Vischotter (Lutra vulgaris).

Vischotter (Lutra vulgaris).

In de vrije natuur hoort men de stem van den Vischotter veel minder dikwijls, dan van het gevangen dier, dat veel vaker aanleiding vindt tot opwinding. Als hij zich recht op zijn gemak gevoelt, hoort men hem zacht grinniken; het geschreeuw, dat men van hem verneemt, als hij honger heeft, of wanneer men zijn eetlust prikkelt, klinkt als de dikwijls en snel achtereenvolgens herhaalde klank “gierk”; het is zoo schel, dat de ooren er zeer van doen; een krijschend geschreeuw verraadt toorn, een helder en welluidend gefluit verliefdheid.

De zinnen van den Vischotter zijn zeer scherp; hij kijkt, luistert en speurt uitmuntend. Reeds op een afstand van verscheidene honderden schreden bemerkt hij de nadering van een mensch of van een Hond; zulk een verschijning is voor hem steeds een reden om ten spoedigste naar het water de wijk te nemen. De onophoudelijke vervolgingen, waaraan hij is blootgesteld, hebben hem zeer sluw en voorzichtig, maar ook zeer listig gemaakt, en zoo komt het, dat men dagen lang op hem loeren kan zonder hem waar te nemen. In den regel gaat hij eerst na zonsondergang op de vischvangst uit, waarmede hij zich gedurende den nacht bezig houdt, het liefst en het ijverigst bij helder maanlicht. Bij zulke jachten nadert hij de menschelijke woningen niet zelden tot op een afstand van weinige schreden, trekt ook geregeld door buurtschappen die aan groote rivieren of stroomen liggen, meestal zonder dat men van zijn aanwezigheid iets bemerkt.

Oude Vischotters leven gewoonlijk afgezonderd; oude wijfjes zwerven echter langen tijd met hare jongen rond, of voegen zich bij andere wijfjes of tegen den paartijd bij de wijfjes en mannetjes, die dan gezamenlijk op de vischvangst gaan. Steeds zwemmen zij den stroom op, en zoeken dezen niet zelden tot op mijlen afstand van hunne woningen terdege af; tevens bevisschen zij tot op een afstand van een mijl van hunne woningen alle rivieren, beken en vijvers, die in de hoofdrivier uitmonden of met haar in gemeenschap staan.

In het water speelt de Vischotter de rol, die op het land den Los en den Vos gezamenlijk ten deel is gevallen. In ondiep water drijft hij de Visschen in de inhammen bijeen om hen het vluchten te verhinderen en ze des te gemakkelijker te vangen, of noopt hen, door meermalen met den staart op het water te slaan, zich in gaten van den oever of onder steenen te verschuilen, waar zij hem dan zeker ten buit vallen.

De Vischotter voedt zich ook met Kreeften, Waterratten, kleine en zelfs groote Vogels; hoewel Visschen, vooral Forellen, zijn lievelingsspijs zijn.

Een bepaalden bronsttijd heeft de Otter niet; want men vindt in elke maand van het jaar jongen. Negen weken na den paartijd, bij ons gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje op een veilig, d. i. onder oude boomen of dikke boomwortels gelegen, hol aan den waterkant op een zacht en warm leger van gras 2 à 4 blinde jongen. De moeder betoont hun veel liefde en verpleegt ze met de grootste zorgvuldigheid. In het derde levensjaar zijn zij volwassen.

Jonge, uit het nest genomen Vischotters, die men met melk en brood gevoed heeft, kunnen zeer tam worden. De Chineezen gebruiken een soort van dit geslacht om voor hen Visschen te vangen; ook in Europa heeft men meermalen Vischotters voor dit doel afgericht.

Een tamme Otter is een zeer aardig en gezellig dier. Hij leert zijn meester spoedig kennen en volgt hem eindelijk als een trouwe Hond op al zijn wegen. Men kan hem zoozeer aan melkspijzen en plantaardig voedsel gewennen, dat hij deze bijna liever eet dan vleesch; dit kan zelfs zoo ver gaan, dat hij Visschen in ’t geheel niet meer aanraakt.

“Een welbekend jager,” verhaalt Wood, “bezat een Otter, die uitmuntend gedresseerd was. Als zijn naam, Neptunus, geroepen werd, antwoordde hij dadelijk, en kwam op die roepstem af. Reeds in zijn jeugd toonde hij een buitengemeen verstand, en met de jaren namen zijn leerzaamheid en tamheid aanmerkelijk toe. Hij liep vrij rond, en mocht naar welgevallen visschen. Soms voorzag hij geheel alleen de keuken met de opbrengst van zijn jacht; dikwijls besteedde hij hieraan het grootste deel van den nacht. Des morgens stond Neptunus steeds op zijn post; ieder vreemdeling zag dan met verwondering dit vreemdsoorten wezen te midden van de verschillende Staande Honden en Windhonden, waarmede hij in de grootste vriendschap leefde. Zijn bekwaamheid voor de jacht was zoo groot, dat zijn roem van dag tot dag toenam, en dat de buren van den eigenaar dikwijls den wensch uitspraken, dat hij hun het dier voor een of twee dagen zou leenen, opdat het voor hen een aantal goede Visschen zou vangen.”

De Vischotter wordt wegens de groote verwoestingen, die hij aanricht, onophoudelijk zonder genade vervolgd. Wegens zijn sluwheid zijn vele wijze van jagen, die men anders zou kunnen volgen, te langdurig of onmogelijk. Het is moeielijk, een Otter op den “aanstand” (d. i. van een schuilhoek uit) te dooden, want als hij er de lucht van krijgt, dat een mensch in de nabijheid is, komt hij niet te voorschijn. In den winter levert dit jachtbedrijf gunstiger uitkomsten op, vooral als men in de nabijheid van de wakken het dier opwacht. Het meest vangt men den Otter in een klem, dien men vóór de plaats waar hij het water verlaat, zoo in het water legt, dat het werktuig ongeveer 5 cM. onder den waterspiegel ligt. Het wordt geheel met eendenkroos bedekt. Als men zulk een val aanbrengen kan in een beek of sloot, waardoor het dier gedurende het visschen gewoon is van den eenen vijver naar den anderen te gaan, dan is de uitslag nog zekerder. De weg, dien de Otter volgen moet, wordt dan door palen op zulk een wijze vernauwd, dat hij over het ijzer heen loopen moet. Op grootere meren en vijvers vervolgt men hem in lichte schuiten, en schiet op hem, zoodra hij boven komt om adem te scheppen. De opstijgende luchtblazen verraden den weg, dien hij onder water aflegt, en geven den jagers de richting aan, die zij volgen moeten. In diep water kan men deze wijze van jagen niet toepassen, omdat de doode Otter als een steen naar den bodem zinkt, en dus verloren gaat; want, wanneer hij half verrot weer boven komt, is zijn vel natuurlijk niet bruikbaar meer. In rivieren, waar vele Otters wonen, kan men nog een andere wijze van jagen in praktijk brengen. Men spant in alle stilte groote netten dwars door de rivier, en laat den Otter opjagen door de voor dit doel afgerichte Otterhonden. Verscheidene met geweren en spiesen gewapende personen staan bij de netten, of gaan, zoo dit mogelijk is, met de Honden in de rivier mede. Zij trachten het dier te schieten of te spietsen, en dragen het daarna trotsch op de spiesen naar huis. Zoo jaagt men den Otter vooral in Schotland, maar ook in Duitschland, waar vele jagers zich hierdoor een grooten naam verworven hebben. De gevangen Otter sist en blaast vreeselijk, verdedigt zich tot den laatsten ademtocht, en is dan ook zeer gevaarlijk voor onvoorzichtige Honden, daar hij dezen niet zelden de beenderen van de pooten stukbijt. Geoefende Otterhonden weten trouwens dergelijke aanvallen te ontwijken, en hebben er slag van hun wild spoedig te overmeesteren. Op ’t oogenblik van den dood laat de Otter klagende en kermende geluiden hooren.

