Eerste hoofdstuk.

De Eocene Periode.

De jaren zijn op de jaren, de eeuwen op de eeuwen gevolgd; duizenden, tienduizenden eeuwen zijn over de aarde heengegleden sedert den oorsprong van het geschapene. Op de kosmische periode van de schepping der planeet, toen het leven nog ontbrak, is de azoïsche periode gevolgd, de tijd der laagst ontwikkelde organismen, der koplooze dieren zonder zintuigen, der planten zonder bladeren en vruchten, eene gevoellooze, stomme en blinde wereld. Langen tijd daarna verschenen de iets meer ontwikkelde wezens der primaire periode, uit de eerste voortgekomen: de weekdieren, de schaaldieren, de visschen, nog doof en stom, doch niet meer blind. Wij hebben daarna de geboorte der kruipende dieren en der boomen met blijvende bladeren gadegeslagen, die het type waren der drie groote perioden van het secundaire tijdperk; en reeds begroetten wij op het einde van dat tijdperk de verschijning der vogel-reptielen, en die der oorspronkelijke zoogdieren, de buideldieren. Zoo heeft ons de geschiedenis der schepping langzaam, doch geleidelijk naar het voorportaal der tertiaire tijden gevoerd, waarin wij thans binnentreden, en die zich kenmerken door de grootste schrede op de baan van den vooruitgang, de verschijning der menschheid.

Het tertiaire tijdperk kan met één woord worden omschreven: het is het tijdperk, waarin de voorwaarden voor het leven, dat tot nu toe eenvormig was, zich zóódanig gesplitst hebben, dat zij de verscheidenheid hebben voortgebracht, die het tegenwoordige tijdperk kenmerkt. Op het einde der krijtperiode begon Europa, dat zich slechts tot een klein centraal vastland beperkte en dat weinig verheffing had, uit de zee op te rijzen. Met talrijke lotwisselingen zal die beweging steeds duidelijker op den voorgrond treden en zullen hooge bergketenen verrijzen. Terwijl in de nabijheid der Middellandsche zee, de lagen in het algemeen het karakter eener zeeformatie behouden, zal in de noordelijke streken de zee al meer en meer teruggedrongen worden tot hare tegenwoordige grenzen. De warme luchtstreek zal, na gedurende langen tijd haar gebied te hebben verdedigd, geheel naar het zuiden terugwijken; spoedig zal het verschil in breedte tusschen Provence en Engeland voldoende zijn, om eene geheel andere flora te voorschijn te roepen, in afwachting dat de afkoeling aan de pool alle planten terugdringt, die geene lange winters kunnen verdragen.

Het toenemen van het vasteland en de groote verscheidenheid in de omstandigheden, die zich van nu af aan openbaart, brengt eene gewichtige verandering teweeg in de planten- en dierenwereld. Men ziet eene ingewikkelde verdeeling der organen, die evenzeer de hoogere ontwikkeling van het lichaam kenmerkt, als de verdeeling van den arbeid het kenmerk is van den vooruitgang in de beschaving. De zoogdieren, die langen tijd niet tot hoogere ontwikkeling konden komen, ontwikkelen zich van nu af aan bijzonder krachtig en nemen bezit van de aarde, terwijl de plantenwereld, vóór den beslissenden inval der koude van de poolstreken, eenen tot nu toe ongekenden luister verkrijgen. De heerschappij der naaktzadige planten is geëindigd, de palmen en de boomen met afvallende bladeren verkrijgen de overhand en zullen in het midden der tertiaire periode hunnen hoogsten bloei bereiken. In de zeeën spelen de koppootige weekdieren nog slechts eene zeer ondergeschikte rol, de armpootigen zijn slecht vertegenwoordigd en de ammonieten hebben hun laatste woord gesproken. Daarentegen komen de plaatkieuwige dieren in grooten getale voor, en met deze de buikpootige weekdieren, wier ontwikkeling samenhangt met het karakter van de meeste formaties, die in dien tijd boven water gestegen zijn. In de eigenlijk gezegde zeestreken bloeien de foraminiferen, ten minste in het begin der periode; zij bouwen de kalklagen, die den tertiairen vorm der binnenzeeën bepalen, zooals de banken, door de rudisten gebouwd, den secundairen vorm bepaalden. De verschillende diersoorten bepalen zich meer en meer tot bepaalde streken onder den invloed van uitwendige omstandigheden, die al meer en meer verschillend waren.

Tegelijkertijd ontwaakt weder de vulkanische kracht, die eeuwenlang in rust was gebleven, en deze geeft over de geheele aarde het aanzijn aan grootsche natuurverschijnselen, waarvan onze vulkanische verschijnselen slechts eene zwakke echo zijn. De oude scheuren in de aardschors openen zich weder; nieuwe kloven ontstaan, op wier wanden de uit het inwendige der aarde afkomstige stoffen worden afgezet, en wel voornamelijk het goud en het zilver. Het is, alsof de aarde aanstalten maakt, om hem waardiglijk te ontvangen, die als heer der aarde moet heerschen.

Het is de periode der vulkanische verschijnselen; voor het eerst zijn de gesteenten met bellen en blazen voorzien, en zijn zij vergezeld van asch en slakken, getuigen van eene krachtige gasontwikkeling. Op het einde der periode komen de kraters te voorschijn. In Frankrijk opent zich de centrale bergvlakte en verschaft zij eenen doorgang aan het bazalt en het trachyt. Daaruit bestaan nog thans in Auvergne de bergen, zooals de Puy-de-Dôme en de Mont-Doré, die eene hoogte hebben van 1500 tot 1800 meters. Hetzelfde is over de geheele aarde het geval. In Europa zijn het de centrale vlakten van Duitschland, Hongarije en Zevenbergen, waar de uitbarstingen het sterkst geweest zijn.

De schommelingen van den bodem, die onophoudelijk plaats grepen, nog meer dan in de onmiddellijk voorafgaande periode, openbaren zich door tallooze afwisselingen van zout- en zoetwater tijdens de geheele tertiaire periode. In het begin van het tijdperk had het vasteland ongeveer den ouden vorm behouden, en herkent men nog de drie Fransche bekkens, wier landengten iets in breedte zijn toegenomen; doch spoedig is het vasteland voor goed uit de zee verrezen en verkrijgt het zijnen tegenwoordigen vorm. In dat tijdperk hebben de Alpen, de Himalaya en de Cordillera’s hunne reusachtige hoogte verkregen.

De tertiaire gesteenten zijn zeer verschillend. Zij bestaan uit meer of minder zuiver zand, somtijds zóó saamgepakt, dat het zandsteen van verschillende vastheid vormt; verder bestaan zij uit mergel, klei en kalksteen. Gips, steenzout, ijzerhoudende mineralen, zwavel, kiezelhoudende klompen, bruinkool, komen in grooten getale voor. Verscheidene steensoorten zijn rechtstreeks uit de diepten der aarde afkomstig, waarvan zij in meer of minder beperkte bekkens uitgeworpen zijn: dit is het geval met het zand, de klei en de ijzersteenen der Berner Jura. Terwijl de tertiaire lagen over het algemeen horizontaal zijn en in haar geheel zijn gebleven, vindt men ze alleen verbroken en opgeheven in de bergen. De dikte der tertiaire formatie bedraagt somtijds meer dan 3000 meters, doch misschien komt zij nergens volledig voor.

In het tijdperk, toen zich die tertiaire formatie vormde, welke aan Frankrijk, dat toen nog met Engeland verbonden was, ongeveer zijnen tegenwoordigen vorm gaf, krijgt de planten- en dierenwereld hare laatste ontwikkeling. Geheel vrij geworden van de oude vormen, die aan de vorige tijdperken eigen waren, gelijken de planten en dieren zóózeer op die van onzen tijd, dat men terecht heeft kunnen zeggen, dat wij nog altijd in de tertiaire periode leven. Wij zijn er trouwens beter mede bekend dan met die der vorige tijdperken en zij bevatten een groot aantal typen, die niet zijn bewaard gebleven in de oudere formaties, waarin zij waarschijnlijk reeds bestonden.

De kruipende en tweeslachtige dieren naderen tot die van onzen tijd, vooral de kikvorschen en de salamanders; schildpadden, krokodillen, hagedissen en slangen treden het laatst op, als gewijzigde afstammelingen der oude hagedissen. De vogels hebben talrijke overblijfselen achtergelaten.

De zoogdieren drukken echter op de dierenwereld der tertiaire periode hunnen eigenaardigen stempel. Al de orden der zoogdieren komen er in voor. Eerst de dikhuidigen, die tot uitgestorven geslachten behoorden, en enkele verscheurende dieren, enkele vleugelhandigen en knaagdieren; vervolgens verschijnen de snuitdieren, vinpootige dieren (zeehonden enz.), meerdere knaagdieren, insecteneters, vierhandigen en zeer waarschijnlijk de tweehandigen.

De tertiaire periode is dus de periode, waarin voor goed het vasteland ontstond; wij moeten hier echter nog bijvoegen, dat de verschillende lagen dier formatie een zóó groot tijdsverloop voorstellen, dat men mag aannemen, dat de verdeeling van land en zee daarom nog niet over de geheele aarde standvastig is gebleven. De bodem is overal in het begin van het tijdperk onderworpen aan onophoudelijke schommelingen, die eerst de golven in lagunen veranderd hebben en ze daarna hebben drooggelegd. Het water van den dampkring, dat zich ophoopte in de bekkens, heeft meren gevormd, waaromheen zich een rijke plantengroei ontwikkeld heeft, die verwant was aan dien onzer tegenwoordige bosschen. Die toestand heeft voortgeduurd, totdat eene beweging in tegengestelden zin het zeewater weer terugvoerde naar de plaatsen, die het eertijds bespoelde. Die afwisselende rijzingen en dalingen hebben het vasteland langzamerhand zijnen tegenwoordigen vorm gegeven.

Europeesch landschap der tertiaire periode.

Europeesch landschap der tertiaire periode.

