De miocene periode, het middelste tijdperk der tertiaire periode, volgt op de tijden, waarvan wij zooeven de geschiedenis geschetst hebben, en ziet de organische en anorganische wereld voortschrijden naar den toestand, waarin zij thans verkeert. In die nieuwe periode heeft de aarde ongeveer den vorm verkregen, dien zij thans nog heeft, en de Alpen, zich verheffende tot de hoogte van de eeuwigdurende sneeuw, zooals dit met de Pyreneën reeds in de vorige periode het geval geweest is, geven aan west-Europa haren beslissenden vertikalen vorm, terwijl in het midden van Frankrijk de bazaltuitbarstingen de vulkanen doen ontstaan, die hunne vlammen zullen spuwen over een deel van het land. In die periode worden ook de hoogere zoogdieren, de apen, geboren. Gewichtige vooruitgang!
De vulkanische uitbarstingen hebben in Cantal op de oorspronkelijke granietmassa’s, die reeds eene hoogte hadden van 800 tot 900 meters, bergen doen ontstaan, die nog thans, niettegenstaande de verwering, waardoor zij afgenomen zijn, eene hoogte bereiken van 1800 tot 1900 meters. De dinotheriums en hipparions zijn getuigen geweest van die uitbarstingen en hebben hunne sporen achtergelaten in het grint, dat die bazaltmassa’s bedekt. De uitbarstingen van het miocene bazalt zijn, na eenen tijd van rust, gevolgd door de uitstrooming eener taaie massa, die thans als bouwsteen gebruikt wordt. Daarna is een krater ontstaan tusschen de meren van Murat en Aurillac. Eene ontzaglijke bres is gevormd, waaruit stroomen porfierhoudend bazalt stroomden, die de bosschen verbrandden, welke tegen de hellingen van den berg gelegen waren. Daarna opende zich een krater en wierp een’ aschregen tot op 20 tot 30 kilometers, die de planten in de nabijheid bedelvend, het aanzijn gaf aan de aschsteenen van Cantal. Die vulkanische uitbarstingen hebben geduurd tot aan de pliocene periode, waarin zich de vulkanen van Mont-Dore en Puys geopend hebben.
Voor de eerste maal schijnt de aarde werkelijk uit het water verrezen te zijn. Het zijn niet meer die losse strooken, die hier en daar uit de uitgebreide zee uitstaken; het zijn nu groote uitgestrektheden, die eenen breeden grondslag vormen voor de ontwikkeling van het leven op aarde. Wel zijn de Alpen nog slechts heuvels, doch reeds zijn elf zuilen uit het water verrezen, die als het ware de wervelkolom vormen van west-Europa, want die Alpeneilanden zijn met elkander verbonden en wijzen den vorm aan van de lagere landen.
Tusschen het Juragebergte, dat reeds tot de helft zijner hoogte gekomen is, en de in wording zijnde Alpen, blijft nog de zee in eene nauwe golf bestaan; zij beukt beide oevers met hare golven, en hoopt aan de voeten dier bergen nieuwe schelpen op; maar zij kan de twee forsche lijnen der Alpen en der Jura niet meer uitwisschen.
De Middellandsche zee, nog langen tijd onzeker van haar gebied, gaat vooruit en wijkt weer terug door de Rhônevallei, Zwitserland en Beieren. De Indische zee staat met de Middellandsche zee in verband, daar een deel van Egypte nog onder water gelegen is. Maar er zijn uitgestrekte streken, die de zeeën niet meer kunnen veroveren; zij moeten zich aan hare tegenwoordige bedding gewennen.
Fransche vulkanen in de miocene periode.
Griekenland, dat nog niet van Klein-Azië gescheiden is, begint te ontstaan. Eene lange, ingekerfde strook, het ruggemerg van Italië, is nog zóó onvolledig, dat Rome en Florence nog ontbreken. Afrika is met Europa vereenigd door eene landengte tusschen Tunis en Genua en bij Gibraltar. Ten noorden strekt zich het vasteland uit van het Ural-gebergte tot Engeland, en verlengt het zich door vastland en eilanden (Atlantis?) tot aan de kusten van Noord- en Zuid-Amerika.
Tijdens de miocene periode hebben belangrijke veranderingen plaats gehad in den vorm van Europa. Reeds in het begin der miocene periode verliezen de meren, die op het einde der eocene periode bestonden, hun water door eene opheffing van den bodem. Daarna bedekt weder de molasse- of Helvetische zee een groot gedeelte van west-Europa. De zee dringt in Frankrijk door, door de Loire-vallei, tot aan Blois, en één harer armen dringt door tot aan het Kanaal door Ille-et-Vilaine, waardoor het noord-westelijk deel van Frankrijk een eiland wordt. De zee verspreidt zich in de Rhônevallei, bedekt een deel van Zwitserland en Oostenrijk, stroomt langs den tegenwoordigen voet der Alpen, en verspreidt zich over oostelijk Klein-Azië tot aan den Euphraat. Door die zee wordt Europa verdeeld in eene soort Indischen archipel, waar de omstandigheden uiterst gunstig zijn voor de ontwikkeling der plantenwereld, die in haar geheel nooit zoo rijk geweest is als in dien tijd. De winter is nog bijzonder zacht, zoodat nooit de plantengroei geheel gestaakt wordt, en op het einde der periode bloeit de kamferboom reeds in de maand Maart aan de oevers van het meer van Constanz, zooals nu nog te Madera. Om den plantengroei van de miocene periode terug te vinden, zoude men thans tot 25 of 30° naar het zuiden moeten afdalen. Indien er reeds een duidelijk onderscheid was tusschen den plantengroei der poolstreken en van midden-Europa, deed toch het ijs zijnen invloed nog niet gevoelen en was IJsland met prachtige bosschen bedekt. In dienzelfden tijd had men herhaaldelijk vulkanische uitbarstingen in Auvergne, de Rijnvallei, Hongarije, de westelijke helling van het Rotsgebergte en andere gedeelten der aarde.—De vulkanen van Italië, de Vesuvius, de phlegreïsche velden, de Etna, zijn uit de quaternaire periode.—Overal was de aardschors in beweging en de ketenen der Alpen, Cordillera’s en der Himalaya staken hunne kruinen uit tot hoog in de wolken.
