Eerste hoofdstuk.

De triasperiode.

De dampkring is gezuiverd. De zon, niet meer zoo ontzaglijk groot en nevelachtig als te voren, begint aan eenen azuren hemel te schitteren. De uitbarstingen van den inwendigen oven, die gedurig het bezinken van de steenkool- en de permische formatie in den weg hadden gestaan, worden zeldzamer en rustiger, de spleten laten niet meer zoo gemakkelijk de inwendige warmte door en zijn gevuld met aderen, die langzamerhand afkoelen. De planten en dieren, die uit het water de kusten en vlakten hadden opgezocht, stijgen al hooger en hooger, naarmate de oneffenheden van den bodem duidelijker te voorschijn komen ten gevolge van de voortdurende samentrekking van den steeds afkoelenden bol, en van de verschuivingen en ontwrichtingen, die daardoor veroorzaakt worden. De planten, niet meer uitsluitend gevoed door het water en den dampkring, behouden hare reusachtige afmetingen uit de steenkoolperiode en beginnen zich al meer en meer te splitsen; de cycadeën en coniferen treden op. Nog zijn er geene boomen met afvallende bladeren, daar er nog geene jaargetijden bestaan. De kruipende dieren krijgen op het vasteland de overhand. In de zee vermenigvuldigen zich de weekdieren, vooral de koppootige uit het geslacht der ammonieten, die reeds in grooten getale optreden in het begin der nieuwe periode, om gedurende dat geheele tijdperk voort te duren. Ook de visschen ontwikkelen zich; zij houden op kraakbeenig te zijn en worden beenig. De arbeid der natuur breidt zich uit en vertakt zich.

Nemen wij de secundaire periode in haar geheel, dan is de vooruitgang bij de primaire periode onbetwistbaar. Dit wil echter niet zeggen, dat die periode begonnen is met eene plotselinge schepping van bepaalde typen van dieren of planten, of met eene omwenteling in de natuur, evenmin als dit bij den overgang der azoïsche tot de primaire periode het geval is geweest. De aandachtige lezer begrijpt, dat er tusschen de ééne periode en hare voorgangster of opvolgster geen sprong plaats heeft, evenmin als dit het geval is tusschen den laatsten dag van het ééne jaar en den eersten dag van het volgende jaar. De dagen en jaren van de perioden van het leven op aarde volgen even geleidelijk op elkander als de gewone dagen en jaren; de secundaire periode is de voortzetting der primaire.

Ieder wezen streeft naar vooruitgang, en dat streven is juist de bron zijner werkzaamheid. De plant zoekt onbewust maar toch met nadruk het licht, dat voor hare ontluiking het gunstigst is, en de beste sappen voor hare voeding. De visch zwemt naar het water, dat voor hem het verkieslijkst is, en begeeft zich naar den oorsprong der stroomen. Het insect kiest den besten honig of de rijpste druif. De vogel kiest voor zijn nest het fijnste mos, en de gemakkelijkste plaats. De hond bespiedt den wil van zijnen meester en zoekt hem te behagen. Zoowel in het planten- als in het dierenrijk, werken duizenden uit- en inwendige eigenschappen, zooals de kleur—waardoor de insecten bepaalde bloemen verkiezen, en die dus eene groote rol speelt bij de bevruchting, evenals zij van invloed is op de paring der insecten, vogels en zoogdieren—de reuk, die evenzeer haren invloed doet gelden—de spier- en zenuwkracht, de wijze van voeding en de daaruit voortvloeiende hoedanigheden, mede tot den vooruitgang, door dat streven naar het hoogere, waarmede ieder wezen begaafd is. Neem dat streven weg, en gij verbreekt de drijfveer der beweging, en de geheele natuur, van de plant tot aan den mensch, valt weder tot het laagste peil terug. Zonder die gave verliest zelfs het leven zijne reden van bestaan, en blijft de menschheid stilstaan. Vooruitgang is de algemeene drang der natuur. Ieder onzer, in welken kring ook geboren, streeft naar verbetering, de ééne in materieelen, de andere in moreelen of intellectueelen zin; de gierigaard verrijkt zich als moest hij nooit sterven; de geleerde studeert onophoudelijk, dorstend naar het onbekende en wanhopend over hetgeen hem nog te leeren overblijft; de kunstenaar tracht meer en meer het ideaal der hoogste schoonheid te bereiken; de denker ziet eene meer volkomen menschheid vóór zich, en zoo gaat de mensch door al zijne hartstochten, verlangens en aspiraties, in vreugde en in smart, steeds vooruit, en wel verre van voldaan te zijn met wat het leven ons schenken kan, bepalen wij den kring onzer verlangens niet tot deze aarde alleen, doch voelen wij ons geroepen, die hooger op te voeren. Die goddelijke drang, reeds eigen aan het atoom, aan het laagste wezen, de cel en het protoplasma, dat deel van het goddelijke, dat de zichtbare natuur, het uitvloeisel der onzichtbare kracht in zich bevat; die drang naar het oneindige, is de oorzaak der voortdurende volmaking der wezens, de geleidelijke verandering der soorten en van den regelmatigen vooruitgang van de eerste dagen van het organische leven tot op onzen tijd.

Landschap uit de triasperiode (schelpkalkperiode).

Landschap uit de triasperiode (schelpkalkperiode).

Het tijdperk, dat wij thans bespreken, wordt in drie perioden onderverdeeld, die door hare karakteristieke eigenschappen scherp onderscheiden kunnen worden: de trias- de jura- en de krijtperiode.

De eerste periode heet trias, omdat de formaties dier periode bij de eerste studie dier formaties zich in drie lagen vertoonden: de bonte-zandsteen, de schelpkalk en de keuper, waarin de mergel voorkomt. Die drie lagen vindt men regelmatig op elkander in Wurtemberg, Beieren, Lotharingen en elders; doch die verdeeling, die berust op het bestaan eener zeevorming tusschen twee zoetwatervormingen, geldt o. a. niet voor Engeland, de Alpenstreken, het Himalayagebergte en Californië. Bovendien vindt men dikwijls de triasformatie nauw aan de permische formatie verbonden, waardoor de geleidelijke ontwikkeling der organische wereld nog nader bevestigd wordt. Wel kunnen enkele lagen ontbreken, maar de volgorde wordt nooit gewijzigd, nooit ligt de bonte-zandsteen onder de schelpkalk, evenals de juraformatie nooit boven de krijtformatie gelegen is.

De tweede periode van het secundaire tijdperk, heet de Juraperiode, omdat het Juragebergte, dat eerst later is opgeheven, grootendeels bestaat uit formaties, die in deze periode bezonken zijn. Deze periode wordt weder onderverdeeld in de lias- en de oölietperiode.

De derde periode heet de krijtperiode, omdat de formaties, toen door de zee afgezet, bijna geheel uit krijt bestaan. Men verdeelt haar weder in drie afdeelingen: de onderste, de middelste en de bovenste krijtformatie.

De triasperiode, die het secundaire tijdperk inleidt, bevat, zooals wij zagen, drie verschillende formaties, de bonte zandsteen, de schelpkalk en de keuper. De eerste wordt in groote hoeveelheden in de Vogezen gevonden; de tweede in Beieren, en de derde in de Tyroler Alpen. Men noemt daarom die drie formaties ook wel Vogezische, Franconische en Tyroler formatie.

Onder welke omstandigheden zijn die formaties ontstaan? In het begin der triasperiode zijn de binnenzeeën, waarin zich in het noorden van Duitschland en Engeland de zeebezinkingen der bovenste permische formatie hadden afgezet, uitgedroogd; men moet meer in het zuiden, in de nabijheid der Middellandsche zee zijn, om eenen zeetoestand terug te vinden. Maar weldra ontstaan er in noordelijke richting golven, en de zee strekt zich het verst uit in de Frankonische periode, toen Lotharingen en de oostelijke rand der centrale bergvlakte door de zee werden bespoeld. Doch weldra trekt het zeewater zich naar het oosten en het zuiden terug en daardoor krijgen in de Tyrolsche periode lagunen, misschien zelfs poelen, de overhand over geheel Frankrijk, geheel Engeland, en het grootste gedeelte van Spanje. Men vindt de zee weder ten oosten van het laatste land, in Italië: van Sicilië tot aan Venetië, bij Salzburg en in de nabijheid der Carpathen. In één woord: de Middellandsche zee der permo-steenkool-periode is eenigszins noordwaarts verplaatst, minder uitgestrekt naar het westen en verbonden met de lagere gedeelten van den Ural en Centraal-Azië. Over dat geheele grondgebied, waar voor het eerst de ammonieten optraden op het einde der permische periode, krijgt die uitgebreide familie der koppootigen eene verbazende uitbreiding, en ditzelfde verschijnsel openbaart zich in westelijk-Amerika, zoowel als in de poolstreken, terwijl de trias in Zuid-Afrika en in Australië veel meer het voorkomen heeft van eene vastelandformatie.

