Gewone Waschbeer (Procyon lotor). ⅛ v. d. ware grootte.
De Waschbeer wordt niet alleen wegens zijn goede pels vervolgd, maar ook uit zuivere lust voor de jacht opgezocht en gedood. Wanneer men alleen zijn vel verlangt, vangt men hem gemakkelijk in klemmen en vallen van allerlei soort, die met een Visch of een stukje vleesch als lokaas voorzien zijn. Minder eenvoudig is de jacht op dit dier. De Amerikanen geven zich met een waren hartstocht aan dit vermaak over, en dit wordt begrijpelijk, als men hunne jachtverhalen leest. Men jaagt hem namelijk niet over dag, maar des nachts, met behulp van Honden en bij fakkellicht. Als de Raccoon zijn eenzaam leger verlaten heeft, en met zachte, onhoorbare schreden door het kreupelhout glijdt, als het overigens in het woud zeer stil geworden is onder den invloed van den nacht, gaan de jagers en de Honden op weg. Een goede, ervaren Hond volgt het spoor, en de geheele troep rent den nu vluchtenden, behendigen Beer na, die eindelijk met aapachtige snelheid in een boom klimt, en zich hier in de donkerste gedeelten van de kroon tusschen de takken tracht te verbergen. Beneden om den boom vormen de Honden een kring, blaffend en huilend; boven ligt het vervolgde dier op zijn gemak uit te rusten, gedekt door den donkeren mantel van den nacht. Daar komen de jagers aan. De fakkels worden op een hoop geworpen, met droog hout, harsrijke takken, pijnkegels en andere brandstoffen bedekt, zoodat plotseling onder den boom een flink vuur ontbrandt, welks vlammen in den omtrek een tooverachtig licht verbreiden. Nu begeeft een in ’t klimmen ervaren persoon zich in den boom, en neemt boven in de takken de taak van de Honden over. De mensch en de aapachtige Beer klauteren in de kroon van den boom rond, totdat eindelijk de Raccoon zich op een heen en weer wiegelenden tak begeeft, in de hoop een anderen boom te zullen bereiken. Zijn vervolger snelt hem na zoo ver hij kan, en begint plotseling den tak met geweld te schudden. Het beklagenswaardige dier moet zich nu stevig vasthouden, om niet op den grond geslingerd te worden. Doch dit helpt hem niets. Nader en nader komt zijn vijand, steeds moeielijker wordt het den Beer om zich vast te houden, een misgreep, en in duizelende vaart stort hij naar beneden. Een jubelend geblaf van de Honden begeleidt zijn val, en wederom begint de jacht met vernieuwden ijver. Wel doet de Waschbeer nog een- of tweemaal een poging om aan de Honden te ontkomen, en beklimt daartoe nogmaals een boom; eindelijk echter wordt hij de buit van zijne jachtlustige, viervoetige tegenstanders, en blaast onder hunne beten den laatsten adem uit.
Een jong gevangen Waschbeer wordt gewoonlijk zeer spoedig en in hooge mate tam. Door zijne gezelligheid en vroolijkheid, door de ongedurigheid die hem eigen is, door zijn nimmer ophoudenden lust tot beweging, als ook door zijn potsierlijk aapachtig voorkomen, verschaft hij allen, die hem nagaan, een aangenaam tijdverdrijf. Hij is zeer gesteld op liefkoozingen, maar toont toch nimmer een groote gehechtheid. Tot grappen maken en spelen is hij dadelijk bereid, en knort intusschen zachtjes van pret, evenals jonge Honden in dit geval gewoon zijn te doen. Zijne handelingen herinneren in ieder opzicht aan de gebaren der Apen. Altijd weet hij zich ergens mede bezig te houden; niets van ’t geen in zijn omgeving gebeurt, ontgaat hem. Bij zijne wandelingen door huis en hof, voert hij veel kattekwaad uit. Alles wil hij onderzoeken, overal van snoepen, in de proviandkast zoowel als op het erf en in den tuin.
“Tot de meest in ’t oog loopende eigenschappen van den Waschbeer,” schrijft L. Beckmann, “behooren zijne grenzenlooze nieuwsgierigheid en hebzucht, zijn eigenzinnigheid en de lust om alle hoeken en gaten te doorsnuffelen. Een scherpe tegenstelling hiermede vormen zijne koelbloedigheid, zelfbeheersching en humor. De voortdurende strijd tusschen deze eigenaardigheden levert, zooals licht te begrijpen is, dikwijls de vreemdsoortigste uitkomsten op. Zoodra hij inziet, dat het hem onmogelijk is, zijn doel te bereiken, maakt de vurigste nieuwsgierigheid onmiddellijk plaats voor een doffe onverschilligheid; even plotseling wordt hardnekkige eigenzinnigheid door berusting en handelbaarheid gevolgd. Omgekeerd gaat hij uit trage lusteloosheid dikwijls geheel onverwachts, na een buiteling, tot de uitgelatenste vroolijkheid over; in weerwil van al zijne zelfbeheersching en schranderheid begaat hij soms de domste streken, zoodra slechts zijn begeerigheid geprikkeld is.”