Wij hebben zooeven gezien, dat Europa gedurende de eocene periode reeds een vastland was van groote uitgestrektheid, doorsneden door een aantal zeearmen. Eene dergelijke verdeeling was er ook tijdens de molassische periode. Een verbazend groot eiland, dat het geheele tegenwoordige alpengebied bevatte, was in grootte toegenomen. Ten westen strekte dat eiland zich uit tot aan het westen van Frankrijk, en was het door Piemont in verbinding met het Italiaansche schiereiland. Ten oosten bevatte het al het land, dat zich tot ongeveer 35° oosterlengte uitstrekte, en ten zuiden verlengde het zich over Dalmatië tot in Griekenland. Ten noorden was het begrensd door de zee, die daar eene groote baai vormde, de vlakten van Hongarije bedekte en in eenen betrekkelijk nauwen arm geheel Europa doorsneed. In het oosten was de Hongaarsche zee in gemeenschap met den Grooten Oceaan; deze strekte zich uit over Zuid-Rusland; de Zwarte Zee, de Caspische Zee en de zee van Aral zijn daarvan slechts kleine overblijfselen. Die Oceaan bedekte waarschijnlijk het oosten van den Ural en breidde zich uit over de uitgestrekte vlakten van Siberië, zoodat Europa en Azië van elkander gescheiden waren, omdat die zee in gemeenschap stond met de Poolzee.
Bovendien strekte zich de miocene zee uit over Armenië en het oosten van Klein-Azië, en was zij in verband met de Middellandsche zee, zooals blijkt uit de talrijke versteeningen, die aan al die landen gemeen zijn. Daarentegen was de straat der Dardanellen afgesloten en bestond de Aegeïsche zee niet. Griekenland vormde een vastland, dat zich verlengde tot aan Klein-Azië: de eilanden van den Aegeïschen archipel zijn de bergen van een land, dat later gezonken is. Richten wij onze blikken naar het zuiden, dan zien wij, dat de Middellandsche zee met den Indischen Oceaan vereenigd was en Egypte bedekte; zij strekte zich uit over Mesopotamië, waar zij waarschijnlijk in gemeenschap stond met den Oceaan van Rusland. De molassezee bedekte de Alpen zelf niet, zooals dit met de nummulietenzee het geval geweest is, maar hare golven stroomden rondom die streek, die al duidelijker en duidelijker haren tegenwoordigen vorm vertoonde.
Daar de planten- en dierenwereld van Marokko en Algerië in grondtrekken eene groote overeenkomst vertoont met die der Europeesche kusten, zoo heeft men reeds langen tijd gemeend, dat die landen eertijds verbonden waren door landengten, zooals die welke bij Gibraltar bestonden, waarschijnlijk tusschen Corsika en Sardinië. Die meening is later nog waarschijnlijker geworden door de overblijfselen van beenderen, die men onlangs in Sicilië ontdekt heeft, en die ons leeren, dat de Afrikaansche olifant, de hippopotamus en de gevlekte hyena in Sicilië leefden, en dat dus eertijds dat land in verbinding moet gestaan hebben met Afrika.
De Baltische zee was waarschijnlijk droog en verbonden met het oorspronkelijke Scandinavië; die zee is het vaderland van het barnsteen, dat niets anders is dan het product der naaldboomen uit de tertiaire periode.
Denemarken, Nederland en het noorden van België lagen onder water en de zee strekte zich tot Keulen uit, doch de geologische formatie der kusten van Bretagne en Engeland en de aard van den bodem maken het waarschijnlijk, dat Frankrijk en Engeland met elkander in gemeenschap stonden. Het is ook waarschijnlijk, dat de Britsche eilanden, zooals wij reeds vroeger mededeelden, een klein gedeelte uitmaakten van een groot vastland, dat zich over den Atlantischen Oceaan tot aan Amerika uitstrekte.
Landschap der miocene periode, bij Lausanne, naar Oswald Heer.
De rijzing van de Alpen, die heeft plaats gehad na de molassezee, heeft aan Europa haren tegenwoordigen vorm gegeven. Eenige honderden meters verschil (dikwijls zelfs eenige tientallen) zijn voldoende, om de zee op de plaats te brengen van het land, en omgekeerd. De formaties, die wij geleidelijk hebben zien ontstaan, hebben herhaaldelijk rijzingen en dalingen ondergaan, waardoor zij beurtelings boven en onder water gekomen zijn. De opheffing der Alpen is dan ook de oorzaak van het verschil in den vorm van Europa in de miocene periode en thans. Naarmate de Alpen gerezen zijn, hebben zij de zee teruggedreven naar hare tegenwoordige grenzen. In het westen is het vasteland, dat waarschijnlijk een deel van den Atlantischen Oceaan innam, onder de golven van den Oceaan gedaald, en is het Kanaal ontstaan, dat de verbinding vormt tusschen de Noordzee en den Atlantischen Oceaan.