Het tertiaire tijdperk kan in drie perioden verdeeld worden, die ieder gekenmerkt worden door bepaalde geologische eigenschappen en eene afzonderlijke fauna, waarbij zich al meer en meer de tegenwoordige soorten van dieren vertoonen: 1e De laagste tertiaire formatie: Eocene formatie (de dageraad der tegenwoordige geslachten); 2e de middelste tertiaire formatie: Miocene formatie (minder geslachten van den tegenwoordigen tijd); 3e bovenste tertiaire formatie: Pliocene formatie (meer geslachten van den tegenwoordigen tijd).

Die drie hoofdverdeelingen, door Lyell voorgesteld en reeds sedert langen tijd ingevoerd, worden, naarmate de geologische wetenschap zich ontwikkeld heeft, meer en meer onderverdeeld. Enkele geologen zelfs stellen eene andere verdeeling voor: zij noemen de eerste tertiaire lagen paleoceen, de daaropvolgende oligoceen (gedeeltelijk eoceen, en gedeeltelijk mioceen) en, wat er nog van de miocene en pliocene formatie overblijft, om de tertiaire formatie te voltooien, neogeen. Wij zullen niet te ver afwijken van beide verdeelingen, en wij zullen termen behouden, die het meest gebruikt worden, door ons aan de verdeelingen van Lyell te houden en de eerste periode in twee afdeelingen te verdeelen, de paleocene en de oligocene. Het tertiaire tijdperk kan dus als volgt geschetst worden:

Het tertiaire tijdperk.

Eocene periode.
1. Paleoceen Suessonische formatie1.
Parijsche formatie2.
2. Oligoceen Tongersche formatie3.
Aquitanische formatie4.
Miocene Periode.
Onderste Mioceen Langhische formatie5.
Middelste Mioceen Helvetische, molasse formatie6.
Bovenste Mioceen Tortonische formatie7.
Pliocene Periode.
Onderste Plioceen Messinische formatie8.
Middelste Plioceen Plaisantische formatie9.
Astische formatie10.
Bovenste Plioceen Arnusische formatie11.

Al de formaties zijn genoemd naar de landen, waar zij het best bestudeerd zijn. Toch begrijpt men, dat dit nog slechts voorloopige namen zijn. Waarom toch den naam eener Russische, Engelsche, Zwitsersche of Fransche provincie gegeven aan eene formatie, die over de geheele aarde verspreid is? Eene eerst onlangs geboren wetenschap gaat steeds aan een zoodanig euvel mank; maar reeds nu ontstaat er verwarring tusschen namen, die geenen anderen oorsprong hebben dan het toeval.

Wij zullen thans een oogenblik trachten te herleven te midden dier vervlogen tijdstippen en de volgorde van hare historische ontwikkeling nagaan. Laat ons eerst de eocene periode bespreken.

De natuur doet ons grootsche veranderingen in den toestand der aarde bijwonen. Telkens bedekt de zee streken, die thans voor goed tot het gebied der menschen schijnen te behooren, en een tijd later komt het land weer bloot; nu eens overstroomt zij uitgestrekte gedeelten, dan weder trekt zij zich terug om later weder te verschijnen. In de eocene periode kan men zeggen, dat Europa zijnen tegenwoordigen vorm en zijne bergketenen verkregen heeft. Reeds in het einde der krijtperiode was eene rijzende beweging gevolgd op de groote daling tijdens de krijtformatie. De eocene formaties wijzen reeds van het begin af op den strijd van den oceaan en het vasteland, vooral in de noordelijke streken, waar de zoetwaterformaties de overhand hebben, die zich meer en meer in zuidelijke richting zullen uitbreiden, totdat de Pyreneën opgeheven zullen worden.

Doch die strijd heeft niet plaats in het bekken der Middellandsche zee, waar de zeevormingen iets behouden hebben van het eigenaardige karakter, dat die streek tijdens de vorige perioden onderscheidde; men ziet daar namelijk overgroote uitgestrektheden kalksteenen, aan wier bouw de kleine weekdieren een belangrijk aandeel genomen hebben. Doch die rol is niet langer toebedeeld aan de diceraten of de rudisten, doch aan eenvoudige protozoën en vooral aan de nummulieten, die zelfs aan de eocene formatie der Middellandsche zee den naam hebben gegeven van nummulitische formatie.

In dien tijd strekte zich eene vier- of vijfmaal grootere Middellandsche zee dan de onze, de nummulitische zee, dwars over Europa uit, van Nizza tot de Krim, in de richting van den Alpenketen. Op de plaats, waar thans de Alpen gelegen zijn, had men toen slechts kleine eilanden. Vandaar dat men de bezinksels dier zee op de toppen der Alpen terugvindt.

Europa had toen een Afrikaansch klimaat. Onder den invloed eener warme zee, die in het zuiden aan de keerkringen grensde, had men droge en brandend heete jaargetijden, afwisselend met gematigde en regenachtige tijden; de gemiddelde jaartemperatuur bedroeg op 45° N. B. 25°. Het is die periode van het tertiaire tijdperk, waarin Europa de hoogste temperatuur had. In Frankrijk kwamen palmboomen in overvloed voor, kokosboomen en dergelijke tieren welig in Engeland, waar de boomen met afwisselende bladeren nog alleen op de hoogten gevonden worden, waarvan zij eerst op het einde der eocene periode zullen afdalen. Zoolang die periode duurt, blijven de streken in de nabijheid van de pool eenen plantengroei vertoonen, die overeenkomt met eene temperatuur, gemiddeld 20° hooger dan die, welke men in onzen tijd in diezelfde streken heeft.

Ook de werking in het inwendige der aarde begint zich in dien tijd te openbaren, en uit zich vooral door de opheffing der Pyreneën en Apennijnen, terwijl meer in het noorden zwavel- en ijzerverbindingen tot de oppervlakte der aarde dringen.

De laagste tertiaire formatie is sterk ontwikkeld in de omstreken van Parijs; zij zet zich oostwaarts in België voort en noordwestwaarts in Engeland. Parijs, Londen en Brussel zijn op die formatie gebouwd. Het Kanaal bestond toen niet; Bretagne, met Cornwallis verbonden, sloot aan die zijde de Engelsch-Parijsche golf af, die zich ver oostwaarts uitstrekte, over de Ardennen heenliep en zich over België verspreidde.

In het bekken van Parijs bestaat de eocene formatie afwisselend uit zee- en zoetwaterformaties, die aldus gerangschikt zijn:

Eocene Formatie.

  • Bovenste
    • Mergel, gips (zoetwatervorming).
    • Mergel, gips en harde tufsteen (zoetwatervorming).
    • Mergel, gips (zeevorming).
  • Middelste
    • Grofkalk (zoetwatervorming).
    • Zandsteen (zeevorming).
    • Grofkalk (zeevorming).
  • Onderste
    • II
      • Zand (Soissons) (zeevorming).
      • Klei en bruinkool (zoetwatervorming).
      • Zand (Bracheux) (zeevorming).
    • I
      • Kalksteen (zoetwatervorming).
      • Kalksteen (zeevorming).

Wij zullen die verschillende formaties in bijzonderheden bespreken, die in de omstreken van Parijs zeer gemakkelijk kunnen worden waargenomen. Wij beginnen bij de oudste lagen.

Ondereoceen: I. Zee- en zoetwatervorming.

De onderste lagen der eocene formatie worden in de onmiddellijke omstreken van Parijs, vooral te Meudon, waar zij de pisolithische kalksteen bedekken, die het einde is der krijtformatie, vertegenwoordigd door witte mergel, die beneden kalksteen met zeefossielen bevat, en van boven eene witte verharding, die zoetwater- en landweekdieren bevat. Het bekken van Parijs moet dus eertijds bedekt zijn geweest met zeewater en later gedeeltelijk boven water zijn gekomen en met zoetwater bedekt. Die zeevorming, die aantoont, dat in de eerste eeuwen der eocene periode, de zee eenen nieuwen inval gedaan heeft, wordt meer naar het zuiden aangewezen door eenen band van ronde strandkeien, die thans door kiezel aan elkander verbonden zijn en nog steeds de grens aanwijzen van den inval der zee. Ten oosten, in België, geven die zeebezinkingen het aanzijn aan eene zandige kalksteen, die vele schelpen bevat, en eene schoone zeefauna leert kennen. Daarboven vindt men evenals te Meudon zoetwatergesteenten, met niet tot de zee behoorende schelpen gevuld. Bij Reims vindt men diezelfde kalksteen, bij Rilly is zij verscheidenene meters dik en zeer rijk aan fossielen. Verder, bij Sézanne, vindt men eene laag harde tufsteen, rustende tegen eene krijtrots, die op die plaats de grens aanwijst van dat oude meer. In dat water leefden talrijke weekdieren, met insecten, die versteend zijn en zóó goed bewaard zijn gebleven, dat men alle bijzonderheden van hunnen bouw kent.

II. Zand van Soissons. Daarna heeft de zee de geheele Engelsch-Parijsche golf weder bedekt, zij heeft daar glaukoniet-zand met zeeschelpen afgezet, die talrijk zijn in de omstreken van Bracheux, waar zij gekenmerkt worden door de aanwezigheid van eene groote oestersoort, die geheele banken vormt.

Klei en bruinkool. De golf, waar dit zand zich afzette, was dus zeer uitgestrekt. Eene rijzing van het Engelsch-Parijsche bekken, die daarop gevolgd is, vooral in het oosten, heeft in het midden van het bekken, in de onmiddellijke omgeving van Parijs, een meer doen ontstaan, waarin zich kleilagen hebben afgezet, die te Vaurigard en Issy voor baksteenen, en te Montereau, waar de klei zuiverder is, voor porselein en aardewerk gebruikt worden. Die klei, welke bruinkool bevat, strekt zich veel verder uit dan de lagere kleilagen. Hetzelfde is het geval in Engeland, waar het zand en het met bruinkool vermengde krijt bedekt is met een bruin, taai klei, London clay, dat te Londen eene dikte heeft van 150 meters. Het London clay heeft nog deze merkwaardigheid, dat het zeeschelpen bevat, die tot soorten behooren, die alleen in de warme zeeën leven; met die fossielen vindt men daar een groot aantal schildpadden, meer dan zestig soorten visschen, talrijke beenderen van zoogdieren, en groote, samengedrukte hoekige vruchten, tamelijk gelijkend op kokosnoten, die op de oppervlakte van het water moeten gedreven hebben, vóórdat zij in de modder bedolven zijn, waarin wij ze thans uitstekend bewaard terugvinden. Men heeft die tropische vruchten teruggevonden in de mergel en het zand van het Trocadero, toen men de grondwerken verrichtte voor het gebouw van de Parijsche tentoonstelling van 1867; Parijs was in die periode een inham in de nabijheid der zee.

