Wolf (Canis lupus). 1/9 v. d. ware grootte.
Hier en daar komt een zwarte verscheidenheid van den Wolf voor, die men evenals andere kleursafwijkingen, als eenvoudige spelingen moet beschouwen. De Wolven in ’t gebergte zijn over ’t algemeen groot en sterk, de Wolven in de vlakten aanmerkelijk kleiner en zwakker, maar daarom volstrekt niet minder roofgierig of minder geneigd tot den aanval. In Hongarije en Galicië onderscheidt men algemeen de Rietwolven en de Boschwolven.
Een volwassen Wolf bereikt een lichaamslengte van 1.6 M., waarvan 45 cM. op den staart komen; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 85 cM. Een flink exemplaar weegt 40, soms ook wel meer, tot aan 50 KG. De Wolvin onderscheidt zich van den Wolf door een iets zwakkeren lichaamsbouw, een spitseren snuit en een dunneren staart.
Ook nu nog is de Wolf wijd verbreid, hoe zeer ook zijn gebied is ingekrompen in vergelijking met vroegere tijden. Hij bewoont tegenwoordig nog bijna geheel Europa, hoewel hij uit de volkrijkste gedeelten van dit werelddeel verdwenen is. In Spanje komt hij in alle gebergten en zelfs in alle eenigszins uitgebreide vlakten geregeld voor; in Griekenland, Italië en Frankrijk is hij tamelijk veelvuldig, in Zwitserland zeldzamer; in ons land evenals in Middel- en Noord-Duitschland en in Groot-Britannië is hij geheel uitgeroeid; in het oosten van Europa is hij algemeen: Hongarije en Galicië, Kroatië, Krain, Servië, Bosnië, de Donau-vorstendommen, Polen, Rusland, Zweden, Noorwegen en Lapland zijn de landen, waar hij ook thans nog in noemenswaardig aantal voorkomt. Op IJsland en de eilanden van de Middellandsche Zee schijnt hij zich nooit opgehouden te hebben. In de Atlaslanden wordt hij wel gevonden. Bovendien strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over geheel Noordoost- en Middel-Azië, door Afghanistan en Beloetsjistan tot in het stroomgebied van den Indus, misschien tot in de bovenlanden van Pendsjab. In Noord-Amerika heeft hij verwanten, die zoo zeer op hem gelijken, dat men ook wel de noordelijke landen van het westelijk halfrond binnen zijn verbreidingskring heeft getrokken, en niet alleen den Noord-Amerikaanschen, maar ook den Mexicaanschen Wolf als ondersoorten heeft opgevat.
De ouden waren zeer goed met den Wolf bekend. Vele Grieksche en Romeinsche schrijvers maken melding van dit dier, eenige niet slechts met den vollen afschuw, die Isegrim van vroegs af aan heeft ingeboezemd, maar ook reeds met geheime vrees voor zijne bovennatuurlijke, spookachtige eigenschappen. In de oud-Germaansche mythologie wordt de Wolf, het dier van Wodan, eer geacht dan verafschuwd; den laatstgenoemden indruk bracht hij eerst veel later teweeg, toen de christelijke godsdienst het geloof van onze voorouders verdrongen had. Toen veranderde Wodan in den “Wilden Jager” en zijne Wolven in diens Honden. Ten slotte ontstond uit deze de als “Weerwolf” bekende spookgestalte, die bij afwisseling als Wolf en als mensch verscheen, en een bron van ontzetting was voor alle bijgeloovige lieden.
Hoewel de Wolf langzamerhand meer en meer teruggedrongen wordt, is toch de laatste dag van zijn aanwezigheid in de beschaafde Europeesche landen naar alle waarschijnlijkheid nog niet aanstaande. In de vorige eeuw ontbrak dit schadelijk Roofdier in geen der groote wouden van Middel-Europa, en ook in deze eeuw werden in Duitschland, volgens officieele opgaven, altijd nog duizenden van deze dieren gedood. Op Pruisisch gebied werden er in 1817 nog 1080 geschoten. In Pommeren alleen doodde men er in 1800: 118, 1801: 109, 1802: 102, 1803: 186, 1804: 112, 1805: 85, 1806: 76, 1807: 12, 1808: 37, 1809: 43 stuks. Daarna werden zij zeldzamer, maar kwamen weder in groote menigte in het land met het uit Rusland vluchtende Fransche leger, dat hun lijken genoeg als voedsel verschafte.
“De Wolf,” zegt Van Bemmelen, “was vroeger in de meeste streken van ons land zeer gemeen, werd in de 16e eeuw op groote drijfjachten bij honderden gedood. Zelfs in het laatst der vorige eeuw hielden zich in minder bewoonde, boschrijke streken, zooals te Oosterwijk en Heeswijk in Noord-Brabant, nog steeds Wolven op. In lateren tijd werden gedurende zeer koude winters, enkele voorwerpen in de Groesbeeksche, Hoog-Soerensche, Gorteler en Vreebosschen enz. gedurende korteren of langeren tijd aangetroffen, doch deze waren waarschijnlijk uit de Ardennen over de Kleefsche bosschen afgedwaald.”
De Wolf bewoont eenzame, stille landstreken en wildernissen, en wel dichte, donkere bosschen, broekland met moerassige en droge gedeelten, in het zuiden ook de steppen. Men vindt hem zelfs in betrekkelijk kleine en lage, wild groeiende bosschen, op dammen in broekland en moerassen, in rietbosschen, maïsvelden, in Spanje zelfs in koornvelden, dikwijls in de onmiddellijke nabijheid van bijeenstaande huizen. In dicht bevolkte gewesten vertoont hij zich slechts bij uitzondering voor het aanbreken van de schemering, in eenzame wouden daarentegen begint hij, evenals de Vos in dergelijke omstandigheden, reeds in de namiddaguren zijne omzwervingen; hij sluipt rond, telkens stilstaande om te onderzoeken of er niets te vinden is tot bevrediging van den honger, die hem voortdurend kwelt. Gedurende de lente en den zomer leeft hij eenzaam of in gezelschappen van twee of drie stuks; in den winter voegen de Wolven zich bijeen tot troepen, die uit een meer of minder groot aantal individuën bestaan, al naar de landstreek deze vereeniging begunstigt of niet. De leden van zulk een bende verrichten al hunne werkzaamheden gemeenschappelijk, staan elkander bij, en roepen ingeval van nood door hun gehuil elkanders hulp in. De tot benden vereenigde Wolven zwerven even ver rond als de afzonderlijk levende; zij volgen de richting van gebergten, trekken door vlakten, doorreizen, van het eene bosch in het andere overgaande, geheele provinciën, en vertoonen zich zoodoende geheel onverwachts in gewesten, waarin men ze gedurende geruimen tijd, misschien jaren achtereen, niet had waargenomen. Dat hij bij zijne jacht- en zwerftochten in een enkelen nacht een afstand van 40 à 70 KM. aflegt, is duidelijk gebleken. Niet zelden, in den winter als er een dikke sneeuwlaag ligt, vrij geregeld, vormen de Wolvenbenden lange rotten, doordat deze dieren, evenals de Indianen op hun krijgspad, op korten afstand van en achter elkander loopen, en zooveel mogelijk in elkanders spoor treden, zoodat het zelfs voor een ervaren jager moeilijk wordt, te beslissen, uit hoeveel individuën de bende bestaat.
