Afrikaansche Gepard of Fahhad (Cynailurus Guttatus). 1/9 v. d. ware grootte.

Afrikaansche Gepard of Fahhad (Cynailurus Guttatus). 1/9 v. d. ware grootte.

Ook de Arabieren van de Noordelijke Sahara en de Abessiniërs gebruiken den Gepard bij de jacht. Zelfs in Europa hebben sommigen, ofschoon in vroegere eeuwen, dit jachtvermaak kunnen aanschouwen. Geszner maakt melding van twee voor de jacht afgerichte “Luipaarden” bij den koning van Frankrijk. Leopold I, keizer van Duitschland, kreeg van den Turkschen sultan twee gedresseerde Tschitas, waarmede hij dikwijls op de jacht ging.

Vreemd moet het den lezer voorkomen, dat men van het leven in den natuurstaat dezer zoo vaak getemde Katten nog zeer weinig weet. Ik heb in Afrika zelfs bij de nomaden tevergeefs hierover inlichtingen trachten te verkrijgen. Het eenige, wat deze lieden, die het dier volkomen goed kennen, mij konden mededeelen, was, dat men het in strikken vangt, en, ondanks de wildheid, die het aanvankelijk aan den dag legt, binnen korten tijd temt.

Dat het temmen niet moeielijk kan gaan, zal iedereen duidelijk zijn, die een gevangen Gepard gezien heeft. Ik meen mij niet aan overdrijving schuldig te maken, als ik beweer, dat geen enkel lid van de Katten-familie beter in staat is, om zich onze genegenheid te verwerven dan de Jachtluipaard; ik betwijfel, of een dezer Roofdieren zoo gemakkelijk getemd kan worden als hij. Goed vertrouwen is de grondtrek van het karakter van dit dier. Het valt den vastgebonden Gepard in ’t geheel niet in, het dunne touw dat hem vasthoudt, stuk te bijten. Het komt hem niet in de gedachten, iemand, die zich met hem bezighoudt, kwaad te doen; zonder schroom kan men op hem afgaan, hem streelen en liefkoozen. Schijnbaar onverschillig neemt hij zulke liefkoozingen in ontvangst, en het hoogste wat men bereiken kan, is, dat hij iets sneller spint dan gewoonlijk. Zoolang hij n.l. wakker is, spint hij onophoudelijk, evenals een Kat, maar een weinig zwaarder en luider. Dikwijls staat hij uren lang onbeweeglijk in één richting te staren, en spint daarbij op hoogst tevreden wijze. Op zulke oogenblikken verwaardigt hij de Hoenderen, Duiven, Musschen, Geiten, Schapen, die hem voorbijgaan, nauwelijks met een blik. Zijn gemoedelijke en droomige stemming wordt alleen door andere Roofdieren verstoord. Het voorbijsluipen van een Hond windt hem merkbaar op; hij houdt onmiddellijk op met spinnen, ziet den Hond, die gewoonlijk eenigszins bedremmeld is, scherp aan, spitst de ooren en maakt soms bewegingen, alsof hij met eenige flinke sprongen hem wilde aanvliegen.

Ik bezat een Gepard, die zoo tam was, dat ik zonder bezwaar met hem in de straten wandelen kon, als ik hem aan een touw hield. Zoolang hij alleen menschen te zien kreeg, liep hij bedaard naast mij; dit werd anders, zoodra wij een Hond ontmoetten. Hij werd dan telkens zoo onrustig, dat ik op het denkbeeld kwam, eens te beproeven, wat hij doen zou, indien hij een weinig meer vrijheid van beweging had. Ik maakte hem daarom vast aan een lijn van 15 à 20 M. lengte, die ik mij losjes om de hand en den elleboog wikkelde, en ging zoo met hem wandelen. Twee groote, luie straathonden liepen over den weg. Jack, zoo heette mijn Gepard, keek ze verwonderd aan, staakte zijn argeloos gespin, en werd ongeduldig; ik vatte toen het einde van het touw en wierp het overige op den grond, zoodat hij speelruimte had. Oogenblikkelijk ging hij plat op den grond liggen en kroop nu op de reeds vroeger beschreven wijze op de Honden toe, die beteuterd en verwonderd het vreemde dier aankeken. Hoe nader hij bij de Honden kwam, hoe opgewondener, maar ook hoe voorzichtiger hij werd. Als een slang gleed hij over den bodem. Eindelijk achtte hij den afstand klein genoeg, sprong met drie of vier groote sprongen op een van de Honden toe, die wel aan den loop ging maar ingehaald werd, en wierp hem op den grond. Dit geschiedde op een vreemdsoortige wijze. Hij sloeg zijne klauwen niet in den Hond, maar ranselde hem eenvoudig met de voorpooten af, totdat het dier op den grond viel. De arme Hond kreeg doodsangsten, toen hij die Kattentronie boven zich zag, en begon jammerlijk te huilen; alle Honden van de straat kwamen in beweging, en huilden en blaften uit medelijden; een dichte volkshoop verzamelde zich en ik moest goedschiks of kwaadschiks mijn Gepard medenemen, zonder eigenlijk mijn doel bereikt te hebben, d.i. zonder gezien te hebben, wat hij met de Honden doen wilde.

*

Uit de onderzoekingen van Pollen en Schlegel is gebleken, dat een Roofdier, waaraan tot dusver den naam van Buidelfret werd gegeven, en dat in familie der Civetkatten of Viverren een plaats had gekregen, nog tot de Katten gerekend, maar als een overgangsvorm tusschen deze familie en die der Viverren beschouwd moet worden. Dit dier, dat bij de Madagassen Fossa heet, en dat wij Fretkat (Cryptoprocta ferox) zullen noemen, heeft met de Katten de meeste eigenaardigheden van den lichaamsbouw, de uitdrukking van het gezicht en de tamelijk ver terugtrekbare klauwen gemeen; op de Viverren gelijkt het door zijn langwerpige gedaante, zijne korte pooten, zijne korte, eivormige ooren, lange snorharen en eenige andere eigenschappen. Het bereikt een lengte van 1.5 M., waarvan 68 cM. op den staart komen, en staat zeer laag op de pooten, daar deze slechts 15 cM. lang zijn. De vacht bestaat uit korte maar dicht bijeen geplaatste, eenigszins stijve, op den kop en aan de voeten als ’t ware afgeschoren haren; zij heeft een roodachtig gele kleur, die aan de bovendeelen donkerder is, omdat ieder haar afzonderlijk hier bruin en lichtgeel geringd is; de ooren dragen aan de binnen- en buitenzijde lichter gekleurde haren; de snorren zijn deels zwart, deels wit van kleur; de grijs-groenachtig gele pupil, gelijkt op die van de Huiskat.

Het vaderland van de Fretkat is het eiland Madagaskar, waar dit dier algemeen bekend is, en op een werkelijk bespottelijke wijze gevreesd wordt; men beschuldigt het zelfs van aanslagen op het leven van den Mensch, en vertelt een aantal fabels, waarin het een belangrijke rol speelt. Van zijn leven in den natuurstaat is nog slechts weinig bekend.


