April!

April!

Arme Hans, wat eene teleurstelling! Maar kom, tijd om er lang over te treuren had hij niet. Als de wind moest hij nu maar naar Pietersen; want het werd al later en later, en Pietersen woonde een heel eind van Teunissen af.

Pietersen zat buiten op eene bank in ’t zonnetje en bekeek op zijn gemak zijne bloemen. Nero, de groote dog, lag naast hem in ’t gras te slapen. Daar kwam Hans zoo hard aanhollen, dat het wel leek, alsof hij de heele bank met Pietersen en al omver wou loopen. Pietersen liet van schrik zijn pijpje uit den mond vallen en Nero begon te blaffen, dat hooren en zien je verging. Pas toen de hond een beetje bedaard was, kon Pietersen vragen, wat Hans eigenlijk wou en waarom hij zoo als een dolleman den tuin in kwam vliegen. “Och, Pietersen,” zei Hans, nog buiten adem, “ik wou zoo graag het touw hebben, waar je den wind mee draaien kunt. Zooals de wind nu is, krijgen we stellig regen, zegt Baas Martens, en—ik ga straks uit rijden. Ze hebben me hierheen gestuurd om het touw.”

Al den tijd, dat Hans praatte, keek Pietersen hem met groote verbazing aan: hij begreep er niets van. “Hans, mijn jongen, zeg het nog eens weer. Je wilt van me hebben ....” En toen nu Hans heel onschuldig nog eens ’t zelfde gezegd had, begon Pietersen zoo te schateren van ’t lachen, dat Nero weer opvloog en blafte, om er doof van te worden. Pietersen lachte, lachte, dat hem de tranen over de wangen liepen, en hij riep maar aanhoudend: “Neen maar, Hansje, wat heb je daar eene prachtige grap bedacht, zoo’n mooie heb ik van mijn leven nog niet gehoord. Het touw, om ....” En dan barstte hij opnieuw in lachen uit. Hans werd er verlegen onder. ”’t Is geene grap,” bromde hij half boos en toch met tranen in de oogen, “heelemaal niet. Toe, Pietersen, geef me als ’t je blieft het touw, morgen kun je het wel weerkrijgen.”

Nu keek Pietersen Hans nog eens goed in ’t gezicht. Wezenlijk—de jongen meende ’t! “Wou je ’t dan heusch zoo heel graag hebben?”—“Nu òf ik,” zei Hans, ”’k heb er al een uur om geloopen.”—“Och, zeg dat nog eens,” vroeg Pietersen, en zijne oogen blonken van plezier. “Ik heb er al een uur om geloopen,” herhaalde Hans heel geduldig.

“Een uur lang, jongen, dat is een slim ding,” zei Pietersen leuk, “want nu moet je weer aan den loop. In een dorp hier vlak bij zal morgen een feest zijn, en nu heeft de burgemeester straks een paar veldwachters gestuurd, om het touw te halen. Je begrijpt, op zoo’n feest moet het mooi weer zijn, ik kon het dus niet best weigeren. Wacht eens, daar rijden de veldwachters juist te paard voorbij. Loop, wat je loopen kunt, dan haal je ze misschien nog in.”

In drie sprongen was Hans bij het hek. Toen den weg opgedraafd, de paarden achterna. Hans werd vuurrood in ’t gezicht van ’t harde loopen en van ’t roepen: “Hei daar, ho, veldwachters!” Maar je begrijpt, al dat gevlieg en geroep hielp ook wat! Hans kwam niets dichter bij de paarden, en de veldwachters hoorden hem niet. En toch gaf hij het nog niet op. Och, och, dat touw, hij moest het hebben!

Juist stoof hij weer eene bocht van den weg om, toen iemand hem bij den arm vatte en tegenhield, ’t Was vrouw Teunissen, de vrouw van den kruidenier, je weet wel. “Laat me los, het touw, het touw,” riep Hans, en hij deed al zijn best, om vrij te komen. Maar vrouw Teunissen hield hem stevig vast. “Luister eens even naar me, mijn jongen,” zei ze goedig. “Je hebt er stellig niet aan gedacht, dat het de eerste April is. Op dien dag mogen de menschen elkaar immers graag eens beetnemen, dat weet je. Nu, mijn jongen, met jou hebben ze ook eene grap gehad, Martens en de anderen. Zoo’n touw is er heelemaal niet. Straks in den winkel heb ik nog alle moeite gedaan je te waarschuwen; maar je begreep me niet.”

Daar stond Hans met een heel lang gezicht, beschaamd en verlegen. Voor niets had hij zich dus zoo bang gemaakt, voor niets zich doodmoe geloopen. Voor niets zou hij nu misschien te laat thuiskomen en—op den koop toe nog door iedereen worden uitgelachen. ’t Was verschrikkelijk! O, die leelijke Martens, die .... En van boosheid gooide hij zijn mooien hoed op den grond en barstte in tranen uit. Vrouw Teunissen raapte den hoed weer op, streek het lint glad en zei troostend (want ze meende, dat Hans zoo boos op zichzelf was): “Nu, nu, Hans, zóó erg is het niet. ’t Kan den beste overkomen, dat hij eens gefopt wordt. Je moet maar denken: dat is eens, maar nooit weer!”

Met gebogen hoofd liep Hans den weg op naar huis.—Wat zouden ze thuis wel zeggen. O, o, wat schaamde hij zich!

Maar de ongelukken van Hans waren nog niet aan een einde. Dichtbij huis kwam er een troep dorpsjongens op hem af. Hans zag dadelijk, dat ze niet veel goeds in den zin hadden—hij wou nog moeite doen, om te ontsnappen. Maar dat was mis—de jongens hadden door Baas Martens van ’t geval gehoord, en nu vonden ze ’t natuurlijk veel te mooi, om Hans niet eens duchtig te plagen. In een oogenblik stonden ze dicht om hem heen. Eerst was het roepen van: “Heb je het touwtje al in je zak?” of “Ben je ook moe van het trekken?” of “Waren de erwtjes al opgekomen?” en al zulke plagerijen meer. En telkens, als er weer een wat grappigs gezegd had, schaterde de heele troep het uit van lachen, ’t Was niet om uit te houden voor den armen Hans. Hij probeerde een paar van de jongens op zij te duwen, om zoo door den troep heen te komen. Maar nu werd het er nog niet beter op: van roepen en plagen kwam het tot slaan en stooten en stompen, dat gaat zoo onder jongens. Hans weerde zich dapper; maar zoovelen tegen één, dat houdt niemand vol. Het duurde niet lang, of zijn jasje was gescheurd en zijn hoed .... Och heden, de nieuwe mooie hoed, waar Hans zoo trotsch op was, werd hem op ’t hoofd platgedeukt! En wie weet, wat er nog meer zou gebeurd zijn, als er niet een paar mannen aangekomen waren, die de ondeugende jongens uit elkaar joegen ....