“In de talrijke ledige uren, die iedere gevangene Waschbeer heeft, doet hij allerlei kunstjes om de verveling te verdrijven. Soms zit hij op zijne achterpooten in een eenzamen hoek, en is met een zeer ernstige uitdrukking op zijn gelaat bezig, zich een stroohalm over den neus te binden, soms speelt hij, schijnbaar in diep gepeins verzonken, met de teenen van een zijner achterpooten of grijpt naar de heen en weer slingerende spits van zijn langen staart. Een andere maal ligt hij op den rug, heeft zich een grooten hoop hooi of dorre bladen op den buik gestapeld en tracht nu deze losse massa neer te drukken door zijn staart met de voorpooten stijf daarover heen te trekken. Als hij bij het metselwerk kan komen, krabt hij met zijne scherpe nagels de kalk uit de voegen, en richt in korten tijd een ongeloofelijke verwoesting aan. Evenals Jeremia op de puinhoopen van Jerusalem, zit hij dan midden op zijn puinhoop, kijkt met een somberen blik om zich heen, en licht, uitgeput door den zwaren arbeid, met de voorpooten zijn halsband op.
“Na een langdurige droogte kan hij bij ’t zien van een gevulde watertobbe in geestvervoering geraken; hij doet dan alle mogelijke moeite om er bij te komen. Als hem dit gelukt is, onderzoekt hij vooraf voorzichtig hoe hoog het water in de tobbe staat, want alleen de pooten dompelt hij graag in het water, om spelender wijs verschillende voorwerpen af te wasschen; hij zelf houdt er volstrekt niet van, tot aan den hals in ’t water te staan. Als het onderzoek een bevredigende uitkomst heeft opgeleverd, begeeft hij zich met zichtbaar welgevallen in het natte element, en tast op den bodem rond naar het een of ander voorwerp, dat hij zou kunnen wasschen. Een oor van een gebroken pot, een stukje porselein, een slakkenhuis zijn gewilde zaken en worden dadelijk onder handen genomen.
“De bedoelde Waschbeer had met een grooten Patrijshond een verbond van vrede en vriendschap gesloten. Hij liet zich gaarne met hem samenkoppelen en beide volgden hun meester op den voet, terwijl de Waschbeer alleen, zelfs aan de lijn, steeds zijn eigen weg wilde gaan. Zoodra hij ’s morgens van zijn ketting bevrijd werd, sprong hij vroolijk heen, om zijn vriend op te zoeken. Op de achterpooten staande omvatte hij den hals van den Hond met zijne lenige voorpooten, en vleide zijn kop zeer teeder tegen dien van zijn vriend; daarna betastte hij dezen nieuwsgierig aan alle zijden. Het scheen, dat hij dagelijks nieuwe schoonheden aan hem ontdekte en bewonderde. Wanneer er bijgeval het een of ander haperde aan de gladheid van het haarkleed, trachtte hij dit gebrek dadelijk weg te likken of te strijken.
“Met de kleine bijtlustige Dashonden bemoeide hij zich niet graag; toch kon hij soms geen weerstand bieden aan den inval om zulk een krompoot van boven af te omarmen. Zoodra de streek gelukt was, maakte hij van pret een hoogen bokkesprong achteruit en hapte intusschen in de lucht tusschen de twee uitgebreide voorpooten door naar den geringden, heen en weer slingerenden staart.
“Kleine Zoogdieren en Vogels van iedere soort viel hij moordzuchtig aan; het was uiterst moeielijk hem zulk een prooi te ontrukken. Muizen, Ratten en dergelijke dieren doodde hij door een snellen beet in den nek, en verslond ze met huid en haar, omdat hij, hoe hij ook rukte en wreef, niet goed klaar kon komen met het afstroopen van hun vel.”
Een op de jacht gedoode Waschbeer levert een niet onbelangrijk voordeel op. Zijn vleesch wordt niet slechts door de oorspronkelijke bewoners van Amerika en door de negers, maar ook door de blanken gegeten, en zijn vel brengt een goeden prijs op; pelswerk van Waschberen is een zeer gezocht artikel. Van de bovenharen maakt men goede penseelen, van het wolhaar vilt voor hoeden, de geheele staart wordt als “boa” gebruikt.