Wegens de vele beweging die de Wolf maakt, en het groote arbeidsvermogen door hem ontwikkeld, moet de stofwisseling bij hem zeer snel plaats hebben, waarvoor hij een buitengewoon groote hoeveelheid voedsel dient te gebruiken; deze gevaarlijke roover richt dan ook overal waar hij voorkomt, een groote slachting aan onder alle voor hem bereikbare dieren. Het liefst maakt hij jacht op huisdieren en de groote soorten van wild, onverschillig of zij behaard dan wel bevederd zijn; hij behelpt zich echter ook wel met de kleinste en eet zelfs Insecten; evenmin versmaadt hij plantaardig voedsel; hij eet, naar bericht wordt, maïs, meloenen, komkommers, augurken, aardappels enz. De schade, die hij door zijn jacht aanricht, zou, hoewel ook dan nog aanzienlijk, toch misschien nog te dragen zijn, als hij zich niet door zijn onstuimigen jachtijver en onbeteugelde bloeddorst liet vervoeren, om veel meer dieren te dooden, dan hij voor zijn voeding noodig heeft. Juist hierdoor wordt hij tot een plaag voor de herders en jagers, tot den hartstochtelijk gehaten vijand van iedereen. Gedurende den zomer richt hij minder schade aan dan in den winter. Het woud biedt hem n.l., behalve het gewone wild, nog velerlei andere spijzen aan: Vossen, Egels, Muizen, verschillende soorten van Vogels en Kruipende Dieren en ook plantaardige stoffen; van de huisdieren valt hem daarom in dit jaargetijde hoogstens eenig klein vee, dat zonder toezicht in de nabijheid van zijn verblijfplaats graast, ten buit. Onder het wild houdt hij een verschrikkelijke opruiming: hij verscheurt en verjaagt Elanden, Herten, Damherten, Reeën en roeit in zijn jachtgebied bijna alle Hazen uit, maar valt de grootere vee-soorten waarschijnlijk slechts bij uitzondering aan. Dikwijls stelt hij zich gedurende langen tijd tevreden met de allereenvoudigste jachtbedrijven, volgt de tochten van de Lemmingen over een afstand van honderden wersten, en voedt zich dan uitsluitend met deze Woelmuizen, of zoekt Hagedissen, Ringslangen en Kikvorschen en zamelt Meikevers in. Van aas is hij een hartstochtelijk liefhebber; daar waar hij met den Los één gebied bewoont, maakt hij op diens slachtplaatsen den disch schoon.
Op geheel andere wijze treedt hij gedurende den herfst en den winter op. Thans besluipt hij onverpoosd het vee in de weide en spaart zoo min groote als kleine dieren; de weerbare Paarden, Runderen en Zwijnen hebben alleen dan geen last van hem, als zij aaneengesloten troepen vormen, en hij zich nog niet met zijne rotgezellen tot benden vereenigd heeft. Als de winter aanvangt, nadert hij de dorpen en steden meer en meer; hij komt b.v. tot aan de eerste huizen van St. Petersburg, Moskou en andere Russische steden, dringt in de Hongaarsche en Kroatische dorpen door, doorloopt zelfs steden van de grootte van Agram en houdt zich in kleine vlekken en dorpen geregeld met de jacht bezig; vooral de Honden leveren hem een zeer begeerde spijs; zij zijn de eenige buit, die hij in de nabijheid van de dorpen gemakkelijk kan verkrijgen. Andere gelegenheden om voedsel te verkrijgen worden trouwens volstrekt niet ongebruikt gelaten; zonder aarzeling sluipt hij een stal binnen, en doodt zonder genade of barmhartigheid al het kleine vee, dat hij er vindt. Zulk een inbraak van den vermetelen roover in de veestallen behoort echter steeds tot de zeldzaamheden, terwijl daarentegen de bewoners van alle dorpen in de door Wolven bewoonde gewesten iederen winter een groot aantal van hunne Honden verliezen, op gelijke wijze als de wolvenjager iederen zomer verscheidene van zijne trouwe helpers moet missen. Als de Wolven zich tot benden vereenigen om te jagen, vallen zij ook Paarden en Runderen aan, hoewel deze hun leven weten te verdedigen. In Rusland wordt verteld, dat benden hongerige Wolven zelfs Beren te lijf gaan, en na hevigen strijd ten slotte dooden. Veilig kan men zeggen, dat de Wolf jacht maakt op alle levende dieren, die hij meent te kunnen overmeesteren. Altijd en overal echter ontziet hij, zoolang hem dit mogelijk is, den mensch. De akelige moordgeschiedenissen, die, evenals van den Tijger, ook van den Wolf verhaald en door de fantazie op velerlei wijzen opgesierd worden, bevatten slechts een zeer kleine kern van waarheid. Een troep door den honger gekwelde en door woede verblinde Wolven zal bij gelegenheid ook wel menschen, zelfs weerbare volwassenen, aanvallen, dooden en verslinden; de gevaren, die den mensch bedreigen in de door Wolven bewoonde landen, zijn echter niet zoo verschrikkelijk als zij soms worden voorgesteld. Een afzonderlijk jagende Wolf zal waarschijnlijk niet licht een aanval wagen op een krachtigen man, al is deze slechts met een knuppel gewapend, tenzij allerlei ongunstige omstandigheden bijeenkomen; weerlooze vrouwen en kinderen staan ongetwijfeld meer bloot aan dit gevaar.
Uit de bovenstaande mededeelingen blijkt genoegzaam, hoe schadelijk de Wolven zijn. Voor de nomadische volken en voor alle volken die vee houden, zijn zij ontegenzeggelijk de ergste van alle vijanden. Er zijn gevallen voorgekomen, dat zij de veeteelt in een gewest geheel onmogelijk hebben gemaakt. Een enkele Wolf, die zich, volgens Kobell, voordat hij gedood werd, 9 jaren in de omstreken van Schliersee en Tegernsee had opgehouden, heeft volgens officieele berichten gedurende dien tijd omstreeks 9000 Schapen en een groote hoeveelheid wild verscheurd, zoodat de door hem veroorzaakte schade op 8 à 10000 gulden werd begroot. In Lapland heeft het woord “vrede” dezelfde beteekenis als “geen last van de Wolven”. Men kent daar slechts één oorlog, en deze wordt met de genoemde Roofdieren gevoerd, die de levende have van de arme nomaden van het noorden dikwijls op de gevoeligste wijze verminderen. Ook in Spanje veroorzaken de Wolven aanzienlijke verliezen. In Rusland vallen hun ieder jaar omstreeks 180.000 stuks groot vee en ongeveer drie maal zooveel klein vee ten prooi; Lasarewski begroot de schade, die ieder jaar door hen onder de huisdieren aangericht wordt, op ongeveer 15 millioen roebels, en zegt, dat zij wel voor 50 millioen roebels bruikbaar wild dooden. Bij dit alles komt nog, dat ook zij voor rabies (hondsdolheid) vatbaar zijn, en dan voor menschen en dieren in hooge mate gevaarlijk worden.