Het ottervel wordt algemeen gebruikt voor het boorden van pelzen en andere winterkleederen; in Zuid-Duitschland maakt men er de zoogenaamde ottermutsen van, die in Hessen, Beieren en Zwaben door mannen en vrouwen gedragen worden, in Noord-Duitschland vervaardigt men er pelskragen en dergelijke bontwaren van, in China randen van mutsen; in Kamtschatka eindelijk dient voor het inpakken van het kostbare sabelbont het ottervel, omdat men meent dat het alle vochtigheid tot zich trekt, en daardoor den duren inhoud haar volle waarde doet behouden. Van de staartharen worden schilderspenseelen en van de fijne wolharen fraaie en duurzame hoeden gemaakt.


Onze Vischotter en verscheidene van zijne verwanten komen op sommige plaatsen tijdelijk ook wel in de zee voor; één soort van de onderfamilie is echter geheel en al een zeebewoner. De Zeeotter of Kalan (Enhydris lutris), vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht, vormt misschien een overgang van de Otters tot de Robben. De kop is wel is waar nog eenigszins afgeplat, maar toch rondachtiger dan bij de Zoetwater-Otters, de hals zeer kort en dik, de romp rolrond; de korte, dikke, samengedrukte staart loopt wigvormig uit en is dicht behaard. De voorpooten verschillen van die van den Rivierotter alleen door hunne korte teenen, die door een eeltachtige, van onderen naakte huid verbonden zijn en kleine, zwakke klauwen hebben. De achterste ledematen echter gelijken veel op vinnen, minstens evenveel als die van de Zeehonden, van welker achterste vinvoeten zij zich onderscheiden, doordat de teenen trapsgewijs van binnen naar buiten langer worden. In vele opzichten gelijken de achterpooten van den Zeeotter op die van den Bever, hoewel zij van boven en van onderen met korte, dichte, zijdeachtige haren bezet zijn. Het bovenhaar bestaat uit lange, stijve, zwartbruine haren met witte spitsen, waardoor de zwartbruine vacht van het dier wit gesprenkeld is. Bovendien zijn er uiterst fijne wolharen. De jonge dieren hebben een lange, grove, witte of bruinachtig grijze beharing, die de fijne bruine wol volkomen bedekt. Volwassen Zeeotters bereiken een totale lengte van minstens 1.5 M., waarvan ongeveer 30 cM. op den staart komen, en een gewicht van 30 à 40 KG.

Het verbreidingsgebied van den Zeeotter is beperkt tot het noordelijke gedeelte van den Stillen Oceaan, waar het in ’t noorden ongeveer door de eilandenketen van de Aleoeten en het Bering-eiland begrensd wordt. Langs de Amerikaansche kust gaat hij verder zuidwaarts dan langs de Aziatische, nl. tot 28° N.B.; ook hier wordt hij echter van jaar tot jaar zeldzamer.

Zeeotter (Enhydris Lutris). 1/10 v. d. ware grootte.

Zeeotter (Enhydris Lutris). 1/10 v. d. ware grootte.

De beste beschrijving van den Zeeotter is gegeven door Steller, die in 1741 met Bering op het Bering-eiland schipbreuk leed, en uitmuntend in de gelegenheid was om het dier waar te nemen. “De huid van den Zeeotter,” zegt Steller, “is los verbonden met het vleesch en beweegt zich gedurende het loopen voortdurend; zijn beharing overtreft door lengte, schoonheid en zwartheid van kleur het haar van alle Rivierbevers zoozeer, dat deze met hem niet vergeleken kunnen worden. De beste vellen worden in Kamtschatka met 30, te Jakoetsk met 40, aan de Chineesche grens echter, waar zij tegen waren worden ingeruild, met 80 à 100 roebels betaald. Het vleesch is vrij goed eetbaar en smakelijk.

“Ook gedurende zijn leven is de Zeeotter een fraai en aardig dier; hij is vroolijk en grappig van aard en bovendien zeer aanhalig en verliefd. Als men hem ziet loopen, overtreft de glans van zijn beharing die van het zwartste fluweel. Het liefst liggen deze dieren familiesgewijs bijeen: het mannetje met het wijfje, de half volwassen jongen en de zeer kleine zuigelingen. De liefde van de ouders voor hunne jongen is zoo groot, dat zij zich voor hen aan het meest klaarblijkelijke doodsgevaar blootstellen, en als zij hun ontnomen worden, bijna als een klein kind luid beginnen te weenen. Ook trekken zij zich dit verlies zoo sterk aan, dat zij, naar wij uit tamelijk betrouwbare voorbeelden opmaakten, in 10 à 14 dagen zoo mager worden als een geraamte, ziek en zwak worden, en ook van het land niet wijken willen. Men ziet ze het geheele jaar door met jongen. Zij werpen er slechts één en doen dit op het land. Het wordt met open oogen en met een volledig gebit geboren. De wijfjes dragen het jong in den bek; in de zee echter gaan zij op den rug liggen en houden het jong tusschen de voorpooten, zooals een moeder haar kind in de armen houdt. Zij spelen er mede, zooals een liefderijke moeder zou doen, werpen het omhoog en vangen het als een bal op, stooten het in ’t water, opdat het zwemmen zal leeren, en nemen het, als het vermoeid geworden is, weer bij zich en kussen het als een mensch.

“Het voedsel van den Zeeotter bestaat uit Zeekreeften, Schelpdieren, kleine Visschen, minder dikwijls uit waterplanten of vleesch. Ongetwijfeld zou men ze kunnen temmen, indien men zich de kosten wilde getroosten, die aan hun overbrenging naar Rusland verbonden zijn; waarschijnlijk zouden zij zich hier in een vijver of rivier voortplanten. Want het zeewater is voor hun welzijn niet volstrekt noodig; ik heb gezien, dat zij zich verscheidene dagen achtereen op eilanden en in kleine rivieren ophielden. Nog moet ik doen opmerken, dat wij aan dit dier veel te danken hebben, daar het bijna 6 maanden lang ons uitsluitend voedsel is geweest, hetwelk een heilzamen invloed heeft gehad op onze scorbutlijders.

“De bewegingen van den Zeeotter zijn buitengewoon bevallig en vlug. Zij zwemmen uitmuntend en loopen zeer snel; men kan zich geen schooner schouwspel voorstellen dan het zien loopen van dit dier, dat als ’t ware met zwarte, glanzige zijde bekleed is. Ook is het merkwaardig, dat deze dieren des te vlugger, sluwer en vaardiger zijn, naarmate zij een fraaiere vacht hebben. De geheel witte dieren, die waarschijnlijk een zeer hoogen ouderdom bereikt hebben, zijn buitengewoon sluw en laten zich bijna niet vangen. Bij het slapen op het land liggen zij gekromd als Honden. Als zij uit de zee komen, schudden zij zich af en maken zich met de voorpooten schoon als de Katten. Zij loopen zeer vlug, maar maken vele omwegen. Als hun de weg naar zee afgesneden wordt, zetten zij een hoogen rug als de Katten, sissen en bedreigen den vijand met een aanval. Zoodra men hen echter een slag op den kop geeft, vallen zij voor dood neder en bedekken de oogen met de pooten.