Hans kwam thuis, de mooie kleeren gescheurd en vol stof, den hoed bedorven en—met een’ neus, wel tweemaal zoo dik als anders en vuurrood. “Maar jongen,” riep zijne moeder verschrikt, “wat is er in vredesnaam met je gebeurd, wat zie je er uit!”—“Verdiende loon,” zei de vader streng, “waarom loopt hij weg en zorgt niet op tijd te zijn. Betje moet hem maar een lap met koud water op den neus leggen, terwijl wij weg zijn. Met een’ jongen, die er zoo uitziet, kunnen we ons toch niet voor de menschen vertoonen.”

“Terwijl wij weg zijn,” had Vader gezegd. Dus: Vader en Moeder zouden uit rijden zonder hem! O, dat was vreeselijk, dat was nog het ergst van al. Hans schreide, dat de tranen hem over zijn dikken, rooden neus stroomden. Moeder kreeg medelijden en wou nog een goed woordje voor hem doen; maar Vader hield vol. Het rijtuig stond al eene heele poos voor de deur, en de paarden konden niet langer wachten. Flip, flap! ging de zweep, zooals Moeder straks voor de grap gezegd had, voort vlogen de paarden en—Hans was alleen met zijn verdriet.

Wat een treurige dag was dat voor Hans! Hij wist later nog niet, hoe hij al die lange uren wel doorgekomen was, eer de tijd kwam, om naar bed te gaan. In den tuin durfde hij niet te komen, niet eens voor ’t venster: als de jongens hem zagen, zouden ze opnieuw beginnen te plagen.—In lezen had hij geen’ lust, in spelen nog minder: hij was veel te verdrietig, veel te boos, en zijn neus deed hem te veel pijn.

Heel vroeg al kroop hij in de veeren, en pas sliep hij, of hij droomde ook al van alles, wat hem dien dag overkomen was. Weer draafde hij over den weg, achter het touw aan, dat nergens te vinden was. Daar op eens voelde hij ook weer juist als dien morgen eene hand op zijn’ arm, om hem tegen te houden. Maar ’t was niet de hand van vrouw Teunissen—het was—het was de hand van zijne eigen lieve moeder! En—hij liep ook niet hijgende op den stoffigen weg; maar hij lag rustig in zijn bed en zijne moeder zat op een’ stoel bij hem en hield zijne hand in de hare.

“O, Moeder, ik heb zoo’n verdriet,” zuchtte Hans en hij liet zijn hoofd op Moeders schouder vallen. “Dat geloof ik graag, mijn jongen,” zei Moeder, “maar vertel me nu toch eens, hoe alles gekomen is.”

Toen begon Hans te vertellen, en hoe langer hij praatte, hoe boozer hij zich maakte op Pietersen en op Teunissen en op Jansen; maar vooral op Baas Martens. Ja, die, die was eigenlijk de schuld van alles, die was ’t eerst begonnen, hem wijs te maken, dat er zoo’n touw bestond. En toen hadden die anderen het Baas Martens nagepraat. O, hij zou wel eens wat verzinnen, om ze terug te plagen, hij zou ....

Toen Hans zoover gekomen was, lei zijne moeder zachtjes hare hand op zijn’ mond en zei: “Stil, stil, mijn jongen, zeker ben je nog heelemaal van streek, anders zou je zoo niet praten. Moet Baas Martens nu alleen de schuld hebben? Kan die het helpen, dat zekere Hans tegen het verbod van zijne moeder in naar hem toeliep? Kan die het helpen, dat dezelfde Hans onnoozel genoeg was, alles dadelijk te gelooven, wat men hem op de mouw speldde? Hans, mijn jongen, begrijp je niet, dat jij zelf de grootste schuld hebt? Een heelen boel verdriet heb je vandaag gehad; maar ik hoop, neen, ik weet wel zeker, dat je er ook een beetje wijzer door geworden bent.—Als iemand nu in ’t vervolg iets vertelt, dat wat vreemd lijkt, dan zal mijn Hans stellig niet maar dadelijk alles gelooven. Dan zal hij eerst eens denken bij zichzelf: ‘Is het wel zoo, kàn het wel waar zijn? Is het ook eene grap?’ Mij dunkt, hij zal zich nu niet zoo gemakkelijk meer laten foppen, is ’t wel?”

“O, neen, neen, Moeder! Ik wil nooit iets meer gelooven,” riep Hans. “Ho, ho, jongenlief, zoo is ’t ook weer niet gemeend,” zei Moeder lachend. “Alles gelooven is veel te veel, niets gelooven is veel te weinig. Gebruik jij je hoofdje maar wat beter, denk wat beter na, als de menschen je wat zeggen. Dan weet je gauw genoeg, wat je gelooven kunt en wat niet.—Maar kom, jongen, ’t is nu geen tijd, om langer te praten. Nog een frisch doekje op dien leelijken neus en dan—slapen. Morgen zullen we eens zien, of we den nieuwen hoed ook weer in ’t fatsoen kunnen brengen. En later—gaan we samen, met ons drietjes, ook nog eens—rijden!”—“O, Moeder, wat ben je toch lief,” riep Hans en hij kuste haar en pakte haar, “wat ben je toch lief!”

Dat was de geschiedenis. En ’k wil er nog bijvertellen, dat Hans van dien tijd af heel wat voorzichtiger werd, dat hij heel wat minder geloofde en heel wat meer nadacht. Het lesje, dat hij gekregen had, hielp o zoo goed. Ja, ik hoorde voel later Baas Martens eens zeggen: ”’k Heb aan’ jongeheer Hans lang niet zooveel plezier meer als vroeger: toen kon ik hem alles wijs maken en nu—is ’t heelemaal uit met de grapjes.” Nu, Baas Martens mocht gerust zoo praten, vind ik—Hans was daar niet minder om.

Ten Oosten van de Zon en ten Noorden van de Aarde.

Er was eens een boer, die rijk was aan prachtige weilanden. Fijner gras, dichter gras, langer gras en groener gras had men in de geheele wereld niet kunnen vinden. De boer besteedde dan ook veel zorg aan zijne weilanden en was er niet weinig trotsch op. Eens op een’ zomermorgen ontdekte hij tot zijn’ schrik, dat eene prachtige weide heelemaal platgetreden was. Dat was een verdriet! Den geheelen dag moest de boer er aan denken, wie toch zijne mooi weiland zoo bedorven kon hebben. ’t Was duidelijk, dat er menschen op de lange halmen getrapt hadden. Wie toch konden dat geweest zijn! Iedereen wist, hoe lief de boer zijne weide had. Dat was een raadsel.

Den volgenden morgen was het raadsel nog moeilijker op te lossen. Het gras was nog veel platter. “Weet je wat, Hans,” zei de boer tot zijn oudsten zoon, “jij blijft van nacht eens op, en houdt de wacht bij de weide. Ik heb geen rust of duur: ik moet weten, wie me mijn gras zoo bederft.” Nu—den geheelen nacht op te blijven en dan nog wel buiten, leek Hans geen pretje; maar—Vader had gelijk: ze moesten er meer van weten en dus zei Hans: “Dat is goed, Vader.”

