Poema (Felis concolor), 1/10 v.d. ware grootte.

Poema (Felis concolor), 1/10 v.d. ware grootte.

Koegoears, die niet jong meer zijn, als zij gevangen worden, versmaden soms het voedsel, dat men hen in de gevangenschap geeft, en sterven vrijwillig den hongerdood. Zeer jong gevangen dieren worden spoedig volkomen tam. Dikwijls kan men ze zonder bezwaar vrij in huis laten rondloopen. Zij zoeken hun verzorger op, vleien zich tegen hem aan, likken hem de handen en gaan aan zijne voeten liggen. Als zij gestreeld worden, spinnen zij op soortgelijke wijze als de Katten. Dit doen zij ook wel in andere omstandigheden, als zij zich recht op hun gemak gevoelen. Hun vrees geven zij te kennen door een soort van snuiven, hun ontevredenheid door een knorrend geluid; men hoort ze nooit brullen.

Twee door mij verzorgde Poemas begroetten hunne bekenden steeds door een niet bijzonder luid, maar scherp en bovendien kort afgebroken gefluit, zooals ik het nooit van andere Katten hoorde.

Een onaangename gewoonte van den tammen Koegoear is echter, dat hij, als hij veel van zijn meester heeft leeren houden en graag met hem speelt, zich bij zijn nadering pleegt te verstoppen, om vervolgens onverwachts op hem toe te springen; iets dergelijks doen tamme Leeuwen ook. Men kan zich licht voorstellen, hoe onpleizierig zulk een bewijs van genegenheid in sommige gevallen kan zijn.

Het vel van den Poema wordt in Paraguay niet gebruikt, wel echter in het noorden van Amerika. In sommige streken eet men zijn vleesch, dat zeer smakelijk is en op kalfsvleesch gelijkt; sommige planters in Carolina beschouwen het zelfs als een lekkernij.

De naaste stamverwant van den Poema is de Yagoearondi (Felis yaguarundi), een slank, schraal dier, dat door zijn lang gerekt lichaam en zijn langen staart bijna aan de Marters herinnert. De kop is klein, het oog middelmatig groot, het oor afgerond, de beharing dicht, kort en zwartachtig grijsbruin van kleur; ieder haar is aan den wortel donker zwartachtig grijs, in ’t midden zwart en aan de spits donkerbruin. Het wijfje is altijd een weinig lichter van kleur dan het mannetje. De Yagoearondi is veel kleiner dan de Koegoear; want de lichaamslengte bedraagt hoogstens 87 cM. (waarbij voor den staart 32 cM.), de hoogte in de schoften 34 cM.

De Yagoearondi bewoont Zuid-Amerika van Paraguay tot Panama; volgens O. Stoll komt hij misschien ook in ’t zuiden van Guatemala voor, waar hij “Gato de monte” genoemd wordt.

Gewoonlijk leven deze dieren paarsgewijs in een bepaald gebied en ondernemen van hier uit korte strooptochten. Niet zelden deelt hij zijn jachtgebied ook met andere paren, wat overigens niet de gewoonte der Wilde Katten is: Rengger’s Honden joegen eens zes volwassene Yagoearondi’s op uit een enkel kreupelhoutboschje. De jacht op dit dier is niet gevaarlijk, daar het den mensen niet aanvalt. Men schiet het van een hinderlaag uit, of vangt het in vallen, of jaagt het met Honden, waartegen hij zich alleen in den uitersten nood verdedigt.

Rengger heeft verscheidene van jongs af door hem opgevoede Yagoearondi’s in gevangenschap gehouden. Zij werden zoo tam als de zachtmoedigste Huiskat; hun roofzucht was echter zoo groot, dat men hun niet kon toestaan, vrij in huis rond te loopen.

*

Het beruchtste van alle Roofdieren der Nieuwe Wereld, de Jagoear of Once (Felis onza), is de grootste en sterkste van alle gevlekte en overlangs gestreepte Amerikaansche Katten. Reeds in de eerste berichten over Amerika wordt van dit dier melding gemaakt; ook nu nog heeft bijna iedere reiziger iets van hem te verhalen; uit deze mededeelingen blijkt, dat de oudere schrijvers de verschrikkelijkheid van den Jagoear sterk overdreven hebben; hunne beschrijvingen berusten te weinig op eigen ervaring; zij bevatten een groot aantal uit den mond van het volk opgeteekende bijzonderheden, en zijn derhalve met vele fabelen doormengd.

De gestalte van den Jagoear verraadt meer kracht dan behendigheid en is eenigszins log. De romp is niet zoo lang als die van den Luipaard of van den Tijger, en de ledematen zijn in verhouding tot den romp korter dan bij deze Katten. Een geheel volwassen Jagoear is, volgens Rengger, 145 cM. lang, van den top van den snuit tot aan den wortel van den staart gemeten, en 68 cM. van hier tot aan de spits van den staart. A. von Humboldt maakt echter melding van sommige exemplaren, die even groot waren als de Koningstijger. In de schouders is de Once ongeveer 80 cM. hoog, een weinig meer of een weinig minder. De vacht is kort, dicht, glanzig en zacht, aan de keel, het onderste deel van den hals, de borst en den buik langer dan op het overige lichaam. De kleur vertoont nog al veel afwisseling, zoowel wat de grondkleur als wat de vlekken betreft. De grondkleur is bij de meeste roodachtig geel, met uitzondering van de binnenzijde van het oor, het benedenste deel van den snuit, de onderkaak, de keel, de buikzijde van het overige lichaam en de binnenzijde der vier pooten, waar de witte kleur de overhand heeft. Het vel is overal geteekend, ten deele met kleine, zwarte vlekken, die cirkelvormig, langwerpig rond of ook wel onregelmatig zijn, ten deele met grootere vlekken en ringen, die geelachtig rood zijn met zwarte randen en één of twee zwarte punten in ’t midden. De volle vlekken bevinden zich vooral aan den kop, den hals, de onderzijde van het lichaam en de ledematen; daar waar de grondkleur wit is, zijn zij minder talrijk, maar grooter en onregelmatiger dan aan de overige lichaamsdeelen, zij vormen soms aan de binnenzijde van de pooten dwarse strepen. Ook zijn zij grooter aan de achterste lichaamshelft (met inbegrip van den staart) dan aan de voorste; aan het achterste gedeelte van den staart (welks spits zwart is) bevinden zich twee of drie volslagen ringen. Steeds is aan elken mondhoek een zwarte vlek te vinden en een dergelijke vlek (met een gele of witte stip in ’t midden) aan de buitenzijde van het oor. Op den rug vloeien de vlekken ineen tot een regelmatige streep, die zich op het kruis in tweeën verdeelt; op de zijden van het lichaam vormen zij min of meer evenwijdige, overlangsche reeksen. Een nauwkeuriger beschrijving is niet wel mogelijk, daar er waarschijnlijk geen drie vellen in alle opzichten gelijk geteekend zijn. Het wijfje is over ’t algemeen eenigszins lichter van kleur dan het mannetje; zij heeft ook minder ringvormige vlekken aan den hals en op de schouders, daarentegen zijn de zijden van den romp bij haar met meer vlekken voorzien, die daarom natuurlijk kleiner zijn. Zwarte Jagoears zijn niet zeer zeldzaam; bij hen heeft het vel zulk een donkere grondkleur, dat de zwarte vlekken er weinig bij afsteken. Daar zelfs geoefende waarnemers verscheidene soorten onderscheiden, moeten de afwijkingen van grootte, grondkleur en teekening wel aanzienlijk, en tevens, wat de hoofdkenmerken betreft, tamelijk bestendig zijn.

De naam “Jagoear” is aan de taal der Guaranen ontleend, die het dier “Jaguarette” d. i. “lichaam van den hond” noemen. Bij de Spanjaarden heet hij “Tigre”, bij de Portugeezen “Onça”. Zijn verbreidingsgebied strekt zich uit van Buenos Ayres en Paraguay over geheel Zuid-Amerika tot in Mexico en het zuid-westelijk gedeelte van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika. Het talrijkst is hij in de gematigde gewesten van Zuid-Amerika, het zeldzaamst in de Vereenigde Staten, waar de steeds vooruitdringende blanke hem meer en meer verdringt. Hij bewoont de met bosschen begroeide oevers van de stroomen, rivieren en beken, den zoom van de bosschen die dicht bij de moerassen liggen, en het moerasland waar meer dan 2 M. hooge gras- en rietsoorten groeien. Op het open veld en in het binnenste van de groote bosschen vertoont hij zich zelden; hij doet dit alleen, als hij uit de eene streek naar de andere trekt. Waar de opgaande zon hem verrast, legt hij zich neder, in het dichtst van het woud of in het hooge gras, en brengt hier den dag door.