De leden van de familie der Civetkatten of Viverren (Viverridae) onderscheiden zich van de Katten door hun langwerpige, dunnen, ronden romp, die op korte pooten rust, door een langen, dunnen hals met een spits toeloopenden kop verbonden is en van achteren eindigt in een (bijna zonder uitzondering) langen staart, die meestal over den grond sleept. De oogen zijn gewoonlijk klein, de ooren soms tamelijk groot, meestal klein; de pooten hebben vier of vijf teenen, met klauwen, die bij vele soorten teruggetrokken kunnen worden. Naast de aarsopening bevinden zich 2 of meer “aarsklieren”, die een eigenaardige, zelden welriekende vloeistof afscheiden. Vóór de aarsopening komen bij sommigen bovendien nog “civetklieren” voor, welker afscheidingsproduct zich in een eigenaardigen “klierzak” verzamelt.

Over ’t geheel genomen gelijken de Viverren eenigszins op onze Marters, die zij in de zuidelijke landen der Oude Wereld vervangen. In andere opzichten herinneren vele van deze dieren aan de Katten, ja zelfs aan de Beren. Dit heeft aanleiding gegeven tot het vermoeden, dat zij, meer dan hunne verwanten uit andere familiën, op de alleroudste Roofdieren gelijken. Van de Marters onderscheiden zij zich vooral door hun gebit, dat scherper is en spitser getakte kiezen heeft.

De Viverren ontbreken in Australië geheel; zij bewonen de zuidelijke landen van de Oude Wereld, vooral Afrika en Zuid-Azië. In Europa komen slechts drie soorten van deze familie voor, die uitsluitend de landen aan de Middellandsche Zee bewonen, en waarvan één alleen in Spanje inheemsch is. Evenals de familie der Marters onderscheidt de familie der Viverren zich door een grooten vormenrijkdom, hoewel zij een veel beperkter gebied bewoont. De verblijfplaatsen dezer dieren zijn zoo verschillend als zij zelf. Sommige soorten bewonen droge, onvruchtbare, hoog gelegene gewesten, woestijnen, steppen, gebergten of de ijle bosschen van de regenarme gedeelten van Afrika en van het Aziatisch hoogland; andere geven aan de vruchtbaarste vlakten, vooral aan de oevers van rivieren of aan dichte rietbosschen, boven alle andere woonplaatsen de voorkeur; eenige komen in de nabijheid van de nederzettingen der menschen, andere blijven schuw in de duisternis der dichtste wouden; er zijn er, die op boomen leven, terwijl andere zich alleen op den grond ophouden. Rotsspleten en kloven, hooge boomen en gaten in den grond, die zij zelf graven of van anderen in bezit nemen, dichte opeenhoopingen van struiken enz. vormen hunne woningen en rustplaatsen gedurende het deel van den dag, waarop zij hunne krachten sparen.

De meeste Viverren zijn nachtdieren, vele daarentegen echte dagdieren, die zich, behalve gedurende de middaguren, met de jacht bezighouden, zoolang de zon aan den hemel staat, maar zich na zonsondergang in hunne schuilhoeken terugtrekken.

Slechts enkele soorten zou men traag, langzaam en eenigszins log kunnen noemen; de meeste kunnen in behendigheid en vlugheid met de flinkste Roofdieren wedijveren. Eenige geslachten zijn echte teengangers, terwijl andere bij ’t gaan de geheele zool op den grond laten rusten; enkele soorten klimmen, de meeste blijven op den grond. Hunne zinnen zijn zeer scherp, vooral de drie edelste: het gezicht, het gehoor en de reuk. Dit maakt hen uitnemend geschikt voor het roovershandwerk; slechts in de eigenlijke Marters vinden zij beroepsgenooten, die tegen hen opgewassen zijn. Alle Viverren zijn in de hoogste mate roofzuchtig en bloedgierig; zij vallen alle dieren aan, die zij meenen te kunnen overmeesteren. Waarschijnlijk vormen kleine Zoogdieren, Vogels, vogeleieren en allerlei Insecten de hoofdbestanddeelen van hun voedsel; niet weinige soorten maken echter ook jacht op Reptiliën, Amphibiën, Visschen en Schaaldieren. De behendigheid en de moed, die vele Viverren in den strijd met de vergiftigste Slangen toonen, werden reeds in overouden tijd geroemd door alle volken, die hen leerden kennen; van enkele soorten worden naar aanleiding van dezen strijd zeer zonderlinge fabels verteld. Zoolang zij wakker zijn, zwerven zij onverpoosd door hun jachtgebied, bespieden en onderzoeken elke opening, elke spleet, elke uitholling, het open veld zoowel als het dicht begroeide bosch, de rietbosschen zoowel als de met steenen bedekte hellingen, kortom iedere plaats waar zij een prooi kunnen verwachten. Hun rusttijd brengen zij daarentegen, meestal tot een bal ineengerold, in stille afzondering door; gewoonlijk blijven zij liggen op de plaats, waar de morgen hen verrast; daar slechts weinige een vaste slaapplaats hebben.—Van sommige soorten hoort men een heesch en dof geknor, van andere een schel, eentonig gefluit; in de stem van enkele soorten is meer afwisseling op te merken.

Merkwaardig is de vrij sterke muscusreuk, die vele soorten verbreiden. Deze is te danken aan het “civet”—een olieachtige of vettige, welriekende stof, die door de reeds genoemde civetklieren afgescheiden en in een zak vóór de aarsopening opgehoopt wordt.

Evenals bij de overige Roofdieren varieert ook bij de Viverren het aantal jongen tamelijk sterk; voor zoover men weet, wisselt het af van 1 tot 6. De moeders betoonen zeer veel liefde aan haar kroost; bij eenige soorten neemt de vader een deel van de zorg voor de kinderen op zich. In den regel kunnen de jongen gemakkelijk getemd worden; zij worden even vertrouwelijk als goedaardig, als de oude dieren bijtlustig, wild en onhandelbaar zijn. Tegen de gevangenschap zijn zij goed bestand; in eenige landen houdt men van sommige soorten een menigte exemplaren gevangen met het doel om het kostbare afscheidingsproduct der civetklieren gemakkelijker te kunnen verkrijgen. Andere Viverren worden met goed gevolg binnenshuis voor de jacht op schadelijk gedierte gebruikt.

Over ’t geheel genomen, kan het nut, dat de Viverren ons aanbrengen, waarschijnlijk wel opwegen tegen de schade, die zij aanrichten. In de landen die zij bewonen, hinderen de door hen gepleegde rooverijen den mensch niet veel; deze zag echter al voorlang in, dat de Viverren hem nuttig zijn door het verslinden van schadelijke dieren, zooals o.a. blijkt uit het voor heilig houden van een der Viverren door de Egyptenaars der oudheid.

*

De beide belangrijkste geslachten van deze familie zijn dat der Civetkatten (in engeren zin) (Viverra) en dat der Mangoesten (Herpestes), gene hebben geheel, of ten deele terugtrekbare, deze vooruitstekende nagels.

De Civetkatten (in engeren zin) hebben een langwerpig lichaam met slappen, langen of middelmatig langen staart; zij staan tamelijk hoog op de pooten, hebben behaarde zolen (als de Katten) en zijn teengangers; de voeten hebben vijf teenen met in den regel half terugtrekbare nagels. De overige kenmerken van het geslacht zijn: de korte, breede ooren, de matig groote oogen met rondachtige pupil, de spits toeloopende snuit, waarvan de neus sterk vooruitsteekt, het zachte vel en de zeer sterk ontwikkelde, vóór de aarsopening gelegen klierzak, waarin zich de stof verzamelt, die door de civetklieren afgescheiden wordt.