Een tweede soort, de Krabben-Waschbeer of Aguara (Procyon cancrivorus), vertegenwoordigt het geslacht in Zuid-Amerika, waar hij vooral in de landen langs de oostkust voorkomt. Hij staat een weinig hooger op de pooten dan de Raccoon, is grijsachtig zwart of geelachtig grijs van kleur, aan de onderzijde lichter, met een geelachtig geringden, ruigen staart en donkerkleurig aangezicht; boven ieder oog bevindt zich een lichte vlek.
*
In een natuurlijke volgorde geplaatst met hunne verwanten, komen de Neusberen (Nasua) in de nabijheid van de Waschberen te staan. Zij zijn gemakkelijk herkenbaar aan hun gerekten, slanken, bijna marterachtigen romp, met korten hals en langen, spitsen kop, hun dicht behaarden staart, welks lengte die van het overig lichaam evenaart en hunne korte, krachtige pooten met breede voeten en naakte zolen. Het meest in ’t oog loopende kenteeken van deze dieren is de neus. Hij verlengt zich bij wijze van een slurf tot ver voorbij de mondspleet en heeft scherpkantige, gezwollen randen. De ooren zijn kort en afgerond, de heldere oogen middelmatig groot, de vijf onderling bijna geheel vergroeide teenen zijn met lange en spitse, maar weinig gekromde nagels gewapend. Het gebit gelijkt op dat van den Waschbeer, de tanden zijn echter een weinig slanker.
Van de vele soorten, waarin het geslacht der Neusberen door sommige natuuronderzoekers verdeeld werd, worden tegenwoordig slechts twee als goed gekenmerkt beschouwd. Vroeger onderscheidde men meer soorten, omdat deze dieren in sommige opzichten nogal uiteenloopen, en ook, zooals Hensel overtuigend heeft aangetoond, al naar hun leeftijd in levenswijze verschillen. De Prins von Wied onderscheidde in Brazilië twee soorten, de gezellige en de eenzame Neusbeer. Volgens Hensel’s onderzoekingen vertoonen deze beiden vormen echter geen soortverschil; de “eenzame” Neusberen zijn eenvoudig brommige, oude mannetjes, die zich van de in troepen levende “gezellige” afgescheiden hebben. Anders is het gesteld met de beide soorten, die hieronder genoemd worden.
De bekendste soort van het geslacht is de Coati, in Guyana Koeassie genoemd, die wij meer bepaaldelijk Neusbeer zullen noemen (Nasua rufa), en wiens verbreidingsgebied zeer groot is, daar het zich van de noordkust van Zuid-Amerika tot aan Paraguay uitstrekt. In ’t geheel is hij, met inbegrip van den ongeveer 45 cM. langen staart, 100 à 105 cM. lang; de schouderhoogte bedraagt 27 à 30 cM. Het dichte en tamelijk lange, maar niet vlokkige haarkleed bestaat uit stijve, grove, glanzige bovenharen, die zich aan den staart verlengen, en uit kort, zacht, eenigszins gekroesd wolhaar, dat vooral op den rug en aan de zijden dicht bijeenstaat. De grondkleur, die op den rug tusschen rood en grijsachtig bruin afwisselt, gaat aan de onderzijde in een geelachtige tint over; het voorhoofd en de kruin zijn geelachtig grijs, de lippen wit, de ooren aan de achterzijde bruinachtig zwart, aan de voorzijde grijsachtig geel. Een ronde, witte vlek komt boven ieder oog voor, een andere aan den buitensten ooghoek; twee dikwijls ineenvloeiende vlekken staan onder het oog; een witte streep loopt langs den wortel van den neus naar beneden. De staart is met ringen geteekend, die bij afwisseling bruinachtig geel en zwartachtig bruin zijn.
De Witsnuitbeer (Nasua narica) van Middel-Amerika moet, volgens Hensel, als een afzonderlijke soort worden beschouwd. In grootte komt hij met den Coati overeen en ook zijn kleur herinnert over ’t algemeen aan dezen. De vacht is aan de bovenzijde meer of minder donker, al naar de lichte kleur van de haarspitsen meer op den achtergrond treedt of duidelijker zichtbaar wordt. Een ring om ’t oog, een boven het oog beginnende, naar het puntje van den neus gerichte streep, de boven- en de onderzijde van het voorste deel van den snuit zijn geelachtig wit; iets donkerder zijn de zijden van den hals en de keel; de overige onderdeelen zijn bruinachtig, de voeten geheel bruin.
