Men zoude kunnen meenen, dat het juister geweest ware, tot titel van dit werk te kiezen: De wereld vóór het optreden van den mensch dan de wereld vóór de schepping van den mensch. Doch bij de tegenwoordige opvatting der wetenschap zijn beide uitdrukkingen volkomen aan elkander gelijk. De studie der natuur heeft ons in den loop van dit werk geleerd, dat de beteekenis vroeger aan het woord schepping gehecht, niet de juiste is, en dat men nergens eene eigenlijk gezegde schepping waarneemt. Nog nooit heeft men iets uit niets zien voortkomen. Niet alleen dat geen enkel levend wezen, hoe laag ontwikkeld ook, geen stroohalm of mos uit niets ontstaat, maar zelfs niet de nietigste stof, de minste molecule, of de minste hoeveelheid warmte, licht en electriciteit, geene enkele kracht en geen enkel atoom ontstaat uit niets. Voor hem, die vrij en zonder vooringenomenheid het schitterend schouwspel van het levende heelal bestudeert, is dat heelal in al zijne onderdeelen eene geleidelijke ontwikkeling van zaken en wezens. Wij moeten dus onder het woord schepping verstaan natuurlijke ontwikkeling. In dien zin opgevat kunnen wij onzen titel behouden. De mensch is niet plotseling verschenen, maar geleidelijk geschapen door de krachten der natuur.

Wij willen daarmede volstrekt niet zeggen, dat de studie der natuur ons er toe leiden moet het bestaan eener grondoorzaak te ontkennen, die blijvend inwerkt in de ontwikkeling van het heelal, eene onzichtbare kracht, die de ontwikkeling van wezens en zaken bestuurt met eene bedoeling, die ons tot nu toe onbekend is. Het is van belang, dat wij de grenzen der wetenschap nauwkeurig kennen. Dwaasheid zou het zijn te beweren, dat men niets weet; men weet veel, en ieder rechtgeaard mensch moet doordrongen zijn van dankbaarheid jegens de onderzoekers van alle eeuwen, die hun geheele leven gewijd hebben aan den arbeid, en wier onderzoekingen der menschheid de schatten van den geest en de materieele rijkdommen geschonken hebben. Doch indien men veel weet, men weet niet alles, en de proefondervindelijke wetenschappen hebben hare grenzen, zij kan de belangrijke vraag omtrent het bestaan der Godheid en de onsterfelijkheid der ziel niet oplossen, en zeker niet in ontkennenden zin. Het is de plicht van iederen denker, die de waarheid liefheeft, vrijmoedig te zeggen wat hij weet. De philosophische stelsels, die uit naam der wetenschap het bestaan der menschelijke ziel ontkennen, zien slechts ééne zijde van de schepping en dat wel niet de schoonste zijde. Het is zeer zeker moeilijk, zich los te maken van iedere keten en vrij te denken, doch dit is dan ook ’s menschen grootste verdienste en de beste oefening van onzen geest.

De schepping van den mensch begint niet met den titel van dit hoofdstuk; zij klimt door haren oorsprong tot de eerste bladzijden van dit boek op. Onmerkbaar, geleidelijk, hebben zich de wezens ontwikkeld tot die hoogte, waarop thans de menschheid staat. Het is even onmogelijk te zeggen, wanneer de mensch begonnen is, als wanneer de roos begonnen is. Aanschouw die prachtige roos uit onze tuinen, met hare menigvuldige bloembladeren, adem haren heerlijken geur in, bewonder hare zoo zachte kleurschakeeringen en zoek naar haren oorsprong. Gij zult opklimmen tot de wilde roos en tot den hagedoorn, maar het is de roos niet meer. Zoek naar den oorsprong van de zoo schoone en saprijke perzik; zoek naar den oorsprong van de lelie of de orchidee; en tot den oorsprong opklimmend, verliest gij ongemerkt het voorwerp van uw onderzoek uit het oog. Van de tegenwoordige aarde, bedekt met de voortbrengselen der strijdende menschheid, bezaaid met velden, weiden, steden, dorpen, wegen, spoorwegen, klimt gij ongemerkt op tot de aarde der iguanodons, dinosauren, labyrinthodonten, tot het primaire tijdperk, tot de nevelvlek. Alles is overgang, verandering, ontwikkeling.

Het verschil tusschen middernacht en middag is groot, en toch is het onmogelijk te zeggen, op welk oogenblik de dag begint. Zoo is het ook met den mensch.

Indien wij de menschheid in haren tegenwoordigen toestand beschouwen, dan zijn wij geneigd te gelooven, dat zij altijd geweest is, zooals wij haar thans zien. Toch zien wij zelf hare ontwikkeling vóór ons en kunnen wij ons rekenschap geven van de snelheid, waarmede alles verandert. Wij kunnen ons reeds moeilijk den tijd voorstellen, toen er geen spoortreinen of telegrafen waren, en toch is dit nog zoo kort geleden. Onze voorvaders zouden hunne oogen niet gelooven, als zij eenen trein zagen, die in 60 uren van Parijs naar Konstantinopel vloog en hoorden, dat dit wonder alleen gewrocht wordt door den damp van eenige liters kokend water. Wij zien steden, gezellige huizen, door glas afgesloten, komediegebouwen, academies en kerken; wij zien kleeren en meubelen; wij hooren muziek, wij lezen dagbladen en boeken, en zijn geneigd te meenen, dat dit alles altijd bestaan heeft. Doch inderdaad heeft zich dat alles geleidelijk ontwikkeld.

De mensch heeft zich zelf vroeger gemaakt tot datgene wat hij thans is, en maakt zich zelf thans tot datgene wat hij morgen zal zijn. Lichaam, geest, zeden, denkbeelden, taal, alles verandert, en dat wel snel genoeg.

