Landbeer (ursus arctos). 1/16 v. d. ware grootte.
De Beer kan bij 1 à 1.25 M. schouderhoogte een lengte van 2 à 2.2 M. bereiken. Zijn gewicht wisselt gewoonlijk af tusschen 150 en 250 KG., maar kan bij zeer forsche en vette exemplaren tot 350 KG. stijgen.
Indien alle vormen tot één soort vereenigd worden, dan heeft deze een verbreidingsgebied, dat zich van Spanje tot Kamtschatka, van Lapland en Siberië tot aan den Atlas, den Libanon en het westelijk gedeelte van den Himalaja uitstrekt. In Europa bewoont de Landbeer ook thans nog alle hooggebergten: de Pyreneeën, Alpen, Karpaten, Transsylvanische Alpen, den Balkan, de Skandinavische Alpen, den Kaukasus en den Oeral, benevens de uitloopers en een deel van de omstreken dezer gebergten, voorts geheel Rusland, geheel Noord- en Middel-Azië (met uitzondering van de kale steppen), Syrië, Palestina, Perzië, Afghanistan, den Himalaja, oostwaarts tot in Nepal, in Afrika eindelijk den Atlas. Hij komt veelvuldig voor in Rusland, Zweden en Noorwegen, Zevenburgen, in de lage landen van het Donaugebied, Turkije en Griekenland; hij is niet zeldzaam in Krain en Kroatië, in de bergstreken van Spanje en Italië; hij is reeds zeer zeldzaam geworden in Zwitserland en Tyrol, bijna geheel uitgeroeid in Frankrijk en in de Oostenrijksch-Duitsche landen en geheel verdwenen uit Duitschland, België, Nederland, Denemarken en Groot-Britannië. Enkele overloopers vertoonen zich nu en dan in het Beiersche hooggebergte, in Karinthië, Stiermarken, Moravië en misschien ook in het Bohemerwoud. Voorwaarden voor hun verblijf zijn groote, samenhangende, moeielijk toegankelijke of althans weinig bezochte bosschen, waar vele bessen en dergelijke vruchten groeien. Holen onder boomwortels, in boomstammen of in rotsen, donkere, ondoordringbare wildernissen en broeklanden met droge eilanden verschaffen hun een schuilplaats, waar zij zich trachten te beveiligen tegen hun aartsvijand, den mensch.
De Beer, het logste en zwaarste Roofdier van Europa, is, evenals de meeste zijner naaste verwanten, een log en tamelijk stompzinnig wezen. Zijne bewegingen schijnen echter onhandiger dan zij werkelijk zijn. Hij is een telganger en beweegt dus bij ’t gaan de pooten van dezelfde zijde gelijktijdig, waardoor hij een onbeholpen, schommelenden en slingerenden gang heeft; wanneer hij echter zijne schreden versnelt en tot een galop overgaat, komt hij vlug vooruit en kan met gemak een mensch inhalen; ook in andere omstandigheden merkt men bij hem een vlugheid en behendigheid op, die men niet van hem verwacht zou hebben. Hij kan uitmuntend zwemmen en goed klimmen; op lateren leeftijd, als hij groot en zwaar geworden is, klimt hij echter niet meer in de boomen, althans niet in gladde stammen zonder takken. De geweldige spierkracht en de groote, harde klauwen komen den Beer bij het klimmen goed te pas; zelfs bij zeer steile rotswanden kan hij omhoogstijgen. Onder zijne zinnen munten het gehoor en de reuk uit; het gezicht is tamelijk slecht, de smaak echter, naar het schijnt, zeer goed ontwikkeld.
De opperhoutvester Krementz heeft onlangs zijne veeljarige ervaringen over de Beren der Rokitno-moerassen in Rusland in een zeer leerrijk geschrift openbaar gemaakt; hij komt er echter uitdrukkelijk tegen op, dat al wat door hem bij deze dieren opgemerkt is, ook op de Beren in andere gewesten toepasselijk zou zijn. “Over ’t algemeen,” zegt Krementz, “kan men den Beer niet gruwzaam of bloeddorstig noemen. Als hij bloeddorstig was, zou hij dagelijks in de gelegenheid zijn, dit op de een of andere wijze te toonen, en dan zou met het oog op de buitengewone spierkracht van dit dier de vraag wel overweging verdienen, of het niet noodzakelijk ware, hem met meer ijver te vervolgen. Mij is echter geen enkel geval ter oore gekomen, dat hij bij een ontmoeting met den mensch dezen zou hebben aangevallen. Hij zal integendeel in de meeste dergelijke gevallen ten spoedigste vluchten, of in ’t volle bewustzijn van zijn kracht op een wezen zoo zwak als wij geen acht slaan, hoogstens zal hij zijn verstoordheid te kennen geven door een schijnaanval met kort afgebroken bromgeluiden. De Beer is veeleer goedig van aard, hoewel hij in geen geval te vertrouwen is; vooral wil hij niet geplaagd en niet plotseling in zijn rust gestoord worden. Onverschilligheid is een zijner kenmerkende eigenschappen. Hij is zeer op zijn gemak gesteld. Zijn aanval verraadt een zekere openhartigheid, een afkeer van kronkelwegen, een ridderlijkheid, die gunstig afsteekt bij de lafhartige moordlust van den Wolf en de arglistige valschheid van den Los. In enkele gevallen openbaart hij zelfs een zekeren galgenhumor.”
Een enkele blik op het gebit van den Beer leert ons, dat hij een alleseter is en meer geschikt voor plantaardig dan voor dierlijk voedsel. Het best zou hij in dit opzicht met een Zwijn vergeleken kunnen worden: ook dit dier is al wat eetbaar is, welkom. In den regel vormen plantaardige stoffen het voornaamste deel van zijn maal; kleine dieren, vooral Insecten, Slakken en dergelijke dienen als toespijs. Maanden achtereen stelt hij zich met zulk voedsel tevreden, verzadigt zich als een Rund met de pas ontkiemde rogge of met het malsche gras, vreet rijpend koren, knoppen, ooft, eikels, boschbessen, paddenstoelen enz., wroet onder de bedrijven Mierennesten open, en vergast zich op de larven en poppen, zoowel als op de volwassen dieren, welker eigenaardige zure smaak hem welgevallig schijnt, of hij ontdekt door den reuk een Bijennest, welks inhoud hem een smakelijk dessert verschaft. In het zuidelijk gedeelte van Karinthië brengt men de bijenkorven des zomers naar het gebergte, om ze, in overeenstemming met den bloeitijd der Alpen-planten, meer of minder hoog in de bergen te plaatsen. Soms komt een Beer uit Krain deze streek bezoeken, en richt dan groote schade aan door de korven te vernielen en van hun inhoud te berooven. Eenige jaren geleden trok zulk een zwerver van den eenen bijenstal naar den anderen en vernielde meer dan 100 korven, waarbij er 8 waren van mijn zegsman, den houtvester Wippel. Men moet niet meenen, dat de Beer onverschillig is voor de steken der Bijen, integendeel, hij bromt van pijn, rolt over den grond, tracht de kwelgeesten met de pooten van zich af te strijken, en ruimt zelfs het veld, als de Bijen het hem al te lastig maken; hij zoekt dan een schuilplaats in het bosch of in het water, maar keert toch vroeger of later terug, om den strijd tegen de bezitters der zoo geliefkoosde lekkernij te hervatten.