Het is niet te verwonderen, dat deze gevaarlijke dieren, overal waar zij zeer talrijk zijn, niet alleen onder de menschen, maar ook onder de dieren angst en schrik veroorzaken. De Paarden worden zeer onrustig, wanneer zij de lucht krijgen van een Wolf; de overige huisdieren, met uitzondering van de Honden, gaan op de vlucht, zoodra zij eenig vermoeden krijgen van de nadering of van de aanwezigheid van den gevreesden vijand. Voor goede Honden schijnt er echter geen grooter genoegen te bestaan dan de Wolvenjacht, zooals trouwens de Honden over ’t algemeen zich hierdoor onderscheiden, dat zij juist aan de gevaarlijkste jacht de voorkeur geven. Moeilijk verklaarbaar, maar toch merkwaardig is het, dat de haat tusschen twee zoo nauw verwante dieren als de Wolf en de Hond zoo groot kan worden.
Ook andere huisdieren weten zich tegen den Wolf te verdedigen. In de steppen van Zuid-Rusland wonen de Wolven in door henzelf gegraven holen, die dikwijls meer dan 2 M. diep zijn. Deze dieren sluipen in de Russische steppen des nachts voortdurend om de kudden. Zij naderen de paardenkudden met voorzichtigheid, trachten de alleenloopende veulens, die zich te ver van de kudde verwijderd hebben, te verrassen, of besluipen alleenloopende Paarden, springen hen naar den strot en werpen ze ter aarde. Als de overige Paarden den Wolf bemerken, gaan zij onmiddellijk op hem af en slaan, als hij stand houdt, met de hoeven van de voorpooten op hem los; de hengsten grijpen hem ook wel met de tanden aan. In een even onaangenamen toestand geraakt Isegrim, als hij in de bosschen van Spanje of van Kroatië varkenskluifjes tracht te rooven. Een alleenloopend Zwijn valt hem misschien ten buit, een aaneengesloten kudde van eenige beteekenis heeft echter geen last van den Wolf. Als hij het geschikte oogenblik om te vluchten, verzuimt, wordt hij door de woedende Zwijnen onmeedoogend afgemaakt, en daarna door hen met evenveel smaak verslonden, als waarmede hij hen opgegeten zou hebben.
De Wolf bezit alle begaafdheden en eigenschappen van den Hond: dezelfde kracht en volharding, dezelfde scherpte van de zintuigen en hetzelfde verstand. Hij is echter eenzijdiger en komt ons veel minder edel voor; de reden hiervan is ongetwijfeld deze, dat hij niet door den mensch is opgevoed. Zijn moed is volstrekt niet geëvenredigd aan zijn kracht. Zoolang de honger hem niet kwelt, is hij een van de lafhartigste en vreesachtigste dieren die er bestaan. Hij vlucht dan niet alleen voor menschen en Honden, voor een koe of een Bok, maar ook voor een kudde Schapen, zoodra deze dieren zich aaneensluiten en de koppen tegen hem richten. De Wolf staat in sluwheid, list, geveinsdheid en voorzichtigheid volstrekt niet achter bij den Vos, bezit veeleer deze eigenschappen in nog hoogere mate. In den regel laat hij zijn gedrag afhangen van de omstandigheden, overlegt voordat hij handelt, en weet, ook als hij in een moeielijken toestand komt, den rechten uitweg te vinden. Zijn prooi besluipt hij met even groote voorzichtigheid als list; als hij zelf vervolgd wordt, beweegt hij zich even behoedzaam. De reuk, het gehoor en het gezicht zijn alle even voortreffelijk bij hem. Men beweert, dat hij niet slechts zorgvuldig speurt, maar ook reeds op grooten afstand de lucht krijgt van het voorwerp dat hem belang inboezemt. Ook weet hij nauwkeurig te bepalen, aan welk dier het spoor behoort, dat hij toevallig op zijne zwerftochten heeft opgemerkt. Hij volgt dit dan, zonder zich om andere sporen te bekommeren. Zijn lafhartigheid, zijn list en zijn uitstekend waarnemingsvermogen blijken bij elke overrompeling, die hij onderneemt.
Bij de Wolven begint de bronsttijd meestal in het einde van December en duurt tot in het midden van Januari. Na 63 of 64 dagen brengt de Wolvin op een veilig plaatsje midden in het woud 3 à 9, gewoonlijk 4 à 6 jongen ter wereld. De jongen blijven 21 dagen blind, groeien in ’t eerst langzaam, later snel, gedragen zich geheel als jonge Honden, spelen vroolijk met elkander of plukharen soms onder luid, op grooten afstand hoorbaar gehuil en gekef. De Wolvin behandelt ze met evenveel liefde, als bij een goeden Huishond in dergelijke omstandigheden wordt opgemerkt, belekt en reinigt ze, zoogt ze zeer lang, verschaft hun rijkelijk het voedsel dat voor hun leeftijd past, is voortdurend angstvallig bezorgd voor hun veiligheid, en zoekt hun verblijfplaats verborgen te houden; wanneer zij reden tot bezorgdheid meent te hebben, of wanneer er werkelijk een gevaar dreigt, draagt zij hare jongen in den bek naar een plaats, die zij veilig acht. De ouderdom, dien deze dieren bereiken kunnen, bedraagt vermoedelijk 12 à 15 jaren.
Vele proefnemingen hebben voldoende bewezen, dat door de paring van een Wolf met een teef, of van een rekel met een Wolvin bastaarden ontstaan, die vruchtbare jongen kunnen voortbrengen. Deze bastaarden houden niet altijd het midden tusschen den Wolf en den Hond; ook kunnen de jongen uit een nest veel van elkander verschillen. In den regel gelijken zij meer op den Wolf dan op den Hond, ofschoon er ook bij zijn, die meer overeenkomst met den Hond vertoonen.
Wolven, die van jongs af goed opgevoed en verstandig behandeld zijn, worden zeer tam en geven blijken van innige gehechtheid aan hun meester. Cuvier maakt melding van een Wolf, die als een jonge Hond opgevoed was en in volwassen toestand door zijn meester aan den “Jardin des Plantes” werd geschonken. “Hier toonde hij zich gedurende eenige weken geheel troosteloos, at uiterst weinig en was volkomen onverschillig voor zijn oppasser. Eindelijk vatte hij eenige genegenheid op voor de menschen, die zich met hem bemoeiden; het scheen zelfs, dat hij zijn vorigen meester vergeten had. Deze kwam na een afwezigheid van 18 maanden te Parijs terug. De Wolf herkende zijn stem te midden van het gedruisch, en toonde, toen men hem losgelaten had, op een uitbundige wijze zijn blijdschap.”