“In Juli of Augustus verharen de Zeeotters, hoewel in geringe mate, en worden dan een weinig bruiner. De beste vellen zijn die, welke in de maanden Maart, April en Mei buit gemaakt zijn; zij gaan meestal naar China. In Kamtschatka kent men geen grooter staatsie dan een kleed, vervaardigd van aaneengenaaide, witte Rendier-vellen en met Otterbont afgezet. Eenige jaren geleden droeg iedereen daar nog kleederen van Zeeottervellen; dit is echter opgehouden sedert zij zoo duur geworden zijn; bovendien acht men thans in Kamtschatka de Hondevellen mooier, warmer en duurzamer.”

De Zeeotter is door de felle vervolging, waaraan het wegens zijn kostbare vacht is blootgesteld, niet alleen zeer zeldzaam, maar ook uiterst schuw geworden zoodat men hem moeielijk kan naderen. Pechuel-Loesche, die 25 jaar geleden den Zeeotter waarnam bij de (tot de Aleoeten behoorende) eilanden Amoekta en Segoeam, en er nu en dan jacht op maakte, verhaalt, dat dit waakzame dier zich door schepen of booten, zelfs wanneer zij bedaard voortzeilen, hoogst zelden tot op een afstand van een geweerschot laat naderen. De niet onmiddelijk gedoode dieren gaan in den regel verloren, wanneer men ze niet aanhoudend vervolgen, en, zoodra zij bovenkomen, opnieuw schieten kan. Met één enkele boot levert zulk een jacht weinig kans op succes, want het dier kan ruim een kwartier onder water blijven, en komt dan dikwijls op een andere plaats, dan waar het verwacht werd, weer boven.

De jacht heeft op verschillende wijzen plaats. Bij min of meer stil weder varen de jager in hunne “bidarkas,” die een lange lijn beslaan, over de zee, tot zij een Otter bespeuren. Zoodra deze onderduikt, vormen de schuiten een kring rondom de plaats waar het dier verdwenen is, en kijken de jagers scherp uit. De Otter wordt, als hij zich opnieuw vertoont, door het werpen met speren en een gillend geschreeuw dadelijk naar de diepte teruggedreven; om deze plaats wordt nogmaals een kring gevormd, en deze handelwijze wordt voortgezet, totdat, de Otter, wien niet genoeg tijd gelaten is om behoorlijk te ademen, vermoeid wordt en door den naastbijzijnden jager wordt buit gemaakt. Zulk een jacht kan 2 à 3 uren duren, voorzoover zij niet door een goed gemikte speer spoediger ten einde wordt gebracht. Op deze wijze verkrijgen de jagers in 3 maanden, als het geluk hun zeer dienstig is, misschien 40 à 50 Otters; ieder van deze dieren heeft voor hen een waarde van minstens 120 gulden.

Enkele jagers trachten de dieren ook van het land uit te schieten; zij ontvangen hiertoe van de handelaars uitmuntende geweren. Bij stormachtig weder loopt de jager op de rotsen, die onder den wind gelegen zijn, en tracht den eersten den besten Otter, die aan gindsche zijde van de branding in stiller water te voorschijn komt, een kogel door den kop te jagen. Het geraas van de branding, het omhoogspattende schuim verhinderen het zoo voorzichtige dier het dreigende gevaar te herkennen, zoodat de volhardende schutter het den eenen kogel na den anderen kan toezenden. Wanneer hij eindelijk het dier getroffen heeft, gaat hij geduldig zitten, om af te wachten, dat de wind en de golven hem den kostbaren buit toevoeren. De gevaarlijkste en meest opwindende wijze van jagen is echter het “otterslaan”, daar dit bedrijf tegenwoordig alleen kan uitgeoefend worden op plaatsen en onder omstandigheden, die voor den jager bijna onoverkomelijke bezwaren opleveren. Bij storm worden n.l. de Zeeotters op de afgelegene, eenzame klippen, waar zij zich nog veilig wanen voor den mensch, door de al hooger stijgende branding in hun rust gestoord, en zien zij zich genoodzaakt, te midden van de rotsen hooger op te klimmen, dan zij gewoon zijn te doen. Hoogst vermetele jagers wagen hun leven om de dieren, die voor de branding teruggeweken zijn, op hunne hoogere rustplaatsen te overrompelen. Als de reis naar deze klippen gunstig afloopt, stappen zij aan de lijzijde aan land, klimmen onder den wind naar boven en dooden met knotsslagen de dieren, die zij daar vinden. Het gehuil van den storm, het geloei van de branding verdooft het gedruisch, dat de jagers mogelijkerwijze maken; de regen of de nevel verhindert de dieren het gevaar, dat hun bedreigt, bijtijds op te merken. Op deze wijze hebben twee jagers eens in minder dan één uur 78 Zeeotters buit gemaakt.

Als de jacht voortgezet wordt op de wijze, waarop zij tot dusver plaats had, en er geen bepalingen worden gemaakt om haar te beperken, is het te vreezen, dat de Zeeotter binnen een niet zeer lang tijdsverloop uitgeroeid zal zijn, en, evenals de Zeekoe van Steller, weldra tot de dieren zal behooren, die wij als ’t ware voor onze oogen van de aarde hebben zien verdwijnen.


Onder de dieren van een beestenspel zijn er steeds eenige, waarop de aandacht van het kijkgrage publiek meer in ’t bijzonder gevestigd wordt door de uitlegging van den op een fooi belusten oppasser. Deze zal zich steeds beijveren om de bedoelde dieren, de Hyenas (Hyaenidae), voor te stellen als ware monsters, en haar de vreeselijkste eigenschappen toe te dichten. Moordzucht, roofgierigheid, wreedheid, bloeddorst, arglistigheid en valschheid zijn gewoonlijk niet eens de ergste beschuldigingen, die de man tegen de Hyenas inbrengt; hij zal er bijvoegen, dat zij de graven openen, en de lijken verslinden, en hierdoor een zeer gerechtvaardigd afgrijzen opwekken in de gemoederen van alle toeschouwers, die met de levenswijze dezer dieren onbekend zijn. Tot dusver is de wetenschap er niet in geslaagd, deze onware voorstellingen te doen verdwijnen; ten spijt van de moeite, die velen aangewend hebben om juistere begrippen te verbreiden, vinden de genoemde, sinds overouden tijd opgedischte fabels ook thans nog geloof.