Toen het nu avond werd ging Hans naar de weide. En wat zag hij? Niets, want vóór middernacht zat Hans al met zijn rug tegen de wring en vielen zijne oogen toe, en eerst toen de zon hoog aan den hemel stond, werd onze Hans weer wakker en zag hij tot zijn schrik, dat er weer een ander deel van de weide plat getreden was.

Dralende ging Hans naar huis, om de boodschap aan Vader te brengen. “Jongen, jongen,” zei Vader, “wat spijt mij dat! Kon je voor mijn plezier nu niet één nacht wakker blijven?”

“Och, Vader,” riep de tweede zoon, “laat mij vannacht maar eens gaan, Hans is zoo’n slaapmuts, ik ben heel anders, ik zal wel beter uit mijne oogen kijken.”—“Dat hoop ik,” zei de Vader. Maar Bob had goed praten en pochen. Vóór elf sliep hij al als een roos en—weer was er den volgenden morgen een mooi stuk weiland bedorven.

”’t Is toch verschrikkelijk!” zuchtte de Vader; “ik zal zelf dezen nacht maar eens op wacht gaan.”—“Neen,” riep Paul, de jongste zoon, “daar gebeurt niets van! Vader op zijn ouden dag ’s nachts in de weide in plaats van in het warme bed! Dan zal ik gaan.”—“Och, jongen,” zei de vader; “wat zou jij! Jij bent zoo klein en nietig, je gaat altijd met de kippen op stok, hoe zou jij een’ nacht wakker kunnen blijven!”—“Ik kan ’t immers gemakkelijk probeeren, Vader,” zei Paul. “Nu, ga je gang, jongen,” zei de Vader.

En Paul ging zijn’ gang. Van slaperigheid geen sprake. Hij stond op wacht, en hij liep op wacht, en hij zat op wacht altijd met de oogen wijd open. Maar—niets of niemand bespeurde hij op de weide. Onze Paul begon den moed al op te geven, toen hij even vóór zonsopgang op eens een geruisch in de lucht hoorde, alsof er een heele zwerm vogels neer kwam strijken in de weide; en toch waren het maar drie duiven. Neen, maar zulke prachtige duiven! Zoo groot, zoo wit! Paul stond er verwonderd van te kijken. Maar hoe verwonderd was hij niet, toen de duiven op eens haar blank veeren pakje afstreken en er drie mooie juffertjes in fijne witte baljaponnetjes op de weide stonden. Stonden! neen, dat was maar een oogenblik. Voordat Paul zijne oogen gelooven kon, draaiden en zwaaiden de dametjes voor zijne oogen—zulk dansen had hij nog nooit gezien. ’t Was of ze met de fijne voetjes op de punten van de grashalmen zweefden; maar toch—de grashalmen bogen om—en nu wist Paul, hoe het gras in de weide plat werd.

Ten oosten van de Zon en ten noorden van de Aarde.

Ten oosten van de Zon en ten noorden van de Aarde.

Een heele poos zat Paul naar de danseressen te kijken. Toen dacht hij: “Wacht, ik moet die veeren pakjes eens van nabij zien,” en zonder dat de meisjes in de drukte van het dansen er iets van merkten, was Paul naar de veeren pakjes geslopen. “Wacht,” dacht hij, daar moet ik eens eene grap van zien, en stil nam hij de veeren pakjes mee en ging in de diepte aan den kant van de sloot liggen.

Even voordat de zon opging, kwamen de voetjes van de danseressen tot rust en Paul zag, dat ze naar de plaats gingen, waar ze hare veeren pakjes hadden neergelegd. Dat gaf een’ schrik en een zoeken en een onrustig heen en weer loopen over de weide. Paul kreeg er medelijden mee en kroop uit zijn schuilhoek te voorschijn. “O, jonge man,” riepen de meisjes, “heb jij misschien onze duivepakjes weggenomen, geef ze dan, als je blieft terug!”—“Ja,” zei Paul, “die heb ik genomen, maar ik geef ze niet terug, of jullie moet mij drie dingen beloven. Ten eerste: op geen van de weiden van mijn’ vader mag ooit weer gedanst worden. Ten tweede wil ik weten, wie jullie bent en waar je vandaan komt.” Toen nu de meisjes zagen, dat ze wel spreken moesten, zei de eene: “Ik ben eene koningsdochter en de andere zijn mijne hofdames. Wij wonen op een kasteel, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Geen mensch kan den weg daarheen vinden.”

“Zoo,” sprak Paul. “Het derde, wat mij beloofd moet worden is, dat ik later met U, lieve koningsdochter, mag trouwen, en dat je me nu trouw belooft. Want ik heb nog nooit een meisje gezien, dat er zoo goed en lief uitzag. Met U wil ik trouwen en met niemand anders en U moet dadelijk den dag van de bruiloft bepalen ook.” Bij die woorden werd de koningsdochter bleek van schrik, maar wat zou ze doen? Daar kwam de zon al kijken en vóór de zon op was, moest ze weer duif wezen, anders .... Ze beloofde alles. Paul gaf de veeren pakjes terug, en daar was de zon op en vlogen de drie duiven de lucht in.

Toen Paul een beetje van den schrik bekomen was, stapte hij naar huis. Vader en de broers begonnen natuurlijk dadelijk met vragen; maar Paul dacht: ik vertel nog dadelijk niets en zei: “Ik heb natuurlijk geslapen, net als jullie. Maar ik heb gedroomd, dat de weide in ’t vervolg nooit weer plat getreden zal worden.” Toen lachten de broers hem uit en deden net, of zij niet geslapen hadden. En de een voor den ander riep: “En het jongetje heeft zoo mooi gedroomd! Nu—we zullen eens zien, of de droom ook uitkomt.”—De vader lachte niet; de vader zuchtte: “We zullen zien, of de droom uitkomt. Droomen zijn bedrog.” Maar—de droom kwam uit, en de broers lachten en de vader zuchtte niet meer, en alle drie waren ze gauw de geschiedenis met de weide vergeten.

Wie de geschiedenis niet vergat, dat was Paul. De tijd ging hem veel te langzaam voorbij, maar eindelijk naderde toch de dag, waarop de bruiloft bepaald was. Nu ging Paul naar zijn’ vader en verzocht hem een bruiloftsmaal klaar te laten maken en de gasten te verzoeken: “want ik ga trouwen,” zei Paul. “Trouwen, jongen, maar met wie dan?” riep de vader. “Ik heb je nog nooit met een meisje gezien!”—“Ik ga toch trouwen, Vader,” zei Paul, “reken daar vast op. Maak maar alles klaar voor de bruiloft en vraag de gasten; want morgen komt mijne bruid.” De vader trok de schouders op, maar deed wat zijn zoon hem gevraagd had.

