Ten Noord-Oosten van Spanje wordt door de elkander dicht naderende zeeën, het lichaam van ons Europa weder aanzienlijk verengd, en als ineengeregen. Het vormt om zoo te zeggen, den hals van het groote standbeeld van ons werelddeel.
Even als bij de buste van het menschelijk lichaam, zoo is ook bij ons werelddeel deze halsvernauwing van geen langen duur. Aan weerszijden vindt men de breede schouders. De borst van het “schoone Frankrijk,” dat zijne armen, Italië en Groot-Brittanje, rechts en links uitbreidt, welft zich hier.
Bijna even scherp en duidelijk als het Spaansch hoofdgedeelte, heeft de natuur ook dit gedeelte van ons vasteland, als geheel op zich zelf staande gevormd en van de andere landen-massa’s gescheiden; zij schijnt dit land oorspronkelijk reeds tot de woonplaats van een eigenaardig geslacht, tot het schouwtooneel van invloedrijke gebeurtenissen, tot wieg en bakermat van één volk, en tot het goed voorbereide fundament van een machtigen staat bestemd te hebben.
De Pyreneën is het als een parelsnoer om den hals gestrengeld. Als eene muur scheidt die keten het van het Iberische schiereiland. Zijne beide schouders worden door de zee bespoeld en zijn in scherpe kust-lijnen duidelijk afgeteekend. Op de hoogte der taille echter slingert zich de vaste gordel der Alpen, van den Jura, der Vogesen, der Ardennen, die het van Italië en Duitschland scheidt, waarbij echter in het midden (ter hoogte van Midden-Duitschland) het slot en de sluiting vergeten is.—Van de hooge grensomwallingen in het Oosten en Westen, loopt het land vlak naar binnen en naar het westen, alwaar het een bassin vormt, af.
De stroomen van dit bassin vormen een samenstelsel van eigenaardig tot elkander behoorende en door elkander gevlochten aderen, die allen als stralen uit een zelfde middenpunt loopen.—Geen van hen maakt zulke excentrische en afwijkende banen, als b.v. de Duitsche Donau naar het Oosten. Daar zij allen in hunne hoofdtakken in hooge mate bevaarbaar zijn, veel meer dan b.v. de kleine, korte bergstroomen van Italië, of de arm aan water zijnde stroomaderen van Spanje, zoo zijn zij zeer geschikt om bij wijze van band, de bevolking te zamen te houden en in elkander te versmelten. Zij worden door onbeduidende hoogte-ketens, dikwijls slechts geheel vlakke en kleine plateaus, nergens door zulke steile rotsgebergten als de Italiaansche Apennijnen, of als de Spaansche Sierra’s, van elkander gescheiden, en zij konden alzoo, door handelswegen van den eenen stroom tot den anderen en door kanalen, tot een zeer nauw verbonden scheepvaart- en verkeerstelsel vereenigd worden. Strabo heeft gezegd, dat het schijnt alsof de Voorzienigheid de stroomstelsels van Gallië, volgens een vastgesteld plan, ter bevordering van het verkeer en ten gerieve der bewoners aangelegd heeft.
De geheele figuur van dit scherp afgeteekende gedeelte van Europa, is noch zooals Italië zeer in de lengte uitgestrekt, noch zooals Rusland overmatig breed, of als het Grieksche schiereiland verkorven en versnipperd. Het is veeleer een in hooge mate aaneengesloten, goed geëvenredigd geheel, en laat zich binnen den omtrek van een regelmatig vierkant of wel binnen dien van een cirkel vatten. Het strekt zich ook niet over zoo aanzienlijk verschillende luchtstreken uit, maar valt veeleer midden in den schoot van den gematigden aardgordel, en heeft daardoor ook in al zijne deelen een meer gelijkmatig klimaat, dan misschien eenig ander der grootere onderdeelen van ons werelddeel. Frankrijk maakt met betrekking tot zijn klimaat een overgang uit tusschen het Zuiden en het Noorden, en staat midden tusschen het Oosten en Westen. Het is veel minder droog dan Spanje, niet zoo heet als Italië, op verre na niet zoo vochtig als Groot-Brittanje, en gemiddeld vriendelijker en zachter dan Duitschland of zelfs het verre Oosten.
Even als met betrekking tot klimaat en vorming der oppervlakte, zoo heeft het ook nog in andere opzichten niet die veelvuldige verscheidenheid zijner naburige landen, en is het eenvormiger dan deze. Het is over het geheel zeer geschikt tot de verbouwing der Europeesche granen, overal redelijk vruchtbaar en productief, en slechts bij uitzondering staan onoverwinbare hinderpalen de bebouwing van den grond in den weg. Nergens groeien de Europeesche vrucht- en ooftboomen beter dan daar. Ook valt bijna het geheele land nog in de streek van den wijnstok, wat, voor het karakter van klimaat en luchtgesteldheid, misschien van meer beteekenis is dan alles, wat men nog meer over zijne gemiddelde of zomer- en wintertemperatuur-graad zou kunnen zeggen.
Het is gemakkelijk te begrijpen, dat in eene landstreek van dergelijke gesteldheid, die in zoo hooge mate met alle naburige landstreken in contrast staat, die daarentegen in zich zelve eene zoo groote eenheid vormt, ook een bepaald volken-geslacht zich vastzetten en verbreiden, en in den loop der tijden eene bijzondere en eenige natie zich vormen moest.
Toch heeft men ook in Frankrijk, bij alle gelijkvormigheid in het geheel, verscheidene natuurlijke afscheidingen en geledingen, die zich in de geschiedenis van het volk van veel invloed getoond hebben, en op deze wil ik thans de aandacht vestigen. In de eerste plaats verbergt het land, trots die nagenoeg overal heerschende gelijkvormigheid in de verhoudingen van zijn klimaat, in zijn schoot een Zuiden en een Noorden. De Zuidelijke helft is merkbaar warmer dan de Noordelijke en nadert een weinig de natuur van Italië en Spanje, midden tusschen welke landen het gelegen is. Het Zuiden vormt ook daardoor een contrast met het Noorden, dat het bergachtiger is. Het bevat het eenige, tamelijk hooge en echt Fransche bergstelsel, de Cevennen, met zijne vertakkingen.
Het Noorden is een breeder vlakte- en heuvelland, en neigt zich, zoowel wat zijn klimaat betreft als uit een geologisch oogpunt, tot de natuur van Engeland en Duitschland. Daar beide deelen, het Zuiden en het Noorden, door geheel verschillende zeeën bespoeld worden, gene door de Middellandsche, deze door de Atlantische Zee, zoo zijn ook daardoor hunne belangen, en hunne punten van aanraking met de buitenwereld, verschillend. Eene lijn, die Oostwaarts door het midden van Frankrijk, van Genève over Lyon naar den mond der Gironde gaat, mag ongeveer beschouwd worden het Fransche Noorden en Zuiden van elkander te scheiden.—Langs deze lijn loopt in Auvergne en in Limousin, eene reeks met bosschen bedekte bergen. Daar bestonden sedert de 12de eeuw groote kastanjebosschen, die hier eveneens de plantengroei-grens tusschen Noord en Zuid vormden.
Beide deelen van het groote land hebben, ten gevolge hunner contrasten, meermalen geheel verschillende lotgevallen gehad. Het Zuiden heeft in den loop der geschiedenis dikwijls bevolking en heerschappij met Italië en Spanje gedeeld, en is herhaaldelijk een tusschenlid, een doortrekkings-gebied tusschen deze beide naburige landen geweest. Het Noorden daarentegen is meermalen, zoowel ethnographisch als staatkundig, met het naburig Engeland, met de Nederlanden en met Duitschland vereenigd geweest. Nog tegenwoordig toonen Zuidelijke- en Noordelijke Franschen, in ras, zeden en taal een aanmerkelijk verschil, dat zoo groot is, dat zij zich dikwijls nog ternauwernood onder denzelfden naam begrijpen. De Zuidelijke-Franschen in Provence noemen zich b.v. liever alleen “Provençalen”, en laten den naam “Franschen” bij voorkeur aan de Noordelijke Franschen. Het verschil tusschen Noord en Zuid toont zich, zoowel in de natuur des lands als in de geheele geschiedenis van het volk, van de oudste tijden af tot op de jongste tijden toe.
Ofschoon verder, zooals ik zeide, de deelen van Frankrijk ook door de figuur en den omtrek van het land, tot een in hooge mate compacten en in zich zelven besloten landenkring samengeweven zijn, zoo maken zich toch eenige dier deelen meer of minder van het hoofdlichaam los, zooals zulks bij voorbeeld zeer in het oogvallend het geval is met het lange schiereiland in het Westen, dat wij nu Bretagne noemen, en verder ook met het daarmede zeer veel overeenkomst hebbende Normandische schiereiland. Niet alleen geographisch, maar ook ethnographisch en staatkundig, hebben zich deze beide schiereilanden van het overige lichaam des lands gescheiden gehouden, hebben eene eigene bevolking gehuisvest, of somwijlen tot grondslag gediend voor afzonderlijke staten, als waren zij niet anders dan eilanden, die aan het hoofdlichaam van Frankrijk werden toegevoegd.
Iets dergelijks laat zich aangaande eenige riviergebieden van het land opmerken, vooral dat der Rhône, die, ofschoon met andere naburige Fransche stroomen verbonden, toch een zeer exceptioneelen loop heeft. Al de andere rivieren in Frankrijk loopen naar het Westen, en alleen de Rhône is van het Noorden naar het Zuiden gericht, en vormt daarom met haar een dergelijk contrast, als in Spanje het zoo exceptioneele Ebro-gebied ten opzichte der overige rivieren van het Pyreneesche schiereiland.—Meermalen heeft zoowel het Rhônegebied in Frankrijk als het Ebro-bekken in Spanje, een rijk en een volk op zich zelf gevormd.
