Grammen. Verhouding tot het lichaamsgewicht.
Gemiddeld gewicht bij den Europeaan 1405 1/40
Gemiddeld gewicht bij den Mesties 1334 1/52
Gemiddeld gewicht bij den neger 1300 1/55
Gemiddeld gewicht bij den Australiër 1000 1/70
Bij den gorilla zijn die getallen 475 1/143

De verhouding van het gewicht der hersenen en het gewicht van het lichaam is bij de:

Honden 1/242
Olifanten 1/300
Paarden 1/633
Ossen 1/700
Fig. 323. De hersenwindingen en het verstand. Doorsnede door de groef van Sylvius.

Fig. 323. De hersenwindingen en het verstand. Doorsnede door de groef van Sylvius.

Doch, zooals wij zooeven reeds opmerkten, zijn die verhoudingen niet voldoende, om de mate van verstand te schatten: daartoe moeten wij ook het oog houden op den aard der windingen. Letten wij b.v. op de hersenen van den Europeaan, dan zien wij, dat zij zich reeds op het eerste gezicht onderscheiden door het groote aantal windingen. Zonder in anatomische bijzonderheden te treden, is het voldoende op te merken, dat de hersenen, die arbeiden, sterker sprekende windingen hebben dan de hersenen, die weinig te verrichten hebben. Grove en weinig samengestelde windingen zijn het bewijs van weinig verstand, bij welk menschenras dan ook; kleine en veelvuldig geplooide windingen zijn een bewijs van groote geestesgaven. De kleinere zoogdieren hebben betrekkelijk meer hersenen; de muis b.v. heeft betrekkelijk meer hersenen dan de mensch; maar hare hersenen zijn dan ook volkomen glad en hebben geene windingen.

Indien men de hersenen van die dieren, die anatomisch en physiologisch het meest met den mensch overeenkomen, vergelijkt met die van den mensch, dan blijkt het, dat het aantal windingen toeneemt, van de laagste apensoorten tot aan den mensch. De ouistiti, de laagst ontwikkelde aap, heeft volkomen gladde hersenen; de makako heeft enkele windingen; het aantal windingen neemt van soort tot soort toe, en plotseling, bijna zonder eenigen overgang, vindt men bij de anthropoïde apen, de chimpansee’s en de orang-oetans zonder uitzondering de voornaamste windingen terug, die bij de hersenen van den mensch voorkomen. Het verschil tusschen de hersenen van den ouistiti en den chimpansee is verbazend groot; het verschil tusschen de hersenen van den chimpansee en die van den mensch is daarentegen zeer gering. Dit zijn feiten. Hij die dit niet wil inzien, is willens en wetens blind.

De vergelijking der verschillende menschenrassen en apen geeft dezelfde resultaten, indien wij den schedelinhoud en den gezichtshoek onderzoeken:

Schedelinhoud.

cub. centimeters.
Europeanen 1568
Chineezen 1518
Nieuw-Caledoniërs 1460
Afrikaansche negers 1430
Australiërs 1347
Nubiërs 1329
Gorilla’s 531
Orang-oetans 439
Chimpansees 421
Leeuwen 321
Newfoundlanders 105

Men heeft opgemerkt, dat de schedels uit de 12de eeuw, op de oude kerkhoven van Parijs gevonden, iets kleiner zijn dan die der tegenwoordige Parijzenaars. De verhouding is van 1504 : 1558 centimeters.

De gezichtshoek is grooter, naarmate het voorhoofd breeder, en het ras verstandiger is. Men vindt voor:

Gemiddeld.
De blanke rassen 82° tot 77°
De gele rassen 76° tot 69°
De zwarte rassen 69° tot 60°

Bij de Bosjesmannen is de gezichtshoek 60°.

De lagere menschenrassen vormen uit een physisch en verstandelijk oogpunt den overgang tusschen de anthropoïde apen en de Europeesche rassen. Er zijn voorbeelden genoeg van zóó weinig ontwikkelde menschenrassen, dat men ze bijna tot de apen zoude rangschikken. Die rassen, die veel dichter bij den natuurstaat geplaatst zijn dan wij, verdienen daardoor de belangstelling van den anthropoloog en den taalkenner, die bij hen dikwijls de oplossing vinden van vraagstukken, die anders onoplosbaar zijn.

Bijzonder laag staan de inboorlingen van Australië. Zij zijn op moreel gebied volkomen stomp en daarbij diep onwetend. Een bijzonder ontwikkeld instinct, om hun voedsel te bemachtigen, dat moeilijk te verkrijgen is, schijnt in de plaats getreden te zijn van de meeste moreele eigenschappen van den mensch. Als de Engelsche politie niet streng er tegen waakte, zouden zij dagelijks in de steden der kolonie de wetten der openbare zedelijkheid trotseeren, gelijk de apen in een beestenspel. Zij kunnen niet verder dan tot vier tellen, sommige volksstammen zelfs maar tot drie. Het vermogen om te redeneeren is bij hen hoogst onvolkomen ontwikkeld. De argumenten, door de kolonisten gebezigd, om hen te overreden of te overtuigen, zijn dikwijls van dezelfde soort als die welke men bij kinderen of halve idioten bezigt.

Fig. 324. Patagoniërs.

Fig. 324. Patagoniërs.

Quoy en Gaymard deelen in de volgende termen hun onderhoud met die ellendige volksstammen mede: „Onze tegenwoordigheid wekte hunne vreugde op; zij trachtten ons hunne indrukken mede te deelen met eene woordenrijkheid, waarop wij niet konden antwoorden, daar wij hunne taal niet verstonden. Zoodra zij ons zagen, kwamen zij naar ons toe, onder veel gebaren en eenen ontzaglijken woordenvloed; zij uitten luide kreten, en als wij hen op denzelfden toon beantwoordden, was hunne vreugde verbazend groot. Dadelijk vroegen zij om spijs, door zich op den buik te slaan.” Het tafereel, door die reizigers geschetst, is hoogst bedroevend. Het eenige wat men van hen zeggen kan, is dat zij niet volslagen idioot zijn.

