Dingo (Canis dingo) ⅛ v. d. ware grootte.
Ook thans nog bewoont de Dingo bijna alle dichte bosschen van Australië, de met kreupelhout begroeide ravijnen, de boschjes der steppen en deze zelve. Hij is over het geheele vastland verbreid en overal vrij veelvuldig. Men houdt hem voor den gevaarlijksten vijand van ’t vee en vervolgt hem op alle mogelijk wijzen.
Door zijne levenswijze en gewoonten gelijkt de Dingo meer op onzen Vos, dan op den Wolf. Evenals gene ligt hij op onveilige plaatsen den geheelen dag in zijn schuilhoek verborgen, en zwerft hier eerst in de nachtelijke uren rond om jacht te maken op nagenoeg alle op den bodem levende Australische dieren. Aan den Vos herinnert hij ook hierdoor, dat hij slechts zelden tot groote gezelschappen vereenigd zijne rooverijen pleegt. Gewoonlijk ziet men troepen van 5 à 6 stuks, meestal een moeder met hare kinderen; het gebeurt echter ook wel, dat zich vele Dingos bij één dood dier verzamelen; sommige kolonisten beweren, dat zij bij een dergelijken maaltijd 80 à 100 van deze dieren bijeen hebben gezien. Naar men zegt, blijven de leden van een familie zeer trouw bij elkander; zij bewonen een eigen gebied en gaan nooit jagen in dat van een andere bende, maar dulden ook niet, dat deze de grenzen van hun jachtveld overschrijdt.
Voordat de kolonisten geregeld te velde trokken tegen dezen aartsvijand van hunne kudden, verloren zij door hem een verbazend groot aantal Schapen. Men verzekert, dat uit een enkele schapenfokkerij binnen 3 maanden niet minder dan 1200 stuks Schapen en lammeren door de Dingo’s geroofd werden. Grooter nog dan de verliezen, die een direct gevolg zijn van den aanval van het Roofdier, is de schade die er indirect uit voortvloeit, omdat de Schapen, zoodra hij verschijnt, in zinneloozen angst wegrennen, zonder te weten wat zij doen, in de wildernis loopen en dan ten prooi vallen aan andere Dingo’s of van dorst bezwijken.—Bovendien verslindt dit Roofdier allerlei soorten van Kengoeroes en andere grooteren en kleinere, in het struikgewas levende dieren. Hij maakt jacht op ieder in Australië inheemsch dier, en is alleen voor den Huishond bang. De Herdershonden en Jachthonden leven in voortdurende vijandschap met de Dingo’s; deze dieren vervolgen elkander wederkeerig met woede. Als eenige Huishonden een Dingo zien, vallen zij op hem aan en scheuren hem aan stukken; hetzelfde lot valt den verdwaalden Huishond ten deel, als hij onder de Dingo’s geraakt.
Voor den mensch neemt de Dingo geregeld de vlucht, wanneer hiervoor nog tijd is. Bij het vluchten openbaart hij de list en de geslepenheid van den Vos; hij verstaat meesterlijk de kunst om van alle omstandigheden in zijn belang gebruik te maken; wanneer echter zijne vijanden hem dicht op de hielen zijn en hij meent hun niet meer te kunnen ontloopen, draait hij zich in wilde woede om en verweert zich met de razernij der vertwijfeling; ook dan echter maakt hij van elke gunstige gelegenheid gebruik om zoo schielijk mogelijk weg te komen. Voor de taaiheid van ’t leven van dit dier voert Bennett bewijzen aan, die werkelijk aan ’t ongeloofelijke grenzen. Een Dingo was door zijne vijanden verrast en zoo door hen geslagen, dat zij niet beter wisten, of al zijne beenderen zouden wel stuk zijn, waarop zij hem lieten liggen. Nauwelijks echter hadden de mannen zich van het schijnbaar levenlooze lichaam verwijderd, toen zij tot hun verrassing het dier zagen opstaan, zich afschudden en zich zoo schielijk mogelijk naar het woud begeven.—Alle mogelijke middelen worden toegepast om den Dingo uit te roeien. De hand van een ieder is tegen hem. Men schiet hem, vangt hem in vallen en vergiftigt hem met strychnine. Met het geweer wordt hij slechts bij toeval gedood, want hij is te schuw en te listig om vaak binnen schot te komen; ook bij drijfjachten weet hij behendig zich uit de voeten te maken.
Meestal wordt deze Hond ontembaar genoemd. In gezelschap van de inboorlingen van Australië vindt men echter nu en dan Dingos, die in een half wilden toestand verkeeren. Vele Dingos, die in Europeesche dierentuinen gevangen leefden, bleven wild en boosaardig, en hun wolvenaard openbaarde zich bij iedere gelegenheid, zoodat hunne oppassers voortdurend voor hen op hun hoede moesten zijn. Dat men echter tot zeer verkeerde gevolgtrekkingen geraakt, wanneer men, uit hetgeen aan één of eenige exemplaren waargenomen werd, een algemeenen regel voor de geheele soort wil afleiden, blijkt uit de Dingo’s van de dierentuin te Breslau. Een daarvan is zoo tam geworden als een Hond, de andere is wild gebleven; de eene heeft, wat een zeer opmerkelijk feit is, mettertijd op de gewone wijze leeren blaffen en maakte in den regel gebruik van deze aangeleerde spraak, b.v. wanneer een deur in de nabijheid van zijn kooi geopend werd; de andere Dingo daarentegen huilde met langgerekte, lachende geluiden als een Jakhals, op dezelfde wijze geaccompagneerd door het dier, dat blaffen kon; beide voerden dus een huil-duet op. Schlegel, aan wien ik deze mededeelingen te danken heb, was met mij van oordeel, dat de nakomelingen van deze Dingos hoogst waarschijnlijk zeer bruikbare helpers van den mensch zouden kunnen opleveren.
Werkelijk is dan ook King er in geslaagd, een jongen Dingo op te voeden en zoo af te richten, dat hij bij het hoeden van rundvee bruikbaar bleek te zijn, en Pechuel-Loesche zag aan boord van het Engelsche pantserschip “Defence” een mooien, krachtigen Dingo, die als een Hond op het geheele schip rondliep, zonder ongeval de steile trappen op- en afging en met iedereen vriendschappelijk verkeerde.
“Door het verstand van den Hond bestaat de wereld,” leest men in den Vendibad (het “wetboek”), het oudste en echtste deel van de Zendavesta, een van de oudste boeken, die men kent.
Geen enkel dier ter wereld verdient zoozeer de volle en onverdeelde achting, de vriendschap en de liefde van den mensch als de Hond. Hij maakte als ’t ware een deel van den mensch uit, voor wiens leven en welzijn hij onontbeerlijk is. “De Hond,” zegt Cuvier, “is de merkwaardigste, volledigste en nuttigste verovering, die de mensch ooit gemaakt heeft. De geheele diersoort is ons eigendom geworden, ieder lid er van behoort den mensch, zijn meester, volkomen toe, richt zich naar diens gebruiken, kent en verdedigt diens eigendom en blijft hem trouw tot in den dood. En deze onderworpenheid is geen gevolg van nooddwang of vrees, maar het uitvloeisel van zuivere liefde en gehechtheid. Door zijn vlugheid, door de buitengewone ontwikkeling van zijn reukzin, is hij voor den mensch een machtige bondgenoot; misschien is hij zelfs noodzakelijk voor het bestaan van de menschelijke maatschappij. De Hond is het eenige dier, dat den mensch over de geheele oppervlakte der aarde gevolgd heeft.”
De Hond verdient wel, dat ik hem uitvoerig behandel, hoewel hij schijnbaar algemeen bekend is, en dat ik met groote liefde en onvermengd genoegen zijner gedachtig ben. Zoover zich het menschelijk geslacht heeft uitgebreid, vindt men ook hem; zelfs de armzaligste, onbeschaafdste en minst ontwikkelde volken hebben hem tot metgezel, tot vriend, tot verdediger. Zoomin de overlevering als het wetenschappelijk onderzoek hebben ons echter tot dusver voldoende inlichtingen verschaft over zijne voorouders: over de afstamming van het belangrijkste van alle huisdieren loopen de meeningen nog zeer ver uiteen. Van geen ander dier heeft de afkomst tot zooveel vermoedens, tot zooveel hypothesen aanleiding gegeven.
“Om,” zegt Blasius, “den Huishond als soort van de overige Wolven te onderscheiden, bestaan tot dusver nog geen betere kenmerken dan de naar links gekromde staart, welk feit reeds door Linnaeus werd vermeld. Het lot van den Hond in de natuurlijke geschiedenis gelijkt op dat van den mensch. Dat de Hond zich geheel heeft onderworpen en overgegeven aan den beheerscher der aarde, is een gebeurtenis die door de belangrijkheid van hare gevolgen eenig is in de geschiedenis der dierenwereld. Het bestaan van den Hond is zoo innig samengeweven met dat van den mensch, de Hond heeft zich, evenals de mensch, aan de zoo uiterst talrijke, onderling lijnrecht tegenovergestelde natuurwerkingen, die op het leven invloed oefenen, zoo volledig moeten onderwerpen, om zijn meester te helpen de geheele aardoppervlakte te veroveren en te beheerschen, dat alleen willekeurige onderstellingen ons ten dienste staan, wanneer wij over zijn oorspronkelijken natuurstaat (en die van den mensch) willen spreken. Dat geldt echter alleen van zijne lichamelijke eigenschappen. Over de natuur van zijn geest kan geen verschil van meening bestaan. De Hond is door zijn geraamte, zijn schedel, zijn gebit een Wolf; het is evenwel niet mogelijk, om hem naar aanleiding van de eigenaardigheden van zijn schedel of van zijn gebit met een in ’t wild levende soort van Wolf, welke dan ook, te vereenzelvigen, en ook niet, hem van de bekende soorten van Wolven scherp te onderscheiden. Onze Europeesche Honden zijn wat de eigenschappen van hun schedel betreft, middelvormen tusschen den Wolf en den Jakhals, maar zóó, dat deze eigenschappen op de menigvuldigste wijze gekruist, vereenigd en gevarieerd zijn.
