Staande Hond (Canis familiaris sagax avicularius). Langharig ras. ⅛ v. d. ware grootte.

Staande Hond (Canis familiaris sagax avicularius). Langharig ras. ⅛ v. d. ware grootte.

De Hond leert alle bij de jacht vereischte handelingen door langdurige dressuur. Waarschijnlijk is bij geen enkel dier de machtige invloed, dien de mensch door onderricht en goede behandeling kan oefenen, duidelijker zichtbaar dan bij den Staanden Hond. Een goed onderwezen Jachthond is werkelijk een bewonderingwekkend dier, en een onbekwame jager wordt door den goed gedresseerden Jachthond, die hem vergezelt, niet zelden op duidelijk merkbare wijze berispt. Zoo heb ik een Patrijshond gekend, Basko genaamd, die alles deed, wat men van een dier van zijn soort verlangen kan. Zijn meester was een uitmuntend schutter, die in den regel bij twintig schoten op Vogels in de vlucht twintig treffers had, of hoogstens éénmaal misschoot. Eens kreeg hij bezoek van een zoon van een vriend, een jong ambtenaar, die veel beter met de pen overweg kon, dan met het geweer, en deze vraagt verlof een weinig te mogen jagen. De oude jager stemt toe, maar zegt tevens: “Schiet vooral goed, anders neemt Basko het u erg kwalijk!” De jacht begint; Basko krijgt weldra de lucht van een vlucht Patrijzen, en “staat” voor hen als een marmeren beeld. Hij krijgt bevel, ze op te jagen. De Patrijzen vliegen, het schot knalt, maar geen enkele Vogel valt ter aarde. Basko kijkt hoogst verbaasd om, en geeft duidelijk te kennen, dat hij niet weinig uit zijn humeur is. Hij gaat echter nogmaals mede, spoort een tweede vlucht Patrijzen op, die er even goed afkomen als de vorige. Nu was de maat vol! De Hond gaat dicht bij den onbekwamen jager langs, werpt hem een blik vol van de diepste verachting toe, en snelt ijlings naar huis. Nog jaren daarna was het den jager, wien dit overkwam, onmogelijk, den Hond, die zoo hartstochtelijk veel van jagen hield, naar het veld mede te nemen; de verachting voor den onbekwamen schutter was te diep in zijn hart geworteld.

Het spreekt van zelf, dat een van aanleg goede Hond een uitmuntenden opvoeder moet hebben, zoo er van hem iets goeds zal groeien. De africhting is een zeer moeielijke zaak; geduld, ernst en liefde voor het dier, zijn de hoofdvereischten. Vroeger ging men op gewelddadige wijze te werk, met zweep en kralen-halsband; ook thans nog zijn er niet weinige africhters, die zich van deze marteltuigen bedienen. Velen echter handelen volgens andere, betere beginselen. Zij beschouwen hunne leerlingen niet als slaven, maar als verstandige helpers; zij behandelen hen naar dezen regel, en doen dit van den beginne af.

De Speurhond (in Duitschland Schweisshund, in Schotland Bloodhound of Talbot genoemd), gelijkt in grootte en gestalte op een gladharigen Staanden Hond. Van zijn afkomst is niets zekers bekend. De dieren, die tot dit ras behooren, zijn forsch gebouwd; hun kleur is gewoonlijk als die van run, of wisselt af van rood tot vaalgeel, met een zwartachtig waas aan den snoet en aan de ooren; dikwijls hebben zij een donkere streep over den rug. De kop is breed, weinig gewelfd; de zwarte of bijna vleeschkleurige neus is merkbaar breeder dan bij de overige Jachthonden; de lippen van den stompen snoet hangen breed af, en vormen in den mondhoek een sterke plooi; de breede, afhangende ooren zijn middelmatig lang en van onderen afgerond; de uitdrukking van het gelaat is ernstig, schrander en edel. De staart neemt ongevoelig in dikte af tot aan de spits. Zijn stem is vol en diep; hij slaat op een eigenaardige, gerekte wijze aan, zoodat ieder, die hem eenmaal gehoord heeft, hem gemakkelijk weder herkent.

Hertenhond (Canis familiaris sagax acceptorius). 1/10 v. d. ware grootte.

Hertenhond (Canis familiaris sagax acceptorius). 1/10 v. d. ware grootte.

De Speurhond is een bijna onmisbare helper bij de jacht op grootwild: hij moet het spoor van het dier volgen, wanneer het aangeschoten is. Aan de lijn gehouden (als leihond) brengt hij bij het “nazoeken” den jager stil door bosch en struiken naar de plaats, waar het gewonde dier zich heeft neergelegd; als men hem los laat loopen, en hij het wild gestorven vindt, dan slaat hij “dood” aan; als het wild nogmaals is gaan loopen, vervolgt hij het al blaffend, tot zijn meester nadert, en aan de jacht met een treffer een einde maakt.

In vroeger tijden werd de Speurhond door de Engelschen in hunne oorlogen tegen Schotland, Ierland en Frankrijk gebruikt. Ook beschermde hij zijn meester en diens huis en hof tegen de destijds veelvuldig voorkomende roovers, en spoorde dieven op. Naar men meent, is de Talbot de stamvader van de Pointers, Setters en Voshonden.

Bij de Parforce-jacht wordt het wild door de Honden, die in dit geval tot koppels van 6 à 40 stuks vereenigd moeten blijven, zoo lang nagejaagd, tot het, door vermoeienis uitgeput, staan blijft, en, niet zelden na een verwoeden tegenstand, door de Honden gegrepen, of door den jager, die te paard het wild volgt, afgemaakt wordt. Het wild wordt dus “par force” (door krachtsinspanning) verkregen, en niet van uit de verte geschoten. Voor dit doel dienen verschillende rassen van Honden, die daarom Parforce-honden of Brakken (chiens courants) heeten.

Eén van deze, de Schotsche Hertenhond (Greyhound, Deerhound), die naar men zegt, ontstond door kruising van Bloedhond en Windhond, en de eigenschappen van beide rassen in zich vereenigt, onderscheidt zich door een zeer fijn speurvermogen en door buitengewone snelheid. Tegenwoordig bezit de Engelsche koningin nog maar weinig van deze dieren. Vroeger was dit anders. George III was een hartstochtelijk liefhebber van de hertendrijfjacht, waaraan hij dikwijls in persoon deel nam. Niet zelden werd met zulk een ijver gejaagd, dat van de 100 bereden jagers, die aanvankelijk het Hert vervolgden, er nog maar 10 of 20 over waren, als het wild door de Honden gegrepen werd. Vliegensvlug werden ongeloofelijke afstanden afgelegd; de jacht werd dikwijls zoo lang voortgezet, dat een groot deel van de Paarden en zelfs vele Honden hierbij om ’t leven kwamen. Tegenwoordig gaat dit niet meer zoo, daar de meerdere bebouwing van den grond aan deze jacht te veel hinderpalen in den weg legt.

Een veel belangrijker dier is de Voshond. Beroemde mannen hebben zich meer met hem dan met andere zaken bemoeid; dikke boeken zijn over hem geschreven, en ook nu nog stellen de Engelsche grooten dikwijls, naar ’t schijnt, meer belang in hunne koppels Voshonden, dan in het lot van geheele volken. Hij vereenigt in zich de snelheid van den Windhond, den moed van den Bullenbijter, den fijnen neus van den Bloedhond, de schranderheid van den Poedel, kortom alle goede eigenschappen van de Honden. Buitengewoon zijn zijne snelheid en volharding. Een goede koppel Honden volgt den Vos halve dagen achtereen, zonder dat hun ijver maar eenigszins verflauwt; de Honden van den hertog van Richmond b.v. vonden, naar Bell verhaalt, ’s morgens om kwart voor acht den Vos en grepen hem eerst even vóór 6 uur ’s avonds, dus na een snellen loop van 10 uren. Verscheidene jagers moesten drie maal van Paarden verwisselen en verscheidene van deze dieren bezweken; van de 40 Honden waren bij het einde van de jacht nog maar 23 aanwezig.