Niet alleen de Australische inboorlingen verkeeren in dat geval; Bory de Saint-Vincent heeft ons een bijna even droevig beeld geschetst van de bewoners van zuid-Afrika. De Pesjereezen in Patagonië zijn even laag ontwikkeld als deze.

Aan het andere uiteinde der wereld, op de ijsvlakte bij de noordpool, vinden wij hetzelfde terug.

John Ross bevond zich, toen hij in het ijs verdwaald was geraakt, in tegenwoordigheid van een volk, dat nooit eenen Europeaan gezien had. De Engelsche zeevaarder, innig godsdienstig van aard, was in de gunstigste omstandigheden, om de eenige wezens, die hij kon liefhebben, met zachtheid te beoordeelen, en toch ...... als oplettend en eerlijk waarnemer, moest hij er eindelijk aan wanhopen, om in hun gemoed de bezielende vonk te ontdekken, die hij daarin wenschte te vinden. „De Eskimo, zegt hij, is een roofdier, zonder eenig ander genot, dan het eten; hij mist elk zedelijkheidsbeginsel, en verslindt al wat hij bemachtigen kan evenals de gier en de tijger;.... hij eet slechts om te slapen, en slaapt alleen, om weder zoo spoedig mogelijk te kunnen eten.” Wij zullen nog lager afdalen, en menschen bespreken, die zóó laag stonden, dat zij, die ze gezien hebben, verklaarden, dat, indien zij ze ontmoet hadden in een bosch, zij niet zouden kunnen zeggen, of zij apen of menschen vóór zich hadden. En merkwaardig is het, dat men die niet vindt in arme of aan het uiteinde der wereld gelegen landen, maar op het Aziatische vasteland, ten zuiden van den Himalayaketen, in het midden van Hindostan, en wel in de streken, die de bakermat geweest zijn van enkele soorten van groote apen, op een tijdstip toen de eilanden van den Indischen archipel met het vasteland van Azië verbonden waren.

Piddington, die in het midden van Hindostan gevestigd was, verhaalt, dat hij jaarlijks met eene troep inlandsche arbeiders, die op de plantage kwamen werken, eenen man en eene vrouw van een bijzonder vreemd voorkomen zag medekomen, die door de inlanders aap-menschen genoemd werden. Zij hadden eene taal op zich zelf. Voor zoover men uit teekenen kon begrijpen, leefden zij in de bosschen en in de bergstreken en hadden zij slechts enkele dorpen. Het is waarschijnlijk, dat beiden om eenen moord of iets dergelijks gevlucht waren. Zeker is het, dat zij door de inlanders in het bosch gevonden waren, toen zij uitgeput en uitgehongerd waren. In eenen zekeren nacht waren zij plotseling verdwenen, juist toen Piddington ze naar Calcutta wilde zenden. Hij beschrijft den man aldus: Hij was klein, had eenen platten neus, half-cirkelvormige rimpels liepen om de mondhoeken en over de wangen; zijne armen waren bovenmatig lang, en zijne dofzwarte huid was met roode haren bedekt. Als hij in eenen donkeren hoek gedoken of op eenen boom zat, zou men hem voor eenen grooten orang-oetan hebben aangezien.

Piddington had veel gereisd, had zoowel de Bosjesmannen, als de Hottentotten, de Papoea’s, de Alfoeren, de inboorlingen van nieuw-Holland, nieuw-Zeeland en de Sand-wichseilanden gezien, zoodat hij een waarnemer was, bijzonder rijk aan ondervinding.

Whitebourne schreef reeds in 1612, dat de Eskimo’s geen begrip hadden van de Godheid en eene volkomen regeeringlooze troep vormden. Wij kunnen daarbij voegen de getuigenis van John Ross, die langen tijd in hun midden woonde: „Begrepen zij iets, zoo vraagt hij, van alles wat ik hen trachtte te leeren, door de eenvoudigste zaken op de eenvoudigste wijze uit te leggen? Ik kan het niet zeggen. Zou het mij beter gelukt zijn, indien ik hunne taal had verstaan? Ik heb reden om het te betwijfelen. Ik zou niet durven ontkennen, dat zij een spoor eener moreele wet in hun hart dragen; talrijke trekken in hun gedrag wijzen dit uit; maar ik heb het nooit verder kunnen brengen dan tot enkele aanwijzingen. Ik heb nooit het minste spoor van het bestaan van eenen godsdienst bij hen kunnen ontdekken. Ik heb mijne pogingen in die richting eindelijk moeten opgeven.” Die getuigenis is des te belangrijker, omdat wij in ieder woord het verdriet hooren spreken van iemand, die, hoe gaarne hij het ook gewild had, in het hart van andere menschen de echo niet gehoord heeft van de gevoelens, die hem het dierbaarst waren.

Een groot aantal van de lagere volkeren loopen totaal naakt. De beroemde Afrikareiziger Doctor Schweinfurth verhaalt, dat bij de Dinka’s zelfs de minste bedekking als het sterke geslacht onwaardig beschouwd wordt. De Nubiërs, die eenen dunnen gordel dragen, worden voor vrouwen uitgescholden door de Dinka’s, bij wie de vrouwen een schort van huiden dragen. Bij andere volksstammen in Afrika loopen mannen en vrouwen naakt. Hun huid is chocolade-kleurig. Sommigen slijpen hunne snijtanden scherp, om beter hunne vijanden te kunnen bijten, terwijl anderen ze uittrekken naar de mode van hun land. De Bongo’s dragen eenen gordel, hunne vrouwen willen echter geen enkel stukje leer of katoen dragen, maar dragen alleen een dun takje met bladeren of eenig gras te zamen gebonden. Beiden dragen aan armen en beenen, en dikwijls aan den hals, zware ijzeren of koperen ringen, en de vrouwen doorboren dadelijk na haar huwelijk hare benedenlip, waarin zij hoe langer hoe dikkere pinnen steken, dikwijls van 2 tot 3 centimeters middellijn. Het begrip onsterfelijkheid is hun volkomen onbekend. Elke godsdienst is hun vreemd. Behalve het woord „loma”, dat zoowel geluk als ongeluk beteekent, hebben zij in hunne taal geen enkel woord, dat overeenkomt met het woord Godheid. Zij noemen den God der Turken, waarvan zij wel eens hebben hooren spreken, loma-gobo, doch zij hechten aan dat woord meer de beteekenis van „toeval.”