Met uitzondering dezer meest opvallende natuur-verschillen en van zooveel andere kleine verscheidenheden, zooals die in ieder land voorkomen, staat Frankrijk echter—ik herhaal het—in hoofdzaak als een uiterst gelijkmatig geographisch, klimatisch, hydro- en orographisch geheel daar.
Nieuwere onderzoekingen hebben het waarschijnlijk gemaakt, dat de Noordelijke helft van dit land, even als geheel het overige midden- en westelijk Europa, oorspronkelijk door wilde jagersvolken van Finschen oorsprong bewoond is geweest, die noch de zee, noch de rivieren op grootsche wijze bevaren hebben, die ook, in kleine barbaarsche stammen verdeeld, niet in staat waren, een zoo grooten gemeenschappelijken staat, een zoo groot gebied als Frankrijk, tot een vaderland te stempelen of te benuttigen. Alle menschenschedels uit de oudste graven van Frankrijk dragen, naar de meening van Prichard en andere geleerden, een “Finsch” of “Mongoolsch” karakter.
Tijdens het eerste begin der Grieksche en Italiaansche ontwikkeling, was dit echter reeds een lang vervlogen voortijd. Toen had zich reeds in geheel Frankrijk die groote volksstam met der woon nedergezet, die men als de voorhoede der Indo-Germaansche familie beschouwen kan, en die vroegtijdig den naam “Celten” verkreeg. Deze Celten verdreven geheel en al, tijdens zij het binnentrokken, de Finsche stammen die zij in het Noorden van het land vonden. In het Oosten bleven zij met hen, voor de aankomst der Duitschers, langen tijd buren. Misschien dateeren van deze aanraking der Celten met de Finnen, nog menige klanken, elementen en wortels van woorden, die de Celtische en zelfs de moderne Fransche taal—naar de meening van enkele taalonderzoekers—nog met de taal der Finnen en zelfs met die der Samojeden gemeen heeft.
De Iberische stammen, die zich in duisteren voortijd, even als in Spanje, ook in de Zuidelijke helft van Frankrijk vastgenesteld hadden, en op welke nu de Celten, bij hunne uitbreiding door het land stieten, konden zij niet zoo gemakkelijk vernietigen, omdat deze reeds eene dichtere en meer aan elkander gesloten volkenmassa vormden. Zij drongen deze gedeeltelijk over de Pyreneën naar Spanje en onderwierpen ze anderdeels, terwijl zij hunne overblijfselen met hun eigen volkslichaam deden samensmelten. Iberisch bloed en geaardheid heeft zich bij de Zuid-Franschen ten allen tijde geopenbaard.—Zelfs Napoleon heeft nog gezegd, dat hij in de Zuidelijke Franschen, die in het jaar 1793 even heftige Jakobijnen, als in het jaar 1815 hartstochtelijke royalisten geweest zijn, “de oude heetbloedige Iberiërs” erkende.
Dat de Celten, die zoowel de oude Finsche als Iberische oorspronkelijke bewoners overstroomden, even als alle Indo-Europeanen uit het Oosten, uit Azië naar Europa gekomen zijn, wordt onder anderen uit hunne taal bewezen, die hare naaste verwanten bij de Westelijke-Aziaten heeft. Fransche en Duitsche geleerden hebben over de verwantschap van het Celtisch met het Sanskriet, in den nieuweren tijd werken geschreven, waarin zij dit punt in een helder licht gesteld hebben.
Ook vinden wij sporen der Celten op den weg van het Oosten door Zuid-Duitschland en langs de Donau-landen, waar eens overal Celtische stammen schijnen gewoond te hebben. Door de Germanen echter en door de Slawen, die na hen langs dienzelfden weg kwamen, zijn zij op die breede baan weder bemoeielijkt en verdreven, en hunne hoofdmassa is binnen het vierkant van Frankrijk samengedrongen geworden.
Dit vierkant nu namen de Celten als hunne Europeesche hoofdburcht in bezit, en hieruit zijn zij, ofschoon somtijds door vreemden onderworpen en verscheidene malen gewijzigd, sedert dien tijd niet meer verdreven.
Van uit dit hun centraalpunt hebben zij zich op verscheidene tijden, op de door de natuur aangegeven banen, over al de hen omringende groote Europeesche landen verspreid, en hebben zij op de ontwikkeling van alle naburige nationaliteiten meer of minder invloed uitgeoefend.—De Pyreneën overtrekkende, vielen zij Westelijk eerst Spanje binnen. Dit moet ongeveer 1600 jaren voor de geboorte van Christus gebeurd zijn. Zij vonden daar eene sterke Iberische bevolking. Zij vermengden zich met een gedeelte van dat volk en daaruit ontstonden de zoogenaamde “Celtiberiërs” dat wil zeggen geceltiseerde of, als men wil, verfranschte Iberiërs. Een zuiver Gallisch ras vestigde zich daar echter niet, en de “Celtiberiërs” zijn later weer, zooals bij de beschouwing der Spanjaarden reeds opgemerkt is, in het zich ontwikkelende Spaansche wezen opgegaan, waarbij de Pyreneën reeds vroegtijdig de grenzen tegen de eigenlijke Celten in Frankrijk uitmaakten.
Op dezelfde wijze begaven de Celten zich ook over de Alpen naar Italië, bezetten de bovenste dalen en vlakten van dit land, Piemont en Lombardije, die nog door de Romeinen Cisalpynsch Gallië of Celtenland genoemd worden. Het bloed en het ras van het volk hebben daar, zooals reeds bij de beschouwing der Italianen opgemerkt is, veel Celtisch of Fransch, ofschoon zij, in taal, zeden en nationale gevoelens, in den loop der tijden, even als de Celtiberiërs in Spanje, aan hun moederland geheel vervreemd, en bijna geheel Italiaansch geworden zijn.
Ook naar den ouden, hun welbekenden Oostelijken weg, langs welken de Celten uit Azië gekomen waren, keerden zij dikwijls weder terug. Op hunne woeste krijgstochten onder aanvoering hunner “Brennus” (Koningen), trokken zij langs den Donau tot naar Griekenland en zelfs tot Klein-Azië.—Zij verwoestten in die richting—het was dezelfde weg, dien later de Fransche kruisridders ook volgden—eens zelfs het Helleensche heiligdom te Delphi. Maar desniettemin gelukte het hun niet, daar eenig gebied duurzaam te kunnen blijven beheerschen en met hun ras te bevolken. Al het Celtische is daar later in het Slawische en Germaansche verloren gegaan.
Men wil echter in het ras, in de physionomie en zelfs ook in de Duitsche taal van verscheidene der Alpenbewoners, b.v. der Tyrolers en Opper-Beieren, veel Celtisch opmerken. In hoofdzaak echter werden de Celten door de Germanen, over den Jura, de Vogesen en de Ardennen, en ook uit het geheele Rijndal verdreven.
Even als de Celten de bergen, die hen aan alle zijden insloten, overtrokken, zoo trokken zij ook den zee-arm, die hen van Groot-Brittanje scheidde, over, en hebben zij zich in den oudsten tijd in alle richtingen over deze groote eilandengroep verspreid.—Hunne stammen verbreidden zich over alle heuvellandschappen, schuilhoeken, aanhangsels en bijgelegene eilandjes van die landen. En Groot-Brittanje is tot op heden (behalve Frankrijk), het belangrijkst gedeelte gebleven van het gebied, waarover zich de Celten verspreidden. Nu nog ontmoet men daar in vele Westelijke bergachtige streken, de Celtische taal, de zeden en denkwijze van het Celtische ras. Ook leverden de Celten een wezenlijk element ter vorming der later hier, met Germaansche hulp, ontstane Engelsche natie.
Ofschoon de Galliërs na deze vroegtijdige en voorhistorische bewegingen buiten de grenzen van hun eigenlijk vaderland, zich nog dikwijls en zelfs nog in de jongste tijden, langs dezelfde, zoo even aangegevene natuurlijke wegen bewogen hebben; ofschoon zij schier in iedere eeuw een of meermalen langs den Donau afzakten, of over de Pyreneën Spanje, of over de Alpen Italië binnenmarcheerden, of over het Kanaal naar Groot-Brittanje voeren, of wel over de Vogesen aan den Rijn verschenen; en ofschoon zich de invloed en de sterke inwerkingen dezer natie, om zoo te zeggen, aanhoudend deden gevoelen, zoo heeft toch wezenlijk geen verdere uitbreiding van hun ras plaats gevonden, en zijn zij in het geheel met hun nationaal type altijd tot het aangegevene landen-vierkant tusschen Spanje en Duitschland, beperkt gebleven.
Toen de Celten uit Azië Europa het eerst binnentrokken, zullen zij waarschijnlijk een even onbeschaafd en zwervend nomaden-volk geweest zijn, als alle andere stammen, die van daar kwamen om ons werelddeel te koloniseren. Nadat zij echter in het zachte, vruchtbare en vriendelijke Gallië meer vaste woonplaatsen gekregen hadden, schijnen zij zich vroegtijdig, daar de Oceaan, de Pyreneën en de naburige volken hunnen verderen voortgang stuitten, eenige meerdere ontwikkeling eigen gemaakt te hebben. Zoo lang de geschiedenis de Galliërs kent, toont zij ze ons als landbouwers en bewoners van steden. Hunne steden waren reeds, toen de Grieken en Romeinen het land onderzochten, talrijk en voor een deel sterk bevolkt, sommige waren van steen zeer stevig gebouwd en ter verdediging door muren omgeven. Dit alleen reeds toont eene grootere mate van beschaving bij de Galliërs, dan wij zelfs in een lateren tijd, oostelijk van den Donau, bij de Germanen, Slawen enz. vinden.—De Romeinsche berichten over Gallië spreken ook reeds van verscheidene standen bij het volk, aan een zeer machtigen priesterstand, die der zoogenaamde Druïden, van een hoogeren en lageren adel, van een stand van boeren en stedelingen, van Koningen en Vorsten, die dikwijls over zeer groote gedeelten van het land heerschten.