Veel kleiner dan de 55 à 60 cM. hooge Voshond is de Spion (Stöberhund Choupille, Beagle), wiens schouderhoogte slechts 35 cM. bedraagt, en die, naar men beweert, een bastaard van Voshond en Dashond is. Hij jaagt kort onder het geweer en “teekent” voor het wild zonder te “staan”. Vroeger werden koppels van deze dieren veel voor de drijfjacht op Hazen gebruikt, thans zijn zij zeldzaam.

*

Onder den naam Zijdehonden (Canis familiaris extrarius) vat men gewoonlijk een aantal zeer uiteenloopende Hondenrassen samen; zij onderscheiden zich door een uit lange, zijdeachtige haren bestaande vacht, en een middelmatig langen, vooral aan de onderzijde lang, zijdeachtig behaarden staart, die sterk omhoog en rugwaarts gekromd gedragen wordt. Zij heeten ook wel Spaansche Honden (Épagneul, Spaniel), welke naam, naar men beweert, aan dien van het eiland Hispaniola (Haïti) ontleend is. Een dergelijk hondje redde aan Prins Willem I voor Mons het leven. Sommige langharige rassen van Staande Honden zijn, naar men meent, door kruising uit Honden van dit ras verkregen.

Alle Zijdehonden bewegen zich vlug en snel, maar kunnen niet lang achtereen zich inspannen. Zij hebben een fijnen neus en een groot verstand, zonder evenwel bijzonder leerzaam te zijn. Sommige worden voor de jacht op klein wild, vooral Vogels, gebruikt; deze heeten Kwartelhonden of Patrijshonden; hiervoor moeten deze dieren echter een zeer zorgvuldige opvoeding ontvangen, daar zij van nature te driftig en te hartstochtelijk jagen. Zelfs na een uitmuntende dressuur sidderen zij van begeerte bij het vinden van een spoor, en zijn niet in staat hun vreugde of hun ijver te verbergen, maar keffen en blaffen bijna voortdurend. Om deze reden worden zij meer in de kamer gehouden, dan voor de jacht gebruikt. Zij zijn overigens zeer moedig en behouden ook in andere klimaten hun oorspronkelijke vermetelheid, zelfs in het heete Indië, waar de beste uit ons klimaat afkomstige Honden weldra bedorven zijn. Kapitein Williamson verhaalt, dat hij eens een van deze kleine, vermetele dieren zelfs op een Tijger onverschrokken heeft zien los gaan. Het vreeselijke Roofdier keek den kleinen keffer in ’t eerst verwonderd aan, stond daarna echter op, gehinderd door het aanhoudend gekef van den brutalen wijsneus, en vluchtte! De verhaler voegt er bij, dat het een onbeschrijfelijk schouwspel was, deze beide, in grootte en kracht zoo verschillende dieren achter elkander aan te zien rennen, de groote, vreeselijke Tijger met opgeheven staart als voorganger en het moedige Hondje, ruzie zoekend en blaffend, achter hem aan.

De kleine Spaansche of liever Engelsche Hondjes heeten King-Charles, de allerkleinste Blenheim-Hondjes; de eerste naam brengt in herinnering, dat Koning Karel II van Engeland buitengewoon veel van deze diertjes hield en er altijd eenige bij zich had. Zij onderscheiden zich door hun donkere kleur, die trouwens dikwijls een bruinachtige tint vertoont, de witte voorborst, het zijdeachtig zachte, lange haar en het groote, lange “behang”. De allerbeste en meest gezochte van deze diertjes wegen niet meer dan 2,5 KG., de grootsten slechts 3,5 KG. Als kamerhondjes zijn zij zeer gewild, omdat zij er lief uitzien, en ook vroolijk en leerzaam zijn, wanneer zij verstandig behandeld worden. Het zijn de gezelligste dieren, die men zich voorstellen kan: voortdurend op grappen bedacht, laten zij zich met zeer geringe moeite tot het verrichten van aardige kunstjes africhten. Een onaangename eigenschap van deze dieren is, dat hunne oogen altijd nat van tranen zijn, die uit de binnenooghoek af en toe over de wangen vloeien. Ook de Maltezer en Bolognezer Schoothondjes en de Leeuwtjes behooren tot dit ras.

De zooeven genoemde rassen zijn dwergen, de Newfoundlander of Terreneuve is de reus onder de Zijdehonden. Hij is een kolossaal, sterk en forsch dier met breeden, langen kop, eenigszins verdikten snoet, middelmatig groote, hangende, ruig behaarde ooren, sterke borst, krachtigen hals, tamelijk hooge, forsche pooten, welker teenen door sterk ontwikkelde zwemvliezen vereenigd zijn; dichte, lange, gekroesde of wollige, zachte, bijna zijdeachtige haren vormen de vacht; de ruig behaarde staart is tamelijk lang. De kleur van deze dieren is zeer verschillend. Vele zijn zwart met een heldere, roestgele vlek boven ieder oog en roestgele vlekken aan de keel en aan de voetgewrichten. Een weinig minder veelvuldig komen zwart en wit, of bruin en wit gevlekte, of effen zwartbruine en witte exemplaren voor.

Met recht wordt de Newfoundlander als een van de schoonste rassen beschouwd en zeer gezocht, want al zijne eigenschappen harmonieeren met zijn uitwendige schoonheid en leggen getuigenis af van den goeden stam, waartoe hij behoort. Hij is in de hoogste mate trouw en gehecht aan zijn meester, bovendien verstandig en buitengewoon leerzaam. De Newfoundlander is de beste van alle waterhonden; het water schijnt zijn eigenlijk element te zijn. Hij is een hartstochtelijk liefhebber van zwemmen en verstaat deze kunst uitnemend; hij duikt als een zeedier en kan uren lang in het water blijven. Eens vond men een van deze Honden in een wijde inham van de zee, op mijlen afstands van de kust; men moest wel aannemen, dat hij vele uren lang in de zee rondgezwommen had. Het is den Newfoundlander volkomen onverschillig op welke wijze hij zwemmen moet; hij gaat evengoed tegen stroom en in den wind, als voor den wind af en met den stroom mede. Zonder eenige voorafgegane dressuur haalt hij onvermoeid ieder voorwerp uit het water, zelfs bij de strengste koude, en brengt het aan zijn meester. De mensch kan hem op geen wijze meer genoegen doen, dan door hem de gelegenheid te geven, zich veel in het water op te houden. Dat zijn meester zich met hem te water begeeft, vindt hij nog veel prettiger. De Hond schijnt buiten zichzelf van vreugde te zijn over de ontdekking, dat de mensch, evenals hij, met het water vertrouwd is, en geeft zich alle mogelijke moeite om hierover zijn blijdschap aan den dag te leggen. Nu eens zwemt hij zijn meester vooruit, dan weer achter hem aan, gaat duikend onder hem door, alsof hij hem een eind weegs wilde dragen of ondersteunen, kortom, hij wil in ’t water voortdurend spelen. Als eindelijk zijn meester zich vermoeid naar den oever begeeft, tracht de Hond hem tot een nieuwen wedstrijd over te halen.

Newfoundlander (Canis familiaris extrarius terrae novae). 1/12 v. d. ware grootte.

Newfoundlander (Canis familiaris extrarius terrae novae). 1/12 v. d. ware grootte.

St. Bernardshond (Canis familiaris extrarius st. Bernhardi). 1/10 v. d. ware grootte.

St. Bernardshond (Canis familiaris extrarius st. Bernhardi). 1/10 v. d. ware grootte.