De verschillende formaties der secundaire periode zijn zeer duidelijk van elkander onderscheiden, zij zijn van geheel verschillende samenstelling en met duizenden eeuwen tusschenruimte ontstaan. Toch mogen wij ze in ééne enkele periode samenvatten, daar de planten en dieren dier geheele periode in karakter overeenstemmen. In de bonte-zandsteen vindt men dezelfde soorten als in de schelpkalk en de keuper, en zelfs wordt een groot aantal tot in de krijtformatie teruggevonden. In die geheele periode is de oppervlakte der aarde wel niet volkomen veranderd, maar toch vertoont zij een groot verschil in vergelijking met de vorige periode.

Vooreerst vinden wij in grooten getale de planten, die wij reeds leerden kennen, doch bij de oude vormen dier planten komen weder nieuwe soorten voor. Er zijn weder varens, grassen, paardestaarten en wolfsklauwen, doch de groote soorten der twee laatste familiën verdwijnen en zij naderen meer tot de tegenwoordige planten.

Fig. 192. Cycadeën in de triasperiode.

Fig. 192. Cycadeën in de triasperiode.

De grassen komen in grooten getale voor, doch niet meer in groote lagen verkoolde plantenstof, zooals vroeger, maar in den vorm van talrijke afdruksels in de zandsteen.

Bijzonder eigen aan de secundaire periode zijn de Cycadeën, eene plant, waarvan in de steenkoolperiode slechts vier soorten, en waarvan thans veertig soorten bekend zijn. In de triasformatie vindt men van de cycadeën twintig soorten, in de Juraformatie dertig en in de krijtformatie vijftien soorten, d. i. dus in het geheel vijfenzestig, of vijfentwintig meer dan wij er thans van vinden. Fig. 192 geeft een denkbeeld van den algemeenen vorm dier familie.

Fig. 193. Versteende cycadeënvruchten.

Fig. 193. Versteende cycadeënvruchten.

Die plantengroep, die zeer dicht aan de palmen grenst en eenen tropischen oorsprong verraadt, komt het eerst voor in de steenkoolformatie en doorloopt alle overige formaties behalve de schelpkalk. Men kan dus den vorm der cycadeën volgen van de secundaire periode tot op onzen tijd: zij komen in zóó groote menigte voor, dat hare versteende vruchten, bladeren en geraamte overal worden teruggevonden.

Fig. 193 stelt enkele versteende cycadeënvruchten voor, waarvan de voornaamste op eene kokosnoot gelijkt. De cycadeën bereikten eene hoogte van tien tot twaalf meters: tegenwoordig zijn zij zelden hooger dan 1 meter. De boomachtige cycadeën zijn thans vervangen door de schoonere palmen.

De lias- en Juraformaties toonen ons duidelijk de verandering in den bodem aan. Wij vinden daarin reeds enkele bloeiende planten, en wel vooreerst de coniferen, wier bladeren naaldvormig zijn, en wier kegelvormige vruchten aan de geheele familie haren naam gegeven hebben. In den bergketen, die zich uitstrekt tusschen Adersdach en Kudowa, bij het dorp Radowenz in Bohème, heeft men in 1857 een geheel bosch ontdekt, waarin die versteende boomsoort de overhand heeft. In de steenkoolformatie, in de omstreken van Pilsen (Boheme), heeft men stammen van acht meters lengte en één meter middellijn bloot gelegd, die nu eens rechtop staan, dan weder nederliggen, en alle op dezelfde wijze versteend zijn; men vermoedt, dat zij veranderd zijn door het kiezelhoudend water.

De boomen van die familie wijzen op het bestaan van eenen drogen bodem en van een minder warm klimaat; de aarde moet dus gedeeltelijk haar karakter van moerassen en eilanden verloren hebben; op hare oppervlakte moet zij heuvelen en bergen hebben zien oprijzen: het gelijktijdig voorkomen van de vruchten en stammen van coniferen met palmen, die vocht en warmte noodig hebben, terwijl de eerste de voorkeur geven aan eenen drogen bodem en eene lagere temperatuur, leidt ons van de hoogten en heuvels naar de bergen, waar men zelfs in de tropen de coniferen vindt.

Wij mogen daaruit besluiten, dat er bergketenen bestonden, bedekt met dichte wouden van naaldboomen, misschien wel bergvlakten, ingesloten in het binnenland, terwijl de cycadeën, de varens, de wolfsklauwen, met palmen en lelieachtige planten er tusschen, de kusten dier uitgestrekte formaties omgaven. Het organische leven schijnt zich te hebben verzameld in de ravijnen dier boomrijke heuvels.

Onder de verschillende soorten van naaldboomen vindt men in groote menigte de zoo schoone araucaria’s. Fig. 194 stelt eenen versteenden tak dier plant voor. Bij haar leven zijn de takken dier planten regelmatig om den stam gerold, en daardoor vertoonen die planten eenen zoo sierlijken vorm.

Fig. 194. Versteende tak eener araucaria.

Fig. 194. Versteende tak eener araucaria.

Tot de merkwaardige boomen van die wouden der secundaire periode behooren de voltzia en het pterophyllum, alsmede de haidingera, een naaldboom, die zeer veel voorkomt in de schelpkalkperiode, en die in bouw moet geleken hebben op onze cederen. Doch de rijkdom aan planten uit de steenkoolperiode heeft plaats gemaakt voor betrekkelijke armoede; het zijn niet meer die diepe bosschen met reuzenboomen, en ondoordringbare schaduw. De planten zijn dun gezaaid, het terrein is meer golvend, en het licht speelt op een groen grastapijt. Het plantentype der steenkoolperiode is verdwenen, maar de „bedektzadigen”, d.i. de planten, die alleen reeds 9/10 uitmaken van de tegenwoordige flora, zijn nog niet gevormd, behoudens enkele zeldzame éénzaadlobbigen. Men vindt bijna alleen sporeplanten en naaktzadigen, de eerste vertegenwoordigd door varens, paardestaarten e.a., de tweede door cycadeën en naaldboomen. Over den geheelen archipel, die toen bestond, waar nu Europa gelegen is, merkt men op, dat de plantengroei der kusten en lage streken van dien der heuvels en bergtoppen verschilt: beneden, de varens met breed ontwikkelde of fijn uitgesneden bladeren, de paardestaarten en de oorspronkelijke naaldboomen; boven, op de drogere en hooger gelegen plaatsen, de varens met schraal en hard loof, cycadeën en de reuzenconiferen, die de voornaamste boomen waren der wouden op de bergen.

Fig. 195–196. De planten der triasperiode. Voltzia en pterophyllum.

Fig. 195–196. De planten der triasperiode. Voltzia en pterophyllum.

De zandsteen, die thans op de toppen van de secundaire bergketenen der Vogezen ligt tot eene dikte van vijftig tot zestig meters, en die op eene vijfhonderd meters dikke laag fijne steentjes rust, hetgeen te zamen de eerste verdieping der triasformatie uitmaakt, is vol van landplanten, die bewijzen, dat de wouden van dat tijdperk nog bezet waren met boomvarens en met eene groote menigte cycadeën en naaldboomen, die veel overeenkomst hadden met onze cypressen. De cypressen, die niet onder den invloed der jaargetijden staan, en die daarom de graven der afgestorvenen met haren blijvenden bladerendos beschutten, de pijnboomen met hunne uitgebreide takken, die sombere en eentonige boomen, zijn de oudste van de thans bestaande planten, want de varens en paardestaarten der primaire periode hebben thans nog slechts kruidachtige vertegenwoordigers. Wij zijn nog ver van de vruchtboomen verwijderd.

Fig. 197. De triasformatie. Zoutmijnen in Wieliezka (Polen).

Fig. 197. De triasformatie. Zoutmijnen in Wieliezka (Polen).