De Afrikaansche Civetkat (Viverra civetta) heeft ongeveer de grootte van een middelmatigen Hond, maar heeft meer het uiterlijk van een Kat; zij houdt, wat haar voorkomen betreft, ongeveer het midden tusschen deze en een Marter. De gewelfde, breede kop heeft een tamelijk spits toeloopenden snuit, kort toegespitste ooren en scheefgeplaatste oogen met ronde pupil. De romp is langwerpig, maar niet schraal, krachtig gebouwd in vergelijking met de meeste andere leden van de familie; de staart is ongeveer half zoo lang als het lichaam en dus middelmatig; de pooten zijn middelmatig lang. De niet bijzonder lange beharing is dicht, grof en los; de tamelijk lange, stijve haren op het midden van hals en rug kunnen opgericht worden; deze “manen” zijn zelfs op een deel van den staart nog merkbaar. Van de fraaie, aschgrauwe, soms naar geel zweemende grondkleur onderscheiden zich duidelijk de talrijke, ronde en hoekige, zwartbruine vlekken, welker grootte en rangschikking bij verschillende individuën zeer ongelijk kan zijn; op de zijden vormen zij duidelijk dwarse strepen. De manen zijn zwartachtig bruin, de buikzijde is lichter van kleur dan de rugzijde, en de zwarte vlekken zijn hier duidelijker begrensd. De staart, die aan den wortel tamelijk dik met haar begroeid is, vertoont 6 of 7 zwarte ringen en eindigt in een zwartachtig bruine spits. Een lange vierhoekige, schuin van boven naar achteren gerichte, witte vlek, bevindt zich aan iedere zijde van den hals. Het lichaam is ongeveer 70 cM. lang zonder den half zoo langen staart; de hoogte in de schouders bedraagt 30 cM.

De Afrikaansche Civetkat bewoont hoofdzakelijk de westelijke gedeelten van tropisch Afrika, nl. Opper- en Neder-Guinea. Ook in het oosten van Afrika komt zij voor, hoewel in kleiner aantal. Evenals de meeste soorten der familie, is zij meer nachtdier dan dagdier. Den dag brengt zij slapend door, des nachts gaat zij op roof uit en tracht de kleine Zoogdieren en Vogels, die zij bemachtigen kan, sluipend te naderen of te verrassen. Men zegt, dat vogeleieren haar lievelingskost zijn, en dat zij zeer ervaren is in het opsporen der nesten, waartoe zij zelfs in de boomen klimt. In geval van nood eet zij ook Amphibiën, ja zelfs vruchten en wortels.

Afrikaansche Civetkat (Viverra civetta). ⅙ v. d. ware grootte.

Afrikaansche Civetkat (Viverra civetta). ⅙ v. d. ware grootte.

Men houdt dit dier opgesloten in stallen of kooien, die zoo ingericht zijn, dat men gemakkelijk het civet kan verkrijgen; hiertoe wordt het dier met een touw vastgebonden aan de staven van de kooi; met de vingers wordt de klierzak omgekeerd en de klieren, welker afscheidingsproduct door vele openingen in dezen zak uitmonden, uitgedrukt. In den regel geschiedt dit twee maal per week; de opgaven omtrent de hoeveelheid civet, die men hierdoor verkrijgt, loopen zeer uiteen. In verschen toestand is het civet een witte schuimachtige stof, die later bruin wordt en iets van haren fijnen geur verliest. De beste soort is, naar men zegt afkomstig van de Aziatische Civetkat, en wel van het eiland Boeroe, een der Molukken. Het Javaansche civet heet ook nog beter te zijn dan het Bengaalsche en Afrikaansche. Tegenwoordig is de handel in dit artikel aanmerkelijk verminderd, daar de muscus meer en meer boven het civet wordt verkozen.

Alpinus zag in Kaïro bij verscheidene Joden Civetkatten in ijzeren kooien. Men gaf dezen dieren niet anders dan vleesch te eten om te maken, dat zij de grootst mogelijke hoeveelheid civet afscheiden en goede rente opleveren zouden. In zijn tegenwoordigheid werd van deze dieren civet verkregen; voor 1 drachme moest hij 4 dukaten betalen. In vroegeren tijd werden ook te Lissabon, Napels, Rome, Mantua, Venetië, Milaan, verscheidene Duitsche steden en vooral ook in Nederland met het genoemde doel Civetkatten in gevangenschap gehouden. Jong gevangen dieren verdragen het verlies van hun vrijheid veel beter, dan exemplaren die op lateren leeftijd buit gemaakt zijn en worden weldra zeer tam en aan den mensch gehecht. De sterke muscusreuk, die deze dieren verbreiden, is voor menschen met zwakke zenuwen bijna onverdraaglijk.

Bijna alles wat van de vorige soort gezegd werd, geldt ook van de echte of Aziatische Civetkat (Viverra zibetha), die in Indië Bagdos, Bhran of Khatas wordt genoemd, en lang voor een verscheidenheid van de Afrikaansche soort gehouden werd. Zij verschilt van deze echter niet alleen door de kleur en de vlekkenteekening, maar in vele opzichten ook door de gedaante. Haar kop is spitser, haar romp schraler, hare ooren zijn langer, en van manen is bij haar niets te bespeuren. Haar grondkleur is dof bruinachtig geel, waarbij een groot aantal dicht bijeen geplaatste, donker roestroode vlekken van verschillenden vorm afsteken. Op den rug vloeien deze vlekken ineen tot een breede, zwarte streep, aan de zijden zijn zij zeer onduidelijk. Een volwassen dier van deze soort heeft zonder den 56 cM. langen staart een lengte van 80 cM. en een schouderhoogte van 38 cM.; het weegt 8 à 12 KG.

De Aziatische Civetkat werd door de Maleiers, die haar Tinggalong noemen, ver verbreid. Haar vaderland is volgens Blanford: Bengalen, Assam, Birma, Zuid-China, Siam en het Maleische Schiereiland. In den regel leeft dit dier eenzaam en zwerft ’s nachts rond, niet zelden strekt het zijne plundertochten ook tot in de woningen der menschen uit, en rooft dan vooral Hoenderen en Eenden. Voor het overige voedt het zich met vruchten en wortels van verschillende soort, alsook met Insecten, Vorschen, Slangen, eieren en met alle Zoogdieren en Vogels, die het overmeesteren kan.

In den laatsten tijd komt een Civetkat, die Rasse (Viverra malaccensis) heet, dikwijls in de dierentuinen voor. Zij is aanmerkelijk kleiner dan de vorige, maar heeft een langeren staart; haar lichaamslengte bedraagt hoogstens 60 cM., zonder den omstreeks 50 cM. langen staart. De zeer smalle kop met de betrekkelijk groote ooren kenmerken haar. De ruige vacht is grijsgeel-bruinachtig en zwart gevlamd, met reeksen van donkere vlekken; de staart is met verscheidene ringen geteekend.