In de morgen- en avondschemering en ook wel bij helder maan- en sterrenlicht, nooit echter op ’t midden van den dag of in een zeer duisteren nacht, gaat de Jagoear op roof uit. Alle groote Gewervelde Dieren die hij bemachtigen kan, dienen hem tot voedsel. Hij is in alle opzichten een vreeselijk Roofdier. Hoe plomp zijn gang ook moge schijnen, toch kan hij zich in geval van nood gemakkelijk en vlug bewegen. Zijn kracht is voor een dier van zijne afmetingen buitengewoon groot, en kan alleen met die van den Leeuw of van den Tijger vergeleken worden. De zintuigen zijn goed en gelijkmatig ontwikkeld. Het gezicht is scherp, het gehoor voortreffelijk, de reuk echter, evenals bij de overige Katten, niet bijzonder fijn; toch kan hij altijd nog wel op eenigen afstand een buit ruiken. Dit dier is dus op zulk een wijze uitgerust, dat het als roover zeer gevaarlijk kan worden.

De Jagoear is niet kieschkeurig. In zijn drek vond Azara de stekels van een Stekelzwijn; zijn maag bevatte, volgens Rengger, overblijfselen van Ratten en Agoetis; hieruit blijkt, dat hij ook kleine dieren belaagt. Men heeft trouwens waargenomen, dat hij in het riet op watervogels jacht maakte, en zeer behendig Visschen uit het water haalde. Reeds Pöppig bericht, dat zelfs de Kaaiman door hem niet met vrede gelaten wordt. “De Jagoear,” zegt A. von Humboldt, “de gruwzaamste vijand van de Arrau-Schildpad, volgt deze op het strand, waar zij hare eieren legt. Hij overvalt haar op het zand, en keert haar om, om haar gemakkelijker te kunnen verslinden. De Schildpad kan hare pooten niet weer op den grond krijgen, en daar de Jagoear veel meer van deze dieren omwentelt, dan hij in één nacht opeten kan, maken de Indianen dikwijls in hun belang gebruik van zijn arbeid. Men kan de geschiktheid van den poot van het dier voor deze jacht niet genoeg bewonderen; het dubbele pantser van de Schildpad wordt er mede geledigd, alsof de spierbundels met een heelkundig instrument van de beenderen waren losgemaakt.”

Jagoear (Felix onza). 1/10 v. d. ware grootte.

Jagoear (Felix onza). 1/10 v. d. ware grootte.

“Het valt een geoefenden jager niet moeielijk,” schrijft Rengger, “den Jagoear gedurende zijne jachten na te gaan, vooral langs de rivieren. Men ziet hem dan naar den oever sluipen, waar hij vooral de Waterzwijnen en de Vischotters lagen legt. Van tijd tot tijd blijft hij staan, alsof hij luistert, en kijkt dan opmerkzaam in ’t rond; nooit heb ik echter kunnen bespeuren, dat hij door den reuk geleid, met den neus op den grond het spoor van een dier gevolgd heeft. Als hij b.v. een Waterzwijn heeft waargenomen, wendt hij ongeloofelijk veel geduld en omzichtigheid aan, om het te naderen. Als een slang kronkelt hij zich over den bodem, houdt zich daarna weer eenige minuten lang stil, om de plaats waar zijn slachtoffer zich bevindt, te leeren kennen, en maakt dikwijls groote omwegen, om deze plaats van een anderen kant, waar hij minder goed ontdekt kan worden, te bereiken. Als het hem gelukt is ongezien zijn prooi te naderen, springt hij in eens, zelden in twee sprongen, op haar af, drukt haar op den grond, scheurt haar den hals open en draagt het nog met den dood worstelende dier het bosch in.”

De schade die de Jagoear onder het vee aanricht, is niet onbelangrijk. Vooral het jonge hoornvee, de Paarden en de muilezels hebben veel van hem te lijden.

De Jagoear grijpt zijn buit zoowel in het water als op het land; in de boomen jaagt hij niet, hoewel hij ze vrij goed weet te beklimmen, wanneer hij vervolgd wordt. Men heeft veel gefabeld over de wijze, waarop hij zich Visschen weet te verschaffen. Rengger bericht hierover het volgende: “Toen ik op een zwoelen zomeravond, van de eendenjacht terugkeerend, in mijn schuit naar huis voer, bemerkte mijn metgezel, een Indiaan, aan den oever van den stroom een Jagoear. Wij naderden hem zooveel mogelijk en verborgen ons, om te zien, wat hij zou doen. Ineengehurkt zat hij op een uitstekende punt van den oever, waar het water eenigszins sneller stroomde, de gewone verblijfplaats van een roofvisch, die hier te lande ‘Dorado’ heet. Onverpoosd tuurde hij in ’t water, en boog zich af en toe voorover, alsof hij in de diepte wilde zien. Na ongeveer een kwartier zag ik hem plotseling met den poot een slag op het water geven en een grooten Visch op het land werpen. Hij vischt dus geheel op dezelfde wijze als de Huiskat.”

Als de Jagoear een klein dier gedood heeft, verslindt hij het dadelijk met huid en haar; van een grootere prooi echter, zooals van Paarden, Runderen en dergelijke, eet hij slechts een deel, zonder voor het eene of andere stuk van ’t lichaam een bepaalde voorkeur te toonen; de ingewanden laat hij liggen. Na den maaltijd keert hij in het bosch terug, verwijdert zich evenwel in den regel niet meer dan een kwartier gaans van de plaats, waar hij at, en gaat dan slapen. Des avonds of den volgenden morgen zoekt hij zijn buit weer op, eet er ten tweeden male van en laat vervolgens het overschot voor de Gieren achter.

Meer dan tweemaal eet de Jagoear, volgens Rengger, niet van een gedood dier; bedorven vleesch raakt hij in ’t geheel niet aan. Nooit doodt hij meer dan één stuk vee te gelijk, en vormt hierdoor een gunstige uitzondering op hetgeen voor de andere groote Katten regel is.

Een Jagoear, die den mensch nog niet heeft leeren kennen, wijkt vol ontzag, als hij hem ontmoet, of beschouwt hem nieuwsgierig van uit de verte. Er is geen voorbeeld van bekend, dat een mensch in onbewoonde wouden door een Jagoear verscheurd werd. De Oncen, die zich in bewoonde gewesten of bij rivieren met veel scheepvaart ophouden, verliezen echter zeer schielijk hun vrees voor den mensch, en vallen ook hem aan. Volgens een algemeen verbreide overlevering hebben zij zich ’s nachts wel eens verstout tot een bezoek aan vaartuigen, die aan den wal vastgelegd waren, en hebben van daar vleesch of Honden geroofd, ja zelfs matrozen doodelijk gewond; gewoonlijk echter hebben deze menschen dit lot aan hun onvoorzichtigheid te wijten; zij die voorzichtig zijn, ontkomen er aan. Dat de Jagoear zich door het vuur niet laat afschrikken, is volkomen zeker.

Het veelbesprokene “gebrul” van den Jagoear kan niet bijzonder indrukwekkend zijn. Vroegere reizigers hebben onnadenkend dit woord ter aanduiding van de stem van den Jagoear gebruikt; het kan ook wel zijn, dat zij deze verward hebben met de stem van een ander dier, of van de geluiden der voor hen vreemde en verontrustende omgeving een al te grootschen indruk kregen. De reizigers uit lateren tijd spreken niet van gebrul. Evenals de Luipaard en den Tijger is de Jagoear in den regel stilzwijgend; hij knort, gromt, huilt en laat hoogstens een kattengeschreeuw hooren, dat aan zijn grootte geëvenredigd is.