“De Amerikanen hebben Honden gehad, voordat de Europeesche Hond door de Spanjaarden naar Amerika werd gebracht. In Mexico troffen de Spanjaarden stomme Honden aan. A. von Humboldt bericht, dat de Indianen van Jauja en Huanca, voordat de Inka Pachacutec hen tot de zonnedienst bekeerde, aan de Honden goddelijke eer bewezen. Hunne priesters bliezen op geskeletteerde Hondekoppen; schedels en mummiën van Honden werden in de Peruaansche begraafplaatsen van den oudsten tijd gevonden. Tschudi heeft deze schedels onderzocht, houdt ze voor verschillend van die der Europeesche Honden, en is van oordeel, dat zij tot een afzonderlijke soort behooren, die hij Canis ingae noemt. Bovendien worden de inheemsche Honden in de Peruaansche taal Runa-allco genoemd, om ze te onderscheiden van de Europeesche, die verwilderd in Zuid-Amerika voorkomen. Deze Honden zijn, naar men zegt, vooral den Europeanen vijandig gezind.
“Het is een opmerkelijk feit, dat de inheemsche soorten van Honden door den vorm van hun schedel tot de wilden soorten van Wolven naderen, nog opmerkelijker is het echter, dat zij door het verwilderen ook in uitwendige eigenschappen weder op de wilde vormen beginnen te gelijken. Dit geldt niet alleen van de kleur, maar ook van den vorm van het dier, van de rechtopstaande, spitse ooren, de beharing enz. Reeds Olivier vestigde er de aandacht op, dat de Honden in de omstreken van Konstantinopel op Jakhalzen gelijken. In het zuiden en oosten van Rusland treft men tallooze, half verwilderde, bij troepen rondloopende Honden aan, die dikwijls door kleur, lichaamsbouw en ooren zoo zeer op Jakhalzen gelijken, dat men er door misleid zou kunnen worden. Wegens deze overeenkomst van het uitwendig voorkomen is het licht te begrijpen, dat, zooals Pallas heeft opgemerkt, de Honden met den Jakhals echt vriendschappelijk verkeeren. Het is een bekend feit, dat er bastaarden van den Hond en den Wolf bestaan; ook van den Hond en den Jakhals komen in de vrije natuur niet zelden bastaarden voor. Pallas zegt zelfs, dat het bestaan van bastaarden van den Hond en den Vos bij de Russen als een bekende zaak wordt beschouwd; blijkbaar echter is deze opmerking niet op eigen waarneming gegrond.
“Wanneer men nu, na al deze omstandigheden te hebben nagegaan, zich afvraagt, of de Hond een soort, een zelfstandige en goed gekarakteriseerde soort is, zooals de Wolf, de Jakhals en de Vos, dan kan men er moeielijk toe besluiten, op deze vraag een bevestigend antwoord te geven. Bij geen enkele wilde diersoort komen zulke groote afwijkingen in den schedel, in den geheelen lichaamsbouw, in absolute grootte voor, als bij den Huishond. Maar ook de huisdieren, welke, naar men veronderstellen moet, hunne soortkenmerken nog zuiver en onvervalscht behouden hebben—die dus slechts in minder belangrijke opzichten door temming en teeltkeus veranderd zijn, zooals het Paard, de Ezel, het Rund, de Geit, het Zwijn—, bieden zulke tegenstellingen niet aan. Nog minder kan men in deze groote menigvuldigheid van vormen van Honden verscheidene soorten ontdekken. Dat van één stamsoort van den Hond geen sprake kan zijn, zal ieder hieruit wel kunnen afleiden. Evenmin is het waarschijnlijk, dat zulk een stamsoort tot dusver onopgemerkt en onbekend gebleven zou zijn.
“En zoo blijft ons dus, wanneer wij bij de behandeling van dit vraagpunt op natuur-historisch terrein willen blijven, eigenlijk geen anderen uitweg over, dan de door Pallas uitgesproken meening te onderschrijven: dat de Huishond zijn ontstaan dankt aan de temming en vermenging van de soorten van Wolven, die in verschillende landen inheemsch zijn. Deze stelling is natuurlijk, evenals alle andere meeningen over deze zaak, slechts een hypothese; volledige zekerheid zal men door onmiddellijke vergelijking van de schedels van Wolven en Honden kunnen verkrijgen. Uit vele feiten blijkt, dat in deze zaak de leerstellingen en meeningen van Buffon ons op een dwaalspoor zouden brengen. De onbeperkte kruising van de Hondensoorten onderling en van den Hond met den Wolf en den Jakhals, is met de meening van Pallas het best in overeenstemming te brengen. Ook is het niet van belang ontbloot, dat zij ons voor de groote verscheidenheid van vorm en grootte der Honden—die trouwens ook bij andere dieren, n.l. bij Hoenderen, voorkomt—een analogie verschaft in dergelijke, niet minder groote afwijkingen, die bij de hybriden van verschillende planten opgemerkt worden. De groote overeenstemming in vorm en kleur, die tusschen de verwilderde Honden en den Jakhals bestaat, en ook het samenleven en de vriendschap dezer dieren, zijn eveneens feiten van groote beteekenis. Ook als Paarden verwilderen, worden zij aanvankelijk meer en meer aan de wilde gelijk. Geiten, die gedurende het grootste gedeelte van ’t jaar vrij in het gebergte rondzwerven, en welker voorouders vele geslachten her ditzelfde leven leidden, zooals de Geiten van Dalmatië en van vele gewesten van Italië, gelijken zeer op de Wilde Bezoar-geit; bonte Konijnen, die in de vrije natuur aan zich zelf overgelaten worden, hebben na verloop van eenige jaren jongen, die er als wilde Konijnen uitzien, en volkomen wild zijn.”
Darwin zegt: “De redenen, waardoor verschillende schrijvers gekomen zijn tot de onderstelling, dat onze Honden van meer dan één wilde soort afstammen, zijn ten eerste het groote verschil, dat tusschen onze rassen van Huishonden wordt waargenomen, en ten tweede het feit, dat in de oudste, ons bekende historische tijden verscheidene Hondenrassen bestonden, die zeer weinig op elkander geleken, maar veel overeenkomst vertoonden met de tegenwoordige rassen, of zelfs geheel gelijk waren aan deze. Zoo geeft Youatt een teekening van een beeldhouwwerk uit de villa van Antoninus, waarop twee jonge Windhonden voorgesteld zijn. Op een Assyrisch gedenkteeken van omstreeks 640 v. C. is een zeer groote Bullebijter afgebeeld, gelijk aan die, welke thans nog in genoemd land ingevoerd worden. Op de Egyptische monumenten van de 4e tot de 12e dynastiën (d.i. van ongeveer 3400 tot 2100 v. C.) zijn verscheidene Hondenrassen afgebeeld, die voor ’t meerendeel aan de Windhonden verwant zijn. Een gedenkteeken uit een later tijdperk toont ons aan een Hond met hangende ooren, die op den Parforcehond gelijkt, maar een langeren rug en een puntiger toeloopenden kop heeft. Er is ook een dashond bij met korte kromme pooten, die weinig van het hedendaagsche ras verschilt. De oudste op de Egyptische monumenten afgebeelde Hond is een der eigenaardigste: hij gelijkt op een Windhond, maar heeft lange, spitse ooren en een korten, omgekrulden staart. Hij is nauw verwant aan een ras, dat ook thans nog in Noord-Afrika voorkomt, n.l. aan den Arabischen Everhond, waarvan E. Vernon Harcourt getuigt, dat hij “een excentriek, hiëroglyphisch dier is, zooals dat, waarmede Cheops eertijds ter jacht ging,” en dat hij “eenigszins gelijkt op den ruigharigen Schotschen Hertenhond.” In denzelfden tijd als dit overoude ras bestond er een, dat op de thans levende Paria-honden gelijkt. Hieruit blijkt dus, dat er reeds 4000 à 5000 jaar geleden verscheidene rassen van Honden waren, namelijk Pariahonden, Windhonden, gewone Parforcehonden, Bullenbijters, Wachthonden, Schoothondjes en Dashonden, die in meerdere of mindere mate op onze hedendaagsche rassen geleken. Afdoende bewijzen, dat een dezer Hondenrassen in alle opzichten overeenstemt met een der thans levende, bezitten wij echter niet.
“In Europa heeft men van getemde Honden gebruik gemaakt lang vóór den tijd, waaruit de alleroudste geschiedkundige berichten tot ons gekomen zijn. De beenderen van een tot de Honden behoorend dier, dat in de Deensche Kjökkenmöddingen (of ophoopingen van keukenafval) uit de jongste afdeelingen van den steentijd (het tijdperk der steenen werktuigen) gevonden werd, zijn waarschijnlijk afkomstig van een Huishond. Dit oude Hondenras werd in Denemarken gedurende den bronstijd (het tijdperk der bronzen werktuigen) vervangen door een grooter, eenigszins verschillend slag en dit laatste gedurende de ijzerperiode door een nog grootere verscheidenheid. In Zwitserland bestond in de jongste afdeeling van den steentijd een tamme Hond van middelmatige grootte, wiens schedel ongeveer evenveel afweek van dien van den Wolf als van dien van den Jakhals, en die sommige eigenaardigheden met onze Jachthonden en Patrijshonden gemeen had. Gedurende den bronstijd begon men hier een grooteren Hond te gebruiken, die, naar uit zijne kaakbeenderen blijkt, overeenkwam met een Hond, die in hetzelfde tijdperk in Denemarken voorkwam. Schmerling vond in een hol overblijfselen van twee Hondenrassen, die van de vorige aanmerkelijk verschilden, doch waarvan men niet met zekerheid gewaar kan worden, in welk tijdperk zij leefden.”