De Rasse bewoont, met uitzondering van het Indusgebied en het westen van Radschpoetana, geheel Indië van den voet van den Himalaja tot en met Ceylon, voorts Assam, Birma, Zuid-China, het Maleische Schiereiland, Sumatra, Java en vermoedelijk ook andere eilanden van Zuidoost-Azië. In haar vaderland staat zij in hoog aanzien wegens het civet, waarvan door de Maleiers een veelvuldig gebruik wordt gemaakt. Men besprenkelt met deze welriekende stof, waaraan andere geurige stoffen toegevoegd worden, de kleederen, maar geeft op deze wijze ook aan de kamers en bedden een voor Europeesche neuzen onverdraaglijken geur.

*

Het ondergeslacht der Genetkatten (Genetta) is gekenmerkt door den zeer lang gerekten romp, de onbehaarde overlangsche strook op de zolen, de terugtrekbare klauwen aan de vijf teenen der voor- en achterpooten, den langen staart en de middelmatige groote ooren. Een ondiepe klierzak bevindt zich vóór de aarsopening.

De meest bekende soort is de Genetkat (Viverra genetta), de eenige in Europa voorkomende Civetkat; zij en twee Mangoesten zijn de eenige Europeesche vertegenwoordigers van de familie der Viverren. In vele opzichten gelijkt zij op hare vroeger beschrevene verwanten, ook wat de kleur betreft. Haar lichaam is, zonder den 40 cM. langen staart, 50 cM. lang, de hoogte in de schouders bedraagt 15 à 17 cM. Het lichaam staat zeer laag op de pooten en is buitengemeen slank; de kleine, van achteren breede kop eindigt in een langen snuit en draagt breede, in een stompe punt uitloopende ooren. De pupil is, als die van de Kat, over dag spleetvormig. De afscheiding van een vettig, naar muscus riekend vocht is hier slechts gering. De grondkleur van de korte, dichte en gladde vacht is een naar geel zweemend lichtgrijs met donkere vlekken.

Het Atlas-gebied is het eigenlijke vaderland van dit diertje, dat een bijzonder sierlijke gestalte heeft, maar tevens zeer moord- en roofgierig, bijtlustig en moedig is. Het komt echter ook in Europa voor: vooral in Spanje is de Genetkat een vaste bewoner van de voor haar geschikte verblijfplaatsen, hoewel men haar hoogst zelden ontmoet. Zij houdt zich zoowel in bosch- en boomlooze als in boschrijke gebergten op, komt echter ook in de vlakten. Aan vochtige plaatsen in de nabijheid van bronnen en beken, boschrijke gewesten, berghellingen, die met vele ravijnen doorsneden zijn, en dergelijke plaatsen geeft zij de voorkeur. Hieruit wordt zij soms ook wel over dag door den jager opgeschrikt; die haar gewoonlijk wegens de gelijkheid van hare kleur met die der omgeving te kort in ’t gezicht behoudt, om haar te kunnen treffen. Zij kronkelt zich als een Aal, met de behendigheid van een Vos, tusschen de steenen, struiken en kruiden door. Hare bewegingen zijn even bevallig en sierlijk als vlug en behendig. Ik ken geen enkel Zoogdier, dat zoo zeer de buigzaamheid van de Slang aan de snelheid van den Marter paart. De volmaaktheid van hare bewegingen is werkelijk bewonderenswaardig. Uit Tschintschotscho, een der standplaatsen van de Loango-expeditie van Güszfeldt, schreef Pechuel-Loesche: “Civetkatten en Genetten hebben wij hier vaak gevangen gehouden. De Civetkatten zijn zeer onaardige dieren, die men nooit recht vertrouwen kan, en welker reuk bovendien onverdraaglijk is; de Genetten echter worden zeer tam, luisteren naar haar naam, loopen haar verzorger zelfs op klaarlichten dag als Honden na, en verschaffen op allerlei wijzen zeer veel genoegen. In onze hoofdbarak was een half-volwassen dier van deze soort, die zich volkomen thuis gevoelde; hij vond er naar het scheen, rijkelijk voedsel aan de Ratten, die er tot onze spijt in groote menigte waren. Als wij des avonds in de gemeenschappelijke kamer gezellig bij elkander zaten, vertoonde het diertje zich dikwijls op de onderste balken van het dak, keek nieuwsgierig naar omlaag en wipte dan met een sierlijken sprong op de tafel. Daar schuifelde het, terwijl het zachtjes zijn helder geluid liet hooren, van den een naar den ander, liet zich een oogenblikje streelen en plagen, en verdween weldra zooals het gekomen was.”—In Noord-Amerika wordt dit dier, evenals onze Kat, voor het bestrijden der Ratten- en Muizenplaag in de huizen gehouden. Het vel van de Genetkat wordt door de bontwerkers zeer gezocht.

*

Maleische Palmroller of Koffierat (Paradoxurus hermaphroditus). 1/7 v. d. ware grootte.

Maleische Palmroller of Koffierat (Paradoxurus hermaphroditus). 1/7 v. d. ware grootte.

Het naast aan de Civetkatten komen de Palmrollers of Rolmarters (Paradoxurus). Zij zijn half-zoolgangers: aan het achterste gedeelte van den voetwortel komt een onbehaarde eeltbal voor. De staart, die tot den naam van deze dieren aanleiding heeft gegeven, is bij verscheidene soorten voor oprolling vatbaar; deze eigenaardigheid valt echter niet bijzonder in ’t oog. De vijf teenen van voor- en achterpooten hebben klauwen, die in meerdere of mindere mate terugtrekbaar zijn, en, evenals die der Katten, bij het grijpen van de prooi en als verdedigingsmiddel dienst doen.

Alle soorten bewonen Zuid-Azië en de naburige eilanden, gaan eerst na zonsondergang op roof uit, en bewegen zich dan vlug en behendig genoeg om kleine Zoogdieren en Vogels met goed gevolg te naderen; zij voeden zich echter ook met vruchten.

De Indische Palmroller (Paradoxurus niger) gelijkt door zijn gestalte en ook door zijn kleurschakeering op de Genetkatten. Hij is ongeveer zoo groot als onze Huiskat: het lichaam is 45 à 55 cM., de staart bijna even lang; de schouderhoogte bedraagt 18 cM. De romp is langwerpig, maar dikker dan bij de Genetkatten; de pooten zijn kort en krachtig; de lange staart kan zoowel naar onderen als naar boven ineengerold worden. De ooren zijn middelmatig groot; de zeer uitpuilende oogen hebben een bruine iris en een groote, buitengemeen beweeglijke pupil, die tot een haarfijne spleet vernauwd kan worden. De vacht bestaat uit veel wol- en weinig bovenhaar. Haar grondkleur wisselt af van zwart tot bruingrijs, en is met donkere streepen en reeksen van vlekken geteekend.

De Indische Palmroller komt algemeen voor op Ceylon en (met uitzondering van het Indusgebied) in nagenoeg alle gewesten van Voor-Indië, tot aan den voet van den Himalaja, voor zoover zich daar bosschen of boomaanplantingen bevinden; hij leeft zoowel in de wildernis als in de nabijheid van menschelijke woningen, waar hij zich niet zelden in de bijgebouwen nestelt. Evenals alle leden der familie maakt hij ijverig jacht op Zoogdieren en Vogels, eet ook de eieren en de jongen in het nest op, voedt zich ook wel met Hagedissen, Slangen en Insecten en houdt bijzonder veel van vruchten. In de ananas-kweekerijen richt hij soms groote schade aan; in de koffietuinen is hij dikwijls een hoogst lastige gast; ook is hij een liefhebber van palmwijn. Bovendien plundert hij niet zelden het hoenderhok.

