De bazar van Tasjkent is in eene oude, vervallen wijk der stad gelegen.
Van Tasjkent naar Prjevalsk.—De stad Tasjkent.—In den tarantass.—Tsjimkent.—Aoulié-Ata.—Tokmak.—De bergkloven van Bouam.—Het meer Issik-Koul.—Prjevalsk.—Een Kirghizenhoofdman.
Den 28sten Juni, na 34 dagen reizens, kwam ik aan in Tasjkent, de hoofdstad van russisch Turkestan. Toen ik te Genua aan boord ging, dacht ik dien afstand in minder dan drie weken te zullen afleggen.
Maar in ’t Oosten is men niet zuinig op den tijd. Menschen en zaken schijnen ten prooi aan een noodlottige inertie, waartegen de vreemdeling zich te vergeefs poogt te verzetten. ’t Was mij dan ook een verlichting, toen ik op het perron te Tasjkent de lange gestalte ontwaarde van Don Scipio Borghese, en het gebaarde gelaat van den gids Zurbriggen. Zij hadden reeds veertien dagen op mij gewacht, en waren van harte blijde, mij te zien. We besloten ons vertrek op overmorgen vast te stellen; want het seizoen was reeds ver gevorderd, en dit was niet in ons voordeel, bij de zware bergtochten die ons wachtten. Den tijd, die ons overbleef, gebruikten we, om de stad te bezichtigen en op het Meteorologisch Observatorium onze instrumenten in orde te brengen. Tasjkent, van oudsher een handelsstad, is zoo groot als Parijs, maar telt slechts 300 000 inwoners. Op de volksbuurten na, die in de buitenwijken zijn gelegen, heeft de stad een modern, bijna amerikaansch voorkomen. Men ziet dadelijk, dat het een betrekkelijk nieuwe en naar een bepaald plan aangelegde stad is. De breede elkaar kruisende lanen, meerdere wersten lang, zijn ter weerszijden met boomen beplant, en worden besproeid door stroomende beken. De russische huizen zijn comfortabel ingericht, maar meestal niet hooger dan één verdieping, wegens de veelvuldige aardbevingen. Een houten portaal vormt altijd den toegang, en zij zijn aan drie zijden omgeven door een groote schaduwrijke binnenplaats. In de straten ziet men overal winkels, clubs, bibliotheken en café’s, zooals in elke moderne groote stad. Al wordt Tasjkent in den regel niet uitbundig geprezen, de stad behoeft volstrekt niet door te gaan voor een oord der ballingschap, zooals sommige reizigers haar hebben genoemd. Het getal vreemdelingen onder hare inwoners vermeerdert zelfs voortdurend. De stad is bijzonder gunstig gelegen voor het handelsverkeer, op de plek waar de wegen naar Siberië, China, Afghanistan en Perzië samenkomen, en met Europa door een spoorweglijn verbonden. Bovendien is zij aan alle zijden omringd door bebouwde gronden, die zich nog steeds uitbreiden. Als de spoorweglijn gereed zal zijn, die door Semiretchie loopende, zich bij Taïga met den transsiberischen spoorweg zal verbinden, gaat de stad een groote toekomst te gemoet. De bazar van Tasjkent is een oude, vervallen wijk van donkere, modderige straatjes, vol onoogelijke lompen hangend, en met versleten matten belegd, waar een bonte menigte zich verdringt en waar, zonderling genoeg, de verschillende ambachten, die er worden uitgeoefend, in 32 afdeelingen zijn verdeeld, die elk weer 32 specialiteiten bevatten. De keuze wordt lastig op die manier!
Tasjkent is een ware staalkaart van rassen, die er elk hun eigen wijk, kerk, taal, kleeding en gebruiken op nahouden, en gelijkelijk bezield zijn door onderlingen haat. Behalve deze huist hier nog een uit gemengde bestanddeelen samengestelde menschensoort, die de eigenlijke volksklasse uitmaakt, de Sarten, een stam van verwijderden, turksch-mongoolschen oorsprong. Zij vormen een bevoorrechte klasse, en zijn dan ook vlugger van begrip en meer ondernemend dan de overige inwoners.
De woningen van het volk zijn treurig slecht gebouwd; zeer laag, en hoogstens twee of drie vertrekken bevattend, worden ze soms van hout opgetrokken, maar dikwijls ook bestaan de muren slechts uit gedroogde klei. Het dak wordt gevormd door een vlechtwerk van takken, met een laag aarde bedekt, waarop weldra papavers en erwten beginnen te bloeien.
Gedurende den zomer is dit niet onaangenaam. In de hitte is het in zulke huizen heerlijk koel, en zelfs in den winter is de dichte aardlaag voldoende om het weinigje warmte te bewaren, waarover men, bij geringen voorraad van brandstof, beschikken kan. Maar na zware regens vertoonen zich scheuren in de kleilaag; deze barst; het geheele dak stort ineen, en komt neer op de hoofden der verschrikte familie, soms midden in den nacht. Men draagt dan ook zorg, die onvoldoende dakbedekking zorgvuldig te onderhouden.
Den 30sten Juni, om vijf uur ’s morgens, verlieten wij Tasjkent. De tarantassen, die we den vorigen avond hadden gehuurd, stonden gereed op de binnenplaats van het hotel. De bagage wordt opgeladen en wij nemen plaats binnen in het voertuig, waarin we een soort slaapplaats weten in te richten met een paar bossen stroo.
Het doel van onzen tocht is Prjevalsk, aan het meer Issik-Koul, midden in het Hemelsche gebergte. Den afstand van ongeveer 900 K.M. hopen we in een week af te leggen. We zullen natuurlijk dag en nacht doorreizen, zoolang de toestand van de wegen het toelaat, de rijtuigen het uithouden, en wij in staat zullen zijn, telkens van paarden te verwisselen. Op het oogenblik van ’t vertrek schijnt alles best te zullen gaan; de yemtschik klapt met de zweep, de belletjes van de dounga klingelen vroolijk, en de frissche morgenlucht verdrijft den slaap, die ons nog in de oogen zit.
Als wij de buitenwijken achter ons hebben gelaten, voert de weg door het open veld, langzaam stijgend, naar een kale vlakte. Het dorre, verschroeide gras, waartusschen zich hier en daar troebele waterplassen vertoonen, strekt zich uit tot waar de wijde verte samensmelt met den gezichteinder. De oneffen grond, waarover wij in snelle vaart voortgaloppeeren, wordt langzamerhand hobbelig en vol kuilen, en wij maken voor ’t eerst eens goed kennis met onzen tarantass. Al klampen wij ons nog zoo stevig vast aan den rand van de kap, al steken wij onze voeten nog zoo vastberaden voor ons uit onder den bok, ’t is onmogelijk het geweldige schokken en hotsen te vermijden. Onze voertuigen worden voortdurend snel en in tegengestelde richtingen bewogen, tegelijkertijd van voren naar achteren en van links naar rechts, en omgekeerd. Haast nog erger dan op zee. Men wordt omhooggesmeten en weer neergebonsd, stoot zich tegen scherpe kanten, of drukt zijn buurman half plat, om een oogenblik later met een smak weer neer te komen op de valiezen, die ons als zetels dienen. De zon is intusschen hooger geklommen en brandt ons in het gezicht. De paarden, die diep in het mulle zand zakken, werpen met hun hoeven stofwolken op, die ons geheel bedekken, hoewel onze voertuigen opzettelijk op grooten afstand van elkander blijven. De prins en ik kijken beiden nu en dan om, om te zien of Zurbriggen en Abbas nog wel achter ons zijn. Dan zien we noch paarden, noch rijtuig; maar een geweldige stofwolk, die ons in razende vaart najaagt. Van tijd tot tijd ontmoeten we eindelooze rijen karren, getrokken door paarden of buffels, die met de koppen aan het voertuig vóór hen bevestigd zijn. Of ook wel karavanen van kameelen, die langzaam uitwijken, met wonderlijk schommelende bewegingen van hun koppen en lijven, alsof de grond hun onder de voeten golft. Zulke optochten van langzaam voortschrijdende menschen en dieren, allen van een en dezelfde kleur, geven een indruk, alsof het spoken zijn, gedoemd om voor eeuwig op aarde rond te zwerven.
Tegen den middag loopt de weg omlaag, met korte zwenkingen langs de helling van een heuvel, waar, tusschen het groen verborgen, een klein stroompje vloeit. Aan den zoom daarvan staan, tusschen wilgen, yourtes, (kleine huisjes).