Azara, Hensel, Rengger en de Prins von Wied hebben uitvoerige beschrijvingen gegeven van het leven van den Neusbeer in vrijen toestand.
“De Neusbeer,” zegt Hensel, “is in Brazilië zoo menigvuldig, dat ik niet minder dan 200 schedels van dit dier heb kunnen verzamelen. Door onderlinge vergelijking van deze schedels en door het veelvuldig nagaan van den Coati in vrijen toestand, ben ik tot de overtuiging gekomen, dat de oude mannetjes, die men als vertegenwoordigers van een bijzondere soort heeft beschouwd, van de overige alleen verschillen door hun eenzame levenswijze. Op een bepaalden leeftijd verlaten zij het gezelschap van de wijfjes, en keeren slechts in den paartijd tot hen terug. Nooit merkt men eenzaam levende wijfjes op; wanneer men een wijfje alleen ziet, is het misschien toevallig door de jacht van haar bende afgeraakt; het zou ook kunnen zijn, dat deze zich wel degelijk in de nabijheid bevindt, maar voor den jager verborgen bleef.
“De Neusberen zijn dagdieren; zij rusten des nachts, maar openbaren van den morgen tot den avond een rustelooze bedrijvigheid. Gedurende den dag zijn zij, naar het schijnt, onophoudelijk onderweg; zij steken dan hun neus in elke voor hen toegankelijke ruimte. Hun voedsel bestaat vermoedelijk uit een mengelmoes van allerlei aan het planten- en het dierenrijk ontleende eetwaren. Gaarne bezoeken zij de plantages om maïskolven te plukken, vooral zoolang de korrels nog week zijn.”
Kleine dieren van allerlei soort vallen hun ten buit, Insekten en hunne larven, Wormen en Slakken schijnen voor hen lekkernijen te zijn. Als zij een Worm in den bodem, een Kever-larve in het rottende hout opmerken, geven zij zich de grootste moeite deze prooi te overmeesteren; zij wroeten ijverig met de voorpooten, steken van tijd tot tijd den neus in het door hun gegraven gat, en speuren, zooals onze Honden doen, wanneer zij op het veld de Muizen vervolgen, totdat zij hun doel eindelijk bereikt hebben. Onder geschreeuw en gefluit, gegraaf en gewroet, geklauter en getwist gaat de morgen voorbij; als het heeter wordt in ’t bosch, maakt de bende aanstalten om een geschikte plaats voor een middagslaapje te vinden. Zoodra een gunstig gelegen boom of een schaduwrijk heesterboschje gevonden is, gaat ieder hunner zoo gemakkelijk mogelijk op een tak liggen en dut in. Des namiddags wordt de reis voortgezet, die tegen den avond door de zorg voor een goede slaapplaats op nieuw afgebroken wordt. Als de Coatis een vijand bemerken, geven zij hunne metgezellen hiervan onmiddellijk kennis door luide, fluitende geluiden en klimmen ten spoedigste in een boom; alle overige volgen dit voorbeeld; in een oogwenk is het geheele gezelschap over de takken van de kroon verdeeld. Als men ze achternaklimt, of eenvoudig stoort door met een bijl hevig tegen den stam te slaan, gaan zij verder buitenwaarts naar de spits van den tak, springen vandaar naar beneden en nemen de vlucht. Als zij niet gestoord worden, gaan zij met den kop naar onderen gericht van den stam af. Zij draaien daarbij de achterpooten naar buiten en naar achteren en klemmen zich hiermede vast aan den stam. Op de takken begeven zij zich voorzichtig verder; sprongen, zooals de Apen doen, b.v. van den eenen boom naar den anderen, vallen niet in hun smaak, hoewel zij er toe in staat zijn; want in behendigheid evenaren zij ongeveer de Apen en de Katten. Veel logger dan in de takken der boomen zijn hunne bewegingen op den grond. Op den vlakken bodem stappen zij en houden den staart loodrecht omhoog gericht, of maken korte sprongen; hunne zolen komen hierbij altijd slechts voor de helft met den grond in aanraking. Alleen als zij staan, of zich op de achterpooten verheffen, rusten de voeten op de geheele zool. Hun beweging op den bodem schijnt zeer onbeholpen, hoewel zij met vrij groote snelheid galoppeeren. Naar het schijnt, zijn zij bang voor ’t water, waarin zij zich alleen in den hoogsten nood begeven; zij zijn echter voldoende ervaren in het zwemmen om rivieren en stroomen te kunnen overtrekken.