De taal, die wij thans spreken, is eene geheel andere dan die van voor duizend jaren. Onze voorouders uit dien tijd zouden ons niet meer verstaan. Geleidelijk heeft de mensch zijne taal, zijne denkbeelden, zijne geestesgaven verworven; geleidelijk is de menschheid geworden wat zij thans is. Wij moeten echter zeggen: de beschaafde menschheid; op onze planeet, vooral in centraal-Afrika, in het zuiden van Amerika en op de eilanden van de Stille Zuidzee vindt men nog groepen van wezens, die wel menschen genoemd worden, maar die daarmede niets anders dan den vorm gemeen hebben. En wat voor vorm! De wilde volksstammen, die ongeschikt zijn tot het bevatten der eenvoudigste denkbeelden, die minder ontwikkeld zijn dan verscheidene van onze huisdieren, die onvatbaar zijn voor elke opvoeding, die geene geschiedkundige herinneringen hebben, die niet verder kunnen tellen dan de vijf vingers der hand, die voor hun eigen kroost geen dieper gevoel hebben dan sommige soorten van apen, vogels of kangoeroe’s, die laag ontwikkelde wezens kunnen nog niet worden ingeschreven in de rijen der menschheid, wier verstandelijke ontwikkeling wij zoo even prezen.

De verwantschap van den mensch met de wezens, die hem zijn voorafgegaan, wordt door een aantal onwederlegbare feiten bewezen. Die feiten kunnen in verschillende klassen worden gerangschikt en zijn voornamelijk de volgende: 1º. De vergelijkende ontleedkunde toont de overeenkomst in bouw aan van het lichaam van den mensch en de hoogste diersoorten, van het geraamte tot de organen en de geringste bijzonderheden van het lichaam; 2º. de physiologie leert, dat het meest kenmerkende orgaan van den mensch, de hersenen, zich geleidelijk bij de dieren ontwikkeld heeft om langzaam en zonder plotselingen overgang te eindigen in de hersenen van den mensch; 3º. de waarneming van het verstand der dieren bewijst, dat zij in minderen graad alle verstandelijke vermogens van den mensch bezitten, gewoonlijk in rudimentairen toestand, doch somtijds ook op merkwaardige wijze ontwikkeld; 4º de physische en geestelijke verwantschap van den mensch met de hoogere dieren heeft duidelijke sporen nagelaten in de afgestorven (geatrophieerde) organen van den mensch, die het erfdeel zijn der oorspronkelijke voorouders, en in de gevallen van terugslag (atavisme) of terugkeer tot den oorsprong; 5º. de embryologie (leer der ongeboren vrucht) toont aan, dat zelfs nu nog ieder menschelijk wezen in den moederschoot, alle vroegere dierlijke phasen doorloopt, en dat ieder van ons, vóórdat hij mensch werd, ei, kruipend dier en zoogdier geweest is; 6º. de geologie en de paleontologie leveren van het voorgaande de proef op de som, daar de wezens, wier versteening wij terugvinden, eene geleidelijke ontwikkeling vertoonen, van de plant- en weekdieren tot aan den mensch.

Van al deze feiten, die te zamen de bouwstof leveren voor de oplossing van het groote vraagstuk, heeft de zesde reeks het onderwerp van dit werk uitgemaakt, en onze lezers hebben het belang en de waarde dier feiten zelf kunnen beoordeelen. De vijf andere hebben wij in grove trekken geschetst, in het gedeelte, dat handelde over den oorsprong en de ontwikkeling van het leven; wij moeten echter thans nog eens de voornaamste van die bewijsgronden voor oogen nemen en trachten te ontdekken, uit welke diersoort de menschheid is ontstaan, en wanneer die belangrijke wijziging heeft plaats gegrepen.

Wij zeiden dan in de eerste plaats, dat de vergelijkende ontleedkunde aantoont, dat er eene groote overeenkomst is in den bouw van den mensch en de hoogere dieren. Dit weet tegenwoordig iedereen. Er is niemand meer, of hij heeft honderden malen opgemerkt, zonder dat hij daarom een groot waarnemer behoeft te zijn, hoe groote overeenstemming er is tusschen de ligging der voornaamste organen bij ossen, kalveren, schapen, paarden enz. en die van den mensch. Gaan wij in ons onderzoek iets verder, en bestudeeren wij de hersenen, het hart, de longen, de ledematen, het hoofd, de tanden, oogen, ooren, handen enz. dan ziet men zeer spoedig, dat ons lichaam in alle bijzonderheden gebouwd is naar hetzelfde type als dat der hoogere zoogdieren. Indien men nog verder gaat, en onderzoekt, welke der hoogere zoogdieren in anatomischen bouw en physiologische eigenschappen de grootste gelijkenis vertoonen met ons lichaam, dan bemerkt men reeds spoedig, dat het de apen zijn.

Fig. 314. Geraamte van den orang-oetan, den chimpansee, den gorilla en den mensch.

Fig. 314. Geraamte van den orang-oetan, den chimpansee, den gorilla en den mensch.

Dit is een feit, dat door geene vooroordeelen is weg te redeneeren. Wil dat nu zeggen, dat die gelijkenis voldoende is, om daaruit af te leiden, dat wij van de apen afstammen? In geenen deele. Bovendien zou men dan nog moeten onderzoeken, van welken aap de mensch zou zijn afgestamd. Wij moeten niet te snel vooruit willen, doch evenmin mogen wij de oogen sluiten. Ons lichaam is evenzoo gebouwd als dat der hoogere dieren. Indien de mensch de vrucht ware van eene afzonderlijke schepping, dan zou die overeenkomst met andere levende soorten geen reden van bestaan hebben. Zij zou zelfs bijzonder vreemd, onverklaarbaar en vernederend zijn. Doch indien wij de hoogste tak zijn van den boom des levens, dan kan alles langs natuurlijken weg verklaard worden.

Fig. 315. Leeuwenkop.

Fig. 315. Leeuwenkop.

Indien wij het geraamte der apen, die in hunnen bouw het meest met den mensch overeenkomen, met het geraamte van den mensch vergelijken, dan valt het niet te ontkennen, dat er eene treffende overeenstemming bestaat. De geheele bouw, de ribben, de beenen, de armen, de wervelkolom, de kop maken den indruk van eene groote gelijkenis. Toch openbaren zich verschilpunten in de bijzonderheden. De schedel der apen is dierlijk, de armen zijn zeer lang, en vooral geeft de rechte stand den mensch iets edels, waarop de andere dieren geen aanspraak kunnen maken. Doch gevoelt men niet de trapsgewijze opklimming van het dierlijke geraamte tot dat van den mensch? Indien men het geraamte van een viervoetig dier, hond, paard of leeuw (fig. 303) vergelijkt met dat van den oerang-oetan, dan gevoelt men, dat er een grootere afstand is tusschen het paard of den leeuw en den aap, dan tusschen den aap en den mensch. Toch kan de leeuw beschouwd worden als een der hoogste dieren; zijn blik, zijne fierheid, zijn voorkomen hebben reeds iets menschelijks (fig. 315).