De Jagoear blijft dezelfde streek bewonen, zoo lang hij hier buit kan vinden en niet al te veel verontrust wordt. Als de voorraad voedsel te gering, of de vervolging door den mensch te fel wordt, verlaat hij de streek en verhuist naar een andere. Dit geschiedt gedurende den nacht. Hij schroomt in dit geval niet door dicht bevolkte gewesten te trekken, en wordt zelfs door zeer breede stroomen niet teruggehouden, daar hij uitmuntend zwemmen kan.

“De telken jare wederkeerende overvulling van de stroomen en rivieren,” merkt Rengger op, “verdrijft den Jagoear van de eilanden en met bosch begroeide oevers, zoodat hij in dezen tijd nader bij de bewoonde gewesten komt en schade aanricht onder menschen en vee. Bij groote overstroomingen wordt hij niet zelden gezien te midden van een stad, die aan een hoogen oever gelegen is, of in een dorp. Toen wij in ’t jaar 1825 bij hoogen waterstand te Santa-Fé aan wal stapten, verhaalde men ons, dat voor weinige dagen een Franciskaner-monnik, juist toen hij de vroegmis wilde lezen, onder de deur van de sacristie door een Jagoear was verscheurd. Er gebeurt trouwens niet altijd een ongeluk, als zulk een Roofdier in een stad verdwaald geraakt, want het geblaf van de Honden, die het vervolgen, en het te hoop loopen van de menschen brengen het zoo zeer in de war, dat het zich tracht te verbergen. De wonden die de Jagoear toebrengt, zijn altijd hoogst gevaarlijk, niet alleen wegens hun diepte, maar ook wegens hun aard. Daar n.l. de klauwen en de tanden van dit dier niet bijzonder scherp zijn, zal elke verwonding met kneuzing en verscheuring van de weefsels gepaard gaan.”

De Jagoear leeft, naar Rengger bericht, gedurende het grootste gedeelte van het jaar alleen; in de maanden Augustus en September echter zoeken de beide geslachten elkander op. Het wijfje brengt omstreeks 3 of 3½ maanden later (het juiste tijdsverloop is onbekend) 2, zelden 3 jongen ter wereld; het zoekt hiertoe een schuilplaats in een ongenaakbare wildernis van het woud of onder een half ontwortelden boom. De moeder verwijdert zich in de eerste dagen nooit ver van hare jongen, en draagt ze met den bek naar een ander leger, wanneer het eerstgekozene haar niet veilig genoeg voorkomt. Haar liefde voor haar kroost schijnt zeer groot te zijn; zij verdedigt het met woede, en vervolgt, naar men zegt, den roover van hare jongen uren ver.

Niet zelden worden jonge Jagoears door de menschen groot gebracht. Hiervoor moeten zij echter als zuigelingen gevangen worden, daar zij zich anders niet meer laten temmen. Zij spelen met jonge Honden en Katten; zeer vermaken zij zich echter met houten ballen. Hunne bewegingen geschieden vlug en met gemak. Zij leeren hun verzorger zeer goed kennen, zoeken hem op, en toonen blijdschap, als zij hem terugzien. Zoodra de Oncen van hun kracht bewust worden, ongeveer in het derde levensjaar of nog vroeger, verzuimen zij niet, ten nadeele van hun meester van hunne tanden gebruik te maken. Het baat niet veel, of men hun de hoek- en snijtanden tot aan den wortel afvijlt en hunne klauwen van tijd tot tijd inkort; hun groote kracht stelt hen in staat ook zonder wapens onheil te stichten. Zoolang zij nog jong zijn, kan men ze door slagen in bedwang houden; later is het moeielijk baas over hen te blijven. Grootmoedigheid en erkentelijkheid zijn den Jagoear onbekend; hij toont geen duurzame genegenheid voor zijn verzorger of voor een dier, dat met hem werd opgevoed; het is daarom altijd een waagstuk, hem langer dan een jaar in gevangenschap te houden zonder hem op te sluiten.

Wegens zijn schadelijkheid wordt de Jagoear in bewoonde streken op alle mogelijke wijzen gejaagd en gedood. In Zuid-Amerika maken de Indianen hiertoe gebruik van hunne met het vreeselijke woerari-gif gedrenkte pijlen. Veel gevaarlijker dan deze wijze van jagen is de volgende: De jager omwikkelt zich den linker arm met een schapenvel en wapent zich met een tweesnijdend mes of dolk van omstreeks twee voet lengte. Zoo uitgerust zoekt hij met 2 of 3 Honden den Jagoear op. Tegen zulk een gering aantal Honden stelt deze zich dadelijk te weer; de jager gaat op hem af, gewoonlijk tergt hij hem bovendien door woorden en gebaren. Hierdoor vertoornd springt de Jagoear zijn vijand te gemoet en gaat met wijd opengesperden muil overeind staan evenals onze Beer. Op dit oogenblik houdt de jager den omwikkelden arm tot het afweren van de klauwen der beide voorpooten gereed, en stoot, terwijl hij een weinig naar rechts uitwijkt, den dolk in de linkerzijde van het Roofdier.

De bewoners van Paraguay vallen, te paard gezeten, den Jagoear eenvoudig met den lasso aan, werpen hem den strik om den hals, slepen hem in galop voort en worgen hem, dikwijls met behulp van een tweeden lasso, die in tegenovergestelde richting aangetrokken wordt. Soms schiet men den Jagoear van een hinderlaag uit. In sommige streken worden ook wel valkuilen aangebracht, of plaatst men bij een door den Jagoear gedood dier een geweer, dat afgaat, zoodra het dier de prooi aangrijpt.

Het vel van den Jagoear heeft in Zuid-Amerika slechts geringe waarde en wordt hoogstens voor voetkleeden en dergelijke zaken gebruikt. Het vleesch van een Once, dat door Von den Steinen gegeten werd, bleek taai te zijn; daarentegen zegt hij van een tweede door hem geschoten dier: “Het oncevleesch smaakt vet als gebraden varkensvleesch; bij de coteletten zou roode kool zeer goed passen.” Sommige lichaamsdeelen van den Jagoear worden als geneesmiddelen gebruikt.

Een kleine Kat van de Nieuwe Wereld is de Ocelot of Pardelkat (Felis pardalis). Haar lengte bedraagt 1.30 à 1.40 M. (waarbij 40 à 45 cM. voor den staart), de hoogte in de schoften ongeveer 50 cM.; het dier komt dus door zijn lengte nagenoeg overeen met onzen Los, maar staat, wat hoogte betreft, ver bij dezen achter. De romp is naar verhouding krachtig, de kop vrij groot, het oor kort, breed en afgerond, de pupil langwerpig eivormig; de staart, die naar de spits dunner wordt, is tamelijk lang, de beharing dicht, glanzig, zacht en even bont als smaakvol geteekend. De grondkleur van de bovenzijde is bruinachtig of roodachtig geel-grijs, die van de onderzijde geelachtig wit. Aan weerskanten loopt een zwarte, overlangsche streep van de oogen naar de ooren. Aan de bovenzijde van den kop komen geen stippels voor; de wangen zijn voorzien met dwarse strepen, van welke een keelstreep uitgaat; over den rug loopen verscheidene overlangsche strepen, meestal vier; langs den rug ziet men aan weerszijden een reeks van smalle, zwarte vlekken, waarbij eenige door grootte uitmunten; aan de zijden komen overlangsche reeksen van breede, gekromde, bandvormige strepen voor, die zich van de schouders tot aan de dijen uitstrekken, en een sprekender kleur hebben dan de grondkleur: deze strepen zijn zwart gezoomd, en omgeven dikwijls stippels. Het onderlijf en de pooten zijn versierd met volle vlekken, die op den staart tot ringen worden. Deze kleur en teekening varieeren trouwens zeer.