Het is niet mogelijk den Beer in de vrije natuur op zijne dagelijksche zwerftochten te volgen, zijn doen en laten na te gaan en te bespieden; wanneer men hem toevallig ontmoet, of hem opwacht op plaatsen, die geregeld door hem bezocht worden, zooals op drinkplaatsen, kan men hem slechts gedurende korten tijd waarnemen, zoodat ook hierdoor weinig licht verspreid wordt over de in vele opzichten nog duistere levenswijze van den Beer. Meer leeren ons hierover de versche sporen van het dier op den besneeuwden of berijpten grond, daarom deelen wij hier een verslag mede van de uitkomsten, die door het nagaan van zulke sporen verkregen zijn: “De middelmatig groote Beer verliet vroeg in den morgen het bosch en nam zijn weg over een weiland, keerde een stuk van een sparrenstam om, dat aan den rand der weide lag, krabde hieronder op enkele plaatsen den grond open, en zocht er naar Wormen, poppen en larven. De schors van den reeds voor 2 jaar omgehouwen stam had hij op verscheidene plaatsen losgescheurd, om uit het daaronder voorkomende poeder de vette larven van Boktorren en dergelijke houtborende dieren op te lezen. Terwijl hij door ’t bosch verder ging, hield hij zich bezig met het blootwoelen van den met afgevallen bladen bedekten grond, het uiteenwerpen van mierenhoopen, het omkeeren van stukken schors en hout, die op den grond lagen, het afvreten van boschbessen en paddestoelen. Op enkele plaatsen had hij met de klauwen sterk in den grond gekrabd; na het uiteenwerpen van een verschen drekhoop van een Eland, was hij op het spoor van dit wild voortgegaan; daarna begaf hij zich naar een broekland of moerassig gedeelte van het bosch; toen hij er 100 schreden ver in doorgedrongen was, ging hij plotseling links af naar het bosch terug, waaruit hij gekomen was, en deed van uit het moeras een sprong naar verscheidene Hazelhoenderen in het bosch, zooals uit de vederen bleek, die daar waren blijven liggen en het bewijs leverden van de overhaaste vlucht der overrompelde dieren. Vervolgens keerde hij in ’t broekland terug, begaf zich regelrecht naar het aan de overzijde gelegen bosch, zonder onderweg iets te doen wat vermelding verdiend; in het bosch haalde hij een ledig lijster-nest uit een hazelaar, trachtte met klauwen en tanden de opening van een holte in een eikenstam te verwijden, om bij den honig van een zwerm wilde Bijen te kunnen komen, vrat boschbessen, besnuffelde den ingang van een Dassenhol, en liet op een met gras begroeide open plaats vele sporen van zijn heen- en weerloopen achter. Bij nader onderzoek bleek het, dat daar veel drek lag van jonge Berkhoenderen, welker wegen hij ijverig nagegaan had. Van hier uit trok hij door een nat, dicht met elzen begroeid stuk broekland naar een met oude sparren bezet terrein, liet zijn drek vallen, ontschorste het onderste deel van den stam van een dooden spar, krabde den grond los, zette zich met zijn achterdeel er op, terwijl hij zich op de voorpooten, naar ’t scheen, heen en weer bewoog, want de afdrukken van de klauwen waren hier in grooten getale te zien en de grond was door het veelvuldig neerzetten en de sterke drukking der zolen saamgeperst. Daarna richtte hij zijne schreden naar een opene, met boekweit bezaaide plek, liep hierover naar een laag gelegen afdeeling van het bosch, die met zacht hout en sparren begroeid was en waar veel boomstammen lagen; terwijl hij hier doortrok, ging hij bij voorkeur bij de boomstammen langs, kroop onder den boven den grond uitstekenden wortel van een scheef staanden spar door, gleed bij ’t loopen over een op den grond liggenden esp uit, en zonk met het achterste deel van ’t lichaam tamelijk diep in het moeras; ten slotte begaf hij zich naar den drogeren bodem van een nabijgelegen, dicht met sparren bezet terrein en verdween hierin, zonder dat zijn spoor verder nagegaan werd.”
Zoolang de Beer plantaardig voedsel in overvloed kan krijgen, eet hij niets anders; wanneer echter de nood hem dwingt, of als hij aan dierlijk voedsel gewoon geraakt is, wordt hij dikwijls een roofdier in de letterlijke beteekenis van het woord. Hij tracht zijn buit te beloeren of te bekruipen; groot vee wordt, naar men zegt, door hem nagejaagd, tot het uitgeput is; wanneer het op hooge bergen graast, drijft hij het uiteen, en dwingt het, zich in een afgrond te storten, waarna hij voorzichtig naar beneden klautert en zich aan het door den val gedoode dier zat vreet. Door iedere gelukkige jacht neemt zijn vermetelheid toe. In den Oeral wordt de Beer als de ergste vijand van de Paarden beschouwd. Voerlieden en postrijders weigeren soms ’s nachts door een bosch te rijden, hoewel het niet zeer waarschijnlijk is, dat de Beer Paarden voor den wagen aanvalt. In de weide grazende Paarden zijn echter nooit veilig voor hem. Een met mij bevriende berenjager, Von Beckmann, verhaalt mij als ooggetuige hoe het Roofdier bij den aanval handelt. In de nabijheid van een moerassig met kreupelhout begroeid terrein graasden verscheidene Paarden onder de oogen van den jager, die bewegingloos in een hinderlaag lag. Op eens kwam uit het kreupelhout een Beer te voorschijn, die langzaam sluipend de Paarden hoe langer hoe meer naderde, totdat deze hem opmerkten en zoo snel mogelijk op de vlucht sloegen. Met groote sprongen ging de Beer hen achterna, haalde het eene Paard in een merkwaardig korten tijd in, sloeg het met den eenen poot op den rug, pakte het met den anderen van voren in ’t aangezicht, wierp het op den grond en scheurde het de borst open. Toen hij zag, dat een van de beide gevluchte dieren lam was en niet ontsnappen kon, verliet hij de neergevelde prooi, liep het tweede slachtoffer na, haalde het spoedig in en doodde het eveneens. Gedurende den strijd schreeuwden de beide Paarden geweldig.