De derde, en dus de jongste laag der triasreeks, die der bonte mergels, wordt somtijds de zoutlaag genoemd, omdat men er veel gips en steenzout in vindt. In Lotharingen Wurtemberg, Beieren en Zwitserland vormen die steenzoutlagen op sommige punten rijke mijnen. Te Dieuze (Lotharingen) telt men niet minder dan dertien op elkander liggende lagen tot eene dikte van vijftig meters. Die zoutlagen der triasformatie strekken zich uit tot het Juragebergte waar zij de talrijke zoute bronnen dier streek voeden, zooals b.v. te Lons-le-Saulnier. In de beroemde zoutmijn te Strassfurt is de zoutlaag, vermengd met zwavelzure magnesia en keukenzout, 166 meters dik. Die laag strekt zich uit tot onder Berlijn, waar eene zoutlaag van 1550 meters dikte op eene diepte van slechts 90 meters onder de oppervlakte gevonden wordt.

Het bijna geheel ontbreken van versteeningen van zeeplanten en zeedieren in de klei, die de triasformatie sluit, de talrijkheid van landplanten en de overvloed van gips en zout, wijzen er ons op, dat Centraal-Europa, waar die mergel zeer verspreid is, toen door ondiep water bedekt was, welks zoutgehalte zóó aanzienlijk was, dat het geene levende wezens bevatten kon. De Doode zee, de groote zoutmeren van Azië en Afrika, die gedeeltelijk door eene zoutkorst bedekt zijn, geven ons een voorbeeld van den toestand van noordelijk Europa in die dagen. De Oceaan had zich toen teruggetrokken naar het zuiden, en bezette toen de Alpenstreken. Een bewijs hiervoor is, dat men, indien men in Frankrijk tot de centrale bergvlakte nadert, vindt, dat de schelpkalk, eene zeevorming, zich niet tot die streek uitstrekt, en dat de mergel dadelijk op de bonte-zandsteen ligt. Men vindt de schelpkalk terug in de Benedenalpen, in Hérault, Var en de omstreken van Toulon; men kan haar over de geheele Alpenstreek volgen, waar zij eene groote uitbreiding verkrijgt. Daar bestaat de triasformatie uitsluitend uit zeevormingen, uit groote hoeveelheden dicht opééngedrongen kalksteen, die een groot aantal fossielen bevatten. In die kalklagen vindt men een duidelijk beeld van de dierenwereld, die in de triasperiode de zee bevolkte.

Iedereen weet, dat het zout één der belangrijkste mineralen is. In den vorm van steenzout wordt het in grooten getale binnen in de formaties der secundaire periode gevonden. In Transsylvanië vindt men zoutbergen, die verscheidene mijlen lang zijn en die steile kanten hebben van honderden voeten hoogte, welke bergen geheel uit steenzout bestaan. In Cardona, aan de zuidzijde der Pyreneën, vindt men eene zoutmassa van bijna honderd meters hoogte boven den grond. Die massa is zóó verscheurd en gespleten door den regen, dat men ze met hunne pyramiden, horens, holten en spitsen voor eenen ijsberg zoude aanzien; de hoeveelheid zout is zóó overvloedig, dat men de mijn voor onuitputtelijk houdt, hoewel men haar reeds eeuwen lang ontgint (er wordt reeds in het jaar 1103 melding van gemaakt). De geheele zoutberg is eenige honderden meters hoog. De zoutketenen ten zuiden en ten noorden van het Himalayagebergte leveren nog veel grootere zoutmassa’s op. Te Kallabaugh is over eene groote uitgestrektheid de weg in zoutrotsen gehouwen van dertig meters hoogte. Doch die ontzaglijke massa’s verzinken nog in het niet, vergeleken bij de zoutbergen, die het Titicacameer omgeven in de Peruaansche Andes; dat meer is 350 kilometers lang.

Daar het zout gemakkelijk in water oplost, zoo vindt men in de nabijheid der zoutbergen dikwijls zoutwatermeren. Ook het zeewater is zout, niettegenstaande de rivieren steeds zoet water daarin leiden. Het zeewater komt voort uit de verbinding van natrium en chloor, twee elementen, die het oorspronkelijke water schijnt bevat te hebben.

Overal waar het zeewater verdampt, zet zich het zout af; op vele kusten wordt het door verdamping ingezameld. Wij weten niet, of alle zoutafzettingen op zoodanige wijze ontstaan zijn, dan wel of sommige lagen in de aardschors zijn ontstaan door andere verschijnselen; maar een groot aantal van die zoutmassa’s, zooals in Zwitserland, zijn door de verdamping der zee ontstaan. De weekdieren, in de kalkrotsen in de nabijheid dier zoutlagen gevonden, bewijzen, dat het zeevormingen zijn.

Indien men eene zoutmijn binnentreedt, geraakt men steeds onder den indruk van het vreemde voorkomen dier onderaardsche grotten. Hier en daar verbreeden zich de gaanderijen tot groote kamers of holen; in het midden vindt men dikwijls eenen kleinen vijver; de wanden en gewelven schitteren door duizenden zoutkristallen. Die zoutkamers zijn wel de merkwaardigste voortbrengselen dier formaties en maken eenen vreemden indruk, als men ze bij fakkellicht bezoekt.1

De Duitsche zoutlagen vertoonen eene treffende overeenkomst in vorm met die van Noordelijk-Zwitserland; men mag daaruit besluiten, dat zij tegelijkertijd en op dezelfde wijze zijn afgezet. Het zout van Wurtemberg, dat in lagen van 10 tot 20 meters voorkomt, is van denzelfden aard als het zeezout.

Fig. 198. Versteende oesters der triasperiode.

Fig. 198. Versteende oesters der triasperiode.

Toch is de zee waarschijnlijk niet de eenige oorzaak van het ontstaan dier merkwaardige zoutrotsen. Te Dieuze vindt men in het zout holten met bewegelijke luchtbellen; het is vermengd met klei, gips, zwavelzure soda en zwavelzure magnesia; maar het bevat geen chloor-magnesium, en geene sporen van iodium of bromium. Het is dus niet waarschijnlijk, dat dit zout ontstaan is door verdamping der zoutwatermoerassen; wel waarschijnlijk is het, dat dit zout langs vulcanischen weg is te voorschijn gekomen. Lagen mergel en klei met gips en anhydriet scheiden de zoutlagen van elkander. Het gips vormt talrijke, doch kleinere hoopen dan het steenzout, en ieder van die hoopen heeft den vorm van eenen grooten knobbel, waaromheen de mergel gewelfd gerangschikt ligt. Die opzwelling kan verklaard worden door aan te nemen, dat het gips ontstaan is door eene wijziging der kalk door de uitstroomingen van zwavel.

In den tijd, toen het zout gevormd werd, hadden er telkens bewegingen in de zee plaats, en uit het feit, dat men schelpkalklagen boven de zoutlagen vindt, volgt, dat de zee, na het verdampen van het water en de vorming der zandbanken op de uitgedroogde plaatsen is teruggekeerd en er die kalk en klei heeft afgezet. De dieren, die in de schelpkalk voorkomen, geven ons reeds enkele aanwijzingen omtrent het tijdstip van de vorming der zoutlagen. Zij leeren ons tevens de zeedieren van die verwijderde tijdstippen kennen.

In de Zwitsersche salinen heeft Oswald Heer belangrijke voorbeelden van de fauna dier dagen gevonden, o.a. eene kreeft met eenen langen staart en een knobbelig schild, zeesterren en zeeleliën. Aan de oevers der Reuss zijn de rotsen vol zeeleliën. Die dieren leefden in koloniën, zoo schrijft de geleerde Zwitsersche natuuronderzoeker, en een zoodanige bank, bewoond door geheele familiën zeeleliën met hare dunne en lange voeten, en die van boven open gaan als eene tulp, terwijl uit de fijn gebeeldhouwde schaal de trilharen uittreden als eene garve losse draden, moeten een prachtig schouwspel opgeleverd hebben.