Den volgenden dag stond er eene prachtige bruiloftstafel klaar en ooms en tantes, neefjes en nichtjes, allen zaten met vroolijke gezichten aan tafel. Maar wie er niet zat, dat was—de bruid. “Geen nood,” zei Paul, “ze komt wel,” en hij keek zoo vroolijk uit zijne oogen, alsof de bruid goed en wel naast hem zat.

’t Werd avond, ’t werd laat in den avond—geene bruid. De gasten keken elkaar verlegen aan en werden stiller en stiller; Paul werd vroolijker en vroolijker. Daar op eens, ’t was twaalf uur in den nacht, ’t was middernacht, kwam er in vliegende vaart een wagen aanrollen. Een getrappel van paarden en een ho! van een’ voerman vlak voor de deur. Alle gasten vlogen naar de ramen—Paul de voordeur uit. Daar stond een prachtige wagen, door acht wilde veulens getrokken, en uit dien wagen stapte de mooie koningsdochter in bruiloftskleed, en aan den arm van Paul kwam ze de bruiloftszaal binnen, gevolgd door de twee hofdames. De vader en de broers en de gasten stonden met open mond te kijken; maar Paul vertelde nu wat er gebeurd was in den nacht, toen hij de wacht hield op de weide, en toen kwam er aan het gejubel geen einde. De een voor den ander nu riep: “Neen, maar wie zou dat nu ooit van dien Paul gedacht hebben!” En den geheelen nacht werd er feest gevierd, maar hoe later het werd, hoe stiller de mooie bruid werd. Eindelijk tegen den morgen zei ze: “Beste Paul, nu moet ik je iets treurigs vertellen. Ik ben nu wel je vrouw, maar ik kan niet bij je blijven, zooals andere vrouwen doen, als ze gaan trouwen. Ik had je dat vroeger op de weide willen zeggen, maar ik had er den tijd niet toe: de zon ging op, en ik moest toen weer duif worden. Mijn vader was vroeger koning over een land, hier heel ver vandaan, ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde. Een reus kwam en doodde hem in zijn eigen paleis, en nu word ik in het paleis van mijn’ vader door den reus gevangen gehouden. Alleen van een uur vóór middernacht tot aan het opgaan van de zon ben ik vrij. Ik moet nu vertrekken.” Toen werd Paul diep bedroefd en hij riep: “O, neen, je bent pas bij mij, ik laat je niet gaan!” Maar de prinses zei: “Je laat mij wel gaan; want als ik niet terug kom, moet ik sterven.”

Toen was Paul zoo treurig, zoo treurig, en al de bruiloftsgasten stonden met tranen in de oogen. En Paul geleidde zijne bruid in het prachtige rijtuig, en de bruid stak hem een gouden ring aan den vinger, en de hofdames gaven Paul ieder een gouden appel, en voort rolde de wagen. Toen stond Paul alleen, want al de bruiloftsgasten waren stil weggegaan. Die hadden ook al geen lust meer in feestvieren.

Van dat oogenblik af was Paul niet gelukkig meer. In niets had hij plezier—altijd moest hij aan de lieve prinses denken, die hem toebehoorde en die toch zoo ver van hem was. Eindelijk kon hij ’t niet langer uithouden van verlangen. “Vader, zei hij, “ik moet haar zoeken, ik ga op reis, en ik kom niet terug, vóór ik het paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde gevonden heb.”

“Beste jongen,” zei de vader, “ga je gang; maar ik vrees, dat je teleurgesteld terug zult komen.”—“We willen het beste hopen,” zei Paul. Hij nam afscheid van allen, die hem lief waren, en vertrok.

Dat was reizen. ’t Ging maar als in het liedje:

”’k Moet dwalen, ’k moet dwalen

Langs bergen en langs dalen ...”

En overal en overal vroeg Paul naar het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde lag; maar niemand wist hem er iets van te zeggen.

Nu trok hij op een goeien dag door een groot bosch, en daar hoorde hij in de verte een geschreeuw en eene drukte, alsof er wel tien menschen ruzie hadden. Toen Paul naderbij kwam, zag hij, dat het er maar twee waren, die tegen elkaar schreeuwden en elkaar te pakken hadden, maar dat waren er dan ook twee! Reuzen waren het.

Paul had nog nooit een reus gezien; maar toch was hij geen zier bang. “Wat nu, jongens” riep hij, “wat is er te doen, waar krib jullie om?—“Och,” riep de eene reus, “onze vader is gestorven, en die heeft gezegd, dat wij zijn goed mochten verdeelen. Nu zijn hier zijne laarzen, en daar moeten we dus ieder een van hebben, maar dat wil Kwak niet.”—“Neen,” riep de andere reus, “wat heb je aan één laars? Daarom zeg ik, laat mij ze liever beide hebben, en dat wil Kwik niet!”—“Neen,” zei weer de eerste reus, “want het zijn tooverlaarzen; je kunt er uren mee loopen zonder moe te worden.”—“Nu,” zei de andere, “als hij er dan mee loopt, dan word ik wèl moe en dan kan ik hem niet bijhouden.”—“’k Wou liever, dat we die laarzen nooit gekregen hadden,” riepen beide reuzen, “want vroeger hebben we nooit ruzie gehad, en nu kribben we om die laarzen.”—“Ik weet goeien raad,” zei Paul, “geef mij de laarzen, dan krijg je ze geen van beiden en behoef je er ook niet meer om te twisten.” “Dat is waar ook,” zeiden de reuzen, en zoo kreeg Paul de laarzen.

Of Paul in zijn’ schik was! Hij lachte de domme reuzen in zijn hart uit en stapte in zijne tooverlaarzen. Wel, wel, wat kwam hij nu vooruit! Dat ging maar van dorp tot dorp en van stad tot stad. Daar kwam hij ook weer door een groot bosch. En daar hoorde hij weer zoo’n leven, en ja wel: weer twee reuzen. Deze twee kribden om een’ mantel. En toen Paul er bij kwam, was het: “Och, jonge man, raad ons eens, wat we moeten doen. Onze vader is gestorven, en nu mogen we al zijn goed deelen. Dus moeten we toch ieder een halven mantel hebben.—“Gekheid,” riep de andere reus, “wat heb je aan een halven mantel. Ik zeg: geef mij den heelen mantel.”—“Dat doe ik niet,” riep de andere, want met dien mantel kun je je onzichtbaar maken. En als jij je onzichtbaar maakt, dan kan ik je niet meer zien, en, ik wil je zien, Flikje, want ik hou’ zooveel van je, en ik kan niet alleen wezen.”—“En als jij hem krijgt, kan ik jou niet zien, en ik moet je altijd zien, Flokje, anders kan ik het op de wereld niet uithouden,” riep de andere reus. “Weet je wat, jongens,” riep Paul, “geef mij den mantel, dan kun je elkaar altijd zien, en je behoeft dan ook geene ruzie meer te maken.”—Hé, ja, dat kon mooi, meenden de domme reuzen, en met een verlicht hart gaven ze Paul den mantel. Paul lachte in zijn vuistje over de domheid van de reuzen, sloeg den mantel om, die hem onzichtbaar maakte en wandelde weer verder.

