

De honderd dochters.

Maar dit antwoord maakte den ouden man nog nieuwsgieriger en nog sterker drong hij er op aan te mogen hooren, waarom de priester op een heiligendag werkte. Eindelijk, toen het hem begon te vervelen, zuchtte de priester diep en zei: “Nu, als gij het wilt weten, ik ben de eenige man in mijn gezin. God heeft mij gezegend met honderd dochters?”

De oude man was overgelukkig, toen hij dit hoorde en riep vroolijk uit: “Dat komt goed uit! Het is precies, wat ik noodig heb, want ik heb honderd zoons, en daar gij honderd dochters hebt, kunnen wij vrienden worden!”

Zoodra de priester dit hoorde, werd hij vriendelijk en spraakzaam en noodigde den ouden man uit den nacht in zijn huis door te brengen. Hij liet zijn ploeg op den akker staan en dreef zijn ossen terug naar het dorp. Juist voor zij het huis bereikten, zei hij tegen den ouden man: “Ga zelf in huis, terwijl ik mijn ossen vastbind.”

Maar nauwelijks had de oude man het erf betreden, of de vrouw van den priester liep hard op hem toe met een dikken stok en riep: “Wij nebben geen brood genoeg voor onze honderd dochters en daarom kunnen wij geen bedelaars en ook geen bezoekers ontvangen,” en met deze woorden joeg ze hem weg.

Spoedig daarna kwam de priester uit de schuur en toen hij den ouden man op den weg voor het hek zag zitten, vroeg hij hem, waarom hij het huis niet was binnen gegaan, gelijk hij hem gezegd had.

Daarop antwoordde de oude man: “Ik ben naar binnen gegaan, maar uw vrouw joeg mij weg!”

Toen sprak de priester: “Wacht een oogenblik, totdat ik u kom halen.” Toen ging hij gauw het huis in, en schold zijn vrouw flink uit. Hij riep haar toe: “Wat hebt gij gedaan? Welk een mooie kans hebt gij daar bedorven! De man, die naar binnen kwam, moeten wij te vriend houden, want hij heeft honderd zoons, die onze dochters graag willen trouwen!” [328]

Toen de vrouw dit hoorde, trok zij vlug een ander gewaad aan en maakte snel haar en hoofdtooi op. Daarna glimlachte zij heel lief, en heette met de grootst mogelijke voorkomendheid den ouden man welkom, toen haar man hem binnen bracht. Ja ze deed, alsof zij er zich niets meer van herinnerde, dat er iemand de deur uit was gejaagd. En daar de oude man voor alles verlangde de echtgenooten voor zijn zoons te vinden, deed hij ook, alsof hij niet wist, dat de glimlachende vrouw des huizes dezelfde was, die hem met een stok had weggejaagd. De oude man bracht dus den nacht in het huis door en den volgenden morgen vroeg hij den priester in allen vorm hem zijn honderd dochters voor zijn honderd zoons te geven. Daarop zei de priester, dat hij daartoe gaarne bereid was en er reeds met zijn dochters over gesproken had en dat ook zij bereid waren. Toen haalde de oude man de verlovingskoeken te voorschijn en legde ze naast zich neer op de tafel; en hij gaf elk meisje ook een stuk geld. Daarna gaf elk der verloofde meisjes hem voor dien zoon, met wien zij verloofd was, een klein geschenk mee. Deze geschenken deed de oude man in den zak, waarin de “verlovingskoeken” waren geweest. Daarna steeg hij te paard en reed vroolijk naar huis. Er heerschte groote vreugde in zijn gezin, toen men hoorde, hoe goed hij was geslaagd en dat hij werkelijk honderd meisjes had gevonden, die gereed en bereid waren uitgehuwelijkt te worden en dat deze honderd de dochters van een priester waren.

De zoons drongen er op aan, dat zonder dralen een begin zou worden gemaakt met de voorbereidselen tot het huwelijk en zij begonnen dadelijk de gasten te noodigen, die deel uit zouden maken van de huwelijksprocessie, welke zich naar het huis van den priester begeven en de bruiden thuis zou brengen.