“De voornaamste bewijsgrond ten gunste van de meening, dat de verschillende rassen van Honden aan bepaalde, in ’t wild levende stammen hun ontstaan te danken hebben, is de overeenkomst, die men in onderscheidene gewesten opmerkt tusschen de getemde Honden en de wilde, die daar thans nog voorkomen. Het moet gezegd worden, dat het vergelijkend onderzoek, waarop deze uitkomst gegrond is, slechts in weinige gevallen met voldoende nauwkeurigheid verricht werd; hier staat echter tegenover, dat er niets onwaarschijnlijks gelegen is in de veronderstelling, dat verschillende soorten van Wilde Honden getemd zouden zijn. In bijna alle deelen der aarde worden leden van de familie der Honden in ’t wild aangetroffen, en verscheidene van deze soorten stemmen vrij wel overeen met de verschillende rassen onzer Huishonden. De onbeschaafde volken zijn zeer geneigd tot het temmen van allerlei soorten van dieren. Gezellig levende dieren worden het gemakkelijkst door den mensch onderworpen, en verscheidene soorten van Wilde Honden jagen in troepen. Toen de mensch in een lang vervlogen tijd voor ’t eerst in een land zich vestigde, hadden de daar levende dieren geen aangeboren of overgeërfde vrees voor hem, en konden daarom veel gemakkelijker getemd worden, dan thans. Toen de Falklands-eilanden voor ’t eerst door den mensch bezocht werden, kwam de groote Falklandsche Wolf (Canis antarcticus) onbevreesd Byron’s matrozen te gemoet, die deze uit onwetendheid voortspruitende nieuwsgierigheid voor woestheid aanzagen, en te water gingen om hen te ontloopen. Nog slechts kort geleden gelukte het iemand zulk een dier ’s nachts dood te steken, terwijl hij een stuk vleesch in de eene en een mes in de andere hand hield. Op de Schildpadden- of Galopagos-eilanden stiet ik met den loop van mijn geweer Valken van een tak af, en hield aan andere Vogels een emmer water voor, die er op gingen zitten om te drinken. Bovendien is het een belangrijk feit, dat verscheiden soorten van Wilde Honden geen sterken weerzin toonen, om zich in gevangenschap voort te planten; want juist het onvermogen om zich in den gevangen staat voort te planten, is een der sterkste hinderpalen tegen de temming. Ook is het noodig te weten, dat de wilden zeer gesteld zijn op het bezit van Honden; zelfs half-getemde dieren zijn hun hoogst nuttig. De Indianen in Noord-Amerika kruisen hunne half wilde Honden met Wolven, waardoor zij jachtgezellen verkrijgen, die wel wilder, maar ook moediger zijn dan de overige. De wilden van Guyana vangen de jongen van twee soorten van Wilde Honden en gebruiken ze op de jacht, na ze eenigermate getemd te hebben. Evenzoo handelen de inboorlingen van Nieuw-Holland met de jongen van den Dingo. Van King vernam ik, dat hij eens het jong van een wilden Dingo heeft afgericht om Runderen te hoeden, en dat dit dier zeer bruikbaar bleek te zijn. Met het oog op deze feiten, kan er geen bezwaar bestaan tegen de meening, dat de mensch in verschillende landen verschillende soorten van Wilde Honden getemd heeft. Terecht zou men zich er over verwonderen, indien hij van de talrijke, voor dit doel geschikte, in verschillende landen levende soorten, er slechts één aan zich onderworpen had.
“Vele feiten steunen de bedoelde meening: Richardson, die als een nauwkeurig en scherpzinnig onderzoeker bekend staat, zegt, dat de in Noord-Amerika inheemsche Vale Wolven buitengemeen gelijken op de Huishonden der Indianen, en dat het eenige verschil schijnt te bestaan in de meerdere grootte en spierkracht van den Wolf. “Meer dan eens,” zegt hij, “heb ik een troep Wolven bij vergissing voor de Honden van een bende Indianen aangezien, want zelfs het gehuil van beide dieren bestaat zoo geheel uit dezelfde geluiden, dat ook het geoefende oor van de Indianen somtijds het onderscheid niet opmerkt.” Kane heeft bij zijne spannen sledehonden dikwijls het schuin geplaatste oog (een kenmerk, waaraan sommige dierkundigen groote waarde hechten), den neerhangenden staart en den schuwen blik van den Wolf opgemerkt. In aard verschillen de Eskimohonden weinig van Wolven; volgens Hayes, zijn zij onvatbaar voor gehechtheid aan den mensch, en zoo woest, dat zij, als de honger hen zeer kwelt, zelfs hun meester aanvallen. Zij verwilderen gemakkelijk; hun verwantschap met de Wolven is zoo groot, dat zij zich veelvuldig met hen kruisen; de Indianen nemen jonge Wolven om het ras hunner Honden te verbeteren. Columbus vond in West-Indië twee soorten van Honden; Fernandez beschrijft er drie Mexicaansche. Eenige van deze inheemsche Honden waren stom, d. w. z. zij blaften niet. Sedert Buffon’s tijd is het bekend, dat de inboorlingen van Guyana hunne Honden kruisen met een wilde soort, waarschijnlijk met den Maikong of Karasisi (Canis cancrivorus).
“Rengger brengt bewijsgronden bij voor zijn meening, dat de bewoners van Amerika, toen dit werelddeel voor ’t eerst door Europeanen bezocht werd, geen andere dan onbehaarde tamme Honden kenden. Sommige Honden van dit ras, n.l. die van Paraguay kunnen ook nu nog niet blaffen. Tschudi zegt van hen, dat zij in de Cordilleras van de koude te lijden hebben. Deze Hond verschilt dus veel van dien, welke Tschudi onder den naam Inkahond heeft beschreven, en waarvan hij zegt, dat hij goed tegen de koude bestand is, en blaffen kan. Het is onbekend, of deze twee verschillende Hondenrassen afstammelingen zijn van inlandsche Wilde Honden. Men zou kunnen meenen, dat de mensch, toen hij zich voor ’t eerst in Amerika vestigde, van het Aziatische vaste land Honden medebracht, die niet blaffen konden. Deze meening is evenwel onwaarschijnlijk, omdat de alleroudste, uit Noord-Azië afkomstige bewoners van Amerika op hun weg naar het zuiden minstens twee Noord-Amerikaansche Wilde Honden getemd hebben, n.l. de reeds genoemde Grijze of Vale Wolf (Canis occidentalis) en de Prairie-Wolf (Canis latrans), welke laatste soort, volgens Richardson, volkomen overeenstemt met den tammen Hond der Hazen-Indianen.
“Gaan wij thans tot de Oude Wereld over. Sommige Europeesche Honden gelijken op den Wolf: dat de Herdershond van de Hongaarsche vlakten er weinig van verschilt, blijkt o.a. uit hetgeen Paget verhaalt van een Hongaar, die een van zijn eigen Honden voor een Wolf aanzag.
“De Europeesche Wolf verschilt een weinig van den Noord-Amerikaanschen en wordt door vele dierkundigen voor een andere soort gehouden. De Indische Wolf, die ook als een afzonderlijke soort beschouwd wordt, gelijkt sprekend op de Paria-honden van sommige districten van Indië.
“De Jakhalzen stemmen zoozeer overeen met de kleine Hondenrassen, dat Geoffroy St. Hilaire geen standvastig verschil heeft kunnen vinden tusschen den lichaamsbouw dezer beide dieren, welker innige verwantschap ook uit hunne levenswijze en gewoonten blijkt. Ehrenberg is tot de overtuiging gekomen, dat de tamme Honden van Beneden-Egypte en sommige Oud-Egyptische Honden, welker mummies hij onderzocht, van den in dat land voorkomenden Jakhals-Wolf (Canis lupaster) afstammen, en dat sommige andere uit den ouden tijd afkomstige Huishonden, evenals de thans nog in Nubië levende, in dezelfde betrekking staan tot den Jakhals dezer gewesten. Pallas beweert, dat de Jakhalzen en Honden in het Oosten soms vrijwillig paren; een dergelijk feit wordt uit Algerië bericht. De tamme Honden op de kust van Guinea zijn stom en gelijken op Vossen. Op de oostkust van Afrika tusschen 4° en 6° Z.B. en ongeveer tien dagreizen het binnenland in, komt, naar Erhard mededeelt, een half-getemde Hond voor, die volgens de verzekering der inboorlingen van een dergelijk wild dier afstamt. Lichtenstein zegt, dat de Honden der Bosjesmannen een treffende gelijkenis vertoonen zelfs in kleur (behalve de zwarte streep langs den rug) met den Schabrak-Jakhals (Canis mesomelas) van Zuid Afrika. Layard bericht, dat hij een Kafferhond heeft gezien, die zeer veel op een Eskimo-hond gelijkt. In Nieuw-Holland komt de Dingo zoowel tam als wild voor.
“Wegens deze gelijkenis van de half-getemde Honden in verschillende landen op de wilde soorten, die daar nog leven,—wegens de gemakkelijkheid waarmede zij dikwijls met elkander gekruist kunnen worden,—wegens de hooge waarde, die wilden zelfs aan half-getemde dieren hechten,—en wegens de andere reeds vermelde omstandigheden, die het temmen van Honden begunstigen, is het hoogst waarschijnlijk, dat de Huishonden der geheele wereld afstammen van twee goed bepaalde soorten van Wolven—de Gewone Wolf (Canis lupus) en de Huilwolf (Canis latrans)—en van twee of drie andere minder goed gekarakteriseerde soorten van Wolven—n.l. van de Europeesche, de Indische en de Noord-Amerikaansche—voorts van minstens één, misschien twee Zuid-Amerikaansche soorten van Honden, bovendien van verscheidene soorten van Jakhalzen en misschien van één of meer uitgestorven soorten. Sommige schrijvers kennen aan het klimaat een grooten invloed toe op de eigenaardigheden der dieren en meenen hierdoor de overeenkomst tusschen de tamme dieren in een streek en de inheemsche wilde vormen te kunnen verklaren. Mij zijn echter geen feiten bekend, die ten gunste van een zoo belangrijke werking van het klimaat spreken.
“Als wij bedenken, hoe onwaarschijnlijk het op zich zelf reeds is, dat de mensch door de geheele wereld heen slechts één enkele soort van een zoo ver verspreide, zoo gemakkelijk tembare en zoo nuttige diergroep als die der Honden zou hebben getemd; als wij de zeer groote ouderdom der verschillende rassen in ’t oog houden, en vooral, als wij ons de groote gelijkenis herinneren, zoowel in uitwendig maaksel, als in levenswijze, tusschen de tamme Honden van verschillende landen en de wilde soorten, welke nog diezelfde landen bewonen, spreekt de groote meerderheid der bewijsgronden, niettegenstaande de bezwaren die nog steeds kunnen worden aangevoerd, beslist ten gunste van den meervoudigen oorsprong onzer Honden.”
Tot dezelfde slotsom geraakt de bekende palaeontoloog Zittel, aan wiens voor kort verschenen werk wij de onderstaande aanhaling ontleenen, die op de geschiedenis van den Huishond gedurende vroegere tijdperken betrekking heeft.