Fig. 316. Groene meerkatten op eenen strooptocht.

Fig. 316. Groene meerkatten op eenen strooptocht.

Indien wij na de beschouwing van het geraamte iets verder gaan en den geheelen lichaamsbouw bestudeeren; en vooral als wij de verstandsontwikkeling, de levenswijze en de zeden der apen bestudeeren, dan komt de gelijkenis met de menschheid, en vooral met de lagere rassen, meer en meer aan het licht. Wel is waar gelijken zij op ons van onze meest ongunstige zijde beschouwd; maar zij zijn sluw en verstandig. Laat ons hooren, wat één der uitstekendste waarnemers, Brehm, die niet veel van de apen schijnt te houden, daaromtrent zegt. Hij die met aandacht de volgende beschrijving, van de natuur afgezien, leest, zal den indruk verkrijgen, dat er alleen een verschil in graad, en niet in wezen bestaat tusschen den aap en den onbeschaafden mensch.

„Men kan niet ontkennen, zoo schrijft genoemde natuuronderzoeker, dat zij ondeugend, kwaadaardig, valsch, driftig, haatdragend, in ieder opzicht wellustig, twistziek, vechtlustig, heerschzuchtig, prikkelbaar en gemelijk zijn, in één woord, dat zij de verachtelijkste hartstochten bezitten; zij stellen er een boosaardig genot in, om alle soorten van gemeene streken uittehalen; maar toch moeten wij erkennen, dat zij dikwijls voorzichtig en vroolijk, zacht en goedaardig zijn en vriendschap en vertrouwen betoonen; zij zijn van eene gezellige natuur, moedig, aan hunne medeapen gehecht, en verdedigen ze moedig, zelfs tegen vijanden, die hen in kracht overtreffen. Zij openbaren eene zekere grootheid in hunne liefde voor hun kroost, in hun medelijden voor de zwakkeren, niet alleen van hun eigen ras of familie, maar ook voor de kleinen van andere soorten of klassen.

Het gezellige leven van die dieren is voor den waarnemer vol bekoorlijkheid. Weinige soorten van apen leven eenzaam; de meeste vereenigen zich tot troepen. Ieder dier troepen kiest eene vaste, min of meer uitgestrekte woonplaats, altijd in de streken, die in ieder opzicht het gunstigst gelegen zijn, doch vooral wat de voeding betreft. Is er gebrek aan voedsel, dan trekt de troep verder. De bosschen, gelegen in de nabijheid van de plaatsen, door den mensch bewoond, waarin maïs verbouwd wordt, of suikerriet, bananen, vruchtboomen, meloenen gevonden worden, zijn voor hen een waar paradijs. Ook versmaden zij de dorpen niet, waar het bijgeloof verbiedt, die brutale dieven te straffen. Als de troep tot overeenstemming gekomen is over de plaats, waar zij zich zal vestigen, dan begint het apenleven, met zijne genoegens en twisten, zijne veldslagen, zijne behoeften en ellenden. Het krachtigste mannetje wordt de aanvoerder en gids, doch niet bij stemming wordt hij die eer deelachtig, maar door te vechten tegen andere mannetjes, zijne mededingers. Bij de apen beslissen evenzeer als bij de menschen, de langste tanden en de krachtigste armen over de overwinning. Wie zich niet goedschiks onderwerpt, wordt door geweld er toe gedwongen. De macht is bij den sterkste; de wijste is hij, die de langste tanden heeft. De gids eischt blinde gehoorzaamheid en kan daarop ook in alle omstandigheden rekenen; immers de sterkste apen zijn gewoonlijk de oudste, en de jongeren hebben eerbied voor hunne meerdere ervaring. Als een ijverzuchtig sultan, matigt hij zich het uitsluitend recht aan over alle wijfjes en verwijdert hij die, welke zich te buiten gaan; men kan dus zeggen, dat hij de vader van den troep is.

Als de troep te talrijk wordt, scheidt zich een deel af onder aanvoering van een ander mannetje, dat sterk genoeg is geworden, om met den aanvoerder te strijden, en een nieuwe strijd begint om de leiding der nieuwe vereeniging. Overal, waar meerderen naar één doel streven, is er strijd. Bij de apen heeft men dagelijks gevechten en twisten; een oogenblik waarnemens is voldoende, om te zien, dat er dikwijls zonder bekende oorzaak tweedracht heerscht.

De gids oefent zijn gezag met veel waardigheid uit. Door de achting, die hij heeft weten in te boezemen, en die zijne eigenliefde verheft, heeft hij een zeker zelfvertrouwen, dat bij zijne onderdanen gemist wordt; deze maken hem altijd het hof. Men kan zien, dat de wijfjes zich beijveren, van hem de grootste gunsten te verwerven, die een aap schenken kan; zij doen haar best, om zijne haren te bevrijden van de lastige parasieten, die daarin huizen, en met koddige majesteit laat hij die bewerking toe. Daarentegen waakt hij trouw voor het heil der gemeenschap. Hij is de voorzichtigste van allen; zijne oogen dwalen steeds overal rond; hij wantrouwt een ieder en alles, en ontdekt daardoor bijna steeds tijdig genoeg het gevaar, dat zijne kolonie bedreigt.

De taal der apen schijnt zeer rijk te zijn, ten minste iedere soort drukt hare verschillende indrukken door verschillende klanken uit; de waarnemer leert spoedig de beteekenis der geluiden begrijpen, die een gids voortbrengt, bij het leiden zijner kudde, of den kreet van angst, die tot de vlucht aanmaant. Die kreet, moeilijk te beschrijven en nog moeilijker na te bootsen, bestaat uit eene reeks korte, afgebroken, bevende en onharmonische tonen, wier beteekenis nog duidelijker wordt, als men de samentrekkingen van het gelaat beschouwt. Zoodra het geluid gehoord wordt, neemt de geheele troep de vlucht. De moeders roepen hare jongen naar zich toe, die zich aan haar vasthechten; met haren zoeten last beladen begeven zij zich naar den meest nabijzijnden boom of naar de naburige rots. De oude aap gaat voorop en wijst den weg, die door de geheele troep met vertrouwen gevolgd wordt, en wanneer het stilstaan en de kalmte van den gids aantoonen, dat het gevaar geweken is, dan vereenigt zich de troep weder, maakt zij weder rechtsomkeert, en voltooit zij den roof, waarbij zij is betrapt geworden.