De buitengewone geschiktheid van den Newfoundlander voor de beweging in ’t water, maakt hem tot een zeer nuttig dier; zeer dikwijls heeft hij aan verdrinkende menschen het leven gered. In plaatsen, die in de nabijheid van diepe wateren gelegen zijn, is hij de beste kinderoppasser, dien men zich denken kan. Men kan gerust zelfs het kleinste kind aan zijne waakzaamheid en nauwgezetheid toevertrouwen; men kan er zeker van zijn, dat aan het kind niet het geringste leed zal wedervaren, zoo lang de Hond met de zorg er voor belast is. Bij deze voortreffelijke eigenschappen moet men nog voegen zijne groote goedaardigheid en zachtheid als ook zijn dankbaarheid voor ontvangen weldaden; trouwens evenzeer behoudt hij de herinnering aan een onrechtvaardige behandeling of straf, die hij ondergaan heeft; voor lieden, die hem opzettelijk kwellen, wordt hij dikwijls gevaarlijk.

Met den Newfoundlander heeft de St. Bernards- of Bernhardinerhond eenige overeenkomst. “De St. Bernhardshonden,” zegt Tschudi, “zijn groote, langharige, uiterst sterke dieren met korten, breeden snuit en lang ‘behang’; zij zijn buitengewoon scherpzinnig en trouw. Door vier geslachten hebben zij zich zuiver voortgeplant; zij zijn thans niet meer zuiver aanwezig, omdat zij bij hunne trouwe diensten door lawinen om het leven zijn gekomen. Een ras dat weinig van het oorspronkelijke verschilt, wordt nu gefokt, en een jong dier dikwijls zeer duur verkocht. Het vaderland van deze edele dieren is het klooster van den St. Bernard, dat 2472 M. boven den zeespiegel is gelegen, in den somberen bergpas, in welks onmiddellijke nabijheid de winter 8 of 9 maanden duurt. Daar vallen alleen in den zomer groote sneeuwvlokken, in den winter echter droge, kleine, broze ijskristallen, die zoo fijn zijn, dat de wind ze door alle naden van deuren en vensters kan stuwen. Vooral in de nabijheid van het klooster jaagt de wind dit ijspoeder tot losse sneeuwwanden van 30 à 40 voet hoogte op, die paden en afgronden bedekken en bij den geringsten schok in de diepte storten.

“De reis over dezen ouden bergpas is alleen in den zomer bij volkomen helder weder zonder gevaar, bij stormachtig weder daarentegen en in den winter, als de talrijke spleten en kloven door de sneeuw bedekt zijn, is deze tocht vooral voor den hier onbekenden reiziger met vele moeiten en gevaren verbonden. Ieder jaar eischt de berg een zeker aantal slachtoffers. De eene valt in een spleet, de andere wordt onder een sneeuwval bedolven, een derde wordt zoo door den nevel omhuld, dat hij van het pad af geraakt en in de wildernis van honger en vermoeidheid bezwijkt, een vierde wordt bevangen door den slaap, waaruit hij niet weder ontwaakt. Zonder de echt christelijke en zelfopofferende werkzaamheid der monniken zou de weg over den bergpas ieder jaar slechts gedurende weinige weken of maanden begaanbaar zijn. Sedert de achtste eeuw wijden zij zich aan de edele taak van de verzorging en redding der reizigers. Kosteloos vinden deze in ’t klooster een onderkomen. De stevige steenen gebouwen, waarin het haardvuur nooit uitgaat, kunnen in geval van nood een paar honderd menschen herbergen. De eigenaardigste werkzaamheid der kloosterlingen is echter de steeds door hen verrichte veiligheidsdienst, waarbij de wereldberoemde Honden krachtdadig medehelpen. Iederen dag gaan twee knechten van het klooster over de gevaarlijke plaatsen van den pas: één van de laagst gelegen herdershut van het klooster naar het hospitium omhoog, de andere in omgekeerde richting. Bij onweder of sneeuwafstortingen wordt hun aantal verdrievoudigd; verscheidene geestelijken voegen zich dan bij de ‘zoekers,’ die door de Honden vergezeld worden en met schoppen, staven, draagbaren en ververschingen voorzien zijn. Ieder verdacht spoor wordt zorgvuldig gevolgd, voortdurend klinken de signalen; op de Honden wordt nauwkeurig gelet. Deze zijn zeer fijn gedresseerd op het volgen van het spoor van menschen, en zwerven vrijwillig soms dagen achtereen door alle afgronden en wegen van het gebergte. Als zij een door de koude verstijfd mensch vinden, loopen zij langs den kortsten weg naar het klooster terug, blaffen luid en leiden de steeds gereed staande monniken naar den ongelukkige. Als zij een lawine ontmoeten, onderzoeken zij, of zij niet het spoor van een mensch ontdekken, en als hun fijne neus hun daarvan de zekerheid geeft, beginnen zij onmiddellijk den bedolvene te ontgraven, waarbij hunne forsche klauwen en groote lichaamskracht hun goed te pas komen. Gewoonlijk dragen zij aan den hals een korfje met versterkende middelen of een fleschje wijn, op den rug dikwijls wollen dekens. Het aantal menschen, die door deze schrandere Honden gered zijn, is zeer groot; in de geschiedboeken van het klooster wordt er nauwkeurig aanteekening van gehouden. De beroemdste Hond van dit ras was Barry, een onvermoeid werkzaam dier, dat aan meer dan 40 menschen het leven redde.”

Een dichter heeft dezen Hond bezongen; Tschudi haalt dit gedicht in zijn werk aan; ik ken echter een nog beter gedicht, hoewel het niet in gebonden taal geschreven is, n.l. de beschrijving, die Scheitlin van Barry geeft. “De allervoortreffelijkste Hond, dien wij kennen,” zegt hij, “was niet die, welke de wachten van den Akropolis van Korinthe deed ontwaken, ook niet de Bloedhond Beçerillo, die honderden van naakte Amerikanen heeft verscheurd, niet de Hond van den scherprechter, die op bevel van zijn meester, een beangste reiziger vergezelde en beschermde bij zijn tocht door het uitgestrekte, duistere woud, ook niet Dryden’sDraak,’ die na een wenk van zijn meester, op vier bandieten aanviel, eenige hunner doodde en zóó zijn heer het leven redde, niet die, welke thuis berichtte, dat het kind van den molenaar in ’t water was gevallen, evenmin de Hond, die zich van den brug te Warschau in den stroom stortte en een klein meisje aan den dood in de golven ontrukte, ook niet Aubry’s Hond, die woedend den moordenaar van zijn meester aanviel en hem na een strijd, die in tegenwoordigheid van den koning plaats had, verscheurde, ook niet de Hond van Benvenuto Cellini, die den beroemden goudsmid dadelijk wekte, toen men juweelen stelen wilde, maar Barry, de heilige Hond van den St. Bernard! Gij, Barry, verhevenste van alle Honden, verhevenste van alle dieren! gij waart een groote, verstandige Hond met een menschenziel, een warme ziel voor ongelukkigen. Meer dan 40 menschen hebt gij het leven gered. Met een korfje vol brood en zoete, versterkende lafenis aan den hals, verliet gij het klooster, bij sneeuwjacht zoowel als bij dooiweder, dag aan dag, om ingesneeuwde, door lawinen bedekte ongelukkigen op te zoeken, om ze op te graven, of om, ingeval dit onmogelijk bleek, snel naar huis te rennen, opdat de kloosterbroeders met u kwamen en met spaden u bij ’t graven hielpen. Gij waart het tegendeel van een doodgraver, gij bracht opstanding teweeg. Zeker hebt gij, zooals een fijngevoelig mensch dit kan, door sympathie u verstaanbaar kunnen maken; anders zou het door u opgegraven knaapje niet op uw rug hebben durven klimmen, om zich door u naar het gastvrije klooster te laten dragen. Daar aangekomen, trokt gij aan de schel der heilige poort, om aan de barmhartige broeders den dierbaren vondeling ter verzorging over te geven. En toen de zoete last u afgenomen was, sneldet gij dadelijk opnieuw naar buiten om uw onderzoek voort te zetten. Door iedere naar wensch geslaagde poging nam uw ervaring toe en werdt gij vroolijker en deelnemender. Dat is de zegen van de goede daad, dat zij voortdurend goede gevolgen teweegbrengt!”