Wij zeiden reeds vroeger, dat de miocene formatie in drie lagen kan worden verdeeld: de onderste of langhische is eene zoetwatervorming en is ontstaan vóór den inval der molassezee. De middelste of Helvetische laag omvat de zeevorming van het schelpzand van Touraine en de Zwitsersche molasse. In de bovenste of Tortonische laag vindt men de lagen, die gelijktijdig ontstaan zijn met de klei van Tortone in Italië, en vooral het meerendeel der bezinkingen van het bekken van Weenen.
In het begin der miocene periode is Parijs door eene groote zee bedekt, die uit het noord-oosten afkomstig was; het zand, daaruit afgezet, is de zandsteen van Fontainebleau geworden; die zee, die om Normandië stroomde, komt niet verder dan het zuiden van Engeland; in het noordoosten bedekt zij nog een groot gedeelte van België, doch weldra trekt zich die zee weder terug en ontstaat daar een groot, zich ver naar het zuiden uitstrekkend meer, waarin zich de kalksteen van Beauce afzet.
Het is merkwaardig, om den zandsteen van Fontainebleau op den top dier heuvels te beschouwen. Men zou meenen, dat de zee eerst sedert gisteren is teruggetrokken. De zandsteen ligt tusschen twee zoetwatervormingen, de kalksteen van Beauce er boven, die van Brie er onder.
Daarna heeft het zoetwater in de middelste miocene periode het zand van Orleans afgezet, waarin onder het tegenwoordige bosch van Orleans de dinotheriums en mastodonten bewaard zijn gebleven. Later is de zee teruggekeerd naar het westen van Parijs, en heeft zij het aanzijn gegeven aan het schelpzand van Touraine, Anjou, Bretagne, Cotentin en Bordeaux. Dat schelpzand is eene zeevorming, bestaande uit gebroken schelpen, poliepen, mosdieren, vermengd met meer of minder grof kiezelhoudend zand. Dezelfde bezinksels heeft de zee toen achtergelaten in de golf van Aquitanië, bij Bordeaux en in de Rhônevallei. In Provence en Dauphiné heeft zij kalksteen afgezet.
In dienzelfden tijd heeft de zee bijna geheel Zwitserland overstroomd, boven de Alpen, die nog niet geheel opgeheven waren. De naam van molasse is gegeven aan de formaties, voornamelijk zandsteen, die op den bodem der Helvetische zee gevormd zijn. Men kan bijna zeggen, dat de naam middelste „miocene formatie” dezelfde beteekenis heeft als „molasse.”
De bezinksels uit dien tijd zijn zeer aanzienlijk en verheffen zich thans aan den Alpenrand tot tamelijk hooge bergen, zooals de Speer (2000 meters) en de Rigi (1800 meters). In het noorden is de molasse-formatie niet zoo hoog; men kan daaruit besluiten, dat het water in die richting afstroomde, en stroomen en beken vormde.
De voornaamste gesteenten, die zich in die periode afzetten, zijn zandsteen, mergel, kalksteen, en nagelfluh. (Nagelfluh bestaat uit ronde keisteenen van alle grootten, met elkander verbonden door zandhoudend mergel of zandsteen).
Terwijl de kalksteen eene belangrijke rol speelt in de Jura- en krijtformaties, is hare beteekenis in de molasseformatie zeer onbeduidend. De omstandigheden, waaronder die geweldige kalkmassa’s gevormd zijn, zijn in die nieuwe periode geheel gewijzigd; wij vinden die duizenden kleine werklieden in de zee niet meer terug, die zonder oponthoud arbeidden aan den opbouw der aardschors. Men vindt zeer dikwijls bruinkool in de molasse-formatie.
Het terugwijken der molassezee heeft zich in het zuidoosten van Frankrijk gekenmerkt door de grootste geologische gebeurtenis, waarvan die streek ooit het tooneel is geweest: de beslissende vorming der Alpen dagteekent van dat tijdperk. Die hooge bergen hebben hunnen tegenwoordigen vorm gekregen ten gevolge van bewegingen, die hebben plaats gegrepen na de bezinking der molasse. Gedurende de bovenste miocene periode rijst noordelijk-Europa langzaam.
Door eene bepaalde streek te bestudeeren, die bijzonder rijk is aan plantaardige fossielen en aan dieren, aan die periode eigen, namelijk het gebied van Oeningen in Zwitserland bij het meer van Constanz, heeft Oswald Heer reeds langen tijd geleden het geheele leven dier oude eeuwen op uitstekende wijze weder opgeroepen. Hij heeft voornamelijk sequoia’s, cipressen, grassen (o.a. rijst en gierst), riet, het grootste gedeelte van onze struiken, acht verschillende soorten van populieren, eene soort van abeel, haagbeuken, noteboomen, eiken, olmen, 17 soorten van vijgeboomen, 25 soorten van laurierboomen, kamferboomen, esschen, lianen, ranonkels, meelbloemen, wijnstokken, magnolia’s, mirthen, linden, acacia’s, mimoseën, ahornen, hazelaars, hulsten, kerseboomen, pruimeboomen en amandelboomen teruggevonden. Pere- of appelboomen uit dien tijd zijn tot nog toe niet bekend.
Als karakteristieke planten hebben wij op blz. 535 het merkwaardige landschap van Lausanne uit de miocene periode weergegeven, dat de bekende Zwitsersche natuuronderzoeker vervaardigd heeft. Men ziet daar bij elkander: palmboomen, acacia’s, eiken, haagbeuken, noteboomen, pijnboomen en hulsten. Rhinocerossen, tapirs en krokodillen worden gelokt door het frissche water. Het klimaat der Zwitsersche valleien en van centraal-Frankrijk was toen dat van Louisiana of van Noord-Afrika (20° tot 21° gemiddeld) in de oudste miocene periode, en dat van Madera, Malaga, Sicilië (18° tot 19°) in de jongste miocene periode.