Fig. 317. De neusaap.

Fig. 317. De neusaap.

Niet alle apen echter vluchten voor den vijand; de sterksten verdedigen zich tegen de gevaarlijkste roofdieren en zelfs tegen den mensch, die voor hen nog gevaarlijker is; zij leveren dan veldslagen, waarvan de uitslag dikwijls onzeker is. De groote apen, b.v. de bavianen, hebben in hunne tanden zóó krachtige wapenen, dat zij gerust den strijd kunnen wagen tegen den alleen verschijnenden vijand, terwijl de kleine apen zich te zamen verdedigen en elkander met lofwaardige trouw helpen. De wijfjes vechten alleen, als zij gedwongen zijn haar leven of haar kroost te verdedigen; in dat geval zijn zij even dapper als de mannetjes. De meeste apen strijden met hunne handen en tanden, zij verscheuren en bijten; enkele schrijvers beweren, dat zij zich somtijds van gebroken takken, als van stokken, bedienen. Zeker is het, dat zij van boven uit hunne schuilplaats steenen, vruchten en stukken hout op hunne vijanden werpen. Geen inlander meet zich met eenen baviaan en zeker niet zonder vuurwapenen. De orang-oetans en de gorilla’s zijn zóó sterk en gevaarlijk, dat als een jager met één van deze vecht, hij zijn geweer nooit voor den aanval, doch alleen ter verdediging gebruiken kan. De vreeselijke woede der apen, die hunne krachten vertiendubbelt, is zeer gevaarlijk, en hunne groote behendigheid belet dikwijls den jager ze te dooden.

In den natuurstaat vormt iedere soort eene troep op zich zelf, toch helpen elkander wel eens soorten, die veel met elkander overeenkomen, en vereenigen zij zich met elkander. In gevangenschap leven alle soorten vriendschappelijk bijeen, en men neemt dan dezelfde wetten omtrent het opperbewind waar als bij eene vrije kolonie. De sterkste oefent altijd de macht over al de anderen uit. De groote soorten houden zich met de kleinere bezig en de mannetjes wedijveren met de wijfjes, om ze te verzorgen. De wijfjes der groote soorten werven wel eens jonge kinderen of kleine zoogdieren aan, die zij op de armen kunnen dragen. Zoo kwaadaardig als een aap is jegens alle dieren, zoo lief en zacht is hij jegens kinderen of andere jonge wezens; de moederliefde der apen is dan ook spreekwoordelijk. Natuurlijk openbaart zich die liefde het sterkst jegens hunne eigen kinderen. De jonggeborene is niet mooi; doch dat leelijke kleine wezen maakt de vreugde van de moeder uit, die het liefkoost en koestert, zóó zelfs dat het belachelijk schijnt. Korten tijd na de geboorte, gaat de jonge aap met zijne twee vóórhanden aan den hals der moeder hangen, terwijl zijne achterhanden het lichaam der moeder omvatten; zóó neemt hij de houding in, die voor de voedster het minst lastig en voor hem het gemakkelijkst is om te zuigen. Is hij grooter geworden, dan springt hij bij het minste alarm op de schouders of den rug zijner ouders.

Fig. 318. De gibbon.

Fig. 318. De gibbon.

De jeugdige aap is in het eerst ongevoelig voor al de liefkoozingen zijner moeder, die toch even lief voor hem blijft en zich steeds met hem bezighoudt. Nu eens likt zij, dan weder luist zij hem; zij drukt hem tegen haar hart of neemt hem tusschen hare twee handen, om hem beter te kunnen beschouwen, en plaatst hem dan weder tegen hare borst, of wiegt hem in hare armen, als wilde zij hem in slaap wiegen. Na korten tijd wordt de jonge aap iets onafhankelijker. De moeder laat hem dan vrij in zijne bewegingen, en laat hem stoeien met de andere apen van zijne soort, maar geen oogenblik verliest zij hem uit het oog; zij volgt al zijne schreden, houdt het toezicht over zijne handelingen en staat hem alleen datgene toe, wat hem niet kan schaden. Bij het minste gevaar vliegt zij naar hem toe, eenen bijzonderen kreet doende hooren, die beteekent, dat hij in hare armen moet vluchten. Als hij ongehoorzaam is, wat zeer zelden voortkomt, daar de jonge apen in het algemeen zeer onderdanig zijn, straft zij hem, door hem te knijpen of te schudden, of somtijds wel door hem een paar oorvegen toe te dienen.

In de gevangenschap deelt de moeder al wat zij eet trouw met haar kind; zij neemt deel in alles, wat hem overkomt en geeft hem treffende bewijzen van liefde. De dood van haar kind sleept den hare met zich mede; zij sterft van verdriet. Als de moeder sterft, neemt een andere aap van de troep, een mannetje of wijfje, den wees tot zich en bewijst hem bijna evenveel liefde als aan zijn eigen kroost.