De Ocelet heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied. Het omvat het zuidelijke gedeelte van Noord-Amerika en de noordelijke landen van Zuid-Amerika tot Peru, Bolivia en Paraguay. Hij houdt zich liever op in de onbewoonde bosschen van het binnenland dan in de nabijheid van bewoonde plaatsen, ofschoon hij hier niet ontbreekt. In het open veld vindt men hem nooit, wel echter in boschrijke, rotsachtige en moerassige gewesten. Op vele plaatsen komt hij in grooten getale voor. Naar het schijnt, heeft hij geen bepaald leger. Over dag slaapt hij in het donkerste gedeelte van het woud in een ondoordringbaar labyrint van bladen en struiken, soms ook in holle boomen; in de morgen- en avondschemering, vooral echter ’s nachts gaat hij op roof uit; hij doet dit zoowel in heldere nachten bij sterrenlicht, als bij donker, stormachtig weer. Het laatste is hem zelfs aangenaam, omdat hij dan, onbemerkt door de Honden, de boerenhuizen naderen en daar naar verkiezing moorden kan. In donkere nachten moet de eigenaar zijn hoenderstal goed sluiten; want als de Ocelot er in kan komen, richt hij een geweldig bloedbad onder de Hoenderen aan. In de vrije natuur bestaat het voedsel van de Pardelkat uit Vogels, die zij in den boom of op den grond in hunne nesten besluipt, bovendien uit allerlei kleine Zoogdieren, jonge Reeën, Zwijnen, Apen, Agoetis, Pakas, Ratten, Muizen enz.

De Ocelot leeft bij paren in een bepaald gebied. De jager kan er zeker van zijn, dat hij, zoodra er één is opgejaagd, in de onmiddellijke nabijheid den anderen zal ontmoeten. Meer dan één paar treft men echter nimmer in hetzelfde bosch aan. Het mannetje en het wijfje gaan niet te zamen op roof uit, ieder jaagt voor zich; ook helpen zij elkander niet bij de jacht of bij vijandelijke aanvallen.

Den mensch doet de Ocelot slechts weinig schade; hij vreest hem en de Honden te zeer, dan dat hij in de nabijheid van bevolkte gewesten zou komen. Alleen woningen, die dicht bij bosschen gelegen zijn, worden nu en dan door hem bezocht; doch ook dan neemt hij hoogstens een paar Hoenderen of een Bisam-eend weg, sleept ze in ’t naburige kreupelhout en verslindt ze onmiddellijk. Als zijn eerste rooftocht gelukt is, komt hij gewoonlijk in de volgende nachten terug, tot hij gevangen of verjaagd wordt. Men jaagt hem in Paraguay met Honden of vangt hem in vallen. Hij is zeer schuw, ziet den jager ’s nachts bij helder maanlicht eerder, dan deze hem opmerkt en vlucht dan spoedig.

Ocelotten worden dikwijls jong gevangen en getemd. Als jonge Huiskatten stoeien zij met elkander, spelen met een stuk papier, een kleinen sinaasappel en dergelijke voorwerpen. Hun verzorger leeren zij spoedig kennen, springen hem achterna, likken hem de hand, leggen zich aan zijne voeten neder en klimmen bij hem op. Zij houden veel van liefkoozingen en beginnen oogenblikkelijk te spinnen, wanneer men ze vleit. Nooit toonen zij valschheid. Met de Honden en Katten, waarmede zij samenleven, houden zij zeer goed vrede; zij kunnen het echter niet laten, het gevogelte te vervolgen. Zonder zich aan vroegere straffen te storen, springen zij, zoodra de lust hiertoe haar bekruipt, op een Hoen toe, en laten zich op ’t oogenblik van den roof door geen tuchtiging weerhouden het dier te vermoorden. Wegens hun onuitroeibare roofzucht houdt men ze gewoonlijk in een kooi of vastgebonden aan een touw.

Zoo nauw verwant aan den Ocelot, dat men haar wel eens als een variëteit van dezen heeft beschouwd, is de in Brazilië en Guyana levende Margoeay of Tijgerkat (Felis tigrina). Deze is echter veel kleiner; daar zij slechts 80 cM. lang wordt (waarbij 30 cM. voor den staart), dus hoogstens zoo groot als onze Huiskat. De grondkleur van het fraaie, zachte vel is van boven en aan de zijden vaal geel en, evenals bij de meeste overige Katten, aan de onderzijde wit. De romp is met verscheidene overlangsche reeksen van donkere vlekken geteekend. Kleinere vlekken versieren de pooten en den buik, ringen den staart. Twee donkere strepen loopen over de wangen, twee andere over de kruin. De ooren zijn zwart met witte vlekken.

Bijna in alle opzichten komt de levenswijze van deze Kat met die van den Ocelot overeen. Jong gevangen is zij zeer leerzaam, en wordt weldra zeer aan den mensch gehecht. Waterton had er in Guyana een, die hem als een Hond volgde. Voortdurend in strijd met de Ratten en Muizen, wist de Margoeay het huis van zijn meester in korten tijd grootendeels te bevrijden van de schadelijke Knaagdieren, die er de plaag van waren.

Veelvuldiger dan de Margoeay schijnt de Langstaartige Kat (Felis macrura) in de Braziliaansche wouden voor te komen. “Langstaartig” is zij in vergelijking met de Tsjati (Felis mitis), een iets grootere, eveneens in de Braziliaansche oerwouden levende Kat. De eerstgenoemde komt ongeveer met een flinke Huiskat in grootte overeen (90 à 100 cM. lang, waarvan 30 à 35 cM. op den staart komen; schouderhoogte 25 à 30 cM.); maar staat veel hooger op de pooten. Kenmerkend voor deze soort zijn de kleine kop, de groote oogen, de lancetvormig afgeronde ooren en de sterk gekromde, witachtige klauwen. Haar grondkleur is roodachtig bruingrijs, aan de zijden lichter, van onderen wit. Het geheele lichaam is met grijsbruine of zwartbruine, op overlangsche reeksen geplaatste vlekken geteekend; sommige vlekken bevatten een lichteren hof.

Door hare slanke gedaante en bontgekleurde huid is zij een der schoonste leden van de Kattenfamilie. Door de Brazilianen wordt zij Gevlekte Wilde Kat genoemd en wegens haar vel dikwijls geschoten. Daar zij behendig en met groot gemak klimt, begeeft zij zich bijzonder graag langs de slingerplanten, die de boomstammen omstrengelen, op en af; zij doorzoekt de boomkronen en verslindt alle kleine dieren, die zij daar vindt. Behalve voor de op boomen nestelende Vogels is zij ook gevaarlijk voor wilde en tamme Hoenderen, die zij dikwijls in de nabijheid van de menschelijke woningen rooft. Als slaapplaats maakt zij gebruik van holle boomstammen, rotskloven of holen in den grond, waarin zij ook, evenals onze Wilde Katten, hare jongen ter wereld brengt.

Van alle Katten is de Pampaskat (Felis pajeros) het duidelijkst overlangs gestreept. Bij de overigens fraai zilvergrijs gekleurde vacht steken de meer of minder donker roestbruinroode strepen sterk af. Ieder haar is bij den wortel grijs, verderop lichtgeel, aan de spits zilvergrijs; de spitsen van de haren, die de strepen vormen, zijn echter licht roestkleurig geel. Op het midden van den rug zijn zwarte en donker roestkleurig roode haren dooreengemengd; aan den kop zijn zij van onderen vaalgrijs, in ’t midden zwart en aan den top wit. Over de bijna effen vaalgele wangen loopt een smalle roestroode streep. De ooren zijn van buiten licht-, aan den rand donker-roestbruin, van binnen vaalwit. De staart heeft dezelfde kleur als de rug en is bij de spits voorzien met 4 à 6 donkerder ringen; de pooten vertoonen 6 à 7 breede, regelmatige, roestroode strepen op geelachtigen grond; de onderzijde is onregelmatig, licht roestkleurig-rood gestreept op witachtig vaalgelen grond. Door deze teekening van de huid wordt de Pampaskat in weerwil van de dofheid der kleuren een der fraaiste soorten van de groep. Groote katers hebben een lengte van 120 à 130 cM., waarvan 30 cM. op den staart komen; de schouderhoogte bedraagt 30 à 35 cM.

Tijgerkat (Felis tigrina). 1/7 v. d. ware grootte.

Tijgerkat (Felis tigrina). 1/7 v. d. ware grootte.

De Pampaskat komt voor in de steppen van Zuid-Amerika, in Patagonië tot aan de straat van Magalhaes, vooral aan de oevers van den Rio Negro.