Het gezamenlijk voorkomen van tropische planten en die van de gematigde streken wijst op zachte winters en niet te warme zomers: een zeeklimaat. De gevonden planten bewijzen, dat de temperatuur in het noorden in dien tijd afnemende was. Op Spitzbergen is zij reeds tot 8° gedaald, en hetzelfde is ook het geval op Groenland, waar men magnolia’s, sequoia’s, populieren, kastanjes, eiken en zelfs den wijnstok gevonden heeft. Thans is de gemiddelde jaartemperatuur dier streken 7° tot 8° onder nul. De boomen, die in de gematigde luchtstreken voorkomen, dennen, eiken, populieren enz., dalen in die periode van het noorden naar zuidelijker gelegen streken af, en beginnen met over te komen, op de bergen, waar de temperatuur lager is. De palmen worden alleen gevonden in de vlakte en de valleien. Verschillen in klimaat en afwisseling van jaargetijden worden merkbaar. De gevonden insecten leggen dezelfde getuigenis af.
In de vroegere tijden, even als thans, maken de insecten het grootste deel uit van het dierenrijk. Niettegenstaande hunne kleinheid en de zwakheid van hunnen bouw, is er een zóó groot aantal soorten tot ons gekomen, dat er geen twijfel daaromtrent kan bestaan. Oswald Heer heeft 876 fossiele soorten uit die periode verzameld. Die insecten worden aldus verdeeld: 543 schildvleugeligen, 20 rechtvleugeligen, 29 netvleugeligen, 81 vliesvleugeligen, 3 schubvleugeligen, 64 tweevleugeligen en 136 halfvleugeligen. Het talrijkst zijn dus de schildvleugeligen; daarop volgen de halfvleugeligen, de vliesvleugeligen, de tweevleugeligen en de netvleugeligen. De schubvleugeligen zijn het slechtst vertegenwoordigd. Onder de vliesvleugeligen komen, evenals thans ook het geval is, het meest mieren, onder de tweevleugeligen, muggen voor.
Fig. 290. Insecten der miocene periode, in fossielen toestand gevonden.
Fig. 290 doet ons eene merkwaardige verzameling van die insecten uit de miocene periode zien. Men merkt voornamelijk de schildvleugeligen op, waaronder verscheidene vormen van lievenheersbeestjes en een groot aantal insecten; die men nog thans op velden en weiden vindt. Men ziet beneden verscheidene soorten van vliesvleugeligen, die in het water van het meer van Oeningen gevallen zijn en op den bodem van het meer versteend zijn; men vindt daaronder bijen, hommels, wespen en mieren. Vlinders komen zeldzamer voor; toch vindt men er enkele onder. Het zijn de laatstgevormde insecten en de meest volkomene.
De insecten verhalen de korte geschiedenis van het leven op aarde; hunne gedaanteverwisselingen herinneren aan de opvolging der eeuwen; de vlinder is de tijdgenoot der bloemen, terwijl de rups door hare wapenen en haar geheel voorkomen aan de primaire en secundaire periode herinnert; de gedaanteverwisseling, die thans in enkele maanden plaats heeft, vertegenwoordigt eene periode van millioenen jaren. De oorspronkelijke soorten zijn bijna onveranderd gebleven. De krekel en de kakkerlak der steenkoolperiode hebben de veranderingen der aarde overleefd en hebben daarbij hunne gewoonten en levenswijze behouden; wij vinden ze thans verscholen bij de bakkersovens of bij de fornuizen der oude keukens, zich warmend evenals ten tijde der steenkoolperiode en het tegenwoordige meel verslindend, zooals eertijds het meel der cycadeën en der paardestaarten. Zij zoeken de warmte op en vermijden het licht, zeker niet wetend, dat de wereld veel veranderd is sedert den tijd dat zij in de oorspronkelijke bosschen huisden.
In het gegons der insecten herkennen wij de echo der vervlogen eeuwen. Er waren toen nog geen vogels en nog geen gezang; de vleugels der krekels en der sprinkhanen, het gegons der insecten in de bosschen en de velden na eenen warmen zomerdag, doen in de zoele lucht onduidelijke klanken hooren, die ons verhalen van die oorspronkelijke tijden. De avondschemering herinnert hun de periode van schemering, waarin zij het aanzijn ontvangen hebben.
Wij hebben onze kennis der fossiele insecten te danken aan de onderzoekingen van Brongniart, Grand’Eury, Fayol en Oswald Heer. Vóórdat wij afscheid nemen van de fossielen van Oeningen, moeten wij nog mededeelen, hoe die uit een geologisch oogpunt zoo merkwaardige plaats, die zoo rijk was aan alle soorten van fossielen, insecten, visschen, kruipende dieren enz. reeds in de vorige eeuw de natuuronderzoekers had verbaasd door eene vreemde ontdekking.