Fig. 325.—Menscheneters uit centraal-Afrika, naar het reisverhaal van Schweinfurth.

Fig. 325.—Menscheneters uit centraal-Afrika, naar het reisverhaal van Schweinfurth.

De meest gewone uitdrukkingen, door ons gebezigd voor afgetrokken begrippen, missen zij; zij hebben geene uitdrukking voor geest, ziel, onsterfelijkheid, oneindigheid, tijd, hoop, gedachte, gevoel, kleur, reuk, enz. Ditzelfde verschijnsel vindt men bij al die lagere rassen. Hunne taal is als het ware niets dan klanknabootsing. Zij zelf hebben namen van dieren en planten. Bij enkele volksstammen bestaat de onderdanigste groet hierin, dat men elkander in het gezicht spuwt.

De Niam-Niams dragen gewoonlijk eenen gordel, die zóó om het lichaam gebonden wordt, dat hij in eenen staart eindigt. Zij zijn nog steeds menscheneters; aan den ingang hunner hutten vindt men staken en boomen, die dienen, om hunne jacht- en oorlogstrofeën te vertoonen. Daaronder vond Schweinfurth koppen van antilopen, wilde zwijnen, kleine apen, bavianen, chimpansee’s, en ook schedels van menschen. In de nabijheid der hutten vond hij onder de keukens overblijfselen van menschenbeenderen, die de sporen droegen van de bijl of het mes; en aan de naburige boomen hingen rottende handen en voeten, die eenen walgelijken reuk verspreidden.

Het gedeelte van centraal-Afrika, dat door die wilden bewoond wordt, schijnt ook het vaderland der chimpansee’s te zijn. Schweinfurth vond ten minste in de hutten een verbazend aantal schedels van chimpansee’s, en de Niam-Niams jagen in de wouden voortdurend op die dieren. De inboorlingen beweren, evenals die van west-Afrika, dat die apen met menschelijke gedaante de vrouwen en jonge negerinnen wegrooven, en dat het zeer moeilijk is, ze terug te krijgen. Die holbewoners verdedigen zich met woede: in hunnen hoek gedoken, ontrukken zij de wapenen aan hunne aanvallers, en maken zij er gebruik van tegen den vijand.

De Momboettoe’s, naburen der Niam-Niams, zijn nog veel meer menscheneters dan deze. Bij hen is het volstrekt niet uit noodzakelijkheid, want zij hebben een groot aantal dieren ter hunner beschikking, maar alleen voor de lekkernij. Zij zijn omgeven door zwarte volksstammen, die in ontwikkeling nog lager staan dan zij, en zij maken daarop evenzeer jacht als op apen, evenals wij op wild jacht maken. De lichamen van hen, die sneuvelen, worden dadelijk in stukken gehakt, het vleesch wordt in lange repen gesneden, op de plaats zelf geroosterd en als eene lekkernij medegenomen. De gevangenen worden bewaard, als schapen opgesloten en één voor één, naarmate van de behoefte, gewurgd. De kinderen worden als lekkernij voor de hoofden bewaard. Dagelijks kreeg koning Mounza tijdens het verblijf van Schweinfurth een kind op schotel. In de keuken gebruikt men menschenvet, zooals wij boter gebruiken.

Fig. 326. Bosjesmannen op de jacht.

Fig. 326. Bosjesmannen op de jacht.

Wij zouden over dit onderwerp nog veel meer in bijzonderheden kunnen uitweiden. Doch het voorgaande is voldoende, om duidelijk te maken, dat die laagste volkstammen, die zinnelijke, grove, onwetende wezens, ongeschikt voor iedere afgetrokken redeneering, dichter staan bij de chimpansee’s, de orang-oetans en de gorilla’s, dan bij de menschenrassen, waartoe Newton, Leibnitz, Kepler, Archimedes, Huygens, Phidias, Dante, Shakespeare, Leonard da Vinci, Pascal, Mozart en zoovele andere reuzengeesten behoord hebben. Wij moeten hierbij tevens opmerken, dat het hoe langer hoe moeilijker wordt, volkomen natuurlijke oorspronkelijke rassen te vinden, daar de zendelingen en de reizigers de denkbeelden, die het gevolg zijn onzer hoogere beschaving, bijna overal hebben overgeplant. Wel zoude men in menig opzicht de voortreffelijkheid van onze verstandelijke en zedelijke ontwikkeling in twijfel kunnen trekken. Aan de edelste godsdiensten kan men de grootste laagheden verwijten: aan de christenen, de vervolgingen der inquisitie en de godsdienstoorlogen; aan de muzelmannen de bloedbaden, die zij bij hunne veroveringen hebben aangericht; aan de verstandigste regeeringen van Europa, den gewapenden vrede, het geld, dat aan de staande legers opgeofferd wordt, de diplomatie, die het recht van den sterkste met een masker van recht bedekken moet. Ja zeker, een bewoner van Sirius, of van eene werkelijk verstandelijk ontwikkelde wereld zou geen onderscheid zien tusschen de Europeanen, de Amerikanen, de Aziaten eenerzijds, en de Australische en Afrikaansche volksstammen, waarover wij zooeven gesproken hebben, aan de andere zijde, en misschien zouden zij over alle tegenwoordige aardbewoners medelijdend de schouders ophalen. Maar alles is betrekkelijk. Het is niet te loochenen, dat wij minder onvolmaakt zijn dan die wilde stammen, en dat ons verstand veel hooger ontwikkeld is. Het doel dezer studie is geweest, het verband aan te wijzen tusschen de menschheid en de dierenwereld, waarvan zij zich met moeite en uiterst langzaam heeft losgemaakt.