In een bescheiden posthuis gebruiken wij ons ontbijt, terwijl andere paarden worden aangespannen. Hier en daar in den omtrek gaat de golvende grond schuil onder gouden korenvelden. Landlieden, te paard, met de zeis op den schouder, gaan ons voorbij, en anderen keeren terug, met groote bundels gras voor op hun zadel. Honden loopen onze paarden na te blaffen, tot we bijna reeds weer midden in de steppe zijn. Den geheelen middag rijden we verder door een woestijn. De stantzia’s liggen niet allen tusschen het geboomte. Er zijn er ook, waar het regenwater wordt opgevangen in bakken, die in den grond zijn uitgegraven. Hoewel wij erg dorst hebben, drinken wij geen droppel. Kort voor Tsjimkent komen we langs een aantal laag gelegen plekken, waar het water, dat in de wagensporen geloopen is, het stof in een taaie slijkmassa heeft veranderd, waaruit wij de wielen bijna niet kunnen loskrijgen. We beproeven er op zij langs te rijden; maar dat is nog veel erger. We steken een rivier over, en komen kort daarna in de stad Tsjimkent. Het is tien uur in den avond. Op een paar lichtjes na, is het in de stad pikdonker, en van de geheele “groene stad” zien wij niets dan een onoogelijk posthuis, waar we twee uur moeten wachten, eer we weer kunnen vertrekken. Er schijnt een generaal te vertoeven, die naar Viernyi moet, en het spreekt van zelf, dat hij het eerst aan de beurt komt om paarden te krijgen, wat ons volstrekt niet aanstaat.
Te middernacht vertrekken wij weer, en weldra zijn wij opnieuw in de steppe. De weg schijnt tamelijk goed, en wij trachten in slaap te komen. De lucht is betrekkelijk koel en er is gelukkig geen stof. Zeer vermoeid van dat vier en twintig uren achtereen schokken, stellen wij pogingen in het werk, om ons op ons gemak uit te strekken, en doen werkelijk een dutje, ondanks het gerammel van het rijtuig, het rinkelen der bellen, en de kreten en zweepslagen, waarmede de koetsier zijn paarden aanzet. Maar weldra schijnt de zon ons recht in het gezicht, en wij worden weer zoo geducht en aanhoudend op en neer gehotst, dat wij de oogen wel moeten openen; van slapen is geen sprake meer. We dalen af langs een kloof, waarin steenen zijn neergestort door het afbrokkelen van de rotsen, en waar de brokken steen midden op den weg zijn blijven liggen. Niemand denkt er aan, ze te verwijderen of op te stapelen aan den kant van den weg. De yemtschik heeft er de dolle vaart van zijn paarden niet om vertraagd; behalve waar de helling te steil is, en hij ze wel eenigszins moet inhouden, doet hij juist alsof hij over een effen grasperk rijdt.
Kaart van den weg, door ons afgelegd.
Te Vannovsk, een kleine kozakkenpost, midden in de steppe, moeten wij wachten, van tien uur ’s morgens tot drie uur ’s middags. Hier is het niet de generaal, die voorgaat, maar de post.
Ze weten niet precies, wanneer deze wordt verwacht, maar de bode is in aantocht, en zal nog vandaag weer vertrekken. Dus weigert de smotrissiel voorloopig, om ons paarden te verschaffen. Zeer verbaasd over dien ongewonen staat van zaken, vragen wij nadere inlichtingen. De smotrissiel vertelt ons, dat ons podoroyne (reisbiljet) een derde klasse biljet is, en ons dus geen aanspraak geeft op het geringste voorrecht. Wij kunnen eerst paarden krijgen, als de post is voorzien. Gelukkig hooren wij ’s middags, dat moujiks uit het dorp ons wel paarden willen verhuren tot aan het volgend station. Wij onderhandelen over den prijs en krijgen twee troïka’s voor vier roebels. Op de volgende pleisterplaats doen wij hetzelfde; want de post blijft uit, en wij kunnen moeilijk langer wachten. Tegen den avond naderen wij den bergpas van Tsjak-Pak, een breede opening in de Karataou-keten, die als een cyclopenmuur vooruitspringt in de kale vlakte. Van daaruit geraken wij in een nauwe kloof, bezaaid met rotsblokken, en waar een witachtig, laag struikgewas groeit. Daar de helling zeer steil is, zet de koetsier de wielen van de tarantass vast, om de paarden niet te laten meesleepen door de zwaarte van den wagen. Wij stappen uit, om ons wat te vertreden, en ontdekken een heldere bron, die ontspringt uit een rotsspleet. Dat is een verrassing, want onze kelen zijn droog van de hitte en het stof. Tegen den nacht komen wij voorbij Aoulié-Ata, een onbeduidend dorpje, dat bekend is door het graf van een Khan der Kirghizen. Vandaar de naam, die Heilige-Vader beteekent. Na Aoulié-Ata volgt de streek, die de chineesche pelgrim Hiouen-Tsang het land der duizend stroomen noemt, en waar, volgens de overlevering, het eerste koninkrijk werd gesticht der Kara-Kitaïs, de zwarte Chineezen. Het is het stroomgebied van den bovenloop der Tsjoe, waarvan de talrijke zijrivieren, die van de Alexanderbergen neerdalen, het land aan den voet besproeien en vruchtbaar maken. De Tsjoe zelve, ofschoon een tamelijk groote rivier, schijnt te verloopen in het woestijnzand. De vermoeiende eentonigheid der steppen wordt hier dikwijls onderbroken door stroomende rivieren, welker oevers dicht zijn begroeid met hoog riet, waarin zich wilde dieren schuilhouden, vooral tijgers, die jacht maken op talrijke wilde zwijnen en antilopen.
Te Pichpek laten wij den grooten weg, die verder loopt naar Viernyi, links liggen en maken een omweg, langs het gebergte, dat den rechter oever van de Tsjoe begrenst. Eindelijk naderen wij de bergketen, die wij reeds dagen lang aan onze rechterzijde zagen verrijzen, en waarvan de witte toppen ons als het ware schenen te wenken. Het landschap is nu van voorkomen veranderd, en met welbehagen rust onze blik op het groen der weiden. Maar nergens een spoor van bosch of woud. Zullen wij van dat gezicht gedurende de gansche reis verstoken blijven? Juist als wij ons dit afvragen, zien wij een rij karren naderen, beladen met stammen van pijnboomen. Dat is een goed teeken.
Broodverkoopers te Prjevalsk.
Midden in den nacht, na onzen derden reisdag, houden wij stil bij het station Tjillarik, dat zeer eenzaam is gelegen tegen de helling van een voorgebergte, aan den ingang van den bergpas van Bouam. Blootgesteld aan den vinnigen ijskouden wind, kloppen wij aan bij het posthuis; maar te vergeefs. Wij gaan op verkenning uit, maar bespeuren geen teeken van leven. Wij zijn reeds half ontmoedigd, en willen maar weer in de tarantass gaan schuilen, doch Zurbriggen geeft het niet op. “Al moet ik de deur intrappen”, zegt hij, “ik wil weten wat er achter zit.” Hij blijft maar doorbonzen. Eindelijk hooren we den vloer kraken, en de deur gaat open. Er verschijnt een jongen, half aangekleed, en met een kaars in de hand. Wij wachten niet af, of hij ons zal uitnoodigen, binnen te treden, waartoe hij trouwens ook geen aanstalten maakt. Een enkele blik in de ruimte achter hem is voldoende, om ons op onze schreden te doen terugkeeren. Wij hooren, dat er geen enkel paard te krijgen is, en het schijnt ook verstandiger, daar de weg slecht is, om tot den volgenden morgen te wachten Dan kunnen in de vroegte de paarden worden gehaald, die nog in de weide zijn. Wij maken gebruik van dit oponthoud om in onze dekens gewikkeld, wat te gaan slapen. Bij het aanbreken van den dag worden de paarden aangespannen en wij rijden verder.