En als ook de organisatie en de vereeniging van het volk, vóór de tijden der Romeinen niet zoo ver schijnt gegaan te zijn, dat het geheele Gallië één staat onder één Koning uitmaakte, zoo kwamen toch bij groote, algemeene ondernemingen der natie, bij veroveringstochten naar Italië of naar de Donaulanden, enkele machtige legeraanvoerders, de bovengenoemde “Brennus” aan het hoofd, die men in zekeren zin als de eerste Vorsten van Frankrijk kan beschouwen.
Daar, waar zij tegen den rand van de Middellandsche Zee, het beschavings-bassin der oudheid, stieten, kwamen de Galliërs het eerst met de beschaving in aanraking. Reeds de Pheniciërs hebben daar waarschijnlijk invloed op uitgeoefend, maar deze was niet zoo groot als die hunner opvolgers de Grieken. Evenals overal langs de kusten der Middellandsche Zee, stichtten de Grieken ook in Zuidelijk Gallië, verscheidene belangrijke koloniën, waaronder Massilia (Marseille) reeds 550 jaren voor Christus geboorte, de bloeiendste was. Uit deze sterk bevolkte en rijke stad drong Grieksche beschaving Zuidelijk Gallië binnen. Van de Grieken ontvingen de Galliërs de schrijfkunst. Bijna alle oude Gallische inscripties zijn met Grieksche letters geschreven. De voorname Galliërs die in Marseille, in de daar aanwezige Grieksche scholen, hunne opvoeding ontvingen, leerden zelfs de Grieksche welsprekendheid en poëzie.
Daar de Grieken echter alleen op de zee en langs den kustzoom van het groote land bleven, is hun invloed op de verandering van het ras en de natuurlijke geaardheid van het volk, niet bijzonder groot geweest. Men kan niet zeggen, dat die invloed op de Galliërs in die mate plaats had als later die der Romeinen; maar opmerkenswaardig is het, dat men nog heden ten dage in de stad Marseille, een havenwijk aantoont, waar de arme visschers en matrozen als afstammelingen der Grieksche Phoceërs beschouwd worden, en die nog in taal en zeden niet onduidelijke sporen, dezer afstamming uit het Hellenen-land, moeten aan den dag leggen.
Even als de Grieken, zoo bezetten ook de Romeinen aanvankelijk alleen de kuststreek van Gallië langs de Middellandsche Zee, een gedeelte van Zuid-Frankrijk, dat zij “Provincia” (Provence) noemden, en in welk gedeelte zij overal reeds vroegtijdig koloniën aanlegden en hunne beschaving en taal invoerden. Daar heeft ook later, het Romeinsche en Italiaansche karakter zich het langst gehandhaafd, en nog heden ten dage verkondigen in die streek, de meest grootsche ruïnes van Romeinsche werken, die Frankrijk aan te wijzen heeft, de eens zoo diep en vroegtijdig hier wortelende macht der Romeinen.
Kort voor de geboorte van Christus, onder hun machtigen Imperator Julius Cesar, veroverden de Romeinen, in eene reeks buitengewoon gelukkige en snel uitgevoerde ondernemingen, geheel Gallië tot aan het Ryndal in het Oosten en tot aan den Oceaan in het Noorden en Westen, organiseerden het naar hunne wijze, en behielden het nu langer dan 400 jaar als een wezenlijk deel van het rijk, tot dat eindelijk dat rijk zelf ten onder ging.
Cesar, de Romeinsche veroveraar en beschaver van Gallië, is ook in de beroemde beschrijvingen, die hij ons van zijne reizen en oorlogen nagelaten heeft, de eerste die eene uitvoerige en zorgvuldige schildering van het land en het volk gegeven heeft. Door hem leeren wij voor het eerst de ras-eigendommelijkheden, het nationale-karakter en de zeden der voorvaderen onzer Franschen iets nader kennen. En uit zijne geschriften spreekt duidelijk eene lands- en volks-physionomie tot ons, zooals in hoofdtrekken nog heden ten dage in Frankrijk bestaat.
De Galliërs, zegt Cesar, zijn, in vergelijking met hunne naburen de Duitschers—dit is eene vergelijking, waarop oude en nieuwe schrijvers, om zeer nabijliggende redenen dikwijls terugkomen—menschen van eene stevige natuur. De Germanen verschillen van hen, door hunne groote gestalte en sterken lichaamsbouw. De gezichtsvorm en het hoofd van het Gallische ras is opvallend rond, terwijl bij de Duitschers, die nog heden ten dage door de Franschen voor “têtes quarrées” uitgescholden worden, alles meer hoekig en meer langwerpig schijnt.—De gelaatstrekken der Galliërs zijn, volgens Cesar, levendiger en hebben meer uitdrukking dan die der Germanen. Zij hebben krulhaar, en groote, zeer beweeglijke oogen. Met betrekking tot de grondtrekken van hunnen inborst, merkt Cesar op, dat zij een gemakkelijk op te winden, spoedig besloten en bijzonder lichtzinnig, spraakzaam en geestig volk zijn, terwijl hij de Germanen als meer ernstige, bedachtzame, bedaard overleggende en tevens tragere en langzamer barbaren tegen hen overstelt. Van de “subita et repentina consilia Gallorum” (de plotselinge besluiten en oogenblikkelijke opwellingen der Galliërs) maakt Cesar dikwijls melding.—“In consiliis mobiles, plerumque de novis rebus student” (In hunne beraadslagingen zijn zij wankelmoedig en zij haken altijd naar veranderingen.)—“Levem auditionem habent pro re comperta.” (Het minste gerucht nemen zij dadelijk voor eene uitgemaakte zaak aan).—Zij zijn zoo verlangend naar nieuwigheden, zegt Cesar verder, dat zij de reizigers op de wegen aanhouden en hen dwingen stil te staan, om van hen te hooren wat ergens anders voor verwonderlijks plaats gegrepen heeft. Volgens hem zijn zij een bijzonder gezellig volk. Zij zijn vroolijk en genieten het oogenblik.
Eene der voornaamste genoegens hunner gezellige bijeenkomsten, bestaat in de bij hen ontstane discussies. Bij deze disputen en gesprekken toonen zij zich altijd hevig en grillig. Hunne stemmen zijn bijna altijd dreigend en levendig, zij mogen bedaard of opgewonden zijn. Zij openbaren daarbij niet de minste vastheid van karakter of zelfbeheersching, die een man zoo goed staan. “Avidi jurgiorum” (zij zijn begeerig naar twist), en toonen daarbij eene hoogmoedige aanmatiging.—Hunne ongeloofwaardigheid is zoo groot, dat zij spottend en lachend hunne beloften breken. (Ridendo fidem frangunt). En hunne lichtzinnigheid gaat zoover, dat zij onder elkander hun leven voor geld of voor een paar bekers wijn veil hebben. “Somwijlen schijnen zij bezield door een dollen waanzin,” voegt de verbaasde Romein er bij, “die aan het ongelooflijke grenst.”
Zij zijn zeer moedig en strijdlustig, en zelfs een grijsaard onderscheidt zich bij den wapendienst met dezelfde doodsverachting, als een jong man in den bloei zijner jaren. Als zij in den oorlog overwinningen behalen, dan zijn zij onverdragelijk trotsch; worden zij overwonnen, dan laten zij den moed spoedig geheel zinken. Iets dergelijks constateert ook Cicero, die de Galliërs zeer kort in de volgende woorden teekent. Plerumque Gallia duas res industriosissime persequitur, rem militarem et argute loqui; wat men zou kunnen vertalen door: “op twee dingen stellen de Galliërs (Franschen), bijzonder veel prijs, op het krijgswezen en op vernuftig te spreken.”
Zij hebben eene opvallende voorliefde voor opschik en pronk. “Niet alleen vrouwen, maar ook de mannen versieren zich gaarne den hals en de armen, met gouden kettingen, ringen en gespen. En zij, die eene betrekking bekleeden, hebben bontgekleurde en met goud geborduurde kleedingstukken. De Gallische Sagum (mantel) is zelfs bij de mindere standen bijzonder bontgekleurd en geborduurd. De wispelturigheid die zij in den dagelijkschen omgang ten toon spreiden, openbaart zich ook, zegt Cesar verder, in hunne politieke geschiedenis; zij zijn bijzonder geneigd tot omwentelingen en eene plotselinge ommekeer van zaken, en verwisselen gaarne van bestuur, “mobilitate et levitate animi novis imperiis student.”
Een ander groot land- en volken-beschrijver der ouden, Strabo, schrijft iets dergelijks. Maar hij voltooit de schildering door er aan toe te voegen, dat de Galliërs bij dat alles toch recht goedhartige menschen (bons enfans) zijn. “Zij zijn,” zegt hij, “zeer gemakkelijk tot een goed plan over te halen.” “Als zij meenen, dat een hunner buren onrecht geleden heeft, komen zij spoedig bij elkander en dan kent hun toorn geen perken.” Ook stemt Strabo daarin met andere Romeinsche schrijvers overeen, dat zij zeer ontvankelijk zijn geweest voor onderricht en verstandelijke ontwikkeling, dat zij een zeer scherp oordeel en nog menige andere uitstekende geestesgave bezaten.—Met betrekking tot hunne zedelijkheid echter, worden de Galliërs door alle oude schrijvers niet zoo gunstig beschreven als de barbaarsche Germanen, wien zij eene hoogere mate van zedelijkheid en kieschheid toeschrijven.
