Een aantal typografische fouten is gecorrigeerd. Ze zijn met
popups
aangegeven.
A few typographical errors have been corrected. They are shown in the
text with popups.
DE
PLEITERS,
BLYSPEL.
Uit het Fransch van den Heer RACINE.
Proficit et Recreat
t’AMSTELDAM,
By d’Erven van Albert Magnus,
op de
Nieuwendyk, in den Atlas, 1695.
Met Privilegie.
bild
DEN HEERE
DAVID vander PLASS,
KONSTIG BEELD.
EN
PORTRET SCHILDER.
|
M
yn Nimf, die meer als eens
gelukkig was,
Dat ze u vernoegde als zy haar Dichten las,
Verstout zich om, ô waarde vander Plass!
U dus te groeten.
’t Mishaage u niet, dat zy, om zulk een eer
t’Erkennen, u haar Pleiters wyd, myn Heer,
En nevens die, haar hart demoedig neêr
Leit aan uw voeten.
De Schilderkonst, die zy waardeert en acht,
En nu weêr in haar eerste staat gebracht,
Heeft op haar ziel een onbepaalde macht
Door haar vermoogen.
En die, myn Heer, vliegt met de Poëzy
Haar Zúster, zelf d’onsterflykheid voorbij,
En twisten nooit om d’opperheerschappy
Met brandende oogen.
Te meer als zy, gelyk myn Nimf beschoud,
In diamant, en eeuwig duurzaam goud
Haar lof graveert, en op de gronden boud
Van groote lichten.
Ja uw penzeel, die zelf d’aloudheid tart,
En Aristiid doorluchtig steekt naar ’t hart,
Van schaduwen beneepen noch benart,
Weet van geen zwichten.
Zy, eer gewoon de Helden, trots van moed,
Te volgen door een zee van dierbaar bloed,
Daar d’eene op ’t hart van d’andre stoot en woed
Om d’oorlogszegen:
Of edeler, en van een grootzer aard,
Den vyand uit medoogen red en spaard,
Het Heldenbloed in d’aderen bewaard,
En haat den degen,
Volgt nu een trant die ’t doffe hart verheugd,
De rouw verkeert in uitgelaate vreugd;
Doch die niet wykt van ’t waare spoor der deugd,
Noch van de reden.
Zy volgt de pen van Aristophanes,
Die ’t bloedig spoor der groote Euripides,
Noch die de trant der wyze Sophocles
Niet na wou treeden.
Terentius heeft nooit zo zoet geboert
Menander heeft nooit op ’t Tooneel gevoerd
Een stuk, dat zo de harten heeft geroert
Om luit te schateren:
Noch Plautus heeft met Warnaar met den Pot,
Al lachchende de feilen zo bespot
Als hy: geen Spel had zulk een heerlyk lot
Noch deed zo klaateren.
En wy, myn Heer, wy waaren noch berooft
Van zulk een schat, indien dat Dichtren hooft
RACINE, die gelyk een zon verdooft
Alle andre lichten,
De laafte hand niet had aan ’t werk geleid,
De Griekse lof door zyn verstand verbreid,
En Dichters naam gewyd d’onsterflykheid
Door zyn gedichten.
Zy volgt van ver die groote baak in zee,
En zoekt by u een lieve en stille ree.
Dit wenschtze alleen, dit is alleen haar bee
Na zo veel vlagen.
Ontfangt ze dan met die genegentheid,
Als zy dit Spel aan uwe voeten leit,
En zie of een die zo bekoorlyk pleit
U kan behagen.
|
Abraham Bógaert.