Enkele reizigers hebben eene schets gegeven van de vreeselijke gevechten tusschen negers en gorilla’s; zij die uitgaan om ivoor te zoeken, zijn uiterst bevreesd voor den gorilla en vooral voor de wijze waarop hij de lieden aanvalt. De inboorlingen beweren, dat als de jagers rustig door het bosch trekken, een gorilla, op een der onderste takken gezeten, een van hen bij den nek pakt, hem naar zich toe trekt en hem medesleurt naar den top van den boom, waar hij hem verworgt, zonder dat hij eenig geluid kan geven, en hem daarna op den grond laat vallen. Dikwijls komen de negers vreeselijk verminkt uit den strijd, dien zij tegen die vreeselijke dieren hebben moeten voeren. Indien de gorilla door zijne familie omringd is, dan valt hij aan zonder getergd te zijn, en de strijd tusschen mensch en dier eindigt gewoonlijk met den dood van één van beide; meestal delft de mensch het onderspit. Het is veel moeilijker éénen jongen gorilla dan tien chimpansees te bemachtigen. De wijfjes vluchten met hare jongen op de boomen, zoodra de jagers naderen, terwijl de mannetjes zich dadelijk tot den strijd toerusten. Hunne groote groene oogen schitteren, hunne haren staan op, zij knarsen met de tanden, uiten eenen scherpen kreet, gelijkend op kahi! kahi! en storten woedend op den vijand. Als men den gorilla niet treft, kan men zijn geweer zelfs niet als knots gebruiken, de razende aap breekt het gemakkelijk met de handen stuk. Ook met zijne tanden verscheurt hij den jager. Het behoeft dus geene verwondering te baren, dat de neger, die eenen gorilla gedood heeft, als een held onder zijne stamgenooten beschouwd wordt, en dat de inboorlingen weigeren den Europeeschen reizigers eenen levenden gorilla te leveren tegen zijn gewicht aan goud.

De inboorlingen meenen, dat die groote apen wezenlijke menschen zijn, en dat zij zich maar zoo woest en zoo dom houden, omdat zij de slavernij vreezen en niet willen werken. Voor den Afrikaan is slaaf te zijn het ergste wat er is. Ook beweren zij, dat de ziel hunner koningen na hunnen dood in de gorilla’s verhuist en dat deze hen dus alleen uit gewoonte haten en plagen.”

Ook Du Chaillu heeft hoogst belangrijke mededeelingen gedaan over den gorilla. Wat hij er van verhaalt, komt in hoofdtrekken met het voorgaande overeen. Wij zullen uit zijne schets datgene mededeelen, wat voor ons doel het belangrijkst is. Het is de ontmoeting met eenen gorilla, van wiens dood hij getuige was, en is uitnemend geschikt, om ons een denkbeeld te geven van den indruk, dien dat vreeselijke dier moet maken.

„Terwijl wij in doodelijke stilte door het bosch kropen, weerklonk het bosch plotseling van het ijselijke geschreeuw van den gorilla. De struiken weken uiteen en wij stonden tegenover eenen grooten mannelijken gorilla. Op zijne vier handen was hij door het struikgewas gekropen, maar toen hij ons zag, ging hij recht overeind staan en keek hij ons ferm in het gezicht. Hij bleef op vijftien pas afstand van ons staan. Ik zal de verschijning nooit vergeten. Hij was ongeveer zes voet lang; hij had eene breede borst en zijne armen hadden eene ongeloofelijke spierontwikkeling. Zijne groote, grijze, diepliggende oogen schitterden met eenen woesten glans, en zijn gelaat had eene duivelachtige uitdrukking. Zoo verscheen de koning der Afrikaansche wouden vóór ons.

Hij verschrikte niet voor ons gezicht. Hij bleef op dezelfde plaats staan en sloeg zich op de borst met zijne lange vuisten, die haar deden weerklinken als eene groote trom. Zóó dagen zij hunne vijanden uit. Tegelijkertijd stiet hij snel achter elkander een woedend gebrul uit.

Het gebrul van eenen gorilla is het vreemdste en verschrikkelijkste geluid, dat men in die bosschen kan hooren. Het begint met eene soort van kort afgebroken geblaf, als dat van eenen woedenden hond, en verandert daarna in een dof gebrom, dat zóó volkomen gelijkt op het rollen vanden donder in de verte, dat ik dikwijls meende, dat het donderde, als ik het dier hoorde zonder het te zien. Dat geluid klinkt zóó diep, dat men zou meenen, dat het uit de holten van borst en buik, en niet uit den mond en de keel afkomstig was. Terwijl wij onbewegelijk bleven staan, schitterden zijne oogen met eene schitterende vlam. De korte haren boven op zijnen kop rezen te berge en begonnen zich snel te bewegen, terwijl hij zijne krachtige hoektanden liet zien en zijn donderend gebrul deed hooren. Hij deed mij toen denken aan die fantastische scheppingen, half mensch, half dier, waarmede de verbeelding onzer oude schilders de onderwereld heeft bevolkt. Hij deed enkele stappen voorwaarts en bleef toen weder staan, om weder zijn vreeselijk gebrul te doen hooren; weer trad hij naar voren en bleef hij op tien pas van ons afstaan: wij vuurden af en doodden hem.

Het gereutel, dat hij deed hooren, geleek zoowel op dat van een mensch als op dat van een dier. Hij viel met het gezicht op den grond. Het lichaam bewoog zich eenige minuten stuiptrekkend, terwijl de ledematen heen en weer schudden, daarna werd alles onbewegelijk; de dood had zijne taak volbracht. Ik had toen al den tijd om het lijk te bezichtigen en kon mij toen overtuigen, dat de spieren van borst en armen eene ontzaglijke kracht verrieden.

Het is eene vaste wet bij alle jagers, die hun vak verstaan, dat men zijn schot moet sparen tot op het laatste oogenblik. Hetzij dat het woedende dier het afschieten van het geweer voor eene bedreiging aanziet, hetzij om eene onbekende andere reden, zoodra de jager schiet en mist, werpt zich de gorilla op hem, en niemand kan dien vreeselijken aanval weerstaan. Een enkele stomp met zijne met nagels gewapende achterhand, scheurt reeds den buik open, verbrijzelt de borst of verplettert het hoofd. Men heeft negers gezien, die door schrik tot wanhoop gebracht, den gorilla wilden slaan met hun ontladen geweer; maar zij hadden zelfs den tijd niet, om eenen niets vermogenden slag toe te brengen, de arm van hunnen vijand viel met zijn volle gewicht op hen neer, en verbrijzelde tegelijkertijd het geweer en het lichaam van den ongelukkige. Ik geloof niet, dat er één dier is, wiens aanval voor den mensch zoo noodlottig is, daar hij zich recht overeind tegenover zijnen vijand plaatst, met zijne armen als aanvalswapenen evenals een bokser, met dit onderscheid, dat zijne armen veel langer en veel sterker zijn dan die van den sterksten bokser der wereld. Het wijfje valt den jager nooit aan; toch hebben negers mij verhaald, dat eene moeder, die haar jong bij zich heeft, somtijds vecht om het te verdedigen. Het is een aardig schouwspel, om de moeder te zien, vergezeld van haar jong, dat naast haar speelt. Ik heb dikwijls in de wouden er op geloerd, daar ik verlangend was, exemplaren voor mijne verzameling te hebben maar op het laatste oogenblik had ik den moed niet te schieten. Mijne negers waren in soortgelijke gevallen niet zoo zwak: zij doodden hunne prooi zonder tijdverlies.