Onze voertuigen hebben hun snelle vaart thans gematigd, en stapvoets gaat het tegen een steil bergpad op, waarnaast een verschrikkelijke afgrond gaapt. De weg zelf schijnt een lint, dat over een golvende oppervlakte is geworpen, en stijgt en daalt met de oneffenheden van den bodem. De bergkloof, die wij doortrekken, is zeker belangwekkend voor een geoloog, maar zeer vervelend voor den gewonen reiziger, die telkens moet uitstappen, en dan nog niet eens vergoeding kan vinden in een schilderachtig uitzicht. Nadat wij twee pleisterplaatsen zijn gepasseerd, en weer op den rechter oever van de Tsjoe zijn teruggekeerd, zien wij in de verte een blauwe watervlakte die zich uitstrekt zoover het oog reikt. Daarachter verdwijnt de getakte rand van een bergketen in den nevel, en doet ons zien dat wij het hooggebergte naderen. ’t Is het meer Issik-Koul, en de bergketen van Terskeï-Ala-Taou. Voor ons ligt een verrukkelijk landschap uitgebreid. Op den voorgrond de glooiende helling aan den voet van den berg, die langzaam afdaalt naar het meer, aan welks zoom, onder overhangende klippen, troepen wilde zwanen schuilen, pelikanen en andere watervogels. Heerlijk steekt het geelachtig roode oeverzand af bij de wisselende tinten van den glanzigen waterspiegel. In de verte verheffen zich uit een violetten nevel de hooge bergen van de Terskeï-Ala-Taou, met hun grillige licht- en schaduwpartijen. Alle kleuren zijn zoo teêr en vaag, dat de afstand van hier tot het gebergte veel grooter lijkt dan werkelijk het geval is. Gedurende de eerstvolgende honderd werst blijft de streek woest en onbewoond. De weg loopt dikwijls langs neergestorte rotsblokken, waarop zich kleine aardheuvels hebben gevormd, met gepluimd gras begroeid. Wij jagen massa’s hazen op, die naar alle zijden wegvluchten, gretig bespied door groote gieren, die neerstrijken op een Kirghizengraf, of hoog boven onze hoofden blijven zweven. Langzamerhand komt er wat meer leven in de omgeving. Wij zien eenige kudden vee; aouls der Kirghizen, en Kozakkendorpen; twee van deze zijn zelfs bloeiende kleine plaatsjes, daar de rivier hun omstreken besproeit. Wij komen voorbij tallooze Kirghizengraven, ’t zij tot kerkhoven vereenigd, ’t zij alleenstaande monumenten. De oevers van het meer Issik-Koul staan bij de nomaden in den reuk van heiligheid, en rijke lieden laten daar hun graftombe bouwen. Al die graven zijn opgetrokken uit gedroogde klei, en hebben meestal den vorm van een afgeknotte pyramide, met smalle treden. Sommige van die monumenten zijn buitengewoon rijk versierd, als men in aanmerking neemt in welk een verlaten oord zij zich bevinden. Vier muren van klei dragen een soort van koepel, waarop verschillende sieraden zijn aangebracht, schedels van dieren, glazen kralen, en paardestaarten aan een langen stok bevestigd. De voorzijde is voorzien van boogvormige openingen en wordt opgeluisterd door ornamenten en inschriften en relief, alles zeer kinderlijk en onbeholpen van uitvoering.
De Kirghizenhoofdman met zijne kinderen.
Aan de oostelijke grens van het meer nadert het gebergte zeer dicht tot den oever, en soms is de weg in de rotsen uitgehouwen. De bergwanden zijn vol gleuven en diepe spleten, en uit die kloven rijzen donkere dennenbosschen op. Eenzaam en afgelegen spiegelt het klooster van Troïtsky zich in de wateren van het meer. Het dient tegelijkertijd als gevangenis, schuilplaats, oord van ballingschap en buitenverblijf.
Den 6den Juli, om tien uur, passeeren wij Preobrajensk, waarvan de huizen hoog boven elkander tegen een klip zijn gebouwd.
Nu zijn wij nog maar dertig werst van Prjevalsk verwijderd. De hoogvlakte, die de beide plaatsen scheidt, bestaat uit verschillende opeenvolgende terrassen, welke doorsneden worden door de diepe beddingen van den Troum en den Dargalan. Behalve langs den waterkant, vertoont hier de bodem geen spoor van plantengroei.
Eindelijk hebben wij de laatste golving van het terrein bereikt, en zien in de verte het oude Karakol, dat schilderachtig te midden van het groen is gelegen aan den voet van een amphitheater van hooge sneeuwbergen. Op het eerste gezicht zou men het dorpje voor een gehucht in de Alpen houden, met zijn torenspits, zijn boomgaarden, bosschen en gletschers op de hooge toppen. Doch rondom ligt de wijde steppe, onbebouwd en als door het vuur verschroeid. Dat zachtgroene plekje, bezaaid met stipjes wit en geel, doet ons oog aangenaam aan, zelfs van verre gevoelt men den weldadigen invloed van dien liefelijken plantengroei, en het gezicht van de sneeuw is ons reeds een verkwikking. Dichtbij de stad Prjevalsk is de weg met populieren beplant, waarachter zich velden uitstrekken met graan, waartusschen bonte papavers gloeien. Ter rechterzijde van den weg ligt een kerkhof met zijn grafheuvels en sarkophagen van klei.
Te twee uur in den namiddag rijden wij de binnenplaats van het posthuis te Prjevalsk op, en stappen uit de tarantass.
Dat is een verlichting! We zijn bont en blauw en hebben een gevoel alsof onze ledematen zijn ontwricht. Zurbriggen kan niet nalaten, zijn blijdschap te toonen over die verlossing. Hij beweert, dat hij op al zijn reizen in Indië, Australië en Argentinië, nog nooit zulke ellendige vervoermiddelen heeft leeren kennen.
De smotrissiel biedt ons beleefd de vertrekken aan, waar gewoonlijk reizigers logeeren. Meubels zijn er niet; maar wij zullen wel op den grond slapen. Altijd nog beter dan in de tarantass. Intusschen hebben zich een menigte jongens en leegloopers op het plein verzameld, aangetrokken door het gezicht van onze vreemde uitrusting. Iets later verschijnt een forsche politieagent, die onze papieren wil zien. Als hij hoort wie wij zijn, gaat hij aanstonds naar den gouverneur, die ons, vergezeld van een tolk, zijn opwachting komt maken. Wij hadden wel gaarne van de heeren eenige inlichtingen ontvangen omtrent de Khan-Tengri-groep, en de dalen die daarop uitkomen, maar zij weten ons daaromtrent niets nieuws te vertellen. De gouverneur belooft ons echter, dat hij ons door een agent zal laten vergezellen, en de heer Kross, die tolk en apotheker is, verklaart zich bereid, ons in ieder opzicht van dienst te zijn. Den volgenden morgen brengt hij ons bij een Kirghizenhoofdman, die, naar wij hopen, ons inlichtingen en misschien wel een ervaren berggids kan verschaffen. Het was een slim oud heer, met één oog, een langen baard en een soort wijden slaaprok van bontgekleurde zijde. Toen we zijn vervallen woning binnentraden, zagen we op de plaats een grooten troep kinderen, aan ’t spelen met kippen en ganzen, die naar alle zijden een goed heenkomen zochten. Hij ontving ons in een vertrek, dat men, het zij met allen eerbied voor den rang van den bewoner gezegd, gerust een smerig hol mocht noemen. Er lag niets dan een tapijt op den grond, en in de hoeken stonden een paar kisten. Wij gaan op zijn turksch naast hem op den grond zitten en luisteren aandachtig, in de hoop iets te zullen vatten van het koeterwaalsch, dat hij met ongeloofelijk radde tong uitbrabbelt. Onze tolk geeft zich niet bijster veel moeite om het verhaal in het Duitsch weer te geven. Met veel moeite beginnen wij iets van het betoog te begrijpen; onze gastheer gaat geducht te keer tegen de nieuwe overheerschers van het land, die hem van zijn vroegere voorrechten hebben beroofd. Het is niet zeer voorzichtig van hem, zich zoo vrijmoedig uit te laten. Hij zet zijn beweringen klem bij, door ons op den schouder te slaan, of vertrouwelijk de hand op onze knie te leggen, neemt ons soms bij de hand, en spreidt onze vingers vaneen, als hij iets opsomt. Voor we afscheid nemen, krijgen we nog tchiaï, die ons gebracht wordt door een van zijn nichtjes, een heel mooi meisje van zestien jaar, in een nog al luchtig négligé. Van onze Westersche gebruiken schijnt de oude heer niet te best op de hoogte, hij slaat met een borstel de suiker op den vloer stuk, en smijt handig de stukken uit de verte in onze kopjes.
Des avonds gaan we naar den “boulevard”. Zoo noemen de aziatische Russen de parken, die zij in elke stad van eenige beteekenis aanleggen en zorgvuldig onderhouden. De kerk, het park en de club zijn drie onontbeerlijke elementen in dit land. We vinden het park van Prjevalsk zeer merkwaardig, met zijn tuintje van inheemsche planten, en een paar groote witte steenen, die boven de omringende boschjes uitsteken. Uit de verte zien wij niet recht, wat ze moeten voorstellen, maar van dichtbij bespeuren we, dat het ruw gehouwen nabootsingen zijn van menschelijke gelaatstrekken. Het zijn oude grafmonumenten van de Nestorianen, volgelingen van een zekeren Nestorius, welke in lang vervlogen tijden deze streek hebben bewoond.
Wij waren voornemens, te Prjevalsk paarden te koopen, nieuwen mondvoorraad op te doen en onder de inwoners naar geleiders voor onze lastdieren om te zien. De paarden kosten ongeveer dertig roebels, merries tot veertig en vijftig.