*

Bijna alle natuuronderzoekers zijn van oordeel, dat de Lossen (Lynx) beschouwd moeten worden als een afzonderlijk geslacht. Zij onderscheiden zich van de overige Katten door de haarkwastjes op de ooren van den tamelijk grooten kop. De meeste soorten hebben bovendien sterk ontwikkelde bakkebaarden, een zijdelings samengedrukten, maar toch krachtigen romp, die op lange pooten rust, en een korten (bij de meeste soorten zelfs zeer korten) staart.

In alle werelddeelen—met uitzondering van Australië, dat geheel van Katten verstoken is—komen Lossen voor, in Europa twee duidelijk te onderscheiden soorten. Zij bewonen bij voorkeur aaneengesloten bosschen, en hiervan de moeielijkst toegankelijke plaatsen; men vindt ze echter ook in steppen en woestijnen en zelfs in streken, die in cultuur gebracht zijn. Alle zonder uitzondering mogen als hoog ontwikkelde Katten aangemerkt worden; zij zijn roofgierig en kunnen veel schade doen door het dooden van wild en van huisdieren.

De schoonste, sterkste en grootste van alle leden van het geslacht is de Gewone Los (Lynx vulgaris). Voordat ik de exemplaren, die in het Museum van Christiania voorkomen, gezien had, wist ik niet, hoe groot de Los worden kan; in de meeste verzamelingen treft men slechts exemplaren van middelmatige grootte aan. Een volkomen ontwikkelde Los is minstens even zwaar, doch een weinig korter en hooger op de pooten, dan de Luipaarden, die in de wilde dierenspellen vertoond worden. Zijn lichaamslengte bedraagt zonder den staart 1 M. en kan nog wel tot 1.3 M. toenemen; de staart is 15 à 20 cM. lang; de hoogte in de schoften bedraagt 25 cM. De mannelijke Los kan een gewicht van 30, ja zelfs, naar men mij in Noorwegen verzekerde, van 45 KG. bereiken. Dit dier heeft een buitengewoon krachtigen, ineengedrongen lichaamsbouw, stevige ledematen en forsche teenen, gewapend met scherpe, groote klauwen, welke aan die van den Tijger of van den Luipaard herinneren; het blijkt dus reeds na een oppervlakkig onderzoek, dat hij een zeer krachtig roofdier is. De ooren zijn tamelijk lang en loopen spits uit; aan den top zijn zij voorzien met een kwastvormigen bundel van zwarte, dicht bijeen geplaatste, overeindstaande haren van 4 cM. lengte. Op de dikke bovenlip staan verscheidene reeksen van stijve en lange tastborstels. De dichte, zachte beharing verlengt zich in ’t aangezicht tot een aan weerszijden spits toeloopenden, naar beneden gerichten baard, die, in vereeniging met de haarkwastjes op de ooren, aan den kop van den Los een zeer eigenaardig voorkomen verschaft. De kleur der bovendeelen is roodachtig grijs met wit gemengd, op kop, hals en rug en aan de zijden dicht bezet met roodbruine of grijsbruine vlekken; de onderzijde van het lichaam, de binnenzijde der pooten, het voorste deel van den hals, de lippen en de randen van de oogspleet zijn wit. Het aangezicht is roodachtig, het oor van binnen wit, aan de rugzijde bruin en zwart behaard. Bijna de geheele achterste helft van den overal even lang en even dicht behaarden staart is zwart van kleur. De voorste helft is geteekend met onduidelijke ringen, die aan de onderzijde niet doorgaan en aan de bovenzijde uitvloeien. De vacht is in den zomer kortharig en rossig van kleur, in den winter min of meer witachtig grijs en langharig. Er bestaan echter talrijke afwijkingen van kleur en teekening. Het wijfje verschilt, naar het schijnt, altijd van het mannetje door een rossere kleur en minder duidelijke vlekken; de pasgeboren jongen zijn witachtig.

Los (Lynx vulgaris). 1/10 v. d. ware grootte.

Los (Lynx vulgaris). 1/10 v. d. ware grootte.

Hoewel de Los aan de ouden bekend was, werd hij in Rome veel zeldzamer vertoond dan de Leeuw en de Luipaard, omdat deze dieren gemakkelijker levend gevangen konden worden. Onder Pompejus werd een Los uit Gallië levend naar Rome gebracht. Van het leven dezer dieren in de vrije natuur was destijds, naar het schijnt, niets bekend; allerlei bijgeloovige verhalen over hen vonden geloovige hoorders. In de godenleer van de oude Germanen speelde de Los ongeveer dezelfde rol als de Kat, want waarschijnlijk was niet deze, maar gene aan Freya gewijd en bestemd om haar wagen te trekken.

Nog in de Middeleeuwen was de Los een vaste bewoner van alle groote bosschen van Duitschland; hij werd algemeen gehaat en fel vervolgd. In het einde van de 15e eeuw werd hij in Pommeren als het gevaarlijkste, inheemsche Roofdier beschouwd. Na dezen tijd is het aantal dezer dieren in Duitschland voortdurend afgenomen; tegenwoordig kan men ze voor uitgeroeid houden. In Beieren, dat aan de Alpen—aan het ook nu nog door den Los bewoonde gebied—grenst, was hij tot in het einde van de vorige en het begin van deze eeuw een aan alle jagers van beroep welbekende verschijning. De laatste Los werd in 1838 in het district Rottenschwangen buit gemaakt. In het Thuringer Woud werden tusschen de jaren 1793 en 1796 nog vijf Lossen gedood, in deze eeuw, voor zoover mij bekend is, slechts twee. De laatste Westfaalsche Los verloor in 1745 het leven; in den Harz werden in de jaren 1817 en 1818 de beide laatste gedood; in geheel Duitschland (met uitzondering van de Pruisische gewesten die aan de Russische grenzen gelegen zijn) vindt men er geen meer sedert 1845. In de genoemde grensdistricten en in de Duitsch-Oostenrijksche landen is het anders gesteld. Daar worden bijna ieder jaar nog een of meer Lossen waargenomen, hier heeft men er nog in den laatsten tijd zoovele gedood, dat er van uitroeiing dezer dieren nog geen sprake kan zijn. In Zwitserland komt hij, volgens Tschudi, niet vaker voor dan de Wilde Kat; vóór 30 jaar was hij echter ook hier geen zeldzaam verschijnsel, zooals blijkt uit het feit, dat er in Bünden alleen in één jaar 7 of 8 stuks gedood werden. Tegenwoordig is hij ook hier zeer zeldzaam, ofschoon hij nog wel voorkomt in de hoog gelegen wouden van de Walliser, Tessiner en Berner gebergten, evenals ook in de Urner, Glarner, Oescher en Boexer Alpen. Over het voorkomen van dit dier in Tirol ontbreken mij de berichten; van het oostelijk gedeelte der Alpen kan ik echter dit zeggen, dat hij reeds in Krain nog geregeld, in Karinthië nu en dan voorkomt.

Het gebied, dat thans nog door ons Roofdier bewoond wordt, neemt naar ’t Oosten een aanvang in de Karpathen en aan de Pruisisch-Russische grenzen; hier beginnend, strekt het zich naar het noorden en oosten over geheel Rusland uit; ook in Skandinavië is de Los nog vrij veelvuldig overal waar aaneengesloten bosschen voorkomen. Bovendien bewoont de Los het geheele oosten van Siberië, waar het land bergachtig en met bosschen bedekt is, en verbreidt zich zuidwaarts minstens tot in Toerkestan en tot in den Himalaja, waar hij tot in het bovenste gedeelte van het Indusdal aangetroffen wordt.

Voorwaarden voor het duurzaam verblijf van dit roofdier zijn uitgestrekte, aaneengesloten bosschen, die rijk zijn aan dicht begroeide of om andere redenen moeielijk toegankelijke plaatsen en wild van allerlei soort bevatten. In dun bezette bosschen vertoont de Los zich slechts bij uitzondering, nl. in den winter om daar Hazen te zoeken, of ook wel, wanneer een algemeene ramp, bv. een boschbrand, hem tot verhuizingen noopt. In zulke omstandigheden kan het gebeuren, dat hij in de boomgaarden van de dorpen vlucht. In tegenstelling met den Wolf, houdt de Los zich soms langen tijd achtereen in hetzelfde gebied op, doorkruist het in alle richtingen, begeeft zich in één nacht mijlen ver, maakt daarbij niet zelden zonder eenigen schroom van gewone wegen gebruik, en keert na verscheidene dagen weer in dezelfde streek terug, om haar op nieuw te doorzoeken.