Bovenste zand van Soissons. Toen die klei zich afzette in het zuiden van Engeland en in België, lag het bekken van Parijs nog onder water: het fijne en gele zand, dat bij Soissons de klei met bruinkool bedekt, en dat wijst op eenen terugkeer van de zee op die plaatsen, bevat eene groote hoeveelheid nummulieten.

Dat zand is zeer ontwikkeld ten noordoosten van Parijs, vooral in de Aisne-vallei, waar het 50 meters dik is. In België is het boven de klei van Vlaanderen nog veel sterker ontwikkeld. De nummulietenzee is dus van het oosten gekomen; zij is over Vlaanderen tot het bekken van Parijs doorgedrongen, door eene straat, die overeenkomt met de tegenwoordige vallei der Oise, en zij strekte zich niet verder uit dan de onmiddellijke omgeving van Parijs. Het glaukonietzand te Vaurigard en Vauves, dat daar de keien bedekt, behoort tot de grofkalklaag en wijst het begin aan der middelste eocene periode.

Middelste Eocene Formatie. Onderste grofkalk. Het grofkalk bevat eene verzameling van fossielenhoudende kalksteenen, die uitstekende bouwsteenen opleveren; de vlakte der laag bedraagt van 30 tot 35 meters; beneden vindt men grof zand met kleine zwarte vuursteenen en groene korrels glaukoniet, die dikwijls aan elkander verbonden zijn door kalksteen; het bevat tanden van zeehonden, kleine poliepen en eene groote nummulietsoort, die in het grofkalk zeer veel voorkomt.

Dat glaukonietzand wijst op het begin der zeevorming, die zich zal uitstrekken over het zuidoosten van Ile-de France.

Daarboven vindt men eene grove kalksteen, met vele schelpen, en een ontzaglijk aantal nummulieten; daarin komen groote tweekleppige weekdieren, zeeëgels en eene cerithidensoort voor, die voor die laag kenschetsend is.

Van St.-Quentin tot Rijssel vindt men aan de oppervlakte van den bodem kiezelhoudende blokken verspreid, waarin de nummulites laevigata voorkomt, somtijds omsloten door bont-roode klei. Dit zijn de laatste overblijfselen van eene laag, die ons aantoont, dat de lagere grofkalkzee zich in die richting tot zóóver uitstrekte en in België werd voortgezet in eene straat, die langs de Sommevallei het departement du Nord in zijne geheele uitgestrektheid doorsneed.

Bovenste grofkalk. Het bovenste grofkalk verliest weder het karakter eener zeevorming, aan de vorige lagen eigen, en wijst op eene kustformatie. Het bevat aan de benedenoppervlakte een zoetwatervlak besloten tusschen twee zeebanken, die ieder gekenmerkt zijn door den overvloed van cerithiden, die daar voorkomen met buikpootige brakwater-weekdieren. De zoetwater-kalksteen bevat limnaeiden en paludiniden (tot de buikpootige weekdieren behoorend), daartusschen ligt dikwijls klei met bruinkool, die eenen tropischen plantengroei bevat, o.a. palmboomen. Men vindt daar ook den lophiodon.

Daar de grofkalkzee zich meer en meer naar het noorden terugtrekt, eindigt die rij in dunne lagen dicht opeengepakte of kiezelhoudende kalksteen, afwisselend met gebladerde, dikwijls magnesiumhoudende mergel, waarin men hoogst zelden fossielen aantreft.

Zandsteen. Na die afwisseling van zoetwater- en zeevorming, die het einde aanwijst der grofkalk, heeft de terugkeer van de zee in het bekken van Parijs weer het aanzijn geschonken aan een zandbezinksel, welks fauna weinig met die der grofkalk verschilt. Met een aantal soorten aan de beide lagen eigen, vindt men nog eene geheel aan de laatste laag eigen soort van nummuliet.

Bovenste grofkalk van St.-Ouen. Na die bezinking sluit zich de golf van het bekken van Parijs geheel af bij hare monding, en verandert zij dus in een zoetwatermeer, waarin zich nu kalksteen en mergel afzet, met vuursteenlagen daartusschen, wier dikte een twintigtal meters kan bereiken. Die kalksteen strekt zich ten noorden van Parijs uit en bevat limneïden met enkele schelpen, niet tot zeedieren behoorend. Op het einde der eocene periode hebben dus de zoetwatervormingen in het bekken van Parijs de overhand.

Bovenste Eocene Formatie. Gipshoudende mergel. De bovenste eocene laag bestaat uit eene lange reeks lagen gebladerde mergel, met lagen gips er tusschen in; die bezinksels, die eene dikte van 60 meters kunnen bereiken, zijn nog grootendeels eene zoetwaterformatie. Van onderen heeft men eene dunne laag gipshoudende mergel op de kalksteen van St.-Ouen. Daarboven liggen de eigenlijke gipshoudende mergellagen, waar het gips uit drie lensvormige lagen bestaat. De eerste twee zijn gemiddeld 4 of 5 meters dik; de laatste is de dikste en strekt zich het verst uit; te Montmartre is zij 20 meters dik. De gips heeft daar de gedaante van suiker en is in prisma’s verdeeld, gelijkende op die van het bazalt. Dat geheel bovenste gedeelte, eene zoetwatervorming, eindigt van onder in blauwachtig, van boven in zeer wit mergel.

In de bovenste massa vindt men de dikhuidige dieren, paleotheriums, anoplotheriums, enz., waarmede wij weldra kennis zullen maken, en die beschouwd kunnen worden als de wezens, die het kenmerk zijn der bovenste eocene formatie.

Dit is de opvolging der versteende lagen tijdens de eocene periode. Merkwaardig is het, dat die gesteenten eene belangrijke rol gespeeld hebben bij den bouw van steden en woningen. Indien er geene bouwsteenen waren, hoe zouden dan dorpen, steden, huizen en monumenten gebouwd kunnen worden? De menschheid is niet alleen afhankelijk van het dieren- en plantenrijk, maar is ook de slaaf van het delfstoffenrijk, dat zich afspiegelt in hare wijze van werken en hare geschiedenis.

Die afwisselingen van zee, vastland en meren hebben alleen in die ééne periode honderdduizenden jaren geduurd!

Om zich een denkbeeld te vormen van de buitengewone veranderlijkheid in de eocene periode, zij het voldoende op te merken, dat het oudste gedeelte der tertiaire formatie in het bekken van Parijs vertegenwoordigd wordt door een twintigtal verschillende lagen, die ieder eene bijzondere mineralogische karaktertrek of enkele eigenaardige fossielen bezitten, en waarvan sommige zeevormingen, andere zoetwatervormingen zijn; daarentegen bestaat zij in de Pyreneën, in Zuid-Europa, tot zelfs in China, bijna uitsluitend uit eene bank vast opeengedrongen kalksteen, die geheel eene zeeformatie is, en het voorkomen heeft van eene Juraformatie, waarin het wemelt van foraminiferen, zoodat zelfs de steen nummulietenkalk genoemd wordt. In al de bekkens ontdekt men tusschen de verschillende lagen fossielen, en wel gewoonlijk des te talrijker, naarmate men in eene hoogere laag komt. Iedere afdeeling der tertiaire periode onderscheidt zich dan ook duidelijker van de krijtperiode dan van volgende perioden: een groot aantal soorten der miocene periode komen ook in de pliocene formatie voor, en de tegenwoordige zeeën, b.v. de Middellandsche zee, bevatten nog een zóó groot aantal pliocene weekdieren, dat de grens niet gemakkelijk te trekken is tusschen de tertiaire bezinkingen en die van onzen tijd. Voegen wij nog hierbij, dat men in den laatsten tijd een groot aantal tertiaire soorten ontdekt heeft, die men meende, dat uitgestorven waren, en die toch in de diepten der zee in grooten getale voorkomen.

De poolstreken, thans ijskoud en verlaten, waren toen, evenals in de secundaire tijden, bedekt met plantenrijke bosschen; doch er is reeds eene neiging tot afkoeling. Het zijn geen tropische planten meer, maar platanen, linden, kastanjes, beuken, pijnboomen, berken, noteboomen. Die boomen zullen later eerst in onze streken gevonden worden, wanneer de temperatuur voldoende gedaald zal zijn. Maar in dien tijd waren Frankrijk, Duitschland, België, Engeland nog met palmboomen bedekt, omdat daar nog een tropisch klimaat heerschte.

Langzaam en geleidelijk, doch steeds vooruitgaande, heeft zich van eeuw tot eeuw het leven ontwikkeld en gesplitst. De ongewervelde dieren der azoïsche periode hebben het aanzijn geschonken aan de gewervelde dieren. Op de weekdieren zijn de visschen gevolgd, op de visschen de kruipende dieren van het water, daarop de tweeslachtige dieren, en uit de kruipende dieren zijn de vogels voortgekomen. Met de vogelbekdieren en de buideldieren, uit de tweeslachtige dieren voortgekomen, is de heerschappij der zoogdieren begonnen, die tijdens het tertiaire tijdperk de wereld zijn gaan beheerschen. Wij zullen thans de ontwikkeling dier klasse van hoogere dieren volgen, waaruit de dikhuidige, de herkauwende, de verscheurende dieren, de knaagdieren, de halfapen, de apen en de mensch zijn voortgekomen.

De ontwikkeling van het dierenrijk in verband met de opvolging der geologische perioden.

De ontwikkeling van het dierenrijk in verband met de opvolging der geologische perioden.