Ook op den St. Gotthard, den Simplon, den Grimsel, den Furka en alle andere hospitiën worden, volgens Tschudi, uitmuntende Honden gehouden, die een uiterst fijnen neus voor menschen hebben, dikwijls Newfoundlanders of kruisingsproducten van deze. De hospitiumbewoners op al deze plaatsen verzekeren, dat hunne Honden vooral in den winter het naderen van slecht weder reeds 1 uur van te voren opmerken, en door onrustig rondloopen op een onbedriegelijke wijze aanduiden. Zoo beroemd als Barry is geen hunner echter geworden.

Een Zijdehond is ook de algemeen bekende Poedel. Hem te beschrijven, komt ons onnoodig voor, daar hij, zooveel eigenaardigheden heeft, die ieders aandacht trekken. De ineengedrongen bouw van het lichaam met de lange, wollige, vlokkige haren, die op vele plaatsen echte lokken vormen en den geheelen Hond met een dicht kleed voorzien, de lange en breede ooren onderscheiden hem van zijne verwanten. Een fraaie Poedel moet geheel wit of geheel zwart zijn; hoogstens mag hij op zijn overigens zuiver zwarte vacht een witte bles of een borstvlek hebben.

De Poedel verraadt zijn verwantschap met de overige Zijdehonden, doordat hij zooveel van het water houdt. Hij zwemt goed en gaarne, en kan ook wel voor de jacht afgericht worden. Veel beter echter is hij geschikt om den mensch gezelschap te houden; in dit opzicht doet hij al wat van een dier verwacht kan worden. Om zijn karakter te schetsen, ontleen ik de woorden aan Scheitlin, een zijner warmste vereerders. “Van alle Honden is de Poedel het best gebouwd. Hij heeft den fraaist gevormden kop, den best gebouwden romp, de schoonste gestalte, een volle, breede borst, goed gevormde pooten; hij is niet hoog en niet laag, niet lang en niet kort en heeft een zeer waardig voorkomen. Reeds door zijn lichaamsbouw is hij beter dan andere Honden voor allerlei kunstverrichtingen geschikt. Het dansen kan hij uit zich zelf leeren; want zijn half-menschelijke aard spoort hem aan, zich naast zijn meester op te richten, zich op de achterpooten te verheffen en rechtop te gaan. Spoedig genoeg wordt hij gewaar, dat hij het zou kunnen, en hij doet het zeer dikwijls uit zich zelf, wanneer hij wil. Zijn smaakzin is fijn; hij onderscheidt de spijzen zeer goed en is een lekkerbek. Zijn reukzin is beroemd. Wanneer men hem van een zoek geraakt kind een schoen of een ander kleedingstuk laat ruiken, kan hij door het onthouden van dezen reukindruk het verloren kind terugvinden. Hij vergist zich zoo goed als nooit: de reuk is voor hem het beste herkenningsmiddel. Zijn algemeen gevoel is eveneens fijn; voor lichaamssmarten is hij zeer gevoelig; hij is kleinzeerig. Zijn gehoor is voortreffelijk. Van verre herkent hij de stem zijns meesters, merkt verschil op in de wijze waarop deze spreekt, onderscheidt de klokken en schellen, herkent de huisgenooten aan hun wijze van gaan en aan het geluid hunner voetstappen. Zijn gezichtsvermogen is echter minder ontwikkeld: hij ziet niet goed, hij herkent zijn meester door het gezicht alleen als deze tamelijk nabij is.

“De Poedel heeft een uitmuntenden plaatszin. Hij vindt zijn huis terug, al is hij er uren of dagen gaans van verwijderd. In de stad of op het land loopt hij naar eigen verkiezing rond, en bezoekt, met de zekerheid het te zullen vinden, het een of ander huis, waar hij met zijn meester, al is het ook slechts éénmaal, geweest is, en waar hij aangename ervaringen heeft opgedaan. Daarom kan men hem leeren brood bij den bakker, vleesch bij den slager te halen. Zijn tijdzin is merkwaardig ontwikkeld; hij onderscheidt den Zondag van de overige dagen; hij kent evenals de hongerige mensch het uur van den maaltijd; ook is hij goed op de hoogte van de dagen waarop in het slachthuis geslacht wordt. De kleuren kent hij goed uit elkander en onderscheidt hieraan de voorwerpen duidelijk. Zonderling is de indruk dien de muziek op hem maakt; sommige instrumenten vallen in zijn smaak, andere niet. Hij heeft een buitengewoon scherp waarnemingsvermogen; daar niets hem ontgaat, is hij zeer bij de hand. Hij is een uitmuntend opmerker; dit maakt, dat hij niet alleen de woorden, maar ook de gezichtsuitdrukking en den blik van zijn meester uitmuntend leert verstaan. Hij heeft een zeer sterk geheugen: jaren lang blijven hem de vorm en de kleur van zijn meester bij; jaren lang onthoudt hij den weg naar elke hem bekende plaats. Men noemt den Hond reeds verstandig, omdat hij met zijn reukzin veel onderscheiden kan; veel meer aanspraak maakt hij op dien naam wegens zijn uitmuntend geheugen, daar immers in ’t dagelijksch leven ieder kind met een goed geheugen en zelfs een domme geleerde, d. w. z. een veelweter, voor verstandig doorgaat. Het geheugen is de hoofdoorzaak van de leerzaamheid van den Poedel; hierbij spelen echter ook zijn geduld, zijn goedaardigheid en zijn gehoorzaamheid een groote rol. Hij kan leeren op de trommel slaan, pistolen afschieten, bij ladders opklimmen, met een troep Honden een hoogte bestormen, die door andere Honden verdedigd wordt, met zijne kameraden komedie spelen enz. Het is bekend, dat men ook aan Paarden en Olifanten hetzelfde of iets dergelijks kan leeren.

“Twee eigenschappen van den Poedel moeten bovendien nog genoemd worden: zijn zucht tot nabootsing en zijn eergevoel, d. w. z. zijn ijdelheid. Altijd kijkt hij zijn meester aan, altijd gaat hij na, wat deze doet, altijd wil hij hem van dienst zijn. Hij is een echte oogendienaar; evenals een kind van zijn vader, denkt de Poedel van zijn meester: ‘wat hij doet, is wel gedaan; ik moet (of mag) het ook doen.’ Als zijn meester een kegelbal aanvat, neemt hij er ook een tusschen de pooten of wil dien met den bek grijpen en spant zich dus noodeloos in, daar hij hierin niet slaagt. Als zijn meester met een wetenschappelijk doel steenen verzamelt, zal ook de Poedel steenen zoeken. Als zijn meester ergens graaft, begint ook de Poedel met de pooten te graven. Als zijn meester aan ’t venster zit, springt de Poedel naast hem op de bank, legt beide voorpooten op het kozijn en kijkt eveneens naar het schoone landschap. Ook hij wil een stok of een korf dragen, omdat hij zijn meester of de keukenmeid er een ziet medenemen. Hij draagt ze zorgvuldig, zet ze voor de menschen neer, gaat van den een naar den ander, om te laten zien hoe knap hij is en kwispelstaart uit tevredenheid met zichzelf. Gedurende het dragen bekommert hij zich in het geheel niet om andere Honden; hij veracht ze, naar ’t schijnt, als deugnieten; men zou echter zeggen, dat zij hem achting toedragen.