Allerlei middelen worden gebruikt om den Wolf te verdelgen: niet alleen kruit en lood, maar ook het arglistig vergiftigde lokaas, de verraderlijke strikken en vallen, de knuppel en ieder ander wapen. De meeste Wolven worden waarschijnlijk met strychnine gedood. Als in den winter het voedsel schaarsch begint te worden, doodt men een Schaap, trekt het de huid af, strooit het vergif bij kleine hoeveelheden in het vleesch, dat daartoe overal met insnijdingen wordt voorzien. Het dus toebereide dier wordt, nadat de huid er weer overheen getrokken is, neergelegd op een plaats, die door de Wolven bezocht wordt. Geen Wolf eet zich zat aan een op deze wijze vergiftigd dier, omdat hij zeer spoedig de werking van het gif ondervindt en er aan bezwijkt. Deze handelwijze is wel de meest doeltreffende. Met voordeel maakt men ook gebruik van valkuilen, gaten in den grond, die ongeveer 3 M. diep en 2.5 M. wijd zijn. Zij worden bedekt met een licht dak van dunne, buigzame takken, mos enz.; op ’t midden van dit dak wordt een lokaas vastgebonden. Opdat de Wolf geen tijd zal hebben om vooraf langdurige nasporingen te doen, en om menschen, welke dien weg langs gaan, niet in gevaar te brengen, wordt de kuil met een hooge schutting omgeven, waarover ieder die op het lokaas belust is, moet heenspringen.
In volkrijke gewesten worden groote drijfjachten gehouden om de Wolven uit te roeien. Het vinden van het spoor van een Wolf was en is het signaal voor het op de been komen van geheele gemeenten. In de groote houtvesterijen van Polen, Posen, Oost-Pruisen, Litauen enz. heeft men bepaaldelijk met het oog op de Wolvenjacht breede wegen door het bosch gehouwen en dit hierdoor in kleine vierhoeken verdeeld.
Op een geheel andere wijze jagen de bewoners van de Russische steppen. Voor hen is het geweer bij de Wolvenjacht een bijzaak. Het opgejaagde Roofdier wordt door jagers te Paard zoo lang vervolgd, totdat het niet meer loopen kan, en daarna doodgeslagen.
Het grootste nut, dat de Wolf ons kan verschaffen, bestaat in zijn huid, die als zij gedurende den winter wordt buit gemaakt, een goede pels oplevert, die veelvuldig gebruikt wordt. De beste en grootste vellen komen uit Skandinavië, het noorden van Rusland, Siberië en het noorden van China, en worden met 6 à 15 gulden betaald. Bovendien wordt in vele landen van regeeringswege nog een premie betaald voor iederen gedooden Wolf, onverschillig of deze geschoten, doodgeslagen, gevangen of vergiftigd werd.
Eenige met onzen Wolf verwante soorten kunnen wij hier slechts terloops vermelden: de Vale Wolf (Canis [Lupus] occidentalis), een groot, maar voor den mensch niet gevaarlijk dier, dat over de geheele noordelijke helft van Amerika verbreid is, welks kleur van vaalwit, door vaalrood tot zwart afwisselt, en welks levenswijze in hoofdzaken met die van den Gewonen Wolf overeenkomt, alsmede de Jakhalswolf of Aboe-el-Hossein der Arabieren (Canis [Lupus] anthus), een kleinere verwant van onzen Isegrim, die in Noordoost-Afrika voorkomt en reeds aan de oude Egyptenaars bekend was, zooals uit afbeeldingen van dit dier op oude gedenkteekenen blijkt. Zijn in een spitsen snuit eindigende kop draagt groote, breede ooren; de romp rust op hooge pooten en is sterk gespierd; de donker vaalbruine kleur varieert aanmerkelijk al naar de verblijfplaats. Hij voedt zich met klein wild, aas en vruchten; soms echter maakt hij, tot benden vereenigd, jacht op de Schapen- en Geitenkudden van de inboorlingen.
Een Wilde Hond van soortgelijken lichaamsbouw is de Gestreepte Wolf (Canis [Lupus] adustus), een middelvorm tusschen den Wolf en den Jakhals. Zijn romp is langwerpig; de kop eindigt in een kegelvormig toegespitsten snuit, welke aan dien van den Vos herinnert; de oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die evenals bij den Jakhals, ver vaneenstaan, zijn aan den top zacht afgerond; de pooten zijn in ’t oog vallend lang en slank; de staart reikt tot op den bodem.
“De Gestreepte Wolf,” zegt Pechuel-Loesche, die dit dier in Neder-Guinea, vooral in Loango, zoowel in de wildernis, als getemd, heeft nagegaan, “is grooter en staat hooger op de pooten dan onze Vos, heeft dezelfde listige uitdrukking in ’t gelaat, maar tevens edelere en ook goedaardige trekken. Het is een buitengewoon behendig en lenig dier, welks bewegingen men met welgevallen aanschouwt. De inboorlingen van Loango, die den Gestreepten Wolf Mboeloe noemen, doen hem geen kwaad, hoewel hij dicht bij hunne woningen komt; ook de Honden der dorpelingen denken er niet aan, met hem te twisten. In alle jaargetijden laat de Mboeloe des nachts en des morgens zijn langgerekt, schel gekef hooren; het is zoo luid en doordringend, dat het een nieuweling misschien verschrikt zal doen opspringen, wanneer het in de onmiddellijke nabijheid van het dorp of van het kamp weerklinkt. De jammerlijke klaagtoonen van een Mboeloe brachten ons eens nog te rechter tijd aan den rand van een boschje van struikgewas, waar zulk een dier juist aan een groote Slang, aan een Python, ten buit was gevallen, en stelden ons in staat, het door een schot hagel te bevrijden. Eerst wist hij niet, wat hem overkwam, maar weldra liep hij huilend weg.
“Half volwassen Gestreepte Wolven hielden wij dikwijls op ons erf. Een van deze ontwikkelde zich tot een zeer flink dier, en werd zoo tam en welgemanierd, dat wij hem weldra een onbeperkte vrijheid konden toestaan. Hij liep niet slechts binnen de omrastering rond, en bezocht de kamers, maar zwierf uren lang zoowel door onze aanplantingen, als door de velden en heesterbosschen van de omstreken. Daar zocht en ving hij Kevers en Sprinkhanen; die, welke opvlogen, sprong hij spelenderwijs uit overmoed achterna; hij maakte waarschijnlijk ook menig klein Zoogdier, menigen onvoorzichtigen Vogel buit. Ongelukkig hield hij zich niet bezig met de jacht op Ratten, die op ons erf een ware plaag geworden waren. Onze tamme Vogels liet hij met rust, nadat hem eens een onbeduidende kastijding was toegediend, toen hij op heeterdaad betrapt was bij het vangen van een Hoen. Als hij later nogmaals begeerige oogen sloeg op een verleidelijk stukje, dan was een zacht ‘Pst!’ of een verwijtend woord voldoende, om hem op het pad der deugd te houden. Soms bleef hij den geheelen dag afwezig, maar verscheen toch altijd ’s avonds in de eetkamer om eenige brokken in ontvangst te nemen. Wanneer men langer dan hij passend achtte, vergat hem iets te geven, meldde hij zich aan door zijn neus tegen ons been te duwen en ten slotte als een Hond den kop op onze knie te leggen. Hij nam alles dankbaar aan: brood, boonen, rijst, visch, vleesch, zelfs rauwe bananen en olienoten; hij vergruisde echter geen andere dan dunne beenderen. Als iemand zich met hem bemoeide en hem vriendelijk aansprak, keek hij dezen vroolijk en trouwhartig als een Hond aan; hij kwispelstaartte echter zelden. De menschelijke stem maakte in zulke omstandigheden op hem een indruk, soortgelijk aan die, welke zij, naar mij gebleken is, op den Gorilla maakt; hij scheen er letterlijk door betooverd.”