Er zijn weinig dieren, welker levensgeschiedenis met zooveel wondersprookjes en verbazingwekkende overleveringen opgesierd is geworden, als die der Hyenas. Reeds de ouden hebben de ongeloofelijkste dingen van haar verteld. Men beweerde, dat de Honden hun stem en hunne zinnen verloren, zoodra de schaduw van een Hyena op hen viel; men verzekerde, dat deze afgrijselijke dieren de stem van den mensch nabootsen, om hem tot zich te lokken, plotseling te overvallen en te vermoorden. Het merkwaardigste van het geval is, dat deze verhalen weerklank vonden bij alle volken, die het verbreidingsgebied van de Hyenas bewonen. Zoo vindt men b.v. bij de Arabieren tal van sagen, die op deze dieren betrekking hebben. Zij houden het voor zeker en gewis, dat menschen door het eten van Hyena-hersens razend worden; zij begraven den kop van het gedoode Roofdier, om aan boosaardige toovenaars de gelegenheid tot het verrichten van bovennatuurlijke bezweringen te benemen. Zij zijn er zelfs vast van overtuigd, dat de Hyenas niets anders zijn dan vermomde toovenaars, die over dag in menschelijke gedaante rondwandelen, maar des nachts in Hyenas veranderen om alle rechtvaardigen te benadeelen. Mij zelf hebben zij verscheidene malen en met aandrang den raad gegeven, niet op Hyena’s te schieten, waarbij mij griezelige verhalen werden gedaan over de macht der op deze wijze gemaskerde helsche geesten.

Het sprookje en de overlevering zoeken steeds de voor haar passende gestalten uit. Een dier, waarvan vele wonderbaarlijke verhalen gedaan en geloofd worden, moet wel iets vreemdsoortigs in zijn gedaante hebben. Dit vinden wij dan ook bij de Hyenas bevestigd. Zij gelijken op Honden en verschillen toch in ieder detail van hen; hun uitzicht is volstrekt niet aanlokkelijk, maar beslist terugstootend. Alle Hyenas zijn leelijk. Enkele onderzoekers hebben ze beschouwd als middelvormen tusschen Honden en Katten; wij kunnen ons met deze zienswijze niet vereenigen, omdat de Hyenas een geheel bijzondere, eigenaardige gedaante hebben. De romp is gedrongen, de hals dik, de kop groot, de snuit krachtig en leelijk. De kromme voorpooten zijn langer dan de achterpooten, waardoor de ruglijn een hellenden stand verkrijgt; alle voeten zijn met vier teenen voorzien. De ooren zijn slechts dun behaard en onedel van vorm; de oogen zijn scheef geplaatst, fonkelen verdacht en hebben een onaangename, onvaste, wantrouwen wekkende uitdrukking. De dikke, schijnbaar stijve hals, de ruig behaarde staart, die niet voorbij het hielgewricht reikt, en de langharige, losse, ruige vacht, die zich langs den rug verlengt tot manen, die op varkensborstels gelijken, de doffe, nachtelijke kleur der haren: dit alles draagt bij tot den onaangenamen indruk, dien het geheele dier maakt. Bovendien zijn alle Hyenas nachtdieren, hebben een onaangename, wanluidende krijschende stem, die werkelijk soms op een afgrijselijk gelach gelijkt; zij zijn gulzig, vraatzuchtig, verbreiden een onaangenamen reuk, maken geen andere dan onedele, bijna hinkende bewegingen, en hebben ook in andere opzichten gewoonlijk iets vreemdsoortigs in hun wezen: kortom, men kan ze onmogelijk schoon noemen. Bij vergelijking van deze dieren met hunne verwanten merkt men nog andere eigenaardigheden op. Uit hun gebit blijkt, dat zij geen ander dan dierlijk voedsel gebruiken. De buitengewone stevigheid van de lompe tanden stelt hen in staat om partij te trekken van hetgeen andere vleescheters overgelaten hebben en de stevigste beenderen te verbrijzelen. De snijtanden zijn zeer ontwikkeld, de hoektanden stomp kegelvormig, de kleine kiezen onderscheiden zich door hun sterk ingedrukte kroon, de scheurkiezen door hun massieve ontwikkeling. Krachtige kauwspieren, groote speekselklieren, een met hoornachtige papillen bezette tong, een wijde slokdarm en eigenaardige klieren in de nabijheid van de aarsopening zijn verdere kenmerken van deze dieren.

Het verbreidingsgebied van de Hyenas is zeer uitgestrekt; het omvat—waarschijnlijk met uitzondering van de tusschen de keerkringen gelegen landen van het westen—geheel Afrika en Zuid-Azië tot aan den golf van Bengalen, maar niet de verder oostwaarts gelegen landen en evenmin Ceylon. Onze dieren houden niet van geslotene en met uitgestrekte bosschen bedekte, maar van opene, steenachtige landschappen met gras, struiken en kleine bosschen, doch ook van echte steppen en zelfs van woestijnen. Over dag ontmoet men ze alleen dan, wanneer zij toevallig opgejaagd worden; de zon moet ondergegaan zijn, voordat zij er aan denken om uit te gaan. Dan eerst verneemt men het gehuil van de Hyenas, die ieder afzonderlijk of tot kleine gezelschappen vereenigd rondzwerven, en op buit of op den afval van den maaltijd van andere Roofdieren belust zijn. Zoodra de eene haar afschuwelijk nachtgezang laat hooren, zijn de andere gewoon in te vallen. De stem van de Gestreepte Hyena is zeer wanluidend, maar niet zoo afkeerwekkend, als men haar wel eens heeft voorgesteld: heesche geluiden wisselen af met hoogklinkende, krijschende met murmelende of knorrende. Daarentegen onderscheidt zich het gehuil van de Gevlekte soort door zijn overeenkomst met een inderdaad ijzingwekkend gelach. Wie deze geluiden voor de eerste maal hoort, kan een lichte huivering moeielijk onderdrukken, en de onbevooroordeelde onderzoeker herkent hierin dadelijk een van de voornaamste redenen van het ontstaan der verschillende sagen over onze dieren. Het is zeer waarschijnlijk, dat de Hyenas elkander met hare nachtgezangen tot een bijeenkomst uitnoodigen; ook schijnt het zeker te zijn, dat het gehuil in een streek oogenblikkelijk verstomt, zoodra een der medewerkers aan dit nachtelijk concert het een of ander te eten heeft gevonden. Zoolang de nacht duurt, zwerven deze dieren rond en zijn voortdurend in beweging; zij komen zelfs onbeschroomd in dorpen en steden, zonder zich aan de Honden te storen, en keeren des morgens naar hunne schuilhoeken terug.

Bij hunne rooftochten worden de Hyenas zoowel door den reuk als door het gehoor en het gezicht geleid. Even goed als door een gewond dier, een kreng, het lijk van een mensch, worden deze leelijke gasten ook aangelokt door een kudde Schapen, Geiten of Runderen, die binnen een omheining zijn opgesloten; zij zwerven dan rondom het dichte staketsel, waardoor zij niet kunnen heendringen. Zoodra zij de lucht gekregen hebben van een buit, verstommen zij, en draven nu zoo onhoorbaar mogelijk (want tot sluipen zijn zij niet in staat) met korte tusschenpoozingen steeds naderbij; zij loeren, luisteren en speuren telkens als zij stilstaan, en zijn ieder oogenblik bereid om weder de vlucht te nemen. De Gevlekte soort is iets moediger dan de Gestreepte; in verhouding tot haar grootte is zij echter nog altijd erbarmelijk lafhartig en vreesachtig. Wanneer de Hyenas geen dood dier kunnen vinden, stellen zij zich gewoonlijk hiervoor schadeloos door dieren aan te vallen, die zich niet voldoende verdedigen kunnen; zij richten daarom vooral onder de zwakste huisdieren schade aan. Maar ook met deze beperking van haar werkzaamheid zijn de door haar veroorzaakte nadeelen soms zeer belangrijk. Selous verloor door haar in Zuid-Afrika twee sterke Ezels, van welke hij alleen de schedels terugzag; een andere keer vraten zij een ’s avonds door hem geschoten Leeuwin ’s nachts gedeeltelijk op. In allen gevalle wagen zij den strijd met gezonde, levende dieren alleen dan, als zij geen zieke of afgematte dieren en geen krengen kunnen vinden.