“De Poedel is de meest geachte (maar niet de meest gevreesde) en ook de meest geliefde Hond, omdat hij de goedaardigste is. Kinderen vooral houden veel van hem, omdat hij het zonder te knorren, te bijten en ongeduldig te worden toelaat, dat zij hem op allerlei wijzen plagen, op hem rijden, aan hem plukken. Hoe vraatzuchtig hij ook is, toch kan men hem de brokken dikwijls weer uit den bek halen, wat zeer weinige Honden toelaten. Den persoon, die hem eens geschoren heeft, kent hij voor goed, en kijkt hem er op aan, waar hij hem ontmoet. Komt deze in een volgend jaar terug om hem weder te scheren, dan loopt hij oogenblikkelijk weg en verbergt zich; hij wil niet geschoren worden. Zeer aardig is het te zien, hoe hij zijn meester zoekt. Hij loopt met den kop naar beneden de straat langs, staat stil, bedenkt zich, keert terug, blijft aan den anderen hoek van de straat opnieuw stil staan, denkt meer na dan hij rondkijkt, snijdt hoeken af om schielijker ergens te zijn enz. Ook is het de moeite waard, na te gaan hoe hij doet, als hij uitgaan wil en niet mag, hoe hij zijn meester te slim af tracht te zijn, bij hem langs tracht te sluipen, hoe hij zich houdt, alsof hij niet weg wil gaan, en plotseling, als men niet naar hem kijkt, de plaat poetst; hoe hij met een meer vosachtige dan hondachtige list bij den muur een poot optilt, alsof hij, om te maken dat men hem de deur laat uitgaan, van plan is daar zijn behoefte te doen.

“Zonderling is het, dat de Poedel des te minder geschikt is voor wachthond, des te minder goed op den man afgericht kan worden, naarmate hij goedaardiger en verstandiger is. Hij houdt van alle menschen, heeft eerbied voor hen; als men hem op een mensch wil aanhitsen, kijkt hij eenvoudig zijn meester en diens tegenstander aan, alsof hij denkt: “het kan toch de bedoeling van mijn meester niet zijn, dat ik een van zijns gelijken zou aanvallen.” Men zou zijn meester kunnen dooden, zonder dat hij voor hem in de bres sprong. Steeds is hij in de hoogste mate onderworpen aan zijn meester; hij vreest niet alleen diens slagen, maar zelfs diens ontevredenheid, het berispende woord, den dreigend opgeheven vinger.

“De Poedel is bijzonder gesteld op vrijheid van beweging. Hij wil komen en gaan, zooals het hem goeddunkt. Geen enkele Hond zit graag aan de ketting, de Poedel wel het allerminst graag; hij kent allerlei middelen om zijn vrijheid te herkrijgen; touwen tracht hij te breken of stuk te bijten, of de lus over zijn kop te stroopen. Hij jubelt vaak als een mensch, als hij losgemaakt wordt, en doet soms, alsof hij gek is van blijdschap.”

Van ’t geen hij alzoo bedenkt om los te komen, wordt door Giebel een aardig geval medegedeeld: “In een groote stad, waar een hondenbelasting geheven werd, ving de vilder, zooals meer geschiedt, alle Honden zonder belastingpenning op, en bergde ze groot en klein, oud en jong, mooi en leelijk, in een groot hok, waar zij zich den tijd kortten door zoo luid mogelijk hun onverdiend leed te bejammeren. Alleen de Poedel zat stil, schijnbaar in zijn noodlot berustend, in een hoek van de gevangenis, en kwam er spoedig achter, hoe de deur opengedaan moest worden. De weg tot de vrijheid was hem hierdoor aangewezen. Fluks ging hij aan ’t werk, drukte met zijn poot den grendel naar beneden, opende de deur, en op zijn voorbeeld volgde de geheele schaar van gevangenen hem naar buiten. In stormpas en onder luid geschreeuw trokken zij voorbij de poortwachters, die in ’t geweer kwamen, de stad binnen, en ieder keerde vergenoegd naar zijn meester terug.”

*

De Rattenvangers (de Pintscher van de Duitschers), die nu aan de beurt liggen, worden niet zelden nog bij de vorige groep gerekend; werkelijk hebben zij (eenige hunner althans) door hun beharing en door den vorm van snuit, ooren en staart, door hunne goedaardigheid en trouw, vroolijkheid en speelschheid veel overeenkomst met den Poedel, van wien zij zich echter door eigenaardigheden van den bouw van den schedel en van andere skeletdeelen zoozeer onderscheiden, dat zij een afzonderlijke groep behooren uit te maken. Men onderscheidt ze in gladharige en ruigharige. De eerstgenoemde gelijken door hun lichaamsbouw op de Dashonden, verschillen er echter van door de hoogere en rechte pooten en de geheel rechtopstaande of slechts aan de spits overhangende ooren. De meeste zijn donker van kleur, gevlekte komen zeldzamer voor. Hun lichaam is tamelijk slank, de kop forsch, de snoet lang en recht afgeknot; de staart wordt achterwaarts gericht met naar boven gekromde spits, of loodrecht omhoog gestoken met naar voren gebogen spits; de pooten zijn middelmatig hoog en recht. Gewoonlijk snijdt men deze dieren, als zij nog jong zijn, den staart en de ooren af, waardoor zij niet mooier worden.

Alle Rattenvangers zijn uiterst schrandere, bijzonder levendige dieren, die buitengewoon belust zijn op jagen. Het is hun grootste genoegen Ratten, Muizen, Mollen en andere dieren die in de bovenste aardlaag hun bedrijf uitoefenen, te vangen; met waarlijk onvermoeiden ijver vervolgen zij hen. Als huisgenooten van den mensch zijn zij niet onvoorwaardelijk aan te bevelen, daar zij wegens hun voortdurende onrustigheid hun meester dikwijls meer verdriet dan genoegen verschaffen; daarentegen zijn zij uitnemend geschikt voor menschen, die te paard of in een rijtuig snel rijden: want de Rattenvanger vergezelt zijn meester het liefst, wanneer hij terdege rennen en loopen moet. Maar zelfs bij den snelsten rit weet hij altijd nog tijd te vinden om ieder muizengat te onderzoeken en iederen Mol bij het opwerpen van zijn aardhoopen te storen. Den neus omhoog en tegen den wind in speurt hij naar alle zijden, en, zoodra hij eenig geritsel hoort, gaat hij er voorzichtig en stil op af, blijft een tijdlang onbeweeglijk staan, doet plotseling een sprong, slaat de voorpooten in den grond en heeft in ’t volgende oogenblik het in den grond levend dier in den bek. Geheel op dezelfde wijze jaagt hij Mollen; hij doet dit met zooveel ijver, dat hij, naar Lenz verzekert, gedurende een niet te korte wandeling er geregeld 4 of 5 en soms wel 14 stuks vangt. De Mollen eet hij niet op, maar begraaft ze; Muizen eet hij echter, tot hij volkomen verzadigd is, de overige werpt hij weg.

De geschiktheid van dit dier voor de Rattenvangst heeft vooral in Engeland veel belangstelling gewekt; reeds sinds lang scheppen de Engelschen er vermaak in, groote Rattenjachten te houden en daarbij de behendigheid van deze Honden te doen uitkomen. Om de belangstelling in dezen wedkamp te verhoogen, worden daarbij zeer groote sommen verwed; hierdoor gelijkt dit volksvermaak veel op een hazardspel.

Een der vreemdsoortigste Honden wat vorm en uitzicht betreft, is de Kleine Ruigharige Rattenvanger, bij ons gewoonlijk Smousje genoemd. Hij verschilt aanmerkelijk van zijn gladharigen rasgenoot. Juist om zijn leelijkheid wordt hij door de liefhebbers zeer gezocht en hoog geschat. Het is een vroolijk en gezellig dier, den mensch in de hoogste mate onderworpen, vleiend en liefkoozend jegens zijne vrienden en zeer dapper in den strijd tegen andere Honden. Ook is hij voortreffelijk voor de Rattenjacht geschikt, en wordt zelfs hier en daar voor de Konijnen- of Kwarteljacht gebruikt.