Als Meester Bruin eens stoutmoedig geworden is, gaat hij ook de stallen bezoeken, hij tracht er de deur van open te breken, of in het dak een opening te maken, zooals naar men zegt, in Skandinavië meermalen geschied is. Zijn buitengewone spierkracht stelt hem in staat om zelfs groote dieren mee te sleepen. Van de geweldige kracht van groote Beren geeft Krementz verscheidene voorbeelden. Een Beer brak in zijn doodstrijd houten palen van 6 à 10 cM. dikte; een andere nam een pas door hem gegrepen en nog zieltogende koe met de voorpooten op en droeg haar, terwijl hij op de achterpooten ging, door een beek naar het bosch. Een bij ’t vuur zittende boschwachter werd van achteren overvallen door een zonder opzet uit zijn winterverblijfplaats opgeschrikten Beer, “die hem door een geweldigen slag en ruk met de voorpooten den hersenpan verbrijzelde, zoodat de man oogenblikkelijk dood was.” Een vierde Beer trok een in een kuil gestorten, levenden Eland, wiens gewicht op 300 KG. geschat werd, naar boven en sleepte hem een halve KM. ver door het moeras.
Hoewel Herten, Reeën en Gemzen door hunne waakzaamheid en snelle beweging den Beer niet zelden ontkomen, jaagt deze toch in ’t noorden van Skandinavië gedurende langen tijd de Rendieren achterna. Zelfs op Visschen maakt hij jacht; hij volgt, om ze te verschalken, den loop der rivieren over een grooten afstand.
Vóór den aanvang van den winter maakt de Beer zich een rustplaats gereed, hetzij tusschen rotsen, òf in een reeds bestaand hol, dat hij zoo noodig verwijdt, òf in een door hem zelf gegraven hol, òf in een hollen boom, dikwijls ook tusschen struikgewas of op een droog eiland in het broekland of moeras. Zoodra de felle koude begint, zoekt de Beer zijn schuilplaats op en brengt hier het koude jaargetijde in slapenden of halfslapenden toestand door. Het tijdstip waarop de woning betrokken wordt, hangt af van het klimaat in iedere streek en van de weersgesteldheid in ieder jaar. Terwijl de berin zich meestal reeds in het begin van November te ruste begeeft, zwerft de Beer, naar ik zelf in Kroatië door het volgen van een spoor gewaar werd, nog in het midden van December rond, om ’t even, of er sneeuw ligt en strenge koude heerscht, of niet. Volgens de verzekering van Russische berenjagers onderzoekt hij voor het slapengaan zorgvuldig de omgeving van zijn slaapplaats, en verwisselt deze voor een andere, wanneer hij in verschillende richtingen sporen van menschen ontmoet. Als het midden in den winter begint te dooien, verlaat de Beer zelfs in Rusland en Siberië somtijds zijn leger om te drinken, en neemt dan soms tevens voedsel op. Dat hij in Lijfland 3 à 4 maanden lang geheel onder de sneeuw begraven ligt, in dezen tijd volstrekt geen Voedsel gebruikt en met volkomen ledig spijskanaal gevonden wordt, is volkomen zeker.
Bij zacht weder daarentegen duurt zijn winterrust misschien slechts weinige weken, en in een zachter klimaat denkt hij waarschijnlijk in ’t geheel niet aan zulk een afzondering. Hierop wijzen de opmerkingen, die men bij gevangen Beren gedaan heeft. Deze hebben geen winterslaap en gedragen zich over ’t algemeen in den winter nagenoeg op dezelfde wijze als in den zomer. Zoolang het voedsel hun geregeld wordt verschaft, eten zij bijna evenveel als gewoonlijk; in zachte winters slapen zij weinig meer dan in den zomer.
De berin werpt gewoonlijk 2 of 3, dikwijls 1 of 4, zeer zelden echter 5 jongen. De moeder maakt in den regel voor hen een volslagen nest gereed; meermalen heeft men echter opgemerkt, dat zij ze eenvoudig op de sneeuw neerlegt. Als het kroost door een gevaar bedreigd wordt, draagt de moeder het met de tanden dikwijls ver weg. Opmerkelijk is het dat de moeder, als zij in grooten nood verkeert, hare jongen, zoolang zij nog zeer klein en onbeholpen zijn, dikwijls snood in den steek laat, terwijl zij ze steeds moedig verdedigt, wanneer zij wat grooter geworden zijn. In zulke omstandigheden beschouwt zij zich als alleenheerscheres in de streek, die zij als verblijfplaats heeft gekozen, en beantwoordt iedere storing met een onmiddellijken aanval. In enkele gevallen wordt zij een schrik voor allen, die haar woongebied moeten doortrekken; het komt zelfs voor, dat zij het verkeer geheel belemmert; hij die zonder Honden in haar nabijheid komt, loopt gevaar, gewond of gedood te worden. Ongeveer in de vierde levensmaand zijn de jongen zooveel gegroeid, dat zij de moeder kunnen volgen; deze oefent hen vlijtig in ’t klimmen, brengt hen op de hoogte van de middelen om voedsel te vinden, en geeft hen onderricht in vele den Beer noodzakelijke kundigheden.
De jonge Beren, die eindelijk door hun moeder verstooten worden, zwerven, naar men zegt, gedurende den zomer in de nabijheid van het oude leger rond, en gebruiken dit bij slecht weder, zoolang zij niet verdreven worden; ook vereenigen zij zich gaarne met andere jongen van hun soort. Een opmerking van de Russische boeren en jagers, die door Eversmann voor ’t eerst bekend werd gemaakt, maar die nadere bevestiging vereischt, werpt een eigenaardig licht op deze vereenigingen. Deze lieden zeggen, dat de berin hare oudere kinderen voor het oppassen van de jongere gebruikt, en ze zoo noodig tot deze dienstverrichting dwingt; daarom wordt zulk een tweejarige, met de moeder en hare andere kinderen rondzwervende Beer “Pestoen”, d. w. z. kinderenoppasser, genoemd. Van een Berenfamilie, die de Kama-rivier overgetrokken was, verhaalt Eversmann het volgende: “Toen de moeder aan den anderen oever aangekomen was, zag zij, dat de Pestoen haar langzaam nasloop, zonder de jongere kinderen, die nog aan den anderen oever waren, bij den overtocht behulpzaam te zijn. Zoodra hij binnen haar bereik is, geeft de moeder hem stilzwijgend een oorvijg, die zijn geheugen in zoover opfrischt, dat hij terugkeert en een der beide jongen in den bek naar den overkant brengt. De moeder ziet hem na, terwijl hij weder teruggaat om het andere jong te halen. Toen hij dit echter midden in de rivier laat vallen, gaat zij op hem toe en straft hem opnieuw af, waarna hij zijn plicht doet, en de familie in vrede verder trekt.” Onder de boeren en jagers van Rusland en Siberië wordt algemeen verhaald, dat iedere berin hare jongen door een Pestoen laat begeleiden. Deze heeft o. a. tot taak de jongen te bewaken, die in ’t dichte geboomte verborgen zijn, terwijl de oude een prooi bekruipt, of zich verzadigt aan een gedood dier, dat zij niet meevoeren kan; hij deelt in den winter met haar hetzelfde leger en wordt eerst dan uit zijn dienst ontslagen en vrij gelaten, als een ander in zijn plaats is aangesteld. Daarom ziet men soms ook wel een vierjarigen Pestoen bij een Berenfamilie.