De
Staten van Holland ende Westvriesland, doen te weten. Also Ons vertoont
is by de tegenwoordige Regenten van de Schouwburgh tot Amsterdam. Dat sy
Supplianten sedert eenige jaren herwaerts met hunne goede vrinden hadden
gemackt en ten Tooneel gevoert verscheiden Wercken, soo van Treurspelen,
Blyspelen als Kluchten, welcke sy lieden nu geerne met den druck gemeen
wilden maecken, doch gemerkt dat dese wercken door het nadrucken van
anderen, veel van haer luyster, soo in Tael als Spelkonst souden komen
te verliesen, ende alsoo sy Supplianten hen berooft souden sien van hun
bysonder oogwit om de Nederduytsche Tael en de Dichtkonst voort te
setten soo vonden sy hen genootsaekt, om daer inne te voorsien, ende hen
te keeren tot Ons, onderdanigh versoeckende, dat wy omme redenen voorsz.
de Supplianten geliefden te verlenen Octroy ofte Privilegie, omme alle
hunne wercken reets gemaeckt ende noch in ’t licht te brengen, den tyt
van vyftien jaren alleen te mogen drucken en verkopen of doen drucken en
verkopen, met verbot van alle anderen op seeckere hooge peene daer toe
by Ons te stellen ende voor’s in communi forma. Soo is ’t, dat Wy, de
Zake en ’t Versoek voorsz. overgemerkt hebbende, ende genegen wesende
ter bede van de Supplianten, uyt Onse rechte wetenschap, Souveraine
Macht ende authoriteyt deselve Supplianten geconsenteert, geaccordeert
ende geoctroyeert hebben, consenteren, accorderen ende octroyeren mits
desen, dat sy geduurende den tyt van vyftien eerst achtereenvolgende
jaren de voorsz. werken die reeds gedrukt zyn, ende die van tyt tot tyt
door haer gemaect ende in ’t ligt gebragt sullen werden, Binnen den
voorsz. Onsen Lande alleen sullen mogen drukken, doen drukken, uytgeven
en verkopen. Verbiedende daerom allen ende eenen yegelyken de selve
werken naer te drukken ofte elders naer gedruckt binnen de selve Onsen
Lande te brengen, uyt te geven ofte te verkopen, op de verbeurte van
alle de naargedrukte in gebrachte ofte verkogte Exemplaren, ende een
boete van drie hondert guldens daer en boven te verbeuren, te appliceren
een derde part voor den Officier die de calange doen sal, een derde-part
voor den Armen der plaetse daer het casus voorvallen sal, ende het
resterende derde part voor de Supplianten. Alles in dien verstande, dat
Wy de Supplianten met desen Onsen Octroye alleen willende gratificeren
tot verhoedinge van hare schade door het nadrucken van de voorsz.
werken, daer door in geenige deele verstaan, den Inhoude van dien te
Authoriseren, ofte te avouëren, ende veel min de selve onder Onse
protectie ende bescherminge eenig meerde credit, aansien ofte reputatie
te geven, nemaer de Suppliante, in cas daar in yets onbehoorlijkx soude
mogen influëren, alle het selve tot haren laste sullen gehouden wesen te
verantwoorden, tot dien eynde wel expresselijk begerende, dat by aldien
sy desen Onsen Octroye voor de selve Werken sullen willen stellen, daer
van gene geabbrevieerde ofte gecontraheerde mentie sullen mogen maken;
nemaer gehouden sullen wesen, het selve Octroy in’t geheel
ende sonder eenige Omissie daar voor te drukken ofte te doen drucken;
ende dat sy gehouden sullen zyn een Exempelaer van alle de voorsz.
werken, gebonden ende wel geconditioneert te brengen in de Bibliotheecq
van Onse Universiteyt tot Leyden, ende daer van behoorlyk te doen
blyken. Alles op pœne van het effect van dien te verliesen. Ende ten
eynde de Suppliante desen Onsen consente Octroye mogen genieten als naar
behooren: Lasten wy allen ende eenen yegelyken die ’t aengaen mach, dat
sy de Suppliante van den inhoude van desen doen, laten en gedogen,
rustelyk, en volkomentlyk genieten en cesserende alle beletten ter
contrarie. Gedaan in den Hage onder Onsen Grooten Zegele hier aan doen
hangen, den XIX September in ’t Jaer
onses Heeren en Zaligmakers duysent ses hondert vier en tachtig.
G. FAGEL:
Ter Ordonnantie van de Staten
SIMON van
BEAUMONT
De tegenwoordige Regenten van de
Schouwburg, hebben het recht der
bovenstaande Privilegie, voor het
Blyspel van DE PLEITERS, vergund aan de Erfgenaamen van
Albert Magnus.