De Indische Palmroller wordt in Birma, Siam, het Maleische Schiereiland, Sumatra, Java en Borneo vervangen door den Maleischen Palmroller, Musang of Koffie-rat (Paradoxurus hermaphroditus). Deze heeft een lichaamslengte van 42 cM.; zijn staart is gewoonlijk een weinig korter. De kleur van de vacht vertoont ook bij hem veel variatie.

Van het leven van dit dier in den natuurstaat en meer bepaaldelijk van zijn werkzaamheid in de Javaansche koffietuinen heeft Junghuhn een verslag gegeven: “Als de vruchten van de koffie-boomen rijp worden, meer en meer een scharlakenroode kleur aannemen, als volwassenen en kinderen van beiderlei geslacht de roode bessen van de takken plukken en met gevulde korven zich naar de lager gelegene drogerijen begeven, ziet men dikwijls op de wegen, die rechtlijnig en elkander kruisend door de koffietuinen loopen, zonderlinge, witachtige drekhoopjes liggen, die geheel en al uit aaneengekleefde, maar overigens volkomen gave koffieboonen bestaan. Deze zijn afkomstig uit het spijskanaal van den Musang, die bij de bergbewoners als hoenderdief in een kwaden reuk staat, maar zich ook met vruchten voedt; bijzonder graag bezoekt hij de koffietuinen, als de vruchten rijp zijn; hier wordt hij dan ook het meest door de Javanen gevangen. Hij verteert het vleezige, sappige gedeelte van den vruchtwand, en werpt de koffieboonen onverteerd weer uit. Volgens de Javanen leveren juist deze boonen de allerbeste koffie, waarschijnlijk omdat het dier alleen de rijpste vruchten eet. Behalve met vruchten voedt de Musang zich met Vogels en Insecten, vangt vele Wilde Hoenderen, zuigt de eieren uit van tamme en wilde Vogels, en schijnt vooral van eieren veel te houden. Gevangen dieren zijn dikwijls weken achtereen met pisang tevreden; zij worden weldra zoo gehecht aan het huis van hun meester, dat deze hen vrij kan laten rondloopen. Als honden volgen zij den persoon, die hen van voedsel voorziet en van tijd tot tijd op een kippenei tracteert; zij laten zich door hem opnemen en streelen.”

Een in China en op Formosa levende soort is de Larfroller (Paradoxurus larvatus). In grootte stemt hij ongeveer overeen met zijne verwanten. De kleur van zijn dicht haarkleed is aan den kop grootendeels zwart, aan wangen, onderkaak, keel en hals echter grijs, aan de bovendeelen van den romp geelachtig grijs. Een witachtige streep, die bij het onbehaarde puntje van den neus begint, loopt over het voorhoofd tot aan het achterhoofd, een andere streep is boven de oogen en een derde onder de oogen gelegen. De ooren, de staartspits en de voeten zijn zwart.

*

Van de Viverren met niet terugtrekbare klauwen moeten in de eerste plaats genoemd worden de Mangoesten of Ichneumons, die sedert overouden tijd beroemd zijn.

De Mangoesten (Herpestes) onderscheiden zich door de volgende kenmerken: de romp, die altijd op korte pooten rust is langgerekt en rolvormig, de kop klein of hoogstens middelmatig groot, de snuit toegespitst, het oog tamelijk klein, de pupil cirkelvormig of langwerpig rond, het oor kort en rondachtig, de neus kort, naakt, van onderen glad, in het midden gegroefd, iedere poot vijfteenig, de staart kegelvormig, het vel ruig en langharig. Het gebit bestaat uit 40 voor ’t meerendeel krachtige tanden.

Het is billijk, dat wij aan den Ichneumon, de “Pharao-rat”, het heilige dier der oude Egyptenaars (Herpestes ichneumon) den voorrang geven, wegens den roem, dien het zich reeds in de oudste tijden verworven heeft, en de achting, die het vroeger genoot. Reeds Herodotus verhaalt, dat de Ichneumons in iedere stad op heilige plaatsen gebalsemd en begraven werden. Strabo bericht, dat dit voortreffelijke dier nooit groote slangen aanvalt, zonder eenige van zijne metgezellen te hulp te roepen, maar dan ook zelfs over de vergiftigste dieren gemakkelijk zegepraalt. Daarom duidt zijn beeltenis in het heilige beeldenschrift een zwak mensch aan, die den bijstand van zijne medemenschen niet ontberen kan. Aelianus daarentegen beweert, dat het onverzeld op de slangenjacht gaat, maar listig genoeg is, om zich uit voorzorg in het slijk te wentelen en de slijkkorst in de zon te laten drogen, om een pantser te verkrijgen, dat zijn lichaam tegen zijn vijand beschut, terwijl het den snuit tegen beten beveiligt door er den staart voor te houden. De sage is hiermede echter nog niet voldaan, maar dicht aan den moedigen strijder voor het algemeen belang nog andere daden toe, die ons door Plinius medegedeeld worden. De Krokodil n.l. gaat, als hij zich zat gegeten heeft, rustig op een zandbank liggen en spert dan den vreeselijk getanden muil ver open, ieder met den dood bedreigend, die het wagen mocht, hem te naderen. Slechts aan een kleinen Vogel is dit geoorloofd; deze heeft de stoutmoedigheid het voedsel, dat tusschen de tanden is blijven zitten, van daar weg te pikken. Ieder dier ontwijkt vol vrees de nabijheid van het monster, behalve de bedoelde Vogel en—de Ichneumon. Deze nadert stil, wipt met een stouten sprong in den gevaarlijken bek, bijt en woelt zich door het keelgat heen, verscheurt het hart van het slapende ondier, doodt het zoodoende en baant zich nu, met bloed bedekt, met zijne scherpe tanden een weg door het lichaam van het monster naar buiten. Ook spoort de overal rondsluipende Ichneumon de plaatsen op, waar het gevreesde Reptiel zijne talrijke eieren verborgen heeft; het graaft en woelt den grond op, totdat het de diep verborgen schat bereikt; dan eet het in korten tijd, ondanks de waakzaamheid van de moeder, het geheele nest leeg en wordt hierdoor tot een onwaardeerbaren weldoener van de menschheid. Het valt niet te betwijfelen, dat de Egyptenaren deze verhalen geloofd hebben, en dat zij eerst door hun tusschenkomt ter kennis van de hierboven genoemde schrijvers zijn gekomen: deze overigens zoo nauwkeurige onderzoekers hebben zich laten beetnemen. Want al die fraaie verhalen over den Ichneumon zijn onjuist. Hoewel men eerst in den laatsten tijd nauwkeurige berichten over de levenswijze en de gewoonten van dit dier heeft kunnen krijgen, hebben verscheidene reizigers toch al eeuwen geleden in hunne geschriften het groote nut van den Ichneumon in twijfel getrokken; deze kwestie had men dus reeds voor lang als afgedaan kunnen beschouwen, indien niet vele menschen al te hardnekkig bleven hangen aan overleveringen, die hun dierbaar geworden zijn.