Wij geven hier (blz. 499) eene schets van het chronologisch verband tusschen de ontwikkeling van het dierenrijk en de opvolging der geologische tijdperken. Eén blik is voldoende, om die grootsche geschiedenis te kunnen opbouwen. De tegenwoordige orden der visschen bestonden reeds tijdens de krijtperiode, en waarschijnlijk reeds vroeger; zij begonnen zich te vormen in de devonische en de steenkoolperiode. De tegenwoordige orden der kruipende dieren bestonden reeds vóór de eocene periode; hunne vorming is begonnen in de permische periode. De tegenwoordige orden der zoogdieren zijn eerst volledig tot ontwikkeling gekomen in de miocene periode; in het eocene tijdperk begonnen zij zich eerst te splitsen en verschilden zij nog slechts zeer weinig van elkander.

Fig. 276. Fossiele visschen naar eene teekening van Agassiz.

Fig. 276. Fossiele visschen naar eene teekening van Agassiz.

In de eocene formatie der Vereenigde Staten zijn de kruipende dieren talrijk, hoewel zij vervallen zijn van den rang, dien zij in de secundaire periode innamen. Men vindt geene landdinosauri meer, en er vliegen geene pterosauri meer in de lucht: deze zijn met de Jurazeeën en krijtzeeën, waarin zij leefden, verdwenen. Voortaan nemen de krokodillen, schildpadden en hagedissen hunne plaats in, en de slangen treden voor het eerst op het vasteland van Amerika op. De krokodillen behooren reeds tot de tegenwoordige typen, reeds een twaalftal soorten kunnen onderscheiden worden. Van de schildpadden zijn reeds 43 soorten bekend. Men kent nog slechts zes eocene soorten van slangen.

In de bezinksels der eocene zeeën heeft men verschillende roggen gevonden, en daaronder den sidderrog of electrischen rog, dien men kan herkennen aan zijne om het geheele lichaam gelegen vinnen. Men heeft sidderroggen gevonden in de omstreken van Verona, op den berg Bolca, die beroemd is door zijn groot aantal fossielen; zij zijn veel grooter dan die, welke thans de Middellandsche zee bewonen. Die fossiele wezens hebben thans hunne vertegenwoordigers bijna uitsluitend in de zuidelijke zeeën; de ostracion quadricornis b.v. is merkwaardig door de vreemde ligging zijner oogen, die op horens bevestigd zijn (fig. 277).

Fig. 277. De visschen der eocene periode. (Ostracion quadricornis).

Fig. 277. De visschen der eocene periode. (Ostracion quadricornis).

Ook te Aix (Provence) heeft men eene groote hoeveelheid fossiele visschen. Men vindt daar vooral eene soort van karper (lebias cephalotes), die zich van de overige karpers onderscheidt door zijnen van tanden voorzienen bek. Die soort bestaat nog heden ten dage in het zoetwater van Provence. Fig. 276 is gemaakt naar eene teekening van Agassiz.

Tot de merkwaardigste visschen van dat tijdperk behoort de platax altissimus (fig. 278).

De vogels, die wij voor het eerst in de gedaante van den archeopteryx hebben zien verschijnen, scheiden zich thans voor goed van de kruipende dieren. Fig. 279 stelt een merkwaardig afdruksel voor, in de benedenlagen van den heuvel van Montmartre gevonden. Het zijn de overblijfselen van een gevleugeld wezen, dat het voorkomen en den bouw heeft van onze tegenwoordige vogels, en dat men den naam gegeven heeft van den vogel van Montmartre.

Fig. 278. De visschen der eocene periode. (Blatax altissimus).

Fig. 278. De visschen der eocene periode. (Blatax altissimus).

Die vogel was niet bijzonder groot. De gastornis parisiensis echter, in 1855 door Gaston Planté in de eocene lagen van Mendon gevonden, moet, zooals uit de gevonden tibia blijkt, eene zeer groote vleugelwijdte gehad hebben.

Fig. 279. Fossiele vogel te Montmartre gevonden (halve grootte).

Fig. 279. Fossiele vogel te Montmartre gevonden (halve grootte).

Wij zullen zien, dat de vogels eerst in de miocene periode tot hunne volle ontwikkeling komen. Zooals wij reeds hebben opgemerkt, zijn het de zoogdieren, die kenschetsend zijn voor het tertiaire tijdperk. Wij hebben vroeger reeds gesproken over hun eerste optreden in den vorm van buideldieren. Die lagere zoogdieren zijn in Europa de voorgangers der placentaire zoogdieren geweest; na daar in de secundaire periode te hebben geleefd, zijn zij in de eocene periode zeldzaam geworden en in het midden der miocene periode verdwenen. Waarschijnlijk zijn verscheidene van deze in placentaire zoogdieren veranderd. Diegene, welke geen verandering hebben ondergaan of niet verhuisd zijn, waren in den strijd om het bestaan in ongunstige omstandigheden. Hoe groot ook hun moed en hunne kinderliefde zijn, toch zijn hunne jongen, zwakke en ontijdig ter wereld gekomen wezens, meer blootgesteld aan de aanvallen der roofdieren dan de placentaire zoogdieren en vooral de knaagdieren en dikhuidigen, die reeds zeer ontwikkeld ter wereld komen. Bovendien kunnen de buideldieren met hunne jongen in hunnen buidel of op hunnen rug geene rivieren oversteken zonder gevaar te loopen ze in het water te zien stikken; de placentaire zoogdieren, wier jongen genoeg ontwikkeld ter wereld komen om te kunnen loopen en zwemmen, ondervinden diezelfde bezwaren niet. Daar de grasetende dieren van veld tot veld moeten gaan om de planten te plukken, die in ieder jaargetijde bloeien, moeten zij meer last gehad hebben van zeearmen en stroomen dan de vleeschetende buideldieren; misschien is dit één der redenen, waarom zij vroeger uit onze streken verdwenen zijn, want opmerkelijk is het, dat men in onze tertiaire formaties geen enkel grasetend buideldier gevonden heeft, en wel overblijfselen van vleeschetende buideldieren.

In de eerste helft van het tertiaire tijdperk waren er in Parijs, Auvergne, Vaucluse, Zwitserland dieren, die zeer veel geleken op de tegenwoordige buidelratten. Men kan er niet aan twijfelen, dat zij eenen soortgelijken bouw gehad hebben; Cuvier toch heeft bij één van deze de buidelbeenderen teruggevonden, die dienen tot steun van den buidel, waarin de jongen geplaatst zijn. Deze ontdekking behoort tot die, welke het meest den grooten natuuronderzoeker belang inboezemden; vóórdat hij het bekken gezien had, was hij overtuigd, dat het dier buidelbeenderen bezat, omdat de studie der tanden en van het geraamte hem reeds tot de verwantschap van die dieren met de buidelratten had doen besluiten. Cuvier was van meening, dat er een nauw verband bestaat tusschen de verschillende organen; hij meende, dat de aanwezigheid van het ééne orgaan de aanwezigheid van een ander orgaan medebrengt; toen hij dus in het gips van Montmartre een dier zag, dat tanden had als eene buidelrat, beweerde hij reeds vooruit, dat het ook buidelbeenderen moest hebben als eene buidelrat. Toen hij dus het dier ging uitgraven, en het bekken ging blootleggen, riep hij eenige vrienden te zamen, om hen getuige te doen zijn van de ontdekking der buidelbeenderen, en werkelijk werd zijne voorspelling bewaarheid.

Toch had het kunnen zijn, dat Cuvier niet zoo gelukkig geweest ware; men moet immers de wet van het onderling verband der verschillende organen niet te streng toepassen. Cuvier toch, die aan de onveranderlijkheid der soorten geloofde, meende, dat een hond altijd een hond, eene buidelrat altijd eene buidelrat is. Toch behoeft dit niet steeds het geval te zijn; een dier kan tegelijkertijd de karaktertrekken van twee verschillende soorten of van twee verschillende klassen gehad hebben. Het is zelfs mogelijk, dat het een schakel geweest is tusschen de twee voornaamste afdeelingen van de klasse der zoogdieren. Wij hebben hiervan het bewijs gehad bij de vogel-reptielen en de dinosauri.

De eocene periode kenmerkt zich door eenen merkwaardigen rijkdom en eene groote verscheidenheid van soorten van dikhuidigen, die onder de viervoetige dieren van onzen tijd niet meer gevonden worden; zij kwamen overeen met de tapirs, de rhinocerossen en de kameelen. Het zijn de paleotheriums, lophiodons, anoplotheriums, anthracotheriums, cheropotami, adapis, alle door Cuvier ontdekt. Wij zullen ze in breede trekken beschrijven.

De paleotheriums geleken op de tapirs door hunnen algemeenen bouw, den vorm van hunnen kop en de kortheid der neusbeenderen, waaruit blijkt, dat zij evenals de tapirs eenen kleinen snuit hadden, ook hadden zij zes snijtanden en twee hoektanden in iedere kaak; maar door hunne kiezen, waarvan de bovenste plat en van verhevene halvemaansvormige plooien voorzien waren, en door hunne pooten, die alle vier drie toonen bevatten (bij de tapirs hebben de voorpooten vier toonen) gelijken zij op den rhinoceros12.

Het is ééne der meest verspreide soorten uit die formatie. Reeds Cuvier schrijft, dat de gipsgroeven in de omstreken van Parijs er van wemelen: men vindt daar beenderen van zeven verschillende soorten. De eerste (paleotherium magnum), is zoo groot als een paard; drie andere zijn van de grootte van een varken, maar ééne daarvan met lange, smalle pooten, ééne met breedere pooten, ééne met nog breedere en nog kortere pooten; de vijfde soort, van de grootte van een schaap, heeft nog kortere en breedere pooten; de zesde soort heeft de grootte van een lammetje, en heeft slanke pooten, waarvan de uiterste toonen korter zijn dan de overige; de zevende soort is zoo groot als eene haas.

Men heeft ook in andere streken van Frankrijk paleotheriums gevonden: te Puy-en-Velay, in de gipshoudende mergel; in de omstreken van Orleans, in de mergellagen, en bij Issel in eene laag molasse. Maar vooral in de molasse van Dordogne komt het paleotherium even talrijk voor als in de gipsgroeven van Parijs.

Fig. 280.—Het paleotherium, dikhuidig zoogdier der eocene periode (1/20 der nat. gr.).

Fig. 280.—Het paleotherium, dikhuidig zoogdier der eocene periode (1/20 der nat. gr.).