Den 28 van Maart, 1695.
Dandyn, een Rechter.
Leander, Zoon van Dandyn, Minnaar
van Izabel.
Jeronimo, een oud Burger.
Izabel, Dochter van Jeronimo.
De Gravin van Narrestyn, &c. &c.
Wouter, Secretaris
|
|
van Dandyn. |
Oratyn, Portier
|
Volkert.
’t Tooneel is te Parys,
voor en in ’t huis van Dandyn.
DE PLEITERS,
BLYSPEL.
Oratyn, een groote zak met Processen met
zich sleepende.
Ja;
’k zeg als noch, het is een zot die hem vertrouwt
Op dingen die hy hoopt, en niet met ’t oog beschouwt,
En, als een Ezel hem by d’ooren om laat leijen;
Want een die heden lacht, zal morgen zeker schreijen.
Een jaar geleên, liet van Gaskonje my van daan
Een Rechter komen, en nam my voor Switzer aan.
De kaale Fransjes, ha! die Jonkers zonder veeren,
Die dachten my toen met hun snoeven wat te scheeren;
Maar schoon Gaskonjer, ’k ben een krygsman in myn bloed;
’k Snoef meê van houwen, en van kerven, als verwoed.
Bloed! al die snoeshaans met hun a la mode kleeren,
Die kwamen my terstond hun dienst toen offereeren,
’t Was al Heer Oratyn uw dienaar. ’k Lach me slap!
Maar zonder geld lach ik met zulk een Ridderschap.
’k Kon voor een goed portier van d’Opera passeeren.
Men had goed kloppen, en my dus te lermoneeren,
Doch ’k het geen mensch in, of geld, geld was eerst het woord,
Geld moest’er wezen, of ik sloot aanstonds de poort;
’t Is waar, ’k moet aan myn Heer daar van een portie dokken;
Doch ’k win daar by; want zie, ik hou de grootste plokken.
’k Verzorg de kaarszen, ’t hooy, ’t papier, en kleinigheên,
En ik versta my op de kunst, van nul ’k hou een.
Maar hy is als de droes genegen tot dat zwessen,
Ja dag en nacht leit hy en prevelt van Processen,
Van Vonnis, van Apel, Sententie, Vierschaar, daar
Hy wil gaan eeten, en ook slaapen ’t heele jaar.
Ik zei wel hondertmaal myn Heer Dandyn, ik zweerje
Je staat te vroeg op alle morgens, hoe begeerje
Dan uit te teeren, en te sterven als een beest?
Eet, drinkt, en slaapt, want zie de wyn verheugd de geest.
Maar ’t was vergeefs. Hy heeft zyn rol zo lang gaan speulen,
Zo lang gewaakt, dat hy een slag heeft van de meulen.
Dan wil hy een voor een ons vonnissen; enfyn
Hij preuveld dag op dag een duivel van Latyn,
Daar ik geen woord van weet; ja, ’k hoor hem dikwils zweeren.
Dat hy wil slaapen in de muts en Rechters kleeren.
Hy deed zyn haan onlangs uit gramschap ’t hooft afslaan,
Omdat hy laater, als wel eer, was opgestaan:
Hy zei een Pleiter had, wiens zaak niet wel wou vlooten,
Hem listig omgekogt, en ’t beest gevult de pooten.
Ja wel, de pikken schen die zotten met elkaar.
Zyn zoon verbied my om te spreeken met zyn vaâr,
En laat hem dag en nacht van ons op straat bewaaken,
Want anders zou hy ’t hier in huis zo lang niet maaken.
Myn Heer, denkt list op list, om ons, hem toevertrouwt,
’t Ontsnappen, ik voor my, ik slaap niet meer; geen hout
Is ook zo mager als ik word, ’k doe niet als gaapen.
Maar hy mag waken dien het lust, ik ga wat slaapen:
Dit zal myn kussen zyn. Ik meen heel onbevreest
Van nacht te slaapen, want myn Heer slaapt als beest.
Kom, kom.
Wouter, Oratyn.
Wouter.
Ho,
Oratyn!