Jonge Beren, die een leeftijd van ongeveer 5 of 6 maanden bereikt hebben, zijn hoogst vermakelijke dieren. Zij zijn zeer bewegelijk en niet minder snaaksch; voortdurend voeren zij de dolste streken uit. Uit iedere handeling blijkt hun kinderlijke aard. Zij houden bijzonder veel van spelen, klimmen dikwijls puur en alleen uit baldadigheid in de boomen, plukharen met elkander als levenslustige knapen, springen in ’t water, loopen noodeloos en doelloos rond, en halen allerlei grappen uit. Hun verzorger toonen zij geen bijzondere genegenheid; zij zijn tegen iedereen even vriendelijk en maken geen onderscheid tusschen den eenen persoon en den anderen. Hij, die hun iets te eten geeft, is hun lieveling; wie hen op de een of andere wijze vertoornt, wordt als een vijand beschouwd, en wanneer dit mogelijk is, ook op vijandige wijze behandeld. Zij zijn prikkelbaar als kinderen; men kan hun genegenheid spoedig winnen, maar ook even spoedig weer verspelen. Lomp en onhandig, vergeetachtig, onachtzaam, sukkelachtig, onnoozel zijn zij evenals hunne ouders; bij hen komen echter deze eigenschappen duidelijker uit.
De berenjacht behoort tot de gevaarlijke jachtbedrijven; in den laatsten tijd worden echter de vreeswekkende verhalen, die hierover vroeger de ronde deden, door geoefende berenjagers weersproken. Alle leden van de Berenfamilie zijn buitengewoon bevreesd voor goede Honden; deze moeten in allen gevalle als de beste helpers van den jager beschouwd worden. In het zuidoosten van Europa doodt men de Beren, wanneer zij het vetst zijn, hoofdzakelijk op drijfjachten, zeldzamer “op den aanstand” en slechts bij uitzondering in of vóór zijn winterleger; in Rusland daarentegen zoekt men ze juist in den winter bij voorkeur op. Daar de Beer zich laat drijven en altijd op dezelfde wijze “wisselt,” d. w. z. dezelfde paden volgt, vooral bij ’t verlaten en binnenkomen van ’t bosch, kunnen ervaren jagers, die het dier hebben nagegaan, bij drijfjachten zoowel als bij ’t schieten op den “aanstand” (d. i. van uit een hinderlaag) met vrij groote zekerheid op een goeden uitslag rekenen, verondersteld natuurlijk dat zij de “wissels” kennen. Koelbloedigheid en een vaste hand, goede en beproefde wapenen zijn onontbeerlijke vereischten van een berenjager.
“De veelvuldig verbreide meening,” schrijft Krementz, “dat de Beer bij den aanval steeds op de achterpooten gaat staan en zoo zijn tegenstander te gemoet gaat, is volkomen onjuist; in dit geval zou men zich trouwens gemakkelijker tegen hem kunnen verweren, dan wanneer hij op vier pooten blijft gaan. Ik heb eigenhandig 29 Beren geschoten en heb er omstreeks 65 zien schieten; ik was er bij tegenwoordig, dat Beren van allerlei grootte en soort een mensch aanvielen; ik zelf ben ook meermalen door hen aangevallen; ik heb echter slechts éénmaal een Beer en een Berin gezien, die bij den aanval overeind gingen staan, en zóó, in opgerichte houding den tegenstander een eind weegs te gemoet gingen. Ik wil hiermede echter volstrekt niet beweren, dat de Beren bij den aanval nimmer deze houding aannemen, maar alleen, dat zulke gevallen, waarvan in vele geschriften over de jacht en in andere wetenschappelijke werken melding wordt gemaakt, uiterst zeldzaam zijn. De aanval van den Beer geschiedt meestal plotseling en snel; soms zoekt hij door een snelle en hevige, zijwaartsche beweging van een voorpoot den tegenstander te slaan, soms verheft hij zich gedurende den snellen gang plotseling op de achterpooten in de onmiddellijke nabijheid van zijn vijand, en tracht dezen door een hevigen stoot met de voorpooten ter aarde te werpen, soms brengt hij hem hiermede een hevigen slag toe, die met een ruk gepaard gaat, en bijt intusschen snel; hij houdt zich echter, wanneer menschen en Honden in de nabijheid zijn, nooit lang bij zijn slachtoffer op, maar kiest spoedig het hazenpad.”
De Beer wordt echter niet alleen op “jachtmatige wijze,” maar ook met minder ridderlijke wapenen bevochten. Voor de Berenjacht worden mannenmoed en mannenkracht in hooge mate vereischt. Zij die door het roofdier schade lijden, moeten om het te dooden dikwijls tot list hun toevlucht nemen. In Galicië en Zevenburgen legt men op zijne “wissels” en boschpaden zware klemmen, die aan een ketting bevestigd zijn, welke door een lang, stevig touw aan een zwaar blok is vastgehecht. Vroeg of laat trapt de Beer op een van deze klemmen, zijn poot wordt er door omvat; tevergeefs tracht hij zich van dit lastig en pijnlijk aanhangsel te ontdoen of de hieraan gehechte ketting stuk te bijten, die ten slotte aan een boom vastraakt, waarna het dier, door nuttelooze pogingen om los te komen uitgeput, ellendig om ’t leven komt. De jager, die om den anderen dag bij de “wissels” langs gaat, vindt den Beer door het nagaan van het spoor van den voortgesleepten klem, van den ketting, of van het blok.
“De Aziaten,” verhaalt Steller, “vereenigen vele balken, die zij op elkander leggen, tot een gebouw, dat instort en de Beren verplettert, zoodra deze op de voor hen gestelde vallen gaan staan. Zij graven een kuil, bevestigen daarin een spits toeloopenden, glad gemaakten en aan de spits in ’t vuur geharden paal, die zich eenige voeten hoog boven den bodem van den kuil verheft; de opening van den kuil maken zij onzichtbaar, door haar met gras te bedekken. Met behulp van een touw plaatsen zij thans een buigzaam ‘schrikhout,’ dat, als de Beer met den voet op het touw trapt, losspringt en het dier zoodanig verschrikt, dat het hard aan den loop gaat, en minder voorzichtig is dan gewoonlijk, hierdoor in den kuil valt, zich spietst op den paal en dus zelfmoord pleegt.”