Maar hier deed zich een andere moeielijkheid voor. De oude vader moest twee honderd geleiders voor de bruiden zoeken (voor elke bruid twee); honderd kooms; honderd [329]starisvats; honderd chaious (hardloopende voetknechten, die voor de processie uitgaan) en drie honderd voïvodes (vaandeldragers); en bovendien een behoorlijk aantal andere gasten. Om deze allen te vinden, moest de vader drie jaar de omgeving afjagen; doch eindelijk waren ze gevonden en er werd een dag bepaald, waarop zij bij zijn huis zouden samenkomen om zich vandaar in processie naar het huis van den priester te begeven.

De huwelijksprocessie.

Op den bepaalden dag verzamelden zich al de genoodigde gasten bij het huis van den ouden man. Na veel geraas en verwarring, en na rijkelijk genoten te hebben van het feestmaal, stelde de huwelijksprocessie zich in beweging en begaf zich op weg naar het huis van den priester, waar de honderd bruiden zich al gereed gemaakt hadden voor haar vertrek naar haar nieuw tehuis.

Zoo groot was de verwarring bij het vertrek geweest, dat de oude man niet eens merkte, dat een van de honderd zoons ontbrak en hem in het geheel niet miste bij het groeten en praten en drinken, waartoe hij als vader van de bruidegoms verplicht was. Nu had deze jonge man zoo lang en hard gewerkt om zich gereed te maken voor den trouwdag, dat hij eerst wakker werd lang nadat de processie was vertrokken; iedereen scheen evenals zijn vader zooveel aan zijn hoofd te hebben, dat niemand hem miste.

De huwelijksprocessie kwam in goede orde aan het huis van den priester, waar reeds een feestmaal voor hen was aangericht. Na de noodige eer bewezen te hebben aan de vele goede dingen en nadat al de ceremonies vervuld waren, die bij zoo’n gelegenheid in acht genomen moeten worden, werden de honderd bruiden aan haar geleiders gegeven en de processie begaf zich op den terugweg naar het huis van den ouden man. Maar daar zij eerst vertrokken, toen het al vrij laat in den middag [330]was, werd er besloten dat men den nacht ergens onderweg zou doorbrengen. Toen zij daarom aan een rivier kwamen, “de Ongelukkige” genaamd, stelden eenigen, daar het al donker was, voor aan den oever te overnachten en niet eerst de rivier over te steken. Anderen, die deel uitmaakten van de partij, bevalen echter met groote warmte aan de rivier over te steken en te kampeeren aan den anderen kant. Daartoe werd eindelijk na veel heen en weer praten besloten; de processie ging dus de brug over.

Maar juist toen de trouwpartij halverwege de brug was, bogen de beide leuningen naar elkaar toe en daardoor werden de menschen zoo dicht op elkaar gedrukt, dat zij nauwelijks ruimte hadden om adem te halen—laat staan om zich voor- of achteruit te bewegen.

De zwarte reus.

Gedurende eenigen tijd bleven zij zoo op elkaar gepakt staan; eenigen schreeuwden en scholden, anderen waren stil, omdat zij bang waren. Eindelijk verscheen een zwarte reus, die hen met vreeselijke stem toeschreeuwde:

“Wie zijt gij allen? Vanwaar komt gij? Waar gaat gij heen?”

De stoutmoedigsten onder hen antwoordden: “Wij gaan naar het huis van onzen vriend en brengen de honderd bruiden thuis van zijn honderd zoons; maar, helaas, wij hebben ons op deze brug gewaagd na het vallen van den avond en nu worden wij zoo tegen elkaar gedrukt, dat wij noch voor- noch achteruit kunnen.”

“En waar is uw oude vriend?” vroeg de zwarte reus.

Nu richtten aller oogen zich op den ouden man. Deze keek den reus aan, die onmiddellijk tegen hem zei: “Luister, oude man! Wilt gij mij geven, wat gij thuis vergeten hebt, als ik uw vrienden over de brug laat?”