Oratyn.
Ja wel... maar’k mag maar zwygen,
’k Vrees dat hy bang is dat ik hier de pip zal krygen.
Wouter.
Wat drommel doe je hier zo vroeg op straat te gaan?
Oratyn.
Hoe, moet men altyd op verloore schiltwacht staan,
Een man bewaaren die niet doed als schreeuwen, tieren?
’k Loof ’t is een tovenaar, zo duivels kan hy gieren.
Wouter.
Wat zegje!
Oratyn.
Hoor, ik zet hem bevende van kouw,
En geeuwende van vaak, hoe dat ik slaapen wou,
Geef een Request in, zei hy weêr, dat jy wilt slaapen.
Ja wel, zie daar, ’k begin weêr van ’t verhaal te gaapen;
Ik slaap al praatende; goe nacht.
Wouter.
Goenacht, ziedaar
Ik zweer je zo... maar zacht, ik hoor in huis gebaar.
Dandyn, Wouter, Oratyn.
Dandyn in ’t venster.
Waar
zyt gy Oratyn? Ô Wouter!
Wouter tegen Oratyn.
Stil.
Dandyn.
Dat’s wonder,
Ik zie myn wachters noch om hoog in ’t huis, noch onder.
Dat ’s goed, ’k zal springen uit het venster op de straat,
Want zo ik wachte, en zy hier kwamen, was ’t te laat.
Wouter.
Hoe, springt de gek?
Oratyn.
Ha! ha! dat’s beet, myn Heer.
Dandyn.
Helpt, vrinden!
Helpt, dieven! moord!
Oratyn.
Hou smoel, sta stil, of ’k zal je binden.
Wouter.
Ja, schreeuw maar.
Dandyn.
Helpt, men dood me!
Dandyn, Leander, Wouter, Oratyn.
Leander.
Och,
och! ’k vrees voor verraad;
Ras brengt een kaars hier, ’k hoor myn vader in de straat.
Wat doe je hier? wat wil je weêr zo vroeg beslechten?
’t Is nacht, waar loop je heên myn vader?
Dandyn.
’k Wil gaan rechten.
Leander.
Wie rechten? ’t slaapt hier al.
Oratyn.
Ik niet, dat schut ik Heer.
Leander.
De zakken hangen hem tot op zyn schoenen neêr!
Dandyn.
’k Wil in drie maanden in myn huis niet weder komen,
Des heb ik zakken en Processen meêgenoomen.
Leander.
Wie zal je voeden?
Dandyn.
Wie? ik denk de slager.
Leander.
Maar,
Waar zal je slaapen?
Dandyn.
In de Vierschaar, dat is raar.
Leander.
Neen, eet en slaapt in huis, dat zal u beter voegen
Als in de Vierschaar; laat uw hof u vergenoegen.
Ei, vader, laat myn raad zo veel op uw gemoed
Vermogen; denkt om uw gezondheid, die...
Dandyn.
Heel goed,
Ik wil ziek wezen.
Leander.
Gy zyt ziek genoeg; ga heenen,
Leg u te rust, gy hebt geen vlees meêr aan jou beenen.
Dandyn.
Te rust! gelykt ge u zelf by my? meent gy, wat smaat!
Als dat een Rechter niet te doen heeft als de straat,
Gelyk een schytvalk, met de degen wat te vegen?
Met knechts te zwerven, dan door ’t hof, dan langs de wegen?
Mooy weer te speelen steeds in kroegen zonder tal?
Des daags naar ’t dobbelschool te loopen, ’s nachts naar ’t bal?
Ha! geld te winnen is van grooter consequentie.
Elk zo een strikje kost uw vader een sententie.
Myn rok maakt u beschaamt. Gy, gy een Rechters zoon!
Foei, schaam je wat, gy speelt voor edelman, ô hoon!
Wel aan Dandyn, wil in uw kamer eens verschynen,
Bezie de beelden der doorluchtige Dandynen,
Dat waaren mannen, ha! en Rechters van verstand,
Zy sliepen in de rok, om vroeg weêr by der hand
Te wezen. Kom, bezie de giften van een Rechter
By die van een Baron, en oordeel dan wie slechter,
En kaalder wezen zal in ’t einde van het jaar.