Andere zeer aardige, beschrijvingen van vangmiddelen: hoe de Beer zichzelf aan een plank vastnagelt en als hij rechtop gaat staan zich met de plank het uitzicht beneemt;—hoe hij in blinde drift vecht met een blok hout, dat voor de opening van een hollen boom, waarin Wilde Bijen hun nest gemaakt hebben, is opgehangen, of dat met een strik aan de helling van een berg is neergelegd, welke strijd in beide gevallen eindigt met het naar beneden storten en doodvallen van het dier;—hoe hij met stukken hout, die men hem toereikt, terwijl hij zich in zijn hol bevindt, zich zelf den uitgang verspert,—en andere stukjes meer, kunnen evenmin als de bekende Tijgervangst met koolbladen en vogellijm, ernstig opgenomen worden, voordat betrouwbare ooggetuigen er voor in staan. In Noorwegen, Rusland, Zevenburgen en Spanje komt het soms voor, dat geoefende, stoutmoedige jagers, door eenige Honden vergezeld, zonder andere wapens dan lans en mes, den Beer te gemoet gaan en met hem op leven en dood strijden.
Het voordeel, dat een gelukkige berenjacht oplevert, is niet onbelangrijk. Voor het vleesch worden goede prijzen besteed; het berenvet, dat geroemd wordt als middel om den haargroei te bevorderen, wordt zeer gezocht en duur betaald. Dit vet is wit, wordt nooit hard, en zal niet licht rans worden, als men het in gesloten potten bewaart; de onaangename smaak, die het in verschen toestand heeft, verdwijnt na het verhitten met uien. Het vleesch van een jongen Beer heeft een fijnen, aangenamen smaak; de pooten van oude, vette Beren worden, gebraden of gerookt, als een lekkernij beschouwd. De fijnproevers houden het meest van de voeten; men moet echter eerst aan hun uitzicht gewend zijn, omdat zij, na het verwijderen van ’t haar en voor de keuken gereed gemaakt, afkeer wekken wegens hun overeenkomst met een bijzonder grooten menschenvoet. Ook de kop van den Beer gaat door voor een voortreffelijk gerecht. De waarde van het vel is zeer verschillend; het vel van kleine exemplaren brengt niet veel op; voor dat van de grootere dieren wordt tegenwoordig, volgens Lomer, al naar de fraaiheid van uitzicht, 36 à 150 gulden betaald.
Nog in het begin van de vorige eeuw gold het laten vechten van een gevangen Beer met groote Honden voor een echt vorstelijk vermaak. Met dit doel hielden sommige Duitsche vorsten er Beren op na. “August de Sterke”, verhaalt Von Flemming, “had er twee. Eens gebeurde het, dat één van deze dieren uit den tuin van Augustusburg ontsnapte, in een slagerswinkel een vierde deel van een kalf van den haak rukte, en, toen de slagersvrouw het verjagen wilde, haar en hare kinderen om ’t leven bracht, waarna de ter hulp gesnelde menschen het doodschoten.” De voor den strijd bestemde Beer werd naar de kampplaats gereden in een hok, dat door één ruk aan een touw van uit de verte op zulk een wijze geopend kon worden, dat de wanden aan alle zijden neervielen, en de gevangene in eens bevrijd was. Hierna liet men groote, forsche Honden op hem los. Als deze den Beer vasthielden, kon hij zonder groot bezwaar door één man afgemaakt worden. In de Dresdener slottuin hadden in ’t jaar 1630 binnen 8 dagen drie berengevechten plaats. De beide eerste malen moesten zeven Beren met Honden, de derde maal echter met groote Evers vechten, van welke er vijf in den strijd bezweken; een van deze Beren had een gewicht van 400 KG. De Beren werden bovendien nog door voetzoekers getergd en met een in ’t rood gekleede pop geplaagd. Gewoonlijk werden de Beren, als de Honden hen vasthielden, door de groote heeren eigenhandig gedood; August de Sterke was gewoon hun den kop af te houwen.
Zelfs nog in den tegenwoordigen tijd worden op sommige plaatsen zulke kampspelen vertoond. Op het terrein voor stierengevechten te Madrid laat men soms Beren met stieren strijden, en in Parijs werden nog in het begin van deze eeuw Honden losgelaten tegen Beren, die aan den ketting lagen. Kobell, die getuige was van een dergelijk schouwspel, verhaalt, dat de Beer de op hem aanstormende Honden door slagen met zijne kolossale pooten rechts en links neervelde en intusschen vreeselijk bromde. Toen de Honden nog vermeteler werden, greep hij er verscheidene achtereenvolgens aan, schoof ze onder zijn lichaam en drukte ze dood, terwijl hij den anderen zware wonden toebracht en ter zijde slingerde.
De Romeinen kregen hunne Beren hoofdzakelijk uit den Libanon, maar verhalen, dat zij er ook eenige uit Noord-Afrika en Libye hebben laten komen. Hunne mededeelingen over de levenswijze van dit dier bevatten vele fabelen. Plinius schreef Aristoteles na, maar voegde aan de betrekkelijk zeer juiste beschrijving van dezen uitmuntenden Griekschen dierkundige eenige fabels toe. Oppianus geeft een voortreffelijk verslag van de merkwaardige berenjachten der Armeniërs aan den Tigris. Julius Capitolinus eindelijk beschrijft de kampspelen in het circus en vermeldt daarbij, dat Gordianus de eerste op één dag 1000 Beren in het strijdperk bracht.
De naaste verwant van den Landbeer is de over geheel Noord-Amerika verbreide Grijze Beer of Grisli-beer, die schertsenderwijs door de Amerikanen ook wel Old Ephraïm wordt genoemd (Ursus cinereus, U. ferox). Door lichaamsbouw en uitzicht gelijkt hij op onzen Beer; hij is echter grooter, zwaarder, plomper en forscher dan deze. De kleur van de vacht wisselt sterk af tot ijzergrauw en licht roodbruin; de eerstgenoemde kleur gaat dikwijls gepaard met een eigenaardigen zilverachtigen, de laatstgenoemde met een aan goud herinnerenden weerschijn, veroorzaakt door de zilverwit of geelachtig gekleurde spitsen van het bovenhaar. De Amerikaansche jagers zijn daarom gewoon van den Eigenlijken Grisli-beer, den Bruinen Beer en den Kaneelbeer te onderscheiden, en beschouwen den laatstgenoemden niet alleen als den fraaisten, maar ook als den gevaarlijksten. Zijn verbreidingsgebied omvat het westen van Noord-Amerika, in de zuidelijke gedeelten van de Vereenigde Staten ongeveer beginnend bij het Rotsgebergte, in de noordelijke (Dakota) reeds van den Missouri af. Hoe verder westwaarts de streek gelegen is, des te veelvuldiger komt hij voor, vooral in de gebergten. Zuidwaarts komt hij nog in de hooglanden van Mexico voor; noordwaarts gaat hij tot aan den Poolcirkel en nog verder.