“Hoewel,” zegt Zittel, “in beenderenholen dikwijls overblijfselen van den Huishond gevonden (en onder de namen Canis familiaris ferus, C. ferus, C. Mikii beschreven) zijn, is het toch zeer te betwijfelen, of dit dier in het eigenlijke diluviale tijdperk of zelfs in de oudste afdeeling van den steentijd bestaan heeft. Als getemde metgezel van den mensch komt het echter wel voor in de jongere afdeelingen van den steentijd, n.l. in de Deensche Kjökkenmöddinger, in de Zwitsersche en Zuid-Duitsche paalwoningen en in de Terramaren van Opper-Italië. Het ras, waarvan op deze plaatsen overblijfselen gevonden zijn, wordt Turfhond (Canis familiaris palustris) genoemd, en gelijkt, volgens Rütimeyer, door de grootte en den bouw van het geraamte het meest op den Patrijshond. Iets grooter en krachtiger is de door een spitseren snuit gekenmerkte Brons-hond (Canis familiaris matris optimae), die gedurende het brons-tijdperk over verreweg het grootste deel van Europa verspreid was, en zijne naaste verwanten heeft in den Herdershond, den Poedel en de groote rassen van Jachthonden. Men onderscheidt er trouwens verscheidene rassen van.” “De Turfhond is, volgens Jeitteles en Naumann, een getemde afstammeling van den Jakhals; zijn overeenkomst met den Huishond van de Papoeas (Canis hiberniae), maakt, dat Studer de afstamming van Canis Mikii, waarvan in de Moravische beenderenholen overblijfselen gevonden zijn, waarschijnlijker acht. Volgens Anutschin vertoont de kleine Huishond van de Lappen, Samojeden en Toengoesen een in ’t oog loopende overeenkomst met den Turfhond. Die verschillende rassen van het brons-tijdperk zijn, volgens Studer, door teeltkeus uit den Turfhond ontstaan. Jeitteles echter meent, dat zij uit den Indischen Wolf (Canis pallipes) zijn voortgekomen. In allen gevalle is de afstamming van de tallooze, thans levende rassen van den Huishond van één enkelen vorm van Wilden Hond uiterst onwaarschijnlijk; eenige rassen zijn vermoedelijk door het temmen van verschillende soorten van Jakhalzen, Wolven en Wilde Honden verkregen, en later door kruising en teeltkeus in allerlei opzichten gewijzigd.”
De Huishond zou hiernaar in zekeren zin als een kunstproduct, als een voortbrengsel van ’s menschen bemoeiingen, beschouwd moeten worden.
Met den naam Paria-honden zullen wij, in navolging van de Engelschen, de in vele Oostersche landen voorkomende Huishonden aanduiden, die, hoewel zij aan niemand toebehooren, toch tot op zekere hoogte van den mensch afhankelijk zijn. De bovenstaande naam is goed gekozen, want parias,—ellendige, verwaarloosde, uit betere kringen verstooten dieren—zijn deze arme schepsels, in weerwil van de vrijheid om te doen en te laten wat hun goeddunkt,—parias, die dankbaar de hand likken, welke hun het juk der slavernij oplegt, die gelukkig schijnen te zijn, als de mensch hen waardig acht, hem gezelschap te houden en te dienen.
Reeds in het zuiden van Europa leven de Honden in een geheel andere verhouding tot den mensch dan hier te lande. In Turkije, Griekenland en Zuid-Rusland zijn de omstreken van steden en dorpen bevolkt met scharen van Honden, die geen eigenaar hebben; zij komen ook wel in de straten, maar betreden nimmer een erf, of zouden vandaar door de Huishonden onmiddellijk verdreven worden. Zij voeden zich hoofdzakelijk met aas of maken bij gelegenheid ook wel voor eigen rekening jacht op Muizen en dergelijke kleine dieren. Ook de Honden van de boeren in ’t zuiden van Spanje worden thuis slechts zeer weinig gevoederd, en zwerven des nachts heinde en ver rond om zelf voedsel te zoeken. Op de Kanarische Eilanden is het, volgens Bolle, nog in den laatsten tijd voorgekomen, dat enkele Honden verwilderden en onder de Schapenkudden een aanzienlijke schade aanrichtten.
Alle Egyptische steden staan gedeeltelijk op de bouwvallen van de steden der oudheid, en zijn dus in zekeren zin op puinhoopen gebouwd. Echte bergen van puin omgeven voorts de meeste en de grootste dezer steden, zooals Alexandrië en Kaïro, tot op zeer aanzienlijken afstand. Deze bergen nu dienen gewoonlijk tot verblijfplaats aan verwilderde Honden, die alle tot een zelfde ras behooren. Zij komen in grootte met den Herdershond overeen, zijn plomp van gestalte, en hebben een onaangename gezichtsuitdrukking; hun lange en tamelijk ruige staart wordt in de meeste gevallen hangend gedragen. De kleur van hun ruige, verwarde vacht is vuil-roodachtig bruin, en kan meer of minder naar grijs of geel zweemen. Anders gekleurde, en wel zwarte en lichtgele exemplaren, komen voor, maar zijn altijd tamelijk zeldzaam. Zij leiden op de genoemde plaatsen een volkomen zelfstandig leven, brengen er het grootste deel van den dag slapend door, en zwerven ’s nachts rond. Ieder van hen heeft zijn eigen gangen of holen en deze zijn met een eigenaardige voorzorg aangelegd. In allen gevalle heeft iedere Hond twee gangen, waarvan de eene naar het oosten, de andere naar het westen geopend is; als de bergen echter zoo gericht zijn, dat zij van weerszijden aan den noordewind blootgesteld zijn, dan graven de dieren zich ook nog een afzonderlijk hol aan den zuidkant, dat zij evenwel alleen dan gebruiken, wanneer zij in hun naar ’t oosten of naar ’t westen gerichte hol last hebben van den kouden wind. Des morgens tegen tienen vindt men ze geregeld in het hol, welks opening naar ’t oosten gekeerd is; zij koesteren zich daar, na de koelte van den morgen, in de eerste stralen van de zon, om weer warm te worden. Langzamerhand echter worden deze stralen hun te heet, en noodzaken hen een beschaduwd plekje op te zoeken. De eene voor, de andere na staat op, klimt over den berg heen en begeeft zich naar het aan de westzijde gelegen hol, waarin hij zijn slaap voortzet. Wanneer de zonnestralen des namiddags in dit hol beginnen te schijnen, gaat de Hond weer terug naar het eerste hol, waar hij tot zonsondergang liggen blijft.
Omstreeks dezen tijd komt er leven en beweging in de bergen. Er vormen zich meer of minder groote groepen, ja, zelfs benden. Men hoort blaffen, huilen, keffen, al naar de gemoedsstemming der dieren. Om een groot kreng verzamelen zij zich altijd in groote menigte; een doode Ezel of een gestorven Muildier wordt in een enkelen nacht door het schrokkerige gezelschap verslonden, zoodat alleen de grootste beenderen blijven liggen. Als zij zeer hongerig zijn, komen zij ook over dag bij het aas, n.l. wanneer het te vreezen is, dat hunne onaangenaamste concurrenten, de Gieren, er gebruik van zullen maken, en zij dus in hun bedrijf benadeeld zullen worden. Broodnijd bestaat bij hen in de hoogste mate; menigen hevigen strijd hebben zij om deze reden met ongenoode gasten te voeren. De Gieren laten zich echter zoo gemakkelijk niet verdrijven; van alle aaseters zijn zij het, waarvan de Honden den moedigsten en volhardendsten tegenstand hebben te verwachten; van hen hebben zij daarom het meest te lijden. In alle omstandigheden is aas het hoofdbestanddeel van hun voedsel; men ziet ze echter ook op de wijze van de Katten voor de nesten van de Renmuizen loeren, en als Jakhalzen of Vossen den een of anderen Vogel besluipen. Wanneer er bij geval voor hen geen kreng te vinden is, maken zij verre tochten, komen dan ook binnen de steden en zwerven in de straten rond. Hier worden zij geduld, omdat zij alle afval opvreten, hoewel men ze er niet gaarne ziet; tegenwoordig zal het wel niet vaak meer gebeuren, dat geloovige Mohammedanen hen bij uiterste wilbeschikking gedenken, zooals vroeger placht te geschieden, en voor hun onderhoud tot op zekere hoogte zorg dragen.
Binnen hun eigenlijk woongebied zijn de verwilderde Honden tamelijk schuw en voorzichtig; vooral als de persoon die hen nadert, vreemdsoortig gekleed is, wordt hij steeds door hen ontweken. Als men een van deze dieren kwaad doet, ontstaat er een waar oproer. Uit ieder hol kijkt een kop naar buiten, en na weinige minuten zijn de toppen der heuvels met Honden bedekt, die onophoudelijk blaffen. Meermalen heb ik op zulke Honden werkelijk jacht gemaakt, zoowel om ze te leeren kennen, als om hun vleesch te gebruiken; het diende mij tot lokaas bij ’t vangen van Gieren, of als voedsel voor mijne gevangene Hyenas en Gieren. Bij deze jacht heb ik mij voldoende kunnen overtuigen, dat de Paria-honden samenleven en elkander tegen vijanden te hulp komen; onder andere heb ik bij die gelegenheden opgemerkt, dat zij mij reeds na korten tijd geheel hadden leeren kennen en vreezen. In Khartoem b.v. was het mij in ’t laatst onmogelijk, zulke verwilderde Honden met den buks te schieten, omdat zij mij niet meer op 400 pas afstand lieten naderen.
Niet zelden vermenigvuldigen de verwilderde Honden zich ongeloofelijk sterk en worden dan een ware plaag voor het land. Mohammed Ali liet eens, om aan dezen overlast paal en perk te stellen, een schip vullen met Honden, en deze in volle zee overboord werpen om de zekerheid te hebben, dat zij zouden verdrinken. Het is zeer gelukkig, dat zij slechts uiterst zelden gevaar loopen dol te worden; er zijn werkelijk nagenoeg geen voorbeelden van bekend, dat iemand in deze landen door een dollen Hond gebeten werd.
