Kraag-beer (Ursus torquatus). 1/15 v. d. ware grootte.
De gevangene Kraag-beren, die tegenwoordig in alle groote dierentuinen te zien zijn, gelijken door hun gedrag het meest op den Baribal, hebben nagenoeg dezelfde eigenaardigheden en gewoonten als deze, staan wat hunne geestvermogens betreft nagenoeg op dezelfde hoogte en onderscheiden zich van hem hoogstens door de sierlijkheid van hunne bewegingen.
Van de tot dusver genoemde soorten van de Berenfamilie wijkt de Maleische Beer, de Broean, of—zooals, volgens Von Rosenberg, de naam eigenlijk luidt—de Biroeang der Maleiers (Ursus malayanus) aanmerkelijk af. Hij heeft een gerekt, maar toch plomp gebouwd lichaam, een dikken kop met breeden snuit, kleine ooren, zeer kleine, onnoozele oogen en naar verhouding zeer groote teenen met lange, krachtige klauwen. Zijn lengte bedraagt tennaastenbij 1.4 M., zijn hoogte ongeveer 70 cM. De kortharige, maar dichte vacht is glanzig zwart, met uitzondering van de vaalgele zijden van den snuit en een gele of althans lichte vlek op de borst, die meestal den vorm van een hoefijzer heeft, maar soms ringvormig is.
De Biroeang bewoont Borneo, Java, Sumatra en het Maleische schiereiland. Van zijn leven in vrijen toestand is zeer weinig bekend. Zeker weet men echter, dat hij uitmuntend klimmen kan, misschien beter dan alle zijne verwanten; naar men zegt, leeft hij evenveel op de boomen als op den grond, en voedt hij zich uitsluitend met plantaardige stoffen en Insecten, hoewel hij nu en dan waarschijnlijk wel een Zoogdier of een Vogel buit maakt. Volgens Marsden richt hij in de cacaoplantages op Sumatra soms groote schade aan, en klimt hij ook in de kokospalmen om er de malsche, jonge uitspruitsels van op te eten.
Naar het schijnt, wordt dit dier in zijn vaderland niet zelden gevangen gehouden, omdat men dezen even snaakschen, als goedaardigen en onschadelijken klant zelfs aan kinderen als speelkameraad geven kan, en hem naar zijn eigen verkiezing op het erf kan laten rondloopen. Sir Stamford Raffles, die een van deze Beren bezat, kon hem gerust in de kinderkamer toelaten, en was nimmer genoodzaakt hem aan een ketting te leggen of door slagen te bestraffen. Meer dan eens kwam hij zeer netjes aan tafel en vroeg om wat eten. In dit geval toonde hij zich een echten fijnproever, daar hij geen andere vruchten dan mangos eten en niets anders dan champagne drinken wilde. Van dezen wijn was hij een hartstochtelijk liefhebber, en als hij een tijdlang zijn lievelingsdrank niet kreeg, verloor hij, naar het scheen, zijn goed humeur. Maar deze uitmuntende kameraad verdiende wel een glas wijn. Iedereen in huis hield van hem; hij gedroeg zich in alle opzichten voorbeeldig; want hij deed zelfs het kleinste dier geen kwaad.
Geheel anders, althans zoover mijne ervaringen reiken, is het gedrag van den Biroeang als hij bij ons in een hok gevangen zit: hij is dom, maar niets minder dan goedaardig, eerder koppig en valsch. Hoe goed hij ook verzorgd wordt, toont hij zich toch maar zelden vriendschappelijk gezind jegens zijn oppasser.
Wanneer men de zienswijze van eenige natuuronderzoekers volgt en het tamelijk geringe verschil in gedaante en levenswijze, dat bij onze Land-beren voorkomt, reeds voldoende acht om deze dieren tot verschillende soorten te brengen, is het verklaarbaar, dat men den IJsbeer (Ursus maritimus) als vertegenwoordiger van een zelfstandig geslacht beschouwt. De eerste zeevaarders, die van dezen Beer melding hebben gemaakt, meenden trouwens in hem slechts een verscheidenheid van onzen “Bruin” te ontdekken, wiens vel door het klimaat der koude poolgewesten met de hun eigenaardige sneeuwkleur was begiftigd; deze dwaling duurde echter niet lang, omdat men zeer spoedig de belangrijke punten van verschil opmerkte, die tusschen de Landberen en den IJsbeer bestaan. De laatstgenoemde onderscheidt zich van de tot dusver genoemde soorten der familie door den meer gerekten romp met langen hals, door de korte, forsche en krachtige pooten, welker voeten veel langer en breeder zijn dan die der andere Beren, en welker teenen door sterke spanvliezen bijna tot op de helft van hun lengte met elkander verbonden zijn. Hij is verreweg de grootste van alle Beren, want bij een schouderhoogte van 1.3 à 1.4 M. bereikt hij een lengte van 2.5 à 2.8 M. en een gewicht van 600 KG., in bijzonder vetten toestand zelfs 800 KG.
De romp van den IJsbeer is veel plomper, maar toch meer gerekt, de hals aanmerkelijk dunner en langer dan bij den Gewonen Beer, de kop langwerpig, neergedrukt, en betrekkelijk smal, het achterhoofd zeer verlengd, het voorhoofd plat, de van achteren dikke snuit is van voren spits; de ooren zijn klein, kort en zeer afgerond, de neusgaten verder geopend en de muil minder diep gespleten dan bij den Landbeer. De dikke en kromme klauwen zijn slechts middelmatig lang; de staart is zeer kort, dik en stomp, en steekt nauwelijks buiten de vacht uit. De lange, vlokkige, overvloedige en dichte beharing bestaat uit korte wol en sluike, glanzige, zachte, bijna wollige bovenharen, die aan den kop, den hals en den rug het kortst, aan ’t achterdeel, de buik en de pooten het langst zijn; ook de zolen zijn er mede bekleed. Op de lippen en boven de oogen bevinden zich een gering aantal borstelige haren; aan de oogleden ontbreken de wimpers. Met uitzondering van een donkeren ring om de oogen, van den onbehaarden top van den neus, van de randen der lippen en van de klauwen, is de IJsbeer sneeuwkleurig; bij de jonge dieren is dit kleed zuiver zilverwit, terwijl het bij de oudere, naar men beweert tengevolge van het tranige voedsel, een geelachtige tint verkrijgt. Het jaargetijde oefent niet den geringsten invloed op de kleur uit.