De Jakhals (Canis [Lupus] aureus) is het dier, dat door de ouden Thos en Gulden Wolf werd genoemd; de “Vossen,” die Simson gebruikte om het koorn van de Filistijnen in brand te steken, zijn waarschijnlijk Jakhalzen geweest. In ’t Oosten is dit dier overal bekend; men spreekt daar over zijne daden met hetzelfde welgevallen, als waarmede men te onzent die van den Vos gedenkt.
De Jakhals heeft, zonder den 22 à 26 cM. langen staart, een lichaamslengte van 65 à 80 cM. en een schouderhoogte van 45 à 50 cM.; hij is krachtig gebouwd en staat hoog op de pooten; zijn snuit is spitser dan die van den Wolf, maar stomper dan die van den Vos; de ruige staart hangt tot aan het hielgewricht naar beneden. De ooren zijn kort, de lichtbruine oogen hebben een ronde pupil. Een ruige vacht van moeielijk te beschrijven kleur, die uit middelmatig lange haren samengesteld is, bedekt het lichaam. De grondkleur is vuil vaal of grijsachtig geel, op den rug en aan de zijden meer naar zwart zweemend, soms ook zwart gegolfd. Deze kleur is scherp gescheiden van die der zijden en der ledematen, die evenals de hals en de zijden van den kop, een vaalroode kleur hebben. Het vaalgeel van de onderzijde gaat aan de keel en den buik in witachtig geel, aan de borst in roodachtig geel, aan den onderhals in grijs over.
Gestreepte Wolf (Canis adustus). ⅛ v. d. ware grootte.
Azië moet als het vaderland van den Jakhals aangemerkt worden. Bij Indië te beginnen is hij over het westen en noordwesten van dit werelddeel verbreid; door Beloetsjistan, Afghanistan, Perzië, Kaukasië, Klein-Azië, Palestina en Arabië strekt zijn verbreidingsgebied zich uit over Noord-Afrika en ook over een deel van Europa, n.l. Turkije, Griekenland en eenige streken van Dalmatië. In Indië en Ceylon treft men hem overal aan, in bosschen zoowel als in open landschappen, in vlakten en in bergstreken, in den Himalaja tot op een hoogte van 1000 M.
De Jakhals houdt door zijn levenswijze het midden tusschen den Wolf en den Vos. Hij gelijkt meer op dezen dan op genen. Over dag blijft hij verscholen; tegen den avond gaat hij op de jacht, huilt luid om andere dieren van zijn soort tot zich te lokken en zwerft dan met deze rond. Hij houdt zeer van gezelligheid, ofschoon hij ook wel onverzeld jaagt. Misschien is hij wel de brutaalste en lastigste van alle wilde Honden. Hij heeft niet het minste ontzag voor de woonplaatsen van den mensch, maar dringt onbeschaamd dorpen en zelfs volkrijke steden ook boerenerven en woningen binnen, en neemt daar weg, wat hij er van zijn gading vindt. Door deze indringendheid wordt hij veel onaangenamer en lastiger dan door zijn berucht nachtgezang, dat hij met een bewonderenswaardige volharding pleegt voor te dragen. Zoodra de nacht werkelijk aangebroken is, hoort men een veelstemmig, in de hoogste mate jammerlijk gehuil, dat eenigszins herinnert aan dat van onzen Hond, maar zich door een grootere afwisseling onderscheidt. Het moet volstrekt niet aangemerkt worden als een uiting van een droefgeestige gemoedsstemming; want de Jakhalzen huilen ook bij een overvloedig maal.
Tot den haat, die hun toegedragen wordt, geven de Jakhalzen trouwens ook nog door andere daden aanleiding. Het geringe nut dat zij aanbrengen, staat volstrekt niet in verhouding tot de schade, die zij veroorzaken. Nuttig worden zij door het uit den weg ruimen van aas en het verdelgen van allerlei ongedierte, hoofdzakelijk door het vangen van Muizen; schadelijk zijn zij door hunne onbeschaamde gauwdievenstreken. Zij verslinden niet alleen alles wat eetbaar is, maar stelen bovendien nog allerlei oneetbare zaken uit huis en hof, tent en kamer, stal en keuken; zij nemen mede wat hun aanstaat. Hunne lust en liefhebberij voor ’t stelen is misschien even groot als hun vraatzucht. In den kippenloop spelen zij ongeveer de rol van onzen Reintje, moorden met den bloeddorst van den Marter en rooven op even onbeschaamde wijze als de Vos, zonder daarbij even listig te werk te gaan. Nu en dan verstouten zij zich zelfs tot het belagen van een van de kudde afgedwaald dier, van lammeren en jonge Geiten, vervolgen klein wild of plunderen de boomgaarden en de wijnbergen. Naar men zegt, hebben in Indië ook de suikerriet- en maïs-plantages door hun vraatzucht te lijden, en richten zij ook in de koffietuinen schade aan door groote hoeveelheden rijpe bessen te verslinden. De zaden, de koffieboonen, werpen zij onverteerd weer uit; deze worden ijverig opgezocht, daar zij, naar beweerd wordt, de beste koffie opleveren. ’t Is wel mogelijk, dat dit waar is, hoewel de reden van de betere kwaliteit der koffie niet te zoeken is in de omstandigheid, dat de boonen reeds eenmaal door het spijskanaal van het dier zijn heengegaan, maar hierin, dat de Jakhalzen gewoon zijn de lekkerste vruchten uit te kiezen.
Jakhalzen, die in hun prille jeugd gevangen zijn, worden weldra zeer tam, in allen gevalle veel tammer dan Vossen. Zij worden zeer gehecht aan hun meester en volgen hem als Honden; evenals deze laten zij zich liefkoozen en verlangen zelfs liefkoozingen; zij komen als men ze roept, kwispelstaarten vriendelijk als zij gestreeld worden, kortom zij hebben eigenlijk alle zeden en gewoonten van de Huishonden. Zelf als zij op meer gevorderden leeftijd gevangen zijn, onderwerpen zij zich na verloop van tijd aan den mensch, hoe bijtlustig zij aanvankelijk ook zijn.