Naar men zegt, bestaat in Konstantinopel een nagenoeg gelijke betrekking tusschen den mensch en de Honden. “Onafscheidbaar van de straten van de hoofdstad,” zegt Hackländer, “is de gedachte aan hare nimmer ontbrekende bewoners, de Honden die geen meester hebben, en in tallooze menigte daar gevonden worden. Gewoonlijk vormt men zich van zaken, waarvan men dikwijls leest, een te grootsche voorstelling, en wordt daarom later dikwijls teleurgesteld. Dit geldt echter niet van ’t geen iemand van de Honden der Oostersche steden zou hebben kunnen lezen. Hoewel alle reizigers ze een plaag voor de menschen noemen, zijn toch de meesten bij de schildering van den last, dien deze dieren veroorzaken, beneden de werkelijkheid gebleven. Het ras waartoe zij behooren, is zeer eigenaardig. Wat het uitwendige betreft, komen zij nog het meest met onze Herdershonden overeen; zij hebben echter geen gekromden staart; ook hun haar is anders, n.l. kort en vuil geel van kleur. Als zij lui en traag rondsluipen of in de zon liggen, moet men erkennen, dat geen dier er zoo gemeen, ik zou haast zeggen, zoo ploertig uitziet als dit. In alle straten, op alle pleinen wemelt het van deze Honden; zij staan op rijen voor de huizen en wachten af, of hun ook bij geval een brok wordt toegeworpen, of zij liggen midden op de straat, en de Turk, die niet licht eenig levend wezen kwaad doet, gaat hen uit den weg. Ik heb nooit gezien, dat een Muzelman een van deze dieren geschopt of geslagen heeft. Veel eer werpt de handwerksman hen uit zijn werkplaats de overblijfselen van zijn maal toe. Alleen de Turksche Kaikschi en de marine-matrozen missen deze teergevoeligheid; door hun hand verliest menige Hond in den Gouden Hoorn het leven.
“Iedere straat heeft haar eigen Honden, die haar niet verlaten, evenals in onze groote steden de bedelaars hunne vaste standplaatsen hebben; wee den Hond, die het waagt, een vreemd gebied te bezoeken. Dikwijls heb ik gezien, hoe alle andere op zulk een ongelukkige aanvielen, en hem, indien hij zich niet door een snelle vlucht wist te redden, letterlijk aan stukken scheurden. Ik zou ze wel willen vergelijken met de straatjeugd in beschaafde landen. Als wij in een hoek van den bazar iets eetbaars kochten, dan volgden ons alle Honden, die wij voorbijkwamen, en verlieten ons eerst, als wij in een andere straat binnengingen, waar ons een andere troep Honden op dezelfde wijze begeleidde.”
Aan de beschrijving van den aard en de levenswijze onzer Huishonden zullen wij de onovertreffelijke karakteristiek van deze dieren laten voorafgaan, die door den aartsvader der dierkunde, door Linnaeus, op de hem eigene, korte en prettige wijze gegeven is. Ik heb getracht haar zoo nauwkeurig mogelijk te vertalen, hoewel dit geen gemakkelijke zaak is. Sommige gedeelten zijn eigenlijk onvertaalbaar; het overige luidt ongeveer als volgt: “Vreet vleesch, aas, melige plantaardige stoffen, geen kruiden. Verteert beenderen, braakt na het eten van gras. Drinkt leppend; watert zijdelings, in goed gezelschap dikwijls honderdmaal; beruikt de aars van andere; neus vochtig, speurt uitmuntend; loopt zijwaarts, gaat op de teenen; zweet zeer weinig, laat bij warm weer de tong uit den bek hangen; voordat hij gaat slapen, loopt hij om zijn slaapplaats heen; hoort gedurende den slaap vrij scherp, droomt. De teef draagt 9 weken, werpt 4 à 8 jongen: de mannetjes gelijken op den vader, de wijfjes op de moeder. De trouwste van alle; huisgenoot van den mensch, kwispelstaart bij ’t naderen van zijn meester, duldt niet, dat deze geslagen wordt; loopt dezen op den weg vooruit, aan een kruisweg ziet hij om; leerzaam, spoort verloren zaken op, doet ’s nachts de ronde, meldt de komst van naderenden, waakt bij goederen, houdt het vee van de akkers af, houdt de Rendieren bijeen, bewaakt Runderen en Schapen tegen wilde dieren, houdt Leeuwen tegen, drijft het wild op, doet eenden binnen schot opvliegen, apporteert het gedoode wild zonder er van te eten, draait in Frankrijk het braadspit, trekt in Siberië den reiswagen, bedelt aan tafel; houdt, als hij gestolen heeft, angstig den staart tusschen de pooten; vreet gulzig. Te huis meester onder de zijnen; vijand van de bedelaars, valt ongetergd onbekenden aan. Geneest wonden, jicht en kanker door likken. Huilt, als hij muziek hoort, bijt in een toegeworpen steen; onpasselijk en kwalijk riekend bij naderend onweer. Heeft last van den lintworm; verbreidt de watervrees. Wordt eindelijk blind en beknabbelt zijn eigen lichaam. De Amerikaansche Hond verleert het blaffen. De Mohammedanen verfoeien hem; slachtoffer van de ontleedkundigen bij onderzoekingen van den bloedsomloop etc.”
Wij hebben niets anders te doen dan deze beschrijving verder uit te breiden. Alle Huishonden komen in levenswijze en gewoonten vrijwel overeen, zoolang zij niet door den invloed, die de zeden en gewoonten van den mensch noodzakelijkerwijs op hen oefenen, genoodzaakt worden hun levenswijze te veranderen.
De Honden zijn zoowel dag- als nachtdieren, en voor beide tijden even goed uitgerust; zoowel des daags als des nachts wakker en vlug. Als het hun toegestaan wordt, jagen zij op klaarlichten dag zoowel als ’s nachts, en vereenigen zich gaarne tot groote gezelschappen. In ’t algemeen is gezelligheid een grondtrek van hun karakter, en deze heeft een zeer grooten invloed op hunne gewoonten. Zij vreten alles, wat de mensch eet, dierlijk voedsel zoowel als plantaardig, en beide in rauwen toestand niet minder graag dan gekookt. Bovenal houden zij van vleesch, en wel meer nog van het eenigszins bedorvene dan van het versche. Zij zijn hartstochtelijk verlekkerd op aas; zelfs de best opgevoede en best verzorgde Honden verslinden gretig de uitwerpselen van den mensch. Sommige rassen geven aan vleesch de voorkeur boven al het andere voedsel, andere schatten het minder hoog. Van de gekookte spijzen smaken meelspijzen, vooral wanneer zij zoet zijn, hun het best; als zij vruchten eten, geven zij aan zoete de voorkeur boven zuurachtige. Beenderen, goede bouillon, brood, groenten en melk zijn het geschiktste voedsel voor een Hond; vet en te veel zout zijn daarentegen nadeelig voor hem. Men kan hem ook uitsluitend met brood voeden en gezond houden; steeds is het echter noodig, hem zijn voedsel op vast bepaalde uren te geven. Geen spijs mag hem heet voorgediend worden; altijd moet zij lauw warm zijn; het bakje, waaruit hij eet, moet steeds zindelijk gehouden worden. Een volwassen Hond krijgt genoeg voedsel, als hij zich éénmaal per dag behoorlijk zat eten kan, tweemaal te voederen is echter beter; een Hond die ’s avonds eten kan, tot hij verzadigd is, zal waakzamer zijn en zich niet zoo licht laten omkoopen, als een hongerig dier. Water drinken de Honden veel en dikwijls; zij scheppen het met de tong op, die voor dit doel bij wijze van een lepel gekromd wordt met eenigszins naar voren gebogen spits; water is volstrekt noodig om ze volkomen gezond te doen blijven.
De Hond is een uitmuntend looper en zwemmer, en kan zelfs een weinig klimmen; hij zal echter licht duizelig worden, als hij langs een steilen afgrond gaat. Hij loopt en draaft in een eigenaardig scheeve richting. Als hij hard loopt, kan hij groote sprongen maken; tot plotselinge wendingen is hij echter niet in staat. Eenige Honden houden merkwaardig veel van ’t water (p. 199); verwende Honden schuwen het echter in hooge mate. Vooral in Afrika heb ik Honden zien klimmen. Hier klauteren zij zeer behendig bij muren en bij de niet sterk hellende daken van huizen omhoog, en loopen als Katten volkomen veilig langs zeer smalle terrassen (p. 190). Om te rusten gaat de Hond op de achterpooten zitten of legt zich op de zijde of op den buik; in ’t laatstgenoemd geval richt hij de achterpooten buitenwaarts, de voorpooten naar voren en tusschen deze legt hij den kop; zelden strekt hij daarbij de achterpooten achterwaarts.
Alle Honden slapen graag en dikwijls, maar met tusschenpoozen; hun slaap is zeer licht en onrustig en gaat dikwijls van droomen vergezeld, zooals blijkt uit het kwispelstaarten, de spiersamentrekkingen, het knorren en het zachte blaffen gedurende den slaap. Zij zijn bijzonder sterk gesteld op zindelijkheid: de plaats, waar zij blijven moeten, en vooral hun slaapplaats, moet altijd goed schoon gehouden worden. Zelfs bij een zeer snelle en langdurige beweging zweeten zij weinig; de speekselafscheiding treedt voor de zweetvorming in de plaats; van de tong, die de Honden, als zij warm zijn, hijgend uit den bek laten hangen, druppelt onophoudelijk speeksel af.
De zinnen van den Hond zijn scherp, maar bij de verschillende rassen niet gelijkmatig ontwikkeld. De reuk, het gehoor en het gezicht hebben naar het schijnt de overhand; sommige rassen onderscheiden zich van alle overige door een fijnere ontwikkeling van het gehoor, andere door grootere volkomenheid van den reuk. Dat zij voor smaakindrukken gevoelig zijn, kan niet ontkend worden, hoewel deze zin zich bij hen op een eigenaardige wijze openbaart. Van alle prikkels die hunne zintuigen te sterk aandoen, hebben zij een afkeer. Het minst worden zij gehinderd door sterke lichtprikkels, zeer gevoelig zijn zij echter voor schelle en krijschende geluiden of scherpe prikkeling van het reukorgaan. Klokgelui en muziek brengen hen aan ’t huilen; als men hun eau-de-cologne, geest van salammoniak, ether of een dergelijke stof onder den neus houdt, geven zij zeer duidelijke bewijzen van afschuw. Bij vele is de reuk buitengewoon sterk ontwikkeld, en bereikt deze zin een trap van volkomenheid, waarvan wij ons in ’t geheel geen denkbeeld kunnen vormen.