De lophiodons zijn nog nader verwant met de tapirs dan de paleotheriums, daar ook hunne benedenkiezen dwarse verhevenheden bezitten. In enkele opzichten wijken zij er echter weder van af.

Cuvier heeft in Frankrijk 12 soorten ontdekt, alle begraven in mergel, uit zoetwater gevormd, en met limneïden gevuld. De grootste soort bevindt zich nabij Orleans, in dezelfde groeve als de paleotheriums; zij gelijkt op den rhinoceros. Op dezelfde plaats is eene tweede, kleinere soort; eene derde soort vindt men te Montpellier, eene vierde bij Laon, twee bij Bichsweiller in den Elzas, vijf in Berry bij Argenton.

De verschillende soorten verschillen onderling in grootte; de kleinste waren nauwelijks zoo groot als een lammetje; ook vindt men kleine verschillen in den vorm der tanden, die wij hier niet zullen bespreken. In de bovenste lagen van de Parijsche grofkalk heeft men een groot aantal fossiele beenderen van lophiodons gevonden.

De anoplotheriums, die men in de gipsgroeven buiten Parijs gevonden heeft, hebben sommige karaktertrekken, die men bij geen enkel ander dier terugvindt; pooten met twee toonen, waarvan de middelhandsbeenderen niet met elkander vereenigd zijn zooals bij de herkauwende dieren, en tanden, die tegen elkander aanliggen, zooals dit thans alleen bij den mensch het geval is.

Er bestaan drie soorten van anoplotheriums; de anoplotheriums in den eigenlijken zin, de xiphodons en de dichobuni, die in den vorm der tanden van elkander verschilden.

Het meest verspreide anoplotherium was een dier van de hoogte van een wild zwijn, doch veel langer en voorzien van eenen langen en dikken staart, zoodat het ongeveer de afmetingen had van eenen grooten otter. Waarschijnlijk kon het goed zwemmen: men vindt op den bodem der zee zijne beenderen ingesloten in het gips, dat zich daar afzette.

De xiphodon was slank en licht als eene schoone gazelle.

De dichobunus had de grootte van eene haas. Hij onderscheidt zich van de anoplotheriums en de xiphodons door twee kleine en dunne teenen aan iederen voet, naast de twee groote teenen.

De anthracotheriums liggen tusschen de paleotheriums, de anoplotheriums en de varkens in. Twee van die soorten zijn in het bruinkool van Cadibona bij Savona gelegen. De eerste geleek in grootte op den rhinoceros, de tweede was veel kleiner. Men vindt ze ook in den Elzas. Hunne kiezen gelijken op die der anoplotheriums; doch zij hebben scherpe hoektanden.

De cheropotamus komt in de gipsgroeven bij Parijs voor, naast de paleotheriums en de anoplotheriums, maar hij is veel zeldzamer. Zijne achterste kiezen zijn van boven vierkant, van onderen rechthoekig en hebben vier kegelvormige verhevenheden, omgeven door kleinere bulten. Zijne hoektanden zijn klein. Hij was zoo groot als een varken.

De adapis had de grootte van een konijn; zij komt ook in de gipsgroeven van Parijs voor, en was nauw verwant aan het anoplotherium.

Wij kennen dus bijna 40 uitgestorven dikhuidige dieren.

Dit groote aantal dikhuidigen is des te merkwaardiger, daar wij in de formatie, die wij thans behandelen, bijna geene herkauwende dieren vinden, terwijl deze thans in zoovele soorten voorkomen bij de herten en gazellen en zulke groote afmetingen kunnen aannemen, zooals bij het rund, de giraffe of den kameel.

Doch die dikhuidigen waren niet de eenige bewoners van de landen, waar zij leefden. In de gipsgroeven immers vinden wij daarbij verscheurende dieren, knaagdieren, verscheidene soorten van vogels, krokodillen en schildpadden; die twee laatste dieren vindt men ook met de dikhuidigen in de molasse en de mergel van het midden en het zuiden van Frankrijk. Ook is eene vleermuis merkwaardig, te Montmartre ontdekt.

Te Montmartre zijn ook de beenderen van eenen vos gevonden, die van onzen vos afwijkt en evenzoo verschilt van den jakhals, den isatis en den Amerikaanschen vos; evenzoo eene soort wilde kat en twee of drie verscheurende dieren, die nog niet goed bekend zijn.

De krokodillen uit dat tijdperk gelijken op onze gewone krokodillen door den vorm van hunnen kop, terwijl men in de banken der Juraperiode alleen soorten vindt, die aan de gavialen verwant zijn. De schildpadden van dien tijd zijn alle zoetwaterdieren; sommige behooren tot de emydiden; en er zijn te Montmartre en vooral in de molasse van Dordogne, grootere dan die, welke men levend kent; andere zijn trionychidae of schildpadden met weeke lippen. Die soort, die men gemakkelijk kan herkennen aan den vorm van hare schildbeenderen, en die thans alleen voorkomt in de rivieren der warme landen, zooals de Nijl, de Ganges, de Orinoco, kwam in grooten getale voor in de streken, door de paleotheriums bewoond. Men vindt eene ontzaglijke hoeveelheid overblijfselen te Montmartre en in de molasse van Dordogne en andere bezinkingen uit dien tijd in het zuiden van Frankrijk.

Fig. 281.—Xiphodon gracile. (Eocene formatie van Parijs.)

Fig. 281.—Xiphodon gracile. (Eocene formatie van Parijs.)

De zoetwatermeren, in wier omtrek al deze dieren leefden, en die hunne beenderen opnamen, bevatten behalve schildpadden en krokodillen, enkele visschen en schelpen. Al de dieren, die men daar gevonden heeft, zijn even vreemd aan ons klimaat en even onbekend in de wateren van onzen tijd, als de paleotheriums en de overige viervoetige dieren van dien tijd. Zelfs de visschen behooren gedeeltelijk tot onbekende soorten.

Het is dus niet twijfelachtig, dat die eerste groote bevolking van zoogdieren gedeeltelijk vernietigd is; overal dan ook, waar men hunne overblijfselen vindt, zijn daarboven groote bezinkingen van eene zeevorming, zoodat later de zee weder gestroomd heeft over de landen, waar die dieren woonden en ze gedurende langen tijd bedekt heeft gehouden.

Nog niet lang geleden, in 1884, heeft Lemoine in de lagere eocene formatie in de omstreken van Parijs een zoogdier gevonden, dat hij den naam gegeven heeft van pleuraspidotherium. Dat dier was verwant aan de buideldieren en het paleotherium.

Fig. 282. Het anoplotherium, dikhuidig zoogdier der eocone periode. (1/20 der nat. gr.)

Fig. 282. Het anoplotherium, dikhuidig zoogdier der eocone periode. (1/20 der nat. gr.)

Onlangs bij den bouw van den nieuwen spoorweg van St.-Cloud naar Marly-le-Roy heeft men over eene groote uitgestrektheid het zand van Fontainebleau blootgelegd met de schelphoudende mergel. Men heeft daarin, onder talrijke fossiele overblijfselen, veertien verbazend zware en groote ribben gevonden. Zij zijn 43 centimeters lang en even dik als breed. Gaudry meent, dat zij behoord moeten hebben tot het grootste zeezoogdier, dat tot nu toe in de omstreken van Parijs ontdekt is. Het moet geleken hebben op onze tegenwoordige zeekoe, een groot grasetend walvischachtig zoogdier. De vinnen bestaan uit vijf vingers, die werkelijke handen vormen. De wijfjes hebben twee groote melkklieren. Men kent geen enkel ander dier met zoo zware en groote ribben.

Doch de grootste schatten voor de paleontologie zijn in den laatsten tijd in Amerika ontdekt. Sedert den bouw van den spoorweg, die Amerika doorsnijdt van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan, zijn streken onderzocht, die tot dien tijd voor de beschaving en de wetenschap gesloten waren. Men heeft daar eene menigte fossiele dieren gevonden, waarvan verscheidene zeer veel verschillen van die van Europa.

Dat gedeelte van Wyoming, begrepen tusschen het Rotsgebergte en den Wahsatchketen, is één der streken, die den paleontologen de meeste verrassingen aanbieden. In de eocene periode was de zee, die tijdens de krijtperiode die streken bedekt had, door groote zoetwatermeren vervangen, aan wier oevers een rijke plantengroei ontstond, en waar de reusachtige dikhuidigen zich ontwikkelden, wien men den naam van dinoceratiden gegeven heeft. Marsh heeft een groot werk geschreven over die vreemde schepselen; het is nog rijker in belangrijke gegevens dan dat, waarvan wij vroeger gesproken hebben naar aanleiding van de tandvogels.

De schedel der dinoceratiden13 verklaart ons, waarom men hun dien naam gegeven heeft. Nog nooit had men koppen gezien met zóóveel horens: de neusbeenderen dragen twee kleine beenige uitsteeksels; de vóórkaken leveren boven de hoektanden twee stevige uitsteeksels; een derde nog grooter en merkwaardiger paar wordt door de zijbeenderen gevormd; men heeft getracht van dit vreemde dier eene voorstelling te maken, die in fig. 283 is weergegeven.

Ook de hersenen zijn bijzonder vreemd en veel kleiner dan bij eenig ander zoogdier, zoodat zij op die van kruipende dieren gelijken. De geringe afmeting der hersenen is een karaktertrek, eigen aan verscheidene zoogdieren der tertiaire formatie; dat gedeelte van het lichaam is eerst tot meerdere ontwikkeling gekomen bij de dieren van het middelste tertiaire tijdperk en vooral bij die der tegenwoordige periode. Daar er in het algemeen verband bestaat tusschen de ontwikkeling der hersenen en het verstand, mag men aannemen, dat de oudere zoogdieren minder verstand hadden dan die van onzen tijd.

Fig. 283. De dinoceras van Noord-Amerika: Eocene periode.

Fig. 283. De dinoceras van Noord-Amerika: Eocene periode.

Het fossiele dier, dat door zijne ledematen en zijne tandvorming het meest tot de dinoceratiden nadert, is de coryphodon; maar toch is het nog ver van de dinoceratiden verwijderd.