Wat is doch een Baron meêr als een kerkpilaar!
Hoe veel zaagt gy ’er wel van die gekante baazen,
Hier in myn woelig hof, in hunne handen blaazen,
En trentelen van kouw, tot dat zy, om by ’t vuur
Te komen, moesten ’t spit by na de derd’half uur
Omdraijen. Welk een spyt! denkt gy wel om uw Broeder?
Zyn dit de lessen van uw afgestorve moeder?
Die arme Magdaleen! ach, ’k denk noch, hoe die vrouw,
Geen Audientie, hoe gering, verzuimen zouw;
Nooit, nooit verliet zy my, en ’t is my niet vergeeten
Wat zy daar dikwils al van daan bragt; ja de speeren,
De slagers doeken had zy meê genoomen, om
Met leege handen niet te komen wederom.
Zo kan het huis bestaan. Loop zot, gy lykt niet nader
Als een kaale edelman.
Leander.
Maar gy verstaft, myn vader.
Kom, Oratyn, gelei uw meester, hy word moe,
Leg hem te bed, en sluit de deur en ’t venster toe;
Gy zult hem koesteren, en op zyn stuipen letten.
Oratyn.
Wilt dan te minste een zotte oppasser by hem zetten.
Dandyn.
Wat recht hebt gy om my naar bed te brengen? zoet,
Verkrygt eerst een Arrest dat ik gaan slaapen moet.
Leander.
Wel, vader, ga maar by provisie naar d’Alkove.
Dandyn.
’k Zal gaan, maar eer ik slaap, wil ik veel eer gelooven,
Dat gy zult dol zyn.
Leander.
Wel. Ik zie hem eind’lyk gaan.
Dat men hem niet verlaat. Gy Wouter blyft wat staan.
Leander, Wouter.
Leander.
’k Wil
u een groot geheim, dat my beknelt, verklaren.
Ach! Wouter, ach!
Wouter.
Hoe, Heer, moet men u ook bewaaren?
Leander.
Dat scheelt niet veel. Helaas! myn zotheid is zo groot
Als Vaders zotheid, ja noch grooter, was ik dood!
Wouter.
Hoe, wilt ge ook rechten?
Leander.
Ei zwygt stil, en hoort me aandachtig.
Kent gy dat huis wel?
Wouter.
Ha, nou vat ik je; waarachtig
De liefde Heer zit jou al vroeg om ’t hart, ja wel!
Wou jy niet spreeken van Mejuffrouw Izabel?
Heb ik jou niet gezeit, dat jou geen schoonheid nader...
Maar jy moet weten, dat Jeronimo haar Vader,
Zyn goed met pleiten meest heeft door het gat gejaagt.
Wie duivel heeft hy in Parys niet al gedaagt?
’k Vrees sterft hy niet, hy zal heel Frankryk niet verschoonen;
Daarom is hy dicht by zyn Rechter komen woonen.
Jou vaar wil rechten, hy wil pleiten, wel zie daar
Het zal me nieuw doen by myn zoolen, of haar vaar,
Eer gy zyn dochter krygt, niet noch zo ver zal komen,
Dat hy stout dagen zal myn Heer de Paus van Romen.
Leander.
’k Weet dat zo als gy; maar spyt zyn pleitzucht, ’k zweer,
Ik sterf voor Izabel.
Wouter.
Wel, trouwt haar dan, myn Heer;
Ja toch, spreek maar een woord, het zyn gedaane zaaken.
Leander.
Neen, ’k zie geen kans om daar zo maklyk aan te raaken.
Helaas! haar vader is t’ontmenscht, ik ken zyn keur;
Het moet te minsten een Deurwaarder, Curateur,
Of een van ’t Hof zyn, die haar zien mag, en erlangen.
Zy zit onzichtbaar in haar huis als een gevangen;
Zy ziet haar jongmeid vaak met traanen overlâan,
Myn liefde in rook, haar goed in ’t pleiten heel vergaan.
Zo ik hem voort laat gaan, hy zal haar ruineeren.