De IJsbeer bewoont de noordelijkste gewesten der aarde, de eigenlijke ijsgordel van de pool, en komt alleen daar voor, waar het water gedurende een groot deel van het jaar of aanhoudend, althans gedeeltelijk tot ijs verstijft. Hoe ver hij zich noordwaarts begeeft, kon tot dusver niet uitgemaakt worden; zoo ver de mensch echter in deze ongastvrije gewesten doorgedrongen is, heeft hij hem als levenslustige bewoner van den aan ’t leven vijandigen aardgordel ontmoet, terwijl hij in zuidelijke richting slechts bij uitzondering nog op den 55en NB. graad waargenomen wordt. Hij is geen uitsluitend bewoner van een der drie noordelijke werelddeelen, maar is hun gemeenschappelijk eigendom. Door geen ander wezen bedreigd of in gevaar gebracht, trotseert hij onbeschroomd de ijzigste koude en de vreeselijkste beroeringen van den dampkring, waarvan wij ons bijna geen denkbeeld kunnen vormen, zwerft door het land en doorkruist de zee nu eens over de haar bedekkende ijsmassa’s, dan weer door de onstuimige golven; in ieder geval moet de sneeuw zelf hem een kleed, een beschutting, een leger leveren. Aan de oostkust van ’t noordelijkste deel van Noord-Amerika, in de gewesten die de Baffins- en Hudsonsbaaien omzoomen, in Groenland en Labrador, op Spitsbergen en andere eilanden, is hij gemeen en zoowel op den vasten grond als op het drijfijs te vinden, in Azië is het dubbel-eiland Nowaja-Semlja zijn hoofdzetel; hij wordt echter ook op de Nieuw-Siberische eilandengroep en zelfs op het vasteland aangetroffen, hoewel dit laatste alleen dan geschiedt, als de ijsschotsen hem derwaarts voeren; zoo landt hij menigmaal op Lapland en ook wel op IJsland aan. Dikwijls zag men IJsberen op deze wijze te midden van het overigens ijsvrije water op grooten afstand van de kust voortdrijven. Soms komen zij tot troepen vereenigd voor. Scoresby bericht, dat hij eens op de kust van Groenland wel 100 IJsberen bijeenzag, waarvan er 20 gedood werden. Het onbewoonde eiland St. Mattheus in de Beringzee, schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid voor hen te hebben; het wemelt er letterlijk van deze dieren. Honderden IJsberen wonen hier ongestoord, van de geheele overige wereld afgesloten. Ook ten noorden van de Beringstraat zijn zij veelvuldig; waar een overvloed van voedsel te vinden is, verzamelen zij zich dikwijls in grooten getale. “Wij zagen,” schrijft Pechuel-Loesche, “op een ijsveld een buitengewoon talrijke verzameling van Beren; het was duidelijk, dat hiervoor een bijzondere reden bestond. Deze bleef niet lang voor ons verborgen. Het gezwollen lijk van een Walvisch was naar den rand van het ijsveld gedreven; de Beren hadden zich tot een gastmaal vereenigd. Vermakelijk was het te zien, hoe deze in ’t wit gekleede feestelingen, waarvan sommige zich op afschuwelijke wijze bevuild hadden bij de stellig moeitevolle ontleding van den vleeschberg, hun strandrecht uitoefenden. Over onze komst waren zij volstrekt niet gesticht; zij schenen niet weinig lust te gevoelen, om hun buit tegen de naderende boot te verdedigen. Toen echter de stevigste voorvechter met een door kogels verbrijzelden nek ter aarde stortte en een tweede zwaar verwond was, namen zij merkwaardig snel de vlucht. Als een bende mokkende Wolven vormden zij op veiligen afstand een kring om ons heen en maakten, terwijl zij onzen terugtocht afwachtten, op plompe wijze allerlei dreigende bewegingen.”
IJsbeer (Ursus maritimus).
De IJsbeer is over ’t geheel genomen log van beweging, maar in de hoogste mate volhardend. Dit blijkt vooral bij ’t zwemmen, in welke kunst deze Beer meesterlijk ervaren is. De snelheid, waarmede hij zich uren achtereen op gelijkmatige wijze, zonder bijzondere inspanning door het water beweegt, wordt door Scoresby op 4 à 5 KM. per uur geschat. Zijn groote massa vet komt hem bij ’t zwemmen uitmuntend te pas, daar het soortelijk gewicht van zijn lichaam hierdoor tennaastenbij gelijk wordt aan dat van het water. Daarom kan hij zich dagen lang in ’t water ophouden; hij doorkruist onafzienbare watervlakten en wordt dikwijls ver van ’t land en van het drijfijs in de open zee aangetroffen. Zoolang men hem niet van al te nabij bedreigt, zal hij zich, volgens de ervaringen van Pechuel-Loesche, steeds met het achterste deel van het lichaam het eerst te water begeven; de behoedzame, bijna beschroomde wijze, waarop hij zich er in laat glijden, maakt een zeer komischen indruk. Even uitmuntend als hij zich aan de oppervlakte van het water beweegt, verstaat hij de kunst van duiken. Men heeft opgemerkt, dat hij Zalmen uit het water heeft gehaald, waaruit een vaardigheid in ’t duiken blijkt, die in zeer hooge mate bewondering verdient. Ook op het land is hij volstrekt niet zoo onbeholpen en onbekwaam, als zijn gewone, langzame en omzichtige gang zou doen vermoeden. Wanneer hij in zijn schijnbaar plompen draf of galop vervalt, beweegt hij zich, zelfs op het oneffene ijs en den hobbeligen bodem, met een verrassende snelheid; hij weet daarbij met groote omzichtigheid overal den gemakkelijksten weg te kiezen. Zijne zintuigelijke vermogens zijn buitengewoon scherp, vooral het gezicht en de reuk. Als hij over groote ijsvelden gaat, beklimt hij, volgens Scoresby, de ijsblokken, en ziet rond naar buit. Doode Walvisschen of een in ’t vuur geworpen stuk spek ruikt hij op ongeloofelijk grooten afstand.