En weer kwam hij door een bosch, en daar waren wezenlijk weer twee reuzen aan ’t vechten. Nu was het over een zwaard, waarvan ze ieder de helft moesten hebben. “We weten niet, hoe het moet,” riepen de reuzen, “want het is een tooverzwaard; als je met de punt iemand aanraakt, sterft hij, en met het handvat kun je hem weer levend maken.”—“O,” riep de eene reus, “krijgt Snip de helft met de punt, dan maakt hij menschen dood, en dan komt hij in de gevangenis.”—“En,” klaagde de andere, “krijgt Snap het handvat, dan heeft hij geene doode menschen, om weer levend te maken.”—“Weet je wat, jongens,” zei Paul, “geef mij het zwaard, dan behoef jullie er niet meer om te twisten, wie het hebben zal.”—“Hé ja,” zeiden de reuzen, “dat is een goeie raad.” En Paul gordde het zwaard aan, stapte weer in de laarzen en hing den mantel over de schouders. “Ziezoo,” dacht hij, “als ik nu niet voor eene verre reis uitgerust ben, dan weet ik het niet.”—“Goeiendag!” En toen was het: “zoo zie je me, en zoo zie je me niet,” want Paul was op eens voor de oogen van de reuzen verdwenen. Na een oogenblik konden die de voetstappen al heel in de verte hooren, want Paul ging immers met echte reuzenschreden voorwaarts in zijne reuzenlaarzen.

Vond hij nu eindelijk het paleis? Neen hoor, wat hij vond, toen hij laat op den avond niet verder kon, dat leek allerminst op een paleis. ’t Was een heel armoedig hutje op een groot, eenzaam heideveld, en in dat hutje woonde een oud, och zoo’n oud vrouwtje. Ze leek wel zooveel jaren oud, als een gewone grootmoeder maanden oud is. Paul nam zijne pet af en zei zoo vriendelijk mogelijk: “Dag, Grootmoedertje, hoe is het met U?”

“Wie ben je, die zoo vriendelijk goedendag zegt?” vroeg het oude vrouwtje. “Twaalf eikenbosschen heb ik zien groeien, en ik heb ze ook weer zien sterven; maar nog nooit is hier iemand geweest, die mij zoo vriendelijk goedendag zei.”—“Ik ben een vermoeide wandelaar,” zei Paul. “Ik kom U vriendelijk vragen, of ik één’ nacht in Uw hutje mag uitrusten. Morgen moet ik weer verder, om het paleis te zoeken, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Weet U den weg daarheen ook, lief Moedertje?”—“Neen,” zei het oude vrouwtje, “ik niet. Maar ik ben koningin over al de dieren, die de aarde bewonen, misschien kan een van mijne onderdanen je den weg wijzen. Heb geduld tot morgen en leg je eerst te rusten.” Paul dankte het goede vrouwtje en ging slapen op een bed van eikeblaren.

Vroeg in den morgen, toen de zon pas in het oosten was, luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten de onderdanen van de dierenkoningin aanloopen: leeuwen, wolven, beren, vossen, en die maakten eene diepe buiging en vroegen: “Wat bevoelt Uwe Majesteit?”—Is er onder jullie” vroeg de koningin, “die langs zoovele wegen komt, is er onder jullie een, die den weg weet naar het paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde?” Toen kwam er een hevig gebrom, ’t was of al de dieren elkaar om raad vroegen; maar eindelijk kwam de leeuw vooruit, om te zeggen, dat niemand van hen ooit een paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde gezien had. Toen zei het vrouwtje: “Jonge man, dan kan ik je ook niet helpen, maar honderd uren van hier woont mijne zuster, die koningin is over al de dieren in de zee. Misschien kan die je terecht wijzen.” Paul dankte hartelijk voor den goeden raad en reisde welgemoed verder.

Nadat hij dagen gereisd had, kwam hij op een’ avond door een reusachtig bosch, en aan ’t eind van dat bosch was eene zee, en aan het strand van die zee stond eene oude vervallen hut. Paul klopte aan en stapte binnen. Daar zat een vrouwtje, zoo oud, zoo oud! “Die is wel zooveel jaren oud, dacht Paul, “als eene gewone grootmoeder weken oud is.”—“Dag, oud Moedertje,” zei Paul, “hoe is het met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zuster, koningin over al de dieren, die op de aarde wonen, en U vriendelijk verzoeken mij voor één’ nacht te herbergen.”

“Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt? Vierentwintig eikenbosschen heb ik zien opgroeien en ook weer zien sterven; maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk goedendag zei.”—“Ik ben een vermoeide wandelaar,” zei Paul, “en ik ben op weg om het paleis te zoeken, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt. Kunt U mij den weg daarheen misschien ook zeggen, lief Moedertje, ik zoek nog altijd te vergeefs.”—“Neen, ik zelf niet,” zei het oude vrouwtje, “maar misschien kan ik je toch helpen. Ik ben koningin over al de dieren, die de zee bewonen. Misschien is er onder hen een, die je terecht kan wijzen.” Paul dankte voor die vriendelijke woorden en legde zich op een bed van eikeblaren te rusten.

Vroeg in den morgen luidde de oude vrouw eene groote klok. Toen kwamen van alle kanten allerlei dieren aanzwemmen; het water bruiste en golfde van wonder en geweld. Haaien en walvisschen en kabeljauwen: alle vroegen, wat de koningin beliefde. “Is er iemand onder jullie,” vroeg de koningin, “die den weg weet naar het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt?”—Toen volgde er een overleggen onder al de zeedieren; maar het eind was, dat niemand ooit van dat paleis had gehoord. Nu zei het oude vrouwtje: “Je ziet, dat ik je niet helpen kan; maar ik heb nog eene zuster, die koningin is over al de dieren in de lucht. Ik zou wel denken, dat zij iets voor je doen kon. Maar je moet ver, wel duizend uren ver reizen. Is je dat niet te ver?”—“O, neen,” riep Paul, “niets is me te ver, als ik maar eindelijk het paleis kan vinden. Ik dank U zeer voor den goeden raad en stap nu maar dadelijk verder.”—Goede reis!” riep het oude, oude vrouwtje, “en hou’ maar moed!”

Als Paul niet zoo heel moedig geweest was, zou hij zeker den moed verloren hebben, maar nu stapte hij vroolijk verder en dacht: “wie volhoudt, moet winnen!” En de duizend uren gingen voorbij, en Paul kwam weer op een’ avond in een reusachtig bosch, in een bosch zonder einde.