Terwijl die dieren leefden, die geheel vreemd zijn aan onze tegenwoordige fauna, verschenen ook talrijke weekdieren. Deze naderden veel meer tot de thans nog bestaande soorten en vele daaronder behoorden tot soorten, die nog thans voorkomen. Tot die soorten behoort de lima lineata, die men kan herkennen aan hare twee groote, diep gegroefde kleppen in den vorm van horens, en haren platten, gladden kam. De éénkleppigen zijn niet zeldzaam, en de meeste behooren tot soorten, die nog thans bestaan: daartoe behooren o.a. de turbonilla, en een schoone nautilus, waarvan men dikwijls exemplaren gevonden heeft van eenen voet in middellijn.

De ceratites nodosus is de eerste vertegenwoordiger van de thans uitgestorven familie der ammonieten. De ammonieten en de nautili behooren tot de groep der koppootigen, die den eersten rang innemen in de orde der weekdieren en die zich onderscheiden door den bouw hunner schelpen. De talrijke weekdieren dienden tot voedsel van de visschen en de amphibiën, waarvan de verschillende soorten de zee bevolkten.

In de keuperperiode komen de landdieren slechts in geringen getale voor. Heer heeft tevergeefs naar insecten gezocht in die formaties in Zwitserland; alleen in de leiachtige klei heeft hij twee soorten van schildvleugelen gevonden. Bij Richen, in de bonte zandsteen, heeft men groote afdruksels van schubben van eenen reusachtigen labyrinthodon en het geraamte van eene kleine hagedis gevonden, die veel overeenkomst had met de salamanders. Te Rheinfelden heeft men eene soort van krokodil ontdekt, den sclerosaurus armatus, en schubben van den kop van den grooten mastodontosaurus. Ook heeft men een aantal hagedissen in het keuper van Wurtemberg gevonden; de meest voorkomende is de belodon Plieningeri, die veel geleek op de Gavialiden van tropisch Amerika; hij heeft dezelfde kaken, lang, smal en met groote tanden gewapend. Gressly heeft te Liestal groote en holle beenderen te voorschijn gebracht, die ongetwijfeld behoord hebben tot eene soort van ontzaglijk groote teratosauren.

Fig. 199. Ammoniet der triasperiode.

Fig. 199. Ammoniet der triasperiode.

Ceratites Nodosus.

Fig. 200. Ammoniet der triasperiode.

Fig. 200. Ammoniet der triasperiode.

Ammonites Aon.

Het is waarschijnlijk, dat de triaszee het geheele deel van Zwitserland bedekt heeft, dat thans door de molasse wordt ingenomen; toch vindt men hare bezinksels tot nu toe alleen bij den Stockhorn. Men ontmoet kalkbanken en bonte-zandsteen aan de oevers van het meer van Thun; zij bevatten talrijke versteeningen en vormen de grens der triasformatie. Van meer gewicht zijn de bezinkingen der zee uit de triasformatie aan de zuidoostelijke grens van Zwitserland en de gedeelten van Savoye, die daaraan grenzen. Een ader van gips en koolzure kalk strekt zich uit van Bex naar Morillon, in Savoye, en naar Villeneuve; verder vindt men van Meillerie af, aan den oever van het meer van Genève en boven Thonon, de rhetische lagen, die in zuidelijke richting tot de Arvo kunnen gevolgd worden; men verkrijgt dus het bewijs der tegenwoordigheid van de triaszee in Savoye door het bestaan van verschillende lagen, die het land doorloopen.

Wij moeten nog opmerken, dat eene breede strook van triasgesteenten uitgaat van Tyrol en den Vorarlberg, Vadutz en Triesen en uitkomt aan den Rijn, zonder Zwitserland aan te raken; zij strekt zich ten noorden en ten oosten uit over de grensgebergten der Prättigau (op drieduizend meters boven de oppervlakte der zee). Van daar strekken de triasgesteenten zich uit over Davos tot aan Oberhalbstein en Engadin, waar zij in Ponte weder beginnen, om zich voort te zetten tot Sulsana en vandaar oostwaarts tot Scarlthal en Münsterthal. De kalkbergen, die de rechtergrens der vallei van Engadin innemen van Ponte tot aan Remus, behooren evenzoo tot die formatie.

Deze streek was dus niet onder de zee bedolven in de keuperperiode, terwijl de zee het overige gedeelte der Alpen, waar de triasformatie gevonden wordt, bedekt, zooals blijkt uit de wieren en zeeschelpen, daar gevonden. Die formatie behoort tot de schelpkalk of de keuper, en het is mogelijk uit den aard en de organische samenstelling der gesteenten verscheidene verdiepingen der bezinksels te herkennen.

In die gesteenten heeft men de overblijfselen van 55 soorten zeedieren gevonden, die geen twijfel overlaten aan hunnen oorsprong; men vindt er niet alleen den encrinus liliiformis, de zoo fijn gestreepte halobia lommelii en de halobia obliqua, maar verschillende hemnitzia’s, de ammonites luganensis en scaphitiformis enz.; men vindt er nog andere weekdieren en schelpen, die het trias kenmerken, en die bewijzen, dat de triasfauna in dezelfde vormen verspreid was in Duitschland, Zwitserland en Italië.

Fig. 201. De ammonieten der triaszeeën.

Fig. 201. De ammonieten der triaszeeën.

Wij zagen vroeger, dat het zout één der belangrijkste voortbrengselen is van de triasformatie; doch ook het gips, behoort tot diezelfde formatie. Men vindt het tusschen de schelpkalk en het keuper, bij voorbeeld te Habsburg, Mullingen, Niederweningen, Birmensdorf, Gebensdorf, Munsterthal enz. Het gips bevat hier en daar zwavelzure natron en magnesia; die zouten, in water opgelost, leveren de purgeerende minerale wateren. Uit hunnen aard zijn die wateren een handelsartikel; er zijn trouwens andere rijke minerale bronnen uit de triasformatie, zooals het zoo hooggeschatte water uit Baden, dat uit eene groote diepte te voorschijn komend, waarschijnlijk uit de keuperformatie voortkomt. De zwavelhoudende wateren van Schinznach en de jodiumhoudende wateren van Wildegg vinden waarschijnlijk hunnen oorsprong in de gips der triasformatie. Behalve het zout en de gips en de minerale wateren bevat de triasformatie nog rijke hulpbronnen; het levert ons talrijke bouwmaterialen, en door hare ontleding geeft zij ons in den vorm van mergelaarde eene uitstekende meststof; de keuperstreken onderscheiden zich door hare vette weiden, vruchtbare akkers en rijke wijngaarden; overal is de triasformatie eene bron van welvaart voor de bevolking.

Alleen het dolomiet maakt eene uitzondering; als de regens dat gesteente ontleed hebben, blijft er niets over dan zand, dat het water doorlaat en onvruchtbaar is. Waar de bodem dan ook alleen uit dolomiet bestaat, zooals in de kalkbergen van Vorarlberg in sommige vlakten van Engadin, is de plantengroei zeer arm; de boomen en de struiken komen daar niet tot wasdom, de weiden zijn daar slechts bedekt met enkele grasstoppels en de hooger gelegen streken zijn totaal kaal. In Zwitserland zijn enkele dolomietstreken (zooals de Moravallei, die van St. Giacomo naar den Munsterthalalp leidt), waar de plantengroei geheel ontbreekt, en waar alles van de diepte der vallei tot op de toppen der bergen het beeld vertoont van verlatenheid en dood.

Als roode zandsteen en mergel vindt men het trias meer of minder doorloopend op den rand der centrale bergvlakte van Frankrijk. Men vindt er sporen van bij Alais, tusschen het permo-steenkoolstelsel en de lias, in de golf van Aveyron bij Rodez en Espalion en tusschen St. Antoine en Villefranche-d’Aveyron. Om dan het trias weder terug te vinden, moet men den noordelijken rand der bergvlakte volgen in Berry, waar de samenstelling dezelfde is als in Nièvre.

In Provence vindt men eene triasstrook op roode zandsteen. Die strook strekt zich uit van Toulon naar Antibes, en men vindt daarin de drie gewone afdeelingen van het Lotharingsche trias terug.

In het département du Gard, dragen dertig meters lei en metaalerts eene 15 meters dikke magnesiumlaag met ijzerpyriet, zwavel en lood, waarop 115 meters zandsteen en gekleurde mergel gelegen zijn met kalk vermengd.

Bij Lodève, te Fozières, vindt men afdruksels van eenen labyrinthodon in de bonte zandsteen.

De bonte zandsteen komt evenzoo voor den dag in verschillende deelen der Pyreneën, vooral in het zuiden van Bayonne.