Onder hunne zinnen neemt de reuk ongetwijfeld een eerste plaats in, daarop volgt het gehoor, terwijl het gezicht, de smaak en het gevoel betrekkelijk zwak zijn. Des nachts kunnen zij niet zien, over dag is hun gezichtsvermogen niet bijzonder goed; het gevoel zetelt, naar het schijnt, bijna uitsluitend in den slurfvormigen neus, die tevens hun voornaamste tastwerktuig is.
Naar Rengger bericht, werpt de in vrijheid levende Neusberin in October 3 à 5 jongen in een hollen boom, in een gat van den grond, in een met dicht struikgewas begroeide kloof of in een anderen schuilhoek. Hier houdt zij haar kroost zoolang verborgen, totdat het haar op al hare zwerftochten kan volgen.
Bij het teekenen van de Neusberen-familie in den Breslauer dierentuin deed Mützel de volgende ervaringen op: “De eerste indruk, dien het geheele gezelschap op mij maakte, was hoogst eigenaardig. In de diepste stilte verzorgde de moeder hare jongen. Zij zat of liever lag op het breede gedeelte van ’t heiligbeen op haar strooleger; hare uiteengespreide achterpooten waren naar voren gericht; de rug leunde tegen den wand van ’t hok; zij besnuffelde en belekte hare kinderen, die den buik van het oude dier bedekten en ijverig zogen. Van de moeder zag men niet anders dan het aangezicht en de voorpooten, terwijl de vijf met ringen geteekende staarten van de jongen, ieder uit een bruinen haarbal ontspringend, straalswijs de moeder omkransten. Weldra echter kwam er verandering van tooneel. Mijn tegenwoordigheid leidde de aandacht van de moeder van hare jongen af. Nieuwsgierig stond zij van haar leger op, en trachtte haar nakomelingschap te bewegen de tepels los te laten; deze bleven er echter aan vastgehecht op één na; het zuigend kroost werd dus langs den bodem meegesleept naar het traliewerk; het eene jong, dat losgelaten had, maar nog slaapdronken voor haar uitwaggelde, schoof zij eenvoudig op zij. Eerst na een geruimen tijd, die door de moeder besteed werd om mij terdeeg te bekijken, ontwaakte ook in de jongen het besef, dat er iets buitengewoons aan de hand moest zijn; zij hielden op, de oude lastig te vallen, en maakten op hun beurt kennis met mij, waardoor ik in staat werd gesteld, ze aan alle zijden te beschouwen. In weerwil van hunne echt jeugdige vormen hebben zij geheel de kleur van de volwassen dieren, juist daardoor krijgen hunne gezichten een hoogst komieke uitdrukking. De glanzig zwarte neus, die voortdurend in snuffelende beweging is, het lange aangezicht, de schitterende, onschuldige, zwarte, op parels gelijkende oogen, die nog niet door witte neus-strepen, maar door een kring van 3 of 4 lichte vlekken, met bruine gedeelten er tusschen, zijn omgeven, de wangen, die een wit en bruin getakte teekening vertoonen, de gewelfde kruin, met de middelmatig groote, witte ooren, die voortdurend in beweging zijn, het beerachtig afgeronde lichaam, de lange, ruige, met ringen geteekende, omhoog gedragen staart vormen een vreemdsoortig, potsierlijk geheel, vooral als de dieren loopen of klimmen. Al hunne bewegingen zijn komiek, half schroomvallig, half flink, en boeien voortdurend de aandacht van den toeschouwer, die zich door de buitengewoon goedaardige en argelooze gelaatsuitdrukking van deze kleine dieren ten zeerste tot hen aangetrokken gevoelt.