*

De laatste groep van Huishonden, die wij beschouwen willen, omvat een aantal rassen, die den mensch zeer trouw dienen, maar meer nog dan de overige door hem voor slavenarbeid gebruikt worden; het zijn de Huishonden in engeren zin (Canis familiaris domesticus.) Tot deze groep behooren de Herdershonden, de Keeshonden, de Wolfshonden, de Honden der noordelijke volken (Lappen, Kamtschadalen, Eskimos, Hazen-Indianen enz.), de Zigeuner-Hond, de Chineesche Hond, de IJslandsche Hond enz.

Ruigharige Rattenvanger (Canis familiaris gryphus hirsutus). ⅙ v. d. ware grootte.

Ruigharige Rattenvanger (Canis familiaris gryphus hirsutus). ⅙ v. d. ware grootte.

De eigenlijke Herdershond verschilt van alle overige Huishonden, doordat alleen de toppen zijner ooren overhangen; ook is hij in den regel slank gebouwd, mager, hoog op de pooten, met sterk uitkomende pezen en spieren als een Wolf, waarbij hij trouwens in grootte aanmerkelijk achterstaat. De langwerpige kop met den spitsen snoet, de magere, rechte pooten, de middelmatig lange staart, die gewoonlijk een weinig ingetrokken wordt, het dichtbehaarde, krulharige, dikwijls ruige vel van grijs bruinachtige kleur zijn kenmerken, die tot aanvulling van het beeld van dit dier kunnen dienen.

In den regel treedt de Herdershond reeds in zijn eerste levensjaar als veehoeder in dienst. Mettertijd leert hij zijn arbeid volledig verrichten. Hij is volstrekt niet onverschillig welk vee aan zijne zorgen wordt toevertrouwd, want hij moet bij verschillende huisdieren een verschillende gedragslijn volgen. De Hond van den koeherder moet steeds letten op zijn meester en acht geven op diens bevelen. De Runderen, die niet dadelijk gehoorzamen, moet hij werkelijk bijten, want anders zijn zij niet bevreesd voor hem. Als hij de koe voor zich uitdrijft, mag hij alleen in de achterpooten bijten, nooit in den staart of in de zijden, en nog veel minder in de uiers. Als een koe achteruitslaat, moet hij goed oppassen, dat hij niet geraakt wordt, maar toch het bijten niet verzuimen; als een os of een koe zich met de horens verweert, blijft hij, zoo hij zijn werk goed verstaat, toch nog baas over het dier, door het bij den bek te pakken en er aan te blijven hangen. De Spaansche herders gebruiken bij het veehoeden ook nog den slinger en doen dit zonder hun doel te missen. Een os die eenige malen bestraft geworden is door een steen, die de herder hem tegen den kop werpt, mag zich wel voor den Hond in acht nemen; want deze houdt den weerspannige goed in ’t oog en beperkt zijne bewegingen reeds na korten tijd tot een bepaalden kring. De Hond van den schaapherder moet sterke hamels ook wel bijten, maar alleen in de achterpooten; hij mag echter lammeren en drachtige of zoogende Schapen nooit aanpakken, maar moet bij hen alleen maar doen, alsof hij bijten wil.

Evenals iedere Hond, is ook de Herdershond het spiegelbeeld van zijn meester. De Spaansche Herdershond is even driftig, de Duitsche even goedaardig als zijn baas. Als deze een wildstrooper is, zal zijn Hond weldra den flinksten Jachthond evenaren. Zoekt de herder zijne karige verdiensten te vermeerderen door het inzamelen van paddestoelen en dergelijke verkoopbare producten, dan helpt de Hond hem ze te zoeken. Moet zijn meester weerstand bieden aan twee- of viervoetige roovers: de Hond neemt deel aan de gevechten, die hierbij noodig zijn. Als de herder een vreedzaam leven leidt, zal ook zijn Hond een zachtaardig wezen zijn. De beide bondgenooten komen in aard overeen. Zij korten elkander den tijd: er zijn Herdershonden, die als ’t ware ieder woord van hun meester verstaan. Een geloofwaardig opmerker verhaalde mij hiervan een staaltje, waarvan hij ooggetuige was. Een schaapherder zeide tegen zijn Hond, dat hij goed op het “raapzaad” moest letten. Het dier stond een oogenblik verlegen, waarschijnlijk omdat hij het woord nog niet eerder had gehoord. Tarwe en rogge, gerst en haver, weiland en bouwland waren bekende zaken voor hem, van raapzaad had hij echter geen begrip. Na een korte overdenking ging hij de kudde rond, onderzocht de verschillende omliggende akkers en bleef eindelijk staan bij dien, welks voortbrengselen verschilden van de hem bekende graansoorten: dat zou wel de raapzaadakker zijn, en ’t was werkelijk zoo!

Wat de Herdershond is voor het vee, is de Keeshond (de Spitz of Pommer van de Duitschers) voor het huis. Klein of hoogstens middelmatig groot, krachtig en gedrongen van gestalte, kortpootig en langstaartig, de spitssnuitige kop uitgerust met middelmatig groote oogen en ooren, schrander en levendig van uitzicht, dicht bekleed met een soms grof- en langharige, soms fijn- en kortharige vacht van zuiver witte, gele, vosroode, grijze, bij uitzondering ook zwarte kleur, hoogstens nog met een lichte bles aan ’t voorhoofd, en witte merken aan de voeten, verschijnt hij voor ons, zoodat men hem niet licht met een ander ras verwarren zal. Men geeft in den regel den voorkeur aan die, welke lange, zachte, zuiver witte haren hebben.

Keeshond (Canis familiaris domesticus pomeranus). 1/10 v. d. ware grootte.

Keeshond (Canis familiaris domesticus pomeranus). 1/10 v. d. ware grootte.

Deze in zijn soort waarlijk uitmuntende Hond, wordt in vele streken van Duitschland en ook van Nederland, als wachthond op boerenerven voor het bewaken van huis en hof, of door voerlieden als bewaker van hunne wagens gebruikt. Als metgezel van den voerman ontbreekt hij in Duitschland nagenoeg nooit; hier heeft hij ook nog een andere rol te vervullen; door zijn vroolijken aard verschaft hij den man bij zijn moeielijken eentonigen arbeid, een zeer gewenschte afleiding. De Keeshond wordt het meest geschikt geacht voor het genoemde doel, omdat hij zich door onwankelbare trouw en gehechtheid aan zijn meester onderscheidt, zeer opmerkzaam en wakker is, bovendien geen regen of koude vreest, ja zelfs in huis of hof gewoonlijk het liefst zich neervleit daar, waar de wind het hardst huilt. De Keeshonden zijn trouwens zeer gesteld op vrijheid, en daarom niet geschikt om vast te liggen, terwijl zij daarentegen wegens hunne trouw en onomkoopbaarheid als losloopende waakhonden nagenoeg onmisbaar zijn.

De Wolfshonden, zoo genoemd naar hun voorkomen, zijn grooter en krachtiger dan de zoo even genoemde; zij gelijken nog het meest op de Herdershonden, welker werkkring gewoonlijk ook de hunne is.

Als voorbeeld van de Honden der bewoners van noordelijke landen, moge de Eskimo-hond dienen; deze gelijkt op de leden van de beide laatstgenoemde rassen, en is het belangrijkste huisdier van de onbeschaafde volken in het hooge noorden van beide werelden. Zijn schouderhoogte bedraagt 50 à 60 cM., in sommige gewesten komen echter forschere dieren voor. Van onzen Herdershond verschilt hij door een meer wolfachtig voorkomen, door de overeind staande ooren, de dikke vacht, die in den winter geheel wollig is, en de listige gezichtsuitdrukking. Hij gedraagt zich als een half-wild dier, hoewel hij slechts tijdelijk een zekere mate van vrijheid geniet. In alle noordelijke gewesten van de Oude Wereld, heeft hij verwanten, die veel op hem gelijken. Men gebruikt hem zoowel voor ’t hoeden van ’t vee als voor het trekken van de slede.