De oude man dacht een oogenblik na, wat hij thuis vergeten kon hebben, maar hij kon zich niet voorstellen, dat dit iets bijzonders zou kunnen zijn, en daarbij hoorde [331]hij van alle kanten het gekreun en gekerm van zijn gasten. Daarom antwoordde hij: “Nu, ik zal het u geven, als gij den stoet maar laat doorgaan.”

Toen zei de zwarte reus tot het gezelschap: “Gij hoort allen, wat hij heeft beloofd en gij zijt allen mijn getuigen bij de overeenkomst. Over drie dagen zal ik mijn prijs komen halen.”

Nadat hij dit gezegd had, maakte de reus de brug ruimer en de geheele processie ging er veilig over naar den anderen kant. De lust om den nacht in de open lucht te vertoeven, was den menschen echter ontgaan en zij gingen daarom zoo snel zij konden verder en vroeg in den morgen bereikten zij het huis van den ouden man.

Toen hij van het vreemde avontuur hoorde, dat hen was overkomen, begreep de oudste zoon, die thuis was gelaten, spoedig, hoe de zaak stond en hij ging naar zijn vader en zei: “O, vader, u heeft mij aan den zwarten reus verkocht!”

Toen was de oude man zeer bedroefd en verontrust; maar zijn vrienden troostten hem en zeiden: “Wees niet bang! Er zal niets van komen.”

De huwelijksplechtigheden zouden met grooten luister gevierd worden. Maar juist, toen het feest zijn hoogtepunt had bereikt, op den derden dag, verscheen de zwarte reus voor de deur en riep: “Nu, geef mij dadelijk, wat gij mij beloofd hebt.”

De oude man trad bevend naar voren en vroeg: “Wat verlangt gij?”

“Niets anders, dan wat gij mij hebt beloofd!” antwoordde de zwarte reus.

Daar hij zijn belofte niet mocht breken, was de oude man, hoezeer ’t hem ook smartte, genoodzaakt zijn oudsten zoon aan den reus over te geven, die daarop sprak: “Nu neem ik uw zoon mee, maar over drie jaren kunt gij naar de Ongelukkige rivier komen en hem weer meenemen.”

Na dit gezegd te hebben, verdween de zwarte reus, en [332]voerde den jongeman met zich mee. Deze werd zijn leerjongen in zijn werkplaats, waar de reus het beroep van toovenaar uitoefende.

Vanaf dat oogenblik had de arme, oude man geen gelukkig oogenblik meer. Hij was altijd bedroefd en angstig en telde elk jaar en elke maand, en elke week en zelfs iederen dag, tot het ochtendgrauwen van den laatsten dag verkondigde, dat de drie jaren om waren. Toen nam hij een staf in zijn hand en haastte zich naar den oever van de Ongelukkige rivier. Zoodra hij de rivier bereikte, kwam de zwarte reus hem tegemoet en vroeg hem: “Waarvoor komt gij?”

De oude man antwoordde, dat hij kwam om zijn zoon mee naar huis te nemen, zooals zij overeengekomen waren. Daarop hield de reus hem een blad voor, waarop een musch, een tortelduif en een kwartel zaten en zei tegen den ouden man: “Als gij kunt zeggen, wie uw zoon is, dan kunt gij hem meenemen.”

De oude man keek aandachtig naar de drie vogels, en keek telkens weer, maar eindelijk was hij genoodzaakt te bekennen, dat hij niet wist, wie zijn zoon was. Zoo was hij genoodzaakt alleen terug te gaan en hij voelde zich nog veel rampzaliger dan te voren. Nauwelijks was hij echter halverwege zijn huis, of hij bedacht zich en ging terug naar de rivier met het voornemen om een van de vogels aan te wijzen, die hem, gelijk hij zich nu herinnerde strak had aangezien.

Toen hij de Ongelukkige rivier bereikte, kwam de reus hem weer tegemoet en weer hield hij hem een blad voor, waarop dezen keer een patrijs, een mees en een zanglijster zaten en hij sprak: “Nu, oude man, vertel, wie uw zoon is!”