“Nu zal ik er zijn,” dacht hij, “maar waar moet ik nu wezen?” Daar zag hij licht door de boomen schemeren. Hij stapte er op af en ja—daar stond een onnoozel klein, oud hutje, een vervallen hutje, en in dat hutje zat een vervallen vrouwtje. Neen—de andere oude vrouwtjes zouden er jong bij geleken hebben; want dit vrouwtje, ze was zeker wel zooveel jaren oud, als eene grootmoeder dagen oud is.

“Dag, oud, oud, oud, Moedertje,” zei Paul. “Hoe is het toch wel met U? Ik moet U de hartelijke groeten brengen van Uwe zusters, de koninginnen, over de dieren, die de aarde en de zee bewonen.”

“Wie ben je, die mij zoo vriendelijk goedendag zegt?” vroeg het oude vrouwtje. “Acht en veertig eikenbosschen heb ik zien opgroeien, en ik heb ze ook weer zien sterven; maar in al dien tijd is er nog nooit iemand hier geweest, die mij zoo vriendelijk toesprak.”

“Ik ben een vermoeide wandelaar,” zei Paul. “Ik zoek het paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt, het paleis, dat niemand vinden kan. Kunt U mij den weg wijzen, lief Moedertje?”—“Ik? neen!” schudde het oude vrouwtje, “maar ik ben koningin over de vogels in de lucht. Die vliegen zoo ver en die zien zooveel, misschien kan een van mijne onderdanen je helpen.”—“Dat hoop ik van harte,” zei Paul. “Maar mag ik hier één’ nacht uitrusten?”—“Zeker,” zei het oude vrouwtje. Weer legde Paul zich te rusten op een bed van eikeblaren, en weer werd hij wakker door het luiden van eene groote klok.

In een oogenblik stond Paul op de beenen. Maar, wat was dat voor een gesuis in de lucht? Het dwarrelde Paul voor de oogen. Daar waren de onderdanen van de koningin: arenden, haviken, zwanen, ooievaars—te veel om te noemen en alle vroegen: “Wat beveelt Uwe Majesteit?”—“Ik heb jullie hier geroepen,” zei de koningin, “om te vragen, of een van jullie ook weet, waar het paleis is, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt?” De vogels bedachten zich eene heele poos, maar voor niets. Geen van alle had ooit iets van het paleis gehoord en nog minder er iets van gezien. Toen werd het oude vrouwtje boos. “Wat!” riep ze; “jullie, die zoo hoog en zoo ver vliegt, weet dat niet? Gebruik je dan je oogen niet? Maar—ben jullie er wel allemaal? Ik zie den vogel Phoenix niet!” Neen, de vogel Phoenix was den vorigen avond niet thuis gekomen en nog niet terug. “Maar, dat is ongehoorzaam,” riep de koningin boos. “Daar komt hij! daar is hij!” riepen op eens alle vogels. En ja—daar kwam de vogel Phoenix aanvliegen; maar hij was zoo moe, dat hij de vleugels nauwlijks meer bewegen kon en plotseling als op de aarde neerviel. Alle vogels waren blij hun trotschen kameraad terug te zien; maar de koningin riep boos: “Waarom heb je iets tegen mijn verbod gedaan?” De arme vogel had eerst eenigen tijd noodig, vóór hij zeggen kon: “O, Koningin, wees niet boos op mij. Ik heb zooveel gezien, ik kan zooveel vertellen. Ver, heel ver weg ben ik geweest bij het heerlijke paleis, dat ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde ligt.”—“Zoo,” zei de koningin, “nu dan moog je tot straf voor je ongehoorzaamheid nog éénmaal de reis daarheen maken en dezen jongen man op je rug meenemen. Drie uren geef ik je den tijd om uit te rusten en dan voorwaarts.”

Op vlogen alle vogels, en na drie uren kwam de vogel Phoenix, en Paul zette zich op zijn’ rug. Hij dankte en groette het oude vrouwtje, en daar ging het heen hoog, hoog in de lucht over bergen en dalen over de blauwe zee en de groene bosschen, verder en altijd verder. Eindelijk vroeg de vogel: “Zie je nog niets?”—“Ja,” antwoordde Paul, “ik zie, dunkt mij, eene blauwe wolk heel onder aan den hemel.”—“Dat is het land, waar we naar toe moeten,” zei de vogel. En weer ging het verder, altijd verder.

’t Werd avond. Weer vroeg de vogel: “Zie je nog niets?”—“Ja,” zei Paul, ik zie eene vlek in de blauwe wolk, en die schittert als de zon zelve.” De vogel zei: “Dat is het paleis, waar we naar toe moeten.” Weer verder, altijd verder.

Het werd nacht. Toen vroeg de vogel voor de derde maal: “Zie je niets?”—“Ja,” antwoordde Paul, “ik zie een groot paleis, dat glanst van goud en zilver.”—“Nu zijn we er!” riep de vogel, en hij zweefde naar beneden en liet Paul van zijn’ rug stappen. Paul wist niet, hoe hij den vogel wel bedanken zou; maar de vogel bleef niet lang op dank wachten. In een oogenblik was hij weer opgestegen en uit Pauls oogen verdwenen.

’t Was nu middernacht, en op dien tijd zijn alle booze toovenaars in diepe rust. Zoo ook de booze toovenaar, die in het paleis woonde, waar de lieve prinses, de vrouw van Paul, gevangen gehouden werd. De toovenaar hoorde er dan ook niets van, toen Paul aan de groote voordeur klopte. De prinses hoorde het zooveel te beter. “Ga toch eens kijken,” zei ze tegen eene van de hofdames, “wie daar zoo laat nog klopt.” Toen nu de hofdame, half bang, de deur maar op eene kier deed, rolde Paul vlug een’ van de gouden appels naar binnen, die hij vroeger van haar gekregen had. Van schrik liet de hofdame de deur weer in het slot vallen en vloog naar de prinses. “O,” riep ze, “die allerbeste vriend is er, ik weet het, hij heeft den gouden appel naar binnen gerold, dien ik hem vroeger heb gegeven.” De prinses kon niet gelooven, dat het waar was. Ze stuurde de andere hofdame naar de deur om te kijken. Weer rolde Paul een’ gouden appel door de kier van de deur; ’t was de appel voor de tweede hofdame. De hofdame herkende haar eigen appel en vloog er mee naar de prinses. “O,” riep ze “daar is die allerbeste vriend, zie, daar is de appel, dien ik hem vroeger heb gegeven.” Nog kon de prinses het niet gelooven. “Hoe zou die ooit hier kunnen komen!” riep ze. “Wacht, ik ga zelve kijken.” Voorzichtig deed ze de deur op eene kier en vroeg: “Wie is daar?” Toen reikte Paul haar den gouden ring toe, dien ze hem zelf gegeven had. Nu moest de prinses het wel gelooven; ja, haar bruidegom was gekomen! Vlug deed ze de deur open, en ze omarmde hem en prees hem duizendmaal, dat hij zoo’n verre reis gedaan had, om bij haar te komen.