Men vond daar in 1725 die beroemde versteening, die de geleerde wereld eene halve eeuw lang in beroering bracht, en waarin de natuuronderzoeker Scheuchzer eenen fossielen mensch meende te herkennen, dien hij den naam gaf van homo diluvii testis, „mensch, getuige van den zondvloed”. Inderdaad was het niets anders dan het geraamte van eenen slecht bewaard gebleven kikvorsch of liever van eenen salamander, 1,26 meters lang. Het hoofd, de wervelkolom, de armen, de beenen, waren in de oogen van de natuuronderzoekers uit die dagen, deelen van een menschelijk geraamte. Langen tijd bracht die praeadamiet de wereld in beweging, doch, hoewel men tot bewijs van de juistheid der ontdekking zich beriep op de ontdekking van werkelijk versteende geraamten van menschen aan de kusten van Guadeloupe, leerde men door de vorderingen, in de vergelijkende ontleedkunde gemaakt, eindelijk den waren aard der versteening kennen. Men zag, dat de te Oeningen gevonden brokstukken behoord hadden aan eenen reuzensalamander, en men werd hierin bevestigd door het vinden van volledige geraamten dier voorwereldlijke dieren aan de oevers van den Rijn en in Japan. Bovendien bleek het, dat de „fossiele menschen” van Guadeloupe niets anders waren dan lijken, die door het water, dat door de dunne laag aarde van een door Europeanen na de ontdekking van Amerika aangelegd kerkhof, met eene soort kalkhoudende tufaarde omgeven waren.
Scheuchzer had over dien praeadamiet eene uitgebreide verhandeling geschreven. Die verhandeling bevatte eene houtsnede van den mensch, getuige van den zondvloed. Hij kwam in een ander werk, Physica sacra op dit onderwerp terug. Hij schrijft: „zeker is het, dat die steen bijna de helft van het geraamte van eenen mensch bevat; dat de beenderstof zelfs, en wat nog meer zegt, het vleesch en nog zachtere deelen dan het vleesch, in den steen aanwezig zijn; in één woord, dat het één der zeldzaamste overblijfselen is, die wij nog hebben van het vervloekte ras, dat onder het water bedolven werd. De figuur vertoont ons den omtrek van het voorhoofdsbeen en de oogholten, die enkele groote zenuwen doorlaten. Men vindt er overblijfselen van de hersenen, van het hoofdwigbeen, van de kaken, en sporen van den lever.”
Fig. 291. De mensch, getuige van den zondvloed, volgens Scheuchzer. (1725). Versteende salamander.
Hoe het mogelijk is, dat genoemde natuuronderzoeker in dit geraamte een mensch heeft kunnen zien, blijft een raadsel (zie fig. 291). Cuvier zeide reeds: „Neem een geraamte van eenen salamander en leg het, zonder u te laten in de war brengen door het verschil in grootte, naast de versteening, hetgeen gemakkelijk is, indien men eene teekening van eenen salamander op de natuurlijke grootte vergelijkt met de teekening der versteening op ⅙ der ware grootte, en alles wordt u duidelijk. Indien men over de versteening mocht beschikken, dan zou men zeker in de wervels, in de kaken, in de sporen van zeer kleine tanden en zelfs in het doolhof van het oor nog een aantal nieuwe bewijzen daarvan vinden.”
De groote natuuronderzoeker had de voldoening, zelf het onderzoek te mogen doen, waarvan hij in het bovenstaande sprak. Toen hij te Haarlem was, vroeg hij den bestuurder van het Museüm, om den steen te mogen uithollen, die den zoogenaamden fossielen mensch bevatte. De bewerking had plaats in tegenwoordigheid van den bestuurder en eenen anderen natuuronderzoeker. Eene teekening van het geraamte van eenen salamander was door Cuvier naast het fossiele voorwerp geplaatst. Hij had de voldoening, dat naarmate het geraamte meer werd blootgelegd, de juistheid zijner onderstelling meer en meer werd bevestigd.
Zoo geraakte de salamander van Oeningen, die een oogenblik veranderd was in een fossiel mensch, weder in vergetelheid, zooals dit het geval geweest is met een aantal dergelijke ontdekkingen, hetzelfde onderwerp betreffende. De werkelijke overblijfselen van eenen fossielen mensch zijn eerst in onze eeuw gevonden, zooals wij later zullen zien.
In diezelfde miocene periode heeft de vogel, niet meer de reptiele, maar de werkelijke vogel, voor goed bezit genomen van den dampkring. Het is nu niet meer de archeopteryx alleen, die in de cycadeënbosschen fladderde, zonder zich van de moerassen te verwijderen of de toppen van bergen op te zoeken, die nog niet bestonden. Er ontstaan uitgestrekte vastelanden, met elkander door landengten verbonden. Wie anders dan de vogel zal ze het eerst bezoeken? Hij bezit doordringende oogen, om verre streken te ontdekken, en die verre streken nemen meer en meer toe en de aarde breidt zich uit en het vasteland ontwikkelt zich, naarmate hij vooruitgaat. Hij moet dus, in de plaats van den strammen vleugel van eenen archeopteryx, eenen onvermoeibaren vleugel verkrijgen.
Zoo is het vliegvermogen het uitvloeisel van den nieuwen vorm der aarde. In de Juraperiode was de vogel een gevangene. Hij kon zijne krachten en zijn instinct niet ontwikkelen, en daarom was zijn vleugel niets anders dan een arm, waarmede hij zich meer ophield, dan dat hij de lucht er mede doorkliefde. De tertiaire wereld ontrolt zich voor hem, en zie, nu vervolgt hij den steeds wijkenden gezichtseinder; zijn instinct is hem geopenbaard, hij vertrouwt zich aan de uitgestrekte ruimte toe. Een nieuw type ontstaat tegelijk met een nieuw heelal. Hoever zijn wij reeds verwijderd van het silurische weekdier of het kruipende dier uit de Juraperiode!