De bezorgde vader keek elken vogel op de rij af oplettend aan, maar hij voelde zich nog onzekerder dan den vorigen keer en daarop ging hij bitter schreiend weer heen. [333]

De oude vrouw.

Juist toen de oude man door een woud ging, dat zich tusschen de rivier de Ongelukkige en zijn huis uitstrekte, kwam een oude vrouw hem tegen en zei: “Wacht een oogenblik! Waar gaat gij zoo haastig heen? En waarom zijt gij zoo bedroefd?” De man was zoo diep in gedachten verzonken, dat hij in het eerst geen acht sloeg op de oude vrouw, maar zij volgde hem, en riep nog eens en herhaalde haar vraag met nog meer aandrang dan den eersten keer. Toen stond hij eindelijk stil en vertelde haar, welk een ontzettend ongeluk hem had getroffen. Toen de oude vrouw het geheele verhaal had gehoord, zei zij opgeruimd: “Wees niet terneergeslagen. Wees niet bang! Ga weer terug naar de rivier en als de reus de drie vogels weer brengt, kijk ze dan scherp in de oogen. Als gij ziet, dat een der vogels een traan in een zijner oogen heeft, grijp hem dan en houd dien vast; want dan heeft hij een menschelijke ziel.”

De oude man dankte haar hartelijk voor haar raad en ging voor den derden keer terug naar de Ongelukkige rivier. Weer verscheen de zwarte reus en hij keek heel vroolijk, toen hij een musch, een duif en een specht op zijn blad bracht en zei: “Vooruit, oude man, zeg maar, wie uw zoon is!” Toen keek de vader de vogels scherp in de oogen en hij zag, dat in het rechteroog van de duif een traan biggelde. Oogenblikkelijk greep hij den vogel stevig vast en sprak: “Dit is mijn zoon!” Het volgende oogenblik merkte hij, dat hij zijn oudsten zoon stevig bij den schouder hield en hij nam hem zingende en roepende van vreugde gauw mee naar huis, en gaf hem daar over aan zijn oudste schoondochter, de vrouw van zijn zoon.

Nu leefden zij allen eenigen tijd heel gelukkig met elkaar. Op zekeren dag zei de jonge man echter tegen zijn vader: “Als leerling in de werkplaats van den zwarten reus heb ik een groot aantal tooverkunsten geleerd. Nu ben ik van plan mij in een mooi paard te veranderen, en [334]u moet mij naar de markt brengen en voor een goede som geld verkoopen. Maar denk er aan, dat u den halster niet erbij geeft.”

De vader deed gelijk zijn zoon hem had gezegd. Den volgenden marktdag ging hij naar de stad met een mooi paard, dat hij te koop aanbood. Veel koopers kwamen om hem heen staan om het paard te bewonderen en steeds grooter sommen geld boden zij er voor, zoodat de oude man eindelijk in staat was het dier voor twee duizend dukaten te verkoopen.

Toen hij het geld ontving, zorgde hij er goed voor den halster niet te verliezen en hij keerde naar huis terug, veel rijker dan hij ooit gedroomd had te zullen worden.

Eenige dagen later zond de man, die het paard gekocht had, het met een knecht naar de rivier om het te laten baden en terwijl het in het water was, rukte het paard zich los van den knecht en galloppeerde naar een naburig bosch. Daar nam het zijn ware gedaante weer aan en keerde terug naar het huis van zijn vader.

Na eenigen tijd zei de jonge man tot zijn vader: “Nu zal ik mij in een os veranderen; u kunt mij weer naar de markt brengen om mij te verkoopen; zorg er echter voor het koord, waaraan gij mij leidt, niet af te geven.”

Den volgenden marktdag ging de oude man dus naar de markt, en voerde een fraaien os aan een touw met zich mee. Spoedig vond hij een kooper, die tienmaal den gewonen prijs voor den os betaalde. De kooper vroeg ook om het touw om den os naar huis te leiden, maar de oude man zei:

“Wat hebt gij aan zoo’n oud ding? Gij deedt beter een nieuw te koopen!” en toen hij heenging, nam hij het touw mee.