Niettegenstaande hunne verbazende grootte en bepaalde punten van overeenkomst in hunne ledematen, kunnen de bekende groote dieren der Western-Territories toch niet in verband gebracht worden met de snuitdieren, want zij hadden noch eenen snuit, noch bovensnijtanden, en hoewel hunne pooten eenige overeenkomst hebben met die der olifanten, verschillen zij daarvan weder in vele andere opzichten. De dinoceratiden zijn inderdaad wezens, die verdwenen zijn zonder nakomelingschap achter te laten, nadat zij aan de eocene wereld een vreemdsoortig voorkomen gegeven hadden.

Het is inderdaad vreemd, dat men reeds in het begin der tertiaire periode zulke groote zoogdieren vindt: de onderzoekingen toch, in den laatsten tijd in Amerika gedaan, en die welke in Europa volbracht zijn, hadden slechts nietige zoogdieren der secundaire periode aan het licht gebracht.

Van 1870 tot 1883 heeft Marsh de overblijfselen van meer dan 200 exemplaren van dinoceratiden verzameld, zonder nog te spreken van de tallooze fossielen, tot andere groepen behoorende. Men kent reeds 30 verschillende soorten. De studie van dat prachtige materiaal is de grondslag van zijne schoone verhandeling.

Zooals wij zagen behooren de hersenen tot de merkwaardigste organen der dinoceratiden: zij zijn kleiner dan van eenig ander bekend zoogdier, zelfs niet grooter dan de geheele wervelkolom. De ontwikkeling der hersenen heeft in de tertiaire periode volgens Marsh naar de volgende wetten plaats gegrepen:

1. Alle zoogdieren der tertiaire periode hadden kleine hersenen.

2. In de tertiaire periode zijn de hersenen geleidelijk toegenomen.

3. Die toeneming had vooral plaats in de halfronden.

4. Bij enkele groepen worden de hersenwindingen samengestelder.

De halswervels der dinoceratiden gelijken op die der snuitdieren, maar zij zijn langer. De geheele hals was een derde langer dan die van den olifant. Een snuit was dus onnoodig, omdat het dier met den kop den grond kon bereiken. De beenderen der ledematen zijn over het algemeen zeer sterk, zooals trouwens het geheele geraamte, met uitzondering van een deel van den schedel. De voorste ledematen hebben veel overeenkomst met die der snuitdieren. De voorpooten zijn zwaarder dan de achterpooten.

Indien men den dinoceras vergelijkt met enkele der grootste veelhoevige dieren van onzen tijd, dan blijkt het, dat hij eenige punten van overeenkomst heeft met den rhinoceros en eveneens met den olifant. Wat zijne grootte betreft, staat hij tusschen beide in. In andere opzichten herinnert hij ons aan den hippopotamus. De merkwaardig kleine hersenen en de logheid der ledematen wijzen op een dier, dat zich langzaam beweegt, dat zich niet onttrekken kan aan veranderingen in het klimaat, en dat dus veroordeeld is te verdwijnen ten gevolge van de wijzigingen, die er op het einde der eocene periode in het klimaat hebben plaats gegrepen.

De zoogdieren der tertiaire periode zijn voor ons in bijzonder gunstige omstandigheden, om de ontwikkelingsleer te bestudeeren. Die wezens, wier huid meestal fijn, en òf naakt òf alleen met haren bedekt was, hebben eerst hunne volle ontwikkeling bereikt, toen de ontzaglijke kruipende dieren der secundaire periode waren uitgestorven, wier lederachtige en dikwijls gepantserde huid groote voordeelen opleverde in den strijd om het bestaan. Tijdens het grootste gedeelte der tertiaire periode verschilden de zoogdieren zeer veel van de tegenwoordige zoogdieren; zij waren nog in volle ontwikkeling.

Staan wij een oogenblik stil bij de dikhuidigen, die de gipsgroeven in de omstreken van Parijs tot graftombe hadden. Montmartre en Pantin waren hun laatste toevluchtsoord. Ieder blok, dat uit die groeven komt, bevat een of ander stuk van een been dier zoogdieren, en hoeveel millioenen van die beenderen zijn verwoest geworden, vóórdat men aan de studie der paleontologie zijne aandacht wijdde.

De dikhuidigen kunnen in twee hoofdgroepen verdeeld worden: die met een oneven aantal teenen, zooals de rhinoceros en de tapir, en die met een even aantal teenen, zooals het zwijn en het nijlpaard. In onzen tijd zijn de verschillende soorten van dikhuidigen voor het meerendeel scherp van elkander gescheiden, en in dit opzicht vertoonen zij een groot verschil met de herkauwende dieren, waarvan sommige zóó op elkander gelijken, dat men onmogelijk de grenslijn tusschen de verschillende soorten trekken kan. De tegenwoordige dikhuidigen zouden er toe bijdragen om de meening van ons af te werpen, dat de verschillende soorten van elkander zijn afgestamd; doch indien wij tot de geologische perioden doordringen, dan zien wij de ledige ruimten zich aanvullen: „De verschillende soorten, zegt Gaudry, liggen zóó dicht bij elkander, dat men moeilijk het denkbeeld van zich kan afzetten, dat die gelijkenis op eene gemeenschappelijke afstamming wijst.”

Als voorbeeld der tegenwoordige dikhuidigen, die van tertiaire soorten schijnen te zijn afgeleid, kan men den rhinoceros noemen. Die welke in Afrika te huis behooren, verschillen in vele opzichten van die, welke in Azië leven; er is dus geen grond, om te meenen, dat de ééne soort in rechte lijn van de andere afstamt. Het is veeleer natuurlijk te meenen, dat zij beide afstammen van hunne tertiaire voorgangers; want zij hebben daarmede bijzonder veel overeenkomst: de tegenwoordige Aziatische rhinoceros herinnert aan den rhinoceros Schleiermacheri van Pikermi, Eppelsheim en Sansan; de tweehoornige Afrikaansche rhinoceros heeft eene treffende overeenkomst met den rhinoceros pachygnathus van Pikermi.

De rhinocerossen zijn nog niet zeer oud; zij zijn in de tertiaire periode voorafgegaan door de acerotheriums, de paleotheriums, de paloplotheriums. De romp en de ledematen van die verschillende dieren hebben merkwaardig veel overkomst met elkander. Hunne verdeeling in soorten berust op het onderzoek van den schedel en hunne tandvorming; zij verschillen niet zóóveel, of men kan nog begrijpen, dat zij gemeenschappelijke stamouders bezaten.

Opdat onze lezers zelf over die verwantschap kunnen oordeelen, geven wij in fig. 284 en 285 de fossiele geraamten weer, wier vergelijking ons als het ware eene openbaring is van hunne afstamming. Het eerste is van het paleotherium magnum der bovenste eocene formatie; het tweede is van den rhinoceros pachygnathus uit de bovenste miocene formatie. Zoo wordt door de meest verschillende feiten de leer van de verandering der soorten bevestigd.

Het valt niet te ontkennen, dat de plotselinge verschijning der groote zoogdieren, paleotheriums, anoplotheriums, in de tertiaire formatie, de geologen evenzeer moest verwonderen als de verschijning van de pyramiden van Egypte, de groote tempels van Palmyra, Paestum en andere de verbazing opwekken van den ontwikkelden reiziger.

Zij, die voor het eerst die tempels en pyramiden zagen, schreven den bouw toe aan denkbeeldige wezens, demonen, feeën, goede geesten, die in de plaats treden van de verdwenen macht der oude beschaving. Vandaar het groote aantal legenden, overleveringen en volksgedichten, die aan ieder dier ruïnen verbonden zijn. Tevergeefs hebben de nieuwe ontdekkingen de verschillende ontwikkelingsphasen der menschheid leeren kennen, tevergeefs hebben zij doen zien, hoeveel tusschenschakels er waren tusschen het steenen en het ijzeren tijdperk, hoeveel voorloopige toestanden er noodig waren voor ieder standpunt der menschheid; hoe lang de arische volksstammen de ontwikkeling van het sanskrit zijn voorafgegaan; hoe zich achter iedere oudheid eene nog oudere oudheid openbaart, achter ieder geslacht een nog ouder geslacht, en hoeveel honderden eeuwen reeds verloopen waren, vóórdat de eerstgeborenen van den eersten dag der menschenwereld het daglicht zagen. Tevergeefs, want de gewoonte wint het van hetgeen wij aanschouwen. Wij moeten ons dus niet er over verwonderen, dat bij de eerste openbaring van de beenderen in de tertiaire formatie verspreid, eene dergelijke stomme verbazing den geest bevangen hield. De menschelijke geest kon het raadsel niet ontwarren. Hoe zouden de geleerdste, de verstandigste, de meest logische denkers een ander antwoord kunnen gegeven hebben, dan: „Het gaat de menschelijke bevatting te boven. Laat ons het onmogelijke niet beproeven. De organismen, wier overblijfselen wij zooeven ontdekt hebben, waren reeds van het begin af wat zij later waren. Zij zijn geheel afgewerkt uit de hand van den Schepper gekomen. Meer te willen weten, is de grenzen van ons kenvermogen overschrijden. Pas op, dat het u niet duizelt: houd stil. Tracht God niet van aangezicht tot aangezicht te zien.”

Ziedaar, met andere woorden, het antwoord van Cuvier, die voor den geest die nieuwe afgronden geopend had. Maar de menschelijke weetgierigheid, tegelijkertijd aangetrokken en afgestooten, kon geen vrede hebben met eene zoo groote angstvalligheid. De onmogelijkheid der oude verklaring sprong in het oog. Hoe kan de eik plotseling haren vollen wasdom bereikt hebben, hoe kan de leeuw uit het niet ontstaan zijn, zonder eerst welp geweest te zijn?

En de mensch, dien men zich dertig jaren oud, en dus volwassen moest voorstellen, zonder moeder, zonder kindsheid, dadelijk met zijne volle kracht en volle oefening! En die oefening is noodig voor de minste beweging, voor de nietigste handeling, voor het eenvoudigste gebruik der zintuigen. Wat zou die man van dertig jaren uitrichten, die plotseling verschenen was, en niet had leeren zien, betasten en hooren. Wat zou hij hebben aan zijne machtige armen, als hij niet kon grijpen, aan zijne oogen, als hij niet had leeren zien en had leeren afstanden beoordeelen; aan zijne voeten, als hij niet had leeren loopen. Zijne kracht zelf zoude zich tegen hem keeren.