Een goed gevoede Eskimo-hond is werkelijk een mooi dier; ongelukkig echter wordt hem het voedsel, wanneer hij het zichzelf niet verschaft, door zijn meester zoo karig toegemeten, dat hij gedurende vele maanden alleen uit vel en beenderen schijnt te bestaan. Hij staat tot den mensch in een eigenaardige betrekking. Hij weet, dat hij in slavenketenen ligt, en tracht deze ketenen te verbreken. Er is iets Wolfachtigs in dit dier, zoowel in zijn lichaam als in zijn geest. Door zijn dicht haarkleed, de overeind staande ooren, de breedte van den bovenkop en de spitsheid van den snoet gelijkt hij zoozeer op den Wolf der Poolgewesten, dat men beide op een afstand in ’t geheel niet van elkander onderscheiden kan. De Eskimo-hond rooft en steelt als een Wolf, maar is aan den anderen kant ook weer zoo hondsch deemoedig, als slechts een door vrees gepijnigde slaaf kan zijn. Voor de slede wordt gewoonlijk een tamelijk talrijke troep gespannen, die onder de leiding van een ouderen en ervaren Hond zijn weg vervolgt; van het besturen der slede door den mensch, zooals wij dit gewoon zijn, kan geen sprake zijn. Iedere Hond trekt aan een afzonderlijken lederen riem, die door een hoogst eenvoudig gareel aan hem bevestigd is; in de Hudsonsbaai-landen worden de Honden ook wel vóór elkander aangespannen. Soms beginnen zij gedurende de reis samen te plukharen; het geheele gespan wordt één verwarde klomp; alle brommen, blaffen, bijten, razen dooreen; niet eens de met kracht op hen neerkomende zweep van den bestuurder der slede kan de orde herstellen. Eindelijk is de verwarring zoo groot geworden, dat er aan vrije beweging niet meer te denken valt, en nu moet de voerman de dieren wel van elkander losmaken en opnieuw aanspannen.—Zonder deze Huisdieren zouden de bewoners der noordelijke gewesten niet kunnen bestaan. De Honden bewijzen hun alle mogelijke diensten. Met een vracht van 10 à 15 KG. beladen vergezellen zij hunne meesters op hunne langdurige jachttochten. 6 à 10 van deze dieren trekken een slede met een last van 300 à 400 KG. en doorloopen er in gunstige omstandigheden in één dag een aanzienlijken afstand mede, naar men zegt, wel 40 of 50 KM., en met geringer last wel 80 KM. Als zij onderweg wild bespeuren, loopen zij het dikwijls als razenden achterna; bovendien helpen zij bij de jacht, houden de wacht, verdedigen hunne meesters, als deze in gevaar verkeeren, en bewijzen nog honderd andere diensten.

De Honden zijn de eenige getemde dieren, die op Kamtschatka gevonden worden. “Zonder deze Honden”, zegt Steller, “kan iemand hier evenmin leven als op andere plaatsen zonder Paarden en Runderen. De Kamtschadaalsche Honden zijn verschillend van kleur: de meeste echter zijn wit, zwart of wolfkleurig (n.l. grijs), bovendien zeer dik- en langharig. Zij voeden zich met visch. Van de lente tot laat in ’t najaar bekommert men zich volstrekt niet om hen; in dezen tijd loopen zij overal vrij rond, loeren den geheelen dag bij de rivieren op Visschen, die zij zeer behendig en aardig weten te vangen. Als zij genoeg Visschen kunnen machtig worden, vreten zij er, evenals de Beren, alleen den kop van, en laten het overige liggen. In October verzamelt iedereen zijne Honden, en bindt ze aan de palen van de woning vast. Dan laat men ze terdege honger lijden, om te maken, dat zij hun vet verliezen, voor ’t loopen geschikt en niet engborstig worden. Zoodra de eerste sneeuw valt, begint hun ellende; dan hoort men ze dag en nacht met een afschuwelijk gehuil en gejammer hun lot beklagen. In den winter krijgen zij tweeërlei voedsel: gewoonlijk worden zij onthaald op stinkende visch, die gedurende den zomer ingekuild werd, en in hooge mate verzuurd is; het andere voedsel is droog en bestaat uit verschimmelde, aan de lucht gedroogde Visschen; zij krijgen dit ’s morgens om te maken, dat zij onderweg zich behoorlijk zullen inspannen.

“Men kan zich niet genoeg verwonderen over de spierkracht van deze dieren. Gewoonlijk worden slechts vier Honden voor iedere slede gespannen; zij trekken drie volwassen menschen en een lading van 1½ poed (24.5 KG.) behendig voort. De gewone lading voor vier Honden is 5 à 6 poed (82 à 98 KG.). Hoewel de reis met Honden zeer moeitevol en gevaarlijk is, en men zich er bijna nog meer bij moet inspannen, dan wanneer men te voet gaat, zoodat men door het rijden op en het besturen van een hondenslede zoo moede wordt als een Hond, biedt dit middel van vervoer toch het voordeel aan, dat men over de moeielijkst begaanbare plaatsen van het eene oord naar het andere kan komen, en een weg kan volgen, die voor Paarden en, wegens de diepe sneeuw, ook voor voetgangers volkomen onbruikbaar zou zijn.

“Het andere voorname nut van de Honden, waarom zij eveneens in zulk een groot aantal gefokt en gehouden worden, is, dat men zoowel van de afgeleefde sledehonden als van die, welke voor het trekken ongeschikt blijken te zijn, de huiden tot tweeërlei soort van kleedingstukken verwerkt, die het geheele land door gedragen worden en van groote waarde zijn.”

*

De Vossen (Vulpes) verschillen door hun langwerpigen romp, den langen, in een spitsen snoet uitloopenden kop, de pupil, die in den regel langwerpig rond en een weinig scheef geplaatst is, de korte pooten, den zeer langen, dicht en ruig behaarden staart, zoozeer van de Wolven, dat men ze tot een afzonderlijk geslacht vereenigt. Hunne gewoonten en bewegingen bieden bij alle overeenstemming met die der andere Honden zooveel eigenaardigheden aan, dat zij onze aandacht ten zeerste waardig zijn.