De kooplieden echter tot wie wij ons richtten, vroegen ons, daar wij vreemdelingen waren, het dubbele van dien prijs. Wij verijdelden hun snoode plannen door een krijgslist, en lieten overal rondstrooien, dat wij ergens anders moeite wilden doen. Om dit gerucht schijnbaar te bevestigen, brachten wij zelfs onze voertuigen in gereedheid. Dat hielp. Van toen af hadden wij de keus uit al de paarden in de stad en de omstreken, die ons beurt voor beurt op de binnenplaats werden vertoond. Wij kozen er twaalf uit, zes om te berijden, en zes voor het dragen van de bagage. Men kan zich moeilijk voorstellen, hoe lastig het is, om de toebereidselen voor zulk een kleine karavaan tot stand te brengen, in een land, waar men zich slechts met behulp van derden verstaanbaar kan maken. Gelukkig dat Abbas zijn uiterste best deed, en ons trouw en eerlijk ter zijde stond, terwijl de heer Kross ons terechthielp in de winkels.
De bazar van Prjevalsk wordt veel bezocht door Kirghizen en door de karavanen, die een druk verkeer onderhouden tusschen Viernyi en Kasjgar, langs de passen van den Djoukoua en den Bebel. Behalve als handelsplaats, is het plaatsje van weinig beteekenis. De omstreken zijn vruchtbaar, rijk aan wei- en bouwland, en er groeien veel vruchtboomen, maar in deze voortbrengselen wordt geen handel gedreven. Uitgevoerd wordt alleen opium, wol en bontwerk. Door den transaziatischen spoorweg zal het dal van Issik-Koul veel winnen; want de alluviale grond is bijzonder vruchtbaar; water is er in overvloed; de dalen wemelen van wild, en in de mijnen liggen schatten verborgen. Daarenboven is de streek zeer gezond; bekoorlijk boven alle beschrijving, en zij kan roemen op een gematigd klimaat. Eer wij de stad verlieten, gingen wij nog bloemen brengen op het graf van den grooten onderzoeker Prjevalsky, voor wien op de plek, waar hij gestorven is, een eenvoudig gedenkteeken is opgericht. Het staat dicht bij het meer, op den top van een klip; eenzaam, aan den rand der steppe. Geen betere plek had kunnen worden gekozen als rustplaats van hem, die de helft van zijn leven wijdde aan zwerftochten in de eenzame streken van Midden-Azië. Een rotspyramide draagt een arend, met uitgespreide vleugels, die in zijn klauwen een russisch kruis vasthoudt en een gebroken ketting, om door dit zinnebeeld aan te toonen, hoe de russische beschaving het blinde fatalisme heeft vernietigd, dat deze onbeschaafde volken in de ketenen der barbaarschheid hield gekluisterd. Ter halver hoogte van het voetstuk prijkt een medaillon, met het borstbeeld van den beroemden geleerde, en een opschrift, dat zijn daden vermeldt. Het graf is door bloemperken omringd, die zorgvuldig worden onderhouden.
Den 11den Juli, om 2 uur ’s namiddags, vertrekken wij uit Prjevalsk.
Onze karavaan bestaat uit zeven man en dertien paarden. De Kirghizenhoofdman had ons beloofd, een zijner onderhoorigen te laten meegaan, om ons in de bergen den weg te wijzen; maar er verscheen niemand. Later hoorden wij dat de oude heer nooit werkelijk aan het hoofd van eenen stam had gestaan; maar dat hij bij de Nomaden als een wonder van wijsheid, een tweeden Salomo, bekend stond, die de moeilijkste vragen wist op te lossen. De Kirghizen komen hem dan ook dikwijls raadplegen en leggen gaarne honderden wersten af, om zijn hulp in te roepen.
Ruw gehouwen menschelijke hoofden, grafmonumenten der Nestorianen.
Ons personeel bestaat uit Abbas, een djighite, een jongen russischen kolonist, Piotra, en een jager, lid van een nomadenstam. Dat zeer uiteenloopend viertal heeft veel moeite om het met elkander te vinden. Abbas is oorspronkelijk een echte Iraniër uit Farsistan, wiens kleedij op zonderlinge wijze herinnert aan de verschillende streken, waar hij heeft verblijf gehouden. Hij is tenger van gestalte, en niet groot, met een gewoon gezicht, een ruigen baard en pikzwart haar, dat in lange krullen over zijn jaskraag golft. Want hij draagt een europeesch kostuum (jasje, broek en vest, met gele bottines), waarover en waaronder hij allerlei losgeplooide perzische omhulsels heeft aangetrokken, die door een gordel met fantasiegesp worden vastgehouden. Aan zijn zijde hangt zijn onafscheidelijke yatagan, en op het hoofd draagt hij een deftige muts van schapevel. Uit de verte ziet hij er krijgshaftig uit, en doet aan een struikroover denken. Het is een beste man, door en door eerlijk, en die door zijn talrijke gaven en voorbeeldigen ijver het ver kan brengen; want hij kan van alles worden, drogman, kok, aanvoerder eener karavaan, en wie weet wat nog meer. De djighite is een soort politieagent in dienst van de russische regeering. Hoewel hij evengoed een Kirghies is als de nomaden, waarover hij gezag heeft, vindt hij zich veel voornamer dan zij, en behandelt hen als uitvaagsel. Het spreekt van zelf, dat bij het innen der belastingen een groot gedeelte in zijn zak verdwijnt, daar de ambtenaar zelf niet al te best op de hoogte is van de statistiek zijner belastingschuldigen. Onze agent had een stuk bij zich, opgesteld in de russische taal en in die der Kirghizen, voorzien van het zegel van den gouverneur, waarin stond, dat hij ons als vrienden moest beschouwen, en ons alles verschaffen wat wij noodig hadden. Dat stuk was als ’t ware een talisman, die onze onschendbaarheid waarborgde. Daar wij onder de bescherming van Rusland stonden, zouden de nomaden zich wel wachten, ons ook maar het geringste in den weg te leggen; want de minste tekortkoming tegenover ons zou hun duur te staan zijn gekomen. De djighite draagt als teeken zijner waardigheid een ijzeren plaatje op zijn tschiapann, en is gewapend met een sabel en een revolver. Onze vriend ziet er zeer schrander uit, en behandelt ons uiterst beleefd, al wordt hij niet door ons betaald. Hij krijgt echter een geschenk, als hij zijn plichten trouw nakomt.
Piotra en de jager zijn minder gewichtige personages. De eerste is de zoon van een Kozak, die te Prjevalsk woont; hij fungeert als onze huisknecht. De jager, Kirghies van top tot teen, is de beste leidsman voor een karavaan, dien men kan wenschen; hij past goed op de paarden en zorgt, dat wij geen ongelukken krijgen; maar als we aan een pleisterplaats zijn gekomen, valt hij als een blok in slaap, en wordt vooreerst niet weer wakker.
Aankomst eener karavaan te Prjevalsk.
Na Prjevalsk volgen wij den weg, die door den Santachpas langs de bergketens van Ala-Taou en Koungheï-Ala-Taou voert, en te Viernyi uitkomt. De weg loopt door een vruchtbare, maar weinig bebouwde streek, aan den voet van het Ala-Taou gebergte.
Na een tiental wersten te hebben afgelegd, komen wij in Aksouïskyie, een havelooze Kozakkenkolonie. De geheele bevolking komt naar ons kijken; de mannen, met zware laarzen en roode hemden, die over hun broek hangen, groeten eerbiedig. De forschgebouwde vrouwen, in felgekleurde lompen gehuld, staan met de handen in de zijden in de deur.
Tegen zeven uur houden wij stil aan den zoom van een beek, om te kampeeren. Iets verder staan een twintigtal hutten achter een wilgenrij, dit is Djarghess, een andere Kozakkenkolonie. Onze komst lokt eenige nieuwsgierigen, Kozakken uit het naburig dorp, die op hun gemak bij ons komen zitten. Eene vrouw is zelfs zoo vriendelijk, ons een pot met melk aan te bieden. Wij geven haar stukken suiker, waarvan zij veel schijnt te houden.
Terwijl ons middagmaal wordt bereid, wandelen wij rondom de tenten, en bewonderen den prachtigen zonsondergang.
Stroomafwaarts zien wij het riviertje Djargalan door de blauwe vlakte kronkelen, waarin eenige alleenstaande boomen zich donker afteekenen tegen de gouden avondlucht. Langs de bochten der rivier liggen de yourtes of tenten der nomaden verspreid, in zalige rust, en uit hun koepelvormige daken stijgt stil de rook naar boven. Links, tweehonderd werst van ons verwijderd, steken de Alexander-bergen, zacht lila getint, hun besneeuwde kruinen omhoog. Rechts springt de Ala-Taouketen naar voren, donkerder van kleur, en hier en daar schel verlicht door de ondergaande zon. Het meer ligt verborgen in den dichten nevelsluier, die in de avondkoelte daaruit opstijgt.