Aan het andere uiteinde van Frankrijk schijnt de streek der Ardennen in de triasperiode bestaan te hebben uit een heuvelachtig terrein, waar door het wegvreten van de rotsen steenblokken, keisteenen, zand en klei naar de binnenmeren gevoerd werden. Slechts weinige overblijfselen van die afzetsels zijn tot ons gekomen; zij onderscheiden zich alle door hunne roode kleur. De geheele strook, bestaande uit horizontale of weinig hellende lagen, is 150 meters dik.

De triasformatie in de Ardennen was dus geene zeevorming; ditzelfde geldt voor het geheele noordelijke deel van Frankrijk. De vernieling van oudere formaties heeft daar het aanzijn geschonken aan kleine steentjes, waarvan men in Artois exemplaren terugvindt.

De Jura- en krijtlagen van het bekken van Parijs zijn oorzaak, dat men ten zuidwesten der Ardennen geene triasformatie ziet; zij komt weer te voorschijn te Cotentin, waar zij bestaat uit grint, zand, zandsteen en roode mergel, doch tot eene dikte van niet meer dan 60 meters. Het is de voortzetting van het trias van Somerset- en Devonshire, en schijnt alleen in verband te staan met het bovenste gedeelte der keuperformatie.

Men mag dus aannemen, dat het geheele bekken van Parijs (waaraan Engeland aansloot) in de triasperiode uit eene streek bestond, waarin groote meren waren, en dat die streek eindigde in eene zee, wier westelijke oever zich uitstrekte van Luxemburg tot Autun.

In de Westalpen heeft de triasformatie een eigenaardig voorkomen, dat zich zeer onderscheidt van het Franconische of Vogezische type.

Fig. 202. Stekelhuidigen uit de triasperiode: Zeelelie (encrinus liliiformis).

Fig. 202. Stekelhuidigen uit de triasperiode: Zeelelie (encrinus liliiformis).

Fig. 203. Schaaldieren uit de triasperiode (Pemphix senerii).

Fig. 203. Schaaldieren uit de triasperiode (Pemphix senerii).

Om onze schets der triasformatie te voltooien, voegen wij nog hierbij, dat het trias zijne grootste uitbreiding vindt in het noordwesten van Engeland (1500 meters). Daar vindt men ook de grootste ronde keisteenen, waarbij het kwarts in menigte voorkomt. In het noorden of noordwesten moet dus het vasteland gezocht worden, dat de bouwstoffen geleverd heeft voor de triasformatie. Het Engelsche trias rust nu eens op de permische laag, dan weder op de steenkool- of zelfs de cambrische laag; bovendien vindt men in de onderlagen dikwijls bonte-zandsteen. In de middengraafschappen is de dikte van het stelsel 950 meters. Het is waarschijnlijk, dat daar de Franconische laag vertegenwoordigd is. In de dolomietlagen, die van zes tot vijftien meters dik zijn, heeft men de beenderen der oude thecodontosauren, der paleosauren cylindrodon en platyodon met tanden van den ceratodus ontdekt. In Wales heeft men in dezelfde lagen sporen van den brontozoön ontdekt. De keuperzandsteen bevat beenderen en afdruksels der voetstappen van de labyrinthodonten, en een visch, dysteronotus cyphus. Het steenzout komt er in voor in lensvormige roode massa’s, 60 meters diep.

Op de zuidkust van Devonshire, te Budleigh Salterton, bestaat het trias uit keien van silurische en devonische kwartsieten, die afkomstig schijnen uit primaire gesteenten, die thans bedekt zijn door de wateren van het Kanaal.

Ook in Noord-Amerika komt het trias in drie verschillende streken voor den dag: in het gebied der Apalachen, het Rotsgebergte overeenkomend met Noord-Europa, en het gebied der stille Zuidzee, waarvan het karakter hetzelfde is als dat der Alpen. Het trias der Apalachen vormt nauwe strooken, die zich vooral in Connecticut verlengen en die over eene groote uitgestrektheid hetzelfde karakter dragen. Het bestaat uit bruinachtig rood zandsteen, dat somtijds den bouw heeft van eene vlakte van graniet met schiefer, en is minstens 1000 meters diep, terwijl het talrijke sporen draagt van het kabbelen der golven en van afdruksels van regendruppels.

In Connecticut heeft men talrijke sporen van labyrinthodonten, waarvan men meer dan 12000 afdruksels vindt. De Amerikaansche geologen hebben in die laag eene kleine buidelrat, het dromatherium silvestre, gevonden, den oudsten vertegenwoordiger dier klasse. Ten oosten van het Rotsgebergte, bestaat het trias uit rood-zandsteen, bonte gypshoudende mergel en magnesia. De dikte wisselt af tusschen 600 en 1800 meters.

Wij zien dus, dat de triasformatie eene voorname plaats inneemt in de sedimentformaties en eene belangrijke periode vertegenwoordigt in de geschiedenis van de wijziging der soorten. Met haar beginnen nieuwe vormen van het leven, en de natuuronderzoeker kan hier evenals in de primaire periode waarnemen, hoe de ontwikkeling van het leven steeds evenwijdig loopt met de paleontologische ontdekkingen in de verschillende formaties.

Fig. 204. Schaaldieren uit de triasperiode. De eerste kreeften met hare scharen.

Fig. 204. Schaaldieren uit de triasperiode. De eerste kreeften met hare scharen.

Langzaam doch gestadig ontwikkelt zich het dierlijke leven in zijne hoogere vertakkingen. Een groot aantal soorten van ongewervelde dieren (plantdieren, weekdieren en ringwormen), waarmede wij kennis gemaakt hebben, zijn van het wereldtooneel verdwenen om voor nieuwe wezens plaats te maken.

Bij de plantdieren merkt men op, dat het beperkte aantal soorten van zeeleliën als het ware wordt goedgemaakt door de buitengewone menigte individuen van den encrinus liliiformis, wier kalkplaatjes dikke en uitgestrekte lagen vormen in de schelpkalk der triasformatie. Wij hebben die wezens reeds leeren kennen, toen wij den oorsprong der soorten in de silurische periode bestudeerden (blz. 157). Thans is dat type in verval. Andere soorten zijn geheel verdwenen. De beroemde trilobieten zijn voorgoed uitgestorven. Daarentegen verkrijgen de ammonieten, gedurende de permische periode ontstaan, eene verbazende uitbreiding. De ammonieten waren koppootige weekdieren, wier spiraalvormige schelpen de grootste verscheidenheid in grootte en in vorm aanboden. Zij hebben gedurende de geheele secundaire periode geheerscht, en zijn daarna verdwenen. In de triasperiode hadden de ammonites Aon en de ceratites nodosus de overhand. Hunne voorouders waren de nautiliden, die wij in de devonische periode hebben ontmoet of het ééne of andere nog oudere weekdier, waarvan dan de nautiliden en de ammonieten afstamden. In de triasperiode geraken de nautiliden in verval: men vindt alleen nog den orthoceras en de goniatiden.

Men kent de ammonieten reeds langen tijd, en reeds de oudheid had door de beschouwing dier versteende schelpen de oude gedaantewisselingen der aarde en der zeeën geraden. Zij ontleenen hunnen naam aan de overeenkomst hunner kronkelingen met de ramshorens, die men vindt op de symbolische voorstellingen van Jupiter Ammon.

Vooral in de Juraperiode nemen de ammonieten hunne grootste vlucht. Op het einde dier periode vindt men er, die de grootte hebben van een wagenrad.

Ook de armpootigen komen evenals de koppootigen in verschillende soorten voor. Behalve den spirifer der devonische periode (blz. 260) en den productus der steenkoolperiode (blz. 315) vindt men nog terebratulae en rynchonellae, die wij vooral in de Juraperiode zullen leeren kennen. Al die schelpen vindt men thans in de tweede laag der triasformatie, de schelpkalk, eene zeevorming.

De bewoners der triasperiode: Capitosaurus, Belodon, Nothosaurus.

De bewoners der triasperiode: Capitosaurus, Belodon, Nothosaurus.