Men heeft wel eens beweerd, dat daar de menschheid bezit heeft genomen van de aarde en de overhand heeft verkregen boven het dierenrijk door de oefening zijner hoogere vermogens, het te vreezen staat, dat de dag zal aanbreken, waarop een nieuw ras te voorschijn komt, dat zooveel boven het onze staat, als wij boven de overige zoogdieren, en dat ons zal ten onder brengen, zooals wij de lagere rassen hebben vermeesterd. Toch is dit denkbeeld, dat in verschillende werken in verschillende talen is uitgewerkt, eene dwaling. Wel zal de menschheid der toekomst eene andere zijn dan de onze; maar zij zal geleidelijk gevormd zijn en de ontwikkeling zijn van de onze. Wij zelf zijn het, die verstandiger en beter zullen worden, die de lichamelijke en geestelijke onderdrukking van den mensch zullen opheffen, en die het rijk van licht en vrijheid zullen stichten.

Wij kunnen het niet genoeg herhalen, de mensch neemt door zijne rede de eerste plaats in de rij der wezens in; terecht heerscht hij dus over alles wat op de aarde leeft. Maar wij moeten ook erkennen, dat de mensch in wezen niet verschilt van zijne naaste buren, de anthropoïde apen. Anatomisch zijn het dezelfde organen, op dezelfde wijze gebouwd en gelegen, en alleen door verschillen van minderen rang van elkander afwijkend; de voeten, de handen, de wervelkolom, de borstkas, het bekken, de zintuigen, alles is op dezelfde wijze gebouwd; de hersenen zijn in bouw en in windingen eveneens dezelfde; de storingen komen zelfs overeen. De eenige physische verschillen zijn gelegen in den inhoud der hersenen, die bij den mensch driemaal grooter is, en hare windingen, waardoor bij den mensch de rede, de schoonste parel aan zijne kroon, zooveel meer ontwikkeld is. Ook uit een moreel oogpunt hebben wij den langzamen overgang van de dieren tot aan den mensch leeren kennen. De vraag is thans, welke van de vier soorten van anthropoïde apen het dichtst bij den mensch staat.

De gibbon komt niet in aanmerking. Wel staat hij hoog door zijne hersenwindingen en zijn ruggemerg, maar door de nauwheid van zijn bekken en de schikking zijner spieren is hij het verst van den mensch verwijderd.

Ook de orang-oetan heeft eenige anatomische karaktertrekken, waardoor hij tamelijk ver van den mensch verwijderd is, zooals de gebrekkige handen en voeten en de afmetingen van het geraamte; doch zijne hersenwindingen, zijn gezichtshoek, zijne ribben, tanden en zijn verstand wijzen op eene hooge ontwikkeling.

De chimpansee heeft in zijn voordeel het aantal hersenwindingen, de afmetingen van het geraamte en de vorm van den schedel.

De gorilla eindelijk heeft een groot hersenvolume en komt ook door zijne spieren, zijne handen en voeten, zijn bekken en andere bijzonderheden met den mensch overeen; hij heeft echter 13 paar ribben, eene gebrekkige wervelkolom en lange hoektanden.

Ieder der drie groote anthropoïde apen komt dus in enkele eigenschappen met den mensch overeen, geen enkele echter vereenigt al die eigenschappen in zich. Zoo kan men van de laagste menschenrassen niet beweren, (zelfs niet van de Bosjesmannen) dat zij van eenen anthropoïden aap afstammen; zij naderen daartoe alleen door enkele eigenschappen. De mensch, mogen wij dus aannemen, stamt niet af van ééne der tegenwoordig bestaande anthropoïde apensoorten, hij is als het ware de neef van den anthropoïden aap; de gemeenschappelijke stamvader behoort tot een ander tijdperk1.

De Amerikaansche apen verschillen van die van Afrika, Azië en Europa hierin, dat zij eenen platten neus hebben, zoodat de neusgaten zijdelings geplaatst zijn; zij heeten daarom ook Platyrrhinae (platneuzen). De apen der oude wereld daarentegen (orang-oetans, gorilla’s, chimpansee’s), hebben een smal tusschenschot in den neus en de neusgaten naar beneden gericht, en heeten daarom Catarrhinae. De laatste hebben bovendien hetzelfde aantal tanden als de mensen; aan iedere kaak heeft men vier snijtanden, 2 hoektanden en tien kiezen, in het geheel dus 32 tanden, terwijl de Amerikaansche apen er 36 hebben, en wel vier kiezen meer. Hieruit volgt, dat er oudtijds in de afstamming der apen eene scheiding heeft plaats gehad, en dat de mensch afstamt van de apen der oude wereld. Maar geen der tegenwoordige apen kan als onze stamvader beschouwd worden. Reeds lang zijn de aapachtige voorouders van den mensch verdwenen. Misschien is de dryopithecus, waarvan Gaudry beweert, dat hij in staat was, vuursteenen te slijpen, nauw aan dien voorvader verwant, wiens heerschappij dagteekent van voor meer dan honderdduizend jaren.

De mensch is dus het laatste voortbrengsel van het leven op aarde, de top van den stamboom van het dierenrijk, de jongste en volmaaktste der zoogdieren, in één woord, een verbeterde en gewijzigde aap.