Maar Piotra, de Rus, heeft ons middagmaal gereed gemaakt, op een vilten tapijt voor de tent van den prins. Wij gaan in opgewekte stemming zitten of liever liggen, op onzen elleboog steunend, rondom de servet, waarop ons eenvoudig en sober maal gereed staat. Gebraden kip staat ook op het menu; maar deze is helaas onwrikbaar taai. Om 10 uur kruipen wij in onze slaapzakken, ’t Is de eerste nacht, dat wij buiten kampeeren. Ons lichaam heeft al vrij wat uitgestaan, onze huid is langzaam aan haast ongevoelig geworden in de tarantass; maar toch hindert het ons als we nu en dan in onzachte aanraking komen met kleine steentjes. Het duurt echter niet lang, of de vermoeidheid doet ons in Morpheus’ armen vergetelheid vinden.
De karabijn van Zurbriggen ging van hand tot hand.
Het dal van Tomghent.—Een aoul der Kirghizen.—Wij trekken over den Tomghent-pas.—Bergpaarden.—Een verlaten vallei.—De Kizil-Tao.—De Saridjass.—Kudden paarden.—Het dal van Kasj-Kateur.—Gezicht op den Khan Tengri.
Den 12den Juli zijn wij al om 5 uur op de been; maar wij moeten ontbijten, de paarden losmaken en de bagage verdeelen en opladen, zoodat het reeds zeven uur is geworden, als wij opbreken. Intusschen zijn ons verschillende karavanen voorbijgetrokken; Kirghizen, die naar de Alexanderbergen tijgen, om nieuwe weiden te zoeken. Die lange rijen mannen, vrouwen en kinderen, op paarden, kameelen en ossen gezeten, die duizenden schapen, voortgestuwd als een levende golf, die honderdtallen van paarden, met hun bonte dekkleeden, die troepen aan elkaar gebonden kameelen, in eentonige rijen voortschrijdend onder lasten van allerlei aard;—het aanhoudende geklikklak der hoeven op de steenen van den weg, waartusschendoor het gehinnik weerklinkt der veulens, die hun moeders zoeken, het geblaat der lammeren; de doordringende kreten der kameelen, het fluiten en roepen der herders.... al die gezichten en geluiden smelten samen tot één geheel, een wonderlijk treffend schouwspel, dat een onuitwischbare herinnering achterlaat.
Kort na Djarghess loopt de weg langs een rotsachtige verhevenheid van den bodem en begint langzaam te stijgen langs de linkerhelling van het Djargalan-dal. Meer stroomafwaarts zien wij een geheele stad van yourtes, aan de rivier gelegen, waaruit tallooze kudden wegtrekken, terwijl wij de lieden, die zich om de tenten bewegen, als kleine poppetjes kunnen onderscheiden. Onze weg voert nu naar den ingang van het Tomghent-dal, waarvan de zijden met dichte dennenbosschen zijn bedekt. Wij volgen den linkeroever van den stroom, zeer belemmerd door de stammen en takken, die ons den weg versperren. Toch wordt de weg geregeld begaan door de Kirghizen aan de andere zijde van den berg; maar niemand denkt eraan, die lastige hindernissen uit den weg te ruimen. Wij bewonderen de handigheid, waarmede onze paarden de gevaarlijke plekken weten te vermijden, en mogen hun daarvoor wel dankbaar zijn; want de geringste onvoorzichtigheid of mispas zou voldoende zijn om ons in de rivier te doen storten, die schuimend in de diepte bruist. Langs een primitieve brug van boomstammen, dwars over twee balken geworpen, bereiken wij den anderen oever. Nu volgt de eene steile helling na de andere, en ons pad is bezaaid met losse steenen, die kletterend onder de hoeven der paarden wegglijden. Op een zeker punt schijnen neergestorte rotsblokken ons den weg te zullen versperren; maar als geitjes zoo vlug en behendig, springen de verstandige dieren van den eenen steen op den anderen, en zetten voorzichtig de hoeven in gleuf of spleet, zonder daarbij ooit hun pooten te bezeeren. Het woud wordt thans minder dicht; de vallei opent zich, en in een wijden boog zien wij de groene weiden afdalen naar de rivier. Wij volgen den stroom, en komen aan een Kirghizen-aoul, bestaande uit eenige hutten, langs de rivier verspreid. Al de bewoners komen naar buiten en zien ons angstig aan, blijkbaar doodelijk verschrikt door onze onverwachte verschijning. Het geweer, dat Zurbriggen over den schouder draagt gegespt, schijnt hun alles behalve geruststellend.
Een der mannen, die den djighite herkent, komt vragen, wat wij hier komen doen. Wij houden tegenover hen stil in een glooiing tusschen de heuvels. Terwijl wij onze tenten opslaan, brengen zij ons room, melk en borsaks (beschuiten van gerstenmeel in schapenvet gebakken). In ruil daarvoor geven wij de vrouwen ringen en kammen van aluminium, waarmede ze blijkbaar verrukt zijn. Een jong meisje is erbij, met roode wangen en geregelde trekken. Ze draagt een muts van vossenvel, waaronder een menigte gitzwarte haarvlechtjes uithangen, en onder haar half openhangende tschiapann teekent zich een kloeke, forschgebouwde gestalte af. Onder het heengaan voelt zij zich gedrongen, hare innige blijdschap over het onverwachte geschenk te uiten, door haar kleine broertje zoo hard met de vuist te stompen, dat hij telkens weer in ’t gras rolt. Het is maar onschuldige plagerij.
13 Juli. Hoogerop splitst zich het dal. Wij houden links, in westelijke richting. Twee ruiters komen van de hoogte afdalen, en gaan ons tegemoet. Zij wenden zich tot den djighite, die hun zijn gezegeld papier laat zien. Daar zij het niet kunnen ontcijferen, roepen zij een jongen man, die de eenige geletterde van den stam blijkt. Als zij hooren wie wij zijn, gaan zij den boloch, of het hoofd van den stam, van onze komst verwittigen. Bij de eerste hut aangekomen, worden wij omringd door een menigte lieden in lange gewaden, met mutsen van schapenvacht op het hoofd. Vooraan staan de oudsten van den stam, met den boloch, die ons welkom heet in een onbegrijpelijk taaltje, terwijl hij gedurig diepe buigingen maakt, met zijn handen op zijn buik over elkaar geslagen.
Er wordt een tapijt op het gras gelegd, en hij noodigt ons uit om plaats te nemen. Terwijl wij afstappen, houden eenige mannen de teugels van onze paarden vast. Allen gaan in wijde kringen om ons heen zitten; er wordt een zak met koumiss gebracht, en porseleinen kommen. Dit zijn voorwerpen van weelde voor de inboorlingen; ze komen alleen bij feestelijke gelegenheden voor den dag, en worden bewaard in gevoerde doozen, die tchiennegat genoemd worden.
De geheele karavaan doet den koumiss van den boloch eer aan, behalve Zurbriggen en ik. Gehoor gevend aan de herhaalde en vriendelijke uitnoodiging van onzen gastheer, waag ik het, de kom aan mijn lippen te brengen; maar de inhoud verspreidt zulk een ondragelijken stank, dat ik het hoofd moet omdraaien om niet onpasselijk te worden. Men zegt dat de koumiss een mousseerende drank is, zeer verfrisschend en aangenaam van smaak.
Dat mag waar zijn; maar hij wordt toebereid in leeren zakken, die een paar duim dik onder het vuil zitten, en in de melk zelve drijven allerlei bestanddeelen, die ver van smakelijk zijn. Wat het meeste de belangstelling dezer nomaden gaande maakte, waren onze met spijkers beslagen zolen en de karabijn van Zurbriggen. Deze ging van hand tot hand, terwijl onze laarzen bevoeld werden, en zij het zelfs de moeite waard vonden, de spijkers in onze zolen stuk voor stuk te tellen.
Daar het wat laat wordt, vinden wij het geraden, onze reis nu maar voort te zetten. Eenige ruiters bieden aan, ons te vergezellen tot aan den Tomghet-pas. Wij komen nog verschillende yourtes voorbij, waar vrouwen bezig zijn schapenvellen te looien, en repen stof ineen te vlechten. De vellen worden over in den grond gestoken paaltjes gespannen, en bedekt met een mengsel van gestremde melk en kleiaarde, dat om den anderen dag vernieuwd moet worden; daarna kan men ze met een mes afschrapen. Kudden schapen, geiten en kameelen zijn aan beide zijden van het dal verspreid, tot aan de grens waar de sneeuw begint.