Onder de in ons vaderland in ’t wild levende Zoogdieren staat de Vos (Vulpes vulgaris) ongetwijfeld bovenaan. Waarschijnlijk is geen ander dier, tenzij de Jakhals, zoo beroemd en zoo algemeen bekend als onze vriend Reintje, het zinnebeeld van de list, geveinsdheid en valschheid, van de lust tot het plegen van overtredingen en, om het zoo eens uit te drukken, van de gemeene ridderlijkheid. Hem roemt het spreekwoord, hem prijst de sage, hem verheerlijkt het gedicht; Duitschlands grootste dichter Goethe, achtte hem een waardigen held voor zijne zangen. Of hij zulk een roem volkomen verdient, is echter een andere vraag. “De Vos van de sage en van de dichters,” schrijft Pechuel-Loesche, “en de Vos van de werkelijkheid, zijn twee zeer verschillende dieren. Wie dezen geheel onbevooroordeeld nagaat, vindt bij hem niet in buitengewone mate de veelgeprezene tegenwoordigheid van geest, schranderheid, list en vindingrijkheid, ook niet de onovertroffene fijnheid van zinnen, welke hem worden toegeschreven. Naar het mij voorkomt, onderscheidt hij zich van de andere Roofdieren, en meer bepaaldelijk van de Wolven, door geen enkele in ’t oogloopende begaafdheid; hoogstens kan men toegeven, dat dit onophoudelijk vervolgde dier zich zeer goed weet te voegen naar de omstandigheden, hoewel hij in dit opzicht niet bekwamer is dan andere dieren, die met behoorlijke zintuigen begaafd zijn. Evenals zoovele van deze, de weerlooze er onder begrepen, zullen waarschijnlijk vele oude Vossen door velerlei ervaringen een buitengewone schranderheid verkrijgen; iedere jager, die met deze roovers herhaaldelijk in aanraking komt, zal mij echter toestemmen, dat er ook zeer vele niet-schrandere, ja zelfs werkelijk domme schepsels onder zijn—en dit zijn niet alleen de onervaren jongen, maar ook sommige oude dieren. De Vos is een vogelvrije spitsboef; hij verstaat zijn beroep, omdat hij toch op zijn wijze aan den kost moet komen; hij is vermetel, maar alleen als de honger hem kwelt, en wanneer hij jongen te verzorgen heeft; ook geeft hij in moeilijke omstandigheden geen bewijzen van tegenwoordigheid van geest of van overleg, maar geraakt geheel van streek; hij laat zich vangen in vallen, die toch maar recht lomp gesteld zijn, en laat zich herhaaldelijk op deze wijze beetnemen; in ’t open veld laat hij de sleden, die zich in een kring om hem heen bewegen, binnen het bereik van een schot naderen; hij is telkens weer opnieuw bevreesd voor onschadelijke middelen om hem schrik aan te jagen; hij laat zich, ondanks al het geraas en geschiet bij een drijfjacht in een bosch, toch op korten afstand van daar bij een volgende gelegenheid omsingelen, in plaats van zich tijdig uit de voeten te maken—om kort te gaan, dit dier, dat meedoogenloozer vervolgd wordt dan eenige andere bewoner van bosch en veld, heeft, in weerwil van de hiervoor ruimschoots bestaande gelegenheid, niet geleerd, de streken van den mensch te doorzien, en zijne handelingen dienovereenkomstig in te richten. Het schrandere Reintje van de overlevering en de Vos in bosch en veld kunnen niet goed als een en hetzelfde dier beschouwd worden; deze onderscheidt zich door geen enkel sterk op den voorgrond tredend talent van andere dieren.”

Reintje leeft, honderden malen geschilderd in woord en beeld, in ieders voorstelling en is dus wel bekend. Voor hen, die minder met de natuur vertrouwd zijn, diene de volgende beschrijving. Hij wordt hoogstens 1.4 M. lang, waarvan omstreeks 50 cM. op den staart komen; de schouderhoogte is 35, hoogstens 38 cM. De kop is breed, het voorhoofd plat, de snoet, die plotseling smaller wordt, is lang en dun. De oogen zijn scheef geplaatst; de ooren, die aan den voet breed zijn en naar boven spitser worden, staan rechtop. De romp schijnt wegens het dikke haarkleed dik, maar is in werkelijkheid buitengemeen slank; toch is hij buitengewoon krachtig en voor de meest omvangrijke bewegingen geschikt. De pooten zijn dun en kort, de staart is lang en ruig behaard, de vacht dicht en zacht. Reintje met zijn geheele edele familie draagt een kleed, dat uitmuntend bij zijn rooversbedrijf past. De kleur, een vaal, grijsachtig rood, dat geheel in overeenstemming is met de kleur van den bodem, past even goed bij de bosschen met breedgebladerde boomen als bij die met naaldboomen, om ’t even of zij hoog of laag zijn, ook is het even goed geschikt voor de heide als voor het veld of voor een steenachtigen of rotsachtigen bodem. Meer dan bij andere dieren schijnt bij den Vos het kleed zich naar het land te schikken; want de Vos in zuidelijke landen vertoont met die der noordelijke gewesten en de Vos der bergstreken met die der vlakten een niet onbelangrijk verschil. Bij zijne in de steppe en in de woestijn levende verwanten blijkt, zooals wij later zullen zien, de gelijkheid van haarkleur en bodem nog duidelijker. Bij nauwkeurige beschouwing van het kleed van onzen roover merken wij ongeveer de volgende verdeeling van kleuren op: Aan de geheele bovenzijde is de vacht roestrood of geelrood; het voorhoofd, de schouders en het achterste deel van den rug tot aan den staartwortel zijn met wit overtogen, omdat ieder haar afzonderlijk op deze plaatsen in een witten top eindigt; de lippen, de wangen en de keel zijn wit. Een witte streep loopt bij de pooten af; de borst en de buik zijn aschgrauw, de flanken witachtig grijs, de voorpooten rood, de ooren evenals de voeten zwart, de staart eindelijk is roestrood of geelachtig rood, met een zwartachtig waas bedekt en aan de spits van dezelfde kleur of wit. Al deze kleurschakeeringen gaan volkomen onmerkbaar in elkander over, geen enkele steekt schel bij de overige af, en juist daardoor komt het, dat het geheele haarkleed voor alle omstandigheden recht goed geschikt is.

Reintje bewoont het grootste deel van de noordelijke helft van ons halfrond. Zijn verbreidingsgebied omvat geheel Europa, Noord Afrika, het westen en het noorden van Azië; wij mogen ook Afghanistan, het westelijk deel van den Himalaja en Tibet er bij voegen, want de daar voorkomende vormen zullen moeielijk van hem gescheiden kunnen worden. Nergens ontbreekt hij geheel; in vele gewesten komt hij veelvuldig voor. Wegens zijn alzijdigheid kan hij overal geschikte woonplaatsen vinden, waar andere Roofdieren, uit gebrek hieraan, zich niet kunnen ophouden; zijn list, sluwheid en behendigheid stellen hem in staat om zich in het bezit van deze woonplaatsen te handhaven met een volharding en hardnekkigheid, die werkelijk voorbeeldeloos zijn. Daar de Wolf hem vijandig is, komt hij betrekkelijk zelden voor in de eigenlijke door Wolven bewoonde gewesten; zijn aantal neemt daar echter gewoonlijk in dezelfde mate toe, als dat der Wolven vermindert.

Zijne woonplaatsen worden altijd met de uiterste voorzichtigheid gekozen. Het zijn diepe, gewoonlijk vertakte, in een ruime kamer uitkomende holen in rotskloven, tusschen wortels of op andere gunstig gelegen plaatsen. Liefst graaft hij deze holen niet zelf, maar neemt oude verlaten holen van Dassen in bezit, of bewoont ze gemeenschappelijk met Grimbaard, zonder zich te storen aan diens afkeerigheid van het gezelschap van andere dieren. Alle groote Vossenholen zijn oorspronkelijk door Dassen aangelegd. Voorzoover hiertoe gelegenheid bestaat, graaft de Vos zijn hol aan een berghelling, zoodat de gangen naar boven gericht zijn, zonder te dicht onder den bodem te liggen. In volkomen vlakke streken ligt de kamer dikwijls dicht onder de oppervlakte. In den herfst en den winter vestigt hij, vooral in vlakke gewesten, gaarne zijn verblijf in hoopen opeengestapeld rijshout of steenen; in sommige gevallen moet een oude knotwilg of zelfs een ondiepe kuil te midden van de dichte struiken als woning en als kraamkamer dienst doen. Bij plasregen, storm, koud weder en gedurende den paartijd, ook wel in den zomer gedurende de grootste hitte, of zoolang de moervos kleine jongen heeft, vindt men onzen struikroover gewoonlijk in zijn hol; bij gunstig weer echter doorloopt hij zijn jachtgebied, en gebruikt het eerste, het beste geschikte plekje, dat hier te vinden is, als rustplaats. In vlakten, die arm aan bosschen zijn, bijvoorbeeld in de landbouwdistricten van Onder-Egypte, graven de Vossen slechts ten behoeve van hunne jongen werkelijke holen, terwijl de ouden onder den zachten hemel van dit land jaar in jaar uit in de open lucht leven.