Dit denkbeeld hindert en ergert hen, die er genoegen in scheppen, de bakermat der menschheid met eenen stralenkrans te omgeven; indien wij dan ook onzen roem stellen in onzen stamboom en niet in onze eigen daden, dan is dat denkbeeld inderdaad vernederend. Maar wat is die slag, dien onze eigenliefde hierdoor ondergaat, in vergelijking met dien, welke ons reeds door de sterrenkunde is toegebracht? Toen men meende, dat de aarde het middelpunt der schepping was, en dat het heelal ten behoeve der aarde geschapen was, en de aarde ten behoeve van den mensch, had onze hoogmoed de ruimste voldoening. Die leer verviel op den dag, waarop bewezen werd, dat onze planeet slechts een nederige wachter is van de zon, die zelf slechts één der vele lichtpunten van het heelal is: op dien dag reeds en niet eerst nu werd de mensch tot nederigheid gedwongen. Niet voor hem kwam de zon iederen morgen op, niet voor hem ontstak het hemelgewelf iederen avond zijne ontelbare lichten; niet uitsluitend voor hem, evenmin als voor de bewoners eener andere wereld van de oneindige ruimte, was de wereld geschapen.

Evenals de boer, die zich in den droom als den oppermachtigen heerscher der aarde zag, ontwaakte de mensch in eene eenvoudige hut. Niet zonder leedwezen zag hij zich zoo vernederd; langen tijd hinderde hem de herinnering aan zijnen vervlogen droom, maar hij moest zich onderwerpen en zich gewennen aan de werkelijkheid, en ook thans troost hij zich met het denkbeeld, dat hij, al is hij niet meer de koning der schepping, toch nog altijd de koning der aarde is.

Op die onbetwiste heerschappij mag hij met recht trotsch zijn. Doch wordt deze bedreigd of verminderd door de kennis van de geleidelijke verandering der soorten? Zal zij minder beteekenis hebben, indien hij die aan zich zelf verschuldigd is, dan wanneer hij die van zijne eerste voorouders verkregen heeft? Wel verre van den oorsprong van ons ras te vernederen, veredelt ons de nieuwere leer, daar zij den mensch leert, dat hij zelf zijne hooge waarde verkregen heeft door eigen inspanning en door oefening zijner vermogens.

Doch zijn dergelijke beschouwingen niet misplaatst in een wetenschappelijk of populair werk? Wij wenschen hierover onze meening in het kort mede te deelen.

Iedere wetenschap, en dus ook de sterrenkunde, de geologie, de paleontologie, heeft groote waarde op zich zelf. Maar het doel van het weten is om den geest te verlichten. Een sterrenkundige, een geoloog, een natuuronderzoeker, die al de geheimen zijner geliefkoosde wetenschap heeft leeren ontsluieren, kan daarom toch wel, niettegenstaande zijne groote geleerdheid, een onontwikkeld verstand hebben, en niet hebben leeren denken. De grootste gave echter van den menschelijken geest is het vermogen om te denken, te oordeelen, te generaliseeren, in één woord zijne wetenschap dienstbaar te maken aan zijn oordeel. De wetenschap, die den geest niet verlicht, die den mensch niet tot gids verstrekt, die hem niet losmaakt van de dwalingen van de onkunde en het vooroordeel, sticht minder nut en is minder eerbiedwaardig dan die, welke geheel voldoet aan hare roeping, om ook te vormen voor het leven. Vandaar dan ook, dat wij in dit hoofdstuk ons niet ontzien hebben, onze meening te zeggen omtrent de gevolgtrekking, die men ten opzichte der afstamming van den mensch trekken kan uit de studie der paleontologie. Wij vonden daartoe te meer vrijheid, daar ieder lezer zich de in de vijf eerste boeken medegedeelde feiten kan eigen maken, zonder dat hij zich verplicht behoeft te gevoelen ons te volgen in de besluiten, die wij meenden, dat daaruit logisch konden getrokken worden. De godsdienst op zich zelf is onafhankelijk van eenig godsdienstig dogma, of van eenige meening op godsdienstig gebied; die meeningen worden voornamelijk door het gemoed, en niet door het verstand beheerscht. Wij kunnen dus ieder onderdeel der menschelijke wetenschap bestudeeren, zonder dat dit invloed heeft op onze godsdienstige overtuiging. Het hoogste doel der wetenschap blijft steeds ons te verheffen tot een hooger ideaal, ons los te maken van het lage materialisme, door ons het wezen der krachten te doen begrijpen, die het heelal besturen en naar een ons onbekend doel voeren. De ware geleerde is de vijand van onverdraagzaamheid en dweepzucht, de verdediger van de vrijheid van geweten, de apostel van licht en vooruitgang. Doch daartoe moet hij den moed hebben, rond voor zijn gevoelen uit te komen en het belang der waarheid boven elk eigenbelang te stellen. Zijne taak is het te handelen naar het woord van Juvenalis: Vitam impendere vero, d.i. zijn leven aan de waarheid te wijden.

Doch keeren wij tot den oorspronkelijken mensch terug.

De natuur roept ons, zoo zagen wij, met duizend tongen toe, dat de mensch van den aap2 afstamt, de aap van het buideldier, het buideldier van de tweeslachtige dieren, de tweeslachtige dieren van de visschen, de visschen van de ongewervelde dieren, de ongewervelde dieren van het protoplasma, het protoplasma van de onbewerktuigde stof. Wij hebben dien boom des levens zien ontstaan en gedurende de verschillende tijdperken zien groeien, van de azoïsche periode tot op onzen tijd. Wel bestaan er nog vele leemten in eene wetenschap, die uit zoovele nog zoo nieuwe wetenschappen is samengesteld; maar toch zijn wij reeds in staat, de hoofdlijnen van het beeld der schepping te schetsen.

Op de hoogte, waarop wij thans staan, kunnen wij de vraag stellen, van welken tijd het optreden van den mensch op de aarde dagteekent.