De weg wordt nu zeer steil, en de laag van losse steenen en rotsbrokken steeds dieper. Om twaalf uur ’s middags hebben we den voet van den pas bereikt. Een kale gletscher, zonder sneeuw, waarover in de schuinte een donkere streep loopt, strekt zich voor ons uit. In gewone omstandigheden d.w.z. als er veel sneeuw ligt, volgt men die donkere lijn, het spoor der voorbijgetrokken karavanen. Maar deze weg is thans onbegaanbaar. De paarden zouden op het gladde ijs niet staande kunnen blijven, en wij zouden onvermijdelijk in de diepte storten. Wij zullen dus maar rechtuit den gletscher beklimmen en niet in een schuine richting.
De afstand tot den top is zoodoende korter, en de paarden zullen hier meer houvast hebben voor hun voet. Terwijl de bagage wordt afgeladen, gaat Zurbriggen treden hakken in het ijs, en ik volg hem op den voet, met mijn paard bij den teugel. Na een vijftig meter te zijn gestegen, bemerk ik dat het dier niet zijn hoeven in de holten zet, maar bij voorkeur iets op zij blijft stappen, waar een laagje vrij hard geworden sneeuw ligt. Zeer ingenomen met mijn schrander ros, dat een geboren bergbeklimmer schijnt, laat ik hem zijn gang gaan, en bereik zonder ongeval den top. Op die wijze kregen wij al onze beesten naar boven. En daarop volgde de bagage. De Kirghizen bewezen ons, ondanks hun onvoldoend schoeisel, uitstekende diensten. Toen alles klaar was, en wij onzen inwendigen mensch een weinig wilden versterken, brak een hagelbui los, die ons in een oogwenk doornat maakte. Wij moesten onze maag hare eischen voorloopig ontzeggen en zoo spoedig mogelijk die hooggelegen plek (3545 M.) verlaten, te meer daar de ijskoude wind gevaarlijk dreigde te worden. Wij daalden langzaam aan de andere zijde naar beneden, en bereikten na eenige buitelingen den weg naar het Kizil-Taodal.
We kampeerden tegen de helling, en de paarden deden zich heerlijk te goed aan het dichte, hooge gras. Er was echter op die bekoorlijke plek geen brandstof te vinden. Waar wij onze blikken ook lieten weiden, geen spoor van struik of boom. De vallei scheen onbewoond, en dus waren wij niet alleen verstoken van brandhout, maar ook van vleesch en melk.
Daar hadden we niet op gerekend, en onze djighite, die toch op de hoogte had moeten zijn van den toestand, had ons niet gewaarschuwd. We liepen met onzen ruimen voorraad proviand nog wel geen gevaar te verhongeren; maar wij wilden dien liever bewaren voor het hooggebergte. Daar wij echter nog in de buurt waren van een Kirghizenstam, en ook het bosch niet ver achter ons lag, besloten wij den volgenden morgen Abbas en den djighite naar den boloch te zenden, om een kudde schapen en een vracht hout te koopen. Intusschen zochten wij gras en droge wortels, waarmede wij niet zonder moeite een vuurtje aanlegden. Het duurde twee uur eer we een kopje thee konden krijgen, en het eten, met veel moeite klaargemaakt, was niet bijzonder lekker; maar dit was een kleinigheid, vergeleken bij de heerlijke gewaarwording, althans iets warms in de maag te krijgen.
14 Juli. Terwijl Abbas en de djighite den terugweg weer aanvaarden, om schapen en hout te halen, gaan wij op verkenning uit in het bovengedeelte der vallei. Een machtig amphitheater van bergtoppen en gletschers strekt zich voor ons uit, waardoor een menigte beken stroomen, die de met gras begroeide golvingen van den grond besproeien.
In het Noorden en het Zuiden openen zich twee passen; de eene, de Karaguer-pas, mondt uit in den oostelijken tak van het Tomghent-dal; de andere, die hooger is gelegen, en meer moeilijkheden oplevert, is de Otrouk-pas, die in den anderen tak van de vallei uitkomt.
Des avonds komen onze vrienden terug met een geheele kudde schapen en geiten, en twee ossen, beladen met boomstammen. De boloch en eenige leden van den stam kwamen zelfs mede. Twee jongelieden bleven bij ons, als drijvers. Nu bestond onze karavaan, menschen en dieren medegerekend, uit drie en zestig koppen.
Het dal Kizil-Tao heeft zijn naam te danken aan de kleur der steenen die daar worden gevonden. Kizil beteekent in de taal der Kirghizen rood, en Tao steen; het is dus het dal der roode steenen. De dalen, toppen en passen van den Tiensjan ontleenen allen hun namen aan de kleuren of vormen van sommige voorwerpen, wier grilligheid de verbeelding der inwoners heeft getroffen. Twee valleien monden in het dal van Kizil-Tao uit, dat grootendeels onbewoond is; rechts die van Otrouk, en links die van Berkout, welke naar het plateau van Saridjass voert. In den bergwand, die het Kizil-Tao-dal scheidt van het dal Keou-eou-leou, opent zich de Torpeu-pas (3066 M.) van waar men een uitgestrekt berglandschap overziet. Deze doorgang, die niet op de russische kaarten is aangegeven, is de meest gebruikelijke weg voor de nomaden, die het dal van Kizil-Tao doortrekken.
Dit dal, tot nog toe bijzonder breed, vernauwt zich plotseling tot een smalle kloof, waar de stroom zich slechts met moeite een doortocht baant. De weg loopt vlak langs de rivier, die hij nu en dan doorsnijdt, om bochten te vermijden. Somtijds moeten wij dan de rivier oversteken op plaatsen, waar de bedding zichtbaar is, om niet door den stroom te worden medegevoerd. Maar wij kunnen niet altijd een doorwaadbare plek vinden, en dan moeten wij maar, zoo goed het gaat, de overzijde zien te bereiken. De schapen worden dan een voor een in het water geworpen, en redden zich, zoo goed zij kunnen. Het was een droevig gezicht, de arme beesten, tegen wil en dank in het water gesmeten, te zien heen en weer slingeren; soms tegen de rotsen gedrukt, of in een diepte zinkend, om toch altijd, na een heldhaftige worsteling, bevend van angst, den tegenoverliggenden oever te bereiken. Als zij er kans toe zagen, klommen zij tegen de steile kanten van den berg op, en dan moest de herder halsbrekende toeren verrichten, om ze weer terug te halen.
Langzaam aan naderen wij het dal van Saridjass, een oord van verschrikking, een verwarde opeenstapeling van rotsblokken, waartusschen een breede stroom zijn troebele wateren voortstuwt. Wij begrijpen niet, waar al dat water een uitweg moet vinden, want aan alle zijden verheft zich een ondoordringbare bergmuur. Zou er misschien ergens een geheimzinnige onderaardsche uitweg zijn? Het is ons niet mogelijk, thans dit raadsel op te lossen. De russische topographen weten er niet meer van dan wij; want op de kaart die wij bij ons hebben, schijnen zij met die rivier geen weg te hebben geweten, en laten haar verdwijnen in het Keou-eou-leou-gebergte.
De weg loopt langs de zijden der steile berghelling, telkens onderbroken door neerstortingen, en daalt dan weer af naar den oever, om weldra weder nieuwe hoogten te bestijgen. In gleuven en spleten schuilt eenig laag struikgewas, en boven langs den rand der klippen steken enkele magere dennen tegen de lucht af. Iets verder zien wij een groot rotsblok midden in de rivier gelegen. Op den top verheft zich een kleine “cairn”, een hoop steenen, waarop een paal staat met een paardenschedel. Dat zonderlinge gedenkteeken dient ter herinnering aan eene dramatische gebeurtenis, die hier heeft plaats gegrepen. De schedel behoorde aan het krijgsros van een Kirghizenhoofdman, een torgoï, die omkwam bij het oversteken der rivier, ten tijde van de russische overwinning.
17 Juli. Uit de verte schijnt het dal van Saridjass een onmetelijke vlakte, begrensd door een rand van sneeuwtoppen. Maar van naderbij staat men verwonderd over het zonderlinge voorkomen van die uitgestrektheid, waarvan men zich een geheel ander denkbeeld had gevormd. Behalve de reusachtige afmetingen, is er niets in het landschap dat aan een vlakte herinnert. Het is een aaneengeschakelde rij golvingen, heuvels en uitsteeksels, vol nauwe gangen, kleine dalen en diepten, alles bedekt met schraal gras, waartusschen hier en daar de gele aarde te voorschijn dringt, of waaruit zich rotsblokken verheffen, die een metaalachtigen weerschijn vertoonen, en om wier voet het modderige water schuimt der rivier. Het is onmogelijk om bij een oppervlakkige beschouwing de oorzaak van dat verschijnsel te gissen. Bij elke bocht van den weg staat de reiziger voor raadselen, die de knapste geoloog niet zou weten op te lossen. Het gletschertijdperk moet wel groote omwentelingen hier hebben teweeg gebracht, daar het zulke diepe sporen van heftige beroering heeft achtergelaten.