De volwassen Ichneumon is aanmerkelijk grooter dan onze Huiskat, want zijn lichaamslengte bedraagt, zonder den minstens 45 cM. langen staart, ongeveer 65 cM. Wegens zijne korte pooten schijnt hij echter korter dan hij is. Slechts zelden vindt men volwassene mannetjes, die in de schouders hooger dan 20 cM. zijn. Het lichaam is slank zooals bij alle Civetkatten, maar op lange na niet zoo sierlijk als bij de Genetkatten; het is in vergelijking met de meeste andere leden dezer familie zelfs zeer krachtig gebouwd. De pooten zijn kort, de zolen onbehaard en de teenen bijna tot op de helft van hun lengte door korte spanvliezen vereenigd. De lange staart schijnt door de lange beharing aan den wortel zeer dik; men zou haast kunnen zeggen, dat hij onmerkbaar in den romp overgaat; hij eindigt in een penseelvormigen kwast. De omgeving van de oogen is naakt, daardoor komen de kleine, vurige oogen, die een ronde pupil hebben, des te duidelijker voor den dag. De ooren zijn kort, breed en afgerond. De vacht is zeer eigenaardig. Zij bestaat uit dicht bijeengeplaatste wolharen van roestgeelachtige kleur, die echter overal door de 6 à 7 cM. lange bovenharen overdekt worden. Deze zijn zwart en geelachtig wit geringd en loopen in een vaalgele spits uit. Hierdoor verkrijgt het geheele haarkleed een groenachtig grijze kleur, die uitmuntend past bij de verblijfplaatsen van het dier. Aan den kop en op den rug wordt de kleur donkerder, aan de zijden en aan den buik valer; de pooten en de staartkwast zijn donker zwart; er komen echter ook afwijkingen voor.

De Pharaorat is niet alleen over geheel Noord-Afrika en over een groot deel van Voor-Azië (Palestina b.v.) verbreid, maar komt ook in Oost- en Zuid-Afrika voor, en misschien ook in andere landen van dit werelddeel, alsook op Madagaskar, waar zij waarschijnlijk door den mensch ingevoerd is. Nooit verwijdert zij zich ver van de vlakten. Haar eigenlijke woonplaatsen in Egypte zijn de dicht begroeide oevers van de rivieren en de dichte rietbosschen, die vele velden omgeven. Hier houdt het dier zich over dag op en maakt tusschen de riethalmen smalle, maar hoogst zorgvuldig gezuiverde looppaden, die naar diepe, maar niet zeer uitgestrekte holen leiden. Hier brengt het wijfje in de lente- of eerste zomermaanden 2 à 4 jongen ter wereld, die zeer lang gezoogd en nog veel langer door beide ouders opgepast worden.

Den naam Ichneumon, die “opspoorder” beteekent, verdient dit dier in ieder opzicht. Door zijne gewoonten en inborst gelijkt de “opspoorder” op de in gestalte met hem overeenkomende Marters, welker onaangename reuk hem eigen is en waarmede hij de listigheid, de behendigheid in ’t stelen en de moordlust gemeen heeft. Hij is in de hoogste mate vreesachtig, voorzichtig en wantrouwend. Nooit waagt hij zich in ’t open veld, altijd sluipt hij zoo goed mogelijk gedekt en met de grootste voorzichtigheid voort, toch strekt hij zijne zwerftochten vrij ver uit. Hij gaat over dag op roof uit en eet alles, wat hij met zijn list overmeesteren kan: alle Zoogdieren, die niet grooter zijn dan een Haas, alle Vogels, die niet grooter zijn dan het Hoen en de Gans. Bovendien verslindt hij Slangen, Hagedissen, Insecten, Wormen enz. en waarschijnlijk ook vruchten. Door zijne dieverijen heeft hij zich den grootsten haat en de verachting van de Egyptische boeren op den hals gehaald; omdat hij hunne hoenderhokken en duiventillen op de onbarmhartigste wijze plundert, en vooral zeer gevaarlijk wordt voor de hoendernesten, die daar geheel op de wijze van de Vogels, die in den natuurstaat leven, aangelegd zijn. Werkelijk nut doet hij zoo goed als in ’t geheel niet; tenzij men hem de verdelging van Slangen zeer hoog wil aanrekenen.

Zijn gang is hoogst eigenaardig: ’t is, alsof het dier over den grond voortkruipt, zonder een lid te bewegen; want daar de korte pooten door de lange haren van den romp volkomen bedekt worden, is hun beweging ter nauwernood zichtbaar. In de zomermaanden ziet men hem zelden alleen, maar steeds in gezelschap van zijn gezin. Het mannetje gaat vooraan, het wijfje volgt, en na de moeder komen de jongen. Ieder lid van de familie loopt altijd vlak achter het andere, en zoo heeft het er allen schijn van dat de geheele reeks van dieren slechts een enkel wezen vormt, dat ongeveer vergeleken kan worden met een merkwaardig lange slang. Soms blijft de vader staan, licht den kop op en kijkt rond; hij richt daarbij de neusgaten naar alle zijden en snuift als een hijgend dier. Als hij de zekerheid heeft verkregen, dat er geen reden voor vrees bestaat, gaan alle in optocht verder; als hij een buit bemerkt, kronkelt hij zich als een Slang onhoorbaar tusschen de halmen door om naderbij te komen en plotseling ziet men hem 1 of 2 sprongen maken, zelfs naar een reeds opgevlogen Vogel. Voor een muizengat loert hij zonder beweging te maken; een Rat, een jonge Vogel sluipt hij met grappige bedachtzaamheid na.

Waarschijnlijk speurt hij even goed als de beste Hond; men weet althans zeker, dat hij zich op de jacht voornamelijk door den reuk laat leiden. Als hij eieren vindt, drinkt hij ze leeg; van Zoogdieren en Vogels zuigt hij in den regel alleen het bloed uit, en vreet de hersenen op. Hij vermoordt veel meer dieren, dan hij verslinden kan.

Zijn stem hoort men alleen dan, als hij door een kogel aangeschoten wordt, anders zwijgt hij, zelfs bij de pijnlijkste verwonding. De Egyptenaars beweren echter, dat hij ook in den paartijd zijn vrij schel, eentonig gefluit laat hooren.

De Ichneumon-jacht is in de oogen van de Egyptenaars een in de hoogste mate verdienstelijk werk. Men behoeft slechts in een dorp te gaan, en daar te berichten, dat men de Nims—zoo heet dit dier bij de Arabieren—wil jagen: dan is voorzeker oud en jong gaarne bereid om den gehaten schurk en gauwdief te helpen dooden. Men gaat op weg naar een lange strook rietland, kiest daar een geschikte standplaats en laat de menschen langzaam het wild opdrijven. Het dier bemerkt zeer goed waar het om te doen is, en zoekt, zoodra de drijvers geraas beginnen te maken, een schuilplaats in een van zijne holen; dit baat hem echter maar zeer weinig, want de Arabieren verdrijven hem met hunne lange stokken ook uit zijne vluchtgangen en zoo ziet hij zich genoodzaakt tot een ander rietveld zijn toevlucht te nemen. Met groote voorzichtigheid sluipt hij tusschen de halmen door, luistert en snuffelt van tijd tot tijd, maar hoort de vervolgers al nader en nader komen en moet eindelijk toch het besluit nemen over een plek, waar hij zich niet volkomen dekken kan, heen te loopen. Hij is gewoon in gebogen houding en zachtjes er over heen te glijden, om zich niet te verraden door een snelle beweging. Men moet hem met zeer groven hagel en op korten afstand schieten, als men hem dooden wil; want wegens de ongeloofelijke taaiheid van zijn leven verdraagt hij een geducht schot, en ontsnapt stellig nog, indien hij niet dadelijk gedood wordt.