Een welbekende Amerikaansche Wolf, de Huilwolf of Steppenwolf, Prairiewolf of Coyote (Canis [Lupus] latrans) doet zich voor als een middelvorm tusschen de Wolven en de Vossen, hoewel hij onmiskenbaar bij de Wolven behoort. Met deze komt hij door den bouw van romp en staart alsook door de krachtige pooten overeen, zijn spits toeloopende snuit herinnert aan dien van den Vos. Wegens de buitengewoon goed gevulde vacht schijnt zijn krachtige romp nog dikker, dan hij werkelijk is; de hals is kort en krachtig; de van boven breede, aan den snuit toegespitste kop is slanker dan die van den Wolf; het oor is tamelijk groot, van onderen breed, van boven echter niet afgerond. Het lichtbruine oog heeft een ronde pupil. De vacht heeft een vuil geelachtig grijze kleur.
De Prairiewolf heeft een uitgestrekt verbreidingsgebied in de binnenlanden van Noord-Amerika; het wordt aan de oostzijde ongeveer door den Mississippi begrensd, en strekt zich ten zuiden van Britsch-Amerika ongeveer tot Middel-Amerika, misschien tot de landengte van Panama uit. Vooral in de vlakten van den Missouri, in Californië en in Columbia zijn deze dieren algemeen. De prins Von Wied, aan wien wij, nevens Audubon, de beste beschrijving van de Coyotes te danken hebben, zegt, dat zij steeds eenzaam of paarsgewijs voorkomen en in levenswijze met de Europeesche Wolven overeenstemmen. Zij rooven alles wat zij machtig kunnen worden en gelijken ook door hun sluwheid op onze Wolven en Vossen. Des nachts dringt dit dier dikwijls tot in de Indiaansche dorpen door; in den winter ziet men het niet zelden ook over dag ronddraven, evenals de Wolf doet, wanneer er veel sneeuw ligt en het zeer koud is. In den bronsttijd bewoont de Prairiewolf holen, die hij zelf gegraven heeft; hier werpt de Wolvin in April 6 à 10 jongen. Omstreeks dezen tijd hoort men in de Prairiën haar stem; een zonderling geblaf, waarvan de slotklank eenigszins gerekt is, en dat op het geluid van onze Vossen gelijkt.
Over het leven van dit dier in de gevangenschap kan ik op grond van eigen ervaringen berichten geven. Ik hield gedurende geruimen tijd een Prairiewolf, die in de kamer was opgevoed, en zich als een goedaardige Hond gedroeg, hoewel alleen tegenover bekenden. Als hij zijne vrienden zag, deed hij uit blijdschap luchtsprongen, kwispelstaartte en kwam dicht bij de traliën van zijn hok om zich te laten liefkoozen. Hij likte echter niet de hand van den persoon, die hier stond; hoogstens rook hij er aan. Als hij alleen was, verveelde hij zich en begon jammerlijk te huilen. Wanneer men hem echter een dier tot gezelschap gaf, mishandelde hij dit steeds, tenzij zijn kameraad beter bijten kon dan hij zelf.
De klaagtoonen van andere dieren hadden veel invloed op hem. Met het gehuil van de Wolven stemde hij steeds in, hij beantwoordde zelfs het gebrul of gebrom der Beren. Als men hem met een klagende stem toesprak, huilde en jankte hij, evenals vele Huishonden in een dergelijk geval doen. Ook de muziek ontlokte hem steeds luide klaagtonen; zijn huilen was evenwel niet zeer ernstig gemeend.
Als de laagst ontwikkelde vertegenwoordiger van de Wolven op het noordelijk halfrond beschouwt men den Marterhond (Canis [Lupus] procyonoides, Nyctereutes viverrinus), een eigenaardig dier van marterachtig voorkomen, dat in de gematigde gewesten van Oost-Azië en meer bepaaldelijk in China en Japan inheemsch is. Het leidt een nachtelijk leven en voedt zich bij voorkeur met Muizen en Visschen. Zijne naaste verwanten zijn volgens de nieuwste onderzoekingen eenige Zuid-Amerikaansche Wilde Honden, van welke wij den Maikong of Karasissi, den Savanna-Hond der kolonisten (Canis [Lupus] cancrivorus), en den Aguarachay of Braziliaanschen “Vos” (Canis [Lupus] vetulus of Azarae) vermelden. Het vaderland van den laatstgenoemde is geheel Zuid-Amerika, van den Stillen tot den Atlantischen Oceaan, van den evenaar tot aan de zuidspits van Patagonië. Als een in ’t oog vallende eigenaardigheid van dit dier wordt medegedeeld, dat het allerlei voorwerpen, waarvan het geen dienst kan hebben, wegsleept en verstopt. Tschudi vond in het hol van zulk een “Zorra”, zooals de Brazilianen het noemen, een stuk van een stijgbeugel, een spoor en een mes.
Huilwolf (Canus latrans). 1/9 v. d. ware grootte.
*
Een tweede ondergeslacht van de Wolven (Lycaon) wordt gevormd door een der merkwaardigste en tevens fraaist geteekende soorten: de Hyena-Hond. Zijn romp is slank, maar toch krachtig gebouwd, de kop middelmatig, eerder klein dan groot, de snuit stomp; het gehoor en het gezicht zijn zeer ontwikkeld, de ooren hoog, breed en bijna onbehaard; de oogen zijn groot en hebben een ronde pupil. De matig hooge pooten, de krachtige voeten, welke zich van die der overige Honden onderscheiden, doordat zij ook aan de voorpooten slechts vier teenen hebben, de middelmatig lange, niet bijzonder ruige staart en het kort- en gladharige vel, dat op een hoogst eigenaardige wijze gekleurd is, zijn ook nog kenmerken van het ondergeslacht.
De Hyenahond, Steppenhond, Geteekende Hond of Jachthyena (Canis [Lycaon] pictus) heeft ongeveer de grootte van een middelmatig grooten slagers-Hond, met wien hij ook in gestalte veel overeenkomst vertoont. Hoewel hij slank en licht gebouwd is, maakt hij den indruk van krachtig en sterk te zijn. Er zijn waarschijnlijk geen twee dieren van deze soort te vinden met volkomen gelijke teekening: deze heeft alleen aan den kop, en den hals een zekere bestendigheid. Wit, zwart en okergeel zijn de hoofdkleuren. Bij den eenen heeft de witte, bij den anderen de zwarte kleur de overhand; een van deze kan dus aangemerkt worden als de grondkleur, waarop hetzij de lichtere of de donkerdere vlekken scherp uitkomen. Ook de vlekken zijn onregelmatig, nu eens kleiner, dan weer grooter, zeer verschillend van vorm en dikwijls over het geheele lichaam verdeeld; de witte en okerkleurige zijn echter altijd met zwart omzoomd. De snuit is tot aan de oogen zwart, en deze kleur zet zich ook nog als lange strepen tusschen de oogen en ooren, langs de kruin, den bovenkop en den nek voort. De ooren zijn zwart, de oogen bruin. De staart is aan den wortel okerkleurig, in ’t midden zwart, de ruige spits is wit of okergeel.