Het voedsel van den IJsbeer bestaat uit nagenoeg alle dieren, die de zee of de onherbergzame kusten van zijn vaderland bewonen. Zijn vreeselijke lichaamskracht, welke die van alle overige beerachtige Roofdieren nog aanmerkelijk overtreft, en de reeds genoemde behendigheid in ’t water, maken het hem tamelijk gemakkelijk, zich van het noodige te voorzien. Zijn liefste wild zijn de Zeehonden, en hij is sluw en bekwaam genoeg, om deze schrandere en behendige dieren te overmeesteren. Als hij van verre een Rob op het droge ziet liggen, begeeft hij zich stil en onhoorbaar in de zee, zwemt tegen den wind in naar zijn slachtoffer toe, nadert het met de grootste voorzichtigheid, en duikt plotseling uit de zee op, in de onmiddellijke nabijheid van het dier, dat dan reddeloos verloren is. De Robben liggen in deze ijzige gewesten gewoonlijk dicht bij de gaten en spleten van het ijs, waardoor zij in staat zijn zich onmiddellijk te water te begeven. Deze openingen weet de IJsbeer, die onder de oppervlakte van de zee voortzwemt, met groote scherpzinnigheid te bereiken; de gevreesde kop van den verschrikkelijksten vijand der onbeholpen Zeehonden vertoont zich plotseling, als ’t ware in hun eigen huis, in den eenigen gang, waardoor zij anders misschien hadden kunnen ontvluchten. Visschen weet de IJsbeer buit te maken door te duiken en ze zwemmend te vervolgen, of door ze in de met water gevulde spleten van het ijs te drijven, en ze hier uit te halen. Landdieren overvalt hij alleen, als het hem aan ander voedsel ontbreekt; Rendieren, IJsvossen en Vogels zijn echter in ’t geheel niet veilig voor zijne aanslagen. Osborne zag een wijfjes-IJsbeer steenblokken omkantelen, om hare jongen van Lemmingen te voorzien, en Brown heeft, evenals Kükenthal opgemerkt, dat hij in grooten getale de eieren van de Eidereenden opvreet. Zelfs moeielijk toegankelijke broedplaatsen van zeevogels worden over ’t algemeen geregeld door hem bezocht; bij het opeischen van zijn aandeel in den overvloed van eieren en nestvogels der arctische kusten moet hij in sommige gevallen treffende bewijzen van zijn klimkunst geven. Doode dieren eet hij even graag als versch vleesch; men beweert, dat hij zelfs de lijken van zijne soortgenooten niet versmaadt. In de zeeën, die door Robben-slagers en Walvisch-vangers bezocht worden, leveren de van huid en spek beroofde lijken van de Zeehonden en Walvisschen hem een overvloed van voedsel, dat hij op een gemakkelijke wijze verkrijgt. Toch is hij volstrekt niet uitsluitend vleescheter; hij maakt daar, waar dit mogelijk is, ook gebruik van plantaardige stoffen, vooral van bessen, gras en mos, zooals herhaaldelijk werd opgemerkt door personen, die dikwijls IJsberen ontmoet hebben. Vele oude dieren zijn, naar het schijnt, in den zomer op gunstig gelegen plaatsen hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend planteneters; de inhoud van de maag van gedoode exemplaren leverde hiervoor het stellig bewijs.
Naar alle waarschijnlijkheid houden de meeste IJsberen geen winterslaap. Gedurende den geheelen winter krijgt men deze dieren te zien en kan men jacht op hen maken. In dit jaargetijde leven zij voortdurend in de nabijheid van het open water, dus aan de zeekust of op het drijfijs. De drachtige wijfjes maken een uitzondering op dezen regel; zij zoeken tegen den aanvang van den winter een schuilplaats op en werpen hier jongen in de koudste maanden van het jaar. Kort na de paring, die, naar gezegd wordt, in Juli plaats heeft, maakt de berin zich een rustplaats gereed onder rotsen of overhangende ijsblokken. Soms bepaalt zij zich tot het graven van een kuil in de sneeuw, waarin zij zich nedervlijt; wegens de groote hoeveelheid sneeuw, welke op deze breedten valt, is dit winterverblijf na verloop van korten tijd met een dik en tamelijk warm sneeuwdek voorzien. De berin heeft, eer zij zich hier terugtrok, een groote hoeveelheid vet in haar onderhuidsbindweefsel opgehoopt; hierop teert zij gedurende den geheelen winter; want zij verlaat haar leger niet, voordat de lentezon tamelijk hoog aan den hemel staat. Intusschen heeft zij hare jongen ter wereld gebracht. Veel eerder dan de jongen van den Landbeer begeleiden deze hun moeder op hare reistochten. Zij worden door haar zeer zorgvuldig en liefderijk verpleegd, gevoed en beschermd. Zelfs wanneer zij reeds half of bijna geheel volwassen zijn, deelt de moeder in alle gevaren van haar kroost; reeds gedurende hun prille jeugd leert zij hun het bedrijf, waardoor zij later in hun onderhoud moeten voorzien, n.l. zwemmen en Visschen vervolgen. De kleine, aardige diertjes zijn spoedig zoowel in de eene als in de andere kunst ervaren, maar vatten hun taak zoo gemakkelijk mogelijk op; zelfs wanneer zij reeds tamelijk groot geworden zijn, kiezen zij onbezorgd den rug van hun moeder als rustplaats, zoodra zij vermoeid zijn van den arbeid.
De ontdekkingsreizigers en de walvischvangers hebben roerende voorbeelden medegedeeld van de zelfopofferende liefde van de IJsberin voor hare jongen. “Een berin,” verhaalt Scoresby, “die twee jongen bij zich had, werd door eenige gewapende matrozen op een ijsveld vervolgd. In den beginne scheen zij de jongen tot grooteren spoed te willen aansporen, door vooruit te loopen en telkens om te kijken, ook trachtte zij door eigenaardige gebaren en een bijzondere, angstige toon van haar stem hun het gevaar mede te deelen; toen zij echter zag dat hare vervolgers haar te na kwamen, deed zij haar best de jongen vooruit te drijven, te schuiven en te stooten; werkelijk ontkwam zij gelukkig met haar kroost.”