Onze karavaan trekt gestadig verder, langzaam en zwijgend als een begrafenisstoet. De hitte is ondragelijk geworden en het landschap blijft kleurloos en eentonig. Wij steken beken over, klimmen tegen oevers op, trekken hellingen langs, dringen tusschen rotswanden door, om weer naar de bedding eener rivier af te dalen, en zoo gaat dat steeds verder. Nu en dan schrikken wij op door den schreeuw van een marmot.
We loopen in de richting, waar het geluid weerklinkt; Zurbriggen stijgt af, legt zijn geweer aan, en wacht geduldig tot het beestje zich zal vertoonen, een schot valt, en het arme slachtoffer wordt bij de overige zegeteekenen gevoegd, die den zadel van onzen gids sieren. Ik kijk, daar ik niets beters te doen heb, naar onze schapen, die door den Kirghizen-jongen worden voortgedreven. Men wordt verbazend plat en nuchter op zulk een reis. Dikwijls is ’t onze eenige troost, te weten, dat er altoos ten minste nog iets te eten valt. Maar op gastronomische genietingen behoeft men zich niet voor te bereiden. De edele kookkunst wordt hier veronachtzaamd. Door dat voortdurende te paard zitten, de snelle stofwisseling en de opwekkende berglucht krijgt men een verslindenden honger, en als ’t etensuur aanbreekt, zijn wij maar al te blij, dat we mogen aanvallen op wat Abbas ons voorzet. Als we maar iets te eten krijgen, en vooral genoeg, dan is het goed. De hoeveelheid is het eenige, waarop het aankomt. De arme kleine lammetjes met de zonderlinge geschoren vetbulten op hun achterlijf, hadden haast geen tijd, om een enkel grassprietje af te rukken; de onverbiddelijke herdersjongen liet hun daartoe geen gelegenheid. Ze moesten onophoudelijk op een drafje blijven loopen, om de paarden te kunnen bijhouden. Als ze een beek moesten overzwemmen, hieven ze een hartverscheurend, jammerlijk geblaat aan, want ze hadden verbazend veel tegen op dat water, al konden ze uitstekend zwemmen. Dikwijls echter was de rivier diep en de stroom sterk en dan leek het wel, of allen met elkaar zouden verdrinken; zoo ver werden ze soms medegesleurd. Als ze dan ook ’s avonds in ons kamp eindelijk met rust werden gelaten, vielen de arme beesten neer van vermoeidheid, te uitgeput, om het weinigje voedsel te zoeken, waaraan zij behoefte hadden.
Ingang van het Kasjkateur-dal. Wij noemden den top van 4250 M., dien wij hadden bestegen, den Kasjkateur-Tao.
De twee ossen zagen er bespottelijk uit, met een houten ring door hun neus, hun hoekige schoften, en hun lading boomstammen, die aan het eene einde op een soort ruw zadel waren bevestigd, en met het andere uiteinde los over den grond sleepten. Als ze tegen een helling opklommen, was het soms een angstig gezicht, en bij het oversteken van een rivier wisten ze zich nu en dan geen raad, en bleven maar midden in het water pal staan, tot wanhoop van hun drijvers, die hen met geen mogelijkheid tot voortgaan konden bewegen. ’s Avonds kampeerden wij, bij gebrek aan gunstiger gelegenheid, in de buurt van een moeras. Het water daaruit, waarvan wij dronken bij het middagmaal, bezorgde ons krampen, waardoor we den geheelen nacht wakker lagen.
Ingang van het Kasjkateur-dal. Wij noemden den top van 4250 M., dien wij hadden bestegen, den Kasjkateur-Tao.
Al spoedig nadat we ons weer op weg begaven, kwamen wij voorbij de vallei van Berkout, waarvan de pas in het Kizil-Tao-dal uitmondt. De bergrug, die dit dal van de Saridjass-vallei scheidt, is een reusachtige moraine, bedekt met weiden, waartusschen enkele rotsgroepen zijn verspreid, die de treurige eentonigheid van het landschap eenigszins verlevendigen. Iets later zien wij een troep ovispoli, aan de overzijde der rivier, die rustig aan het grazen zijn. Deze dieren zijn zoo groot als kalveren, maar steviger gebouwd, met een dikke, ruigblonde vacht, en hebben een paar groote, spiraalvormig gewonden horens aan weerszijden van den kop. De Kirghizen noemen ze: Kaudja. Deze wilde schapen komen veel voor op de hoogvlakten van het Pamir- en Tien-sjangebergte. Zij worden niet aangetroffen op steile hellingen, want zij zouden met hun wijd uitstaande horens zich daar stooten aan de rotswanden. In den herfst leveren de mannetjes verwoede gevechten. Meestal stoot een van de beide tegenstanders den schedel te pletter, en zijn lijk wordt spoedig de prooi van roofvogels en wilde dieren. Hun horens blijven liggen, en worden soms verzameld door de nomaden, die ze neerleggen op rotsen, welke door hun grillige vormen hunne opmerkzaamheid hebben getrokken.
Panorama van de Khan-Tengri-groep.
Op het plateau van Saridjass weiden duizenden kudden paarden, die in de hoogst gelegen dalen zijn verspreid. De streek is daarvoor bijzonder gunstig; de grond is er tamelijk vlak, en al is het gras niet zeer welig, er is toch genoeg om die honderdduizenden dieren te voeden. Het opzicht over al die kudden is aan een betrekkelijk gering aantal bewakers toevertrouwd. Zij hebben dan ook niet veel te doen; niet anders dan de dieren gedurende den dag in het oog te houden en ze ’s avonds rondom hun tenten te verzamelen. Maar overigens hebben die arme herders geen aangenaam leven. Zij slapen onder een overhangende rots, of onder een stuk vilt waarvan ze een soort tent maken; zelden in een yourte, en zij gebruiken geen ander voedsel dan koumiss.
Ik was zeer verheugd over de vaardigheid in het klimmen, door onze paarden aan den dag gelegd.
Al die paarden zijn het eigendom van Kozakken uit Semiretchie en Dzoungarie. Tweemaal in het jaar komen zij de beste uitzoeken, en brengen een aantal paarden naar de jaarmarkten van Kouldja, Aksou, of Kasjgar, waar zij ze verkoopen, voor 15 à 30 gulden het stuk. De grond, waarover wij loopen, vertoont een menigte rechte, evenwijdige voren, alsof er een ploeg over was gegaan. Dat hebben de paarden gedaan, die evenals kameelen, gaarne naast elkaar loopen, en zoodoende zooveel regelmatige wegen vormen, als de beschikbare ruimte maar toelaat.
De rivier is uit het gezicht verdwenen, en nu schijnt het alsof het geheele dal een groote weide is. Maar dit komt, omdat de rivier hier door een kloof stroomt, met steile hellingen. Later komt zij weer te voorschijn en verspreidt zich in verschillende richtingen. Het plateau is echter nu ten einde, en wij bevinden ons weldra in de hoogere bergstreek. De lucht is scherp geworden, wij voelen de nabijheid der gletschers. En waarlijk, aan onze rechterzijde rijst plotseling de wand van het dal hoog op, en boven de uitgetande toppen verrijzen de gletschers, hoog uitstekend boven de moraines aan hun voet. Tegen den avond zijn wij genaderd tot den ingang van het dal van Kasjkateur, dat zich opent aan de rechterzijde van de Saridjass-vallei, en langs twee passen toegang geeft tot de dalen van Kokdjat en Kapkak, in het stroomgebied van den Ili.
19 Juli. De Khan Tengri, de vorst der Hemelen, zooals de Mongolen hem in hunne schilderachtige taal noemen, is de hoogste top van het Hemelsche gebergte.
Die verheven naam is volstrekt niet misplaatst, als men de ligging van den berg in aanmerking neemt, en laat zich bovendien verklaren door zijn buitengewone hoogte, die volgens sommige reizigers meer dan 7200 Meter bedraagt.
Bijna alle barbaarsche volken, die in aanhoudende aanraking zijn met de woeste natuur, zijn geneigd onbezielde voorwerpen te verheerlijken en beteekenisvolle namen te geven aan al wat door buitengewone eigenschappen treft of hun begrip te boven gaat. Wat Midden-Azië betreft, mag men gerust zeggen, dat al de namen van steden, rivieren, meren en bergen de uitdrukking zijn van een of andere gewaarwording, die hun gezicht bij den bewoner dier streken heeft opgewekt, toen hij ze voor het eerst aanschouwde. Het ware te wenschen, dat de onderzoekers dezen regel zooveel mogelijk trachtten te volgen, en niet door het geven van geleerde namen, buiten eenig verband met de plek die zij heeten aan te duiden, de veel oorspronkelijker benamingen verdrongen, uit de ongekunstelde indrukken der bewoners ontstaan.