De koplooze zoowel als de buikpootige weekdieren zijn nog sterker vooruitgegaan; van nu af aan hebben die twee klassen de overhand onder de weekdieren. Zij verdienen nog te meer onze aandacht, omdat het voornamelijk de schelpen der verschillende soorten van weekdieren zijn, die de formaties kenmerken, daar die schelpen zeer talrijk en zeer verspreid zijn, en gewoonlijk ongeschonden bewaard zijn gebleven, terwijl de beenderen van groote dieren zeldzaam en meer of minder beschadigd zijn. De familie der ostraceën (oesters) treedt tegelijkertijd op met de pectineën, de posidonia, cardita, lima enz. De oesters, voor het eerst optredend in de triasperiode, zullen van geslacht tot geslacht blijven voortleven en zullen de tijdgenooten der menschheid worden. Zij zullen zelfs één zijner eerste voedingsmiddelen uitmaken aan den oever der zee.

Bij de gelede dieren vindt men nu onder de schaaldieren de schaalkreeften of tienpootigen, waartoe de macruren (langstaarten) behooren. Men heeft geheele goed bewaarde schilden van kreeften gevonden. Het grootste verschil tusschen die kreeften en die van onzen tijd is in hare kracht gelegen. Hare scharen, van scherpe tanden voorzien, waren hare natuurlijke verdedigingsmiddelen, die zij noodig hadden tegen de vraatzuchtige monsters, die de wateren onveilig maakten.

De visschen schijnen weinig vooruit gegaan te zijn. Zij behooren bijna uitsluitend tot de placoïden en de glansschubbigen.

Onder de visschen der triasperiode kunnen wij den ceratodus als type der periode beschouwen, een vreemd type, van kieuwen voorzien als de gewone visschen en van longen, zooals de in de lucht ademende dieren, en van platte, aan de kanten diep ingesneden tanden. Het merkwaardigst is, dat die visch nog in onzen tijd bestaat, en onlangs is teruggevonden in de rivieren van Australië, waar hij eene lengte van 1,20 meters bereikt.

Fig. 206. De dicynodon, een kruipend dier der triasperiode (Zuid-Afrika).

Fig. 206. De dicynodon, een kruipend dier der triasperiode (Zuid-Afrika).

De hoogst ontwikkelde gewervelde dieren der triasformatie zijn de amphibiën en de kruipende dieren. Men heeft nog geen flauw vermoeden van den hond, den aap of den mensch. De labyrinthodonten, die wij tijdens de permische periode hebben leeren kennen, blijven de heerschers der wereld: het chirotherium, de trematosaurus, de mastodontosaurus enz., vergezeld van de vischhagedissen: den placodus, den nothosaurus, den simosaurus enz. De dinosauren treden op. Die reusachtige kruipende dieren hadden zeer sterke achterste ledematen, en hoewel zij aan hunne voorste ledematen handen hadden met vijf duidelijk te onderscheiden vingers, hadden zij aan hunne ontzaglijke voeten slechts drie vingers (de beide andere vingers blijven verborgen) Tot die groep van kruipende dieren der triasperiode, die in vertikalen stand liepen, behooren de megadactylus, de clepsysaurus, de bathygnathus enz. en waarschijnlijk ook het brontozoön, waarvan wij zoo aanstonds (blz. 359) een afdruksel geven, tegelijk met regendroppels, die zeker juist gevallen zijn op het oogenblik, dat het dier daar voorbijtrok, en dus tegelijk versteend zijn. Dat afdruksel is gevonden in de zandsteen der bovenste triasformatie. Die schijnbaar niets bijzonders vertoonende steen is dus voor ons als het ware eene photografie van een tooneel uit een reeds lang vervlogen tijd. Het is, als zag men het ontzaglijke kruipende dier reusachtige stappen doen, en door den storm overvallen, langs de oppervlakte van de kust voortrennen, het afdruksel zijner stappen achterlatend op de zachte klei, die het tot leering van de geologen der toekomst bewaart.

Fig. 207. De zanglodon, dinosauriër der triasperiode (Europa).

Fig. 207. De zanglodon, dinosauriër der triasperiode (Europa).

Die pooten met drie teenen hadden oorspronkelijk doen denken aan reusachtige vogels, en men was er zoo toe gekomen, aan te nemen, dat de vogels reeds in de triasperiode voorkwamen. Dit wordt dan ook in een aantal handboeken der geologie medegedeeld, waarin die sporen dan ook afdruksels van de stappen van vogels genoemd worden. Maar men heeft in die lagen geenen enkelen versteenden vogel gevonden, en bovendien kent men de tweepootige kruipende dieren, welke die sporen van hunnen doortocht kunnen hebben nagelaten. Trouwens anders zoude uit de grootte dier afdruksels volgen, dat de vogels reeds bij hun ontstaan eene verbazende grootte moeten gehad hebben. De vogels treden eerst in de Juraperiode op.

Onder de kruipende dieren der triasformatie vindt men de theriodonten, de voorloopers der vogelbekdieren.

De dinosauriërs en de vischhagedissen zullen als vorsten heerschen gedurende de Juraperiode, en wij zullen dan ook in het hoofdstuk over de Juraperiode eene afzonderlijke studie aan die dieren wijden. Toch kunnen wij reeds nu tot leering onzer lezers diegenen onder deze bespreken, welke tot de triasperiode behooren. Onder andere zal men in fig. 205 de capitosauren vinden, die in voorkomen en gang evenals de overige labyrinthodonten het midden hielden tusschen de krokodillen en de salamanders. Die diersoort kwam zeer veel voor van de permische tot aan de keuperperiode. De belodon, één der eerste krokodilachtige dieren, onderscheidde zich door zijne zijdelingsche afplatting en de hoogte der bovenkaak, waarvan het uiteinde haakvormig omgebogen was. De tanden waren vertikaal en kegelvormig, terwijl het lichaam voorzien was van een schild, dat nog veel sterker was dan dat der krokodillen. Hij is alleen gevonden in de bovenste keuperformatie van Wurtemberg.

De nothosauren, de voorloopers der plesiosauren, komen gedurende de geheele triasperiode voor. De nothosaurus mirabilis wordt vooral in de schelpkalk gevonden. Het is waarschijnlijk, dat hij, hoewel een zeedier, steeds de kusten naderde en de stroomen opzwom.

De dicynodonten hebben eenigszins overeenkomst met de schildpadden door den vorm van den kop, met uitzondering van de snijtanden, die aan die der zoogdieren herinneren. In verschillende opzichten naderen zij evenveel tot de zoogdieren als tot de kruipende dieren.

De zanglodon, tijdgenoot van den belodon en de labyrinthodonten der keuperperiode, was een reusachtige vleeschetende dinosaurus en tamelijk rijzig van gestalte. Volgens Kapff en anderen zou de kop, onder den naam teratosaurus bekend en in dezelfde formaties gevonden, tot eenen zanglodon behooren.

Fig. 208. Afdruksels der voetstappen van een brontozoön giganteüm (triasperiode) met afdruksels van waterdroppels.

Fig. 208. Afdruksels der voetstappen van een brontozoön giganteüm (triasperiode) met afdruksels van waterdroppels.

De dieren der triasperiode vertoonden voor het meerendeel vormen, die geheel vreemd waren aan die van onze tegenwoordige wereld. Het waren in de eerste plaats tweevoetige dieren, die in grootte en gedaante zeer veel verschilden van het type der tegenwoordige vogels, doch die bijna alleen bekend zijn door de afdruksels hunner voetstappen, die wel viermaal zoo groot zijn als die van den struisvogel. Het aantal en de schikking der vingers wijzen bij andere weder op zóó groote onregelmatigheden, dat men waarlijk niet weet, hoe ze te verklaren, nu het geraamte niet tot ons is gekomen. Onder de kruipende dieren herinneren sommige aan de schildpadden, andere aan hagedisssen of krokodillen, of wel vertoonen zij evenals de dicynodonten, wier kaken met omgebogen slagtanden voorzien waren, de gemengde kenmerken van die verschillende groepen.

De dolichosauren, die gedeeltelijk tot de hagedissen, gedeeltelijk tot de slangen behoorden, wijzen het tijdstip aan, waarop de laatste zich van den gemeenschappelijken stam der hagedisachtigen hebben afgescheiden. Verder teruggaande, zijn de hagedissen geene afzonderlijke orde en vindt men typen, die de hagedissen met de leguanen, en de monitors met de krokodillen verbinden. Ook de krokodillen wijzigen hun skelet, om andere kenmerken aan te nemen, die men thans alleen in de ongeboren vrucht terugvindt. De labyrinthodonten naderen tot de kikvorschen en zelfs tot de visschen en behooren, zooals wij zagen, tot de oudste, merkwaardigste en meest weifelende der oorspronkelijke dierenwereld. De grootte van hun lichaam, hunne bedekking van beenderige platen, hun gepantserde kop maken het ons onmogelijk, daarin kikvorschen te zien. Zij ademden op volwassen leeftijd door longen, liepen op den grond, en waren de opvolgers van andere kruipende dieren, die meer in het water leefden. Waarschijnlijk vertegenwoordigen zij eenen bijzonderen toestand, dien alle kruipende dieren doorloopen hebben vóórdat zij landdieren werden.