Met de behandeling van de geestesgaven van den Hond zou men boekdeelen kunnen vullen; het is dus zeer moeilijk ze in ’t kort te schilderen. Het best kan ik mij vereenigen met de door Scheitlin gegeven beschrijving van de ziel van den Hond, waaraan het volgende citaat ontleend is: “Hoe groot het verschil ook zij, dat er in lichamelijk opzicht tusschen de Honden bestaat, hun geest biedt nog veel grooter verscheidenheid aan; sommige Hondenrassen zijn volkomen ongeschikt om iets te leeren, andere leeren alles in zeer korten tijd. Sommige zijn in ’t geheel niet tembaar, terwijl andere spoedig volkomen getemd worden; wat sommige haten, wordt door andere zeer aangenaam gevonden. De Poedel gaat uit eigen beweging te water, de Keeshond wil altijd thuis blijven. De Dog laat zich op den man africhten, met den Poedel gelukt dit niet. Alleen de Jachthond heeft een zoo fijnen speurneus; alleen de Beerhond bijt den Beer tusschen de achterpooten; alleen de langlijvige Dashond, die, naar men zou kunnen meenen, een paar pooten te min bezit, is zoo laag bij den grond en heeft zulke kromme pooten, dat hij in Dassenholen kan kruipen; hij heeft hiervoor evenveel liefhebberij als de Slagershond voor het loopen in bogen en het nazitten van kalveren en Runderen.
De Newfoundlandsche Hond vreest den Wolf niet en is daarom uitmuntend geschikt voor het bewaken van ’t vee; ook kan hij meesterlijk graven, zwemmen, duiken en menschen uit het water halen. Ook de Slagershond durft den Wolf aan, is een goede veehoeder, maakt jacht op Wilde Zwijnen en andere groote dieren; hij is verstandig en zeer gehecht aan zijn meester, maar gaat vrijwillig nooit te water. Men gebruikt en misbruikt hem bij drijfjachten, waardoor hij, gelijk op psychologische gronden te voorzien was, steeds strijdlustiger wordt; vooral voor kalveren, die hij zonder eenigen schroom overvalt, omdat zij zich niet verweren kunnen, is hij vaak zeer gevaarlijk. Zijn bloeddorst is in hooge mate afkeerwekkend; de verwoedheid die hij bij ’t bijten en bij het verscheuren en opvreten van overblijfselen van dieren aan den dag legt, is een van zijne slechtste eigenschappen. Van de Windhonden wordt gezegd, dat zij weinig verstand hebben, zich bijna niet laten dresseeren en hun meester niet trouw zijn, bovendien hebben zij de slechte eigenschap, dat zij zich graag door vreemden laten liefkoozen; men kan ze echter africhten voor de jacht op Hazen en dergelijk wild. In den naam van den Patrijshond ligt opgesloten, waarvoor hij van nature geschikt is. Want de Hond (en ieder ander dier) moet op de een of andere wijze te kennen geven, waartoe hij lust heeft, voordat de mensch op het denkbeeld komt hem hiervoor af te richten. Alleen tot tijdverdrijf, om zich zacht op den arm te laten dragen, om met de vrouw op de sofa te liggen, bij haar op schoot te zitten, vandaar ieder die in ongenade is, toe te brommen, steeds in de kamer te blijven, met de vrouw uit één glas te drinken, van één bord te eten en zich te laten kussen, hiervoor worden de Bolognezer Hondjes en de Leeuwtjes gehouden. Van den Jachthond worden de fijne reuk, de groote schranderheid en leerzaamheid en ook de trouwe gehechtheid aan zijn meester geroemd. Zeer verstandig en uitstekend voor het bewaken van ’s menschen eigendom geschikt zijn de Hof- of Wachthond en de Herdershond. De Spits of Keeshond wordt geacht een loos, leerzaam, vroolijk en bruikbaar slag van Hond te zijn; hij wil graag bijten en is in huis zeer waakzaam; sommige verscheidenheden gaan voor valsch en boosaardig door. De Hond van de Poolgewesten is gekenmerkt door onderworpenheid aan den mensch, hoewel hij zijn meester niet kent en geen slagen vreest; hij is onverzadelijk, maar kan toch gedurende langen tijd honger lijden. De Doggen zijn trouw, maar niet zeer verstandig; zij zijn goede waakhonden, door hunne woestheid en moed voor de jacht op Wilde Zwijnen, Leeuwen, Tijgers en Panters geschikt; met ware doodsverachting pakken zij hunne gevaarlijke tegenstanders aan, letten op iederen oogwenk, op elk woord van hun meester, laten zich op den man africhten, bekommeren zich niet om schoten, houwen en verscheurde ledematen en takelen ook elkander bij ’t vechten vreeselijk toe. Zij zijn zeer sterk, werpen zelfs den krachtigsten mensch ter aarde en worgen hem, of dwingen hem, terwijl zij op hem omspringen, op één plaats te blijven, totdat hij verlost wordt; zij houden woedende Evers bij het oor vast, zoodat zij zich niet bewegen kunnen. Gehoorzaam zijn zij in de hoogste mate. Zij hebben een weinig meer verstand, dan men meent. Het laagst ontwikkeld onder de Honden is ongetwijfeld de Mops. Hij is door geestelijke ontaarding ontstaan en kan, zooals licht te begrijpen is, zich zelf niet tot hooger peil verheffen. Hij begrijpt den mensch niet, terwijl deze hem niet vat.
“Op den indruk, dien de Hond maakt, hebben zijne geestesgaven een te grooten invloed, dan dat het mogelijk zou zijn, dien indruk door een opgestopt exemplaar of door een teekening volledig weer te geven. Zijn ziel is ongetwijfeld zoo volkomen, als een zoogdierenziel kan zijn. Van geen dier mag eerder dan van dit gezegd worden, dat het om geheel menschelijk te zijn, niets anders mist dan de spraak, geen dier vertoont ons zulk een volledige reeks van wijzigingen van den gemoedsaard, geen dier heeft de stof geleverd voor zooveel verhalen, welke de bewijzen leveren van zijn verstand, zijn geheugen, zijn herinneringsvermogen, zijn oordeel, zijn fantasie, of zelfs van zedelijke eigenschappen, zooals: trouw, gehechtheid, dankbaarheid, waakzaamheid, liefde voor den meester, geduld bij ’t omgaan met kinderen van menschen, woede en doodelijken haat tegen de vijanden van zijn meester; geen enkel dier wordt daarom den mensch zoo vaak ten voorbeeld gesteld. Wat worden ons al geen staaltjes verteld van zijn geschiktheid om iets te leeren! Hij danst, hij trommelt, hij loopt over een koord, hij staat op schildwacht, hij bestormt en verdedigt vestingen, hij schiet pistolen af, draait het braadspit, trekt den wagen; hij kent de noten, de getallen, de kaarten, de letters; hij neemt een mensch de muts van ’t hoofd, brengt hem zijn pantoffels en tracht hem als een knecht de laarzen of de schoenen uit te trekken; hij verstaat de oogen- en gebarentaal en nog vele andere zaken.”
“Ik heb Honden gekend,” zegt Lenz, “die, naar het scheen, bijna ieder woord van hun meester begrepen, op zijn bevel de deur openden of sloten, den stoel, de tafel op de bank binnendroegen, hem den hoed afnamen of brachten, een verstopten zakdoek of een dergelijk voorwerp opzochten en teruggaven, den hoed van een hun aangewezen vreemdeling door den reuk van midden uit allerlei andere hoofddeksels te voorschijn haalden enz. Het is trouwens altijd aardig om te zien, hoe een schrandere Hond de oogen en de ooren beweegt, als hij een bevel van zijn meester verwacht, hoe uitgelaten van blijdschap hij is, als hij mede mag gaan, en welk een jammerlijk gezicht hij trekt, als hij thuis moet blijven; hoe hij verder, als hij vooruitgeloopen en aan een kruisweg gekomen is, omkijkt, om te vernemen of hij rechts of links moet gaan; hoe gelukkig hij is, als hij een buitengewoon verstandige daad, hoe beschaamd daarentegen, als hij een dommen zet gedaan heeft; hoe hij, als hij iets kwaads verricht heeft en niet zeker weet, of zijn meester het bemerkt, liggen gaat, gaapt, doet, alsof hij half in slaap of onbekommerd is, om iedere verdenking van zich af te wenden, maar zich verraadt, door den angstigen blik dien hij intusschen van tijd tot tijd op zijn meester werpt, hoe hij verder iederen huisvriend spoedig leert kennen, onder de vreemdelingen voornamen en geringen gemakkelijk onderscheidt, en vooral op bedelaars gebeten is enz. Aardig is het ook om te zien, hoe een Hond, om zijn meester te believen, truffels zoekt, waarvoor hij van nature in ’t geheel geen trek gevoelt, hoe een andere Hond zijn meester een kar helpt trekken en zich des te meer inspant, naarmate hij ziet, dat zijn meester zich meer moeite geeft.”
Uit dit alles blijkt, dat de Hondenrassen in geestelijk opzicht onderling evenzeer verschillen, als zij in lichamelijk opzicht van elkander afwijken. Hunne meest in ’t oogloopende karaktertrekken zijn: onwankelbare trouw en gehechtheid aan hun meester, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid en onderworpenheid, nauwgezette waakzaamheid, zachtmoedigheid, zachtaardigheid in den omgang, een dienstvaardig en vriendelijk gedrag. Bij geen enkelen Hond zijn zij alle gelijkelijk ontwikkeld aanwezig: soms zal de eene eigenschap meer op den voorgrond, een andere daarentegen op den achtergrond treden. De opvoeding heeft hierop grooter invloed, dan men gewoonlijk meent. Slechts goede menschen kunnen aan Honden eene goede opvoeding geven. De Hond is een getrouw spiegelbeeld van zijn meester: hoe vriendelijker, liefderijker, oplettender men hem behandelt, hoe beter en zindelijker men hem verzorgt, hoe meer en hoe verstandiger men zich met hem bemoeit, des te verstandiger en uitmuntender wordt hij; juist het tegendeel heeft plaats, wanneer hij slecht behandeld wordt. Hij schikt zich in de meest verschillende omstandigheden, van welken aard zij ook zijn; altijd geeft hij zich met geheel zijn ziel aan den mensch over. Deze verhevene eigenschap wordt ongelukkig gewoonlijk niet op haar juiste waarde geschat; daarom wordt het woord “hondsch” nog steeds in onteerenden zin gebezigd, hoewel het eigenlijk juist het tegenovergestelde beteekent van wat men er in den regel mede bedoelt. Door zijne veelzijdige begaafdheden neemt de Hond den hoogsten rang in; zijn getrouwheid aan den mensch maakt hem tot diens onontbeerlijken metgezel.