De juiste plek, waar de Khan Tengri ligt, is nooit nauwkeurig aangegeven. De aardrijkskundigen hebben hem overal heengezet, behalve op de plek, waar hij zich werkelijk bevindt. Zelfs de enkele reizigers, die hem hebben aanschouwd, stemmen in hun opgaven niet overeen; ongetwijfeld omdat zij hem slechts op een afstand zagen, van uit een der dalen, die zich uitstrekken aan zijn voet.
Terwijl hij zichtbaar is van de vlakte van Tekès, twee honderd wersten verder noordwaarts gelegen, en eveneens van af den weg van Kasjgar naar Koutcha, bedekken hem overal elders de berggevaarten, waartusschen hij zich verheft. Op eenige van de kaarten, die wij onder de oogen kregen, scheen de Khan Tengri een op zich zelf staande bergtop, ten Noorden van het stadje Baï, op den weg naar Ak-Sou. Afgaande op de inlichtingen, die ons in Prjevalsk waren verstrekt, en volgens de aanwijzingen der russische kaart, die wij raadpleegden, moesten wij nu vlak bij den top zijn, daar wij ongeveer twintig werst verwijderd waren van het eindpunt van het Saridjass-dal; dus op de plek zelve, waar de berg heette te liggen. Wij brandden van verlangen om hem van naderbij te beschouwen, en verbeidden reeds vol ongeduld het oogenblik, waarop wij onze opwachting konden maken bij dien geheimzinnigen vorst, die al maandenlang onze gedachten had vervuld.
Wij besloten dus om een der toppen te bestijgen in het dal van Kasjkateur, die hoog genoeg zou zijn, om er een uitgestrekt vergezicht te genieten. Om tien uur kwamen wij aan op den Kasjkateur-pas, den gewonen weg der nomaden, die zich bezighouden met de paardenteelt op het Saridjass-plateau. Uit den pas komt men door het dal van Kokdjart in de dorpen Tald-Boulak, Dgilkarkara en Kheghen.
Ten Zuiden van den pas verhief zich een witte pyramide van ijs, met uitstekende rotspunten. Daarheen richtten wij onze schreden en na twee uren bereikten wij zonder moeite den top, die gevormd werd door een kap van sneeuw, en van waar men een wijd uitzicht had over de vallei van Kapkak. Toen wij onze sneeuwbrillen afzetten, om beter te zien, moesten wij eerst de oogen sluiten voor het verblindende licht. Nog nooit hadden wij ons te midden van zulk een glinsterende witheid, zulk een verblindende tinteling van sneeuw en ijs bevonden. Waar onze blik ook doordrong of rusten bleef, overal ontmoette hij een chaotische mengeling van toppen, koepels, scherpe randen, naalden van ijs en golvende, met sneeuw bedekte bergruggen, die elkaar in alle richtingen schenen te kruisen. Dikwijls heeft men het gezicht van zulke uitgestrekte reeksen sneeuwtoppen vergeleken bij een zee, waarvan de golven als door een tooverslag waren versteend. In de Alpen is deze vergelijking juist, want daar zijn de vormen der bergen werkelijk een vrij getrouwe nabootsing van de golven der zee. Maar hier heerschte zulk een geweldige verwarring, zulk een volkomen gebrek aan regelmaat, dat de vergelijking in geenen deele opging. Eer deed deze bevrozen zee denken aan een oceaan, die door vreeselijke aardschokken tot in zijn diepste diepten wordt beroerd, en waarvan de golven door razende winden ten hemel worden gezweept. De rotsen, die op de hoogste toppen hun grillige vormen afteekenden, vertoonden kleurspelingen als van venetiaansch glas, en zonderlinge schaduw-effecten, die hen als het ware deden ineensmelten met de sneeuwlaag, die hen omgaf.
De hooge top van den Khan Tengri verhief zich boven dien kring van reuzen, die als het ware een legermacht schenen te vormen, welke hem tegen de nadering van oningewijden beschermde. Hij was omtrent veertig wersten verwijderd van de plek, waar wij ons thans bevonden.
Wij begrepen nu zeer goed, dat onze kaart ons gefopt had, en dat wij deze in het vervolg niet meer konden vertrouwen. Wij waren op een verkeerden weg geraakt, en zouden, de vallei van Saridjass volgende, den Khan Tengri nooit hebben bereikt. Wij moesten omkeeren, en hem van een andere zijde pogen te naderen. Wij gaven den top, dien wij thans hadden bestegen, den naam van Kasjkateur-Tao. Deze was 4250 M. hoog. Een uur later waren wij weer in den pas, waar de arme Khirgies, die in den ijzigen wind de wacht hield bij onze paarden, ongeduldig op en neer liep. Toen wij weer naar het kamp terugkeerden, vonden wij op een hoogte van 3000 M. een geweldig hertengewei. Het was rossig verbrand en verbleekt, en zeker reeds zeer lang aan de invloeden van hitte en koude blootgesteld geweest.
20 Juli. Op de Saridjass-Tao volgt het dal van Inghiltsjik, dat waarschijnlijk aan den voet van den Khan-Tengri begint. Maar de bergrug, die de beide dalen scheidt, is zeer hoog en bedekt met eeuwige sneeuw. Voor ervaren bergbestijgers was dit geen bezwaar, en met een gids als Zurbriggen lossen zich alle moeilijkheden als vanzelve op.
Maar wij waren niet alleen, en moesten ook al de bagage vervoeren; want aan de andere zijde zonden wij niets vinden, dat ons tot voedsel of beschutting kon dienen. Onze paarden hadden geen last van duizeligheid, en hun vaardigheid in het klimmen deed ons verwachten, dat zij zich ook in moeilijke omstandigheden wel erdoor zouden weten te slaan; maar wij moesten een overgang zoeken, en dit was niet gemakkelijk, ten eerste door onze onbekendheid met het terrein, en ten tweede, wijl wij uit ongeduld weinig geneigd waren tot voorzichtig wikken en wegen van elken stap. De djighite verzekerde echter, dat hij er misschien nog wel iets op zou vinden, als hij nauwkeurig de bewakers der kudden paarden ondervroeg.
Van de plek waar wij thans waren, zouden wij ons doel niet bereiken. Wij moesten eerst een pas zien te vinden, die geen al te groote moeilijkheden voor de paarden opleverde.
Intusschen lag, toen wij wakker werden, de sneeuw twintig centimeter dik op onze tenten; wij gingen dus eerst laat op weg. De overtocht over de Saridjass-Sou was nog al gevaarlijk; maar wij kwamen toch, ondanks eenige onderdompelingen, behouden aan den anderen oever. Daar ontdekten wij, tot onzen schrik, dat de grond niet vlak was, zooals wij hadden verwacht; maar heuvelachtig, vol plassen, en doorsneden door beken, die in spleten en gleuven van den bodem verdwenen. De grond was moraine-achtig, dus zeer poreus, en de streek verbazend eentonig. Men zou er zeer licht hebben kunnen verdwalen en wij verloren elkander dan ook nooit uit het gezicht, maar bleven allen vlak achter elkander rijden.
Des avonds kampeerden wij in het dal Adeurteur, waar een der gletschers naar Mouchktoff is genoemd, een russisch officier, die het eerst het plateau van Saridjass ontdekte. Den volgenden morgen wachtte ons dezelfde verrassing als den dag te voren. Weer lag de sneeuw dik op onze tenten. Al heel vroeg deed een oorverdoovend gehinnik en hoefgetrappel ons opschrikken. ’t Was een stortvloed van paarden, die door een hevigen sneeuwstorm van de hoogere toppen naar beneden werden gedreven.
Tegen den middag zetten wij onzen weg voort; altijd langs dezelfde helling, die nu steiler wordt en meer en meer bergachtig. Wij zien verschillende waterplassen, waar troepen wilde eenden nestelen. Piotra, onze jonge russische kolonist, wil er eenige vangen; hij trekt zijn kleeren uit, gaat onder water, en grijpt de dieren bij de pooten, als zij, zonder zijn tegenwoordigheid te bespeuren, rustig voorbijzwemmen. Intusschen heeft de djighite inlichtingen ingewonnen bij de herders, en hij heeft vernomen, dat er een weg bestaat, waarlangs wij den berg kunnen bereiken. ’t Is de pas van Tuz. Wij verhaasten onze schreden, en komen tegen den avond aan den ingang van het dal van dien naam.