Kent ge een bedrieger, die een man noch heet met eeren,
Die trouw zyn vrienden dient, als hy geloont werd?
Een ivrig dienaar.
Wouter.
Wel, myn Heer, ’k loof ja, of neen.
Leander.
Maar zouder noch...
Wouter.
Myn Heer, was noch myn vaar in ’t leven,
Dat was een man die jou in ’t minst niet zou begeven.
O! ’t was een vent, myn Heer, van d’andre weereld; hy
Bedroog heel Frankryk met zyn wytze opsneiery.
Hy kon, spyt Makelaar, de rechte konst van ’t liegen;
Ja zou de Duivel zelf door zyn verstand bedriegen:
En praaten, Brugman was een kreng maar by die vent:
Zyn daaden stonden op zyn voorhooft vast geprent.
Hy zou een Prince koets doen stil staan; ja zou zweeren
Als jy maar geld gaf, dat je zelf niet zoud begeeren.
Hy was zo gaauw, liet jy hem twintig kroonen zien
Om tien valsche eeden, o! hy kreeg ’er negentien.
Maar wat ’s de vraag? ben ik geen zoon van zulk een meester?
Ik zal jou dienen.
Leander.
gy!
Wouter.
Ja toch, myn Heer, ei, vreest’er
Niet eens voor.
Leander.
Durft ge een valsch Exploot den vader wel
In handen geven?
Wouter.
Ja.
Leander.
Durft gy aan Izabel
Een brief bestellen?
Wouter.
Ja, al was het aan de drommel,
Ik kan twe konsten.
Leander.
Kom, my dunkt ik hoor gestommel,
Het is Jeronimo, ik ken zyn schreuwen; ’k zal
U in myn huis, de zaak ontdekken heel en al,
Jeronimo, Oratyn.
Jeronimo, weggaande en wederkomende.
Bewaar
het huis wel, ’k kom straks weêr, laat jou beleezen
Van niemand, om om hoog te gaan, of jy meugt vrezen.
Bestel de brief terstond aan ’t posthuys van Soutfleur;
En brengt de Haas, omtrent half vyf myn Procureur.
Indien zyn Klerk hier komt, zo schenkt hem eens Rossolis,
Of uit myn fles, die in het hok staat, daar de kool is,
En geef hem dan de zak, die aan de trap hangt, meê.
Laat zien, ’k vergeet nu niet. Ja; maakt de boonen reê
Ik ben noch nochteren. Misschien zal naar my vragen
Een magerachtig man, die zomtyds heele dagen
Op myn Comptoir zit, en geduurig voor my zweert,
Wanneer myn weerparty getuigenis begeert;
Maar laat hem wachten. ’k Vrees myn Rechter mogt aars uit zyn,
’t Is reeds by vieren, en dan zou myn zaak verbruit zyn.
Oratyn, de deur half open doende.
Wie daar?
Jeronimo.
Ei, kan me uw Heer eens spreeken?
Oratyn, de deur toe doende.
Neen.
Jeronimo.
Maar wel
Zyn Secretaris?
Oratyn.
Neen, zeg ik, loop naar de Hel.
Jeronimo.
Noch zyn Portier?
Oratyn.
Ja toch, alree man, wilt maar klinken,
Ik ben de man.
Jeronimo.
Myn Heer, ei, neem, en wilt eens drinken
Op myn gezontheid.
Oratyn.
Ha! uw dienaar, ’k dank je zeer,
Maar kom eens morgen.
Jeronimo.
Wel, geef my myn geld dan weêr.
Och, in Parys begint het alles te verkeeren!
My heugt noch dat men kost gemaklyk procedeeren,
Ja, gaf me een Rechter maar een gulden vyf of zes,
Het was voort fiat, al waart tegen een Princes.
Maar nu geloof ik niet, dat ik met al myn zinnen,
Noch al myn goed, een blood Portier zou kunnen winnen.
Maar, ’k zie daar de Gravin van Narrestyn, veel licht
Komt zy hier ook zo vroeg om zaaken van gewicht.
Jeronimo, de Gravin.
Jeronimo.
Mevrouw,
gy komt te laat.