Fransche onderzoekers verklaren, dat gevangen exemplaren zich gemakkelijk laten temmen, zachtzinnig worden, de stem van hun meester herkennen en dezen als een Hond volgen. Nooit zijn zij echter in rust, verschuiven alles in het huis en worden door het omwerpen van allerlei zaken lastig. Daarentegen maken zij zich in een ander opzicht zeer verdienstelijk. Een huis, waarin men een Ichneumon houdt, is in den kortst mogelijken tijd geheel gezuiverd van Ratten en Muizen; want het Roofdier houdt zich onverpoosd met de jacht op deze Knaagdieren bezig. Met den gevangen buit loopt hij in een donkeren hoek, en toont door zijn grommen en knorren, dat hij zijn eigendom wel weet te verdedigen.

Alle Mangoesten gelijken in lichaamsbouw op elkander; de meeste komen ook door hunne handelingen overeen. Wij zouden dus met de bovenstaande beschrijving van den Ichneumon ons doel bereikt kunnen achten, indien nog niet eenige andere soorten waard waren besproken te worden. De soort, die in beroemdheid op de Pharao-rat volgt, en deze in Indië vervangt, is de Mungo, de Mungoose der Engelschen (Herpestes mungo). Deze is aanmerkelijk kleiner dan de Ichneumon; zijn lichaamslengte bedraagt 40 à 50 cM., de lengte van den staart is iets geringer. Het lange, ruige haar is grijs, onder de spits breed wit geringd, waardoor een zilverkleurige sprenkeling en een lichtgrijze kleur ontstaan.

Mungo (Herpestes mungo). ⅕ v. d. ware grootte.

Mungo (Herpestes mungo). ⅕ v. d. ware grootte.

Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Vóór-Indië, oostwaarts waarschijnlijk tot Assam, westwaarts stellig tot Afghanistan en Beloetsjistan, bovendien ook Ceylon.

De Mungo houdt van omheiningen, hagen en aanplantingen, van de met bosch begroeide oevers van waterloopen en van met steenen bedekte hellingen, waar veel struikgewas groeit; dikwijls houdt hij zich bij de woningen van menschen op, waar hij niet zelden groote schade aanricht onder het gevogelte. In door hem zelf gegraven holen in den grond werpt hij 3 of 4 jongen. Hij houdt, naar ’t schijnt, ook van sappige vruchten, maar doet vooral zijn best om vleesch te krijgen. Hij loopt van rots tot rots, van steen tot steen, van ’t eene hol naar ’t andere en onderzoekt de streek zoo grondig, dat hem niet licht iets eetbaars ontgaan zal. Van tijd tot tijd ziet men hem in het een of ander klein hol verdwijnen, en als hij weer te voorschijn komt, brengt hij stellig een Muis, Rat, Hagedis, Slang of dergelijk dier mede, dat hij in diens eigen woning gevangen heeft

Beroemd en geëerd is de Mungo vooral geworden door zijn strijd met de vergiftige Slangen. Ondanks zijn geringe grootte kan hij zelfs de Brilslang dooden. Zijn behendigheid verschaft hem de overwinning. De inboorlingen beweren, dat hij, na door een vergiftige Slang gebeten te zijn, een kruid met een zeer bitteren wortel, dat onder den naam “Mangus wail” bekend is, uitgraaft, door het gebruik van dit geneesmiddel oogenblikkelijk herstelt, en na weinige minuten den strijd met de Slang kan voortzetten. Zelfs nauwgezette onderzoekers verzekeren, dat er iets waars is in deze zaak; zij berichten althans, dat de gebeten en afgematte Mungo van de strijdplaats wegloopt, om wortels te zoeken, en hierdoor gesterkt, den strijd hervat. Blanford noemt het verhaal van het tegengif ongegrond. Indien werkelijk de Mungo over een tegengif kon beschikken, zou het onverklaarbaar zijn, waarom andere slangenjagers, zooals de Sekretaris-vogel, de verschillende soorten van Slangenarenden enz., zonder een dergelijk middel de Slangen aanvallen. Ook zou men in dit geval kunnen verwachten, dat het bewustzijn van de onwerkzaamheid van het gif hem zou nopen bij zijn aanval zonder eenigen schroom te handelen, terwijl men integendeel, behalve zijn stoutmoedigheid, juist de merkwaardige vlugheid en behendigheid moet bewonderen, waardoor hij de vooruitschietende bewegingen van de zich verwerende Slang weet te ontgaan, en de list, die hij bij den aanval ten toon spreidt. Bovendien maken zijne stijve haren, die gedurende den strijd overeind staan, en zijn dikke huid het voor de Slang veel moeielijker hem haar gif in te enten; wanneer haar dit echter gelukt, sterft de Mungo er aan, evenals ieder ander dier, hoewel bij hem, naar het schijnt, de verschijnselen langzamer optreden dan bij andere, even groote Zoogdieren.

In de jaren tusschen 1870 en 1880 is de Mungo op Jamaika ingevoerd; sedert dien tijd heeft hij, naar gezegd wordt, door verdelging van de Ratten, die de suikerrietplantages vernielen, een schade voorkomen, die op meer dan een millioen gulden per jaar geschat wordt.

Van alle Mangoesten is de Mungo—die aan het geheele geslacht den naam heeft verschaft—het meest geschikt om getemd te worden, omdat hij een bijzonder zindelijk, net, vroolijk en betrekkelijk goedaardig dier is.

Sterndale bezat een Mungo, die drie jaar lang in Indië zijn vaste begeleider en bovendien gehoorzaam en trouw als een Hondje was. “Pips” wist precies, wanneer zijn meester hem een vogel wilde schieten, ging opzitten, als het geweer werd aangelegd, en zoodra de prooi gevallen was, haalde hij deze ten spoedigste. Hij was zeer zindelijk; zelfs gebruikte hij na het eten zijne klauwen op een hoogst grappige wijze als tandenstokers. Hij was zeer stoutmoedig, ging zelfs eens met goed gevolg een grooten Hond te lijf, en bracht in den strijd met een kolossalen, mannelijken Trap, die zes maal zoo zwaar was als hij zelf, dezen Vogel zulke wonden toe, dat hij stierf. Pips doodde ook vele Slangen. Als hij opgewonden was, stond zijn haar zoo steil overeind, dat zijn omvang bijna dubbel zoo groot was als gewoonlijk; het sussend opsteken van den vinger door zijn meester was echter voldoende om het woedende dier onmiddelijk tot bedaren te brengen. Later vergezelde hij zijn meester naar Engeland, en werd de lieveling van allen, die hem zagen. Hij kon een groot aantal kunstjes verrichten: springen, kopje-over buitelen, met een muts op den kop op een stoel zitten, soldaatje spelen en exerceeren. Pips stierf van verdriet: toen hij eens gedurende geruimen tijd van zijn meester gescheiden was, weigerde hij eenig voedsel te gebruiken.