Die vraag is ingewikkelder, dan men op het eerste gezicht zoude meenen. Indien wij door het woord „mensch” verstaan het wezen, dat thans de heerscher is der aarde, in het bezit van rede en verstand, dan kunnen wij antwoorden, dat de menschheid nog slechts enkele duizenden jaren bestaat, van het begin der geschiedenis af, die zelf nog geene tienduizend jaren oud is, zelfs niet die van Egypte, het oudste land, waarvan wij geloofwaardige historische oorkonden bezitten. Zoolang de menschheid de geschreven taal niet had, heeft zij historisch niet bestaan. De lagere volksstammen, die nog heden ten dage zonder schrijftaal, en zelfs bijna zonder spreektaal zijn, maken geen deel uit van de denkende en handelende menschheid. De schrijftaal is de grootste vooruitgang, dien de oorspronkelijke menschheid heeft ondergaan, en deze heeft den mensch eerst zijne verstandelijke ontwikkeling gegeven. De eerste schrijftaal was uiterst weinig ontwikkeld en de spreektaal vóór dien tijd nog veel minder.

Wij hebben tegenwoordig bewijzen, dat de oorspronkelijke mensch tienduizenden van jaren ouder is dan de oudste oorkonden der menschheid; men heeft immers reeds een groot aantal typen van den fossielen mensch gevonden.

Doch nog niet sedert lang. Eerst in 1823 vertoonde Amy Boué aan Cuvier menschenbeenderen, door hem in de omstreken van Lahr, in Baden, in het Rijnlöss gevonden. Cuvier, die zooals wij vroeger zagen, eene vooropgestelde meening had over den aard der schepping en de onveranderlijkheid der soorten, wilde die niet als fossiel erkennen. Doch dit nam niet weg, dat men in 1828 en in 1829 in Frankrijk, in 1833 in België, in 1839 weder in Frankrijk, in 1844 in Brazilië enz. fossiele overblijfselen van menschen ontdekte. Doch de officieele wetenschap maakte reeds apriori uit, dat de overblijfselen van den mensch of de door den mensch vervaardigde voorwerpen, in die quaternaire formaties gevonden, daarheen gebracht waren door het water of door inzakking.

In 1847 werd het vraagstuk een heel eind verder gebracht door de uitstekende onderzoekingen van Boucher de Perthes, die in grintgroeven bij Abbeville eene groote menigte door menschen bewerkte vuursteenen vond.

Doch eerst in 1861 werd het vraagstuk met volkomen zekerheid opgelost door de wegruiming van het puin van de grot van Aurignac, door Lartet. Daar was verdere twijfel onmogelijk. Die grot was op het oogenblik der ontdekking gesloten door eenen van eenen grooten afstand aangebrachten steen. Lartet vond in die grot de beenderen van acht diersoorten, tot de quaternaire periode behoorende. Eenige van die dieren waren daar opgegeten; hunne gedeeltelijk verkoolde beenderen droegen nog de sporen van het vuur, waarvan men nog de kolen en de asch terugvond; de beenderen van eenen jongen rhinoceros tichorinus vertoonden inkervingen, gemaakt met vuursteenen werktuigen, en waren afgekloven door hyena’s, waarvan men de sporen terugvond. De ligging van de grot maakte het onmogelijk, dat er door het diluvium iets daarheen gevoerd was. Hieruit volgt dus, dat de oorspronkelijke mensch geleefd moet hebben tegelijk met de quaternaire dierenwereld, en dat hij zelfs rhinocerossen als voedsel gebruikte, en door de hyena uit dat tijdperk gevolgd werd, die zich aan de overblijfselen van den maaltijd te goed deed. Het gelijktijdig bestaan van den mensch en die fossiele dieren was daardoor bewezen.

Het volgende jaar werden die feiten door eene belangrijke ontdekking bevestigd. Den 28sten Maart 1862 had Boucher de Perthes het geluk, dat hij zelf, in het grijze diluvium van de Somme-vallei eene menschelijke kaak opgroef, die wel niet volkomen was, maar toch ontegenzeggelijk toebehoorde aan den quaternairen mensen.

Doch nog belangrijker feiten kwamen aan het licht. In 1868 werd in de Académie des Sciences eene kaak van eenen rhinoceros uit de miocene periode vertoond, waarop, zooals men zeide, eene door den mensch gedane inkerving zichtbaar was. Zoo ook heeft men in de miocene formatie van Maine-et-Loire eene rib van een halotherium gevonden evenzeer met insnijdingen door menschenhanden verricht. Hetzelfde is het geval met beenderen te Pikermi gevonden. Men zou kunnen beweren, dat die inkervingen verricht zijn door roofdieren of zelfs eenvoudig door wrijving zijn ontstaan; de abbé Bourgeois echter, een bekwaam onderzoeker, in 1878 gestorven, heeft in de miocene formatie van Loir-et-Cher vuursteenen gevonden, die zouden moeten geslepen zijn door een wezen, dat in verstand hooger ontwikkeld was dan de tegenwoordige dieren.

Volgens die laatste getuigenissen, die nog met een aantal andere zouden kunnen worden vermeerderd, zoude men dus zelfs mogen besluiten tot het bestaan van den tertiairen, miocenen mensch. Toch meenen wij, dat de bewijzen voor die stelling nog niet voldoende zijn. Quatrefages en Hamy meenen, dat de gevonden vuursteenen door menschen geslepen zijn. Gaudry en anderen zijn van oordeel, dat het niet onmogelijk is, dat dit door apen zoude geschied zijn. Is dat waar, dan moet de dryopitheke of een andere anthropomorphe aap de voorganger van den mensch geweest zijn. Doch wij moeten hier bijvoegen, dat er zelfs deskundigen zijn, die beweren, dat de vuursteenen in het geheel niet geslepen zijn. Anderen zelfs hebben niet zonder grond het vermoeden geuit, dat de formatie, waarin die vuursteenen gevonden zijn, tot de eocene formatie behoort. Is dit het geval, dan is het zeker, dat zij niet geslepen zijn, immers in die periode vond men zelfs nog geene ware herkauwende dieren, geene éénhoevige dieren, snuitdieren of apen.