Als de moeder de vervolging van den jager tracht te ontvluchten, omvat het jong haren hals met zijne voorhanden, terwijl het de korte achterhanden om haar lichaam slaat.”

Du Chaillu heeft niet alleen studies gemaakt op den in vrijheid levenden gorilla, maar ook op jonge gorilla’s, die hij trachtte op te voeden.

„Eenige jagers, die in de bosschen gejaagd hadden, zoo schrijft hij, brachten eenen levenden gorilla bij mij. Ik kan de gewaarwordingen niet beschrijven, die ik gevoelde, bij het gezicht van dat kleine dier, dat zich verdedigde, terwijl men het met geweld in het dorp voortsleurde. Dat enkele oogenblik beloonde mij voor al de vermoeienissen, die ik in Afrika had doorgestaan

Het was een klein dier van twee of drie jaren, 2½ voet lang, en even woest en ongehoorzaam als een volwassen gorilla.

Fig. 319.—De gulzigheid.

Fig. 319.—De gulzigheid.

Fig. 320.—De eerste spiegel.

Fig. 320.—De eerste spiegel.

Mijne jagers hadden het op de volgende wijze gevangen. Zij waren met hun vijven op weg naar een dorp aan de kust en trokken stil het bosch door, toen zij een geschreeuw hoorden, dat zij dadelijk herkenden als dat van eenen jongen gorilla, die om zijne moeder riep. Overigens was alles in het bosch rustig; het was bijna middag; zij besloten zich te begeven naar de zijde, van waar het geschreeuw kwam, dat zich ten tweeden male deed hooren. Het geweer in de hand slopen zij zoo zacht mogelijk het struikgewas binnen, waar de kleine gorilla moest wezen; uit enkele aanwijzingen bleek het, dat de moeder niet ver af was; het was zelfs niet onmogelijk, dat het mannetje, de gevaarlijkste van alle, zich eveneens in de nabijheid bevond. Toch aarzelden de flinke mannen niet, om alles te wagen, en zoo het mogelijk was eenen levenden gorilla te vangen, wetende welk een genoegen zij mij daarmede deden.

Zij zagen de struiken bewegen; zij drongen iets meer naar voren, stil als de dood, en hunnen adem inhoudend. Weldra zagen zij een jongen gorilla zitten, die enkele zaadkorrels opat, die nauwelijks uit den grond waren opgeschoten; op enkele schreden daarvan af zat ook de moeder te eten. Zij besloten los te branden; het was hoog tijd, want op het oogenblik, dat zij hunne geweren ophieven, zag de moeder hen; zij hadden nog juist den tijd, om vuur te geven. Gelukkig wondden zij haar doodelijk.

Zij viel neder. De kleine gorilla vloog, toen zij het schot hoorde, naar hare moeder, en verborg zich aan hare borst. De jagers vlogen met eenen triomfkreet naar het lijk toe; maar door die kreten opgeschrikt, vlood het jonge dier naar eenen boom en klauterde het vlug in den top, waar het bleef zitten.

Onze jagers waren zeer verlegen, hoe het te bereiken; zij hadden geen lust, zich bloot te stellen aan zijne beten, en aan den anderen kant wilden zij niet op het dier schieten. Eindelijk besloten zij den boom te vellen en een schort over den kop van het dier te werpen; toch werd één der mannen zwaar aan de hand gewond, en een ander werd aan de dij getroffen.

Men bouwde eene kleine hut van sterk bamboes, met stevige spijlen, die ver genoeg uit elkander stonden, om den gorilla te kunnen waarnemen, en om hem in de gelegenheid te stellen zelf ook naar buiten te zien. Hij werd met geweld daarin geworpen en voor het eerst kon ik rustig het schouwspel waarnemen. Het was een jong, mannelijk dier, dat zeker nog geen drie jaren oud was, en was bijzonder sterk voor zijnen leeftijd. Zijn gezicht en zijne handen waren zwart, zijne oogen lagen niet zoo diep als bij volwassen gorilla’s. De haren van zijn hoofd begonnen bij zijne wenkbrauwen en stonden op de kruin van zijn hoofd rechtop; daar waren zij roodachtig bruin van kleur, aan beide zijden van het gelaat liepen zij weder af tot aan de benedenkaak, waar zij als het ware bakkebaarden vormden.

Toen ik den kleinen aap stevig in zijne kooi opgesloten zag, naderde ik de kooi, om hem eenige woorden van bemoediging toe te spreken. Hij week naar het verste uiteinde terug, maar zoodra ik vooruitkwam, begon hij te brullen en wierp hij zich tegen mij aan, zoodat hij, niettegenstaande ik zoo ver mogelijk achteruit ging, mijn’ broek greep en die met een van zijne pooten verscheurde; daarna keerde hij snel naar zijnen hoek terug. Die aanval maakte mij voorzichtiger; toch wanhoopte ik er niet aan, dat ik hem eindelijk temmen zoude. Maar hij stierf spoedig.”