Naar dit alles mag men wel zeggen, dat reeds voor 2000 jaren het grondkarakter der bewoners van Gallië, in hoofdtrekken juist zoo was, als het zich den vreemdeling ook in latere tijden geopenbaard heeft.—Alle latere nederzettingen en veroveringen schijnen in de hoofdkaraktertrekken van deze, ons reeds uit de oudste berichten tegenblikkende volks-physionomie, niet veel veranderd te hebben.
Even als het zedelijk karakter, zoo is ook het physische type der oude Galliërs nu nog in het wezenlijke hetzelfde gebleven. De heer Edwards, een fijn kenner en scherp opmerker der lichamelijke nationale eigenaardigheden der Europeanen, heeft de oude Gallische schedelvorming, het niet-hoekige hoofd met het smalle voorhoofd en met groote en opene oogholten, met afgeronde neus en kin, overal in Frankrijk wedergevonden en heeft aangetoond, dat de tegenwoordige Franschen ook, wat bloed, ras en lichamelijke gesteldheid aangaat, in hoofdzaak nog altijd de oude Celten zijn.
Het meest is later de taal der Galliërs veranderd, maar toch heeft ook het tegenwoordige Fransch nog veel Celtisch; het bevat eene menigte woorden, die noch uit het Romeinsch, noch uit de later ingedrongene Germaansche dialecten afgeleid kunnen worden.
Ook zijn alle later uit vreemde talen overgekomene woorden in den Gallischen mond aanmerkelijk veranderd. Bij velen is hun Romaanschen, Germaanschen of anderen oorsprong nauwlijks meer te herkennen. Vooral de toon, de stem, de “timbre” waarmede het hedendaagsche Fransch uitgesproken wordt, is oud-Gallisch of Celtisch, zooals ook vermoedelijk veel in de samenstelling en den bouw der taal. Ja! verscheidene taalkenners hebben dikwijls beweerd, dat ons tegenwoordig Fransch, in zijne physionomie, meer gelijkenis heeft met het oude Celtisch, dan met eenige andere vreemde taal, die er haren invloed op liet gelden.
Ook de maatschappelijke en staatkundige instellingen van het latere Frankrijk, berusten wellicht in nog hoogere mate op oude Celtische grondslagen, dan men dit op historische gronden duidelijk aantoonen kan. Velen hebben beweerd, dat de machtige Fransche geestelijkheid der middeneeuwen, die zulk een wezenlijk aandeel gehad heeft in de centralisatie van den Franschen staat en het Fransche volk, in den grond niets geweest is dan een nieuwe christelijke vorm dier zoo invloedrijke priesterkaste der Celtische “Druïden,” die ook in het oude Gallië de verschillende stammen van het volk zoo sterk en duurzaam bij elkander hield. Immers deze Druïden reeds waren gewoon, evenals later de christelijke aartsbisschoppen en bisschoppen, ongehoorzamen en weerbarstigen met een geestelijken ban te straffen, die, zooals Cesar zegt, bij de Galliërs eene zeer gevoelige en zware straf was.
Ook de troubadours der Franschen uit de middeneeuwen, hebben wellicht in de Barden der Galliërs, die met de Rhapsoden der Hellenen en de Skalden van het Noorden vergeleken kunnen worden, hunne voorvaderen en gedeeltelijk hunne modellen gehad. Zij bedienden zich bij hunne gezangen van eene harp, in het Gallisch “Kruit” geheeten, die in hare oude gedaante en vorm, nog tot in de nieuwere tijden, bij de Celten in Ierland en Wales in gebruik is gebleven.
Velen gelooven dat het veelvuldig voorkomende bijgeloof bij de mindere klassen van het volk in het tegenwoordig Frankrijk, schier geheel van het oude Celtisch afkomstig is, en op overoude Celtische overleveringen berust. Ook vele wondergeschiedenissen van het hedendaagsche Frankrijk, mogen met recht beschouwd worden als uit den ouden Celtischen grond voortgekomen te zijn. Volgens de meening van sommigen, zou de mystieke geestvervoering der maagd van Orleans, meer “Druïdisch” dan christelijk geweest zijn.
Om eenigermate aan te toonen, hoeveel overigens ook nog in de zeden, in de maatschappelijke verhoudingen en in de levenswijze der tegenwoordige Franschen, uit de voortijden der oude Galliërs overgekomen is, wil ik, bij wijze van voorbeeld, iets zeer bijzonders mededeelen. De oude aardrijkskundige Strabo, die 18 eeuwen geleden Europa beschreef, gedenkt reeds de Bayonner-hammen, die zooals bekend is nog heden hunnen roem handhaven. Hij bericht ook, dat de wijnen der Galliërs uit het Rhône-dal naar pik smaakten, wat met den Bourgogne-wijn nog heden ten dage het geval is. Blijven zulke kleinigheden, als de Bayonner-hammen en de pik-smaak der Rhône-wijnen, dezelfde, dan zouden wij, als wij bij machte waren een volkomen beeld der Galliërs, met een even volkomen beeld der tegenwoordige Franschen te kunnen vergelijken, nog zeer veel onveranderd vinden.
Geheel zuiver, of in hooge mate onvermengd, heeft zich echter dat oude Gallische menschenslag in taal, zeden en bloed, nog slechts in een zeer klein gedeelte van Frankrijk bewaard, in de kloven en aan de versplinterde kliprijke kusten, van het afgelegen en bergachtig westelijk uiteinde van het land, in het zoogenaamde Cornu Galliae (den hoorn van Gallië), dat vroeger “Armorica” (het land aan de zee) en later Bretagne genoemd werd. Daarheen reikte de alles vereffenende invloed der Romeinsche beschaving niet, en daar hebben, merkwaardig genoeg, ook alle andere veranderingen en vereffeningen, die in het binnenste van het land plaats grepen, tot op den nieuwsten tijd toe, hunne macht evenzeer verloren als in het Basken-land in Spanje.—De mindere menschen in Bretagne, de zoogenaamde Breizards of Bretons spreken nog heden ten dage geen Fransch. Hunne taal is het oude Celtisch of Gallisch, en is met het nog in Wales in Engeland gesprokene Gallisch zoo nauw verwant, dat somwijlen boeken, die in Bretagne in Frankrijk gedrukt worden, daar, in de gebergten van Wales in Engeland, hun grootste debiet en hunne meeste lezers gevonden hebben. Ook is bij deze nog tegenwoordig weinig beschaafde, bijgeloovige “Bretons”, evenals bij de Gaelen in Hoog-Schotland, naast de harp, de doedelzak het voornaamste en het nationale lievelingsinstrument. Hunne muziek is eenvoudig, ongekunsteld, vol uitdrukking en aangrijpend, evenals die der Hoog-Schotten en Italianen.
Evenals bij de bewoners der Schotsche-Hooglanden, evenals bij de oude Baskiërs in Spanje, bij wie ieder zich een edelman verbeeldt te zijn, evenals bij alle overblijfselen der eerste volkenrassen van Europa, vindt men ook bij hen veel adeltrots. Verscheidene der voornaamste geslachten van Frankrijk behooren oorspronkelijk in Bretagne te huis, zoo b.v. de Rohans, wier brieven van adeldom reeds door Noach in de ark werden gered. In dit oude dichterlijke Bretagne, hebben de Fransche dichters en letterkundigen, tot aan de “Kruisvaart van Ploërmel” toe, meermalen de onderwerpen voor hunne novellen, romans en opera’s opgedaan. Een treurige, droefgeestige toon heerscht, evenals bij alle overwonnene, sedert eeuwen onderdrukte volken, door alle gedichten der Bretons. “Deze langzaam verdwijnende en uitstervende stammen,” zegt een Franschman van hen, “gebruiken hunne laatste ademtochten, om hunne herinneringen op te sieren, om zich zelve hunne ongelukken te verhalen. Zij tellen de dooden op, die in hunne veldslagen gevallen zijn, zij wijzen op de oude graven en ruïnes, op de verwoeste woningen van hun land, die nu met gras begroeid zijn, waar, zooals zij zich uitdrukken, de klaver bloeit, rood van het bloed der Bretonsche krijgers.”—Verscheidene oude volksfeesten zijn nergens in Frankrijk zoo plechtig, en zoo overeenkomstig het karakter van het volk, als in Bretagne. Zoo b.v. het Kerstfeest, dat waarschijnlijk niets anders dan eene Christelijke opsiering van een druïdisch winterfeest is. De zoogenaamde Kerstmis-zangers spelen daarbij eene belangrijke rol, en zijn om hunne liederen, die zij, van huis tot huis trekkende, zingen, overal welkom. Zij moeten, naar gezegd wordt, in hun geheugen de schoonste proeven der oude Celtische dichtkunst bewaard hebben.
Deze merkwaardige volken-oase in het bergachtig Westelijk uiteinde van Frankrijk, kreeg nog herhaalde malen uit Engeland toevoer van Gallisch bloed, wanneer het Celtische ras daar door vreemden in het nauw gebracht werd. De voor de Pikten en Skoten en later voor de Angelsaksers vluchtende Britten, gingen bij scharen naar hunne oude broeders in “Armorica”, en van dezen ontving later het land, in tegenstelling met Groot-Brittanje, den naam Britania Minor (Klein Brittanje).
Tot op de jongste tijden toe, hebben de Britten in Frankrijk, en die in Engeland, met elkander op vriendschappelijken voet geleefd en zich met elkander omgewisseld. Nog voor eenige jaren, vereenigden zich de patriotten van beide takken van den ouden Celtischen volkstam, tot een feest in Wales, om gezamenlijk in hunne volkstaal het oude Bretagnische lied te zingen: “neen, Arthur is niet dood!” waaraan zij ongeveer eene zelfde beteekenis gaven als de Polen aan hun: “Polen is nog niet verloren!”—Lodewijk Filips begon het krachtigste middel ter ondermijning van deze oude volks-ruïne aan te wenden. Hij liet de Vendée en Bretagne, het vaderland der Celtische Chouans, met straatwegen doorsnijden. En onze spoorweg-eeuw zal hen nu wel geheel medesleuren in den draaikolk der wereldgeschiedenis, en hunne taal en gewoonten geheel doen verdwijnen.