De vuursteenen te Otta, bij Lissabon, en die te Aurillac gevonden, maken evenmin het vraagstuk uit: zij zijn ongetwijfeld uit de miocene periode afkomstig, doch het is lang niet zeker of zij geslepen zijn.

Bovendien is het bijna onmogelijk, dat de mensch reeds in die periode zou bestaan hebben. Op welk standpunt men zich ook plaatse, de mensch kan alleen optreden aan de spits der organische wereld, nadat het planten- en dierenrijk tot volle ontwikkeling is gekomen. In de miocene periode was die ontwikkeling nog lang niet volledig genoeg, om de verschijning van den mensch in dien tijd niet als een anachronisme te beschouwen; dit is op zichzelf voldoende, om de meening te verwerpen, als zoude de mensch in de miocene periode verschenen zijn.

Dat de mensch reeds bestaan heeft in het begin der quaternaire periode, en zelfs op het einde der tertiaire periode, is echter niet twijfelachtig. De verandering van den aap, waaraan wij ons bestaan te danken hebben, dagteekent hoogstwaarschijnlijk van de pliocene periode. Het zou ons te ver voeren, indien wij alle ontdekkingen vermeldden, zoowel van fossiele overblijfselen van menschen als van geslepen vuursteenen of van voorwerpen, door den oorspronkelijken mensch vervaardigd. In het museüm te Brussel zijn niet minder dan 80000 door menschenhanden geslepen vuursteenen en 40000 beenderen van dieren voorhanden, die gelijktijdig met den oorspronkelijken mensch geleefd hebben. Men heeft reeds de opvolging dier verdwenen menschenrassen kunnen bepalen; enkele waren tijdgenooten van den holenbeer, andere van den mammouth, nog andere van het rendier, weer andere van den aueros. De merkwaardige fossiele mensch, in 1872 te Mentone gevonden, schijnt uit den tijd van het rendier te dagteekenen. Nog in het jaar 1884 zijn op diezelfde plaats belangrijke opgravingen gedaan.

Fig. 327. De fossiele mensch, in 1872 in een hol te Mentone gevonden, thans aanwezig in het museüm te Parijs.

Fig. 327. De fossiele mensch, in 1872 in een hol te Mentone gevonden, thans aanwezig in het museüm te Parijs.

Toch is dit alles nog niet voldoende, om ons een zuiver beeld te vormen van den oorspronkelijken mensch. Trouwens Quatrefages merkt zeer terecht op, dat het oorspronkelijke type van den mensch verdwenen is. Dit moet reeds het geval zijn door verhuizing en wijzigingen der omgeving. De mensch heeft den geheelen afstand tusschen de tertiaire en de quaternaire periode doorloopen; misschien bestaat zelfs de plaats niet meer, waar hij is opgetreden; zeker is het, dat de levensvoorwaarden daar geheel anders moeten zijn dan bij zijn eerste optreden. Toen alles rondom hem veranderde, kon hij alleen niet dezelfde gebleven zijn.

Wij kennen den oorspronkelijken mensch niet; als wij hem ontmoetten, zouden wij hem zelfs niet herkennen. Het eenige wat wij kunnen zeggen, is dat hij waarschijnlijk de kleur had van de gele rassen, en dat zijn haar waarschijnlijk rossig was. Zijne taal was waarschijnlijk éénlettergrepig en klanknabootsend.

Vóórdat zij den ploeg, de spade, den molen, den oven, de kuip, het vat, de kom, den lepel, de vork, het mes hadden uitgevonden, leefden die wezens, die langzamerhand menschen geworden zijn, maar die toen slechts redelooze dieren waren, in bosschen en holen, en moesten zij zelf hun voedsel zoeken, evenals hunne tijdgenooten, de apen, wolven, tijgers, wilde paarden, olifanten, beren, hyena’s, jakhalzen, bevers enz. Komt hun reeds de naam van mensch toe? Naar ons oordeel niet. Dat zij zich met de voeten, de handen en het hoofd verdedigen als zij aangevallen zijn, bewijst niets, immers dat doen ook de apen. Dat zij eene vrucht nemen en die naar het hoofd van hunnen tegenstander werpen, bewijst evenmin iets, dat doet de aap eveneens. Ook de aap grijpt eenen tak, dien hij doorbreekt en waarmede hij bij den aanval om zich heen slaat. Bijna alle dieren zorgen voor hun kroost.

De eerste handeling, waaruit hunne hoogere ontwikkeling bleek, moet met hunne levenswijze hebben samengehangen. Een scherpe, puntige steen, kon beter dienst doen, om een dierenhuid te snijden, dan de nagels. De meest ontwikkelde wezens van hunnen tijd moeten opgemerkt hebben, dat scherpe en puntige steenen beter geschikt waren, om iets te kloven, dan ronde steenen, en zij zullen daarmede hun voordeel gedaan hebben. Daarna zullen wezens, even wild, maar iets verstandiger dan de vorige, hebben opgemerkt, dat een steen kon verbrijzeld worden, door hem tegen eenen anderen steen te stooten, en dat de stukken scherp of puntig waren. Zoo is de periode der gehouwen steenen begonnen, waarvan men heden overal de sporen vindt. De ontdekking van het vuur door de wrijving van droog hout, was op zich zelf reeds een belangrijke vooruitgang.