Fig. 284. De verandering der soorten: geraamte van het paleotherium.

Fig. 284. De verandering der soorten: geraamte van het paleotherium.

De oplossing kwam, zooals wij zagen, van verschillende punten te gelijk. Eerst ziet men hier en daar losse draden, die tot geleiddraden konden dienen. De wezens, die in de verschillende tijdperken op elkander gevolgd zijn, hebben dikwijls naast groote verschilpunten, trekken van overeenkomst behouden. Daar wij de laatst opgetreden wezens der schepping zijn, hebben wij de geboorte der wezens niet bijgewoond. „Wij zijn gelijk aan de wezens van één dag, die sterven op den dag, waarop zij geboren zijn, wij hebben den tijd niet gehad om de gedaanteverwisselingen der organische wereld te leeren kennen.” En toch, indien wij de overblijfselen bestudeeren, die in de lagen der aarde verborgen zijn, dan kunnen wij uit de overeenstemming tusschen de dieren van onzen tijd en hunne voorgangers een besluit trekken omtrent hunne verwantschap. Wij vinden b.v. in fossielen toestand hyena’s, katten, olifanten, rhinocerossen, tapirs, zwijnen, herten, gazellen, dolfijnen enz., die nauwelijks van de tegenwoordige soorten kunnen onderscheiden worden; men mag dus besluiten, dat zij de voorouders dier dieren geweest zijn, daar het verschil niet grooter is dan dat van rassen, die eenen gemeenschappelijken oorsprong hebben; in de geologische tijden, zoowel als in de tegenwoordige tijden, hebben zich de soorten tot rassen onderverdeeld, en het is onmogelijk te zeggen, waar de soort begint, waar het ras ophoudt.

Fig. 285. De verandering der soorten: geraamte van den rhinoceros.

Fig. 285. De verandering der soorten: geraamte van den rhinoceros.

Doch het zijn niet alleen de soorten van eenzelfde geslacht, die de sporen van verwantschap dragen. „Als ik zie, zegt Gaudry, dat het paard op het hipparion gevolgd is, de olifant op den mastodon, de rhinoceros op het paleotherium, de tapir op den lophiodon, de otter op den lutrictis, de hyena op het ictitherium, de hond op den amphicyon, de semnopithecus op den mesopithecus enz., dan geloof ik, dat die geslachten door nauwe banden verbonden zijn, want hunne punten van overeenkomst hebben verreweg de overhand boven hunne punten van verschil. Indien ik geloof aan de verwantschap van dieren, tot verschillende geslachten behoorende, dan geloof ik ook aan de verwantschap van dieren uit verschillende orden; ik zie immers herkauwende en eenhoevige dieren in de plaats treden van dikhuidige dieren, die zóó dicht daartoe naderen, dat niemand de grens kan aanwijzen tusschen de dikhuidige, de éénhoevige en de herkauwende dieren. Het komt mij dus voor, dat de paleontologen gerechtigd zijn tot de meening, dat zij talrijke punten van verwantschap ontdekt hebben tusschen de tegenwoordige dieren en de zoogdieren, die hun in de geologische tijden zijn voorafgegaan.”

„Naarmate ik mijne waarnemingen verder heb uitgebreid, zegt de uitnemende natuuronderzoeker verder, ben ik bevestigd in de meening, dat de wezens niet afzonderlijk op aarde verschenen zijn, zonder eenig verband; ik geloof, dat in de schijnbare verscheidenheid der natuur een plan bestaat, waarin de oneindige Schepper den stempel zijner éénheid gedrukt heeft. Vandaar, dat het denkbeeld, om iets van dat plan te ontdekken, mijne schreden op het gebied der paleontologie gericht heeft.”

Die natuurwet wordt meer en meer bevestigd, naarmate wij in onze kennis van de geschiedenis der aarde vooruitgaan. Naarmate zich de omgeving wijzigt, wijzigen zich tegelijkertijd de levende soorten.

De nieuwe dieren der eocene periode kruipen niet meer, zij loopen en springen en blijven niet in de modder van een moeras stil zitten. Zij zijn meesters der aarde en kennen haar, want zij dwalen ver weg, tot kudden vereenigd.

Sommigen klauteren in de boomen en knagen van de vruchten, die de tertiaire flora voor hen heeft doen rijpen; anderen springen van rots op rots tot den top der juist boven water verrezen bergen; bijna allen hebben de schubbige wapenrusting der kruipende dieren afgelegd. Het zijn dikhuidige zoogdieren, wier huid met haren bedekt is. Geen enkele hinderpaal houdt hen tegen; als eene streek uitgeput is, gaan zij verder. Het zijn het anoplotherium, de xiphodon, het paleotherium.

Er zijn er reeds, die in de aarde wroeten met hunnen grooten snuit; anderen ontwortelen de heesters met hunne lange ivoren tanden. De meesten, zooals het anoplotherium, zijn geheel zonder wapenen. Zonder verdedigingsmiddelen zijn zij verschenen op de aarde, waar de oude kruipende bevolking niets tegen hen vermocht. Hunne kracht zetelt in de vier dunne pooten, die hen in één oogenblik ver weg kunnen dragen.

Elke nieuwe vorm der aarde spiegelt zich af in de zeden, de gewoonten, het instinct en de gedaante der wezens: allen worden meer of minder gewijzigd door die nieuwe verdeeling van land en water, door de opheffing der bergen en de afkoeling op de hoogten; iedere nieuwe vorm der aarde wordt afgedrukt in den vorm van ieder wezen.

Wij zullen daarvoor een nieuw bewijs leveren.

De Jurastreek en een groot gedeelte van de omgeving der centrale bergvlakte van Frankrijk zijn op verscheidene plaatsen bedekt door eene bijzondere formatie, die wegens den overvloed van korrelig ijzererts den naam gekregen heeft van siderolithische formatie. Die formatie dagteekent van de tweede helft der eocene periode. De lagen phosphorzure kalk, die men in zoo groote menigte te Quercy vindt, hebben in menig opzicht groote overeenkomst met de siderolithische formatie, en schijnen even als deze grootendeels tot de laatste helft der eocene periode te behooren. Die lagen bevatten een groot aantal fossielen, vooral van zoogdieren.

Die phosphorlagen dan hebben een hoogst merkwaardig geslacht leeren kennen als tusschenvorm tusschen de buideldieren en de placentaire zoogdieren, het is een verscheurend dier, door Filhol cynohyaenodon, door Gaudry proviverra genoemd.

De schedelholte toont aan, dat de hersenhalfronden voorzien waren van een aantal in de lengte gerangschikte windingen misschien vier in getal, en dat de twee middelste een begin van kronkelingen vertoonden; het achterhoofd was geheel bloot en zeer stevig.

De naam yan thylacomorphus, waaronder die schedel is ingeschreven, toont aan, dat hij, volgens den geleerden directeur van het Museüm, verwantschap had met de buideldieren.

Ook heeft men in de lagere tertiaire formatie een verscheurend dier gevonden, dat tot een geheel ander type behoort, dan alle voorgaande: zijne tanden zijn niet scherp en wijzen op de voeding der beren, die tot de allesetende (omnivore) dieren behooren; dat dier is de arctocyon uit de zandsteenformatie van la Fère; het is het oudste van alle tot nu toe bekende zoogdieren in de tertiaire formatie. Bekwame paleontologen hebben gemeend, dat het dier tot de placentaire zoogdieren behoorde; het is echter voornamelijk uit den vorm van den schedel gebleken, dat het meer tot de buideldieren naderde.

Wij mogen ons dus afvragen, of de placentaire zoogdieren niet afstammen van de buideldieren. Indien wij weten, dat de pterodon, de hyaenodon, de paleonictis, de proviverra, de arctocyon geleefd hebben in het tijdperk, waarop de buideldieren op het punt waren uit Europa te verdwijnen, om plaats te maken voor de placentaire zoogdieren, en wij zien, dat die verscheurende dieren tegelijkertijd karaktertrekken gemeen hebben met de buideldieren en de placentaire zoogdieren, dan mogen wij aannemen, dat zij inderdaad de afstammelingen zijn van de buideldieren der secundaire periode.

Men vindt zelfs herinneringen aan den bouw der buideldieren bij dieren, die het voorkomen hebben van ware placentaire dieren; zoo heeft de amphicyon, die tot de familie der honden behoort, hetzelfde aantal bovenachterkiezen als de buideldieren en zijn schouderblad gelijkt meer op dat van die dieren dan op dat der honden. De cynodon is verwant aan den hond en de civetkat.

Het ligt dus voor de hand, te besluiten, dat de tegenwoordige wezens van die der oude tijden afstammen. De geschiedenis van een bepaald tijdperk hangt samen met die van het voorafgaande tijdperk.

De eocene periode heeft de geboorte bijgewoond van de halfapen, wezens, die vroeger door de natuuronderzoekers onder de apen gerangschikt werden, maar die dien naam niet verdienen en veeleer tusschen de handvleugeligen (vleermuizen) en de apen inliggen. Men zal zich rekenschap geven van de punten van verschil tusschen de halfapen en de apen, als men bedenkt, dat tot de eerste behooren de maki, de lori, de galago, de tarsius (spookaap), de galeopithecus, (kataap) terwijl tot de tweede behooren de sajou, de baviaan, de makaki, de groene meerkat, de hulman, de gibbon, de orang-oetan, de chimpansee en de gorilla. Het onderscheid is bijzonder groot, de vierhandigen omvatten dus twee duidelijk van elkander te onderscheiden groepen: de halfapen en de apen.

Fig. 286.—De galeopithecus, halfaap der eocene periode.

Fig. 286.—De galeopithecus, halfaap der eocene periode.

Rüttmeyer is de eerste, die eenen fossielen halfaap gevonden heeft. De geleerde Bazelsche hoogleeraar vond onder de eocene fossielen, in de siderolithische formatie van Egerkingen bij Solothurn een stuk van eene kaak, die slechts drie kiezen bevatte; daarin wist hij eenen halfaap te herkennen, dien hij den naam gaf van coenopithecus.