“Maar hoe nu verder,” zuchtte de prinses. “Als de reus, die zoo’n booze toovenaar is, je ziet, ben je verloren. Tegen den morgen wordt hij wakker en wat dan te beginnen? Hij heeft een heel leger van toovenaars, die hem helpen; daar kun je niet tegen vechten.”—“Laat mij maar begaan,” riep Paul, “ik sla ze allen het hoofd af, die deugnieten!” De prinses schreide; ze was bang, dat het slecht met Paul zou afloopen.

Tegen den morgen ging Paul buiten bij de poort van het kasteel staan met het zwaard in de hand en den mantel, die hem onzichtbaar maakte, om. Hij riep met krachtige stem: “Waar is de reus, die de lieve prinses gevangen houdt? Laat hem komen, om te vechten, als hij durft!” De reus hoorde de stem en stormde woedend naar buiten. Hij zag niets; maar Paul zag hem wel en sloeg met zijn zwaard hem één, twee, drie het hoofd af. En Paul riep maar weer: “Waar is het leger, dat de reus wil helpen in den nood? Laat het komen! Den reus heb ik verslagen, zou ik bang wezen voor een onnoozel legertje van toovenaars!”

Die woorden maakten de toovenaars zoo boos: met opgeheven zwaarden kwamen ze de deur uit rennen. Maar ze sloegen in den wind. Paul sloeg niet in den wind, de eene toovenaar voor, de andere na rolde hem voor de voeten. Eindelijk had hij ze allen verslagen. Toen naar de prinses. “Neen maar, wat eene vreugde. Ben ik vrij, ben ik wezenlijk vrij?” riep de prinses! “O, Paul, wat heb ik je nu lief! O, wat ben ik gelukkig. Nooit kon ik gelukkiger zijn of—of het moest wezen, dat ik mijne lieve ouders en mijne geheele lieve familie terug kon krijgen, die allemaal door den leelijken reus gedood zijn.”—“Waar zijn ze begraven?” riep Paul. “Kom, ik wil zien, wat ik met mijn tooverzwaard kan doen.”

Toen ging de prinses met Paul naar het kerkhof, en Paul roerde al de graven met het handvat of de greep van zijn zwaard aan en—de eene doode na den anderen leefde weer op. Neen maar, de vreugde, die toen in het paleis was! De oude koning zei, dat Paul nu koning moest worden. “Ja,” riepen al de anderen. Paul moest nu de kroon op hebben. Toen werd de mooie prinses koningin, dat spreekt, en ze kreeg ook eene kroon op, de kroon van de moeder. En samen zaten ze nu op den troon en allen riepen: “hoera!” En de drie oude vrouwtjes werden op den rug van den vogel Phoenix naar het paleis ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde gedragen, om een schitterend feest mee te vieren.

En nu mag jullie zeggen: “Die Paul!” En dan zeg ik: ja, van “die Paul” kun je leeren, dat men met een goeien wil en vriendelijke woorden wel zoo ver komt in de wereld—wel zoo ver als het paleis ligt ten oosten van de zon en ten noorden van de aarde, maar zonder goeien wil en vriendelijke woorden zul je er nooit, nooit komen. Daar kun je vast op rekenen.

Juist Goed!

Er waren eens twee broers. De eene was heel rijk, de andere was heel arm. De arme was niet altijd arm geweest. Eens was hij rijk als de rijke. Eens had hij ook eene groote boerderij met ruime schuren vol graan en stallen vol vee, met heerlijke weiden en akkers, met hooibergen als huizen zoo hoog. Maar de rijke was altijd gelukkig geweest, en de arme altijd ongelukkig. Met het huis, de schuren en stallen van den rijke was nooit iets bijzonders gebeurd. Maar eens was de bliksem geslagen in het huis van den arme: het huis was toen tot den grond afgebrand met nog eene groote schuur en een’ stal er bij. Het had den arme veel geld gekost, alles weer te laten opbouwen. Veel vee had hij moeten verkoopen, om geld te krijgen. Het vee van den rijke was altijd gezond: de paarden waren sterk, de koeien gaven veel melk, de schapen zaten dik in de wol, de varkens dik in het vet. Maar bij den arme kwam er telkens ziekte onder het vee. Dan stierven de beste paarden, de mooiste koeien en schapen, de vetste varkens. En de arme had hoe langer hoe minder geld, om nieuwe te koopen: de ruime stallen werden leeger en leeger.

Alles, wat de rijke op zijne akkers zaaide of plantte of pootte, dat groeide en bloeide er lustig op los. En als de tijd van oogsten kwam, konden de schuren haast niet bergen, wat de volle wagens thuisbrachten. Maar het graan van den arme sloeg plat door hagel of zware regens, of het verschroeide door groote droogte en hitte. En de ruime schuren leken elk jaar weer ruimer, omdat ze elk jaar weer minder te bergen hadden.

Het hooi van den rijke was droog en frisch en geurig: het vee smulde er van.—Maar als de arme zijn hooi zou inhalen, kwam er juist even te voren nog eene erge regenbui. Het hooi kwam vochtig op de hooibergen, het ging broeien en zuur smaken. Het vee lustte zulk hooi niet, het werd er ziek van. Dan moest de arme voor veel geld hooi koopen.

Zoo ging het met alles. De eene broer werd rijker en rijker: alles ging hem voor den wind. De andere broer werd armer en armer: alles liep hem tegen. De rijke maakte zijn huis mooier en mooier, hij bouwde er nieuwe schuren en stallen bij, hij kocht nieuwe weiden en meer vee en meer akkers, hij nam meer knechten en meiden in zijn’ dienst. Maar de arme moest zijn huis, zijne meubels, zijne schuren en stallen oud en leelijk laten worden, hij moest zijn vee stuk voor stuk, zijne akkers en zijne weiden één voor één verkoopen, hij moest zijne dienstboden den een na den ander wegsturen. En hoe hij ook zijn best deed, hoe hij ook werkte en zwoegde en zorgde van den morgen tot den avond—het hielp hem alles niets. Hij ging achteruit en nog meer achteruit. En eindelijk moest hij alles, wat hij nog had, verkoopen. ’t Was al niet veel meer en niet mooi meer ook: hij kreeg voor alles maar weinig geld, heel weinig. En voor dat weinigje kocht hij een heel klein huisje met een onnoozel lapje grond er bij, en ééne koe met één schaap. Hij hoopte, dat hij wel heel zuinig zou kunnen leven van wat die ééne koe en dat ééne schaap hem gaven. Maar de arme zou nog armer worden .... De koe en het schaap werden ziek en—ze stierven. Toen had de arme niets meer dan een lapje schralen grond, waar bijna niets op groeien wilde. Daar kon hij niet van leven. Toen moest de arme, de ongelukkige arme, die eens zoo rijk geweest was, uit werken gaan, om zijn brood te verdienen.