De vogel! de levende poëzie! de vrije vlucht, de vleugel, de vrijheid boven den beganen grond, het gezang, het nest, de liefde, het ei! alles tegelijk.
De levende natuur was stom gebleven tot aan het einde der primaire tijden. Bij het geraas van de golven, van den wind in de bladeren, den bliksem en het onweder, de orkanen en de stormen, waren de weekdieren, de visschen, de schaaldieren stom gebleven. De insecten begonnen te gonzen, de krekels klepten met hunne vleugels, de kikvorschen kwaakten, de eerste zoogdieren brulden, de reuzenhagedissen loeiden of schreeuwden. Maar nog geen enkel wezen had gezongen.
Doch daar verschijnt de vogel, de blauwe hemel, de bloem. De aarde volmaakt zich. Spoedig kan de menschheid geboren worden.
Liefelijke vogel, zinnebeeld van den vooruitgang, welkom op aarde! Beter dan alle vorige wezens openbaart gij ons de algemeene wet der schepping; van u leeren wij meer dan van de geheele geschiedenis der menschheid. Gij leert ons, dat in de goddelijke natuur alles streeft naar het schoone, naar harmonie, naar licht. Rustelooze bouw van het nest, duistere en heerlijke gewaarwordingen van den broeienden vogel, geboorte en opvoeding der jongen: is dat niet een beeld van de ontwikkeling der menschheid?
In de miocene periode zijn de vogels zeer talrijk. In de fossiele formaties van het departement l’Allier heeft Milne-Edwards meer dan 70 verschillende soorten van vogels gevonden, tot zeer verschillende groepen behoorend, zooals pelikanen, kraanvogels, marabu’s, lepelaars, ibissen, zwaluwen, papegaaien, enz.; die vogels wijzen op een warmer klimaat dan het onze: het midden van Frankrijk moest dus hetzelfde klimaat hebben als thans centraal-Afrika.
De vooruitgang openbaart zich in alle afdeelingen van het dierenrijk. Wij hebben reeds in het vorige hoofdstuk gezien, dat de dikhuidigen, lophiodons, paleotheriums, anoplotheriums, naar alle waarschijnlijkheid zijn voortgekomen uit de buideldieren, en wel in het begin der eocene periode. Zoo hebben de dikhuidigen waarschijnlijk weder het aanzien geschonken aan de herkauwende en de verscheurende dieren.
De paleontologie wijst ons, zooals wij zagen, op fossiele soorten, die de voorouders kunnen zijn van sommige tegenwoordige verscheurende dieren; ook begint zij ons schakels te vertoonen, die soorten vereenigen, welke thans van elkander gescheiden liggen. Niet alle dieren, die men onder den naam van verscheurende dieren bijeenvoegt, hebben dezelfde voedingswijze: de leeuw eet versch vleesch, de hyena lijken, terwijl enkele beren evenzoo omnivoor zijn als de zwijnen. Hiermede hangen belangrijke verschillen in den vorm der tanden samen; naarmate de voeding van het dier meer tot die der verscheurende dieren behoort, zijn zijne tanden scherper en de hoektanden grooter; indien zijne levenswijze met die der omnivoren overeenkomt, dan krijgen de knobbelkiezen de overhand. Zoo komen ook de ledematen der verschillende dieren overeen met hunne levenswijze; de beer, die weinig loopt en in de boomen klimt, kan niet dezelfde ledematen hebben als de hond; de klauwen, waarmede de hond zijne prooi verscheurt, kunnen niet gevormd zijn als die van de hyena. De roofdieren worden dan ook in zes families verdeeld:
|
|
Tusschen de verschillende families bestaan talrijke punten van overeenkomst. Niettegenstaande het groote verschil tusschen den hond en den beer kent men fossiele roofdieren, die weer het denkbeeld van verwantschap tusschen die dieren opwekken. Zoo b.v. de amphicyon: dat viervoetige dier, dat één der meest eigenaardige fossielen is van het midden der tertiaire periode, behoort zeker, zooals de naam aanwijst, tot de honden; dit is zelfs zóó waar, dat de paleontologen dikwijls moeite hebben, om de overblijfselen van den amphicyon te onderscheiden van die der honden. Toch was de amphicyon een zoolganger en misschien een klimmend dier, evenals de beren, terwijl de honden teengangers zijn en niet klimmen.
Er is eene fossiele soort, waarbij de verwantschap met de beren nog duidelijker uitkomt dan bij den amphicyon; wij bedoelen den hyaenarctos1, die in de middelste miocene formatie gevonden is.
De hyena’s verschillen tegenwoordig veel van de civetkatten, doch dit is niet altijd het geval geweest; door het onderzoek der tanden leert ons de paleontologie den overgang kennen tusschen de hyena’s en de civetkatten.
De roofdieren der tegenwoordige tijden zijn door talrijke schakels aan die van vroeger verbonden; maar evenals vele grasetende dieren uitgestorven zijn en niet tot ons zijn gekomen, evenzoo is het ook zeker, dat enkele roofdieren alleen geleefd hebben in de geologische tijden en gestorven zijn, zonder kroost achter te laten. Gaudry geeft als voorbeeld den machoerodus2. Zooals de naam reeds aanduidt, bezat dat dier lange scheurkiezen, zoo scherp als het lemmet van een mes, waarmede het repen kon trekken uit de dikke huid der dikhuidige dieren; geen enkel dier van onzen tijd schijnt van dit roofdier af te stammen.
Fig. 292. De mastodon, de voorbode van den olifant. Miocene periode.