Naar het schijnt, staat de Los wat de gaven van lichaam en geest betreft, bij geen enkele andere Kat achter. Hij loopt zeer lang achtereen, springt als het zijn moet, uitstekend, doet werkelijk verbazende sprongen, klimt vrij goed en zwemt, naar het schijnt, met gemak. Zonder twijfel staat onder zijne zinnen het gehoor bovenaan; het kwastje op zijne ooren kan dus als een rechtmatig onderscheidingsteeken aangemerkt worden. Waarschijnlijk is zijn gezicht eveneens uitmuntend, hoewel de waarnemers van onzen tijd geen feiten hebben opgemerkt, die een verklaring zouden kunnen geven van den oorsprong der oude sage, volgens welke de Los door muren en andere ondoorzichtige voorwerpen heen kan zien. Vroegere waarnemers vergelijken de stem van de Los met het gehuil van een Hond, maar beschrijven haar hierdoor zeer onjuist. Zijn geschreeuw is veeleer een brullende toon, die hoog en fijn begint, maar dof en zwaar eindigt; in klank gelijkt het op het gebrul van een Beer.

De Los is, volgens Nolcken, een volkomen nachtelijk Roofdier, dat zich bij ’t aanbreken van den dag verschuilt en dan, als het niet gestoord wordt, liggen blijft, totdat het weer duister is; hierdoor onderscheidt de Los zich zeer van den Wolf. Als ligplaats kiest hij een rotskloof of een dicht begroeide plaats, soms misschien ook wel een niet te klein hol, zelfs een woning van een Vos of een Das. Als hij zich verschuilen of slapen wil, loopt hij bij voorkeur langs den een of anderen weg tot in de nabijheid van de dicht begroeide plaats, die hij uitgekozen heeft, en begeeft zich dan met verscheidene groote sprongen er in. Altijd kiest hij hiervoor de dichtste plekjes, die hij vinden kan, jong naaldhout b.v., zonder zich er voor ’t overige veel om te bekommeren, of er in de nabijheid menschen komen.

Als de schemering begint, wordt hij wakker en geneigd om zich te bewegen. Gedurende den dag schijnt hij wel een steenen beeld, dat, zoodra de avond valt, leven en beweging krijgt; hij wacht steeds den nacht af om zich op de jacht te begeven en blijft dikwijls staan, evenals een Kat doet, die over een open plaats wil gaan, welke haar onveilig voorkomt. Zooveel mogelijk volgt hij daarbij steeds hetzelfde pad. Zijn spoor zou alleen door iemand zonder eenige ervaring op dit gebied met dat van een ander dier verward kunnen worden; wegens de onevenredig groote teenen is het zeer groot, grooter dan dat van een flinken Wolf; het is in ’t oogloopend rond en, omdat de indruksels van de nagels ontbreken, van voren stomp: de stap is betrekkelijk kort. Het spoor vormt een soort van parelsnoer, dat door iedereen, die het eens gezien heeft, gemakkelijk weer herkend zal worden.

De eigenaardige gedaante van den Los doet ieder zijner bewegingen vreemd en zelfs eenigszins plomp schijnen. Hij zet zijne pooten niet zoo zachtjes neer en loopt meer wijdbeens dan de overige Katten. Hoewel hij de bevalligheid zijner verwanten mist, staat hij in behendigheid niet bij hen achter; hij kan zeer goed klimmen, en, hoewel hij niet tot de uitstekende loopers behoort, overtreft hij zijne verwanten door de snelheid en volharding zijner bewegingen. Wat hij doen kan, ziet men in de versch gevallen sneeuw het duidelijkst vooral daar, waar hij een buit besprongen heeft.

Voor den Los schijnt elk dier, dat hij op de een of andere wijze meent te kunnen overmeesteren, een welkome prooi te zijn. Te beginnen bij de kleinste Zoogdieren of Vogels is waarschijnlijk geen enkel warmbloedig dier, dat niet grooter is dan een Ree, een Woerhaan of een Trap, veilig voor hem; vermoedelijk zullen slechts bij uitzondering zeer flinke Lossen zich aan Edelherten, Elanden en Wilde Zwijnen wagen. Hij geeft duidelijk de voorkeur aan groot wild boven klein; met het vangen van Muizen b.v. schijnt hij zich niet in te laten.

In het Noorden waar het klein wild talrijk, het groot wild schaarsch is, veroorzaakt de Los betrekkelijk weinig schade. In de gematigde gewesten daarentegen maakt hij zich zoowel bij den jager als bij den herder gehaat, niet alleen omdat hij veel meer dieren doodt, dan hij voor zijn voeding noodig heeft, maar ook omdat hij van een prooi slechts het bloed oplekt en het lekkerste stukje eet, het overige echter liggen laat ten buit voor de Wolven of Vossen. Hier keert hij hoogst zelden tot het door hem gedoode dier terug; wel doet hij dit, in streken, die arm aan wild zijn, zooals Lijfland; zelfs zoo, dat hij gedurende eenigen tijd in de nabuurschap blijft en de jacht nagenoeg geheel schijnt te laten varen. Geheel anders gedraagt hij zich in streken, die rijk zijn aan wild en vee. In de Zwitsersche Alpen beloert hij, volgens Schinz, Dassen, Marmotten, Hazen, Konijnen en Muizen, sluipt de Reeën in het bosch, de Gemzen op de Alpen na, overvalt Woer-, Berk-, Hazel- en Sneeuwhoenderen en onderneemt rooftochten tegen de Schapen, Geiten en Kalveren. Volgens Bechstein doodde een Los in één nacht 35 Schapen, volgens Schinz moordde een dergelijk Roofdier in nog korter tijd er 30 à 40 stuks, volgens Tschudi bracht een Los in een rooftocht meer dan 100 Schapen en Geiten om ’t leven. Geen wonder dus, dat jager en herder even begeerig zijn, den Los zoo schielijk mogelijk onschadelijk te maken.

Gevangene dieren van deze soort behooren ontegenzeggelijk tot de aantrekkelijkste van alle Katten. Vooral als zij in hunne jeugd een zorgvuldige opvoeding genoten, is hun gedrag allerliefst. Loewis verhaalt van een tammen, jongen Los, dien hij bezat, o. a. het volgende: “Weinige maanden waren voldoende om het dier zijn naam Lucy goed te leeren onderscheiden. Uit de vele namen van Honden, die gedurende de jacht door mij genoemd werden, herkende de Los steeds zijn eigen naam, en gaf met voorbeeldelooze gehoorzaamheid gevolg aan mijn roepstem. Zonder dat zulks mij eenige moeite had gekost, was hij zoo fijn gedresseerd, dat hij de wildste en hartstochtelijkste (maar hem verboden) jacht op Hazen, Vogels of Schapen onmiddellijk staakte, zoodra mijn dreigende roepstem door hem gehoord werd; hij ging dan beschaamd op den grond liggen, en hoopte als een Hond op genade voor recht. Spoedig leerde hij de beteekenis van het geweerschot voor de bevrediging van zijn eetlust kennen. Als hij te veraf was om mijn stem te hooren, dan was een geweerschot voldoende om hem ten spoedigste bij mij terug te doen komen.

Lucy maakte vrijwillig, en zelfs met genoegen, alle jachten in den herfst mede, waarbij zij mij op den voet volgde. Als een arme Haas voor ons opsprong, of wanneer er een, die door de Honden vervolgd werd, in de nabijheid kwam, dan maakte onze Los er dadelijk jacht op. Ondanks zijn onbeschrijfelijke opgewondenheid bij zulk een gelegenheid behield hij steeds zooveel overleg om de verhouding tusschen zijn snelheid en volharding en die van den Haas, schijnbaar althans behoorlijk te schatten. Hij luisterde alleen naar de stem van mijn broeder of de mijne, en toonde alleen tegenover ons zelfbedwang en achting. Als wij beiden den geheelen dag van huis waren, kon niemand over Lucy baas worden; ieder onbedachtzaam Hoen, iedere zorgelooze Eend moest het ontgelden. Bij ’t invallen van de duisternis, klom zij op het dak van het woonhuis, waar zij tegen een schoorsteen geleund rust nam. Zoodra laat in den avond of in den nacht de wagen voor de overdekte ingangstrap van het huis stilhield, was het dier met eenige sprongen van het dak van het huis op dat van den trap overgegaan; riep ik nu zijn naam, dan liet het aanhankelijke schepsel zich bij de pilaren naar beneden glijden en vloog met groote, boogvormige sprongen op mij toe, vleide zich aan mijn borst, sloeg zijne krachtige voorpooten om mijn hals; luid spinnend, duwde en wreef het op de wijze van een Kat zijn kop tegen mij aan; het volgde ons daarna in de kamer, waar het op de sofa, op het bed of bij de kachel zijn nachtleger opsloeg.