De levenswijze van den Grijzen Beer komt tamelijk wel met die van den onzen overeen; hij houdt ook, evenals deze, zijn winterrust; zijn gang is echter meer waggelend of wiegelend, en al zijne bewegingen zijn plomper. Naar gezegd wordt, is hij slechts gedurende zijn jeugd in staat boomen te beklimmen, maar kan op lateren leeftijd zulke kunsten niet meer verrichten; hier staat tegenover, dat hij met gemak zelfs over breede rivieren zwemt. Hij is een geweldige roover en ruimschoots sterk genoeg, om ieder schepsel in zijn vaderland te overwinnen. In vroegere berichten wordt hij uitdrukkelijk een vreeselijk en boosaardig dier genoemd. Volgens deze toont hij zelfs voor den mensch geen vrees, maar valt hem zonder aarzeling aan, om ’t even of hij te paard rijdt dan wel te voet gaat, gewapend is of niet, hem beleedigde, of er niet aan gedacht heeft, hem iets in den weg te leggen. Om al deze redenen verwierf de jager, die overwinnaar was geweest in een strijd met Old Ephraïm, de bewondering en hoogachting van alle mannen, die van hem hoorden, van de blanken zoowel als van de Indianen, door wie het dooden van dit Roofdier zonder voorbehoud als een meesterstuk van jagersmoed geprezen wordt. Onder alle Indianenstammen verschaft het bezit van een halsketen, die uit de klauwen en tanden van dezen Beer bestaat, aan den drager van dit zegeteeken een hoogachting, die bij ons ter nauwernood aan een vorst of aan een roemrijken veldheer ten deel zou vallen. Alleen hij, die zich den bedoelden keten eigenhandig en door eigen kracht verworven heeft, mag hem onder de Indianen dragen. Voorts wordt bericht, dat deze kolossus, die de menschen, welke hij ziet, vermetel aanvalt, om ze te vernietigen, dadelijk de vlucht neemt, als hij de lucht van hen krijgt, zonder ze te zien. In even hooge mate als hij, volgens deze berichten, schroomvallig wordt door het waarnemen van de lucht van den mensch, vreezen alle dieren de zijne. De huisdieren stellen zich aan, alsof zij de lucht kregen van een Leeuw of van een Tijger, en zelfs het doode dier, ja zelfs zijn vel, boezemt hun nog een hevigen schrik in. Enkele jagers beweren zelfs, dat ook de overigens zoo vraatzuchtige Amerikaansche Wilde Honden den Beer eerbiedigen en zijn lijk niet aanroeren.
Er valt niet aan te twijfelen, dat deze (en andere dergelijke) mededeelingen gedeeltelijk onjuist, gedeeltelijk sterk overdreven zijn. Zij werden verbreid en geloofd in een tijd, toen het “Verre Westen” nog weinig bezocht werd, toen men voor avontuurlijke verhalen een vreeselijk schepsel noodig had, dat geschikt was, om in de Nieuwe Wereld een soortgelijke rol te spelen, als de meest beruchte Roofdieren van de Oude Wereld. Toevallig voorkomende, ongunstige ervaringen met één dier van deze soort, werden als kenschetsend voor al deze dieren in alle omstandigheden voorgesteld, en zoo werd de Grisli een schrikbeeld van het onbekende “Verre Westen”. Wel is reeds menig mensch door den Grijzen Beer om ’t leven gebracht; maar dit kan evenzeer van onzen Beer getuigd worden; gewonde Beren hebben zich verweerd; overvallen Beren, vooral wijfjes, die hare jongen bedreigd achtten, hebben waarschijnlijk ook dikwijls den mensch aangevallen, zonder door dezen uitgetart te zijn; om al deze redenen is echter de Grijze Beer niet verschrikkelijker dan zijn Europeesche geslachtsgenoot, en evenmin toont hij meer moed dan deze; integendeel over ’t algemeen komt hij door zijn geheelen aard met dezen overeen.
De Grijze Beer voedt zich met plantaardige stoffen, eet zeer gaarne vruchten, noten en wortels, doodt echter ook dieren; bovendien moet hij zeer behendig Visschen vangen. In Alaska, waar hij zeer veelvuldig voorkomt, ontmoet men bijna overal paden, die hij vastgetreden heeft en geregeld volgt, hetzij aan de oevers van stroomen, of op eenzame vlakten, in moerassen of in bergstreken; de richting en de loop van deze paden zijn zoo verstandig gekozen, dat men het best doet er gebruik van te maken, om langs den kortsten weg van de eene plaats naar de andere te komen. “Aan de steile verhevenheden van de bergachtige kust aan de westzijde van Cook’s Invaart,” schrijft Elliot, “kan men soms troepen van 20 of 30 van deze plompe dieren bijeen zien, die daar bessen en wortels zoeken. Hunne vellen hebben echter geen groote waarde, daar zij grof, ongelijk behaard en stoppelig zijn. Daar deze dieren bovendien zeer wild zijn, wordt er niet algemeen jacht op gemaakt, behalve door de mannen van den Kenai-stam, die, evenals alle jagers onder de inboorlingen, voor hen een groote achting gevoelen, en gewoon zijn eerst een lofrede op den Beer uit te spreken, voordat zij trachten hen te dooden. Daar de inboorlingen er niet van houden de oorden te bezoeken, waar vulkanische werkingen plaats hebben, vormt de omgeving van kraters, heete bronnen en dampgaten een toevluchtsoord voor wilde dieren, vooral voor Beren, daar zij alle zeer goed weten, dat de mensch hen daar in den regel niet komt storen.”