Wij moeten hier het volgende opmerken: de permische periode heeft ons de geboorte der kruipende dieren doen bijwonen; de triasperiode vertoont ons, naast de ontwikkeling der hagedissen, die van nu af als heerschers optreden, de geboorte der zoogdieren, die zich door de komst der buideldieren aankondigen.

De geboorte der zoogdieren!... De eerste trede van de ladder, die tot de menschheid voert.

De kruipende dieren, de reuzenhagedissen der secundaire periode, vertegenwoordigen de kracht. Met de zoogdieren begint de periode van het gevoel.

Beeld der triasperiode (schelpkalk): Chirotherium en nothosaurus.

Beeld der triasperiode (schelpkalk): Chirotherium en nothosaurus.

Al die ontzaglijke hagedissen zijn gedoemd te sterven; zij dragen de vlam van de verstandelijke ontwikkeling niet met zich; geen dier soorten zal tijdgenoot worden van den mensch. De nederige buideldieren, die op dit oogenblik het daglicht aanschouwen onder de zon der triasperiode, zijn de eerste dieren, die de liefde kennen. Tot nu toe bestond de liefde nog niet op de aarde: plantdieren, weekdieren, schaaldieren, de oorspronkelijke insecten, visschen, kikvorschen, kruipende dieren hebben niet bemind. Zij hebben alleen eieren kunnen leggen, die zij zelfs niet eens zelf uitbroeden, en waarvoor zij de zorg aan de natuur overlaten. De eerste zoogdieren leggen bijna geene eieren meer. Wij zeggen bijna, want de ornithorhynchus legt nog eieren. Doch geleidelijk brengen de dieren levende jongen voort in plaats van eieren te leggen.

Nederig begin! Zoogdieren zonder melkklieren. Jongen, die ter wereld komen als het ware als eieren zonder schaal en die eerst na hunne geboorte voldragen zijn! De natuur wil ons ook hier weder de langzame ontwikkeling der schepping doen kennen. Het eerst zijn fossiele overblijfselen van zoogdieren uit de secundaire periode ontdekt in het jaar 1818 in de Juraformatie van Stonesfield bij Oxford. Men vond daar eene kaak, die door Cuvier herkend werd als te behooren tot een klein zoogdier van de klasse der buideldieren; die ontdekking verwekte de algemeene verbazing der geologen, daar deze het onmogelijk geacht hadden, dat er vóór de tertiaire periode zoogdieren zouden bestaan hebben. Owen merkte op, dat de soort, waartoe die kaak behoord had, groote verwantschap had met een Australisch buideldier, den myrmecobius. In diezelfde formatie te Stonesfield vindt men evenzoo eene kaak van eenen opossum, en in 1854 werd daar nog eene andere ontdekt, die tot eene geheel verschillende soort had behoord, waaraan men den naam van stereognathus gaf. In 1847 vond men in de bovenste triaslaag van Stuttgart den tand van een klein zoogdier, microlestes genaamd. Sedert dien tijd heeft men zoowel daar, als in het bovenste trias van Somersetshire en in Noord-Carolina eenige andere fossiele kaken gevonden, die hadden toebehoord aan kleine buideldieren of aan lager staande insecteneters. De kaak van een diomatherium silvestre (een klein buideldier) is door den Amerikaanschen geoloog Emons in de roode zandsteen van Noord Amerika gevonden. Onze lezers weten, dat de buideldieren tot de meest onvolkomen en de oudste klasse der zoogdieren behooren, en dat de laagste orde der zoogdieren, de vogelbekdieren, thans nog slechts vertegenwoordigd worden door twee soorten, die in Nieuw-Holland en Van-Diemensland gevonden worden: den ornithorhynchus en de echidna hystrix. Zij zijn de laatst overblijvenden van eene eertijds talrijke groep, die tijdens de secundaire periode de eenige vertegenwoordigster was van de zoogdieren, en waaruit door langzame ontwikkeling en splitsing alle latere zoogdieren zijn voortgekomen.

Fig. 210. Oudste overblijfsel van een zoogdier. Onderkaak van een dromatherium silvestre.

Fig. 210. Oudste overblijfsel van een zoogdier. Onderkaak van een dromatherium silvestre.

De buideldieren hebben hunnen naam te danken aan eenen buidel of zak, dien het wijfje aan de onderzijde van den buik draagt, en waarin de jongen nog langen tijd na hunne geboorte blijven. In dien zak bevinden zich twee melkklieren, waaraan zich de jonggeborenen vasthechten. De jongen komen bij de buideldieren veel onvolkomener ter wereld, dan dit gewoonlijk bij de zoogdieren het geval is. Zij zijn naakt, blind en doof en blijven zóólang in dien buidel, totdat hunne ledematen en hunne zintuigen voldoende ontwikkeld zijn. De buidel is dus als het ware eene tweede baarmoeder, waarin de ontwikkeling voltooid wordt. Als de jongen eene zekere ontwikkeling verkregen hebben, laten zij de melkklieren los zonder daarom nog den buidel te verlaten. Indien zij dien van tijd tot tijd verlaten, keeren zij daarin weder spoedig terug, en men mag zeggen, dat zij in dien buidel hunne geheele kindsheid doorbrengen. Bij verscheidene dieren van die orde duurt de zwangerschap niet langer dan ééne maand, terwijl het jonge individu nog zeven tot acht maanden in den buidel blijft vertoeven. Bij de reuzenkangoeroe verloopen er zeven maanden van het oogenblik, waarop het jong in den zak wordt neergelegd tot dat, waarop het voor het eerst den kop te voorschijn brengt; en eerst negen weken later komt het voor het eerst uit den zak. De volgende negen weken leeft de jeugdige kangoeroe nu eens buiten, dan weder in den buidel.

Tooneel uit de secundaire periode.

Tooneel uit de secundaire periode.

Het jong komt den 39sten dag ter wereld. De moeder neemt het in den bek, opent den buidel met hare voorpooten en hecht het jong aan één der melkklieren vast. Twaalf uren na de geboorte is de jonge kangoeroe nog slechts 32 millimeters lang, en kan het nog vergeleken worden met de ongeboren vrucht der overige dieren. Het is eene weeke, doorschijnende, op eenen worm gelijkende massa; de oogen zijn dicht; de neus en de ooren nauwelijks aangewezen, de ledematen nog lang niet ontwikkeld. Het jong gelijkt nog in het minst niet op de moeder. De voorste ledematen zijn een derde langer dan de achterste; de staart is kort en tusschen de achterpooten omgebogen. Het hangt aan de melkklier als eene levenlooze massa, en kan zelfs nog niet zuigen, zoodat de melk op eene zeer eigenaardige wijze uit de klier in den bek gestort wordt; eerst later begint het te zuigen.

Zóó voedt het jong zich gedurende acht maanden met de moedermelk; van tijd tot tijd vertoont het den kop, maar het is nog niet in staat, zich alleen te bewegen. De natuuronderzoeker Owen nam een jong van vier dagen van de moederborst af, om te weten of een zoo onvolkomen wezen haar uit zich zelf kon terugvinden, dan wel of de moeder het weer zelf zou aanleggen. Het resultaat der proefneming was het volgende: Na het wegnemen van het jong, kwam een droppel wit vocht te voorschijn. Wel werd het jong onrustig, maar het scheen geene pogingen te doen, om zich weder aan de moeder vast te hechten, en kon zich volstrekt niet bewegen. Men legde het toen in den zak neder en liet het weder aan de moeder over. Deze was toen erg rusteloos, bukte zich, krabde tegen de buitenzijde van den zak, maakte dien met de pooten los, stak er den kop in en bewoog dien in verschillende richtingen. Eindelijk stierf het jong, zonder dat de moeder het weder had vastgehecht.