De boeken vermelden vele door IJsberen veroorzaakte ongelukken; menig Walvischvanger heeft voor de hoogst vermetele poging om zulk een dier met onvoldoende wapens te bevechten, met zijn leven moeten boeten. Zulke verhalen komen veelvuldig voor in reisbeschrijvingen uit vroegeren tijd, zelden echter in die van den laatsten tijd. Op tweeërlei wijze kan men deze soms zeer sterk in ’t oog loopende tegenstrijdigheid verklaren: het kan zijn, dat men vroeger de gevaarlijkheid van den IJsbeer zeer overschat heeft; ’t is ook wel mogelijk, dat zijn grimmige aard zich langzamerhand, misschien tengevolge van een nadere kennismaking met den mensch, aanmerkelijk gewijzigd heeft. Hoe dit ook zij, de voorstelling, die men indertijd van de gevaarlijkheid dezer dieren verkreeg, door op allen toe te passen, wat bij eenigen werd opgemerkt, is niet juist. De ervaringen van hen die in laatste tientallen van jaren dikwijls IJsberen nagegaan en jacht op hen gemaakt hebben, is hiermede geheel in tegenspraak. Lamont, die voor zijn genoegen, in zijn eigen schip jachtreizen ondernam en ook het hooge noorden bezocht, schrijft over den IJsbeer: “Ik houd hem voor het sterkste Roofdier ter wereld; evenals alle overige wilde dieren zal hij echter, zeer zeldzame gevallen uitgezonderd, voor den mensch geen stand houden, zoolang hij hem ontwijken kan.” Nordenskiöld vat zijn eigene ervaringen en die van vele hem bekende walvischvangers en robbenjagers in de volgende volzinnen samen: “Een ongewapend mensch, die een IJsbeer ontmoet, zal hem gewoonlijk door eenige hevige bewegingen en door luid geschreeuw kunnen verjagen; wie op de vlucht gaat, kan er zeker van zijn, het dier weldra achter zich aan te zullen hebben. Als de Beer gewond wordt, neemt hij altijd de vlucht. Dikwijls legt hij met den poot sneeuw op de wonde; soms graaft hij gedurende zijn doodstrijd met de klauwen een gat in de sneeuw om zijn kop er in te verbergen. Soms zwemt een Beer naar het voor anker liggend vaartuig toe; wie op afgelegen plaatsen zijn tent opslaat, vindt des morgens dikwijls in de nabijheid een Beer, die gedurende den nacht de tent besnuffeld heeft, zonder het te wagen er in door te dringen. Vroeger veroorzaakte het zien van een Beer schrik bij de Noordpoolreizigers, thans echter aarzelen de zeedieren-jagers niet, om zelfs een groote troep Beren onmiddellijk met de lans aan te vallen. Op het geweer verlaten zij zich minder. Menigmaal hebben zij in korten tijd verscheidene, soms wel 12 van deze dieren, met den lans gedood. Mij is slechts één enkel geval bekend, waarin een Noorsche jager door een Beer ernstig gewond werd.”
De berichten over IJsberen in het Oosten van Groenland stemmen met de zooeven genoemde mededeelingen overeen. “Ontmoetingen met IJsberen,” schrijven Copeland en Payer “hebben zeer ongelijke gevolgen. Gedurende een sledetocht komt het niet zelden voor, dat de reizigers, als zij wegens gebrek aan tijd of andere dringende omstandigheden genoodzaakt zijn van de jacht af te zien, een of meer IJsberen voorbijtrekken, die zich dikwijls op een afstand van slechts weinige schreden bevinden. Meestal verraadt de houding dezer dieren in dit geval geen ander gevoel dan nieuwsgierigheid en verbazing. Soms ook bepalen zij er zich toe, rondom de slede te drentelen, waarbij zij den kop steeds daarheen gericht houden. Klentzer, een van onze matrozen, heeft echter eens in onze winterhaven in een positie verkeerd, die even hachelijk als komisch was. Klentzer liep ongewapend langs de hellingen van den Germaniaberg, toen hij op een afstand van 2000 schreden van het schip dicht achter zich een Beer opmerkte. De ongeloofelijke snelheid van deze dieren, die iedere poging om te vluchten verijdelt, was hem bekend; ook wist hij, dat men reeds dikwijls met goed gevolg de aandacht van het dier van de vervolging afgeleid heeft, door van tijd tot tijd een voorwerp te laten vallen, terwijl men intusschen zonder zijn gang te bespoedigen, onder voordurend hulpgeroep nader bij het schip tracht te komen. Achtereenvolgens wierp hij daarom muts, handschoenen, stok enz. van zich, welke de Beer een voor een vernielde. Toch stond deze eindelijk naast hem, en besnuffelde zijn hand als een Hond. Toen nam de man, die onophoudelijk om hulp riep, het even wanhopig als machteloos besluit, om zijn vijand, in geval hij hem aanviel, met den riem, dien hij juist van zijn middel had losgegespt, te worgen. Zijn luidkeels geroep om hulp werd op het schip gehoord. Wij wapenden ons zoo schielijk mogelijk, maar het ergste was te vreezen. Door den grooten afstand zou de Beer tijd genoeg gehad hebben om zijn slachtoffer tien maal te verscheuren, maar hij draalde hiermede zoolang, dat wij hem door onze nadering, ons geroep en onze schoten op de vlucht konden drijven. Over steil afhellende rotsmassa’s holde hij terug—en was als weggeblazen.”
“In het gebied van de oostkust van Spitsbergen,” schrijft ons Kükenthal, “aan den rand van een samenhangende ijsmassa, die zich tot het Noordoostland uitstrekte, troffen wij een buitengewoon groot aantal IJsberen aan, waarvan wij er in den loop van 6 weken 18 doodden en 2 levend vingen.”
De IJsbeer wordt ter wille van zijn vleesch, vet en vel gejaagd, waar men hem ook ontmoet. Men tracht hem te vangen met geweren, lansen en vallen; sommige jagers maken ook, volgens Seemann, van de volgende list gebruik. Zij buigen een stuk balein, dat omstreeks 10 cM. breed en 60 cM. lang is, tot een klein bundeltje samen, omgeven het met Zeehondenvet en laten dit bevriezen. Daarna zoeken zij den Beer op, plagen hem door een pijlschot, werpen den vetklomp neer en vluchten. De Beer besnuffelt het achtergelaten voorwerp, bemerkt dat het eetbaar is, en brengt door het in te slikken zijn dood teweeg, want in de warme maag wordt het vet week, de balein ontspant zich en verscheurt de ingewanden. Wij willen in ’t midden laten of dergelijke verdachte stukken vet door het wantrouwige en “geplaagde” dier werkelijk in hun geheel verzwolgen worden; maar moeten erkennen, dat de IJsberen, als zij zich veilig achten, de meest verschillende en vreemdsoortige voorwerpen verzwelgen. Ook houden zij er bijzonder veel van om den voorraad, dien de Poolreizigers hier en daar in de ijswoestijnen voor latere tijden neerleggen, te onderzoeken en zich toe te eigenen. Het is gebleken, dat het beste middel om deze rooverijen te keer te gaan, bestaat in het bedekken van den goederenvoorraad met zand, dat men met water overgiet, totdat het geheel besloten is in een bevroren aardlaag van voldoende dikte. Houten huizen worden door de Beren vernield, steenhoopen, kisten, vaten enz. rukken zij uiteen, en verslinden de nu voor hen toegankelijke schatten, voor zoover zij ze door hun keelgat kunnen krijgen. Kane verhaalt, dat deze roovers, behalve vleesch en scheepsbeschuit, ook koffie, zeildoek en de Amerikaansche vlag opvraten, kortom den geheelen inhoud van de bergplaats met uitzondering van de ijzeren voorwerpen. Een IJsbeer, die door de manschappen van Mc. Cluze, gedurende een van de expedities tot redding van Franklin gedood werd, had zijn maag volgestopt met rozijnen, pekelvleesch, tabak en hechtpleister, welk maal hij natuurlijk alleen in een der vernielde goederenbergplaatsen in het hooge noorden had kunnen doen. De IJsberen ontroofden aan de Duitsche Noordpoolreizigers de meettoestellen tot het bepalen van de basislengte en de ijssporen, verslonden, terwijl de reizigers op een sledetocht uit waren, de suiker en de stearinekaarsen, kauwden zelfs de kaoetsjoekflesschen en de pakjes tabak stuk, en trokken de kurk uit de spiritusflesch; met het onderzoek van een belangrijk dagboek waren zij gelukkig nog maar juist begonnen, toen hunne misdrijven ontdekt en zij weggejaagd werden.