“Maar ik wilde iets nieuws zien en hield daarom de moeder een Muis voor. Vlug als de wind kwam zij er op af, beet het diertje eerst hevig in den kop, hoewel het reeds dood was, legde het daarna voor zich op den grond en begon, terwijl zij den buit met de voorpooten vasthield, aan het achtereinde te eten. Dit bevreemdde mij. De oppasser zeide mij echter, dat de Neusberen gewoonlijk hun prooi bij het achtereinde begonnen te verslinden en niet zooals andere dieren aan het kopeinde. Bij het tweede gerecht, een doode Rat, vond ik deze mededeeling volkomen bevestigd. Ook de Rat kreeg een beet in den kop, werd daarna beroken en van achteren af verslonden; op den staart volgden de pooten, daarna het overige deel van den romp, terwijl de kop voor ’t laatst bewaard bleef. De Muis was na weinige seconden verdwenen, het verslinden van de Rat hield echter langer aan. Zooals te verwachten was, gaven de jongen het verlangen te kennen om aan den maaltijd deel te nemen. De moeder liet dit echter niet toe. Misschien achtte zij dit voedsel nog niet geschikt voor hare kinderen, waarschijnlijk echter dacht zij alleen aan zichzelf; in allen gevalle zij snauwde hare jongen driftig af, duwde ze naar rechts en naar links op zijde, en smeet ze, toen zij bleven aandringen, met de voorpooten zijwaarts en naar achteren uit den weg. De jongen waren dadelijk weer op de been, en omringden opnieuw de smullende moeder; zooals zij daar stonden vol belangstelling en verlangen toeziende, den snuffelenden neus onophoudelijk in beweging, alle vijf staartjes omhoog gericht, nu en dan op de wijze der Katten met het puntje van den staart kleine kringen beschrijvend—vormden zij een prachtige voorstelling van jeugdige begeerigheid. Eindelijk was het heerlijke gerecht verslonden, op een klein stukje na; ook dit was echter niet voor de jongen bestemd, maar werd in een voor hen onbereikbaar gat gebracht, ongeveer ½ M. boven den bodem, en met den langen, beweeglijken neus zoo goed mogelijk weggestopt. Verzadigd en zeer prettig gestemd stapte de moeder nu naar haar leger, en strekte zich hierop uit om rust te nemen, terwijl op den voorgrond het volgende vermakelijke schouwspel vertoond werd.
“De moeder had bij vergissing twee stukjes van ’t vel van de Rat laten liggen, en op deze armzalige overblijfselen van den maaltijd vielen de kleintjes met zooveel ijver en gretigheid aan, als ooit in een dergelijk geval getoond kan worden. Er ontstond een kibbelpartij, die mij tranen deed lachen. De vijf bonte aangezichten, de vijf wollige lichamen, de vijf omhoog geheven staarten geraakten in elkander verward en tuimelden over elkander heen, de clownachtige strijders liepen, vielen en buitelden over en door elkander, rolden over den vloer, huppelden over de lijdzame moeder heen, klommen den boom op en af, en deden dit alles met zulk een haast, dat het de grootste moeite kostte, een van hen voortdurend in ’t oog te houden.”
De blanke bewoners van Zuid-Amerika en Mexico maken hoofdzakelijk voor hun genoegen jacht op de Neusberen. Zij begeven zich in de bosschen met eenige Honden en laten door deze het verlangde wild opsporen. Bij het zien van de Honden vluchten de Neusberen luid schreeuwend op de naastbijgelegen boomen en de jagers, die hiervan door het geblaf hunner helpers in kennis worden gesteld, zijn nu in de gelegenheid om te toonen, dat zij goede schutters zijn. Om den Neusbeer naar beneden te doen tuimelen, moet men hem doodelijk treffen, want de gewonde dieren leggen zich meestal op een gaffelvormigen tak neder en kunnen slechts met groote moeite vandaar verwijderd worden. Een enkele Hond kan tegen een Neusbeer niet veel uitrichten. Vooral de eenzaam levende Neusbeer weet een goed gebruik te maken van zijne scherpe tanden; als de Hond hem op de hielen zit, draait hij zich moedig om, schreeuwt van woede en bijt duchtig om zich heen. In ieder geval verkoopt hij zijn leven duur genoeg en stelt niet zelden 5 of 6 Honden buiten gevecht, voordat hij voor de overmacht bezwijkt. Zijn vleesch wordt niet alleen door de inboorlingen, maar ook door de Europeanen gaarne gegeten.
Het is niet moeielijk een Neusbeer in gevangen staat in ’t leven te houden. Hij schikt zich in zijn lot, maar toont nimmer een bijzondere voorliefde voor zijn oppasser, hoe tam hij ook wordt. Evenals de Apen speelt hij met iedereen en ook met zijne huisgenooten uit het dierenrijk, b.v. met Honden, Katten, Hoenderen en Eenden. Bij ’t eten mag men hem echter volstrekt niet storen, want zelfs het tamste exemplaar bijt naar menschen en dieren, die hem zijn voedsel willen ontrukken. In vele opzichten toont hij een groote mate van zelfstandigheid, ja zelfs van bandeloosheid. Hij onderwerpt zich volstrekt niet aan den wil van den mensch, maar geraakt in drift, als men hem tot iets dwingen wil. Niet eens door slagen kan men hem gehoorzaamheid leeren, integendeel manmoedig verweert hij zich, en bijt duchtig, als hij gekastijd wordt, zijn oppasser even zoo goed als ieder ander.
Van een dier met zulk een prikkelbaren, onbuigzamen aard kan men niet veel leerzaamheid verwachten. Het is bijna niet mogelijk den Neusbeer ergens toe af te richten. Rengger zag er een, die op bevel van zijn meester als een Poedel kunstjes deed en op den nagebootsten knal van een geweer als dood op den grond viel: exemplaren die zoo leerzaam zijn, moeten als zeldzame uitzonderingen beschouwd worden.