De rijke wist dat alles; maar nog nooit had hij eene hand uitgestoken, om den arme te helpen. Want de rijke was wel rijk aan geld en goed; maar hij was arm aan liefde en goedheid. Hij zag en hoorde, hoe ongelukkig zijn broer was; hij zag zijne droefheid en hoorde zijne klachten; maar medelijden had hij niet. Het hart van den rijke was even ongevoelig en hard als de harde rijksdaalders, waar zijne geldkist vol van was. De rijke had veel te geven; maar hij gaf niets. Maar de arme had weinig te geven, en toch gaf hij nog van zijne armoede aan anderen, die armer waren dan hij. Want de arme was wel arm aan geld en goed; maar rijk aan liefde en medelijden.

Toen de arme nog rijk was, gunde de rijke hem zijn’ rijkdom niet. De rijke wou alles wel voor zich hebben, hij kon niet verdragen, dat het zijn’ broer goed ging. Toen de broer armer en armer werd, lachte de rijke.—Maar de arme, hoe treurig het hem ook ging, was nooit afgunstig geweest op den rijke. Toen zijn broer rijker en rijker werd, verheugde de arme zich in ’t geluk van den rijke.

Nu hoor, wat er gebeurde.—Het stukje grond, dat de arme bij zijn huisje had, was schraal. Het zaad, dat de arme zaaide, kwam niet of heel slecht op, de plantjes waren mager en kwijnden. De arme zaaide altijd maar weer, nu eens dit, dan weer dat; hij groef en spitte, om den grond los te maken; maar ’t hielp alles niets. ’t Was, om er heelemaal den moed bij te verliezen.

“Eéns wil ik het nog probeeren,” zuchtte de arme, “en als het nu niet lukt, dan moet de grond in vredesnaam maar zóó blijven liggen.” Wat zou het zijn voor ’t laatst? De arme dacht na. Eindelijk vond hij, ’t moest maar koolrapen zijn. Als die eens opkwamen, daar was nog eerst wat aan te eten. En wie weet, als het eens heel goed ging, of hij er ook nog niet van verkoopen kon!

Het zaad werd gezaaid, en de arme wachtte, wachtte met groot verlangen, of het opkomen zou.

En het kwam op. Maar hoe! Och, ’t was dezelfde treurige geschiedenis van altijd: hier en daar kwamen een paar spichtige, armoedige plantjes uit de aarde kijken, alsof ze zeggen wilden: “kon je ons in geen beteren grond gezaaid hebben, moeten we hierin nu groeien?” Treurig schudde de arme het hoofd. “Er komt niets van terecht,” zuchtte hij.

Voordat het zaad opkwam, was hij elken dag naar den kleinen akker gegaan en had gekeken, getuurd, of het haast nog niet zoover was, dat er groene puntjes uit de aarde kwamen. Maar nu, nu ging hij er niet meer heen; want telkens als hij de weinige schrale plantjes zag, werd hij bedroefd. Zoo kwam het, dat de arme niets wist van het wonder, dat er gebeurde op zijn’ akker.

Eens op een’ morgen zocht hij eene spade, die hij in eene poos niet had behoeven te gebruiken. Misschien was ze blijven liggen op den akker. De spade was er; maar er was nog iets anders, waar de arme zich niet moe aan kijken kon. Want wat zagen zijne verwonderde oogen? Ze zagen midden op het stukje grond eene mooie groote plant. Frisch en krachtig spreidde ze hare dikke, sappige stelen en forsche bladeren uit. De arme stond en keek en kon het nog maar altijd niet gelooven, dat er zóó iets kon groeien op zijn’ grond. Hij liep om de plant heen en bekeek haar van boven, hij bukte zich en bekeek haar van onderen. Hij betastte de bladeren en nam de dikke stengels tusschen duim en vinger. Was het wel eene koolraap, die hij zelf gezaaid had? Ja, ’t moest toch zoo zijn: de plant leek precies op de onnoozele plantjes, die er omheen groeiden; alleen leek ze wel een reuzin onder dwergjes. “En,” dacht de arme met vreugde, “als de bladeren en stengels zoo forsch zijn, wat zal er dan eerst voor een’ wortel aan zitten!” Ja, hoe groot zou toch wel de knol zijn, de koolraap, die in de aarde verborgen was? ’t Liefst zou de arme met zijne spade den grond om de plant heen hebben, uitgegraven, om ook dat te kunnen zien. Maar neen, dat deed hij niet: de plant zou er van lijden, en ze moest nòg grooter, haar wortel moest nòg dikker worden. Rustig zou hij haar laten groeien, tot ze niet meer groeien kon en het tijd werd, om de koolraap uit de aarde te nemen. Maar kijken naar zijn’ schat, dat mocht, en dat deed de arme dan ook trouw, ’s Morgens heel in de vroegte, als de dauw nog op de bladeren van zijne plant lag, was hij al op den akker en zag er de zon glinsteren in de dauwdroppels. Midden op den dag, als de zon hoog aan den hemel stond, strekte hij zich uit in de schaduw, onder de groote bladeren van de plant en keek in het groen op, tot de oogen hem dichtvielen. ’s Avonds, als hij moe van ’t werk kwam, zette hij een’ stoel op den akker en rookte er zijn pijpje.

En hij meende wezenlijk, dat hij de plant met den dag zag groeien. Haar stengels werden dikker, hooger en hooger schoten ze op. De bladeren werden langer en langer, breeder en breeder. De plant leek een struik, een boom haast. Telkens als de arme merkte, hoe de plant alweer en alweer gegroeid was, straalde zijn gezicht van vreugde; maar als hij dacht aan den knol, die in stilte onder den grond ook doorgroeide en dien hij nooit zag, dan klopte hem het hart van hoop en verlangen.

Soms zat hij uren lang er over te peinzen, waar zijne reuzenplant toch wel het voedsel vandaan kreeg, om zóó te worden, als ze was. Wel zag hij de andere plantjes op den akker langzaam wegkwijnen. Wel begreep hij, dat ze niet leven konden, omdat die ééne krachtige, hongerige alles nam, wat er nog aan voedsel in den schralen grond zat. Maar dat kon lang niet genoeg zijn. Neen, hoe grooter de plant werd, hoe meer ze hem een wonder leek. En die wonderplant, ze moest hem geluk brengen, meende hij. Alle menschen, die hem kenden, zagen het: het gezicht van den arme fleurde met den dag op. Zoo mismoedig als hij vroeger het hoofd had laten hangen, zoo moedig droeg hij het nu omhoog. “Wat zou er toch gebeurd zijn?” dachten de menschen. Niemand wist het, en niemand mocht het weten ook. Om den akker stonden hooge struiken; niemand zag den schat van den arme. En spreken deed hij er ook met niemand over: de menschen mochten eens afgunstig op hem worden om zijne wonderplant, ze mochten haar eens beschadigen, en dan zou het groote geluk, dat hem wachtte, misschien nooit komen.