Zooveel van de volksstammen, die de tegenwoordige bewoners van Frankrijk en hunne nationaliteit tot voornaamsten grondslag dienden. Ik ga nu over tot de elementen, die op deze oorspronkelijke Celtische stammen van buiten af geënt zijn, en zich met hen vermengden.
De geschiedenis is niet bij machte de groote tijdruimten te meten, waarin de oude woeste Galliërs, onvermengd en onveroverd, door hunne inheemsche Druïden en Vorstengeslachten bestuurd, in hun vaderland huisden. De Romeinen waren, nadat zij in den loop der jaren tot macht geklommen waren, geheel Italië aan zich onderworpen en Carthago’s macht gebroken hadden, de eerste buitenlanders, die het geheele land en volk der Galliërs onderwierpen, en hen eene even zoo wezenlijke verandering deden ondergaan, als zij zulks ook met de Iberiërs in Spanje hadden gedaan.
De door Cesar bewerkstelligde vernietiging van de wilde onafhankelijkheid der Galliërs, is tot op heden de gewichtigste gebeurtenis in het leven der bewoners van Frankrijk geweest. Door haar werd de oude versnippering in stammen, de bij alle Celten gebruikelijke indeeling in Clans, opgeheven, en werd eene grootere gelijkheid in taal en zeden ingevoerd.
Door de Romeinen allen op gelijke wijze behandeld, smolten de Gallische stammen als onderdanen, inniger samen tot een volk van dezelfde physionomie. De Romeinen verzachtten hunne zeden, schaften den somberen godsdienst der Druïden, die zelfs menschen-offers verlangde, af, en voerde de beschaving van het Zuiden en Oosten in het geheele land in.—Zij bereidden daardoor de Galliërs ook voor tot de aanneming van het Christendom, dat even als de beschaving en eene rijke literatuur, uit Italië tot hen overgebracht werd.
Geen Europeesch volk, behalve Italië, hebben de Romeinen in zoo hooge mate geromaniseerd als de Galliërs. De Celtische taal werd overal, tot op genoemden engen kring in Armorica, verdrongen, en de Romeinsche taal kwam langzamerhand bij alle klassen van het volk in het Noorden en het Zuiden, in hare plaats.
Toen de Romeinen begonnen, hunne armen nog verder over het Noorden van den Orbis terrarum uit te strekken, werd Gallië, zooals door de boven opgegevene geographische ligging als het ware van zelf aangegeven werd, hunne hoofdburcht in Westelijk Europa. Zij voerden de geromaniseerde Galliërs, onder wie zij hunne legioenen rekruteerden, langs alle wegen, waarlangs zij reeds vroeger als zuivere Celten, gemarcheerd waren.
Reeds Cesar trok met behulp zijner Gallische legioenen den Rubicon over, en veroverde met hen weder Rome, dat hunne voorouders reeds eens onder “Brennus” door storm genomen hadden. Van uit Gallië en met de Gallische legioenen werd in het Westen de onderwerping van Spanje voltooid, en in het Oosten de Rijn beheerscht. Ook deze nu beschaafde Galliërs, drongen onder de vanen der Romeinen het land der Britten, hunne voormalige barbaarsche broeders, weder binnen.—De gelatiniseerde Galliërs namen, even als aan de krijgstochten der Romeinen, ook aan hunne werkzaamheden deel. Zij werden Romeinsche burgers. Vele der “Romeinsche” dichters en schrijvers waren van Celtisch bloed, en vele der tot den troon verhevene Imperatoren waren uit Gallië geboortig.—Eenige Romeinsche Keizers hadden daar hunne gewone residentie en regeerden van daar uit de wereld, en een overblijfsel van het Romeinsche Keizerrijk bestond zelfs in Gallië iets langer dan in Italië zelf.
Daar veel van hetgeen de Romeinen in Gallië op den ouden Celtischen bodem geplant en in het leven geroepen hebben, evenals de door hen uit Italië daarheen gevoerde olijf- en wijnbouw, door alle eeuwen heen tot op den tegenwoordigen tijd daar voortgewoekerd en voortgewerkt heeft, zoo is het niet te verwonderen, dat de Franschen Cesar, die dit en zooveel anders invoerde, in zoo hooge waarde houden en hem als den eersten souverein van Frankrijk, als den grooten schepper of stichter hunner nationaliteit, den grondvester hunner beschaving, den Mozes of Jozua van hun volk vereeren.
Ten slotte moet ik hier nog opmerken, dat opmerkzame waarnemers nog heden ten dage, een tamelijk belangrijk onderscheid willen zien, in den graad van romaniseering der verschillende deelen van Frankrijk. Zoo wil men in het algemeen een opvallend verschil opgemerkt hebben, tusschen het type der stedelingen en dat der landlieden in Frankrijk. Deze laatsten zijn veel Celtischer gebleven. “In de grootere provincie-steden wordt eene ontwikkeling waargenomen, die het door de Romeinen opgedrukte stempel nader komt, dan in de kleine landstadjes.” Maar ook daar, waar de bevolking het meest met de Romeinen vermengd werd, is, zooals reeds gezegd werd, het Celtische type niet verdwenen.
Na den ondergang van het Romeinsche rijk, volgde de tweede invloedrijke en gewichtige overstrooming der Celten door eene vreemde volken-stof. De Germanen drongen over den Rijn, overstroomden even als het geheele Romeinsche Europa, zoo ook Gallië.
Hier verdeelden zich aanvankelijk drie verschillende Duitsche stammen over het land. De Bourgondiërs nestelden zich in het Zuid-Oosten vast. Hun rijk omvatte het geheele gebied en het stroomstelsel der Rhône, het oude Provincia. De West-Gothen bezetten het Zuid-Westen en beheerschten het stroomgebied der Gironde, met het Pyreneesche schiereiland, dat zij eveneens veroverden, en van waar uit zij het genoemde gedeelte van Frankrijk regeerden. Men kan zeggen, dat beide stammen gezamenlijk het geheele Zuiden innamen.—De Franken eindelijk onderwierpen de Noordelijke vlakten, het stroomgebied der Seine en het geheele land tusschen den Rijn en de Loire of het Noorden.
Deze laatsten, de Franken, muntten boven alle Duitsche stammen uit, door hunne staatkundige énergie en bekwaamheid. Hun opgewonden karakter maakte hen er geschikt voor, om aan het zich uit den chaos der volksverhuizing op nieuw gevormd hebbende Gallië tot kern te dienen, en ook tot centrum van het kristallisatie-proces, en aan het in den loop der eeuwen daaruit voortkomende nieuwe volk en rijk hunnen naam mede te deelen.—Zij sloegen van het Noorden af, eerst de West-Gothen uit het veld, en verdreven vervolgens de Bourgondiërs tot aan de Alpen.—En tegelijk bewaarden zij Frankrijk, door de roemrijke overwinningen onder aanvoering van hunnen Karel Martel, voor een onder de bedrijven dreigenden, ten eenen male anti-Europeeschen inval, voor dien der Arabieren namelijk, die in de 8ste eeuw de West-Gothen in Spanje hadden overwonnen, en weldra ook aan deze zijde der Pyreneën in Zuidelijk Frankrijk verschenen waren. Daar hebben deze Oosterlingen zelfs nog na de overwinningen van dien Frankischen Martel, eene streek aan de zeekust, namelijk den omtrek van Narbonne, bezeten, van waar uit zij hunne strooptochten naar het binnenste gedeelte van Frankrijk geruimen tijd herhaalden. Ofschoon de Arabieren in Zuid-Frankrijk niet geheel zonder invloed bleven op de vorming der nationaliteit aldaar, ofschoon vooral de Zuidelijke Franschen, even als de Spanjaarden, vele poëtische indrukken van de Arabieren ontvangen hebben, en men ook in de Fransche taal eenige sporen van het Arabisch ontdekt heeft, zoo kan in de geschiedenis der Fransche nationaliteit, deze Arabische inmenging, die zich bij de Spanjaarden zoo diep doet gevoelen, als van weinig belang beschouwd worden, en mag hier slechts ter loops er melding van gemaakt worden.
Onder de Karolingers beheerschten de Franken Gallië over zijne geheele uitgestrektheid; aanvankelijk omvatte wel het Frankenland ook nog vele andere landen, bijna geheel Duitschland en Italië; maar in het jaar 843 werd dit groote rijk, door het beroemde verdrag van Verdun, tot hare door geographische en ethnographische betrekkingen aangewezene natuurlijke grenzen teruggebracht. Het wezenlijk Celtisch-Romanische Westelijke land, scheidde zich van het wezenlijk Duitsche Oostelijke land af, en vormde nu, als een, den gang zijner eigene ontwikkeling volgend volk, een rijk onder den bij voorkeur blijvenden naam “Francia” of “Frankrijk,” en dat wel min of meer binnen de grenzen en den omtrek van het oude Gallië.—Ik zeg, min of meer; want zeker ontbrak er gedurende geruimen tijd nog veel aan, voor dit raam, door een eenig en eensgezind nationaal- en rijkslichaam, was ingevuld. Het gedeelte in het Oosten, het Rhône-dal, bleef nog langen tijd een op zich zelf staand land en volk, dat als oud- en nieuw-Bourgondisch rijk, eenigen tijd zelfstandig bestond en later met het Duitsche Keizerrijk verbonden was. Verscheidene Celtisch-Romanische landstreken in het Rijngebied, waren bij het zoogenaamde Lotharingsche rijk ingelijfd, dat, even als Bourgondië, dikwijls eene twijfelachtige positie tusschen Galliërs en Germanen innam, maar grootendeels met het Duitsche Keizerschap verbonden bleef.—De oude “hoorn van Gallië,” dat lange en breede schiereiland, Bretagne, leefde onder eigen Vorsten nog lang een staatkundig afgezonderd leven, en het andere, het ten Noord-Oosten aangrenzende schiereiland, werd spoedig na de Carolingers weder door een nieuwen Germaanschen volkenstroom uit Skandinavië van het hoofdlichaam afgescheurd, en bestond eenigen tijd als een op zich zelven staand Vorstendom, het zoogenoemde Hertogdom Normandië.—Ook stonden, toen deze Hertogen van Normandië, Koningen van Engeland geworden waren, gedurende de middeneeuwen somwijlen groote gedeelten van Frankrijk, onder den invloed en de heerschappij der Engelschen. Daar verder ook bovendien hier en daar aanzienlijke Vorstengeslachten, in sommige gedeelten van het lichaam des lands, als Souvereinen regeerden, zoo ontbrak er, zooals reeds gezegd is, veel aan, dat overal de invloed van eene eenige normale taal, ras, nationaliteit en gebruiken, spoedig overal alles gelijkmakende, had kunnen doordringen.