Indien de jonge kangoeroe éénmaal eene zekere grootte bereikt heeft, groeit zij zeer snel. Zij steekt dan den kop uit en kijkt met hare oogen naar alle zijden rond, beweegt hare kleine pooten en begint te eten. De moeder verzorgt haar nog steeds zeer teeder, zonder zich echter zoo bezorgd te maken als vroeger. In den eersten tijd duldt zij niet, dat men het ziet of betast. Zij jaagt zelfs den vader weg, zoo deze zijne spruit wil zien. Zoodra het jong echter den kop maar ééns naar buiten gebracht heeft, is de moeder niet meer zoo bang om het te voorschijn te doen treden. De jeugdige kangoeroe is trouwens zeer vreesachtig, de minste aanleiding doet haar weder naar den buidel vluchten, waarin zij alle mogelijke standen inneemt, nu eens komt zij met den kop, dan weder met de achterpooten of den staart naar buiten. Het is een merkwaardig schouwspel, om te zien, hoe de moeder, als zij zich verplaatsen wil, het jong dwingt om zich in de diepten van den buidel te begeven en het daarbij zwakke stooten toebrengt. Na verloop van eenigen tijd verlaat de jeugdige kangoeroe den buidel en springt zij om de moeder heen, maar bij het minste gevaar vliegt zij weder hals over kop in den buidel; in een oogenblik draait zij weder om, en nu zij zeker is tegen elk gevaar beveiligd te zijn, kijkt zij met eenen grappigen blik naar buiten.

Onder de buideldieren vindt men evenals onder alle families van het dierenrijk de grootste verscheidenheid van vorm en verstand. De opossum (eene buidelrat) b.v. schijnt veel meer verstand te bezitten dan de kangoeroe. Audubon geeft van zijne levenswijze de volgende beschrijving:

„Let op, hoe hij aan den voet van dien reusachtigen boom stil staat en ronddraait om den stam, om onder de met sneeuw bedekte wortels eene opening te vinden, waarin hij kan binnensluipen. Na eenige minuten komt hij weder te voorschijn, een eekhorentje medeslepend, dat reeds van het leven beroofd is: hij houdt het in den bek, terwijl hij langzaam den boom opklimt. Blijkbaar vindt hij de laagste takken niet naar zijne gading, want hij klimt steeds hooger, totdat hij eene plek gevonden heeft, waar hij minder in het gezicht komt; daar zet hij zich op zijn gemak neder, rolt zijnen langen staart om de jeugdige takken en verscheurt met zijne scherpe tanden het arme eekhorentje, dat hij met de klauwen zijner voorpooten vasthoudt.

De schoone lentedagen zijn aangebroken; de boomen vormen krachtige knoppen; maar de opossum is bijna naakt en schijnt door vasten uitgeput. Hij zoekt de kreken op en smult nu aan de jeugdige kikkers. Maar de brandnetel begint zijne teere en saprijke knoppen te ontwikkelen, die hem een kostbaar voedsel opleveren. Het morgengeroep van den wilden kalkoen doet hem aangenaam aan, want de sluwerd weet, dat hij nu spoedig de stem van het wijfje zal hooren, en dat hij haar naar haar nest kan volgen om hare eieren te rooven. En terwijl hij door de bosschen zweeft, nu eens op den grond, dan weder op de boomen van tak tot tak springend, hoort hij het gekraai van eenen haan; en zijn hart klopt van genot, als hij zich te binnenbrengt, wat een heerlijk maal hij het vorige jaar gehad heeft op eene nabijzijnde boerderij. Zachtjes, de oogen wijd geopend, gaat hij vooruit en verbergt hij zich in het hoenderhok.

Waarom, eerzame landman, hebt gij het vorige jaar zoovele kraaien en raven gedood? Koop u nu kruit en lood, maak uw geweer schoon, zet uwe vallen gereed en zorg, dat uwe trage honden trouw waken, want de opossum nadert, de strooper is op weg. Hoort gij de kreten van uwe kippen? Eéne der beste is door den sluwen dief medegenomen. Gij loert op vos en uil, en waant u gelukkig, zoo gij hunnen vijand en uwen vriend, de arme raaf gedood hebt. Nog geen week geleden lagen onder deze groote kip een dozijn eieren; zij zijn verdwenen, de opossum heeft ze weggestolen.

Het wijfje van den opossum is een voorbeeld van moederliefde. Sla uwen blik in dien zonderlingen buidel, waar de jongen ieder aan eene melkklier bevestigd zijn. De zorgzame moeder voedt ze niet alleen, maar beveiligt ze ook tegen den vijand; zij neemt ze met zich mede, zooals de zeehond haar kroost medevoert, of verbergt ze onder de bladeren van eenen tulpeboom. Na twee maanden beginnen zij voor zich zelf te kunnen zorgen, met wijze lessen gaan zij de wereld in. Maar als de pachter den opossum op heeterdaad heeft betrapt, terwijl hij éénen zijner schoonste hoenders vermoordde, en zich woedend op het arme dier werpt, rolt het zich tot eenen bal samen. Naarmate de man woedender wordt, blijft het dier rustiger liggen; eindelijk blijft het onder den voet van den pachter liggen zonder eenig teeken van leven te geven, met de tong uit den bek, en de oogen gesloten, totdat zijn beul hem laat liggen in het denkbeeld, dat het dier dood is. Doch neen! het is niet dood. Het hield zich slechts zoo; nauwelijks heeft de vijand de hielen gekeerd, of het dier richt zich weer op en vlucht in het bosch.

Eene andere soort, de Philander Aeneas (Aeneasrat), leeft alleen op de boomen en komt alleen op den grond voor de jacht. Hij kan door middel van zijnen langen staart gemakkelijk klimmen en zich daarmede overal aan vasthechten, en zoodra hij gaat rusten, begint hij met dien om eenen tak te rollen. Op den grond loopt hij langzaam en moeilijk; toch kan hij kleine zoogdieren, insecten, schaaldieren, vangen, vooral kreeften, waarop hij verzot is. Op de takken der boomen vervolgt hij de vogels en plundert hij de nesten; ook voedt hij zich met vruchten. Somtijds bezoekt hij de hoenderhokken en doodt hij kippen en duiven.

De jongen worden, als zij half volwassen zijn, op den rug der moeder gedragen, waartoe zij zich met hunnen staart aan dien der moeder vasthouden. Zelfs als zij bijna geheel volwassen zijn, en dus de moedermelk niet meer behoeven, blijven zij nog bij hunne moeder, en vluchten zij op haren rug bij het minste gevaar. Daaraan zijn zij hunnen naam van Philander Aeneas verschuldigd2. Als de moeder verschrikt is, laat zij een gesis hooren en verspreidt zij eenen hoogst onaangenamen reuk.

Doch wij mogen niet langer bij die afstammelingen der eerste zoogdieren stilstaan. Het zij voldoende, als wij hebben aangetoond, hoe laag ontwikkeld zij zijn onder de levendbarende dieren, en dat zij toch het rijk der hoogere dieren inwijden. De verstandelijke en zinnelijke vermogens zijn ontstaan, om niet meer te verdwijnen.


1 Onder de merkwaardigste zoutmijnen der wereld behooren die van Wieliezka, bij Krakau, in Polen, aan den voet der Karpathen. Zij zijn 3000 meters lang en 1200 meters breed en liggen 400 meters onder de oppervlakte van den grond. Men heeft daarin eene verzameling van groote onderaardsche gewelven, eene ontzaglijk groote stad met straten, pleinen en hutten voor de mijnwerkers en hun gezin; honderden zijn daarin geboren en eindigen daarin ook hun leven. Er zijn kleine kapellen voor de godsdienstoefeningen, en enkele gaanderijen zijn hooger en breeder dan kerken. Men heeft daarin een groot aantal lichten ontstoken, wier vlam overal op de zoutmuren weerkaatsend, deze nu eens schitterend wit doet schijnen, dan weder in schitterende kleurenpracht. Men vindt er een meer, dat men in eene roeiboot bezoekt.

De hoeveelheid zout, die men uit die mijnen geput heeft sedert hare ontdekking in het midden der dertiende eeuw, bedraagt meer dan 600 millioen centenaars.

De zoutmijnen van Zwitserland leveren jaarlijks niet minder dan 590000 centenaars.

2 Men herinnert zich, hoe Aeneas zijnen vader Anchises op den rug wegdroeg.