Als men hem vrij rondloopen laat, wordt hij in huis zeer lastig. Hij doorwoelt alles met den neus en werpt alle voorwerpen om. Hij kan met den neus vrij wat kracht uitoefenen en van zijne voorpooten met groote behendigheid gebruik maken. Niets laat hij onaangeroerd. Als hij zich van een boek meester gemaakt heeft, slaat hij alle bladen om, door afwisselend beide voorpooten snel in beweging te brengen. Geeft men hem een sigaar, dan ontrolt hij deze geheel door dezelfde beweging; als hij een voorwerp ziet staan, dat zijn aandacht trekt, geeft hij er eerst met den rechter-, daarna met de linkerpoot een slag tegen, totdat het op den grond valt.
*
Rolstaartbeer (Cercoleptes caudivolvulus). ¼ v. d. ware grootte.
Zoo heel lang is het nog niet geleden, dat de eigenaar van een menagerie in Parijs met het volste recht kon zeggen, dat hij aan de dierkundigen een onbekend, uit Amerika afkomstig dier zou toonen. Ongeveer terzelfder tijd, in het laatste vierde deel van de vorige eeuw, kwam het bedoelde wezen te Londen, waar het even sterk als te Parijs de aandacht van de natuuronderzoekers trok. Dit raadselachtig dier was de Rolstaartbeer, die men destijds zoo goed als in ’t geheel niet kende. Eenigen hielden hem voor een Lemuride. Anderen meenden, met het oog op zijn van het tandenstelsel der Halfapen zeer verschillend gebit, hem bij de Civetkatten te moeten voegen, en noemden hem Mexicaansche Wezel. Met deze veronderstelling was het bezit van een rolstaart niet best te rijmen; terwijl ook het gebit—dat zich vooral door de stompheid der kiezen onderscheidt, en op het gebruik van plantaardig en dierlijk voedsel wijst—niet veel overeenstemming vertoont met dat van de Viverren. Eindelijk gaf men hem (met eenige andere, niet minder eigenaardige wezens) een plaats in de familie der Beren.
De Rolstaartbeer, Kinkajoe, Manaviri of Cuchumbi, zooals het dier in zijn vaderland, het noorden van Brazilië, genoemd wordt (Cercoleptes coudivolvulus), voltooit de reeks van overgangsvormen van de Beren tot de Civetkatten. De zeer gerekte, maar plompe romp staat laag op de pooten; de kop is buitengewoon kort, dik en zeer kort van snuit; de oogen zijn middelmatig groot, de ooren klein, de vijf teenen halverwege onderling vergroeid en met stevige klauwen gewapend, de zolen onbehaard. De staart, welks lengte die van het lichaam overtreft, is een even volmaakte rolstaart als die van vele Buideldieren of van de Brulapen. In volwassen toestand is de Rolstaartbeer 90 cM. lang, waarvan 47 cM. op den staart komen, terwijl de schouderhoogte 17 cM. bedraagt. De zeer dichte, tamelijk lange, een weinig gekroesde, zachte, fluweelachtig glanzige beharing is aan de boven- en buitenzijde licht grijsachtig geel met een flauw roodachtig waas en zwartachtig bruine golvingen, die vooral aan den kop en in den nek duidelijk zichtbaar zijn.
Tegenwoordig weten wij, dat de Rolstaartbeer een tamelijk uitgestrekt verbreidingsgebied heeft. Hij komt voor in het geheele noorden van Brazilië, in Peru en verder noordwaarts tot in Mexico, zelfs nog in het zuiden van Louisiana en in Florida. Hij leeft in de oerwouden, vooral in de nabijheid van groote rivieren en wel op boomen. Hij heeft een zuiver nachtelijke levenswijze; den dag brengt hij slapend in holle boomen door, des nachts echter toont hij zich zeer levendig; hij klimt dan buitengewoon behendig en vlug in de kronen der hooge boomen rond, waar hij zijn voedsel zoekt. Hierbij bewijst de rolstaart hem uitmuntende diensten. Wat vaardigheid in ’t klimmen betreft, wordt hij door slechts weinige Apen overtroffen. Al zijne bewegingen zijn uiterst behendig en zeker. Hij kan zich met de achterpooten en met den rolstaart aan takken en twijgen vasthouden, en zich zoo goed aan een boom vastklemmen, dat hij met den kop benedenwaarts uit den boom afdalen kan. Bij ’t gaan laat hij de geheele zool op den grond rusten.