In sommige omstandigheden worden zij echte jachtdieren, vervolgen en jagen des nachts Antilopen, werpen ze ter aarde, evenals de Wolven met hun prooi doen, bijten ze in den hals, tot zij dood zijn, en vreten ze op. Zulke jachtbedrijven moeten echter als uitzonderingen beschouwd worden; in alle omstandigheden geven zij aan krengen de voorkeur. Om ieder dergelijk voorwerp is weldra een groot gezelschap Hyenas aan den disch vereenigd; haar gedrag bij zulk een gastmaal is bijna niet te beschrijven. Haar vraatzucht grenst aan het wonderbaarlijke; zij zijn de Gieren onder de Zoogdieren. Onder het eten vergeten zij alles, zelfs haar gewone onverschilligheid jegens elkander; zeer dikwijls gebeurt het, dat de dischgenooten onderling in hevigen strijd geraken; door het heesche geschreeuw, schel gekrijsch en afschuwelijk gelach, dat daarbij vernomen wordt, zou een bijgeloovig mensch waarlijk op het denkbeeld komen, dat alle duivels uit de hel losgebroken en hier bijeengekomen waren.

Hoewel de Hyenas door het verslinden van afval nuttig zijn, wordt de schade, die zij onder het vee aanrichten, door dit geringe nut op lange na niet vergoed; veel beter dan door haar worden de doode dieren door de werkzaamheid van sommige Vogels en Insecten uit den weg geruimd.—De karavanen, die door de steppen en woestijnen trekken, worden steeds gevolgd door een of minder groot aantal Hyenas, die als ’t ware vooruitzien, dat eenige twee- of viervoetige leden van deze expedities haar ten deel zullen vallen.

Dat de Hyenas ook menschen aanvallen, wordt dikwijls beweerd en ook betwist. Van de Gestreepte Hyena zijn geen feiten van dezen aard bekend geworden; van de Gevlekte heeft men ze echter zoo vaak bericht, dat ook in dit opzicht haar gevaarlijkheid boven allen twijfel verheven is. Wel rooft zij meestal kinderen, en waagt gewoonlijk alleen dan een strijd met volwassenen, wanneer deze ziek of afgemat zijn, en wanneer zij slapen; in sommige gevallen overviel zij echter weerbare mannen. In eenige streken van Afrika wordt zij daarom als een ware landplaag beschouwd, vooral daar waar zij in groote menigte voorkomt. Wegens de schade, die deze Roofdieren aanrichten, worden zij door de Europeesche kolonisten en ook door inboorlingen van vele stammen vrij geregeld vervolgd. Men schiet ze, vangt ze in strikken, vallen en kuilen en vergiftigt ze met trychnine. Hyenas, die op zeer jeugdigen leeftijd gevangen zijn, kunnen gemakkelijk getemd worden en worden niet zelden zeer aanhankelijk; zij verdragen de gevangenschap zeer goed, maar worden, op hoogeren leeftijd gekomen, dikwijls blind.

In de voorwereld waren de Hyenas over een veel grooter deel van de aarde verbreid dan tegenwoordig; toen kwamen zij ook in Middel-Europa veelvuldig voor, zooals uit op vele plaatsen gevonden beenderen en uit de goed geconserveerde uitwerpselen dezer dieren ten duidelijkste blijkt. Tegenwoordig bestaan, voor zoover men weet, nog vier soorten van deze familie, de drie echte Hyenas en de Aardwolf, die als een middelvorm tusschen haar en de familie der Civetkatten beschouwd mag worden.

De Gestippelde of Gevlekte Hyena (Hyaena crocuta) onderscheidt zich door haar krachtigen lichaamsbouw en haar gevlekte vacht van de Gestreepte Hyena, die veel vaker naar Europa wordt overgebracht, en van den effenkleurigen Strandwolf. Op een witachtig grijzen grond, die nu eens wat meer, dan weer wat minder naar ’t vaalgele zweemt, staan op de zijden van den romp en op de bovenste gedeelten der ledematen bruine vlekken. De kop is bruin, op de wangen en de kruin roodachtig, de staart is met bruine ringen voorzien en aan de spits zwart; de voeten zijn witachtig. Deze kleur wisselt niet onbelangrijk af: sommige exemplaren zijn donkerder, andere lichter. De lichaamslengte van het dier bedraagt ongeveer 1.3 M. bij een schouderhoogte van 80 cM.; volgens sommige berichten komen hier en daar ook veel grootere exemplaren voor.

De Gevlekte Hyena bewoont het zuiden en oosten van Afrika, van de Kaap de Goede Hoop tot op 17° N.B., en vervangt daar, waar zij veelvuldig voorkomt, de Gestreepte Hyena bijna geheel. In Abessinië en Oost-Soedan leven beide soorten op dezelfde plaatsen; verder zuidwaarts echter wordt de Gevlekte soort steeds veelvuldiger en ten slotte de eenige. In Abessinië is zij algemeen, in de gebergten komt zij tot op 4000 M. boven den zeespiegel voor. Haar levenswijze gelijkt geheel en al op die van hare verwanten; zij wordt echter wegens hare grootte en lichaamskracht veel meer gevreesd dan deze, en waarschijnlijk daarom als een onheilvoorspellend, betooverd wezen beschouwd. Vele onderzoekers verzekeren eenstemmig, dat zij werkelijk menschen aanvalt en vooral slapende en vermoeide lieden overrompelt. Hetzelfde wordt, volgens Rüppell, ook door de Abessiniërs beweerd.

De Gevlekte Hyena is de soort, die in de sagen in den regel bedoeld wordt. Van alle Roofdieren heeft zij ongetwijfeld de leelijkste en meest terugstootende gestalte; niet slechts deze, maar ook de inborst van het dier geven een verklaring van den haat, dien men het toedraagt. Zij is dommer, boosaardiger en ruwer dan haar Gestreepte familiegenoot, ofschoon men haar met de zweep weldra tot op zekere hoogte temmen kan. Naar het schijnt, wordt zij echter nimmer zoo tam als de Gestreepte soort, want de kunstjes, die zij in beestenspellen verricht, kunnen hiervoor niet als maatstaf dienen, en andere lieden dan zulke rondreizende dierkundigen zullen er waarschijnlijk geen behagen in scheppen, zich met haar bezig te houden. Zij is in het hok al te leelijk, te lomp en te onaardig! Uren lang ligt zij op een en dezelfde plaats als een blok hout, springt dan op, kijkt ongeloofelijk dom om zich heen, schuurt zich aan de traliën en laat van tijd tot tijd haar afschuwelijk gelach hooren, dat, zooals wel eens gezegd wordt, iemand door merg en been dringt.

