Vier tabors3 ontmoetten elkaar op de prachtige vlakte van Kossovo bij de witte kerk van Samodrezja4. Een leger werd aangevoerd door koning Voukashin; het tweede door den despoot5 Ouglesha; het derde door voïvode Goyko en het vierde door tsarevitch Ourosh. De eerste drie betwistten elkaar de erfenis van het rijk en waren gereed elkaar te doorsteken, zoo vurig verlangden zij er allen naar te regeeren. Zij wisten niet, wie aangewezen was als de opvolger van den tsaar en wie dus de rechtmatige erfgenaam van den troon was. Koning Voukashin verklaarde: “Het keizerrijk werd aan mij nagelaten!” Voïvode Goyko riep uit: “Neen! Het keizerrijk behoort mij”, en de despoot Ouglesha viel toornig in: “Beiden vergist gij u, want weet, dat het rijk mij toebehoort”.
De jeugdige tzarevitch bleef zwijgen, want hij was niet vrijmoedig genoeg om in tegenwoordigheid van zijn hooghartige meerderen in jaren een enkel woord te zeggen.
Koning Voukashin liet door een getrouw dienaar den aartsbisschop Nedelyko van Prizrend naar de vlakte van Kossovo ontbieden om te zeggen, wie de rechtmatige heerscher over het rijk was—want hij moest het weten, daar hij den roemruchten tsaar Doushan den Machtige de laatste biecht [70]had afgenomen en tot zijn laatsten snik bij hem was gebleven. Bovendien wist men, dat de aartsbisschop het archief onder zijn berusting had en dus in staat zou zijn het testament van den keizer te toonen. Ook de despoot liet door zijn vlugsten boodschapper een brief naar den aartsbisschop brengen; een derde werd geschreven door voïvode Goyoko, die de bezorging opdroeg aan zijn specialen koerier en een vierde werd geschreven en verzonden door Ourosh.
Dit geschiedde alles in het geheim, maar de koeriers bereikten gelijktijdig Prizrend en ontmoetten elkaar aan de poorten van Nedelyko’s woning. Nedelyko was juist bezig den ochtenddienst in de kathedraal te leiden. De mannen waren woedend over het oponthoud en zonder zelfs van hun paarden te stijgen, stormden zij als razenden het heilige gebouw binnen, hieven hun karwats op en sloegen zelfs den goeden aartsbisschop, terwijl zij hem toevoegden:
“Hoor, o aartsbisschop Nedelyko! Spoed u onmiddellijk naar de vlakte van Kossovo. Gij moet zeggen, wien het rijk toebehoort, want gij hebt de biecht ontvangen van den roemruchten tsaar en hebt hem het laatste sacrament toegediend, en gij zijt het ook, die de registers van den staat onder uw berusting hebt. Haast u, haast u, opdat wij u niet van ongeduld het hoofd van het lichaam scheiden!”
Aartsbisschop Nedelyko weende van smart bij de grievende vernedering en antwoordde aldus: “Scheert u weg, gij dienstknechten van zeer machtige vorsten! Scheert u weg uit het huis Gods! Eerst zal ik den dienst Gods beëindigen, en dan bekend maken in wiens handen het rijk moet komen!”
Daarna gingen de boodschappers naar buiten. Spoedig kwam de aartsbisschop en sprak hen op de volgende wijze toe: “O mijn kinderen, boodschappers van den koning zelf en van de prinsen! Ik ontving de laatste biecht van den doorluchten tsaar en diende hem de sacramenten toe; maar over het keizerrijk of de aangelegenheden van den staat sprak hij geen woord, want wij waren slechts vervuld van de zonden, die hij had bedreven. Gij moet naar de stad Prilip gaan, want daar [71]is het kasteel van den koninklijken Prins Marko—Gij weet, dat Marko van mij lezen en schrijven leerde; later was hij secretaris van den keizer en toen werd hem de zorg toevertrouwd over de registers en hij zal zeker weten, wien de regeering over het keizerrijk is opgedragen. Roept Marko naar de vlakte van Kossovo, opdat hij zegt, wie nu tsaar is. Marko zal de waarheid zeggen, want hij vreest niemand dan God!”