Wij hebben reeds opgemerkt, dat de zoogdieren in diezelfde miocene periode hunne grootste ontwikkeling schijnen verkregen te hebben. Sedert de langhische periode ziet men bij de placentaire landdieren de laatste karaktertrekken verdwijnen, die hen nog met de buideldieren verbonden. De snuitdieren verschijnen naast den mastodon en het dinotherium, die wij beide kunnen beschouwen als de voorboden der olifanten, waarmede zij trouwens talrijke aanrakingspunten vertoonen.
Het dinotherium is het grootste van alle ooit bestaan hebbende landzoogdieren. Langen tijd bezat men van dat dier slechts onvolledige overblijfselen, daardoor kwam Cuvier er ten onrechte toe, om het onder de tapirs te rangschikken. De ontdekking van eene bijna volledige benedenkaak, gewapend met eenen naar beneden gerichten slagtand, bewees, dat dit geheimzinnige wezen het type was eener nieuwe en tevens hoogst merkwaardige soort. Doch daar men dieren der oude wereld kende, wier boven- en benedenkaak beide van slagtanden voorzien waren, meende men een’ tijd lang, dat ditzelfde ook bij het dinotherium wel het geval kon wezen. Doch in 1836 werd bij Eppelsheim (Hessen-Darmstadt) een bijna volledige schedel gevonden met enkel slagtanden op de benedenkaak. Naar de gevonden ledematen te oordeelen, moet het dier groote gelijkenis gehad hebben met den mastodon.
De mastodon is het eerst in de vorige eeuw in Amerika ontdekt, en Buffon gaf het dier den naam van olifant van den Ohio. Cuvier noemde hem mastodon.
De mastodon der miocene periode had vier slagtanden, waarvan de kortste aan de benedenkaak geplaatst waren.
Ten allen tijde heeft men beenderen van fossiele olifanten en mastodonten gevonden; die beenderen hebben aanleiding gegeven tot de dwaze verhalen omtrent de opgraving van geraamten van oude reuzen; want in eenen tijd, toen de ontleedkunde nog zoo laag stond, kon de zucht tot het wonderbaarlijke te meer van dergelijke gebeurtenissen partij trekken, om denkbeelden te doen ingang vinden, die op de verbeelding werkten, waar de olifant een dier is, wiens geraamte (met uitzondering van de grootte) tamelijk veel overeenkomst heeft met dat van den mensch. Men zou een geheel boek kunnen vullen met verhalen omtrent fossiele beenderen van groote viervoetige dieren, die bedrog of onkunde hebben doen doorgaan voor overblijfselen van menschelijke reuzen. Het bekendste van die verhalen is dat omtrent het geraamte, dat men onder Lodewijk XIII vond, en dat men vertoonde als dat van Teutobochus, koning der Cimbren, die tegen Marius gestreden had.
Den 11den Januari 1613 vond men in eene zandgroeve bij het kasteel van Chaumont in Dauphiné tusschen de steden Montricaux en St. Etienne, beenderen, waarvan enkele door de werklieden gebroken waren; een heelkundige uit Beaurepaire, Mazurier genaamd, wien men de ontdekking mededeelde, maakte zich van de beenderen meester en besloot er zijn voordeel mede te doen; hij beweerde, dat hij ze in een graf van 30 voet lengte gevonden had, waarop geschreven stond Teutobochus Rex; hij deelde verder mede, dat hij tevens een vijftigtal penningen ontdekt had met de beeltenis van Marius. Al die verhalen maakte hij publiek in eene brochure, die er op ingericht was, de nieuwsgierigheid van het publiek te prikkelen, en hij liet zoowel in Parijs als op andere plaatsen de beenderen van den reus voor geld zien. Gassendi toonde aan, dat de zoogenaamde penningen nagemaakt waren; de beenderen, die thans in het Museüm te Parijs geplaatst zijn, zijn, zooals de vorm der tanden reeds op het eerste gezicht doet zien, beenderen van eenen mastodon en niet van eenen olifant, zooals men gemeend had, zoolang men geenen anderen gids bij het onderzoek had dan eene soort inventaris van de stukken, aan het publiek vertoond, en enkele niet zeer heldere opgaven in de geschriften der geneesheeren, die deelnamen aan den strijd vóór of tegen de leugenachtige beweringen van Mazurier.
Dergelijke dwaasheden waren in de achttiende eeuw reeds niet meer mogelijk; als men olifantsbeenderen vond, begreep men, dat het olifantsbeenderen en geene menschenbeenderen waren; maar toch geloofde men nog, dat zij ten tijde der Romeinen onder den grond begraven waren.
De mastodon, wiens verschijning uit de miocene periode dagteekent, is de voorbode en waarschijnlijk de stamvader van den olifant. Gaudry heeft op eene heldere wijze aangetoond, hoe de tanden van den oudsten mastodon zich geleidelijk gewijzigd hebben tot die van onzen tegenwoordigen olifant. Daaromtrent is geen twijfel meer mogelijk. Men ziet de soort zich langzamerhand vervormen van een volkomen omnivoor (allesetend) type tot een even volkomen grasetend type. Uit het oogpunt van het verstand is er niet minder vooruitgang dan uit het oogpunt van den bouw; onze lezers weten immers, dat de olifant één der verstandigste en goedmoedigste dieren is.