Vele eigenaardige gewoonten zijn aan bijna alle rassen gemeen. Zoo huilen en blaffen vele bij ’t zien van de maan, zonder dat men hiervoor een reden weet aan te wijzen. Door beweging worden zij tot beweging geprikkeld; al wat hun snel voorbijgaat, loopen zij na, onverschillig of het menschen, dieren, wagens, kogels of steenen zijn, trachten het te grijpen en vast te houden, zelfs wanneer zij er volkomen zeker van zijn, dat het een voor hen geheel nutteloos voorwerp is. Tegen sommige dieren toonen zij zich in de hoogste mate vijandig, zonder dat hiervoor een goede reden bekend is. Zoo haten alle Honden de Katten en de Egels; als zij een der laatstgenoemde dieren ontmoeten, scheppen zij er als ’t ware behagen in, zich zelf te kwellen door woedend in de stekelbekleeding te bijten, ofschoon zij weten, dat dit tot geen doel leidt, en zij er hoogstens een bebloeden neus en snuit door oploopen.
Opmerkelijk is het zeer sterke voorgevoel, dat de Hond van weersveranderingen heeft. Hij neemt reeds van te voren maatregelen tegen den invloed van die veranderingen, en kondigt zelfs door den onaangenamen reuk, dien hij verbreidt, den mensch naderenden regen aan.
Gewoonlijk zijn de Honden onderling niet zeer verdraagzaam. Als twee Honden, die elkander niet kennen, samenkomen, heeft eerst een wederzijdsche besnuffeling plaats, daarna laten beide de tanden zien, en beginnen met elkander te vechten, tenzij teedere gevoelens bij hen de overhand hebben. Des te meer loopt de groote innigheid in ’t oog van de vriendschapsbanden, die soms tusschen Honden bestaan. Zulke vrienden twisten nooit onderling, maar zoeken elkander op en helpen elkander in nood. Ook met andere dieren gaan zij soms zulk een bondgenootschap aan; zelfs het zeer gebruikelijke spreekwoord over de verhouding tusschen Hond en Kat is wel eens onjuist.
De teef brengt 63 dagen na de paring op een donkere plaats 3 à 10, gewoonlijk 4 à 6, in uiterst zeldzame gevallen echter 20 of meer jongen ter wereld, die bij de geboorte de voorste tanden reeds hebben, maar 10 à 12 dagen lang blind blijven. De moeder bemint hare kinderen boven alles, zoogt, behoedt, belekt, verdedigt ze, en draagt ze niet zelden van de eene plaats naar de andere, waarbij zij ze met de tanden bij het ruime nekvel aanpakt. Haar liefde voor haar kroost is in één woord roerend: er zijn voorbeelden van bekend, die ons niet alleen tot hoogachting, maar tot bewondering van dit dier nopen. Zoo verhaalt Bechstein een geval, dat bijna ongeloofelijk schijnt: “Een schaapherder te Waltershausen kocht geregeld in de lente schapen op het Eichsfeld, en zijn hond (een teef) moest hem natuurlijk op dezen 18 mijlen langen weg begeleiden. Eens wierp deze Hond, terwijl hij zoover van huis was, jongen, ten getale van 7, zoodat de herder zich genoodzaakt zag, hem achter te laten en alleen naar huis terug te keeren. Maar ziet, anderhalven dag later vindt hij den Hond met zijne zeven jongen voor zijn huisdeur. Hij had telkens over kleine gedeelten van den weg het eene hondje na het andere voortgedragen, en op deze wijze de 18 mijlen dertien malen achtereen afgelegd, ondanks den toestand van uitputting en zwakte, waarin hij verkeerde.”
Gewoonlijk laat men een teef slechts 2 of 3, hoogstens 4 van hare jongen behouden, om haar niet te zeer te verzwakken. De kleintjes hebben veel voedsel noodig, en de moeder is bijna niet in staat hun het noodige te verschaffen. Het spreekt van zelf, dat de teef gedurende dezen tijd bijzonder goed en krachtig gevoederd moet worden. Iedere eigenaar van een drachtige teef moet voor haar van te voren in een rustig hoekje, op een goed beschutte, niet te koele plaats, een zacht leger gereed maken, en haar ook later op allerlei wijzen bij het groot brengen van de jongen behulpzaam zijn. Zoo lang de teef zoogt, is haar hart, naar het schijnt, voor een veel omvattende liefde vatbaar, want zij duldt het, dat Hondjes uit een ander nest, ja zelfs jongen van andere dieren, b. v. van Katten en Konijnen, van haar melk gebruik maken. Ik heb dit laatste dikwijls bij Honden waargenomen, maar merkte daarbij op, dat zoogende Katten veel vriendelijker voor hare pleegkinderen waren dan Honden, die, hoe goedhartig zij ook zijn, bij zulk een gelegenheid toch in den regel niet volkomen tevreden zijn, zooals uit het rimpelen van de huid van den neus blijkt. Zij zijn echter uitmuntende minnen van jonge Leeuwen en Tijgers.
Gewoonlijk laat men de jonge Honden zes weken lang door de ouden zoogen. Om de Hondjes te spenen voedert men de teef een tijdlang zeer schraal, om te maken, dat de melkafscheiding ophoudt; dan laat zij zelf het zuigen van hare jongen niet langer toe. Nu worden de diertjes aan licht verteerbaar voedsel gewend; men leert ze in de eerste plaats zindelijkheid. Reeds in de 3e of 4e levensmaand wisselen zij hunne eerste tanden; in de 6e maand bekommeren zij zich niet veel meer om hun moeder. Als het de bedoeling is, ze op te voeden, of, zooals men gewoonlijk zegt, af te richten, moet dit niet te lang uitgesteld worden. De meening van ouderwetsche jagers en andere Hondenfokkers, dat een jonge Hond, voordat hij aan het einde van zijn eerste levensjaar gekomen is, te klein en te zwak zou zijn om te leeren, berust op een dwaling. Adolf en Karl Müller, beiden zeer ervaren als natuuronderzoekers en als jagers, maken een aanvang met het dresseeren van hunne Jachthonden, zoodra deze behoorlijk loopen kunnen, en bereiken hierdoor uitmuntende resultaten.. Hunne leerlingen worden nooit met slagen bestraft, krijgen bijna nooit een hard, hoogstens een ernstig woord te hooren, en worden de allervoortreffelijkste gezellen en helpers op de jacht. Jonge Honden moeten behandeld worden als kinderen, niet als verstokte slaven. Zonder uitzondering zijn zij gewillig en leerzaam; zeer spoedig luisteren zij naar ieder woord van hun opvoeder en begrijpen het; uit liefde spannen zij zich langer en beter in, dan uit vrees. De africhters van jonge Honden, die hun doel niet bereiken kunnen zonder stekelhalsband en hondenzweep, zijn onhandige beulen, maar geen nadenkende opvoeders.
Reeds met het twaalfde jaar begint voor den Hond de ouderdom. Er zijn trouwens voorbeelden van bekend, dat Honden een leeftijd van 20, ja zelfs van 26 en van 30 jaar bereikt hebben. Dit zijn echter zeldzame uitzonderingen. Dikwijls trouwens maakt geen ouderdomsverzwakking, maar een der vele ziekten, waaraan de Honden, evenals andere huisdieren, onderhevig zijn, een einde aan hun leven.
Een zeer veelvuldig voorkomende ziekte van de Honden is de door woekerdieren veroorzaakte schurft, die niet, gelijk men vroeger meende, een gevolg is van onvoldoende voeding en beweging of van onzindelijkheid. Jonge Honden lijden dikwijls aan de Hondenziekte, die een besmettelijke ontsteking van de slijmvliezen is en het veelvuldigst voorkomt tusschen de 4de en 9de levensmaand. Waarschijnlijk sterft meer dan de helft van de Honden in Europa aan deze ziekte of wordt althans hierdoor zeer benadeeld. Bovendien worden zij alle gekweld door parasieten, waarvan meer dan een dozijn soorten bekend zijn. Zij hebben dikwijls zeer veel te lijden van Vlooien en Luizen en op sommige plaatsen ook van Tieken. De beide eerstgenoemde soorten van ongedierte kan men spoedig verdrijven door onder het strooleger van den Hond een laag asch op den bodem te strooien, of het vel van het dier met Perzisch-insectenpoeder in te wrijven. De Tieken, die den Hond het meest pijnigen, verdrijft men door ze met een weinig brandewijn, pekel of tabakssap te bevochtigen. Het is niet raadzaam ze met geweld uit de huid te trekken, omdat in dit geval de kop licht in de door ’t zuigorgaan veroorzaakte wonde blijft steken en deze doet etteren of zweren.