In 1873 vond Delfortrie in de phosphor-lagen eenen bijna volledigen kop van eenen oorspronkelijken halfaap, dien hij den naam gaf van palaeolemur.

Na dien tijd vond Filhol in diezelfde formatie den kop van eene tweede soort van datzelfde geslacht, die zich door zijne grootere afmetingen en vooral door zijnen gerekten vorm onderscheidde. Dezelfde natuuronderzoeker heeft nog eenen kleinen halfaap, door hem necrolemur genaamd, leeren kennen.

Gaudry leidt uit het onderzoek der halfapen, die in de phosphorzure kalk gevonden zijn, af, dat zij eenen gemeenschappelijken oorsprong met de eocene dikhuidige dieren kunnen gehad hebben. De waarschijnlijkheid van die meening neemt toe, nu Milne-Edwards en Grandidier in hun werk over de zoogdieren van Madagascar bewezen hebben, hoe groote overeenkomst er bestaat tusschen de halfapen en de veelhoevige dieren. Om aan te toonen, dat verscheidene der halfapen karaktertrekken gehad hebben tusschen de tegenwoordige halfapen en de eocene dikhuidigen, behoeven wij slechts de omstandigheden hunner ontdekking te vermelden. Toen Delfortrie den schedel van den door hem ontdekten halfaap bestudeerd had, zond hij dien naar Gaudry met verscheidene andere fragmenten, die in de phosphorzure kalk gevonden waren. Onder die monsters was ook eene kaak, die hem herinnerde aan een stuk uit de gipsgroeven van Parijs, waarvan de indeeling hem veel moeite gekost had, en dat geleek op eene kaak door Gervais onder den naam van aphelotherium beschreven, maar waarvan het moeilijk was te zeggen, tot welke groep zij moest worden gerekend. De vergelijking van zoodanige kaken met de stukken, door Delfortrie ontdekt en met die van de levende halfapen, overtuigde hem, dat de monsters van den geleerden natuuronderzoeker en de kaken van het aphelotherium tot dezelfde halfapen behoorden. Tevens herinnerde hij zich, dat in de bovenste eocene formatie een fossiel voorkwam, waarvan de rangschikking even lastig was als van het aphelotherium: de adapis parisiensis, en kwam hij tot de gevolgtrekking, dat ook deze tot diezelfde soort van halfapen behoort. Is dit het geval, dan is het bewezen, dat de halfapen voorheen niet zoover van de dikhuidigen verwijderd waren als thans: Cuvier toch rangschikt den adapis onder de dikhuidigen. Gervais heeft voorloopig het aphelotherium naast de dikhuidigen gerangschikt. Dat er eertijds trekken van overeenkomst bestaan hebben tusschen de halfapen en de dikhuidigen, mag dus worden aangenomen, niettegenstaande het ontdekte materiaal nog niet bijzonder rijk is. Gaudry is na het onderzoek der gevonden kaken van meening, dat ook de apen van de dikhuidigen kunnen afstammen.

Zooals men ziet, zijn de halfapen naar de ontwikkeling van het organische leven sedert het begin der aarde, juist op hunnen tijd gekomen, en wel in de eocene periode; wij zullen de ware apen in de volgende periode zien verschijnen. Fig. 286 geeft ons eene teekening van eenen halfaap, den galeopithecus, (kataap), die nauw verwant is met de vleugelhandigen. Het merkwaardigste van dit halfslachtige wezen is het vleugelvormig vlies, dat als valscherm dienst doet en dat het dier in staat stelt, niet om te vliegen als de vleermuis (evenzoo een nauw verwant zoogdier), maar om zich in de lucht in evenwicht te houden. Misschien is het jammer, dat de mensch niet van den galeopithecus afstamt. Door de ontwikkeling der organen en der levensverrichtingen zou hij dan ongetwijfeld hebben kunnen vliegen.

Het einde der eocene periode, ook wel bekend onder den naam van oligocene periode, heeft eerst de voornaamste opheffing der Pyreneën en later die van de voornaamste Alpen medegemaakt. De gedaante der aarde wijzigt zich dus in die periode zeer. Reeds vroeger merkten wij op, dat de zee, uit het noorden komende, zich over een deel van Frankrijk, en over de Rijnvallei tot aan Bazel heeft uitgebreid, en dat in de zuidelijke streken daarentegen de zee in zuidelijke richting terugweek. Onder den invloed dier noordelijke zee wordt het klimaat van Europa meer effen en gematigd.

Daarna wijkt de zee naar het noorden terug en wordt bijna geheel Europa vastland. Het is het tijdperk der groote meren, zoowel in Frankrijk als in Zwitserland, verscheidene deelen van Duitschland, Oostenrijk, Italië en Griekenland. Tegelijkertijd vindt men in Noord-Duitschland de veenachtige lagunen, waarin de bruinkool gevormd wordt. De uitbreiding der meren en de overvloed der zoetwaterbezinkingen, zoowel als de rijkdom der plantenwereld, wijzen op de toenemende vochtigheid van den bodem, gevoegd bij eene gematigde en gelijkmatige temperatuur. De boomen met afvallende bladeren nemen in die tweede phase eene groote vlucht, zonder dat echter de palmen ontbreken, die nog welig tieren voorbij 50° N.B., dus nog in het noorden van Frankrijk, noch de kamferboomen, wier noordelijke grens voorbij 55° ligt. De periode eindigt met eene uitdroging der groote meren en het ontstaan van groote stroomen, waarop de molasse zee volgt.

Waarschijnlijk behoort de bruinkool met fossiele planten, in Groenland op 70° N.-B., en in Noord-Canada, IJsland en Spitzbergen ontdekt, tot de eocene formatie. Die lagen bevatten 9 soorten van groote varens, 31 soorten van naaldboomen, 11 soorten van éénzaadlobbigen en 93 tweezaadlobbige planten, waaronder noteboomen, platanen, beuken, eiken, ahornen, populieren enz.

Daar de afkoeling der aarde aan de polen begonnen is, zoo is het waarschijnlijk, dat die flora, niettegenstaande het voorkomen van miocene soorten, die trouwens niet meer dan een vierde deel van het geheel vormen, ouder is dan de Europeesche miocene flora, dat is, ouder dan de periode, waarin de planten, die de miocene periode kenmerken, zich zuidwaarts verplaatsten. Het noordelijkste punt, waar die flora is waargenomen, is Grinnelland, op de 82ste paralel gelegen. Daar groeiden de zilverspar en de cipres naast den populier en den berk, aan de oevers der meren, die met nenufars bedekt waren; het klimaat was dus op korten afstand van de pool hetzelfde als thans in de Vogezen. Maar de magnolia’s ontbraken er, terwijl deze wel in Groenland, op 70° breedte gevonden werden. De gemiddelde jaartemperatuur van noordelijk Groenland was toen 12° en dus dezelfde als thans die van Californië, terwijl op Spitzbergen (80° N.B.) de gemiddelde jaartemperatuur 8° of 9° bedroeg. De flora van Groenland had eene merkwaardige overeenkomst met die van de Parijsche lagere eocene formatie. De flora der poolstreken is de onze voorafgegaan en heeft zich verplaatst naar Europa en Amerika, terwijl de palmboomen, die voor het eerst in Europa gekomen zijn in de krijtperiode, nooit binnen den poolcirkel zijn binnengedrongen.

Hoewel wij thans het nieuwere tijdvak van de geschiedenis der aarde zijn binnengetreden, en de tertiaire periode nog zeer jong is met betrekking tot het secundaire tijdperk, zoo zijn de veranderingen van de gedaante der aarde, die na dien tijd hebben plaats gegrepen, verre van onbeteekenend. De zee is na het begin der eocene periode naar Parijs, Londen, Brussel, Weenen, Berlijn, enz. teruggekeerd. Een zeearm strekte zich tevens uit van Bordeaux, over Montpellier, Lyon, Genève tot in Oostenrijk. Vroeger, in ons hoofdstuk over de tegenwoordige veranderingen van den bodem, hebben wij gezien, dat die schommelingen der aardoppervlakte nog in onzen tijd voortduren, en dat de zee weer aanwint in het westen en noorden van Frankrijk, in België, Holland, in het zuiden van Zweden enz. terwijl zij terugwijkt in het noorden van het Scandinavische schiereiland, aan de mondingen van de Po, den Nijl, de Rhône enz. Zoo verandert onze planeet van eeuw tot eeuw, evenals alle wezens, die haar bewonen.

Om het beeld der periode te voltooien, voegen wij hier nogmaals bij, hoewel wij het reeds vroeger hebben opgemerkt, dat de Pyreneën in het laatste gedeelte der eocene periode hunne voornaamste rijzing hebben verkregen, waarbij de nummulieten-lagen tot eene hoogte van 3352 meters gestegen zijn. De Apenijnen dagteekenen uit datzelfde tijdperk, dat is dus uit de oligocene periode, het einde van het eocene tijdperk. De Alpen daarentegen hebben hunne grootste hoogte eerst verkregen in de miocene periode, die wij in het volgende hoofdstuk tot het onderwerp onzer studie zullen maken.


1 Naar het zand van Soissons.

2 Parijsch grofkalk.

3 Klei en zand van Tongeren in Limburg.

4 Kalksteen van Aquitanië.

5 Naar de Italiaansche heuvels (langhue).

6 Zwitsersche molasse. (Eibergen en Winterswijk).

7 Klei uit Tortone. (Italië).

8 Overeenkomende met de formatie der Caspische zee.

9 Subapennijnsche zeevorming: Plaisance, enz.

10 Uitdroging van het Rhônebekken.

11 Strook van den elephas meridionalis van de Arnovallei.

12 Later, (fig. 284) geven wij het geraamte van het paleotherium, en op de volgende bladzijde (fig. 280) het geheele dier. Het is niet, zooals men vroeger meende, log en lomp, maar het heeft eene sierlijke gestalte, en de hals was misschien even lang als die van het paard en van denzelfden vorm als bij de lama.

13 δεινός, verschrikkelijk; κέρας, horen.