“Eens moesten mijn broeder en ik gedurende een geheele week afwezig zijn. In dien tijd was de Los menschenschuw, zocht ons onder luid geschreeuw met groote onrust; reeds den tweeden dag verliet hij het huis, en koos een naburig berkenboschje tot verblijfplaats, zonder voedsel uit de keuken te ontvangen. Alleen des nachts keerde hij nog naar zijn gewone standplaats bij den schoorsteen van het huis terug. Zijn vreugde, toen wij na zoo lange afwezigheid des nachts terugkeerden, kende geen grenzen. Als een bliksemstraal schoot hij van het dak naar beneden aan mijn hals, en drukte ons, nu eens mij, dan weer mijn broeder, bijna plat met zijne innige liefkoozingen. Van stonde af keerde hij tot zijn gewone levenswijze terug, en leverde ’s avonds weder aan alle aanwezigen een even zeldzaam als boeiend schouwspel op, zooals hij daar, achter den rug van mijn moeder, die ons iets voorlas, lang uitgestrekt op de sofa lag, familiaar weg spinnend, gapend of duchtig snorkend.”

Niet alleen wegens de groote schade, die de Los onder het vee of het wild aanricht, maar ook om het genoegen dat dit jachtbedrijf aan iederen liefhebber verschaft, wordt de Los overal waar hij voorkomt, met ijver vervolgd; vooral in het Noorden worden geregeld iederen winter Lossenjachten gehouden.

Het vel van den Los is een zeer gezochte pelterij; de Skandinavische vellen worden als de mooiste beschouwd en tegenwoordig met ƒ 15 à ƒ 18 betaald; 25 jaar geleden was de prijs tweemaal zoo hoog. Siberië levert ieder jaar ongeveer 15000, Rusland en Skandinavië ongeveer 9000 van deze vellen. Die van oostelijk-Siberië komen uitsluitend in den Chineeschen handel, en worden door de volken aan den Mongoolschen grens zeer begeerd.

Het vleesch van den Los werd en wordt overal als welsmakend geroemd. Kobell bericht, dat gedurende het Weener congres in 1814 dikwijls Lossen-gebraad op den vorstelijken disch prijkte, en ook, dat in 1819 den koning van Beijeren de raad gegeven werd om tegen duizeligheid Lossen-vleesch te eten. Ook in Lijfland wordt het Lossenvleesch door vele menschen niet alleen uit den minderen, maar ook uit den gegoeden stand gaarne gegeten en zelfs gezocht. Het is malsch en licht van kleur, gelijkt op het beste kalfsvleesch en heeft geen onaangenamen wildsmaak, het komt in dit opzicht nog het meest met dat van den Woerhaan overeen.

In het zuiden van Europa wordt de gewone Los door den Pardel-los (Lynx pardinus) vervangen. Deze is veel kleiner dan zijn in noordelijker gewesten wonende neef; want zijn lichaamslengte bedraagt hoogstens 1 M. Door de kortheid van de beharing, de betrekkelijk zeer groote bakkebaarden en de lange haarkwastjes aan de ooren, en ook door de zeer verschillende, meer samengestelde teekening onderscheidt hij zich.

De genoemde Europeesche soorten zijn in Noord-Amerika vervangen door den Pischoe of Kanadeeschen Los (Lynx borealis). Hij is een weinig kleiner dan zijne verwanten uit Noord-Europa; zijn lichaam bereikt slechts zelden een lengte van 1.15 M. De beharing is korter en overvloediger dan die van den Europeeschen Los. Zijn vaderland is het deel van Noord-Amerika, dat ten noorden van de groote meren en ten oosten van het Rotsgebergte ligt. Hier leeft hij in boschrijke gewesten geheel op de wijze van onzen Los.

De Kanadeesche Los is met den Rooden Los (Lynx rufus), die eveneens Amerika bewoont, een hoogst nuttige wilde Kat, omdat van hun vel veel gebruik wordt gemaakt. Vele duizenden vellen van deze Lossen komen ieder jaar in den handel, die dan door onze bontwerkers naar kleur en kwaliteit gesorteerd en met verschillende namen aangeduid worden.

Van de in zuidelijker landen levende Lossen zij nog vermeld de Karakal (Lynx caracal en Caracal melanotis), een echte woestijn- en steppenbewoner. In grootte staat hij ver achter bij zijne verwanten in noordelijker gewesten, daar zijn lichaamslengte slechts 65 à 75 cM. bedraagt, zonder den bijna 25 cM. langen staart.

Het verbreidingsgebied van den Karakal is buitengewoon groot. Hij bewoont geheel Afrika, Voor-Azië en Indië, hij houdt zich zoowel in woestijnen als in steppen op; in bosschen komt hij niet voor. Zijn levenswijze gelijkt op die zijner verwanten. Hij maakt jacht op alle kleine Zoogdieren en Vogels van de woestijn, maar valt ook Antilopen aan: dit werd mij althans herhaaldelijk verzekerd door de Arabieren, die dit dier Khoet el Chala noemen. En hiermede staat dan ook het sinds lang bekende feit in verband, dat de Karakal in Azië (vooral in Indië) voor de jacht op Antilopen, Hazen en Konijnen wordt afgericht. Volgens mijn ervaring is hij het woedendste en ontembaarste lid van de geheele familie. In geen enkele dierentuin is men er tot dusver ingeslaagd het woedende beest te temmen. In den regel brengt men het daarmede niet eens zoover, dat hij zijn oppasser in zijn hok toelaat.

De Moeras-Los (Lynx Chaus), die de moerassige en met bosch begroeide gewesten aan de oevers van de Kaspische Zee en van het meer van Arel, in Perzië, Syrië, Egypte, Nubië en Abessinië bewoont, is, evenals de Karakal, slank gebouwd en hoog op de pooten. Zijn staart is echter langer, zijne oorkwastjes zijn veel kleiner. Zijn vacht is meer gevuld, over ’t algemeen van geelachtige grijze of groen-geel-grijsachtige kleur, waarop onduidelijke donkere strepen zichtbaar zijn. De lichaamslengte bedraagt ongeveer 90 cM., waarvan 26 à 27 cM. op den staart komen.

Meermalen heb ik den Moeras-Los in het Nijldal ontmoet. In Egypte is hij niet zeldzaam, hoewel men hem niet vaak te zien krijgt. In dit land ontbreken de groote bosschen, waarin een Roofdier zich zou kunnen verbergen, bijna geheel; dit moet derhalve gebruik maken van andere schuilhoeken, zooals bosschen van riet en cyper-grassen en korenvelden. De Moeras-Los sluipt zoowel over dag als ’s nachts rond om een prooi te zoeken. Hij schroomt niet, bij zijne strooptochten dicht bij de dorpen te komen; de groote tuinen in de nabijheid zijn, naar het schijnt, lievelingsplekjes voor hem.

In de dierentuinen treft men ze zelden aan; die welke reeds oud zijn, als zij gevangen worden, blijven onvriendelijk en woedend; jonge dieren daarentegen kunnen door liefdevolle verzorging zeer gehecht worden aan den mensch. Zoo verhaalt de Egyptoloog Dümichen van een jongen Moeras-Los, die hij bij het doorzoeken van een tempel-ruïne half verhongerd in een onderaardschen gang aantrof: “De Los deed, toen ik hem greep, geen pogingen om weerstand te bieden, maar liet zich alles welgevallen; toen het uitgehongerde dier het voedsel, dat hem gegeven werd, verslonden had, liet hij toe dat ik hem opnam en liefkoosde. De dienst, die hem bewezen was, scheen hij volkomen te begrijpen, hij bleef na dien tijd mijn onafscheidelijke geleider, volgde mij op den voet, waar ik ook heenging, sprong bij mij op de Kameel als ik op reis ging, trok zoo in mijn gezelschap geheel Nubië door, en bleef, terwijl ik uren achtereen bezig was opschriften te kopieeren, voortdurend in mijn nabijheid. Tusschen hem en mijn Hond bestond een vriendschappelijke verhouding: zij twistten of vochten nooit, maar speelden iederen dag urenlang zeer aardig met elkander.”