De negers beschouwen zich als de neven der orang-oetans. Zij zien in den chimpansee een bijzonder menschenras, dat om zijn slecht gedrag buiten de menschelijke maatschappij geworpen is, en dat om zijne volharding in het kwaad langzamerhand tot zóó laag is afgedaald, als het nu gekomen is. Toch eten zij de apen op, die zij gedood hebben. Kapitein Grandpret verhaalt de geschiedenis van eene vrouwelijke chimpansee, die de merkwaardigste bewijzen gaf van een ontwikkeld verstand:

„Het dier bevond zich op een schip, waarmede het naar Amerika moest vervoerd worden. Men had het geleerd, den oven te stoken, en het kweet zich van die taak tot tevredenheid van allen; het zorgde er goed voor, dat de gloeiende kolen niet op den grond vielen, en wist zeer goed te zien, of de oven den vereischten warmtegraad verkregen had. Dan begaf het zich naar den bakker, en waarschuwde hem door duidelijk te begrijpen teekenen; deze vertrouwde dan ook ten volle op de hulp van het dier en lette nooit op het vuur. Het kon alle plichten van eenen matroos vervullen met evenveel behendigheid als verstand, kon den ankerketting ophijschen en de zeilen inhalen en werkte zóó goed dat de matrozen het dier als hunnen makker beschouwden. Ongelukkig stierf het prachtige dier vóór de landing, door de wreedheid van den loods. Deze had het mishandeld, zonder te letten op de smeekingen van het dier, dat de handen vouwde als een smeekeling, om het hart van den vervolger tot zachtheid te stemmen. Doch de loods volhardde in zijne wreedheid. Het arme dier verdroeg geduldig alle mishandelingen, maar van dat oogenblik af weigerde het alle voedsel, en stierf het vijf dagen later van honger en smart. De geheele bemanning weende, alsof een matroos gestorven ware.

Brosse had twee chimpansees naar Europa medegebracht, een mannetje en een wijfje, die aan tafel aanzaten als menschen, van alles aten en zich van mes, lepel en vork bedienden. Zij dronken al onze dranken; zij hielden vooral van wijn en brandewijn. Als zij iets noodig hadden, riepen zij de kajuitsjongens, als hun iets geweigerd werd, werden zij boos, grepen zij hen bij den arm, beten hen en wierpen hen op den grond. Toen het mannetje eens ziek was, werd hij door den scheepsdokter adergelaten; later stak hij, zoo dikwijls hij zich ongesteld gevoelde, den arm uit naar den dokter.

De chimpansee, die door Buffon werd grootgebracht, liep bijna altijd rechtop, zelfs als hij zware voorwerpen droeg. Hij had een ernstig en droevig voorkomen, al zijne bewegingen waren verstandig en bedaard. Hij had geen enkel van de walgelijke gebreken der bavianen, maar was niet zoo aardig als gewoonlijk de groene meerkatten zijn. Een woord of een teeken van zijnen meester was voldoende, om hem te doen gehoorzamen. Hij bood den arm aan hen, die Buffon kwamen bezoeken en wandelde met hen; hij plaatste zich aan tafel, kende het gebruik van een servet, veegde zich iederen keer, dat hij gedronken had, den mond af, schonk zich zelf wijn in en klonk met zijne buren. Hij haalde een kopje en schoteltje voor zich, deed er suiker in, schonk thee daarin en liet het koud worden vóórdat hij er van dronk. Nooit deed hij iemand kwaad; integendeel: hij naderde de bezoekers zeer beleefd, en werd gaarne geliefkoosd. Al de vrienden van Buffon hielden veel van zijnen bediende en brachten hem beschuitjes en vruchten. Ongelukkig stierf hij binnen het jaar aan de tering.

Fig. 321. De gorilla uit het museüm van Parijs, ééne maand vóór zijnen dood.

Fig. 321. De gorilla uit het museüm van Parijs, ééne maand vóór zijnen dood.

Doctor Traill had eenen chimpansee naar Engeland overgebracht, die niet rechtop liep en altijd op de handen steunde. Hij was beschroomd tegenover vreemden, doch niet tegenover die personen, die hij dikwijls zag. Als hij het koud had, bedekte hij zich met een kleed. Eens hield men hem eenen spiegel voor, die dadelijk zijne aandacht trok; op zijne gewone groote bewegelijkheid volgde de volmaaktste kalmte. Met nieuwsgierigheid beschouwde hij het wonderlijke werktuig en bleef hij stom van verbazing. Hij keek nu eens naar zijnen vriend, dan weer naar den spiegel, draaide dien rond, beschouwde zijn beeld en trachtte zich, door den spiegel aan te raken, te verzekeren, of hij werkelijk een wezen van vleesch en been voor oogen had als hij zelf, dan wel of hij slechts iets denkbeeldigs zag; in één woord, hij deed volkomen hetzelfde, wat de wilde volkeren doen, als men hun voor het eerst eenen spiegel voorhoudt. Het is jammer, dat de tering de chimpansees en de gorilla’s zoo snel doodt, als men ze uit hun geboorteland verwijdert. Korten tijd na hunne komst in Europa beginnen zij te hoesten en worden zij treurig. Naarmate de ziekte vorderingen maakt, neemt hunne kalmte en hunne zachtheid toe; spoedig is het treurig ze aan te zien. Zij buigen het hoofd naar voren, evenals menschen, wier longen zijn aangetast, hoesten van tijd tot tijd en plaatsen hunne handen op de zieke borst; hunne donkerbruine oogen nemen eene zóó hevige uitdrukking van smart aan, dat men ze niet kan aanzien zonder bewogen te worden. Gewoonlijk bezwijken zij aan die vreeselijke ziekte binnen het jaar, zelden in het tweede jaar; ons koud klimaat kan aan die gelukkige kinderen van het zuiden hun schoon vaderland niet teruggeven.”

Dikwijls heeft men getracht jonge gorilla’s in den Parijschen Jardin des Plantes in het leven te houden; de waarnemingen bevestigen alles, wat wij zooeven mededeelden, en ongelukkig ook de onmogelijkheid om ze in ons klimaat in het leven te houden. Fig. 321 stelt den laatsten gorilla voor, dien men daar gehad heeft. Heeft men in de uitdrukking van dat gelaat niet de uitdrukking van den balling, die zijn vaderland betreurt?

De hand van den gorilla gelijkt evenals de kop op die van den mensch.

Nog een enkel woord over eene andere soort, den orang-oetan. Deze is zacht en zeer vreedzaam. Hij is niet beschroomd en vlucht niet voor den mensch, dien hij integendeel met veel kalmte aanziet. Onder de talrijke waarnemingen, die wij omtrent de zeden van dien aap (in gevangenschap) bezitten, melden wij die, welke F. Cuvier gedaan heeft op een jong wijfje, dat eene maand lang in 1808 op het kasteel van Malmaison leefde.

Fig. 322. Hand van eenen gorilla.

Fig. 322. Hand van eenen gorilla.