De vreeselijkste ziekte echter is de hondsdolheid of lyssa, vooral omdat hierdoor niet alleen de overige Honden en huisdieren, maar ook de menschen in groot gevaar verkeeren. Gewoonlijk komt deze ziekte alleen bij Honden op meer gevorderden leeftijd voor, meestal in den zomer bij zeer groote hitte, of in den winter bij al te felle koude. Men merkt bij den Hond, die door deze ziekte is aangetast, in de eerste plaats op, dat hij zich anders gedraagt dan gewoonlijk; hij wordt valsch-vriendelijk, en bromt tegen zijn meester; voorts openbaren zich bij hem een ongewone slaperigheid en droefgeestigheid, voortdurend zoekt hij warme plaatsen op, gaat dikwijls naar zijn voedsel zonder te eten, drinkt gretig water, doch altijd slechts bij kleine hoeveelheden te gelijk, en toont over ’t algemeen door zijne handelingen onrust en angst. Onbedriegelijke kenteekeningen van de ziekte zijn voorts, dat de stem van het dier verandert, dat het blaffen in een rauw, heesch gehuil overgaat, dat zijn eetlust vermindert, dat hij niet dan met moeite slikken kan, dat hij kwijlt, dat de oogopslag zijn helderheid verliest, dat hij graag en dikwijls wegloopt, oneetbare voorwerpen belekt of verslindt, en, als de ziekte erger wordt, om zich heen hapt, en zonder aanleiding bijt. Gedurende de ziekte komt gewoonlijk verstopping voor; de ooren worden slap, het dier laat den staart hangen, zijn oog wordt mat, de blik loensch. Later wordt het oog rood en ontstoken. De dolle Hond laat zich niet meer liefkoozen, let niet meer op het bevel van zijn meester, wordt steeds onrustiger en schuwer, zijn blik is starend of vurig, hij laat den kop laag hangen, het aangezicht zwelt op aan de wangen en om de oogen, de tong neemt een vuurroode kleur aan en hangt uit den bek, die aan de zijden een taai slijm laat uitvloeien. Weldra knort hij slechts zonder te blaffen, herkent de menschen en ten slotte zijn eigen meester niet meer. Hoezeer hij ook van dorst versmacht, hij kan niets meer binnenkrijgen; zelfs wanneer men hem met geweld water in de keel giet, veroorzaakt dit bij hem ademnood en een krampachtige samentrekking van de keelspieren. Nu begint hij het water en iedere andere vloeistof te schuwen. Hij gaat niet meer liggen, maar sluipt met loenschen blik en afhangenden staart onrustig rond.
Thans eerst ontwikkelt zich de ziekte hetzij in den stillen of in den razenden vorm. Bij de stille dolheid zijn de oogen ontstoken, maar dof en onbewegelijk, de tong wordt blauwachtig en hangt dikwijls ver uit den bek. Een wit schuim vertoont zich in de mondhoeken; de bek blijft altijd geopend, de onderkaak is verlamd en hangt slap naar beneden. Met den staart tusschen de pooten en hangenden kop loopt de Hond wankelend en onvast dikwijls mijlen ver voort en bijt naar alles wat hem in den weg komt, vooral echter naar andere Honden. Ontmoet hij op zijn weg een beletsel, dat hem verhindert de oorspronkelijke richting te blijven volgen, dan waggelt hij in een kring rond, valt dikwijls neder en hapt naar lucht.
Wanneer daarentegen de ziekte in haar razenden vorm optreedt, fonkelt het oog, de pupil wordt wijd, de bek is open en slechts weinig met speeksel bevochtigd; de blauwachtige tong hangt uit den mond. Reeds in vroegere ontwikkelingstijdperken van dezen ziektevorm is de Hond in hooge mate koppig en valsch, zelfs tegenover zijn meester; hij hapt onwillekeurig naar Vliegen of naar alles wat in zijne nabijheid komt, valt de Huisvogels aan en verscheurt ze, zonder ze op te eten, lokt andere Honden tot zich en schiet dan woedend op hen toe, laat de tanden zien, toont gezichtsvertrekkingen, jankt, lekt zich met de ontstoken tong de lippen af en maakt er ook wel smakkende bewegingen mede, waarbij hem dikwijls reeds vloeibaar speeksel uit den mond druppelt. Van ’t water wendt hij zich duizelig af, maar zwemt toch nog soms door beken en plassen. Hij bijt naar al wat hem voor den bek komt, dikwijls ook in levenlooze voorwerpen, als hij vastligt, zelfs in zijn ketting.
De hondsdolheid was reeds bij de Grieken bekend, hoewel zij in ’t zuiden van Europa veel zeldzamer voorkomt dan bij ons. Zoowel in landen die tot den kouden, als in die, welke tot den heeten aardgordel behooren, komt de ziekte minder dikwijls of in ’t geheel niet tot uitbarsting.
Van oudsher zijn vele middelen tegen de lyssa aangeprezen; het is echter niet uit te maken, of zij eenige uitwerking hebben gehad, en wel voornamelijk niet, omdat men geen zekerheid kon verkrijgen, dat het dier, waardoor de patiënt gebeten was, werkelijk aan dolheid leed, of ten onrechte verdacht werd, dol te zijn. Het eenige radicaal helpende middel kon slechts in het uitbranden der wonden bestaan; dit moest echter onmiddellijk en grondig geschieden. Als dit niet gebeurd was en het gif van de hondsdolheid zich reeds door het lichaam verspreid had, hing het alleen af van omstandigheden, waarover de mensch geen macht had, of de ziekte, die steeds een noodlottig einde nam, al of niet tot uitbarsting kwam. De eerst voor korten tijd door Pasteur ontdekte geneeswijze heeft ten doel, ook in zulke gevallen nog redding te brengen. Zij is gegrond op het feit, dat het mogelijk is, door inenting sommige ziekten te voorkomen, zooals b.v. de pokken door inenting van koepokstof. Volgens de methode van Pasteur wordt het ruggemerg van dieren, die aan hondsdolheid lijden, gedroogd, in bouillon fijn gewreven en dit mengsel verscheidene malen achtereen onder de huid van den patiënt ingespoten. Door het drogen is de vergiftige werking van het bedoelde ruggemerg verzwakt, en wordt het in een inentingsstof veranderd, die den patiënt tegen de ziekte beschut. Sedert 1885 zijn duizenden van menschen, die gebeten waren, op deze wijze behandeld. Vele van de behandelden waren ongetwijfeld gebeten door dieren, die ten onrechte van dolheid verdacht werden; er zijn echter onder hen ook een groot aantal personen geweest, die gebeten waren door dieren, waarvan de dolheid met zekerheid kon worden aangetoond. Van deze personen zijn eenigen in weerwil (misschien zelfs ten gevolge) van de inenting gestorven; verreweg de meesten echter zijn door de inenting voor een wissen dood behoed.
Een onbedriegelijk kenteeken van de gezondheid van een Hond is de koude en vochtige neus. Als deze droog en warm is, als de oogen dof staan, als het dier geen eetlust heeft enz., kan men er zeker van zijn, dat het onpasselijk is. Als er in den toestand van den patiënt niet spoedig een gunstige verandering komt, en de middelen, die door een ervaren veearts voorgeschreven zijn, niet baten, blijft er weinig hoop op het behoud van het dier over, want slechts weinige Honden kunnen zware ziekten doorstaan. Verwondingen genezen schielijk en volkomen, niet zelden zonder eenige hulp; bij inwendige ziekten echter zijn zelfs ervaren geneeskundigen, om van kwakzalvers niet eens te spreken, meestal spoedig ten einde raad, omdat deze ziekten een buitengewoon snel verloop hebben.
De Hond bewijst den mensch onschatbare diensten. Hoe nuttig hij is voor beschaafde en ontwikkelde volken, weet ieder lezer uit eigen ervaring; de onbeschaafde of wilde volksstammen hebben hem echter misschien nog meer noodig. Zijn vleesch wordt gegeten op de Zuidzee-eilanden, door verscheidene Afrikaansche volken, alsmede door de Toengoesen, Chineezen, Eskimos, de Noord-Amerikaansche Indianen enz. In China ziet men dikwijls slagers, die met geslachte Honden beladen zijn; zij hebben echter veel last van de vijandige gezindheid van andere, nog vrij rondloopende Honden, die bij troepen op hen aanvallen. In verband met dit feit moeten wij ook nog wijzen op een andere betrekking tusschen den mensch en den Hond, die wel in staat is om bij ons een gevoel van afschuw te wekken. Nadat Bernardin de Saint-Pierre het denkbeeld uitgesproken heeft, dat het eten van Honden de eerste stap zou zijn geweest tot het eten van menschen, is de volkenkunde verrijkt geworden met vele feiten, die het hoogst waarschijnlijk maken, dat de gewoonte om Honden te eten een voorlooper, begeleider of overblijfsel is van het menscheneten.
Maar ook in die gewesten, waar de Hond geregeld of somtijds als voedsel voor den mensch dient, is hij steeds zijn metgezel en helper; zelfs den minst ontwikkelden wilde, die nog niet eens op het denkbeeld is gekomen dit dier een eigen naam te geven, bewijst de Hond in de keerkringsgewesten den dienst van waarschuwer, zoo niet dien van wachter, ook helpt hij hem op de jacht. Voor den bewoner der Poolgewesten, die zonder den Hond nagenoeg hulpeloos zou zijn, trekt hij de slede over de ijs- en sneeuwwoestijnen van zijn vaderland, of draagt als een lastdier op den rug de uitrusting van den jager. In het noorden van Azië worden hondevellen tot kleedingstukken verwerkt; in Europa maakt men er mutsen, zakken en moffen van. Van zijne pezen, banden en beenderen wordt lijm bereid; het taaie en dunne hondenleer komt op tweeërlei wijze gelooid in den handel: rungaar dient het tot dansschoenen, aluingaar tot handschoenen; het haar wordt tot het vullen van kussens gebruikt. Het vet dient tot het smeren van raderwerk enz.; het gold vroeger als huismiddel tegen longtering. Zelfs de drek, die “Grieksch wit” (Album graecum) wordt genoemd, omdat de Grieken het voor ’t eerst hebben toegepast, was een gezocht geneesmiddel. Ook in den oorlog moesten de Honden meehelpen, niet, gelijk thans geschieden zal, als doelmatig opgevoede waarschuwers en snelvoetige, gemakkelijk aan ’s vijands aandacht ontsnappende boden, maar om te strijden in de gelederen der krijgslieden. Toen de Spanjaarden de landen van de Nieuwe Wereld aan zich onderwierpen, speelden de Bloedhonden bij hunne ondernemingen als krijgsgezellen geen geringe rol: vele van deze dieren werden wegens hun moed en hunne roemrijke daden even hoog geacht en geprezen als de tweevoetige helden, die deel uitmaakten van de roofgierige benden der Conquistadores. Even als alle deelnemers aan deze rooftochten en gevechten, kregen ook deze Honden, of liever hunne meesters in hun plaats, een evenredig aandeel van den buit. Later, zelfs nog tot in den laatsten tijd, was het de gewoonte, ontvluchte slaven of inboorlingen, die zich aan het gezag der Europeanen onttrokken hadden, met behulp van Bloedhonden in de wildernis op te sporen.