Overal in Frankrijk groeiden en woekerden gedurende de midden-eeuwen, op den ouden bodem, provinciale eigenschappen en gewoonten, lokale dialecten en literatuur, welig voort.—Het eenige, wat dit geheel midden-eeuwsche Frankrijk ethnographisch voortdurend vereenigde, was die van de Romeinen afkomstige, vast gelegde oud-Celtisch-Latynsche ondergrond, die, zooals gezegd is, echter menigvuldige bijkleuren en nuances aannam.
Het was een groot geluk voor de Fransche nationaliteit, dat bij alle splitsing, toch een eenige politieke kern, een meer of min machtig en erfelijk Koningsgeslacht, in eene vaste nooit verplaatste hoofdstad, in het te midden van alle harrewarrerijen steeds groot wordende en in bloei toenemende Parijs, dat reeds in de 5de eeuw de Merowinger Clovis tot zijne residentie uitgekozen had, is blijven bestaan. Hoe langzamerhand van deze kern uit, alle deelen van het land samenkwamen, hoe de eene onafhankelijke provinciale-vorst na den anderen door zulke machtige onbeperkte heerschers, als een Filips Augustus, een Lodewijk XI, een Karel VIII en later door de sterke hand van een Richelieu gebogen werden,—hoe de vreemdelingen, de Noormannen, de Engelschen, de Duitsche Keizers, de Spaansche Vorsten van Navarre en Catalonië, weder van den ouden Gallischen bodem verdrongen werden,—hoe van het steeds schitterender, steeds meer om zich heen grijpende, steeds meer alles vereffenende Parijs, ten slotte een eenige spraakvorm, een eenig zedenstempel, een gemeenschappelijk patriotsch nationaal-gevoel het geheele land en volk aangreep, en hoe ten gevolge daarvan de oude Galliërs in de gedaante van een der machtigste en meest eensgezinde natiën, die der nu zoogenaamde “Franschen” weder opleefden, dat is de geschiedenis van een 1000 jarig proces, vol van de meeste afwisselingen geweest.
De verovering van Gallië door de Duitschers, die het begin van dit proces vormt, heeft zich, hoe stormachtig zij ook was, op verre na niet zoo doortastend, veranderingen aanbrengend en voordurend bewezen, als de vroegere, die der Romeinen.—Duitsch bloed, Duitsche wijze van zijn, Duitsche taal, dit alles is met der tijd weder uit Frankrijk verdwenen. Daar de Duitschers wel als dappere maar onbeschaafde veroveraars en meesters, en niet zooals de Romeinen tegelijkertijd ook als leermeesters en zedepredikers, en als deze met den geheelen toestel van beschaafde, gezellige toestanden, kunsten en handwerken, maar eenvoudig alleen met het zwaard kwamen; daar zij bovendien uit een zwakker bevolkt in een dicht bewoond, bebouwd en stedenrijk land overgingen, zoo moest wel hun type voor dat van de ingezetenen des lands wijken, zooals bij alle vermengingen van de volken der wereld, altijd verstand en beschaving per slot van rekening de overwinning behaald hebben op physiek geweld. Daarbij moet men echter opmerken, dat de Duitsche Franken in Frankrijk, niet zoo snel wegsmolten als de Duitsche Gothen in Spanje of de Longobarden in Italië; Frankrijk betoonde zich ook daarbij als een tusschen- of overgangsland tusschen het Germaansche Noorden en het Romaansche Zuiden.
Van de vijfde eeuw af, toen de Duitschers Frankrijk veroverden, tot aan den tijd van Karel den Groote en tot aan het verdrag van Verdun, en nog iets later tot na het midden der 9de eeuw, dus meer dan 200 jaren langer dan in Spanje, hebben in Frankrijk Duitsche taal en zeden naast de Celto-Romaansche geheerscht.—De heeren van het land, de gebiedende grondbezitters, de adellijke geslachten waren allen blondharige blauwoogige Germanen. De wetten en bevelen werden in Duitsche taal gegeven. Het Duitsch zou zelfs ten tijde van Karel den Groote nog de hoftaal geweest zijn. Nog in het begin der 9de eeuw werd op de kerkvergadering in Tours bevolen, het godsdienstonderwijs in beide talen te geven. En toen ten tijde zong men nog in Frankrijk, ter eere der Koningen Duitsche lof- en zegeliederen, zooals b.v. het beroemde Lodewijkslied, ter eere der overwinning van Koning Lodewijk III op de Noormannen in het jaar 881, een kostbaar oud monument der Duitsche taal, dat door een gelukkig toeval voor ons bewaard is gebleven, en waaraan nieuwere Fransche en Duitsche geleerden op even patriotsche wijze hunne opmerkzaamheid gewijd hebben.
Beide naast elkander bestaande talen onderscheidde men in Frankrijk, de Duitsche onder den naam “lingua francica” of “francisca” (de taal der Franken) en die der onderworpene inboorlingen onder den naam “lingua Romana.” Bij de samensmelting van beide rassen behield deze ten slotte de overwinning, ofschoon gene aan het nieuwe product den naam gaf.—Met deze samensmelting ging het na het verdrag van Verdun, door meer dan eene oorzaak snel voorwaarts; daar geen nieuwe toevoer van Duitsch bloed van gene zijde van den Rijn meer plaats vond; daar de huwelijken onder elkander steeds talrijker geworden waren; daar de oude Germaansche geslachten uitstierven; daar de aanvankelijk ter nedergeworpene en gedecimeerde Romaansche provincie-bewoners, langzamerhand weder op hun verhaal kwamen, krachtiger werden en zich weder vermeerderden.
Reeds omstreeks het midden der 9de eeuw moesten de jonge Fransche geestelijken, om Duitsch te leeren, waarvan de kennis hun hier en daar van nut kon zijn, naar abdijen in Duitschland reizen. En omstreeks het einde der 9de eeuw was de Duitsche taal in Frankrijk nergens meer in gebruik. Zelfs de Noormannen in Normandië hadden toen reeds hun Noord-Germaansch tegen het Romaansch omgeruild. De overwinning van het Romanisme op het Germanisme was toen reeds overal beslist.
Op het nieuw ontstane volkswezen, dat nu sedert de 10de eeuw de geschiedschrijvers den naam Franschen gaven, behield, ten minste wat taal, zeden en gezindheid aangaat, de Duitsche geest een tamelijk beperkten invloed. Al de dialecten en patois, die nu in Frankrijk ontstonden, zijn niet zoozeer te beschouwen als ontstaan uit eene verbinding van het Romaansche met het Germaansche element, maar veeleer als weder voortgekomen uit den Latijnschen en Celtischen ondergrond.
Ook tot de nieuwere Fransche taal, die langzamerhand eene algemeene heerschappij over al deze patois verkreeg, schijnt het Germaansch slechts weinig toe- of afgedaan te hebben. De Frankische, Bourgondische, Gothische en Noormansche krijgers, hadden zich van den beginne af, bij de vorming van dit Fransch uiterst passief gedragen. De innerlijke bouw en geest der taal is, naar het oordeel der kenners geheel anti-Duitsch, geheel Romeinsch-Celtisch gebleven. Ook in het fond der woorden vindt men in het Fransch niet veel overblijfselen van Duitsche uitdrukkingen. Slechts een zeer gering aantal Fransche woorden, en wel zulke, die op verschillende standen der maatschappij, op openbare ambten, op militair-, zee- en jachtwezen betrekking hebben, kan men tot Duitsche wortels terugbrengen.
Daarentegen laat zich in de behandeling der van de Romeinen en Celten overgekomene spraakstof, in de formatie en uitspraak der woorden, Duitsche invloed niet miskennen. In Italië en Spanje is de welluidende volle Latijnsche klank gebleven. In het Noordelijk gedeelte van Gallië echter heeft daarin, Duitsche taal en uitspraak meermalen den doorslag gegeven: De Franken en Noormannen hebben de Latijnsche woorden overal de karakteristieke eindsyllaben, die in de Germaansche taal onbekend zijn, ontnomen, of hebben ze tot doffe, toonlooze Germaansche halfvocalen verzwakt. Zoo b.v. het Romaansche uno, una in un en une, vino in vin, Roma in Rome. De fraaie, eenvoudige, welluidende vocalen veranderen zij in de onaangename, doffe nevenklanken; a in ä, o in ö, u in ü b.v. clarus tot clair, luna tot lune, boves tot boeufs. Dikwijls trokken zij, iets wat de Engelschen nog meer deden, de lange Romaansche woorden tot kortere te samen b.v. brevis tot bref, crudeli tot cruel, spiritus tot esprit, profundus tot profond, aurum tot or, Johannes tot Jean (geheel ons “Jan”). In plaats der eenvoudige, scherp geteekende Romeinsche consonanten, voerden zij dikwijls Germaansche ruischklanken in, b.v. in stede van calore, chaleur, in plaats van cavallo, cheval, bouche in plaats van bocca. De Duitschers ontnamen op die wijze in Frankrijk veel welluidends en muzikaals aan de Romaansche taal, die zij aannamen.