Zooals wij zagen, zijn in de miocene periode alle orden der zoogdieren vertegenwoordigd: dikhuidigen, verscheurende dieren, vleugelhandigen, knaagdieren, snuitdieren, herkauwende dieren, insectenetende, walvischachtige en vierhandige dieren. De merkwaardigste zijn, zooals wij zagen, de dinotheriums en de mastodonten. Zij waren vergezeld van een groot aantal andere bewoners der wouden, velden en oevers, zooals het antracotherium, een dikhuidig dier met snijtanden en scherpe kiezen gewapend, die ter verdediging konden dienen. De tapirs en de rhinocerossen verschijnen met de eerste voorouders der herkauwende dieren. Alleen in Griekenland, dat toen deel van een uitgebreid vastland uitmaakte, heeft Gaudry 51 verschillende soorten te voorschijn gebracht, waaronder wij, behalve de apen, waarover wij zoo aanstonds zullen spreken, hipparions, antilopen, gazellen, giraffen, wilde zwijnen, wilde katten, civetkatten, enz. kunnen noemen. Een tandeloos dier met kromme klauwen heeft den naam van ankilotherium gekregen. Een ander dier, dat half beer, half hond schijnt te zijn, en ook eigenschappen met de kat gemeen heeft, heeft den naam van simocyon gekregen. Eene soort van giraffe met niet bijzonder langen hals is helladotherium genoemd. Twee herkauwende dieren, gelijkende op onze geiten, heeten paleoceras en tragoceras. Bij al die dieren der miocene periode moeten wij nog voegen de bevers, de marmotten en een groot aantal steltvogels.
Fig. 293. Schedel van eenen mesopithecus der miocene periode.
Fig. 294. Mesopithecus der miocene periode in Griekenland.
Wij hebben reeds vroeger (in het vorige hoofdstuk) de onderzoekingen medegedeeld van Gaudry over de afstamming der apen uit de dikhuidigen en het optreden der halfapen in die periode. Wat ook die oorsprong zij, de voornaamste typen van apen komen in de miocene periode voor: in de formaties van dien tijd vindt men de gewone en de anthropomorphe apen.
De eerste fossiele aap, dien men heeft gevonden, is de semnopithecus subhimalayanus, door Baker en Durand in 1836 in de bovenste miocene formatie der Himalaya gevonden; hij had de grootte van eenen oerang-oetan. Spoedig daarna hebben Falconner en Gautley uit dezelfde lagen eene kleinere soort van semnopithecus opgedolven. Gervais heeft te Montpellier enkele stukken gevonden, die hij eveneens toeschreef aan eenen semnopithecus. Eene kaak van eenen makako is uit de pliocene terreinen van Val-d’Arno opgedolven.
Fig. 295. De siamang, een gibbon der miocene periode.
In de bruinkool van Elgg, in Zwitserland, heeft men eene goed bewaard gebleven kaak van eenen aap gevonden, waarin de tanden nog aanwezig waren; het was een aap, die tot de familie der catarrhinae, smalneuzen, behoorde. Die kaak heeft bijzonder veel overeenkomst met eene andere apenkaak bij Auch ontdekt door Lartet, en behoort tot dezelfde soort. Gervais is van oordeel, dat het eene uitgestorven soort is, de pliopithecus, terwijl Rütmeyer meent, dat het een Indiaansche gibbon is; in ieder geval heeft hij de grootste overeenkomst met die langarmige, staartlooze apen. Volgens Rütmeyer is die oorspronkelijke gibbon één der voorouders van den siamang van Sumatra.
Gaudry heeft te Pikermi de overblijfselen bijeengezameld van 25 exemplaren van het geslacht mesopithecus; daaruit kan men zich een denkbeeld vormen van zijn voorkomen en zijne levenswijze (fig. 293 en 294). Zijn gezichtshoek van 57° wijst op eenen aap, die tamelijk ontwikkeld was; zijne tanden toonen aan, dat hij zich niet uitsluitend met vruchten, maar ook met boomknoppen voedde. Uit de gelijkheid van zijne vóór- en achterpooten kan men afleiden, dat hij veeleer liep dan klom; hij leefde in kleine troepen vereenigd. De kennis van de verschillende deelen van het geraamte van den mesopithecus leert ons, dat die aap den overgang vormt tusschen twee thans nog levende soorten, de semnopitheken en de gibbons; daarom heeft men ze ook mesopitheken genoemd3.
De ontdekking der anthropomorphe fossiele apen is men verschuldigd aan Gaudry. In 1835 heeft hij bij Auch den pliopithecus gevonden, die nauw aan den gibbon verwant is. Later heeft hij den dryopithecus beschreven; men kent daarvan echter alleen de benedenkaak en het sleutelbeen. „De dryopithecus,” zegt de uitnemende geleerde, „was een zeer ontwikkelde aap. Hij kwam in verschillende bijzonderheden met den mensen overeen. Hij moet ongeveer even groot geweest zijn als de mensen; zijne snijtanden waren klein; zijne achterkiezen hadden knobbels, die minder rond waren dan die van de Europeesche rassen, maar die geleken op de knobbels van de kiezen der Australiërs. Naast die punten van overeenkomst is er een punt van verschil, dat ons treft, zoodra wij de kaak van een mensch met die van eenen dryopithecus vergelijkt: in de kaak van den mensch is de eerste achterkies sterker dan bij den dryopithecus, de hoektand en de voorkiezen zijn echter zwakker; dat verschil is van groot gewicht, want de verkorting der voortanden staat in verband met het weinig vooruitsteken van het gelaat, en is dus een bewijs voor de voortreffelijkheid van den mensch; de mensch kenmerkt zich vooral door eene buitengewone ontwikkeling van de beenderen, die de hersens, den zetel der gedachten, omgeven, en eene zóó sterke vermindering der aangezichtsbeenderen, dat zij niet meer eenen snuit, maar den gevel van het hoofd vormen.”
Zoo wordt van stap tot stap de heerschappij van den mensch voorbereid.