Evenals het lichaam van den mensch langzamerhand volmaakter is geworden, zoo is het ook met den geest het geval geweest. Is het menschelijke lichaam de vrucht van de opklimming der natuur langs alle trappen van het dierenrijk, de menschelijke geest is de bloem, uit die ontwikkeling voortgekomen. De hoogere dieren hebben eene verstandelijke ontwikkeling, die waardig is met die van den mensch vergeleken te worden, zij hebben geheugen, eenen wil, verbeelding, overleg en andere verstandelijke vermogens. Het is slechts eene vraag van meer of minder. De geheele natuur is naar eenzelfde plan gebouwd en is de uitdrukking eener zelfde idee.

Er zijn boeken volgeschreven over het verstand der dieren, en wij mogen daarover hier niet verder uitweiden. Het kwam er alleen op aan, onze lezers te doen begrijpen, dat ook de dieren met verstand begaafd zijn, en dat de menschelijke ziel evenmin als het lichaam iets anders is als die der overige dieren; ook zij heeft zich geleidelijk in den loop der eeuwen ontwikkeld.

Nog andere niet minder merkwaardige bewijzen zouden bij de vorige gevoegd kunnen worden, om de reeds volle maat der bewijzen tot den rand toe te vullen. Doch het is onmogelijk te onderstellen, dat de onpartijdige lezer niet reeds lang door het voorgaande overtuigd is geworden. Wij kunnen echter niet nalaten, al was het slechts om de merkwaardigheid, even te wijzen op de somtijds zoo bijzondere gelijkenis tusschen sommige menschenkoppen en enkele typen van dieren. Is het niet als het ware de echo van vroegere tijden, als eene soort van terugslag naar vroegere vormen? De gelijkenis van den mensch met de apen, vooral onder de lagere menschenrassen, valt te zeer in het oog, dan dat wij daarbij zouden stilstaan. Doch ook bij ons blanke ras, dat zoo beschaafd is, vindt men niet zelden in het gelaat en zelfs in het karakter van enkele personen ontegenzeggelijk gelijkenis met sommige dieren, zooals den leeuw, de kat, den vogel, den bunzing, de slang en zelfs den visch. Voor de merkwaardigheid geven wij op blzz. 652 en 653 enkele teekeningen weer, die de bekende schilder Charles Lebrun ten tijde van Lodewijk XIV vervaardigd heeft, waarin hij duidelijk de gelijkenis van enkele menschenkoppen met dieren doet uitkomen. En letten wij op de karaktertrekken van den mensch, reinheid van gemoed—slimheid—onverstand—drift—slaafschheid—kwaadaardigheid—zelfopoffering—gierigheid—wellust enz. enz., zooals zij door het gelaat worden uitgedrukt, men behoeft ze niet in de werken van Lavater te bestudeeren, om ze dagelijks om zich heen te zien.

De mensch heeft slechts langzamerhand en ongemerkt zijne oorspronkelijke ruwheid afgelegd. De grootste schrede op den weg van verstandelijken en zedelijken vooruitgang kon eerst worden gedaan, nadat de strijd om het bestaan en de zorg voor hunne dagelijksche behoeften niet meer hunnen geheelen tijd in beslag nam.

Ten gevolge van gelukkige omstandigheden, van een zachter klimaat, te midden der nieuwe vruchten van eene vruchtbaarder aarde in eene periode van voorspoed en rust, is de stof eindelijk voor den geest geweken. De mensch, die voor het eerst den kop van eenen mammouth of een hert geteekend heeft op eenen gepolijsten horen, de mensch, die het eerst eenen ruiker van wilde bloemen voor zijne beminde heeft bijeengebracht, die voor het eerst een lied gezongen heeft of het eerst de snaren tokkelde, de eerste kunstenaar, de eerste denker voelde op dat oogenblik noch honger, noch koude. De denkende menschheid kon alleen ontwaken onder de zachte temperatuur van eene vruchtbare streek, die evenzeer afgelegen was van het poolijs als van de verscheurende dieren der tropen. Alleen de zóó bevoorrechte mensch kon het tijdperk van den vooruitgang openen. De overige menschen, die niet zoozeer begunstigd waren wat hunne woonplaats betrof, en die onophoudelijk moesten strijden om te leven en zich te verdedigen, konden slechts weinig vooruitgaan. Doch eerst onder het tooverachtige licht eener getemperde zon, te midden der bosschen, waarin de vogels hun lied kweelden, en bij de welriekende bloemen, waarop de insecten fladderden, kon het gevoel zijne plaats veroveren en de ruwe stof overmeesteren.

Misschien wel is het niet aan den man, maar aan de vrouw toe te schrijven, dat de mensch zich heeft afgescheiden van de apen, dat zijne schoonheid is toegenomen, dat zijn smaak zich heeft ontwikkeld, dat hij den drang naar verbetering gevoelde. De man, door zijne kracht de meerdere, en, die voor het welzijn der zijnen moet zorgen, de beschermer en verdediger, moet daaraan al zijne krachten wijden. Van den morgen tot den avond, dag en nacht, moet hij waken en zorgen voor plantaardig of dierlijk voedsel; hij is het, die den tocht leidt, als het geldt vruchten te plukken, of die de prooi bespringt; als het noodig is, dieren te bemachtigen. Bij de apen, evenals bij alle hoogere dieren, behoeft de vrouw zich hiermede niet bezig te houden. Haar eenige taak is, den man en de kinderen te verzorgen. Zij heeft dus al den tijd, om na te denken. Zij blijft te huis, en hoe weinig ontwikkeld hare hersenen ook zijn, zij zijn werkzaam. Waaraan denkt zij?

Haar gevoel is ontwikkelder dan dat van den man. Zij is moeder. Reeds van hunne geboorte af doen de jongen haar lijden. Zij voedt ze met hare melk. Zij bemint ze. Dat is hare roeping. In die richting hebben zich steeds hare hersenen ontwikkeld. Zij is voor het gevoel geschapen, het gevoel doet haar leven. Dat is hare voornaamste eigenschap.