Zeer jong gevangen IJsberen kunnen getemd en ook eenigszins afgericht worden. Zij laten toe, dat hun meester hen in hun hok bezoekt; ook stoeien zij wel met hem; de gevangenschap bevalt hun echter volstrekt niet. Zelfs in hun vaderland en in hun prille jeugd gevoelen zij zich binnenshuis niet op hun gemak; men kan hun geen grooter genoegen aandoen, dan door hun te veroorlooven, zich in de sneeuw en op het ijs rond te wentelen. In een groote ruimte met een diep en wijd waterbekken, zooals tegenwoordig in een goed ingerichten dierentuin voor den IJsbeer gemaakt is, bevindt dit dier zich tamelijk wel; uren lang speelt hij in ’t water met zijne medegevangenen, of ook wel met blokken hout, ballen enz. Op lateren leeftijd wordt hij prikkelbaar en hartstochtelijk. Tegenover andere dieren van zijn soort is hij, zoodra het eten in het spel komt, onverdraagzaam en slecht gehumeurd, hoewel het tusschen twee even sterke IJsberen slechts zelden tot een werkelijken strijd komt en zij hun toorn alleen te kennen geven door elkander af te snauwen. Bij zeer goede verzorging is het mogelijk, IJsberen verscheidene jaren lang in ’t leven te houden.
Het vleesch en het spek van den IJsbeer worden door alle bewoners van het hooge noorden gaarne gegeten. Ook de Europeesche jagers gebruiken het, nadat zij het vet er uit verwijderd hebben en vinden het niet onsmakelijk; zij beweren echter, dat het gebruik van dit vleesch dikwijls onpasselijkheid veroorzaakt. Vooral de lever van het dier heeft, naar men zegt, een zeer schadelijke werking, en wordt door sommigen ronduit vergiftig genoemd.
Het vel van den IJsbeer is duurder dan dat van eenig ander lid der Berenfamilie: al naar de grootte en de fraaiheid wordt er 120 à 300 gulden voor betaald.
*
De Lippenbeer of Honigbeer, de Slothbear der Engelschen, die in Indië Aswail heet (Melursus labiatus), wordt als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd, omdat hij in gestalte en aard in ’t oog loopend verschilt van de tot dusver behandelde Eigenlijke Beren. Hij onderscheidt zich door een korten, dikken romp, korte pooten, vrij groote voeten, welker teenen met kolossale, sikkelvormige klauwen gewapend zijn, een verlengden snuit met stompe spits en lippen, die ver vooruitgestoken kunnen worden; zijn lang, vlokkig haar vormt in den nek manen en hangt ook aan de zijden ver naar beneden. Dat dit dier een vreemden indruk maakt, blijkt o.a. uit den naam Beerachtige Luiaard (Bradypus ursinus), waaronder het voor ’t eerst beschreven werd. Door een schrijver werd het zelfs als “het naamlooze dier” aangeduid. In Europa werd de Lippenbeer tegen het einde van de vorige eeuw bekend; in het begin van deze eeuw werd hij voor ’t eerst levend naar hier gebracht.
De lengte van den Lippenbeer bedraagt, met inbegrip van het 10 à 12 cM. lange staartstompje, hoogstens 1.8 M.; de hoogte in de schoften is dan 85 cM. Op het breede en platte voorhoofd volgt de lange, smalle, spits toeloopende, slurfvormige snuit, die hoogst eigenaardige eigenschappen heeft. De neusvleugels zijn buitengewoon beweeglijk, maar worden in dit opzicht nog overtroffen door de lange, uiterst rekbare lippen. Reeds in den rusttoestand steken zij tamelijk ver voor de kaken uit; zij kunnen echter in sommige gevallen zoozeer verlengd, vooruitgestoken, samengevouwen en omgeslagen worden, dat zij een soort van buis vormen, die bijna geheel de rol van een slurf vervult. De lange, smalle en platte, van voren afgestompte tong, helpt mede tot het vormen en bruikbaar maken van deze buis, die het dier gebruikt niet alleen om voorwerpen van allerlei aard te grijpen en naar zich toe te trekken, maar ook om zich hieraan vast te zuigen. Overigens zijn aan den kop nog op te merken de korte, stomp toegespitste, rechtopstaande ooren en de kleine, scheef geplaatste oogen, welke eenigszins aan varkensoogen herinneren; men ziet echter van den geheelen kop maar zeer weinig, omdat zelfs de kort behaarde snuit grootendeels bedekt wordt door de in ’t oog loopend lange, borstelige haren van de kruin. Ook de staart is wegens de lange beharing onzichtbaar; terwijl de nog langere haren van den hals en den nek dichte, gekroesde, ruige manen vormen. In het midden van den rug vormen de hier dooreen gewarde haren gewoonlijk twee zeer groote verhevenheden, die er uitzien, alsof het dier een bult heeft. Het geheele voorste deel van het dier verkrijgt hierdoor een zeer wanstaltig voorkomen, dat nog belangrijk toeneemt door den plompen, loggen romp en de korte, dikke pooten. Zelfs de voeten zijn vreemdsoortig; de buitengewoon lange, scherpe en gekromde klauwen maken een bijzonder eigenaardigen indruk, waardoor men werkelijk aan den Luiaard herinnerd wordt. Ook het gebit krijgt door het vroegtijdig uitvallen van de snijtanden een uitzicht, dat tot vergissing aanleiding zou kunnen geven. De kleur van de grove haren is glanzig zwart; de snuit is grijs of vuil wit van kleur, op de borst komt een witte hoefijzervormige vlek voor. Soms hebben ook de teenen een zeer lichte kleur. De klauwen zijn in den regel witachtig hoornkleurig, de zolen echter zwart. De jongen onderscheiden zich van de ouden door geringere ontwikkeling van de manen aan den kop en de schouders, waardoor de betrekkelijk groote ooren duidelijker voor den dag komen; hunne klauwen zijn donkerder, de snuit is tot achter de ooren geelachtig bruin en de hoefijzervormige vlek op de borst geelachtig wit.