Ofschoon volgens dit alles de aard der taal der Franschen wel iets, maar over het geheel toch slechts weinig van het Germaansch element in zich bewaard heeft, zoo heeft toch in andere opzichten de Fransche verovering op de natie een langdurigen invloed uitgeoefend, en moeten de Franken eenigermate, naast de Romeinen en naast de Celten, als de voorouders der tegenwoordige Franschen beschouwd worden.—Vooral bleef, even als in Spanje en elders, in het staats- en rechtswezen der Franschen veel Germaansch bestaan. “De Duitsche overwinnaar heeft in velerlei opzicht den overwonneling (wiens taal, zeden en vaderlandsliefde hij aannam) de publieke inrichtingen, die bij hem van kracht waren, aangebracht. In Noord-Frankrijk waren de zoogenaamde “coutumes,” die op het Duitsche recht gebaseerd waren, zelfs tot in de 18de eeuw van kracht.—Het leenstelsel, de militaire-inrichting, het Frankische Koningschap, de geest der ridderschap, dit alles was en bleef langen tijd Germaansch. De onafhankelijke Fransche Koningstroon was oorspronkelijk eene Duitsche stichting, en de Franschen hebben het daarom oorspronkelijk, even als de Spanjaarden, alleen aan de Duitschers te danken, dat zij als een eigen en eenig volk, in de Europeesche familie hun hoofd verheffen. Want te voren, zoo lang zij enkel Celten waren, was bij hen, zooals ik zeide, eene groote versnippering in clans en stammen. Toen zij Romeinen werden, kwam er wel eene vereeniging, maar alleen door inlijving in een grooten, de wereld omvattenden staat. Eerst toen de Duitsche statenstichters onder de Galliërs optraden, verkregen zij het zuurdeeg, met behulp waarvan een brood gebakken werd—het hekwerk langs welke de Fransche wijnstok zich uit de verslapte Romeinen-wereld omhoog kon heffen, en tot eene groote en zelfstandige Europeesche volkenplant kon opwerken.
Tot aan het jaar 1792 vernieuwde, gedurende 1281 jaren, dagelijks een priester aan het graf van Chlodwig, in de dikwijls gerestaureerde en verbouwde kerk, later het Pantheon genaamd, in de mis het aandenken aan den Duitschen stichter en voorvader der Frankische monarchie, aan den oudsten aller Europeesche souvereinen.—Eerst met het genoemde jaar, met de Fransche revolutie hield ook dit huldebetoon op, door de Franschen aan hun Germanendom gebracht. Men heeft deze omwenteling zelve en alle innerlijke veranderingen en allen strijd in Frankrijk, die ten slotte tot de revolutie voerden, beschouwd als een streven van het oude Celtische en Romaansche element, om zich van het Germaansche element te ontdoen en er zich van te zuiveren.—“Met hunne groote, het geheele land op zijne grondvesten schuddende omwenteling, werd onder de Franschen de gedachte weder levendig dat zij niets dan geromaniseerde Galliërs, Celten waren. Zij spreken nu van de Franken en de Frankische Koningen, als van vreemde barbaren. Zij nemen zelfs de oud-Romeinsche kleeding aan. Ook kiezen zij zich vervolgens een staats-opperhoofd, dien zij den Romeinschen titel “Imperator” (Empereur) geven, en die, even als vroeger Cesar met de Galliërs, naar Rome marcheert. “La blonde Germanie”, zegt een Fransch schrijver van dien tijd, “a eu beau nous envoyer ses Francs, ses hommes du Nord: notre temperament n’a rien perdu de ses tendances originelles. C’est que malgré les revolutions et les siecles nous sommes toujours l’ancienne Gaule avec ses emportements et ses impatiences.”1
De groote Napoleon zelf heeft de geschiedenis der Fransche revolutie in twee merkwaardige woorden vervat: “Les Gaulois secouèrent le joug des Francs (De Galliërs schudden het juk der Franken [der oude feodalen] af).—Ook van de nieuwere Fransche taal heeft men opgemerkt, dat zij het Latijn weder nader gekomen is, dan het oud-Fransch. En zoo heeft waarschijnlijk dan ook de Paus gelijk, die tot op dit oogenblik voortgaat, in zijne bullen Frankrijk niet “Francia,” maar even als ten tijde van Cesar “Gallia” te noemen.
Na het, slechts korten tijd durende, herstel van het oude Frankische Koningshuis, keerden de Franschen, in het midden onzer tegenwoordige 19de eeuw, tot het Imperatorendom terug, en hun Napoleon III vergeleek zich met niemand liever dan met den Romeinschen Cesar, wiens leven hij ijverig bestudeerde, en die onder hem in Frankrijk oneindig meer gehuldigd werd, dan die andere voorvader, de Duitsche Chlodwig.
Overigens is het opmerkingswaardig, dat er onder de Fransche historici, om zoo te zeggen, schier altijd twee partijen, eene Celtisch-Romeinsche en eene Germaansche bestaan hebben, van welke de eene (b.v. Thiers, Thierry) gestreden heeft voor het denkbeeld, dat de Franschen niets anders zouden zijn, dan door de Romeinen eenigzins gewijzigde Celten, terwijl de andere (b.v. Montesquieu, Guizot en andere) meer gewicht hechtten aan den invloed van het Germaansche element. Het is echter natuurlijk, dat dit altijd slechts een strijd over het hoeveel, over het meer of minder zijn kan.
Dat namelijk in de zeden en gebruiken der Noord-Franschen, nog heden ten dage menig erfstuk uit den tijd der Franken aangetroffen wordt, hebben Duitsche schrijvers meermalen aangetoond. Op het punt “nationaal costuum” wil ik twee kleine voorbeelden aanvoeren, die even merkwaardig zijn, als met het oog op de Celtische overblijfselen, de Bajonner hammen en de naar pik smakende wijn van Strabo. De klompen onzer Neder-Saksische boeren, zijn bij den landman in Frankrijk even ver het land in, in gebruik, als de oorspronkelijke heerschappij der Franken ging. Ook heeft de Duitsche onderzoeker Clement, een zeker kleedingstuk der vrouwen, een hoofddoek gevonden, dat hij het Friesche of Frankische noemt, en dat volgens hem in geheel Noordelijk Frankrijk, tot aan Parijs toe, in alle oudste en voornaamste bezittingen der Franken, het gewone hoofdtooisel der vrouwen gebleven is.
De beschaving door de Romeinen en de verovering door de Duitschers, zijn de beide grootste en invloedrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis der Fransche nationaliteit geweest. Wel zijn na en behalve deze nog andere vreemdelingen het land binnengerukt, maar òf zij verschenen slechts als doortrekkende legers, òf in zoo gering aantal, dat zij geen blijvenden invloed op het karakter der natie en van het ras konden uitoefenen.
De moderne Spanjaarden zijn slechts zelden in massa hunne Pyreneën overgetrokken, om Frankrijk binnen te rukken, ofschoon wel, in tijden van innerlijke beroerten, b.v. toen de Saracenen Spanje veroverden, vele Spanjaarden naar Zuid-Frankrijk trokken.
De Engelschen hadden, tijdens zij groote streken van Frankrijk beheerschten, toen eens zelfs een hunner Koningen (Hendrik V) te Parijs tot Koning van Frankrijk geproclameerd werd, en daar met Engelsche en Fransche Baronnen zijn hof hield, veel meer overeenkomst met de Franschen dan zij nu hebben. Hunne Koningen en hun adel waren toen Noormansch-Fransch en spraken Fransch. Ook streden en regeerden zij in hunne Fransche bezittingen meestal door middel der inboorlingen.—Anglo-Saksische koloniën werden door hen niet naar Franschen bodem overgeplant, en de Engelschen dachten er niet aan hunne Fransche onderdanen te angliseeren. Zij werden slechts hunne leenheeren. In het inwendig bestuur hunner Fransche landschappen, in de wetgeving, de zeden en inrichtingen der bevolking, werd niets veranderd. De overwonnenen wisselden alleen van bewind en bleven voor het overige Franschen. De Engelschen brachten toenmaals meer uit Frankrijk over naar hunne eilanden, dan de Franschen van hen ontvingen. In den nieuwsten tijd, nadat zij op het vasteland van Frankrijk niet meer gebieden willen, hebben de Engelschen daar een veel sterkeren invloed op de beschaving uitgeoefend, en zijn zij in hunne zeden en gebruiken, in hunne taal en literatuur, door de Franschen veel meer bewonderd en nagevolgd dan te voren.
Slawen en andere Europeesche Oost-volken, Joden, Turken, Armeniërs, Zigeuners heeft Frankrijk altijd slechts in zeer gering aantal bij zich gezien, en men kan al zulke toevallige landverhuizers in Gallië, beschouwen als droppels die in de zee verloren gingen, iets wat men ten aanzien van andere Europeesche landen, b.v. van Duitschland, niet in gelijke mate beweren kan.
Vraagt men nu, waarin de eigenaardige geest en het karakter dezer, uit de door mij vluchtig aangegevene elementen bestaande, Fransche natie, dezer uit zoovele bestanddeelen gevormde, groote, uit veertig millioenen menschen samengestelde persoonlijkheid bestaat—en zal ik deze karakter-schildering dadelijk aanvangen, met de beschrijving van een der meest in het oog springende kenteekenen van den Franschen volksaard, dan begin ik met de uitspraak van Arndt, dat de Franschen—in den ruimsten zin des woords—de gezelligste onder de menschen zijn. Daarmede heeft men een der hoofdpunten in het zijn der Franschen aangegeven, en daaruit laten zich de meeste hoedanigheden, waardoor de Franschen zich kenmerken, verklaren of afleiden, even als rivieren uit hare bron.