Allen die den gevangen Rolstaartbeer tot dusver hebben nagegaan, verklaren eenstemmig, dat hij tegenover menschen zich zachtaardig en goedhartig toont en zeer spoedig even gemeenzaam wordt als een Hond, zich gaarne laat liefkoozen, de stem van zijn meester herkent en diens gezelschap zoekt. Hij geeft zich moeite om zijn verzorger over te halen met hem te spelen of zich met hem te bemoeien en behoort daarom in Zuid-Amerika tot de meest geliefde huisgenooten van de inboorlingen. Ook in den gevangen staat slaapt hij bijna den geheelen dag. Hij bedekt daarbij zijn lichaam en vooral den kop met den staart. Hij eet al wat men hem voorzet: brood, vleesch, ooft, gekookte aardappelen, groenten, suiker, ingemaakte eetwaren; hij drinkt melk, koffie, water, wijn en zelfs brandewijn, wordt door het gebruik van alcoholische dranken beschonken en blijft dan verscheidene dagen ziek. Nu en dan valt hij ook wel Vogels aan, doodt ze, zuigt hun het bloed uit en laat het overige liggen. Kappler, die den Rolstaartbeer in Guyana leerde kennen, zegt van hem: “Hij voedt zich uitsluitend met vruchten en wordt bijzonder tam. Ik kreeg van de Indianen een jong dier, dat volkomen vrij rondliep. Niemand wist, waar het zich over dag ophield. Zoodra wij ’s avonds aan tafel gingen zitten, kwam Wawa, zooals wij hem noemden, en vermaakte ons door zijne potsierlijke liefkoozingen, waartoe ook behoorde, dat hij mij zijn lang tongetje in den mond, de ooren en den neus trachtte te steken. Hij at rijpe bananen en andere vruchten. Als men het huis sloot, werd Wawa buiten de deur gezet; deze klom dan in de broodvrucht-, kokos- of avogato-boomen, want op den grond hield hij zich niet graag op. Ik had hem meer dan een jaar gehad, toen hij plotseling stierf.”
*
Een klein Roofdier, dat vroeger tot de familie der Civetkatten werd gerekend, is, volgens latere onderzoekingen nog het naast aan de zooeven beschrevene, Amerikaansche Kleine Beren verwant. Het is het Katfret (Bassaris astuta), dat, zooals reeds in 1651 door Hernandez werd medegedeeld, bij de Mexicanen Cacamizli heet. Het volwassen mannetje bereikt een totale lengte van ongeveer 95 cM., waarvan twee vijfden op den staart komen. Door zijn gestalte herinnert dit dier aan een kleinen Vos, door zijn kleur aan de Neusberen.
Volgens de berichten, die tot dusver over den Cacamizli gegeven zijn, bewoont hij in Mexico rotskloven en verlaten gebouwen, in Texas hoofdzakelijk holle boomen. In de stad Mexico komt hij veelvuldig voor; Charlesworth meent zelfs, dat hij zijn leger nooit ver van menschelijke woningen opslaat, omdat de mensch door het fokken van Hoenderen het Roofdier in de gelegenheid stelt, zonder veel moeite door de jacht in zijn onderhoud te voorzien.
De Cacamizli is een levendig, speelsch en wakker dier, dat door zijne bewegingen en standen dikwijls aan het Eekhoorntje herinnert en hieraan zijn Mexicaanschen naam “Kateekhoorn” dankt. Als het uit zijn hol wordt opgejaagd, neemt het geheel en al de sierlijke houding van het genoemde Knaagdier aan, door den staart over den rug te leggen. Het kan uitmuntend klimmen; het kan echter niet met de zekerheid en behendigheid van den Eekhoorn van tak tot tak springen, maar loopt, wanneer het verschrikt wordt gemaakt, zoo lang mogelijk op een tak voort en tracht dan langs een zijtak een anderen boom te bereiken. Soms ziet men het, op de bovenzijde van een tak liggend, zich in de zon koesteren. Het ligt dan half opgerold en zonder beweging, alsof het sliep; bij het geringste teeken van gevaar sluipt het echter zoo schielijk mogelijk in zijn hol, en komt daaruit eerst na het ondergaan van de zon weer te voorschijn.
Hoewel de Cacamizli zeer schuw en eenzelvig is, kan hij vrij gemakkelijk getemd worden; als men hem gedurende langen tijd in een kooi gehouden heeft, kan men hem zelfs naar vrije verkiezing binnenshuis laten rondloopen. Dikwijls wordt hij door de Mexicanen als een schoothondje behandeld; door het vangen van Muizen en Ratten is hij als huisdier nuttig.