Dien avond, toen de knechts van den kooper den os naar de weide dreven, liep hij weg, vluchtte naar het naaste bosch en na weer zijn menschelijke gedaante te hebben aangenomen, keerde hij terug naar het huis zijns vaders. [335]

Aan den vooravond van den volgenden marktdag zei de jongeman tegen zijn vader: “Nu zal ik mij in een koe met gouden horens veranderen, en u kunt mij evenals de vorige keeren verkoopen, maar zorg er voor het koord niet af te geven.”

Den volgenden morgen veranderde hij zich in een koe; de oude man bracht ze naar de markt en kreeg er drie honderd kronen voor.

Maar de zwarte reus had gehoord, dat zijn vorige leerling veel geld maakte door het vak te beoefenen, dat hij hem had geleerd, en daar hij naijverig op hem was, maakte hij een einde aan de winsten van den jongeman.

De reus koopt de koe.

Daarom kwam hij den derden keer zelf naar de markt als kooper, en zoodra hij de mooie koe met de gouden horens zag, wist hij, dat dit niemand anders kon zijn dan zijn oud-leerling. Hij naderde dus den ouden man, en na hooger geboden te hebben dan de andere koopers, betaalde hij den prijs, dien hij geboden had. Dadelijk daarop greep hij het koord en trachtte het den verschrikten ouden man te ontrukken, die uitriep: “Ik heb u het touw niet verkocht, maar de koe!” en hij hield het touw met beide handen vast.

“O, neen!” zei de kooper, “volgens de wet en het gewoonterecht is het touw in den koop inbegrepen! Wie een koe koopt, koopt ook het koord, waaraan zij wordt geleid!” Eenige toeschouwers, die zich verbaasden en pret hadden, zeiden, dat dit volkomen juist was; daarom was de oude man wel verplicht het koord te geven.

De zwarte reus, die zeer voldaan was over zijn koop, nam de koe mee naar zijn kasteel, en nadat hij zware ijzers aan haar pooten had bevestigd, maakte hij haar vast in den kelder. Elken morgen gaf de reus wat water en hooi aan de koe, maar de ijzers maakte hij niet los.

Op zekeren avond gelukte het de koe toch zich uit de [336]ijzeren ketenen te bevrijden; ze opende dadelijk de kelderdeur met haar horens en rende weg.

Den volgenden morgen ging de zwarte reus als gewoonlijk met water en hooi voor de koe den kelder in. Toen hij zag, dat de koe was weggeloopen, wierp hij het hooi neer en snelde weg om haar te achtervolgen.

Zoodra hij haar in het oog kreeg, veranderde hij zich in een wolf, die onder woedend gehuil op haar toesnelde; maar zijn knappe leerling veranderde zich dadelijk van een koe in een beer, waarop de reus de gedaante van een leeuw aannam; toen veranderde de beer zich in een tijger, en de leeuw veranderde in een krokodil, waarop de tijger zich weer in een musch veranderde. Hierop veranderde de reus zich van een krokodil in een havik en de leerling nam onmiddellijk de gedaante van een haas aan; toen de havik dit zag, veranderde hij in een hazewind. Toen veranderde de leerling van een haas in een valk en de hazewind werd een arend, waarop de leerling in een visch veranderde. Daarop veranderde de reus van een arend in een muis en dadelijk daarna liep de leerling hem als een kat achterna; nu wist de reus niets beters te doen dan zich in een hoop gierst te veranderen, waarop de leerling een hen met kuikens werd, die gretig al de gierst begonnen op te pikken, wat hun gelukte op een korrel na, juist die, waarin de meester zat; deze veranderde zich nu in een eekhoorn, maar onmiddellijk werd de leerling een havik; hij schoot op den eekhoorn neer en doodde hem.

Op deze wijze versloeg de leerling zijn meester, den zwarten reus en wreekte zich voor al het lijden, dat hij van hem had moeten verduren, toen hij het vak van toovenaar leerde.

Nadat hij den eekhoorn had gedood, nam de havik zijn eigen gedaante weer aan en de jonge man keerde vroolijk naar zijn vader terug, dien hij in den loop des tijds onmetelijk rijk maakte. [337]