De Hyenahond bewoont Afrika; zijn verbreidingsgebied is echter nog niet nauwkeurig bepaald. In Zuid-Afrika komt hij voor; in Oost-Afrika zag Böhm hem zoowel ten oosten als ten zuiden van het Tanganjika-meer; Rüppell ontmoette hem in Nubië; in het Bongo-land is hij, volgens Schweinfurth, zeer veelvuldig; ditzelfde geldt, volgens Nachtigal, van Kanem aan het meer Tsad.
Gordon Cumming leerde den Steppenhond in Zuid-Afrika kennen. “Deze Honden,” verhaalt hij, “jagen in benden, die soms uit een zestigtal individuën bestaan; zij doen dit met zooveel volharding, dat zij zelfs de grootste en sterkste Antilope afmatten en overweldigen. Voor zoover mij bekend is, wagen zij het niet Buffels aan te vallen. Zij vervolgen het wild, totdat het niet meer voort kan, sleuren het dan onmiddellijk op den grond en verslinden het in weinige minuten. Voor den mensch toonen zij minder vrees dan eenig ander Verscheurend Dier.” Heuglin noemt den Hyenahond in weerwil van zijn fraaie kleur en schoone gestalte “een even vuil en sterk riekend als bijtlustig dier,” en zegt, dat het “zijne valschheid en arglistigheid niet verloochenen kan”; hij verzekert, dat het, door een schot getroffen zijnde, niet schroomt, zelf den mensch aan te vallen.
Hoe dit ook zijn moge, deze bontgekleurde roover is en blijft in hooge mate belangwekkend. Het moet een prachtig schouwspel zijn, deze schoone, behendige en luidruchtige dieren te zien jagen. Zij hebben b.v. een Sabel-antilope, een groot dier, dat zich zeer goed kan verdedigen, opgejaagd. Zij kent hare vervolgers en ijlt, terwijl zij hare veerkrachtige pooten met de grootst mogelijke snelheid beweegt, door de steppe. De troep stormt haar na, keffend, huilend, jankend, en op een onbeschrijfelijke wijze luidruchtig; men zou dit geluid een juichtoon kunnen noemen, want het klinkt als een klok. Voort gaat de jacht; de Antilope vergeet door den grooten nood, waarin zij verkeert, ieder ander gevaar. Zonder schroom voor de menschen, die zij gewoonlijk met zorg ontwijkt, ijlt zij hen voorbij; de dicht aaneengesloten Hyenahonden volgen haar op den voet. Hun gang is een nooit vermoeiende, langgestrekte galop; de vervolging geschiedt met overleg: als de voorste honden vermoeid zijn, nemen de achterste, die door het afsnijden van bochten hunne krachten gespaard hebben, de leiding op zich, en zoo lossen zij elkander af, zoolang de jacht duurt. Eindelijk wordt het wild vermoeid; het blijft staan. In ’t bewustzijn van haar kracht biedt de Antilope het hoofd aan hare moordgierige vijanden. In groote bogen bewegen de slanke, spitse horens zich over den bodem. Al wordt ook de een of andere vervolger gewond of misschien doodelijk getroffen, toch ligt in den regel het wild reeds na verloop van een minuut rochelend en met den dood worstelend ter aarde, soms slaagt het er echter in zich nog eens te bevrijden. Dan begint een nieuwe drijfjacht en de Jachthyenas stormen, den snuit rood van ’t bloed, hun gewond slachtoffer na. Naar het schijnt, vermeerdert hun moordlust door den dood van iedere nieuwe prooi; men zegt, dat zij alleen de ingewanden van den buit verslinden en het overige laten liggen. Van het spiervleesch gebruiken zij, naar het schijnt, slechts weinig; Burchell vond een pas gedoode Elandantilope, waaraan alleen de inhoud van de lichaamsholte ontbrak, en legde beslag op het overschot van het wild voor eigen gebruik.
Naar het schijnt, mag men van het temmen van den Hyenahond goede uitkomsten verwachten. Hij zou een voortreffelijke speurhond zijn; maar, het is geen gemakkelijke taak een Roofdier met zulk een karakter aan den wil van den mensch te onderwerpen. Schweinfurth zag in een “seriba” in Bongo-land “een buitengewoon goed getemd exemplaar, dat voor zijn meester zoo volgzaam was als een Hond.” In het jaar 1859 vond ik tot mijn groote blijdschap een zeer goed onderhouden en bijna volwassen Steppenhond in een beestenspel te Leipzig. Later heb ik verscheidene van deze dieren gezien en eenige zelf in gevangenschap gehad. Een onstuimige uitgelatenheid, een, naar het mij voorkomt, onbedwingbare aandrang tot bijten, misschien zonder de bedoeling om hierdoor pijn te doen, maar veeleer een uitvloeisel van het streven om de kwikzilverachtige levendigheid van den roerigen geest door daden te openbaren: dit is, mijns inziens, de eigenlijke aard van dit dier. Iedere vezel trilt en komt in beweging, zoodra de Hyenahond op de een of andere wijze geprikkeld wordt. Zijn ongeloofelijke bedrijvigheid, die zooeven nog als overdreven vroolijkheid zich openbaarde, vertoont zich in ’t volgende oogenblik als wildheid, bijtlust, roofzucht. “Het blaffen baat hier niet,” laat Grandville zijn Wolf zeggen, “gebeten moet er worden”: als hij den Steppenhond gekend had, zou hij hem dit woord in den mond gelegd hebben.
Hyenahond (Canis pictus). 1/10 v. d. ware grootte.
Sykes beschreef een Wilden Hond van Indië, den Kolsoen, waarin hij den stamvader van onze Huishonden meende te erkennen. Dit dier, dat volgens zijne opgaven een grooter overeenkomst heeft met den Windhond dan met den Jakhals of den Wolf, behoort tot een derde ondergeslacht (Cyon) van de Wolven, welks verbreidingsgebied merkwaardigerwijze over ’t geheel genomen met dat van den Tijger samenvalt. Hij heeft ongeveer de afmetingen en lichaamsverhoudingen van een middelmatig grooten Windhond; de beharing is overal even dicht en bestaat uit vrij korte haren, die slechts aan den staart verlengd zijn; de kleur wisselt af van fraai bruin- of roestrood tot bruinachtig grijs, is aan de onderzijde lichter, donkerder daarentegen op den snuit, de ooren, de voeten en het puntje van den staart.
Adjag (Canis rutilans). 1/7 v. d. ware grootte.
De bedoelde Wilde Hond draagt in Indië de namen Son-Ram-koetta, Dsjangli, Kolsoen, Kolsa enz. en heet in den Himalaja Boeansoe enz. (Canis [Cyon] dukhunensis en primaevus). Hij komt voor in den geheelen Himalaja, van het dal van den Boven-Indus en Kaschmir oostwaarts tot Assam, in het oostelijk deel van Tibet en in alle boschrijke districten van Voor-Indië.