De Lippenbeer bewoont geheel Voor-Indië, bijna van den voet van den Himalaja af tot aan de zuidspits, bovendien Ceylon. Hij houdt van heuvelachtige gewesten en dsjungels, en is, hoewel er veel jacht op hem gemaakt wordt, ook thans nog een van de veelvuldigst voorkomende groote dieren van Indië; in enkele gewesten is hij trouwens zoo goed als uitgeroeid. Op Ceylon verbergt hij zich, naar Tennent bericht, in de dichtste wouden van de heuvelachtige landschappen aan de noordelijke en zuidoostelijke kust; op groote hoogte wordt hij even zeldzaam aangetroffen als in de vochtige laaglanden. In het gebied van Karetschie was hij gedurende een lang aanhoudende droogte zoo veelvuldig, dat de vrouwen de door hen zoo geliefde baden en wasschingen in de rivieren geheel moesten opgeven, daar zij niet alleen op het land, maar ook in het water Beren ontmoetten; in het water bevonden deze dieren zich zeer tegen hun zin; zij waren bij het drinken in den stroom gevallen en konden wegens hun logheid er niet weder uitkomen. Gedurende de heetste uren van den dag ligt onze Beer in door de natuur gevormde of door hem zelf gegraven holen, vooral tusschen rotsblokken aan heuvelhellingen en in ravijnen, verborgen. Ondanks zijn dichte en donkere beharing heeft hij niet veel last van de warmte. Gewoonlijk echter brengt de Beer de heetste uren van den dag in de een of andere koele schuilplaats door en komt eerst ’s nachts te voorschijn; toch ziet men hem ook wel in de morgen- en avonduren. Zijne zinnen zijn, met uitzondering van den reuk, in ’t geheel niet scherp; hij hoort en ziet zoo slecht, dat het volstrekt niet moeielijk is, hem tot op zeer korten afstand te bekruipen. Hij klimt zeer goed in de rotsen; niet zelden laat hij zich, wanneer hij een schot hoort, of op een andere wijze verschrikt wordt, hals over kop van een steile helling afrollen; ditzelfde doen echter ook andere Beren.
Het voedsel van den Lippenbeer bestaat bijna uitsluitend uit plantaardige stoffen en kleine, vooral Ongewervelde dieren; naar men zegt, gebruikt hij slechts nu en dan eieren en kleine Vogels. Alle berichtgevers verzekeren echter eenstemmig, dat hij geen grootere dieren tracht buit te maken; wel zal hij soms doode dieren verslinden. Sanderson en Mc. Master vermelden ieder één dergelijk geval; den eenen keer betrof het een door een schot gedood hertje, een anderen keer een door een Tijger gedooden Os. De jongen, die in gevangenschap grootgebracht zijn, lusten echter graag vleesch, om ’t even of het gekookt of rauw is. Verscheidene soorten van wortels en vruchten, de sappige bloemen van den moria-boom (Bassia latifolia), die voor vele dieren een lekkernij zijn, raten uit Bijennesten, zoowel wanneer zij met honig gevuld zijn, als wanneer zij jonge dieren bevatten, rupsen, Slakken en Mieren vormen voornamelijk zijn voedsel; zijne lange gekromde nagels bewijzen hem zeer goede diensten bij het zoeken en opgraven van wortels en bij het openwoelen van Mierennesten. Hij vernielt er zelfs de stevige woningen van de Termieten mede, en richt dan onder deze dieren een groote slachting aan. Sanderson verhaalt ook, dat de Lippenberen in vele gewesten trouw de boschjes van Wilde Dadelpalmen bezoekt, wanneer men er het sap uit aftapt, om er wijn van te maken. Zij beklimmen de 6 à 8 M. hooge stammen tot in de toppen, waar de potten hangen, waarin men het sap opvangt, en kantelen de gevulde potten met een poot zoover om, dat zij er den inhoud uit kunnen slurpen. Men zou hun wel eenige liters van dit vocht willen geven, als zij bij hunne onhandige rooverijen niet zooveel potten braken. De benadeelde inboorlingen beweren, dat de wijnroovers het niet de moeite waard achten weer naar beneden te klauteren, maar zich eenvoudig op den grond laten vallen, en ook, dat zij zich maar al te vaak een duchtigen roes verschaffen.
Tennent’s berichten over den aard van den Lippenbeer worden door latere mededeelingen niet in alle opzichten bevestigd. In Oost-Indië verhaalt men, dat hij de Zoogdieren en ook de menschen op de wreedaardigste wijze martelt, voordat hij ze verslindt. Hij omvat zijn buit stevig met de armen en klauwen, om hem vervolgens op zijn gemak en onder voortdurend zuigen met de lippen lid voor lid te verbrijzelen. Gewoonlijk ontwijkt hij de menschen die in zijn nabijheid komen, maar zijn langzaamheid verijdelt niet zelden zijn poging om te vluchten, en nu gaat hij uit vrees, en met het doel om zich te verdedigen, tot den aanval over. Zijn aanval is in zulke omstandigheden zoo gevaarlijk, dat de Singaleezen hem als een der gevaarlijkste Roofdieren beschouwen. Sanderson schrijft: “De Lippenberen zijn voor ongewapende menschen niet ongevaarlijk. De houthakkers en andere menschen, die in wouden en dsjungels hun beroep uitoefenen, worden niet zelden leelijk door hen toegetakeld. Evenals alle wilde dieren zijn zij het gevaarlijkst, wanneer men ze onverwachts ontmoet, omdat zij dan allicht door vrees en schrik tot den aanval genoopt worden.”