Gravin.
Zei ik het niet! warachtig
Myn knechten maaken my noch dol, niet een is machtig
Om ’s morgens op te
staan, al schreeuw ik al myn best;
Wil ik haar hebben, ’k moet haar haalen uyt het nest.
Jeronimo.
Hy doet hem zekerlyk miszaken.
Gravin.
’k Heb myn Rechter
Schier in een heele dag niet spreeken konnen.
Jeronimo.
Echter
Is myn party zeer sterk; ’k moet vreezen.
Gravin.
Wist gy Heer,
Wat my gedaan wierd, gy beklaagde u nimmermeer.
Jeronimo.
Indien ik evenwel goed recht heb...
Gravin.
Van uw leven
Zaagt gy zo geen Arrest.
Jeronimo.
’k Wil my gevangen geven;
Ja, ’k stel de zaak aan u, ei, luister, ’k ben begaan.
Gravin.
Hoor die trouwloosheid, ach, myn Heer, ei, hoord ze eens aan.
Jeronimo.
De zaak liep geen gevaar.
Gravin.
Myn heer, laat ik je eens zeggen...
Jeronimo.
Dit is de zaak; hy is in ’t minst te wederleggen.
’t Is achtien jaaren, of de twintig haast geleên,
Wanneer een Ezel liep dwars door myn velden heên,
Daar hy zich wentelde niet zonder groote schaade;
’k Ga met een Rechter van het dorp daar op te raade,
’k Doe myn beklag, men vat den Ezel by de kop;
Men stelt een middel voor, men acht de schaaden op
Een heel voer Hooy: in ’t end, na schier een jaar geleeden,
Wordt my de bank ontzeit door ’t Vonnis, buiten reeden;
Ik Appelleer; (ei, let wel op de zaak, Mevrouw)
Terwyl ik door Arrest myn zaak bevordren wouw,
Krygt zekre vriend van my, geacht voor een der beste,
Voorzeker zomme gelds, voort Vonnis by Requeste,
En ik, ik win myn zaak. Wat doed men? myn party
Stelt tegen d’Excuters van ’t Vonnisse van my
Een ander Accident. Terwyl dit zo blyft steeken,
Laat myn Party, toen een vlucht Hoenders, ’t hok uitbreeken,
En vliegen op myn land, daar wierd belooft, (’t is mooy
Mevrouw) men zou aan ’t Hof Raport doen, hoe veel hooy
Een Hoen wel eeten op een dag kon. Dit wierd wonder
Wel by ’t Proces gevoegt. Dit stond een tyd lang, zonder
Ik kon verneemen op de zaak wel wierd betracht;
Doch my wierd d’uitspraak op de zesde April gebracht,
Met veel omstandigheên van woorden die ’k myn leven
Aan geene zaaken van het Hof had hooren geven.
Mevrouw, ik schreef toen weêr op nieuwe kosten; ’k Dien,
’k Formeer, ’k Eisch, ’k Antwoord, ’k ga te raa met wyze liên,
Door Informatien, Raporten, door Relieven,
En door Transporten, en Explooten, en door Grieven,
Door nieuwe Fyten, voorts Verbaal, Proces Verbaal.
’k Kryg Brieven van Bevel, daar ik schier in verdwaal.
’k Bragt vruchtloos voor den dag wel dartig goede Explooten,
Tien Apostillen, hegt en vierkant op haar kooten,
Verstekken twintig, en Producten zonder tal,
Met tien Instantien, ja wel Mevrouw, ’k word mal,
Toon ’t Vonnis: en ’k verlies de zaak met al de kosten,
Die schier op duizend pond beloopt, met al die posten.
Is dat gerechtigheid? och! heet dat recht doen, naar
Ik heb geprocedeert by na de twintig jaar?
Een toevlucht is ’er noch daar ik op heb te hoopen;
’t Request Civiel, Mevrouw, dat is noch voor my oopen:
’k Geeft noch niet op. Maar gy, komt ge om te pleiten hier?
Gravin.
Och, mogt ik!
Jeronimo.
’k Zal myn boek verbranden in het vier.
Gravin.
Ik...