[Inhoud]

Het paard Sharatz.

Aan de geschiedenis van Marko dient vooraf te gaan een beschrijving van Sharatz, zijn zeer geliefd, gevlekt strijdros, waarvan hij nooit scheidde.

Sharatz is zonder twijfel ongeëvenaard. Er zijn verschillende lezingen van de gebeurtenis, waarbij Marko in het bezit van hem kwam. Eenige barden verzekeren, dat Sharatz aan Marko werd gegeven door dezelfde veela, die hem van het begin af begiftigd had met zijn wonderbaarlijke kracht; maar er zijn anderen, die beweren, dat Marko eens een veulen kocht, dat aan melaatschheid leed, en dat door den Prins zelf verpleegd werd, zoodat het geheel genas. Hij leerde het wijn drinken en kweekte het op tot het prachtige dier, dat het werd. [66]

Weer anderen zeggen, dat Marko in zijn jeugd drie jaar lang een heer diende en dat hij als eenige belooning verzocht een keus te mogen doen uit de paarden, die toen in de weide graasden. Zijn heer stemde er volgaarne in toe en Marko onderzocht, zooals zijn gewoonte was, elk paard op zijn beurt door het bij den staart te nemen en rond te draaien.

Eindelijk, toen hij bij een bont veulen kwam, greep hij het bij den staart; maar dit dier was niet in beweging te brengen en Marko kon het ondanks zijn grenzelooze kracht geen stap van zijn plaats krijgen. Marko koos dat veulen en het groeide op tot zijn geliefde Sharatz.

De Serviërs van Veles noemen nog een groote vlakte bij Demir-Kapi “Markova Livada” (weide van Marko). Sharatz beteekent “gevlekt” en men beweert, dat de huid van Marko’s paard meer op de huid van een os dan op die van een gewoon paard geleek.

De Prins gaf hem verschillende lievelingsnamen als Sharin of Sharo en bleef gedurende de honderd en zestig jaren, die zij samen waren, innig aan hem gehecht.

Dit merkwaardige dier was het snelste en sterkste paard, waarvan ooit iemand gehoord heeft en dikwijls slaagde het er in de vliegende veela te achterhalen. Het was zoo goed afgericht, dat het steeds het juiste oogenblik wist te kiezen, waarop het moest knielen, om zijn meester voor een lansstoot van zijn tegenstander te redden. Het wist precies, hoe het ’t ros van den tegenstander met zijn voorpooten kon raken. Indien hij er lust in had, kon Sharatz zoo hoog springen als de lengte van drie lansen en over een afstand van vier lansen; onder zijn hoeven sprongen glinsterende vonken en de aarde, waarop hij trad, kraakte en stukken vlogen in alle richtingen; uit zijn neusgaten kwam een trillende, blauwe vlam, ontstellend voor allen, die het zagen. Hij beet vijandelijke paarden vaak de ooren af en in zijn leven verpletterde en vermorselde hij een groot aantal Turksche soldaten. Marko kon gerust dommelen en soms zelfs gaan slapen, indien hij door de bergen reed; al den tijd was hij veilig, want Sharatz hield zorgvuldig [67]de wacht. Daarom voederde de Prins zijn strijdros met brood en wijn uit het vaatwerk, dat hij zelf gebruikte en hij hield meer van hem dan van zijn eigen broer; en Sharatz deelde, zooals hem ook toekwam, den roem van menige overwinning met zijn heer. Marko reed nooit op een ander paard en samen worden zij beschreven als “een draak rijdende op een draak.”

Er zijn ongeveer acht en dertig gedichten en misschien tweemaal zooveel legenden in proza, die een uitvoerige beschrijving geven van Marko’s indrukwekkende heldenfeiten, en er is nauwelijks een Serviër of een Bulgaar te vinden, die er niet althans eenige van kan voordragen. In den oorlog van Turkije tegen de Balkanstaten, 1912–1913 nam een gouslar, indien hij niet moest vechten, zijn gousle1 en droeg zijn makkers heldendichten voor, waarvan het grootste deel op Marko betrekking had. De innige vereering, die de Serviërs dezen geliefden Prins toedragen, blijkt een vaste band te zijn tusschen degenen, die nog in Servië zelf wonen en hen, die naar allerlei andere landstreken verhuisd zijn.

Er zijn natuurlijk verschillende verhalen over den dood van Marko. De in eenige legenden vervatte overlevering, die het meest tot zijn landgenooten heeft gesproken en hun dichterlijke verbeelding bijzonder heeft getroffen, is deze, dat hij nooit stierf. Velen gelooven nog, dat hij zich terugtrok in een hol bij zijn kasteel te Prilip, dat nog bestaat, om daar te rusten en dat hij daar nu slaapt. Nu en dan ontwaakt hij, om te zien, of zijn zwaard al uit de rots is gekomen, waar hij het tot het gevest in heeft gestooten. Als het zwaard uit de rots is, zal dit voor Marko het teeken zijn, dat het oogenblik is aangebroken, om weer onder de Serviërs te verschijnen en het Middeleeuwsche [68]keizerrijk te herstellen, dat bij den slag van Kossovo2 verloren ging.

Wat Sharatz betreft, hij eet nog steeds, maar zijn voorraad hooi is bijna op. [69]