De jacht op dezen Beer heeft op verschillende wijzen plaats. Men volgt hem na, wanneer men zijn spoor ziet, dat des morgens in het met dauw bedekte gras en in de struiken duidelijk waarneembaar is; men gaat in hinderlaag liggen in de nabijheid van zijn schuilplaats, en wacht hem op, als hij van zijne nachtelijke rooftochten terugkeert; men laat ten slotte gedeelten van den dsjungel, waar men Beren heeft gezien, of hun aanwezigheid vermoedt, door drijvers afkloppen, en schiet de dieren, zoodra zij zich vertoonen.
Dikwijls heeft men de Lippenberen in gevangenschap kunnen waarnemen zoowel in Indië als in Europa. In zijn vaderland trekken kunstenmakers en dierenleiders partij van zijn leerzaamheid en richten hem, evenals onzen Bruin, tot het verrichten van allerlei kunstjes af. Men voedert hem met melk, brood, ooft en vleesch; de ervaring heeft geleerd, dat hij aan brood en ooft duidelijk de voorkeur geeft boven ander voedsel. Hij wentelt zich, als een slapende Hond ineengerold, van de eene zijde op de andere, springt in ’t rond, buitelt over den kop, gaat op de achterpooten staan, en vertrekt zijn gezicht op de zonderlingste wijze, als hem het een of ander stuk voedsel wordt gegeven. Bovendien heeft hij een betrekkelijk goedaardig, vriendelijk en oprecht uiterlijk.
Drie merkwaardige dieren van Oost-Azië vereenigen wij tot de tweede onderfamilie van de Beren, welker leden wij Katberen (Ailurinae) zullen noemen. Deze vormen een overgang van de Groote Beren tot de Civetkatten, en onderscheiden zich vooral door hunne voeten, welker behaarde zolen en meer of minder terugtrekbare klauwen eenigszins aan die van de Katten herinneren.—
De eerste plaats in deze onderfamilie komt toe aan de voor ruim 20 jaren door David ontdekte Kattenpootbeer (Ailuropus melanoleucus), daar hij als ’t ware het midden houdt tusschen de Groote Beren en de leden van het volgende geslacht. Hij is kleiner dan onze Gewone Landbeer, van ’t puntje van den staart tot aan de spits van den snuit ongeveer 1.5 M. lang. Zijne breede zolen zijn behaard en komen niet over hun geheele lengte met den grond in aanraking. De kop heeft een korten snuit en is naar verhouding breeder dan bij eenig ander Roofdier. Hij heeft een dichte, beerachtige vacht, die grootendeels wit is; zwart van kleur zijn een ring om de oogen, de ooren, de voorpooten tot aan de schoften, de achterpooten en de spits van den staart.—Van de levenswijze van dit dier in den natuurstaat is nagenoeg niets bekend. Het bewoont de ontoegankelijkste wouden van de gebergten van Oost-Tibet.
*
De vertegenwoordiger van het tweede geslacht der onderfamilie, de Panda of Roode Katbeer (Ailurus fulgens), houdt in sommige opzichten het midden tusschen den Kattenpootbeer en de Binturong. Zijn romp schijnt wegens de dichte en zachte vacht plomper dan hij is; de lang behaarde kop is zeer breed en kort, de snuit eveneens; de lange staart is slap en ruig behaard, ziet er derhalve zeer dik uit; de ooren zijn klein en afgerond, de oogen klein; de korte pooten hebben dicht behaarde zolen, die slechts met de voorste helft den grond aanraken, en korte teenen met sterk gekromde klauwen. In grootte stemt de Panda ongeveer met een forschen kater overeen. Het haarkleed is dicht en lang, aan de bovendeelen schel en schitterend donkerrood gekleurd, aan den rug met een licht goudgeel waas overtogen, omdat hier de haren in gele spitsen eindigen; de onderdeelen zijn glanzig zwart, zoo ook de pooten, met uitzondering van een donker kastanjeroode dwarsstreep over de buiten- en voorzijde; de staart is vuurrood, met onduidelijke, lichtere, smalle ringen.
De Panda bewoont de zuidoostelijke gedeelten van den Himalaja van ongeveer 2000 tot 4000 M. hoogte. Van het leven van dit even fraai gekleurde als sierlijke dier is niet veel bekend. Bij paren of familiën komt hij in de wouden voor, beklimt de boomen en kiest de daarin voorkomende holten of de kloven in de rotsen tot woonplaats; hij begeeft zich echter ook veel op den bodem om voedsel te zoeken. Dit bestaat bijna uitsluitend uit plantaardige stoffen; af en toe plundert hij, naar men zegt, de Vogelnesten; ook eet hij Insekten.
*
Het laatste geslacht van de onderfamilie wordt vertegenwoordigd door den Binturong (Arctitis binturong). Deze is grooter dan de Panda: zijn lengte bedraagt 1.35 à 1.5 M., waarvan bijna de helft op den zeer langen rolstaart komt. De romp is krachtig, de kop dik, de snuit verlengd; de pooten zijn kort en gespierd; de voeten hebben naakte zolen, en vijf teenen, die met tamelijk stevige, een weinig terugtrekbare klauwen gewapend zijn. Een dichte, tamelijk lang- en ruigharige vacht bekleedt den romp en den staart; alleen aan den snuit en de pooten is zij kortharig. De korte, afgeronde ooren zijn met haarkwastjes voorzien. Dikke, witte snorharen aan beide zijden van den snuit omgeven het gelaat als met een stralenkrans. De kleur van het haar is dof zwart, aan den kop vertoont het een grijsachtige, aan de ledematen een bruinachtige tint.
Het verbreidingsgebied van den Binturong omvat Borneo, Java, Sumatra, het Maleische Schiereiland, Tenasserim, Arakan, Assam en Siam. Ook van dit dier is van de levenswijze in den natuurstaat tot dusver zeer weinig bekend. Het leidt een nachtelijk leven, houdt zich vooral in boomen op, en is langzaam in zijne bewegingen. Het is een alleseter, en versmaadt zoomin kleine Zoogdieren, Vogels, Visschen, Wormen en Insekten, als vruchten en andere plantaardige voedingsmiddelen. Daar het eenzame bosschen bewoont en verborgen leeft, ziet men het zelden. Zijn stem bestaat, naar men zegt, uit een luid gehuil. Hoewel de Binturong woest en kwaadaardig van natuur is, worden exemplaren, die jong in gevangenschap geraken, schielijk tam en zijn even zachtmoedig als speelsch.
In een derde onderfamilie vereenigen wij een aantal middelmatig groote, tot Amerika beperkte leden van de Berenfamilie, n.l. de Kleine Beren (Procyoninae).