Een jonge Grijze Beer kan gemakkelijk getemd worden, en is, evenals onze Beer, een tijd lang een zeer gezellig en grappig dier. Zijn vel is, ondanks de lengte en dikte van het haar, zoo fijn en sierlijk van kleur, dat het den kleinen klant zeer goed staat. Palliser, die een Grisli meenam naar Europa, roemt zijn gevangene zeer. Hij at, dronk en speelde met de matrozen en vermaakte alle reizigers, zoodat de kapitein van het schip den jager later verzekerde, dat het hem wel zou aanstaan, als hij op iedere reis een jongen Beer kon medekrijgen. Dit dier had een merkwaardigen vriendschapsbond gesloten met een kleine Antilope, die zijn reisgenoot was en verdedigde haar eens op zeer ridderlijke wijze. Toen de Antilope bij het verlaten van ’t schip door de straten werd geleid, kwam een kolossale Bullebijter op haar toeschieten en greep haar aan, zonder zich in het minst te storen aan het geschreeuw en de stokslagen der geleiders. Gelukkig gingen Palliser en zijn Beer denzelfden kant uit; nauwelijks had het dier gezien wat er voorviel, of hij rukte zich los, had in ’t volgende oogenblik den vijand van zijn vriendin bij den kraag gepakt en hem weldra zoodanig afgestraft, dat de Hond jammerlijk huilend wegliep.
Gevangene Grislis verschillen door hun inborst en gedrag niet merkbaar van hunne Europeesche verwanten. In den Londenschen dierentuin waren er twee, die o. a. merkwaardig waren, doordat zij de zegeningen van de veeartsenijkunde ondervonden. Zij werden in hun jeugd door een hevige oogontsteking aangetast, ten gevolge waarvan zij blind werden. Men besloot ze te genezen. Nadat men de beide patiënten van elkander gescheiden had, deden de oppassers aan ieder een sterken halsband om en trokken den kop van den kolossalen Beer tot dicht bij de traliën, om hem zonder bezwaar den met chloroform bevochtigden spons onder den neus te houden. Het anaestheticum werkte buitengewoon snel en goed. Reeds na weinige minuten lag het reusachtige dier bewusteloos en bewegingloos als dood in zijn kooi en de oogarts kon nu gerust naar binnen gaan om de operatie te verrichten. Juist toen men bezig was de kooi donker te maken, ontwaakte het dier, waggelde nog, alsof het dronken was, heen en weer, en scheen des te onvaster van beweging te worden, maarmate het meer en meer zijn bewustzijn herkreeg. Allengs scheen de Beer echter te bemerken, wat er gedurende zijn doodslaap met hem gebeurd was; toen men hem weinige dagen later weder onderzocht, was hij zich bewust geworden van het verkrijgen van zijn gezichtsvermogen; duidelijk merkbaar was het, dat hij het daglicht aangenaam vond, of althans de tegenstelling begreep tusschen den voortdurenden nacht, waarin hij vroeger verkeerde, en den klaarlichten dag, dien hij nu waarnam.
De meest bekende Beer van Amerika, de Baribal, Moeskwa of Zwarte Beer (Ursus americanus), een wijd verbreid en betrekkelijk goedaardig dier, dat althans veel minder gevaarlijk is dan de Grijze Beer en de Landbeer, bereikt een lengte van hoogstens 2 M. bij een schouderhoogte van iets meer dan 1 M. Van den Landbeer onderscheidt hij zich hoofdzakelijk door den smalleren kop, den meer puntig toeloopenden, van het voorhoofd niet scherp gescheiden snuit, de zeer korte zolen alsmede door de samenstelling en de kleur van zijn vacht. Deze bestaat uit lange, stijve en gladde haren, die alleen aan het voorhoofd en rondom den snuit kort zijn. Hun kleur is glanzig zwart, aan beide zijden van den snuit in vaalgeel overgaande. Een vlek van dezelfde kleur bevindt zich dikwijls ook voor de oogen. Zeldzamer ziet men Baribals met wit gerande lippen en witte strepen op de borst en de kruin. De jongen zijn lichtgrijs, zij krijgen in ’t begin van hun tweede levensjaar het donkere haarkleed van hunne ouders, maar eerst later even lange haren als deze.
Baribal (Ursus americanus). 1/10 v. d. ware grootte.
De Baribal is over geheel Noord-Amerika verbreid. Men heeft hem in alle boschrijke gewesten van de oostkust tot aan de grenzen van Kalifornië en van het hooge noorden tot in Mexico gevonden. Het woud biedt hem alles wat hij noodig heeft; hij verandert echter van verblijfplaats met de jaargetijden, in verband met hunne verschillende voortbrengselen. Gedurende de lente zoekt hij gewoonlijk zijn voedsel in de vruchtbare rivierdalen en houdt zich daarom op in de dichte bosschen, die de oevers der stroomen en meren omzoomen; in den zomer trekt hij zich terug in het midden van het aan vruchtboomen zoo rijke woud; in den winter eindelijk graaft hij zich op een zooveel mogelijk aan aller oog onttrokken plaats een geschikt leger, waarin hij met tusschenpoozingen of ook wel langen tijd achtereen slaapt. Over dezen “winterslaap” loopen de berichten uiteen. Eenige zeggen, dat slechts sommige Beren zich weken lang in hun leger verbergen, terwijl de overigen ook in den winter van de eene plaats naar de andere zwerven, ja zelfs van de noordelijke gewesten naar de zuidelijke verhuizen; andere meenen, dat dit alleen in zachte winters geschiedt, en dat gedurende koudere winters alle Zwarte Beren winterslaap houden. Zooveel althans is zeker, dat men juist in den winter dikwijls op den Baribal jacht maakt en hem in zijn leger opzoekt.
De Baribal is, hoe dom, plomp en onhandig hij er ook uitziet, een waakzaam, wakker, krachtig, vlug, behendig en volhardend dier. Hij loopt zoo snel, dat een man hem niet kan inhalen; het zwemmen verstaat hij uitmuntend en in het klimmen is hij een baas. Hij is althans in alle lichaamsoefeningen meer ervaren dan onze Bruine Beer, met wien hij overigens in vele opzichten overeenstemt. Niet dan hoogst zelden valt hij den mensch aan; integendeel bij ’t zien van dezen, zijn ergsten vijand vlucht hij zoo snel mogelijk; zelfs wanneer hij gewond is, houdt hij niet altijd stand, hoewel hij, wanneer hij geen uitweg meer ziet, gevaarlijk kan worden.
Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen, en wel uit gras, bladen, half rijp en rijp graan, bessen en zeer verschillende soorten van boomvruchten. Hij vervolgt echter ook het vee en durft, evenals ons Bruintje, zelfs de weerbare Runderen aanvallen. Voor den landman is hij altijd schadelijk, om ’t even of hij de aanplantingen plundert of de kudden verontrust; hem valt daarom hetzelfde lot ten deel als aan onzen Beer: zonder verschooning wordt hij vervolgd en op allerlei wijzen uitgeroeid, zoodra hij het waagt, zich in de nabijheid van den mensch te vertoonen.
De jacht op den Baribal geschiedt op verschillende wijzen. Vele van deze dieren worden in groote klemmen gevangen, de meeste echter met de buks geschoten. Goede Honden bewijzen hierbij uitmuntende diensten, daar zij de nabijheid van den Beer door blaffen aankondigen, of hem nopen in een boom te vluchten, zoodat de jager tijd heeft op zijn gemak te mikken en hem op de juiste plaats te treffen.