De Schabrak-Hyena of Strandwolf (Hyaena brunnea) onderscheidt zich van hare verwanten vooral door de lange, ruige, naar beide zijden afhangende manen op den rug. De kleur van het overal lange haar is effen donkerbruin, met uitzondering van eenige weinige bruin en wit gegolfde plaatsen aan de pooten; de kop is donker bruin en grijs, het voorhoofd zwart met witte en roodachtig bruine sprenkeling. De haren van de rugmanen zijn bij den wortel witachtig grijs, overigens zwartachtig bruin van kleur. De Strandwolf is aanmerkelijk kleiner dan de Gevlekte Hyena en wordt hoogstens zoo groot als de Gestreepte.

Dit dier bewoont Zuid-Afrika, waarschijnlijk alleen de woestijnachtige, westelijke landstreken, en houdt zich, naar men zegt, gewoonlijk in de nabijheid van de zee op. Naar het schijnt, wordt het overal in veel minder groot aantal gevonden dan de Gevlekte Hyena, maar komt in levenswijze vrij wel met deze overeen; het voedt zich dus hoofdzakelijk met doode dieren, misschien wel met die, welke door de zee op het strand geworpen worden.

Gevlekte Hyena (Hyaena crocuto). 1/11 v. d. ware grootte.

Gevlekte Hyena (Hyaena crocuto). 1/11 v. d. ware grootte.

De Gestreepte Hyena (Hyaena striata) is het ons welbekende dier der reizende menagerieën. Zij wordt, daar haar vaderland het dichtst bij het onze gelegen is, en zij er overal gemeen is, het veelvuldigst tot ons gebracht; gewoonlijk richt men haar af tot het verrichten van de voor ’t publiek zoo belangwekkende kunststukjes, die men in de beestenspellen te zien krijgt. Daar zij zoo algemeen bekend is, kan de beschrijving van haar uitzicht kort zijn. De vacht is ruig en uit stijve, tamelijk lange haren samengesteld. Bij de geelachtig witgrijze kleur steken zwarte dwarsstrepen af. De haren van de manen hebben ook bij deze soort zwarte spitsen; het voorste deel van den hals is niet zelden geheel zwart; de staart is soms eenkleurig, soms gestreept. De kop is dik, de snuit betrekkelijk dun, ofschoon altijd nog lomp van vorm; de rechtopstaande ooren zijn groot en volkomen onbehaard. De jongen gelijken op de ouden. De gewone lichaamslengte is 1 M., soms iets meer, soms iets minder.

Van alle Hyenas heeft de Gestreepte het grootste verbreidingsgebied; het omvat Noord-Afrika, te beginnen bij het uiterste westen, een groot deel van Zuid-Afrika en geheel Zuid-Azië van de Middellandsche Zee tot aan de golf van Bengalen. Evenals alle Hyenas, houdt zij niet van boschrijke, maar van open landschappen; zij is nergens zeldzaam, in schaars bevolkte streken zelfs veelvuldig; zij is echter de minst schadelijke soort en wordt daarom nergens bijzonder gevreesd. In haar vaderland zijn gewoonlijk zooveel doode dieren, of althans beenderen, te vinden, dat zij zelden door den honger gedwongen wordt om levende dieren aan te vallen. Haar lafhartigheid gaat alle grenzen te buiten; zij komt echter ook wel in de dorpen, in Egypte althans zeer dicht erbij. Op het aas, dat wij neerlegden, om in de gelegenheid te zijn later Gieren te schieten, kwamen des nachts in den regel Hyenas af, die ons hierdoor lastig werden. Als wij in de open lucht uitrustten, slopen zij dikwijls tot bij ons leger; meermalen hebben wij uit onze rustplaats, zonder op te staan, op haar kunnen vuren. Bij een uitstapje naar den Sinaï schoot mijn vriend Heuglin met hagel een Gestreepte Hyena op deze wijze. Ondanks haar brutaalheid is geen mensch bang voor haar; zij waagt het werkelijk nooit menschen, zelfs gedurende den slaap, aan te vallen. Evenmin graaft zij lijken op, tenzij deze slechts met een dun laagje zand of aarde bedekt zijn; aan de griezelige daden, die in de dierententen van haar verhaald worden, is zij dus onschuldig. Haar levenswijze gelijkt op die van de Gevlekte Hyena; zij komt echter zelden in groote benden voor.

Weinige dagen na onze aankomt in Khartoem kochten wij twee jonge Hyenas voor ongeveer 60 cents. De diertjes waren ten naasten bij zoo groot als een halfwassen Dashond, met zeer zacht, fijn, donkergrijs wolhaar bedekt, en nog zeer ongemanierd, hoewel zij een tijdlang in het gezelschap van menschen hadden verkeerd. Wij sloten ze op in een stal, en hier bezocht ik ze dagelijks. In ’t eerst beten zij hevig; door ze telkens daarna duchtig te kastijden, gingen wij haar weerspannigheid te keer; drie maanden na den dag waarop wij ze gekocht hadden, konden wij met haar spelen als met Honden, zonder eenige mishandeling te moeten duchten. Van dag tot dag geraakten zij meer aan mij gehecht; het deed haar buitengewoon veel genoegen, als ik bij haar kwam. Zij gedroegen zich, toen zij meer dan half volwassen waren, op een hoogst zonderlinge wijze. Zoodra ik in haar stal kwam, stonden zij met een vroolijk gehuil op, sprongen bij mij op, legden hare voorpooten op mijne beide schouders en besnuffelden mijn gelaat. Later ben ik wel in Kaïro met deze dieren, die ieder aan een dun touw vastzaten, door de straten gaan wandelen tot ontzetting van alle geloovigen. Soms toonden zij mij haar gehechtheid door mij ongenood te bezoeken. Voor vreemdelingen was het een even verrassend als verontrustend schouwspel ons te zamen aan de theetafel te zien zitten. Ieder van ons had een Hyena aan zijn zijde, en deze zat schrander en bedaard op zijn achterdeel, zooals een goed opgevoede Hond aan tafel gewoon is te doen, als hij om een brokje bedelt. Dit deden de Hyenas ook; hare bescheidene verzoeken bestonden uit een zeer zacht, maar bijzonder heesch klinkend gekrijsch; zij bedankten ons, door zich op de achterpooten te verheffen en ons op de reeds aangeduide wijze te begroeten, of althans onze handen te besnuffelen.

Zij waren hartstochtelijke liefhebsters van suiker, aten echter ook met smaak brood, vooral als wij dit te voren in thee geweekt hadden. Wij voedden ze gewoonlijk met het vleesch van de Paria-Honden, die wij voor haar schoten.

Met elkander leefden mijne gevangenen in goede verstandhouding. Als de eene langen tijd van de andere verwijderd was geweest, hadden zij steeds groote pret, als zij weder bijeenkwamen; om kort te gaan, zij bewezen duidelijk genoeg, dat ook Hyenas voor warme genegenheid vatbaar zijn.

*

De Aardwolf of Civet-Hyena (Proteles Lalandii) vormt het tweede geslacht van deze familie. Wat zijne uitwendige eigenschappen betreft, gelijkt dit dier, dat nog slechts weinig bestudeerd is, in ’t oog loopend op de Gestreepte Hyena; het heeft met deze den afgeknotten snuit, de hooge voorpooten, den naar achteren afhellenden rug, de rugmanen en den ruigen staart gemeen; zijne ooren zijn echter grooter en de voorpooten hebben een korten duim, evenals die der Honden.