Het geslacht der Waschberen (Procyon) onderscheidt zich door de volgende kenmerken: De bouw van den romp is gedrongen, de kop van achteren zeer verbreed, de snuit kort; de groote oogen liggen dicht bij elkander, de groote, afgeronde ooren zijn geheel aan de zijden van den kop geplaatst; de pooten zijn betrekkelijk hoog en dun, de voeten hebben onbehaarde zolen, middelmatig lange, slanke teenen en tamelijk forsche, zijdelings samengedrukte klauwen; de staart is lang, de beharing overvloedig, lang en sluik.
De Gewone Waschbeer of Schoep, de Raccoon der Amerikanen (Procyon lotor) bereikt, bij 65 cM. romplengte en 25 cM. staartlengte, een schouderhoogte van 30 à 35 cM. De vacht is geelachtig grijs, met zwart gemengd. Witachtig grijs is een bundel haren in de oorstreek, die achter het oor door een bruinzwarte vlek begrensd wordt; de zijden van den snuit en de kin hebben een gelijke kleur. Van het voorhoofd tot aan het puntje van den neus en om het oog strekken zich zwartbruine strepen uit; boven de oogen begint een geelachtig witte streep, die tot naar de slapen loopt. De voeten zijn bruinachtig geelgrijs, de lange haren van het onderbeen en van den voorarm zijn zeer donker bruin. De grijsachtig gele staart is met zwartbruine ringen geteekend en eindigt in een zwartbruine spits. Geen van deze kleuren steekt sterk bij de andere af; gezamenlijk brengen zij reeds op geringen afstand den indruk van grijs te weeg, welke kleur even goed bij die van de boomschors als bij die van den met versch of droog gras begroeiden bodem past.
Het vaderland van den Waschbeer is Noord-Amerika, men vindt hem hier niet alleen in het zuiden, maar ook in het voor den pelterijhandel zoo belangrijke noorden, van welk gebied hij althans de zuidelijkste streken bewoont. Tegenwoordig is hij in de bewoonde gewesten wegens de aanhoudende vervolgingen, waaraan hij blootstaat, veel zeldzamer geworden, dan hij vroeger was; ook van hier heeft men hem echter niet geheel kunnen verdrijven. In het binnenland, vooral in de met bosch bedekte streken, komt hij nog in menigte voor. Het liefst houdt hij zich op in wouden met rivieren, meren en beken. In den regel begint hij eerst te jagen, als de schemering invalt, en brengt hij den dag slapend door, zoolang de zon helder schijnt, rust hij in holle boomen, of op dikke, bebladerde boomtakken; op plaatsen, waar hij in ’t geheel niet gestoord wordt, heeft hij echter geen bijzonderen jachttijd, maar zwerft zoowel over dag als ’s nachts door zijn uitgestrekt gebied.
De Waschbeer is een wakker, bevallig dier, dat door zijne groote vlugheid en lenigheid een aangenamen indruk maakt. Als hij onverschillig voortslentert, houdt hij den kop omlaag, kromt den rug naar boven en sluipt in schuinsche richting tamelijk langzaam over den weg; zoodra hij echter een ontdekking doet, die hem belangstelling inboezemt, b.v. als hij een spoor vindt of een argeloozen buit opmerkt, verandert zijn voorkomen geheel. Het ruige vel wordt glad, de breede ooren worden gespitst, loerend gaat hij op de achterpooten staan, vervolgt daarna vlug huppelend of loopend zijn weg, of klimt met een behendigheid, die men niet van hem verwacht zou hebben, niet alleen bij schuins geplaatste en loodrechte stammen naar boven, maar ook over horizontale takken, zoowel langs de bovenzijde als langs de onderzijde. Dikwijls ziet men hem als een Luiaard of een Aap met geheel naar onderen hangend lichaam schielijk langs horizontale takken voortloopen, en zonder te missen, sprongen doen van den eenen tak op den anderen, waaruit een ongewone meesterschap in ’t klimmen blijkt. Ook op den grond is hij volkomen thuis, hij weet zich door sprongen, waarbij hij alle vier pooten tegelijk op den grond zet, zeer snel voort te bewegen. Zijn karakter heeft iets aapachtigs. Hij is vroolijk, opgewekt, nieuwsgierig, plaagzuchtig en belust op allerlei dolle streken, maar ook moedig als het noodig is, en bij het bekruipen van zijn prooi listig als een Vos. Met zijne soortgenooten leeft hij in zeer goede harmonie; zelfs als hij oud is, speelt hij uren achtereen met andere dieren van zijn soort, in de gevangenschap zelfs met ieder dier, dat met hem spelen wil.
De Waschbeer eet alles wat eetbaar is; toch is hij naar ’t schijnt, een fijnproever, die, als de gelegenheid zich voordoet, altijd de beste stukken voor zichzelf weet uit te zoeken. Het plantenrijk verschaft hem uitmuntende voedingsmiddelen: ooft van allerlei soort, kastanjes, wilde druiven, maïs, zoolang de kolven nog week zijn; hij zoekt echter ook de Vogels in hunne nesten op, weet listig een Hoen of een Duif te bekruipen, verstaat meesterlijk de kunst om zelfs het verborgenste nest op te sporen, en doet zich dan tegoed aan de eieren, die hij verbazend behendig weet te openen en te ledigen, zonder iets van hun inhoud verloren te laten gaan. Niet zelden dringt hij in de tuinen en woningen door met het doel om Hoenderen te rooven en hunne nesten te plunderen; om deze reden staat hij bij de “farmers” in geen goeden reuk. Zelfs het water moet hem schatting betalen. Behendig vangt hij Visschen, Kreeften en Schelpdieren; ter wille van deze lekkernijen waagt hij zich bij ebbe dikwijls ver in de zee. De dikke larven van sommige Kevers zijn, naar het schijnt, een waar gastmaal voor hem; Sprinkhanen weet hij zeer behendig te vangen. Hij heeft de eigenaardigheid zijn voedsel vooraf in het water te dompelen, en het tusschen zijne voorpooten te wrijven, alsof hij het afwaschte. Dit doet hij echter alleen dan, als hij niet bijzonder hongerig is; als dit wel het geval is, laten de eischen van de maag hem waarschijnlijk geen tijd voor de overigens zoozeer door hem geliefde, spelender wijs verrichte bezigheid, waaraan hij zijn naam te danken heeft.
In Mei werpt het wijfje hare 4, 5 of 6 zeer kleine jongen op een tamelijk zorgvuldig samengesteld leger in een hollen boom.