Als een echte woudbewoner houdt de Kolsoen zich bij voorkeur op in uitgestrekte, geheel met boomen begroeide landstreken, ook wel in de dsjungels; in de noordelijke, hoog gelegen deelen van zijn verbreidingsgebied, waar de wouden ontbreken, moet hij zich ook weten te redden op kale en rotsachtige terreinen. Naar het schijnt, is hij nergens talrijk, en kan niet lang in hetzelfde jachtgebied blijven, omdat hij door zijn wijze van jagen het wild zeer onrustig maakt en verdrijft. Voor de jacht vereenigen deze dieren zich tot troepen, die in den regel uit 2 à 12, zelden uit 20 (volgens vroegere berichten uit 50 à 60) individuën bestaan; hij vervolgt zijn prooi in stilte, laat althans slechts nu en dan zijn stem hooren, die op een angstig jammeren gelijkt en geen blaffen is. Alle onderzoekers verklaren eenstemmig, dat hij zeer behendig jaagt. Zijn wijze van jagen komt overeen met die van den Hyenahond. Zoodra de bende een dier heeft opgespoord, vervolgt zij het met de grootste volharding, of splitst zich in alle richtingen, om het ontsnappen van de prooi te verhinderen; zelfs het snelvoetige Hert kan hun, naar men zegt, niet ontloopen. De eigenlijke aanval heeft niet van voren plaats, en is niet naar de keel gericht, maar naar de flanken, naar de weeke deelen van het achterste deel van den romp, die het Roofdier door beten, welke bliksemsnel gedurende de vervolging toegebracht worden, weet te verscheuren, zoodat de ingewanden naar buiten treden, waarna het slachtoffer zeer spoedig ter aarde stort.
De Maleische Wilde Hond of Adjag (Canis [Cyon] rutilans) is kleiner en zwakker dan zijn Indische neef en draagt een geelachtig vosrood tot donker roestrood haarkleed, dat aan de onderzijde lichter gekleurd is. De staartspits is zwart.
De levenswijze en jachtgewoonten van den Adjag komen, naar het schijnt, in hoofdzaak met die van den Kolsoen overeen; dat hij groote dieren, die zich verweren kunnen, vervolgt, vinden wij niet van hem vermeld. Zijn woonplaats is op Sumatra en Java gelegen en strekt zich, voorzoover zij thans bekend is, van ongeveer 1000 M. hoogte uit tot aan het zeestrand, waar hij, volgens Junghuhn, in sommige tijden een zeer eigenaardige prooi vervolgt. “Toen ik,” zegt Junghuhn, “den 14en Mei 1846, uit het langs de kust zich uitstrekkend kreupelbosch van den Tandjoeng-Sodong kwam en het breede zeestrand overzag tot aan de overzijde, waar zich, de landtong Pangarok (letterlijk vertaald: ‘Schildpaddenoorlog’) bevindt, kon ik mij op een slagveld verplaatst wanen. Honderden geraamten van merkwaardig groote Schildpadden lagen overal verspreid. Eenige waren door de zon gebleekt en bestonden slechts uit gladde beenderen, andere waren nog ten deele gevuld met de verrottende, stinkende ingewanden, nog andere waren versch en bloederig; alle lagen echter op den rug. Op deze plaats worden n.l. de Schildpadden gedurende hun nachtelijke wandeling van den zeeoever naar de duinen en van hier terug naar de zee door de Wilde Honden aangevallen. Deze komen in troepen van 20 à 30 stuks, grijpen de Schildpadden aan bij alle deelen van hun gepantserd lichaam die een houvast aanbieden, rukken aan de pooten, aan den kop, aan het achtereind, en weten door vereende krachten het dier, ondanks zijn reusachtige grootte, om te wentelen, zoodat het op den rug komt te liggen. Dan beginnen zij op alle plaatsen te knagen, scheuren het buikpantser los en vergasten zich aan de ingewanden, het vleesch en de eieren van hun slachtoffer. Vele Schildpadden ontvluchten hunne bloedgierige vervolgers, en bereiken, terwijl zij de aan hun lichaam rukkende Honden achter zich aansleepen, gelukkig de zee. Ook kunnen de Honden niet altijd een reeds overmeesterde prooi rustig verslinden. In vele nachten komt de beheerscher der wildernis, de Koningstijger, uit het woud te voorschijn, blijft een oogenblik staan om met fonkelende oogen het strand te overzien, sluipt dan langzaam naderbij en stort zich eindelijk onder dof snuivend geknor met een sprong te midden van de Honden, die naar alle zijden uiteenstuiven en in wilde haast naar het bosch vluchten. Gedurende hun terugtocht laten zij een kort afgebroken, eer fluitend, dan knorrend geschreeuw hooren. Zoo voeren zij strijd met de bewoners van den Oceaan op een onbeschrijfelijk woeste en onheilspellende plaats, die door de Javanen nooit bezocht wordt, maar voor den reiziger, welke door de wildernis zwerft, reeds op een afstand kenbaar wordt door de talrijke Roofvogels, die hoog in de lucht daarboven kringen beschrijven.”
De Dingo of Warragal (Canis dingo) de Wilde Hond van Australië, werd tot voor korten tijd als een verwilderde Huishond aangemerkt, waarmede hij werkelijk in vele opzichten overeenstemt. Deze meening vond o. a. steun in de omstandigheid, dat de Dingo met uitzondering van eenige Vleermuizen en op Muizen gelijkende Knaagdieren het eenige Zoogdier van Australië is, dat niet tot de Buideldieren of Kloakdieren behoort. Mac Coy en Nehring hebben echter fossiele overblijfselen van den Dingo gevonden in de pliocene en diluviale lagen van Victoria en het bewijs geleverd, dat dit dier een echte Wolf en geen verwilderde Huishond is. Hij is aan den Indischen Wolf of landjak der Mahratten (Canis pallipes) nauw verwant en kwam over het land, dat in een gedeelte van het pliocene tijdvak Australië met het zuidoosten van Azië verbond, in het thans door hem bewoonde gebied.
De Dingo bereikt ongeveer de grootte van een middelmatigen Herdershond. Zijn gestalte is gedrongen, zijn kop groot en plomp, stompneuzig en afgeknot, het overeindstaande oor is aan den oorsprong breed, aan de spits afgerond, de ruige staart reikt tot voorbij den hiel; het dier ziet er stevig gespierd uit, daar de pooten slechts een geringe hoogte hebben. De beharing is vrij gelijkmatig. Bij de meeste exemplaren, die ik gezien heb, heeft de onbepaald bleek geelachtig roode kleur een meer of minder grijze, soms ook zwartachtige tint. De kin, de keel, de onderzijde en de staart zijn gewoonlijk lichter, terwijl de haren van de bovenzijde zich door een donkerder kleur onderscheiden. Ofschoon de genoemde kleuren het meest voorkomen, treft men b. v. ook zwarte Dingos aan, enkele hebben witte pooten enz.