Behalve de Ichneumon verdient de Melon of Meloncillo (Herpestes Widdringtonii) vermelding, omdat hij de eenige Europeesche vertegenwoordiger van dit geslacht is. Het dier was reeds lang aan de Spaansche jagers bekend, voordat een natuuronderzoeker het in handen kreeg. De jacht op den Meloncillo loont de moeite, omdat zijn staartharen voor ’t maken van schilderspenseelen zeer gezocht zijn en duur betaald worden; de jagers schoten echter het dier alleen om deze haren en, nadat zij deze hadden uitgetrokken, wierpen zij het overige weg.

Deze soort leeft in Spanje in de rivierdalen, vooral in de provinciën Estremadura en Andalusië, geheel op de wijze van den Ichneumon. Hij bewoont bijna uitsluitend de rietbosschen en de met esparto, een borstelgras, begroeide vlakten, komt echter volstrekt niet in het gebergte voor, zooals bericht werd. Zijn lengte bedraagt 1.1 M., waarvan de staart ongeveer 50 cM. in beslag neemt. De over ’t geheel korte beharing verlengt zich op het midden van den rug, en verdwijnt bijna geheel aan het voorste deel van den hals en aan het onderlijf, welke deelen bijna naakt zijn. De donker grijze grondkleur is lichter gesprenkeld.

Tot de merkwaardige soorten van de groep behoort ook de Zebra-Mangoeste, de Sakie der inboorlingen (Herpestes fasciatus.) Zij is een van de kleinste leden van het geheele geslacht. Men zegt, dat zij zonder den 20 cM. langen staart een lengte van 40 cM. bereikt; ik zelf heb echter veel grootere individuën van deze soort gezien.

Naar het schijnt, komt onze Mangoeste in geheel Oost-Afrika van de Kaap de Goede Hoop tot aan Abessinië en tot aan de overzijde, in West-Afrika, in tamelijk groot aantal voor.

De fonkelende oogen van deze sierlijke Viverre verraden haar bloedgierigen aard. Haar voedsel bestaat uit alle kleine Zoogdieren, Vogels, Kruipende Dieren en Insecten, die zij overmeesteren kan, uit eieren en stellig ook uit vruchten.

In West-Afrika wordt de Zebra-Mangoeste zeer dikwijls in factorijen, zendingsposten en soms ook op stoombooten tam gehouden. Zij heeft hier een volledige vrijheid, maar denkt er niet aan, naar de wildernis terug te keeren. Haar grappig voorkomen maakt haar tot ieders lieveling; naar het schijnt, hecht zij zich echter, evenals de Huiskat, meer aan huis en hof dan aan de menschen, hoewel zij niet zelden voor sommige personen een groote genegenheid toont, hen naloopt, hun op den schoot klimt, en zich door hen graag krauwen en koesteren laat, waarbij zij haar tevreden stemming door allerlei geluiden openbaart. Eieren maakt zij open door ze met de voorpooten ergens tegen aan te tikken, nog vaker echter door ze tusschen de achterpooten door in achterwaartsche richting tegen een weerstandbiedend voorwerp te smijten. Bij ’t spelen behandelt zij ook andere kleine en rondachtige voorwerpen op deze wijze; het is daarom raadzaam voorwerpen van eenige waarde buiten haar bereik te houden. Pechuel-Loesche vond een dikke glazen flesch, waarin het kwik voor den kunstmatigen horizon geborgen was, in gruis tegen een blikken kist liggen, en E. Teusz verhaalde hem, dat een Zebra-Mangoeste te Malandsche een onmisbaren chronometer reeds meermalen flink tegen kasten en muren had geworpen, voordat men bemerkte, met welk duur speelgoed zij zich den tijd verdreef.

Ten slotte zal ik nog een soort van dit geslacht noemen, nl. de Krabben-Mangoeste of Urva (Herpestes urva), daar zij een overgang schijnt te vormen tusschen de echte Mangoesten en de Veelvraten. De gedaante en het gebit van de Urva verschillen niet belangrijk van die der overige Mangoesten; in vele opzichten herinnert haar gestalte echter aan die van den Veelvraat. De snuit is langwerpig en toegespitst, de romp gedrongen en krachtig. De teenen hebben groote spanvliezen en de aarsklieren zijn in ’t oog loopend sterk ontwikkeld. Wat de algemeene kleur van de vacht betreft, gelijkt de Urva op de overige Mangoesten. De bovendeelen zijn vuil ijzergrauw met grijsachtig bruin gemengd; de onderdeelen en de pooten zijn gelijkmatig donkerbruin. Over het bovenlichaam loopen dikwijls donkerder strepen; van het oog naar den schouder loopt een witte, bij de grondkleur scherp afstekende strook; ook de staart, die aan den wortel zeer sterk behaard is, vertoont eenige dwarsbanden. In grootte wordt de Urva waarschijnlijk door geen andere soort van haar geslacht overtroffen; volwassen mannetjes worden 80 à 90 cM. lang, waarvan ongeveer 30 cM. op den staart komen.

Hodgson ontdekte de Urva in de moerassige dalen van Nepal. Volgens haar ontdekker moet zij half en half een waterdier zijn, dat zich vooral met Vorschen en Krabben voedt.

*

Bij de Mangoesten sluiten zich verder eenige dieren aan, welker voornaamste onderscheidend kenmerk in den bouw van den voet gelegen is; daar de voorvoeten vijf, de achtervoeten vier teenen hebben en de zolen gedeeltelijk behaard zijn.

De Vos-Mangoeste of het Honds-fret (Cynictis penicillata) bereikt, zonder den omstreeks 30 cM. langen staart, een lengte van ongeveer 40 cM. De vacht is glad, de staart ruig. De tamelijk gelijkmatige, lichtroode of geelbruine kleur is aan den kop en de ledematen donkerder; de staartharen zijn met zilvergrijs doormengd en vormen een witte spits. Lange, zwarte tastharen staan boven de oogen en op de lippen.

Zij bewoont de zandstreken van Zuid-Afrika, te beginnen aan de Kaap de Goede Hoop, woont in gaten in den grond en voedt zich met Muizen, Vogels en Insecten; zij is wild en bijtlustig, listig en behendig; er wordt echter weinig of geen jacht op haar gemaakt; daarom heeft nog geen onderzoeker berichten over haar levenswijze gegeven.

*

De Surikate (Suricata of Rhyzaena tetradactyla), tot dusver de eenige bekende soort van dit geslacht, bewoont Afrika van het meer Tsad tot aan de Kaap de Goede Hoop. De kop met den langen puntigen snuit, de hooge pooten met vier teenen aan elken voet, de gelijkmatig dun behaarde staart en het gebit onderscheiden de Surikate van de haar verwante Mangoesten. Aan de voeten is dit dier, dat niet ten onrechte door de Duitschers “Scharrthier” (Graafdier) wordt genoemd, het best te herkennen; zij zijn gewapend met lange en sterke klauwen; vooral die van de voorpooten vertoonen een sterkere ontwikkeling dan bij eenig ander lid van de familie. Hiermede kan de Surikate vrij gemakkelijk diepe gangen graven.