Tot nu toe is de Civet-Hyena de eenige bekende soort van dit geslacht. Haar totale lengte bedraagt 1.1 M., die van den staart 30 cM., De vacht heeft op bleekgelen grond zwarte zijdestrepen. De kleur van den kop is zwart met geel doormengd; de onderdeelen hebben een witachtig gele, de eindhelft van den staart heeft een zwarte kleur.

De Aardwolf is een bewoner van Zuid-Afrika, vooral van het westelijk gedeelte.

Uit alle berichten, die op dit dier betrekking hebben, blijkt, dat het een nachtelijke levenswijze heeft en zich over dag in holen verbergt, welke op die van onzen Vos gelijken, maar uitgebreider zijn, en door verscheidene Aardwolven tegelijk bewoond worden. De drie door Verreaux’ gezelschap gedoode exemplaren werden, met behulp van een Hond uit één hol, hoewel niet uit denzelfden gang, naar buiten gedreven. Zij kwamen te voorschijn met overeindstaande rugmanen, hangende ooren en staart, en liepen zeer snel weg; de eene zocht zich in der haast weer in den grond te verbergen door een hol te graven en toonde daarbij een merkwaardige behendigheid. Uit het onderzoek van het hol bleek, dat alle gangen met elkander in gemeenschap stonden en naar een groote kamer leidden, die waarschijnlijk tijdelijk aller gemeenschappelijke woning was geweest. De genoemde onderzoeker bericht, dat het voedsel van deze dieren hoofdzakelijk uit lammeren bestaat, dat zij echter nu en dan ook wel een Schaap overvallen en dooden, van deze prooi echter hoofdzakelijk alleen den vetten staart verslinden. Om dit te doen, hebben zij stellig geen krachtig gebit noodig. Voor ’t overige is de levenswijze van den Aardwolf volkomen onbekend.


In de vijfde familie van Roofdieren, die van de overige tamelijk scherp onderscheiden is, vereenigen wij de Honden (Canidae). Hun lichaamsbouw verschilt niet zoo sterk van die der Katten, als men bij vluchtig onderzoek zou kunnen meenen. Maar ofschoon tusschen de beide familiën vele punten van overeenstemming aangewezen kunnen worden, vormen zij toch door uitwendig voorkomen en inwendig maaksel, door levenswijze en door gewoonten duidelijk twee afzonderlijke groepen. In grootte staan zij alle bij de grootste Katten-soorten achter; zij zijn ook niet zoo sterk en zoo gevreesd als deze typische Roofdieren. Hun gestalte is mager, de kop klein, de snuit spits, de stompe neus steekt vooruit, de romp, die op dunne of hooge pooten met korte voeten rust, is in de flanken (tot aan de liesstreek) versmald, de staart is kort en dikwijls ruig behaard. Aan de voorpooten komen meestal 5, aan de achterpooten geregeld 4 teenen voor, die krachtige, maar steeds stomp eindigende en niet terugtrekbare klauwen dragen. De oogen zijn groot en voor het zien op klaarlichten dag beter geschikt dan die der Katten; de ooren zijn meest spitser en grooter, de tepels aan de borst en den buik talrijker. In het krachtige gebit, dat uit 36 à 48 tanden bestaat, zijn de snijtanden (6 boven, 6 onder), vooral die van de bovenkaak, betrekkelijk groot, de buitenste lang en bijna hoektandvormig; de vier hoektanden zijn slank en een weinig gekromd; de kleine kiezen (aan elken kant 3 boven, 4 onder) minder scherp getakt dan bij de Katten, de 4 scheurkiezen goed ontwikkeld; de knobbelkiezen (2 boven, 2 onder aan elken kant), zijn vrij stompe maaltanden, die het voedsel flink vergruizen. De kop is langwerpig, omdat de kaken zoo lang zijn; 7 halswervels, 20 rug- en lendewervels, 3 heiligbeenwervels en 18 à 22 staartwervels vormen de wervelkolom. De borstholte is omgeven door 13 paar ribben (9 paar ware en 4 paar valsche). Het sleutelbeen is onontwikkeld gebleven, het schouderblad smal; de bekkenbeenderen zijn krachtig. Het spijskanaal is gekenmerkt door een rondachtige maag; de eigenlijke darm is 4- à 7-maal langer dan het lichaam.

Uit alle eigenaardigheden van de Honden blijkt, dat zij niet uitsluitend dierlijk voedsel behoeven te gebruiken, waardoor het besluit voor de hand ligt, dat zij ook minder moordlustig en bloedgierig zullen zijn dan de Katten. Inderdaad verschillen zij in dit opzicht aanmerkelijk van deze. Wat wildheid, moordlust en bloedgierigheid betreft, staan zij onvoorwaardelijk bij de Katten ten achter; veeleer geven alle eenige bewijzen van goedaardigheid, zij het dan ook in zeer verschillende mate. Het gelaat van den Hond heeft in den regel een vriendelijke uitdrukking; men ziet hierin nooit op zulk een in ’t oog loopende wijze het drieste zelfvertrouwen en de wildheid doorstralen, die het bij den Kat ten toon spreidt.

Reeds in den voortijd waren de Honden wijd verbreid; het is boven allen twijfel verheven, dat zij zeer vroeg op het wereldtooneel verschenen. Tegenwoordig zijn zij over de geheele bewoonde wereld verbreid en komen in de meeste gebieden veelvuldig voor. In eenzame, stille gewesten en wildernissen, onverschillig of deze bergachtig zijn dan wel vlak, in uitgestrekte donkere bosschen, op dicht begroeide plaatsen, in steppen en woestijnen houden zij zich op. Eenige dolen bijna voortdurend rond en blijven hoogstens zoo lang in een oord, als zij door een nog hulpbehoevende nakomelingschap in hunne bewegingen beperkt worden; andere graven zich holen in den grond, of maken gebruik van holen, die door andere dieren gemaakt zijn, om hierin voor vast verblijf te houden. Sommige soorten zijn ware nachtdieren, andere zijn dit slechts ten deele, nog andere zijn echte vrienden van het daglicht. Gene verbergen zich gedurende den dag in hunne holen of in eenzame en beschutte schuilhoeken, in het struikgewas, in het riet of in het hooge koren, tusschen onbezochte en donkere rotsen; zij zwerven des nachts eenzaam of in troepen door hun jachtgebied, maken daarbij in sommige gevallen tochten van verscheidene mijlen, jagen onderweg, bezoeken intusschen zelfs groote dorpen en steden en trekken zich bij het aanbreken van den dag in den eersten den besten geschikten schuilhoek, dien zij vinden, terug. Andere Honden daarentegen zijn over dag bijna even ijverig in de weer als des nachts. Weinige leven eenzaam of bij paren; zelfs die soorten, waarvan de mannetjes en wijfjes tijdelijk bijeen blijven, voegen zich in sommige omstandigheden tot grootere troepen bijeen, men mag wel aannemen, dat alle Honden zonder uitzondering gezellige dieren zijn.