*

Op de Lossen laten wij een eigenaardigen overgangsvorm tusschen de Katten en de Honden volgen, n.l. de Jachtluipaarden of Geparden. Deze dragen hun geslachtsnaam (Cynailurus), die “Hondskat” beteekent, met volle recht, want zij zijn werkelijk half Kat, half Hond. Katachtig is nog de kop, katachtig de lange staart, hondachtig is echter het geheele overige lichaam. Vooral de pooten, die lang zijn en welker teenen slechts gedeeltelijk de eigenschappen van katteteenen bezitten, herinneren sterk aan die van den Hond. De geheele toestel voor het intrekken en uitsteken der klauwen is nog aanwezig; de hierbij behoorende spieren zijn echter zoo zwak en krachteloos, dat de klauwen bijna altijd vooruitsteken, en daarom, evenals bij de Honden, door afslijting stomp worden, het gebit komt in de meeste opzichten met dat van de Echte Katten overeen, de hoektanden zijn echter, evenals bij den Hond, zijdelings samengedrukt. Ook wat de eigenschappen van den geest betreft zijn zij tusschenvormen; katachtig is nog de uitdrukking van het gelaat; de hondenaard blijkt echter uit het oog, dat zachtmoedigheid en goedaardigheid verraadt.

De tegenwoordige staat van onze kennis veroorlooft ons niet uit te maken, of het geslacht der Geparden meer dan één soort omvat. Eenige onderzoekers zijn van meening, dat de Afrikaansche en de Aziatische Jachtluipaard tot dezelfde soort behooren, andere onderscheiden, behalve de Tschita of Aziatische Gepard (Cynailurus jubatus) en de Fahhad of Afrikaansche Gepard (C. guttatus), nog de Gevlekte Gepard (C. Soemmeringii) en de Wollige Gepard (C. laneus). De Tschita is zeer lang en schraal, ook veel hooger op de pooten dan de eigenlijke Katten; de kop is klein en meer als een hondekop verlengd, dan als een kattekop afgerond, het oor is breed en kort, het oog heeft een ronde pupil; de beharing is vrij lang en ruig, vooral op den rug, de grondkleur van de vacht is zeer licht geelachtig grijs, hierop staan zwarte en bruine vlekken, die op den rug dicht opeengedrongen zijn, ja zelfs bijna ineenvloeien, ook over den buik zich voortzetten en zelfs den staart nog gedeeltelijk bedekken, daar zij slechts in de nabijheid van de spits zich tot ringen vereenigen. De lichaamslengte van den Tschita bedraagt hoogstens 137, de lengte van den staart hoogstens 76, de hoogte in de schoften 76 à 84 cM. De Fahhad heeft bijna in ’t geheel geen nekmanen, de grondkleur van zijn vacht is bijna oranjegeel, de buik echter is wit en ongevlekt; ook zijn de vlekken een weinig anders; de spits van den staart is wit in plaats van zwart.

De Tschita wordt in geheel Zuidwestelijk Azië gevonden, en, als men den gevlekten Gepard met hem vereenigen wil, ook in Afrika, althans in het Noord-westen. Hij is een echt steppen-dier, dat minder door kracht dan door behendigheid in zijn levensonderhoud moet voorzien.

Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit de middelmatig groote en kleine Herkauwers, die in zijn gebied leven, en die hij zeer knap weet te vangen. Zijn liefste buit zijn Antilopen; in de door hen bewoonde gewesten wordt hij dan ook het veelvuldigst gevonden; gewoonlijk vestigt hij zijn woonplaats te midden van rotsklompen op lage heuvels. De deskundigen verzekeren eenstemmig, dat voor een niet te grooten afstand de Tschita het snelvoetigste van alle Zoogdieren is. Hij maakt echter ook van sluwheid en list gebruik om zijn prooi te bereiken. Zoodra hij een kudde grazende Antilopen of Herten ziet, drukt hij den romp tegen den grond aan, en kruipt nu als een slang, zachtjes maar behendig, over den bodem, om zich voor de waakzame oogen van het wild te verbergen. Daarbij houdt hij rekening met alle eigenaardigheden dezer dieren, komt nooit boven den wind aansluipen, houdt zich stil en bewegingloos, zoodra het opperhoofd van de kudde den kop opheft om rond te kijken. Zoo tracht hij de dieren tot op den kortst mogelijken afstand te naderen, zoekt intusschen het gunstigst geplaatste dier uit en stormt eindelijk met razende vaart op dezen buit af, den vluchteling achterna; hij brengt dezen gewoonlijk door slagen met de klauwen tegen de pooten ten val en pakt hem vervolgens bij de keel. Wanneer hij zijn prooi slechts tot op een afstand van een goed geweerschot kan besluipen, aarzelt hij niet, vol vertrouwen op zijn snelheid, het vlugste wild te vervolgen.

De groote sluwheid en geschiktheid voor de jacht, die den Gepard aangeboren zijn, moesten wel de aandacht trekken van de menschen, die hetzelfde land bewonen als hij, en hen aansporen tot pogingen om partij te trekken van de talenten van dit dier. Door een eenvoudige dressuur hebben zij er een uitmuntenden bondgenoot van den jager van gemaakt, die, hoewel op een ander jachtterrein, nagenoeg denzelfden dienst bewijst als de Edelvalk. In het Oosten en in geheel Indië is het jagen met den Jachtluipaard reeds sinds eeuwen in zwang. Joseph Barbaro zag in het jaar 1474 honderd Jachtluipaarden bij den vorst van Armenië. De shah van Perzië blijft aan deze oude gewoonte getrouw; de Jachtluipaarden, die hij in een hiervoor ingericht huis onderhoudt, zijn uit Arabië afkomstig. Ook door sommige Indische vorsten worden aanzienlijke sommen aan de jacht met deze “Kathonden” besteed. Aan ervaren personen is hun africhting opgedragen; geoefende jagers, die een nagenoeg even hooggeachte positie innemen als onze vroegere valkeniers, moeten de dieren gedurende de jacht vergezellen; goedkoop zal dit jachtvermaak dus wel niet zijn. De Gepard is bij het begin van de jacht aan een dunne lijn bevestigd, en wordt, met een muts over de kop, die hem de oogen bedekt, op een der daar algemeen gebruikelijke, lichte, tweewielige karren naar het jachtveld gereden. Men tracht met de kar zoo dicht mogelijk bij het wild, een kudde Gazellen b.v., te komen. Evenals overal, laat zelfs het schuwste Aziatische wild een kar op veel korter afstand naderen dan voetgangers. Men kan daarom met den Gepard voortrijden, totdat men nog maar 200 of 300 schreden ver van de kudde verwijderd is. Nu neemt de jager den Tschita den kap van ’t hoofd, en maakt hem door duidelijke gebaren en zachte aansporingen opmerkzaam op het wild. Zoodra het uitmuntende jachtdier den hem aangewezen buit ziet, ontwaakt in hem de oude hartstochtelijke jachtlust, en openbaren zich de list en geslepenheid die hem eigen zijn. Op sierlijke wijze, zonder dat het wild hem ziet of hoort, verlaat hij den wagen, sluipt voorzichtig naar de kudde, totdat de dieren de vlucht nemen, of totdat hij zeker weet, dat hij ze zal kunnen vangen. Dan ontwikkelt hij op eens een verbazende snelheid, en is met eenige sprongen bij zijn prooi, die hij bij den hals grijpt en op den grond drukt. De jager snelt toe, snijdt het slachtoffer den keel door, verzamelt het uitstroomende bloed in een houten nap, geeft dit den Tschita te drinken, en schuift hem dan weer den kap over den kop.