De Franschen hebben het verkeer met hunne medemenschen, in bijna al hunne betrekkingen en bij alle soorten hunner werkzaamheid noodig. Zeer duidelijk leert ons dit het karakter hunner volksliederen. De volksliederen der Franschen, hunne “Chansons” zijn in den regel gemaakt om door meerdere tegelijk gezongen te worden. “Liederen, die door een enkel persoon gezongen worden, treft men bij hen lang niet in die mate aan, als bij de Slawen, Duitschers of Engelschen.” Daar de eenzaamheid meestal tot melancholie leidt, zoo zijn de volksliederen bij de laatst genoemde natiën in den regel zwaarmoedig, terwijl het Fransche volkslied in den regel vroolijk is. “Omdat men,” zegt Arndt, “zich in gezelschap liever aan scherts en vroolijkheid, dan aan weemoed en treurigheid overgeeft, bestaat de inhoud van het Fransche volkslied, uit allerlei geestige toespelingen, kluchten, potsen, satyren, luchtigjes in elkander geweefde vriendelijke beelden, alles bijeengehouden door een refrein dat uit ieders mond klinkt.—Voor zich zelven te gevoelen, te droomen, aan het innerlijk gevoel toe te geven, zelfs wanneer men er zich geene rekenschap van weet te geven, de phantasie, de luim doelloos en vrij te laten werken, de stemming der natuur in zich op te nemen, zonder te weten waar men hare oorzaak moet zoeken, dat alles zal den gezelligen Franschman maar zelden in het hoofd komen.”—Dat zijn zaken, die men meer zoeken moet bij zijn buurman aan den Rijn, die in zoo velerlei beteekenis zijn antagonist is, die, zooals Tacitus opmerkte, zich zoo gaarne isoleert, en die zich van oudsher, in een groot gezelschap zoo weinig op zijn plaats gevoelde.
Gezelligheid is den Franschman voor alle zaken noodig, even als bij zijne gezangen zoo ook bij zijne heldendaden.—“Evenmin als hij iemand is, die op zijn eentje zingt, is hij iemand die op zijn eentje vecht.” Men heeft de opmerking gemaakt, dat de Franschen het dapperst zijn als zij in groote massa’s vechten; dat het tweegevecht, ofschoon het tegenwoordig bij de Duitschers den Franschen naam duel draagt, oorspronkelijk niet bij hen inheemsch was, maar eerst door de Duitschers tot hen overgebracht werd. Ook in den slag willen zij door anderen in werking gebracht, door hen gezien en aangevuurd worden. Van daar dat zij, als hunne gezellige gelederen (hunne regimenten) eens opgelost en geslagen waren, somwijlen geheel den moed verloren. De geslagen legers der Franschen hebben zelden zulke bewonderenswaardige terugtochten uitgevoerd, als die der Duitschers. Ook hebben de Franschen in den oorlog niet zoo dikwijls beroemde partijgangers gehad, als die bij de volken van Germaansch ras, bij de Duitschers, Zweden, Noormannen, Engelschen, Zwitsers, ten allen tijde aangetroffen zijn.
Even als ten opzichte hunner militairen in het veld, zoo merkt men ook ten opzichte hunner schrijvers vrij algemeen aan, dat zij zich bij het schrijven om zoo te zeggen, altijd in het gezelschap hunners lezers denken, dat zij bij den arbeid hunner gedachten, geen oogenblik het oordeel of den spot of bijval der maatschappij, van het publiek, uit het oog verliezen.—En wat Madame de Stael van de Duitsche geleerden zeide, “dat zij als kluizenaars leefden,” dat kan van de Franschen volstrekt niet gezegd worden.—“Wat zich eene berisping der maatschappij op den hals kan halen, wordt door hen meer dan door eenig ander volk geschuwd, en de heerschappij der despotische mode, strekt zich dientengevolge bij hen over veel meer en belangrijker zaken uit dan bij ons.—Niet alleen de kleeding en dergelijke uiterlijkheden, maar ook wetenschappen en kunsten, ja zelfs de politieke inrichting en de belangrijkste zaken, schijnen bij de Franschen in hooge mate onderworpen te zijn aan de gezindheid, die op het oogenblik in de maatschappij den boventoon voert.
Het ontbreekt den Franschen aan die innerlijke persoonlijke zelfstandigheid en individueele vastberadenheid, die de Germanen kenmerkt. Op zich zelven staande of in kleinen getale, gaan zij gemakkelijk te loor, verbrokkelen zij, om zoo te zeggen. Zij moeten, als zij iets beteekenen zullen, met anderen, met Franschen te samen zijn. Daaruit laat zich ook de sterke concentreering van het leven der Franschen in eene enkele stad, de buitengewone voorkeur die zij aan hunne hoofdstad Parijs geven, verklaren.
Een naar bijval, naar een publiek verlangend, gezellig volk als de Franschen, moest wel een druk bevolkt en domineerend centrum in de wereld roepen. Zij moesten zich een groot tooneel met talrijke toeschouwers, eene groote schouwplaats voor hunnen roem wenschen. Vele kleine residenties, en kleine stille plaatsen, waar men zich op ontwikkeling en beschaving toelegde, konden den Franschen niet voldoen. Zij stichtten daarom reeds vroegtijdig eene hoofdstad, waarin zij al hunne schatten, al hunne talenten, hun gansche vernuft concentreerden. “Zij lieten geheel Frankrijk,” zooals een Franschman zich eenigzins sterk uitdrukt, “eene woestijn worden, om in het midden er van eene schitterende oase, hun Parijs te scheppen.”
Tot op onzen tijd toe, heeft Europa geen volk bezeten, welks geheele leven zoo binnen de muren eener stad bevat is, als dat der Franschen binnen Parijs. Geheel Frankrijk was in Parijs vertegenwoordigd. Van daar uit bouwde het zich voortdurend op; daarheen stroomden al zijn krachten. Parijs vormde het hoofd en het hart der natie; hare zeden en denkwijzen waren Parijsch. Ieder van hunne dichters, hunne redenaars, hunne kunstenaars, beijverde zich de goedkeuring uit den boezem dezer stad te verwerven; ontvingen zij die, dan waren zij zeker van den bijval van het overige Frankrijk.—Voor alles moesten ook hunne regenten trachten de goedkeuring van Parijs te ontvangen, even als Alexander streefde naar die van Athene, en zij voelden zich in hunne heerschappij over het geheele land en volk verzekerd, als zij die stad in handen hadden, van welke madame de Stael gezegd heeft: “dat het leven er zoo schitterend, zoo aangenaam en zoo behagelijk was, dat men daar alle verder geluk en ook de vrijheid ontberen kon.”
Aan de uit Parijs verbannen, op zich zelven in het buitenland wonende Franschen, heeft men iets zonderlings opgemerkt.—Zij leeren de taal en de gewoonten der vreemdelingen moeielijk aan, en sluiten zich niet zoo gemakkelijk en gaarne bij dezen aan, als de Duitschers.—“De Germaansche plant kan men deelen en scheuren, en ieder takje er van in een vreemden bodem planten; zij groeit daar tot een boom op en blijft in leven. De Franschen kan men niet als stekken verplaatsen. Zij zijn gezaaid geworden, en bloeien, zooals verschillende soorten van zaaiplanten, slechts bij massa’s.”—Zoodra zij uit den inheemschen kring hunner vaderlandsche maatschappij verbannen zijn, schijnen zij de kracht te verliezen, even als bijen die van den zwerm afgeraakt zijn. Zij hebben dientengevolge ook niets van den Germaanschen lust tot reizen en zich te verplaatsen over zich, maar bezitten veeleer eene sterk in het oog vallende neiging, voor goed zich neder te zetten binnen den tooverkring van hun vaderland, waarheen zij ook meestal, zoo spoedig mogelijk, uit den vreemde weder terugkeeren.
Over het algemeen, hebben zij in de wereldgeschiedenis deze eigenaardigheid daardoor bewaarheid, dat zij buiten hun vaderland nergens in staat zijn geweest, machtige koloniën en dochter-volken te stichten. Waar de oude Duitsche Longobarden, de Gothen, de Saksers, zich nederzetten, daar ontstond een staat, een politiek gebouw, waarin de geslachten eeuwen lang woonden. Waar later de Germaansche zeeroovers uit het Noorden vasten voet kregen, daar schoot weldra een gemeenschappelijk samenleven wortel. Datzelfde is in nieuweren tijd het geval geweest met de Germaansche Britten, die overal, waar zij hun anker nederwierpen, naar het model van hun vaderland, een nieuw nest voor een nieuw volk bouwden.—Op iets dergelijks kunnen de Franschen zich niet beroemen, hoe dikwijls zij ook uit hun vaderland marcheerden of zeilden; dikwijls hebben zij de wereld geschokt, maar nergens met frissche koloniën, waarvan iets te hopen was, voorzien. Niet eens in de Nieuwe wereld, waar dit betrekkelijk zoo gemakkelijk scheen, is het den Franschen gelukt iets duurzaams tot stand te brengen, zooals de Spanjaarden, de Nederlanders en zelfs het kleine Portugal zulks deden. In Brazilië, Florida, Canada, aan de Mississippi, overal hebben zij met hun “Nieuw-Frankrijk,” schipbreuk geleden, dat, naar men zou kunnen zeggen, altijd als zand verstoof, terwijl de nederzettingen der andere volken, “Nieuw-Spanje,” “Nieuw-Holland” en “Nieuw-Engeland” wortel vatten en zware spruiten uitschoten.