Wat hun bewegingsvermogen betreft, staan de Honden maar weinig bij de Katten achter. Hunne stompe klauwen veroorlooven hun niet te klimmen; zij zijn genoodzaakt op den bodem te blijven; ook kunnen zij zulke hooge en verre sprongen niet maken als de Katten: voor ’t overige overtreffen zij deze eerder, dan dat zij minder bekwaam zouden zijn. Zij kunnen uitmuntend loopen en toonen een ongeloofelijke volharding; zonder uitzondering kunnen zij zwemmen en sommige doen dit meesterlijk; zelfs treffen wij bij hen reeds echte waterdieren aan; er zijn Honden, die met duidelijk merkbaar genot met de golven spelen. Bij het gaan zetten zij, evenals de Katten; alleen de teenen op den grond, hun gang is echter eigenaardig scheef, daar zij gewoon zijn de pooten niet recht voor zich uit te zetten. Alle Honden hebben zeer goed ontwikkelde zintuigen. Het gehoor is maar weinig minder scherp dan dat van de Katten, de reukorganen daarentegen zijn verwonderlijk fijngevoelig; ook van het gezicht kan men zeggen, dat het beter is dan bij de Katten; want de nachtelijk levende Honden staan in dit opzicht met de Katten gelijk, terwijl de over dag jagende hen beslist overtreffen.

Nog veel meer munten de Honden uit door hunne geestvermogens. Zelfs de laagst ontwikkelde soorten geven merkwaardige blijken van list en sluwheid, die trouwens bij sommige aan den (bij andere in zoo hooge mate voorkomenden) moed wel eenige afbreuk doen. De hooger staande Honden echter en meer bepaaldelijk die, welke met de menschen verkeeren, of, beter gezegd, zich met lichaam en ziel aan hen overgegeven hebben, bewijzen dagelijks, dat hunne geestvermogens een trap van ontwikkeling hebben bereikt, die bij geen ander dier wordt aangetroffen. De tamme Hond en de in ’t wild levende Vos handelen met schrander overleg en voeren zorgvuldig doordachte plannen uit, welker afloop zij met groote gewisheid van te voren schatten. Door zijn verstand is de Hond ten nauwste met den Mensch verbonden geraakt; hierdoor verheft hij zich boven alle overige dieren.

De Honden voeden zich hoofdzakelijk met dierlijke stoffen, vooral met Zoogdieren en Vogels. Zij eten versch gedoode dieren niet liever dan krengen, voor welke sommigen zelfs een duidelijke voorkeur schijnen te hebben. Enkele verslinden ook zeer graag beenderen; andere vinden zelfs in de vuilste uitwerpselen van het menschelijk lichaam nog een gewenschte spijs. Bovendien eten zij Kruipende Dieren, Amphibiën, Visschen, Schaaldieren, Insecten of honig, ooft, veld- en tuinvruchten, ja zelfs boomknoppen, uitspruitsels, wortels, gras en mos. Vele zijn zeer vraatzuchtig en dooden meer dieren dan zij verslinden kunnen; de bloeddorst vertoont zich hier echter nooit in een zoo afschrikwekkende gedaante als bij sommige Katten en Marters; er is geen enkele Hond, die zich aan het bloed van de door hem gedoode slachtoffers met welgevallen bedwelmt.

De vruchtbaarheid van de Honden is grooter dan die der Katten; het aantal jongen bereikt bij hen soms de uiterste grenzen van het voortplantingsvermogen der Zoogdieren in ’t algemeen. Men kan aannemen, dat de Honden gemiddeld 4 à 9 jongen werpen; het is echter wel eens gebeurd (hoewel zulke gevallen tot de uitzonderingen behooren), dat een Hond in een worp 18 en zelfs 23 jongen ter wereld bracht. Het komt voor, dat een vader zijn kroost of dat een andere mannetjeshond de jonge nakomelingschap van een teef met moordzuchtige bedoelingen vervolgt en opvreet, als hij kan: vooral heeft dit plaats bij de Wolven en Vossen, die in sommige gevallen ook hunne volwassene soortgenooten niet sparen. Bij de meeste soorten echter worden ook de jonge dieren dadelijk als leden van het gezelschap beschouwd. De moeder zorgt met ware zelfverloochening voor haar kroost.

Daar verscheidene soorten van Honden in de door hen bewoonde gewesten zeer talrijk vertegenwoordigd kunnen zijn, is de schade, die de geheele familie dooreengenomen aanricht, vrij belangrijk; de soorten, die den mensch benadeelen, worden daarom overal onbarmhartig vervolgd. Hier staat tegenover, dat de kleinere soorten ons door het wegvangen van schadelijke Knaagdieren en Insecten of door het uit den weg ruimen van krengen en andere afval goede diensten bewijzen en ons bovendien nog door hun vacht, hun huid en hunne tanden nuttige producten leveren.

Men kan de Honden in drie geslachten verdeelen en twee van deze weder in kleinere groepen splitsen. Deze geslachten omvatten de Wolven of Wilde Honden met ronde pupil en korten staart (Canis), de Vossen, met spleetvormige pupil en langen, ruigen staart (Vulpes) en de Lepelhonden, grootoorige woestijnbewoners met een afwijkend, uit zeer vele tanden samengesteld gebit (Otocyon).

*

Om den Huishond en zijne tallooze rassen juist te beoordeelen, is het volstrekt noodzakelijk, zijne in ’t wild levende verwanten, de Wolven (Canis), waaronder men zijne voorvaders moet zoeken, te leeren kennen. Bovendien is het wenschelijk van de vrij levende Honden tot de getemde over te gaan. Gene leeren ons, wat de Hond was, voordat hij zich aan den mensch onderwierp; in hen zien wij nog het oorspronkelijke, in den getemden Hond het veranderde en, gelijk men wel zeggen mag, het vermenschelijkte dier.

In het ondergeslacht der Eigenlijke Wolven (Lupus), vereenigen wij alle Wolfachtige Honden (met uitzondering van den Hyena-Hond), hoeveel verschil in uitwendig voorkomen zij ook vertoonen, voorzoover hun gebit uit 42 tanden bestaat; zij onderscheiden zich door een matig grooten kop met tamelijk spitsen snuit.

De Wolf (Canis lupus, Lupus vulgaris), heeft ongeveer den vorm van een grooten, hoog op de pooten geplaatsten, schralen Hond, die den staart laat hangen in plaats van hem opgerold te dragen. Bij nauwkeuriger vergelijking merkt men de volgende punten van verschil op: De romp is mager, de buik ingetrokken; de pooten harmonieeren met dezen bouw van den romp; de langharige staart hangt tot op het hielgewricht naar beneden; de snuit is, met den dikken kop vergeleken, gestrekt en loopt spits toe; het breede voorhoofd helt af; de oogen zijn scheef geplaatst; de ooren staan altijd overeind. De beharing wisselt af al naar het klimaat van de landen, die de Wolf bewoont; zoowel de groeiwijze als de kleur van het haar verschillen. In de noordelijke landen is het haarkleed lang, ruig en dicht; het langst aan het onderlijf en aan de bovenste gedeelten der ledematen, ruig aan den staart, dicht en opgericht aan den hals en aan de zijden; in zuidelijke streken is de beharing over het algemeen korter en ruiger. De kleur is gewoonlijk vaal grijsachtig geel met een zwartachtige tint doormengd, die aan de onderzijde lichter, dikwijls witachtig grijs schijnt. In den zomer zweemt de kleur meer naar rood, in den winter is zij geelachtiger, in noordelijke landen nadert zij meer tot wit, in zuidelijke landen is zij zwartachtiger. Het voorhoofd is witachtig grijs, de snuit geelachtig grijs, altijd echter met zwart gemengd, de lippen zijn witachtig, de wangen geelachtig en soms onduidelijk zwart gestreept, de dichte wolharen zijn vaalgrijs.