Zeer eigenaardig zijn vele wijzen van jagen der Indianen, nog eigenaardiger de plechtigheden, die plaats hebben tot het bevredigen van den geest van den Beer, zoodra hij uit het lichaam is geweken, en die het bewijs leveren van een godsdienstige vereering van dit dier. Alexander Henry, die de door pelsjagers bezochte gewesten bereisde, verhaalt, hoe zijne gastheeren zich gedroegen tegenover een zooeven door hem gedooden Beer. “Onmiddellijk na den dood van het dier kwamen alle Indianen dicht bij het lijk staan. De ‘oude moeder,’ zooals wij haar noemden, nam den kop van het dier in hare handen, liefkoosde en kuste hem herhaaldelijk, en verzocht den Beer duizendmaal om vergiffenis, dat men hem het leven had benomen; ook verzekerde zij, dat het geen Indianen waren geweest, die dit deden, maar dat stellig een Engelschman zich aan deze misdaad had schuldig gemaakt. De lijkdienst duurde niet bijzonder lang; kort daarna werd een aanvang gemaakt met het villen en verdeelen van den Beer. Allen hielpen mede om de huid, het vleesch en het vet van het dier te dragen en namen daarop den terugtocht aan. Zoodra men thuis gekomen was, werd de berenkop versierd met zilveren armbanden en andere versierselen, die de familie bezat. Daarna plaatste men hem op een stellage en legde voor zijn neus een groote hoeveelheid tabak. Den volgenden morgen werden toebereidselen voor een feest gemaakt. De hut werd schoon gemaakt en aangeveegd, de kop van den Beer hoog geplaatst en een nieuwe doek, die nog nooit gebruikt was, er over uitgebreid. Nadat de pijpen gereed waren gemaakt, blies een Indiaan tabaksrook in de neusgaten van den Beer. Hij verzocht mij, hetzelfde te doen, omdat ik, die het dier gedood had, daardoor zeker den toorn van het dier zou doen bedaren. Ik deed mijn best, mijn welwillenden en vriendelijken gastheer tot de overtuiging te brengen, dat de Beer niet meer leefde; mijne woorden vonden echter geen geloof. Ten slotte hield mijn gastheer een rede, waarin hij den Beer trachtte te verheerlijken, en eerst daarna begonnen wij van het Berenvleesch te smullen.”
Alle Baribals die ik heb leeren kennen, onderscheidden zich door hunne zachtmoedigheid en goedaardigheid in ’t oogloopend van hunne verwanten. Zij maken tegen hunne oppassers nooit gebruik van hun kracht, erkennen volkomen de oppermacht van den mensch en laten zich met groot gemak behandelen. Zij hebben althans meer vrees voor den oppasser als deze voor hen. Zij zijn echter ook bang voor ieder ander dier. Een kleine Olifant, die langs de hokken der door mij verzorgde Baribals werd geleid, bracht onder hen zooveel schrik teweeg, dat zij ijlings in den boom klommen, die in hun hok was geplaatst, alsof zij daar beschutting wilden zoeken. Zij houden er niet van, met andere Beren, die men bij hen brengt, te vechten; zelfs een klein, moedig dier van hun eigen soort kan over hen de baas spelen.
Aan gevangene exemplaren kan men voortdurend opmerken, hoe gemakkelijk en behendig de Baribals klimmen kunnen. Als zij ergens door verschrikt worden, springen zij met één afzet ongeveer 2 M. hoog tot op de eerste takken van een gladden eikenstam en klimmen dan zeer snel en met vasten tred tot in den top omhoog. Eens toen de oppasser een oude berin in haar hok wilde drijven, sprong zij over hem heen in den boom.
De stem van den Baribal gelijkt op die van den Landbeer, maar is veel zwakker en klagender.
Door de goedgeefschheid van welwillende vrienden kunnen de Baribals zeer verwend worden. Zij weten, dat zij gevoederd worden, en herinneren hem, die het mocht vergeten hun iets te geven, door een klagend gesmeek aan zijn gewoonte. Zoo geraken zij aan het bedelen gewend; zij doen het op een wijze, waaraan niemand weerstand kan bieden; de houdingen, die zij aannemen, als zij de armen uitstrekken, zijn zoo potsierlijk, in hun gejammer weten zij zooveel verscheidenheid te brengen, dat iedereen er door tot mildheid wordt bewogen.
Een van de Aziatische vertegenwoordigers van het Berengeslacht is de Kraag-beer, de Zwarte Himalaja-beer van de Engelsche jagers, de Kama van de Japaneezen (Ursus torquatus). Hij is betrekkelijk slank van gestalte; de kop waaraan het voorhoofd en de rug van den neus ongevoelig in elkander overgaan, eindigt in een spitsen snuit, de ooren zijn rond en betrekkelijk groot, de pooten middelmatig lang, de voeten kort, de teenen met korte, maar krachtige nagels gewapend. De beharing en de kleur wisselen, naar het schijnt, tamelijk af, indien het namelijk waar blijkt te zijn, dat de mededeelingen hierover op een zelfde soort en niet op twee verschillende soorten betrekking hebben.
Wallich vond dezen Beer in Nepal; Siebold zegt in zijn werk over de dierenwereld van Japan, dat de Kama niet alleen in China en Japan, maar ook in de meeste gebergten van het vasteland en van de eilanden van Zuid-Azië veelvuldig voorkomt. In Noord-Indië en Kaschmir bewoont de Kraag-beer bij voorkeur dicht begroeide gedeelten van het woud in de nabijheid van akkers en wijnbergen, in het zuidoosten van Siberië daarentegen de hoogstammige bosschen. Hij kan uitmuntend klauteren en klimt met gemak in de hoogste boomen; van de Birar-Toengoesen vernam Radde, dat deze Beer zelden op den bodem komt, zich des zomers in de kronen der boomen prieeltjes maakt door takken naar elkander toe te buigen en dooreen te schuiven en des winters in zittende houding in holle boomen slaapt, dat hij lafhartig en niet gevaarlijk is, omdat hij een kleinen bek heeft, en alleen bijten kan, en niet, zooals de Landbeer, ook scheuren. Adams kreeg geheel andere berichten; hij verzekert, dat de Kraag-beer door de bewoners van de gebergten van Indië zeer gevreesd wordt. Blanford zegt van hem, dat hij meer dan de andere Beren begeerig is naar vleesch, dat hij niet alleen klein vee en Herten, maar ook Runderen en Paarden doodt, nu en dan ook krengen vreet, maar toch hoofdzakelijk van plantaardig voedsel leeft.