Dat dier gebruikte zijne handen zooals wij gewoonlijk de onze gebruiken. Meestal bracht hij zijn voedsel met zijne vingers naar den mond; doch dikwijls pakte hij het ook met zijne lange lippen, en dronk slurpend, zooals alle dieren doen, die hunne lippen kunnen verlengen. Hij rook aan al het voedsel, dat men hem aanbood en dat hij niet kende; en hij raadpleegde zijn reukorgaan met bijzondere zorg. Hij at met evenveel voorliefde vruchten, groenten, eieren, vleesch en melk, en hield bijzonder veel van brood, koffie en sinaasappelen; eens zelfs dronk hij eenen geheelen inktkoker leeg zonder dat het hem iets hinderde. Hij had niet de minste orde in den tijd zijner maaltijden en kon, evenals de kinderen, op ieder uur eten.

Wij zagen zooeven, dat hij zijn voedsel nam met zijne handen of met zijne lippen; hij was niet zeer handig in het gebruik van vork en mes; in dat opzicht stond hij gelijk met de wilden, die men met die werktuigen wilde laten eten, maar hij maakte door zijne slimheid goed, wat hij aan handigheid miste; als het voedsel, dat op zijn bord lag, niet gemakkelijk op zijnen lepel kon geplaatst worden, gaf hij dien aan zijnen buurman, om dien te vullen. Hij dronk zeer handig uit een glas, dat hij tusschen zijne beide handen hield. Toen hij eens bij het neerzetten van zijn glas bemerkte, dat het om zou slaan, hield hij zijne hand aan den kant, waarnaar het glas overhelde, om het te steunen. Bijna alle dieren beschutten zich tegen de koude, en het is waarschijnlijk, dat de orang-oetans in hetzelfde geval verkeeren, vooral in den regentijd. Ik weet niet, hoe die dieren zich in den natuurstaat tegen het ruwe weer beschermen. Doch ons dier was er aan gewoon geraakt, zich in zijne dekkleedjes te hullen, en had daaraan voortdurend behoefte. Op schip nam hij al wat hij machtig kon worden, om zich daarmede te dekken. Wanneer dan ook een matroos een stuk kleeren zocht, was hij bijna altijd zeker, het terug te vinden in het bed van den orang-oetan. Op die gewoonte van het dier, om zich goed te dekken, bouwden wij een plan, om zijn verstand op de proef te stellen.

Dagelijks werd zijn dekkleed uitgespreid op een grasperk vóór de eetzaal, en na den maaltijd, dien hij gewoonlijk aan tafel nam, ging hij recht op dat kleedingstuk aan en sloeg het om zijne schouders, waarna hij in de armen van eenen jongen bediende naar bed gedragen werd. Eens hadden wij zijn dekkleed weggenomen, en het op den rand van een venster gehangen, om het te drogen. De orang-oetan ging eerst naar de gewone plaats, om het te halen, maar toen hij, aan de deur gekomen, zag dat het niet op de gewone plaats lag, zocht hij het met de oogen en ontdekte hij het aan het venster; hij ging toen eenvoudig daarheen en kwam er toen op de gewone wijze mede terug.”

Uit al deze verhalen, die wij nog met een zóó groot aantal zouden kunnen vermeerderen, dat wij er boekdeelen mede zonden kunnen vullen, blijkt duidelijk, hoe groot de overeenkomst is tusschen de hoogst ontwikkelde apenrassen en de laagstontwikkelde menschenrassen. De overeenstemming in physische eigenschappen blijkt zonneklaar uit de overeenkomst van het geraamte, en uit de resultaten der vergelijkende ontleedkunde. De punten van overeenkomst op intellectueel gebied zijn in ons oog niet minder belangrijk. De menschelijke geest heeft zich evenals het lichaam geleidelijk ontwikkeld.

Die ontwikkeling van den mensch heeft gelijken tred gehouden met de ontwikkeling der hersenen. Dit is een hoogst belangrijk feit. De hagedissen, de dinosauren, de viervoetige dieren en de zoogdieren der secundaire periode hebben allen een bijzonder klein hersenvolume. Dat orgaan van het verstand groeit in de tertiaire periode aan, om langzamerhand te naderen tot de hersenen der hooger ontwikkelde apen. Die wet is algemeen, hoewel er enkele uitzonderingen zijn bij sommige soorten van vogels, bij de muizen enz., maar de toename is merkwaardig, als men op de geheele dierenwereld let. Wij willen niet zeggen, dat het verstand altijd evenredig is met het volume en het gewicht der hersenen; wij zullen zoo aanstonds zien, dat dit nog meer afhangt van het aantal en de diepte der hersenwindingen; doch daar de hersenen het orgaan der gedachte zijn, zoo begrijpt men, dat de ontwikkeling van het verstand samengegaan is met de aangroeiing der hersenen.

Het gewicht der hersenen bedraagt gemiddeld bij den Europeeschen man 1485 gram, bij de vrouw 1262 gram. Daar het volume en het gewicht der hersenen samenhangt met de grootte van het geheele lichaam, zoo moet men nooit uitsluitend op het gewicht der hersenen letten, maar tevens het oog vestigen op het lichaam, waartoe zij behoord hebben. Het verschil in gewicht tusschen de hersenen van den man en de vrouw ligt voornamelijk in het verschil in gewicht van beider lichamen. De Europeesche man weegt gemiddeld 70 kilogram, de Europeesche vrouw 65 kilogram; de gemiddelde lengte van den man is 1,65 meter, die van de vrouw 1,53 meter; de verhouding tusschen beider lengten is als 100 : 93 en de verhouding van het gewicht hunner hersenen als 100 : 85. Dus is ook naar verhouding het gewicht der hersenen bij de vrouw iets minder dan bij den man.

De hersenen nemen toe met den arbeid en de inspanning, waarvan zij de zetel zijn. Het gewicht kan voor eenen volwassen Europeaan afwisselen tusschen 1000 en 2000 gram. Men heeft zelfs gewichten gevonden boven en beneden die grenzen, doch dan alleen bij ziektegevallen.

Bij den Europeaan is het gewicht dus ongeveer 1/40 van het lichaam.

Het gewicht vermindert naarmate men met minder ontwikkelde volksstammen te doen heeft, zooals de volgende tabel aanwijst: