Surikate (Suricata tetradactyla). ¼ v. d. ware grootte.
Door zijne uitwendige eigenschappen houdt deze zoolganger het midden tusschen de Mangoesten en de Marters. Hij is 50 à 60 cM. lang, de helft van deze lengte wordt door den staart geleverd. De tamelijk ruige vacht heeft een grijsachtig bruine grondkleur met geelachtige weerschijn; 8 à 10 donkere dwarsstrepen steken op het achterste deel van den rug bij de grondkleur af.
Rijker aan vormen dan de familie der Viverren is die der Marters (Mustelidae). Het is zeer moeielijk een op al deze dieren toepasselijke beschrijving te geven; de lichaamsbouw, het gebit en het maaksel van den voet wijken bij hen meer uiteen dan bij eenige andere familie der Roofdieren-orde. De Marters zijn middelmatig groote of kleine Roofdieren met een zeer in de lengte gerekten romp, die op zeer lage pooten rust, welker voeten 4 of 5 teenen hebben. In de nabijheid van de aarsopening komen klieren voor, evenals bij de meeste Viverren; nooit echter scheiden zij een welriekende stof af, zooals bij sommige van de laatstgenoemde dieren; integendeel de ergste stinkers van de geheele orde behooren tot de Marters. Het lichaam is gewoonlijk zeer dicht en fijn behaard; de meest geschatte pelterijen zijn van dieren uit deze groep afkomstig.
De Marters verschenen in ’t tertiaire tijdvak voor ’t eerst op ’t wereldtooneel. Tegenwoordig bewonen zij alle werelddeelen (met uitzondering van Australië), alle klimaten en hoogtegordels, de vlakten zoowel als de gebergten. Hunne verblijfplaatsen zijn wouden of rotsachtige landstreken, maar ook vrije, opene velden, tuinen en menschelijke woningen. Sommige zijn landdieren, andere bewonen het water; gene kunnen gewoonlijk uitstekend klimmen, alle zijn in ’t zwemmen ervaren. Vele graven zich gaten en holen in den grond of gebruiken reeds aanwezige holen als woningen; andere maken zich meester van holen in boomen of ook wel van de nesten van den Eekhoorn en van vele Vogels: kortom, men kan zeggen, dat de leden dezer familie van bijna alle schuilplaatsen partij weten te trekken: van de door de natuur gevormde rotsspleet tot het kunstmatig gegraven hol, van de donkere hoeken in menschelijke woningen, zoowel als van de verborgene, uit dooreengegroeide takken of wortels bestaande toevluchtsoorden, die het eenzame woud oplevert. De meeste hebben een vaste woonplaats; vele zwerven rond, al naar de behoefte aan voedsel hen hiertoe dringt. Eenige soorten, die noordelijke gewesten bewonen, vervallen in winterslaap, de overige blijven gedurende het geheele jaar werkzaam.
Bijna alle Marters zijn in hooge mate vlug, behendig, beweeglijk en in alle lichaamsoefeningen buitengewoon goed ervaren. Bij ’t gaan zetten zij de geheele zool op den grond, bij ’t zwemmen gebruiken zij hunne pooten en den staart, bij ’t klimmen weten zij zich, ondanks hunne stompe klauwen, uiterst geschikt vast te klemmen en in evenwicht te houden. Onder de zinnen van de Marters schijnen de reuk, het gehoor en het gezicht op nagenoeg even hoogen trap van volkomenheid te staan, maar ook de smaak en het gevoel mogen als goed ontwikkeld aangemerkt worden. Even uitstekend als hunne lichamelijke begaafdheden zijn hunne geestesgaven. Het verstand staat bij de meeste soorten op een hoogen trap van ontwikkeling. Zij zijn schrander, listig, wantrouwend en behoedzaam, uiterst moedig, bloeddorstig en gruwzaam, tegenover hunne jongen echter ongemeen liefderijk. Sommige houden van gezelligheid, andere leven eenzaam of tijdelijk bij paren. Vele zijn zoowel bij dag als bij nacht werkzaam; de meeste echter moeten als nachtdieren beschouwd worden. In bewoonde en druk bezochte streken gaan alle uitsluitend na zonsondergang op roof uit. Hun voedsel bestaat bij voorkeur uit dieren, namelijk kleine Zoogdieren, Vogels, vogeleieren, Kruipende Dieren en Insecten. Enkele eten Slakken, Visschen, Kreeften en Schelpdieren; verscheidene versmaden niet eens rottende stoffen; andere voeden zich ook wel tijdelijk met voortbrengselen uit het plantenrijk, en houden vooral van zoete, saprijke vruchten. In ’t oog loopend sterk is de bloeddorst, die al deze dieren bezielt. Zij dooden, indien de gelegenheid hiertoe bestaat, veel meer dieren dan zij voor hun voeding noodig hebben; verscheidene soorten worden letterlijk bedwelmd door het bloed, dat zij hunne slachtoffers uitzuigen.
De jongen, welker aantal wijd uiteenloopt (voor zoover men weet, van twee tot tien), komen blind ter wereld, en moeten lang gezoogd en verzorgd worden. Hun moeder bewaakt ze zorgvuldig, verdedigt ze met grooten moed bij dreigend gevaar of sleept ze, zoodra ze zich niet veilig acht, naar andere schuilhoeken. Jongen die in den gevangen staat een zorgvuldige opvoeding ontvangen, worden zeer tam; zij kunnen er toe gebracht worden, hun meester als een Hond na te loopen, voor hem te jagen en te visschen. De nakomelingen van één soort leven zelfs sedert onheuglijke tijden in gevangenschap en worden door den mensch voor een bepaalde wijze van jagen gebruikt.
Door hunne roofgierigheid en bloeddorst veroorzaken zij den mensch een niet onbelangrijke schade; over ’t geheel genomen overtreft echter het voordeel, dat zij onmiddellijk of middellijk aanbrengen, in hooge mate de schade, die zij aanrichten. Door het dooden van schadelijk gedierte bewijzen zij ons niet onbelangrijke diensten, en, moge men het hun ook niet vergeven, dat zij inbreuk maken op ons eigendomsrecht, toch moet erkend worden, dat de beroofde in den regel de schade, die hij lijdt, slechts aan zijn nalatigheid te wijten heeft.
Edelmarter (Mustela martes). ¼ v. d. ware grootte.
Hoe groot het aantal Marters is, die ieder jaar om hun vel gedood worden, blijkt uit de statistieke opgaven betreffende de opbrengst van den pelterijhandel. Volgens Lomer komen ieder jaar omstreeks 3 millioen vellen van verschillende soorten van Marters, ter waarde van meer dan 12 millioen gulden, in de handen van Europeanen en op de markt; hierbij komen nog die, welke door de Indiaansche en Aziatische jagers zelf gebruikt worden. Verscheidene Indiaansche en Mongoolsche stammen leven bijna uitsluitend van de opbrengst van de jacht op pelsdieren, waaronder de Marters, gelijk algemeen bekend is, den eersten rang innemen. Duizenden van Europeanen vinden in den pelterijhandel een middel van bestaan. Zeer uitgestrekte, vroeger onbekende gewesten zijn door de pelsjagers bekend geworden.
Bij onze beschrijving beginnen wij natuurlijkerwijze met het geslacht der Eigenlijke Marters en laten hierop volgen de overige geslachten, welker leden, evenals de Eigenlijke Marters, teengangers zijn. Zij vormen de eerste onderfamilie, die de Marters (Martidae). Een tweede onderfamilie bestaat uit den Das en de overige zoolgangers der familie—de Dassen (Melidae). Een derde onderfamilie eindelijk omvat de Vischotter en zijne verwanten, die wij onder den naam Zwemvoetigen van de overige Marterachtige dieren onderscheiden—de Otters (Lutridae).
Den eersten rang in de eerste onderfamilie kennen wij toe aan den Edelmarter en de overige leden van zijn geslacht (Mustela). Deze zijn middelmatig groote, slank gebouwde, in de lengte gerekte, kortpootige dieren met een naar voren smal uitloopenden kop, een toegespitsten snuit, dwars geplaatste, vrij korte, bijna driezijdige, aan den top zwak afgeronde ooren en middelmatig groote, levendige oogen; zij hebben vijfteenige voeten, die scherpe klauwen dragen, een middelmatig langen staart, aarsklieren die een muscus- of bisamachtige vloeistof afscheiden en een langharige, zachte vacht.
De Marter, Edelmarter of Boommarter (Mustela martes) is een even fraai als vlug Roofdier van 55 cM. lichaamslengte, zonder den 30 cM. langen staart. De vacht is aan de bovendeelen donkerbruin, aan den snuit vaal, aan het voorhoofd en de wangen lichtbruin, aan de zijden van den romp en aan den buik geelachtig, aan de pooten zwartbruin en aan den staart donkerbruin. Een smalle, donkerbruine streep strekt zich onder de ooren uit. Tusschen de achterpooten bevindt zich een roodachtig gele, donkerbruin gezoomde vlek, die zich soms als een vuil gele streep tot aan de keel voortzet. De keel en de onderzijde van den hals zijn fraai dooiergeel gekleurd; deze “bef” is het meest bekende kenteeken van het dier. De dichte, zachte en glanzige beharing bestaat uit tamelijk lange, stijve bovenharen en korte, fijne wolharen, die aan het benedeneinde roodachtig grijs, aan de spits licht roodachtig geel gekleurd zijn. Op de bovenlip staan 4 rijen snorharen; bovendien zijn er nog eenige borstelharen onder de ooghoeken, onder de kin en aan de keel. In den winter is de algemeene kleur donkerder dan in den zomer. Het wijfje onderscheidt zich van het mannetje door de bleekere kleur van den rug en de minder duidelijke “bef”. Bij de jonge dieren zijn de keel en de onderzijde van den hals lichter van kleur.
Het vaderland van den Edelmarter strekt zich uit over alle met bosch begroeide gewesten van de noordelijke helft van de Oude Wereld. In Europa vindt men hem in Skandinavië, Rusland, Engeland, Duitschland, Nederland, Frankrijk, Italië en Spanje, in Azië tot aan den Altaï, zuidwaarts tot aan de bronnen van den Jenisséi. “Ook ons land schijnt hij in zijn geheele uitgestrektheid te bewonen,” zegt Schlegel, “ofschoon hij door het uitroeien van bosschen en de talrijke bevolking op de meeste plaatsen thans niet meer of slechts hoogst zeldzaam voorkomt.” Volgens Staring komt hij in ons land tegenwoordig alleen in de bosschen van “de graafschap” Zutfen voor. Volgens Ritzema Bos wordt hij ook nog op den Doornwerth (en vermoedelijk ook in de bosschen van de Veluwe en van Limburg) aangetroffen. Zooals te begrijpen is bij zulk een uitgestrekt verbreidingsgebied, merkt men bij deze soort niet onbelangrijke variaties op, vooral wat de kleur van de vacht betreft. De grootste Edelmarters wonen in Zweden, de vacht van deze dieren is nog eens zoo dicht en zoo langharig als die van onze Marters, haar kleur is grijzer. Onder de inheemsche komen meer geelachtig bruine, dan donkerbruine exemplaren voor; de laatstgenoemde vindt men vooral in Tirol, en gelijken dikwijls bedriegelijk op de Amerikaansche Sabeldieren (p. 138). De Edelmarters van Lombardije zijn bleek grijsachtig bruin of geelachtig bruin, die van de Pyreneeën zijn groot en forsch, maar eveneens licht van kleur, die uit Macedonië en Thessalië zijn middelmatig groot, maar donker.
De Edelmarter bewoont de bosschen met breedgebladerde boomen, zoowel als die met naaldboomen; hoe eenzamer, dichter en donkerder de bosschen zijn, des te veelvuldiger komt hij er in voor. Hij is een echt boomdier en klimt zoo meesterlijk, dat geen ander Roofdier hem hierin overtreft. Holle boomen, verlaten nesten van Wilde Duiven, Roofvogels en Eekhoorntjes kiest hij het liefst tot verblijfplaats; zelden neemt hij zijn toevlucht tot rotsspleten. Op zijn leger rust hij gewoonlijk gedurende den geheelen dag; met den aanvang van den nacht echter, meestal reeds voor zonsondergang, gaat hij op roof uit, en maakt dan jacht op alle dieren die hij meent te kunnen overmeesteren. Te beginnen bij het Reekalf en den Haas, afdalend tot de Muis is geen enkel Zoogdier voor hem veilig. Hij besluipt en overvalt ze plotseling en doodt ze door een beet in den hals. Verscheidene boschopzichters hebben waargenomen, dat hij soms ook jonge en zwakke Reeën aanvalt. Een even groote slachting als onder de Zoogdieren richt de Boom-Marter trouwens ook onder de Vogels aan. Alle inheemsche en gefokte Hoender-soorten hebben in hem een vreeselijken vijand. Zacht, zonder gedruisch te maken sluipt hij naar de slaapplaatsen dezer Vogels, hetzij ze zich op boomen of op den vlakken grond bevinden; nog voordat de anders zoo waakzame Hen de aanwezigheid van den bloedgierigen vijand heeft vermoed, zit deze haar op den nek, verbrijzelt haar met eenige beten den hals of scheurt haar de slagaders open, zich gretig lavend aan het uitvloeiende bloed. Bovendien plundert hij alle vogelhesten uit, rooft den honing uit de bijenkorven, of vergast zich aan sappige vruchten—zoowel aan bessen die dicht bij den bodem groeien, als aan peren, kersen en pruimen. Als het voedsel in ’t bosch schaarscher begint te worden, wordt hij stoutmoediger; in den hoogsten nood begeeft hij zich naar de menschelijke woningen. Hier bezoekt hij kippenhok en duiventil en richt grootere verwoestingen aan dan eenig ander dier, met uitzondering van de andere soorten van zijn geslacht.
Negen weken na de paring, in het einde van Maart of het begin van April, werpt het wijfje 3 of 4 jongen in een met mos gevoerd leger in een hollen boom, zelden in een nest van een Eekhoorn of van een Ekster of in een rotsspleet. De moeder zorgt met opofferende liefde voor hare jongen en verlaat nooit de nabuurschap van het leger, uit vrees van haar kroost te zullen verliezen. Reeds na weinige weken volgen de jongen de ouden na bij hunne pleizierwandelingen in de boomen; zij springen vlug en haastig op de takken rond, worden door de voorzichtige moeder duchtig geoefend in allerlei lichaamsoefeningen en bij het minste gevaar gewaarschuwd en tot een snelle vlucht aangespoord. Jongen van dezen leeftijd kan men vrij gemakkelijk opvoeden en lang in ’t leven houden, als men ze aanvankelijk met melk en wittebrood, later met vleesch, eieren, honig en vruchten voedt.
“Den 29en Januari,” verhaalt Lenz, “kreeg ik een jongen Edelmarter, welke dienzelfden dag uit een hollen boom was gehaald. Weldra dronk hij lauwe melk; ook at hij reeds in melk geweekt wittebrood, weinige uren nadat hij mij gebracht was. Aan dit diertje heb ik goed kunnen waarnemen, hoe de smaak zich ontwikkelt in overeenstemming met de omstandigheden. Aanvankelijk, n.l. in Juni of Juli, krijgt de jonge Edelmarter van zijne ouders bijna alleen Vogels, later moet hij zich ook gewennen aan Muizen, vruchten enz., al naar het jaargetijde.
“Op den tweeden dag bood ik hem een Kikvorsch aan: hij sloeg er in ’t geheel geen acht op; onmiddellijk daarna gaf ik hem een levende Musch: terstond pakte hij deze aan en verslond haar, vederen en al. Den vierden dag liet ik hem honger lijden en bood hem daarna een Kikvorsch, een Hagedis en een Hazelworm aan. Hij lette op geen van deze dieren, en wilde ook een jonge Raaf niet eten. Den zesden dag kroop hij ’s nachts uit zijn hok, beet een in ’t nest zittenden Torenvalk dood en at den kop, den hals en een deel van de borst van dit dier. Naderhand gaf ik hem nog allerlei spijzen, en vond, dat hij kleine Vogels liever had dan iets anders.
“Toen hij voor drie vierde volwassen en buitengewoon vraatzuchtig was, hield ik hem weer een Hazelworm voor. Hij had juist honger, toch kwam hij voorzichtig nader en sprong bij elke beweging van het dier terug. Toen hij zich eindelijk overtuigd had, dat het dier niet gevaarlijk was, beet hij toe; de staart van den Hazelworm brak af; hij vrat dien op en droeg daarna het dier in zijn nest, waar het hem ontsnapte en onder het hooi kroop. Hij haalde het er weder uit, beet nog een stuk van het overgebleven staartstompje af; eerst na 2 uren waagde hij het echter den Hazelworm bij den hals te pakken en te verscheuren. Hij droeg hem daarna in zijn nest en at haar langzamerhand met smaak, doch niet zeer gretig op. Nog was hij met den Hazelworm niet gereed, toen ik een ongeveer 60 cM. lange Ringslang in zijn kist wierp. Dadelijk kwam hij voorzichtig nader, sprong echter verschrikt terug, telkens als de Slang zich bewoog of siste. Terwijl hij bezig was met de Ringslang te spelen, bracht ik hem een versch gedoode, groote Adder. Voorzichtig kwam hij er onmiddellijk op af, overtuigde zich, dat zij dood was, nam haar op, droeg haar nu eens hier, dan weer daarheen en at haar na een uur met kop en giftanden op. Ik gaf hem daarna een Hagedis, die hij eveneens snuffelend begroette; het diertje liet een heesch gesis hooren, bijna als een Slang, sperde den muil open en sprong wel tien maal op den Marter toe. Deze vertrouwde de zaak niet en ontweek hare beten, werd echter voortdurend stoutmoediger, en pakte, daar de Hagedis hem geen kwaad deed, na verloop van een uur dit dier aan, beet het dood en vrat het op.
“Hieruit blijkt, dat hij van nature weinig lust heeft in het dooden van Slangen en andere Kruipende Dieren; op grond van de genoemde ervaringen is het echter niet onwaarschijnlijk, dat hij ze ’s winters, wanneer hij ze toevallig in weerloozen toestand ontmoet, om ’t leven brengt en opvreet; want in dit jaargetijde zal hij vermoedelijk dikwijls bitteren honger lijden, daar hij zeer vraatzuchtig is.
“Ik wil hier nog de aandacht vestigen op een dwaling, die vrij algemeen verbreid is. Men meent n.l., dat de Wezel-soorten, als zij een dier dooden, steeds de dikke slagaders van den hals met de hoektanden treffen en doorsnijden. Dit is niet zoo. Wel pakken zij de groote dieren bij den hals om ze te dooden; dit gebeurt echter, zonder dat zij juist die bloedvaten treffen; daarom zijn zij ook niet in staat hun het bloed uit te zuigen, maar stellen zich tevreden met het opslikken van het toevallig uitvloeiende bloed. Daarna eten zij het dier gedeeltelijk op en beginnen gewoonlijk met den hals; bij dieren, die iets grooter zijn, zooals groote Ratten, Hoenderen enz., wordt bij het dooden niet eens de huid van den hals, die taai is en meegeeft, doorgesneden, maar geschiedt dit eerst later.
“Zoolang mijn Boom-Marter nog jong was, speelde hij graag met menschen, als deze het spel begonnen; later was het niet raadzaam met hem te spelen, omdat hij bij ’t grooter worden de gewoonte aannam, om, zelfs wanneer hij het niet kwaad meende, alles met de tanden stevig aan te pakken; mij heeft hij met de hoektanden eens door dikke handschoenen heen in ’t vleesch gebeten; hij deed dit trouwens zonder eenige vijandige bedoeling. Eigenlijke liefde voor zijn opvoeder blijkt niet uit zijne houding en gebaren, hoewel hij goede kennissen nooit kwaad doet, als hij goed behandeld wordt. In zijne zwarte oogen staan alleen begeerte en moordlust te lezen. Als hij recht genoeglijk in zijn nest ligt, laat hij dikwijls een trommelend gebrom hooren, dat eenigen tijd aanhoudt. Het gniffelen van den Bunzing heb ik nooit van hem gehoord. Als hij boos is, knort hij hevig.”
De Edelmarter wordt overal op de nadrukkelijkste wijze vervolgd, niet zoo zeer om zijn moordgierigheid, maar veeleer om zijn kostbaar vel machtig te worden. Het gemakkelijkst kan men hem dooden, als er pas sneeuw gevallen is, omdat men dan, (niet alleen op den grond, maar zelfs op de met sneeuw bedekte takken) zijn spoor kan volgen. Toevallig ziet men hem ook wel eens in ’t bosch liggen, gewoonlijk lang uitgestrekt op een boomtak. Het is niet moeilijk hem daar te schieten; als men hem gemist heeft, kan men dikwijls nog eens laden, omdat hij vaak niet van de plaats wijkt en den jager voortdurend blijft aanstaren.
Bij de jacht op den Edelmarter moet men een Hond hebben, die flink toebijt en den Marter stevig vasthoudt, omdat deze gewoon is woedend tegen zijn vervolger op te springen, waardoor een minder goede Hond licht afgeschrikt wordt. Betrekkelijk gemakkelijk laat hij zich vangen in een ijzeren klem, die opzettelijk voor dit doel vervaardigd en zeer verborgen geplaatst wordt; men vangt hem echter ook in den zoogenaamden slagboom en in de kastval. Als lokaas dient gewoonlijk een stukje brood, dat men met een schijfje ui in ongezouten boter en honig gebraden en met kamfer bestrooid heeft. Andere lokspijzen worden uit velerlei sterk riekende stoffen volgens bepaalde voorschriften bereid.
Het bont van den Edelmarter is het kostbaarste pelswerk, dat door inheemsche Zoogdieren wordt voortgebracht; het komt, wat kwaliteit betreft, nog het naast aan dat van het Sabeldier. Voor de vacht van een gedurende den winter gevangen Marter wordt ƒ 10 à ƒ 12 betaald. De schoonste vellen komen uit Noorwegen, dan volgen in kwaliteit die van Schotland; de overige worden geleverd door Italië, Zweden, Noord-Duitschland, Zwitserland, Opper-Beieren, Tartarije, Rusland, Turkije en Hongarije.
De Steen- of Huismarter (Mustela foina) verschilt van den Edelmarter door zijn iets geringere grootte, de naar verhouding kortere pooten, den kop die, ondanks het kortere aangezicht langer is, de kleinere ooren, de kortere vacht, de lichtere haarkleur en de witte keel. De totale lengte van het volwassen mannetje bedraagt 70 cM., waarvan een weinig meer dan een derde op den staart komt. De grijsbruine kleur van de vacht (met wit wolhaar) wordt op de pooten en den staart donkerder en gaat op de voeten in donkerbruin over; de keelvlek die altijd kleiner is dan bij den Edelmarter, bestaat uit zuiver witte, in de jeugd dikwijls uit roodachtige of geelachtige haren; de randen van de ooren zijn met korte witachtige haren bezet. De Steenmarter komt voor in bijna alle landen en gewesten, waar de Edelmarter gevonden wordt. Geheel Middel-Europa en Italië (met uitzondering van Sardinië), Engeland, Zweden, het gematigde deel van Europeesch Rusland (tot aan den Oeral, den Krim en den Kaukasus) en West-Azië, vooral Palestina, Syrië en Klein-Azië, zijn het vaderland van deze soort. Hij bewoont echter ook Afghanistan en een groot deel van den Himalaja, dezen echter slechts op hoogten van niet minder dan 1600 M. In de Alpen begeeft hij zich gedurende den zomer tot boven den dennengordel, in den winter keert hij gewoonlijk naar lagere streken terug. In Nederland is hij, naar het schijnt, tegenwoordig zeldzaam. Toch is hij in verscheidene provinciën, Noord-Brabant, Zeeland, Noord- en Zuid-Holland, Overijsel, Friesland en Groningen waargenomen. In Noord-Brabant wordt hij Fluwijn genoemd. In de andere landen van ons werelddeel komt de Steenmarter bijna overal veelvuldiger voor dan de Edelmarter; hij nadert de woningen der menschen veel meer, dan deze doet; men mag zelfs zeggen, dat hij zich bij voorkeur in dorpen en steden ophoudt. Eenzaam gelegene schuren, stallen, tuinhuizen, oude muren, steenhoopen en groote houtmijten in de nabijheid van dorpen worden geregeld door dezen gevaarlijken vijand van het tamme gevogelte bewoond.
Steenmarter of Fluwijn (Mustela foina). ⅙ v. d. ware grootte.
De levenswijze en de gewoonten van den Huismarter stemmen in vele opzichten overeen met die van den Edelmarter. Hij is een meester in alle lichaamsoefeningen, even levendig, behendig en vaardig, even moedig, listig en moordzuchtig als zijn stamgenoot; hij klimt zelfs bij gladde boomstammen naar boven, kan groote sprongen maken, zwemt met gemak, is in het sluipen ervaren en kan door zeer nauwe openingen heendringen.
Zijn voedsel is ongeveer hetzelfde als dat van den Edelmarter; toch richt hij veel meer schade aan dan deze, omdat hij veel meer gelegenheid vindt, den mensch merkbare verliezen toe te brengen. Waar hij er maar eenigszins kans toe ziet, dringt hij in de woningen der tamme Vogels door en moordt hier met onverzadelijke bloedgierigheid. Bovendien vangt hij Muizen, Ratten, Konijnen, allerlei Vogels en, als hij in het bosch jaagt, Eekhoorntjes, Kruipende Dieren en Amphibiën. Eieren schijnen voor hem een lekkernij te zijn; ook zijn allerlei soorten van vruchten—kersen, pruimen, peren, kruisbessen, lijsterbessen, hennep en dergelijke—naar zijn smaak.
Goede ooftsoorten moet men voor hem beveiligen; dit kan op een eenvoudige wijze geschieden, door, zoodra men rooverijen van dit dier opmerkt, den stam van den vruchtboom met tabakssap of petroleum te besmeren. De hoenderhokken en duiventillen moet men echter voor hem vrijwaren door ze goed te sluiten; men moet er op bedacht zijn, dat hij door iedere opening, voor zoover deze half zoo groot is als een rattengat, binnen dringen kan.
Zelfs exemplaren, die gevangen worden, als zij reeds oud zijn, laten zich tot op zekere hoogte temmen.—In Schotland heeft men eens op de volgende vreemde wijze een Steenmarter gevangen en getemd: Gedurende langen tijd had de ongenoode gast zich in een dorp van het gebergte opgehouden, en daar tallooze schanddaden ten nadeele van het hoenderengeslacht gepleegd. Met behulp van goede Honden verdreef men hem eindelijk uit de eenzame schuur, zijn roovershol, en joeg hem in ’t open veld. Tevergeefs wendde hij al zijn list en behendigheid aan, om aan de Honden te ontkomen. Zij kwamen hem al nader en nader op de hielen, en hadden hem eindelijk aan den rand van een afgrond bijna gegrepen. Hij nam een kort en goed besluit, en sprong in den wel 30 M. diepen afgrond. Deze val was hem toch te hevig; hij lag beneden als dood en verroerde zich niet meer. Zijne vervolgers waren vast overtuigd, dat hij te pletter gevallen was. Om het vel te bemachtigen daalde een van de lieden in den afgrond af en lichtte den verongelukten Marter op. Plotseling begon deze zich opnieuw te bewegen en toonde den persoon, die hem ving, ook dadelijk door een flinken beet ten duidelijkste, dat hij zijn bewustzijn herkregen had. Toch liet de gewonde man zijn prooi niet los, maar stelde haar, door haar aan den hals te vatten, buiten staat om verder tegenweer te bieden; zoo nam hij haar mede naar zijn huis. Hier werd de Steenmarter vriendelijk en zacht behandeld en was na verloop van korten tijd werkelijk tam, misschien ten gevolge van den zwaren val of uit dankbaarheid voor de hem bewezen vriendschap. Zijn meester besloot, hem als muizenvanger te gebruiken, en bracht hem in den paardenstal. Hier gevoelde hij zich in korten tijd volkomen thuis; zelfs had hij een vriendschapsband weten te sluiten,—met een van de Paarden n.l. Zoo vaak men in den stal kwam, vond men hem bij zijn kameraad, die hij door een dof geknor in zekeren zin trachtte te verdedigen. Soms zat hij op den rug, soms op den hals van het Paard; hij liep over zijn vriend heen en weer, of speelde met diens staart of ooren; het Paard scheen zeer verheugd te zijn over de genegenheid, die het van het kleine Roofdier ondervond. Ongelukkig werd deze merkwaardige vriendschapsband op wreede wijze verscheurd. De Marter geraakte op een van zijne nachtelijke uitstapjes in een val en werd den volgenden morgen dood gevonden.
Een van de naaste verwanten van de inheemsche Marters is het wijd vermaarde Sabeldier (Mustela zibellina). Van den Edelmarter onderscheidt het zich door den kegelvormigen kop, de groote ooren, de hooge, krachtige pooten, de groote voeten en het glanzige, zijdeachtig zachte vel. Dit geldt voor des te fraaier, naarmate de beharing dichter, zachter en gelijkmatiger van kleur is; vooral echter hangt de kwaliteit af van de duidelijkheid waarmede de naar ’t blauwachtig grijze zweemende, roodbruine kleur van het wolhaar op den voorgrond treedt. Hoe lichter van kleur het bovenhaar is, des te geringer, hoe gelijkmatiger van kleur en hoe donkerder het is, des te hooger schat men de waarde van het vel. De fraaiste vellen zijn aan de bovendeelen zwartachtig, aan den snuit zwart en grijs gemengd, op de wangen grijs, aan den hals en aan de zijden roodachtig kastanjebruin, aan den onderhals fraai dooiergeel van kleur; het oor heeft gewoonlijk een grijs-witachtigen of lichtbleekbruinen rand. Hoe meer de gele kleur van de keel bij het levende dier in ’t oog viel, des te schielijker zal zij verbleeken na zijn dood.
Het oorspronkelijke verbreidingsgebied van het Sabeldier reikte van den Oeral tot aan de Behring-zee en van de Zuidelijke grensgebergten van Siberië tot op omstreeks 68° N.B.; bovendien omvatte het een zeer uitgestrekt deel van Noord-Amerika; langzamerhand is het echter zeer ingekrompen. De onophoudelijke vervolgingen, waaraan het is blootgesteld, hebben het de wijk doen nemen naar de donkerste wouden van de gebergten van Noordoost-Azië; daar de mensch het ook hier begeerig, ja zelfs met gevaar voor zijn eigen leven vervolgt, moet het zich al verder en verder terugtrekken en wordt steeds zeldzamer. Gedurende den gouden tijd voor de handelaars in sabelvellen werden in Kamtschatka vele vereenigingen, voor de vangst van Sabeldieren opgericht; sedert dien tijd echter is hun aantal zoowel daar als in andere landen en gewesten van Oost-Azië afgenomen. De vervolgingen waaraan deze Marter van de zijde der jagers is blootgesteld, zijn oorzaak, dat hij allengs verdwijnt. Hij onderneemt echter ook groote zwerftochten; volgens de meening van de inboorlingen geschieden zij met het doel om de Eekhoorntjes, zijn lievelingswild, te volgen. Bij het vervolgen van deze Knaagdieren zwemt hij, zelfs gedurende het kruien van het ijs, zonder aarzeling over breede stroomen, die hij overigens schijnt te vermijden. Zeer gewenschte verblijfplaatsen bieden hem de arvenbosschen, welker reusachtige stammen hem goede schuilhoeken verschaffen, terwijl hij in de zaden hunner kegels een geschikt voedsel vindt.
In gewoonten komt dit dier, naar het schijnt, het meest met den Edelmarter overeen, wiens vlugheid en geschiktheid voor ’t klimmen ook het Sabeldier eigen zijn. Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Eekhoorntjes en andere Knaagdieren, Vogels enz.; het versmaadt echter ook de Visschen niet, daar het zich door visch als lokaas in vallen laat lokken; ook heeft men opgemerkt, dat het zeer veel houdt van den honing van Wilde Bijen. Ceder-“noten” acht het een zeer gewenschte spijs; bij de meeste Sabeldieren, die Radde onderzocht, was de maag stijf gevuld met deze zaden. Ieder jaar brengt het jagen en vangen van het Sabeldier alle weerbare mannen van geheele stammen in beweging, en doet het de kooplieden reizen van duizenden mijlen ondernemen. Evenals in de vorige eeuw (toen de Duitsche onderzoeker Steller en later de Russische reiziger Schtschukin Siberië doorreisden) komen ook thans nog de meeste Sabeldieren voor in de duistere bosschen tusschen den Lena en de verder oostwaarts gelegen zee; ook thans nog vormt de opbrengst van de vellen dezer dieren de voornaamste bron van inkomsten van de inboorlingen en van de Russische kolonisten. De jacht duurt van October tot het midden van November of het begin van December. De jagers vereenigen zich tot kleine gezelschappen op het jachtterrein; ieder gezelschap heeft hier zijn eigen woning; de Honden moeten gedurende de reis de sleden trekken, die met levensmiddelen voor verscheidene maanden beladen zijn. De jacht heeft in hoofdzaak nog steeds plaats op de door Steller beschreven wijze. Vallen en strikken van zeer verschillende inrichting worden hierbij gebruikt; ook volgt men op sneeuwschoenen het spoor van het Sabeldier, omgeeft zijn schuilhoek met netten of doodt het vluchtende dier met pijlen of met het geweer. Het meest in trek zijn die soorten van vallen, waarin het vel van het dier in ’t geheel niet beschadigd wordt. De jager en zijne gezellen hebben verscheidene dagen noodig om alle vallen op te stellen; iederen dag moeten zij er bij langs om ze na te zien; dikwijls blijkt dan, dat een verwaten Sneeuwvos of een ander Roofdier den kostbaren buit opgevreten heeft. Het gebeurt ook wel, dat de jager door slecht weer en rampspoeden van allerlei aard overvallen, tot den terugtocht genoopt wordt, en zelfs zich haasten moet om zijn leven te redden, zonder aan het inzamelen van de dieren, die mogelijkerwijze in de val geraakt zijn, te kunnen toekomen. Vaak is de jacht op het Sabeldier een onafgebroken reeks van allerlei bezwaren. Dikwijls blijkt het bij het einde van den jachttijd, dat de gewonnen buit ternauwernood voldoende is om de gemaakte kosten te dekken, terwijl de moeiten aan het bedrijf verbonden, nooit behoorlijk beloond worden.
Over het leven van het Sabeldier in den gevangen staat zijn de berichten nog zeer schaarsch. Een Sabeldier in het paleis van den aartsbisschop van Tobolsk was zoo volkomen getemd, dat het naar eigen goedvinden in de stad mocht gaan wandelen. Andere getemde Sabeldieren speelden zeer vroolijk met elkander, gingen dikwijls opzitten om zoo beter te kunnen vechten, sprongen opgeruimd in hun hok rond, en gaven gelijk jonge Honden, hun tevredenheid door kwispelstaarten, hun toorn door grommen en knorren te kennen.
*
Stinkmarters (Putorius of Foetorius) heeten de leden van een ander Martergeslacht op grond van een algemeen bekende eigenschap van den Bunzing, die bovenstaanden naam zeer zeker verdient, wat van de andere soorten der groep geenszins gezegd kan worden. De hiertoe behoorende Marter-soorten zijn gekenmerkt door een naar voren sterk in breedte afnemenden kop, een toegespitsten snuit, kort afgeronde, driezijdige ooren, een slanken, langgerekten romp, korte pooten met lange teenen, en een ronden, vrij lang behaarden staart, welks lengte geringer is dan de halve lichaamslengte.
De Bunzing of Bonzing (Putorius foetidus), in Holland ook wel Eierendief, in Overijsel, Drente en Gelderland Ulk, in Groningen Meert of Meerten, op de grenzen van Noord-Brabant en Limburg Vis, in Friesland Mud genoemd, heeft een lichaamslengte van 40 à 42 cM., zonder den 16 à 17 cM., langen staart. De vacht is aan de onderzijde effen zwartbruin, aan de bovendeelen en aan de zijden van romp (wegens het vooral hier doorschemerende, geelachtige wolhaar) lichter, gewoonlijk donker kastanjebruin. Over het midden van den buik loopt een onduidelijk begrensde, roodbruine streep; de kin en de spits van den snuit, met uitzondering van den donker gekleurde neus, zijn geelachtig wit. Achter de oogen bevindt zich een niet zeer scherp begrensde, geelachtig witte vlek, die met een onduidelijke, achter de ooren beginnende streep samenvloeit. Verscheidene afwijkingen—waarvan er eenige als afzonderlijke soorten beschouwd zijn—komen voor, o. a. albino’s en effen geel gekleurde Bunzingen. Het wijfje onderscheidt zich hoofdzakelijk door de zuiver witte kleur van alle lichaamsdeelen, die bij het mannetje geelachtig zijn. De vacht is wel dicht, maar toch veel minder fraai dan die van den Edelmarter.
In het zuidoosten van Europa, noordwaarts tot in Polen, treedt nevens den Bunzing een van zijne verwanten op: de Tijger-bunzing (Putorius sarmaticus), die in het zooeven genoemde gebied nergens veelvuldig, in sommige gedeelten van West-Azië zeer zeldzaam, in het zuiden van Afghanistan daarentegen, vooral in de omstreken van Kandahar, algemeen is. In levenswijze komen beide soorten geheel met elkander overeen.
Bunzing (Putorius foetidus). ⅓ v. d. ware grootte.
De Bunzing bewoont de geheele gematigde gordel van Europa en Azië, breidt zich zelfs over een deel van den noordelijken gordel uit. Met uitzondering van Lapland en Noord-Rusland is hij in ons werelddeel overal te vinden. In Azië vindt men hem in Tartarije en tot aan de Kaspische Zee en verder oostwaarts door Siberië tot in Kamtschatka. Iedere plaats, die hem voedsel belooft, is hem welgevallig; daarom bewoont hij zoowel de vlakte als het gebergte, het bosch zoowel als het veld; bij voorkeur vestigt hij zich echter in de nabijheid van menschelijke woningen, vooral van groote boerderijen. Zijn leger slaat hij op in holle boomen, rotsspleeten, oude vossenholen en andere gaten in den grond, die hij toevallig ontmoet; ingeval van nood graaft hij zelf een hol. Op het bouwland verschuilt hij zich in het hooge koorn; bovendien houdt hij zich op in de nabijheid van rotsen, tusschen paalwerk, onder bruggen, in bouwvallen, tusschen de wortels van groote boomen, in dichte hagen: kortom hij neemt iedere woonplaats voor lief. Waar dit mogelijk is, laat hij liever andere dieren voor zich graven en woelen, dan dat hij dit zelf doet. Gedurende den winter slaat hij ten onzent graag zijn verblijf op in onbewoonde gebouwen, schuren en stallen, op zolders en zelfs onder hoopen steenen of hout. Hij komt dan op het jachtveld van de Huiskat of van den Huismarter, evenals deze legt ook hij van tijd tot tijd bezoeken af aan de hoenderhokken, duiventillen, konijnenhokken en andere woonplaatsen van huisdieren, waar hij tot groot verdriet van den mensch een bedrijvigheid openbaart, die door zijne familie-genooten wel geëvenaard maar niet overtroffen kan worden. Daarentegen bewijst hij ons ook diensten. Als de boeren goed voor de veiligheid van hunne hoenderen, duiven en konijnen zorgen, hebben zij alle reden om over hun gast tevreden te zijn, daar deze een onnoemelijk aantal Ratten en Muizen vangt, de omgeving van bewoonde plaatsen volkomen bevrijdt van Slangen, en hiervoor niets anders verlangt dan een warme ligplaats in den donkersten hoek van den hooizolder. Er zijn streken, waar men hem even gaarne ziet, als men hem op andere plaatsen haat.
Wij zijn het volkomen eens met Lenz, waar hij iederen boschbeambte aanraadt den Bunzing in het bosch te sparen, want hier is hij geheel op zijn plaats; hier doet hij ontegenzeggelijk veel goeds door het vangen van Muizen en vooral ook van Adders, terwijl hij zich op het bouwland bovendien zeer verdienstelijk maakt door het dooden van Hamsters. De genoemde onderzoeker nam vele proeven met half-volwassen Bunzingen, waaruit bleek, dat zij levende en doode Kikvorschen, Hazelwormen, Ringslangen en Adders gretig verslinden, zich om de beten van de Adders niet bekommeren en er ook geen nadeel van ondervinden.
De Bunzing voedt zich als een echte Marter met alle dieren die hij overmeesteren kan. Hij is een vreeselijke vijand van alle Mollen, Veld- en Huismuizen, Ratten en Hamsters, zelfs van de Egels, alsook van alle Hoenderachtigen en Eenden. Kikvorschen zijn, naar het schijnt, een lievelingsgerecht voor hem; hij vangt ze dikwijls in groote menigte en verzamelt ze bij dozijnen in zijn woning. In geval van nood is hij tevreden met Sprinkhanen en Slakken. Hij gaat echter ook op de vischvangst; bij beken, meren en vijvers beloert hij de Visschen, springt hen plotseling in ’t water na, duikt en grijpt ze zeer behendig; naar men zegt, haalt hij ze ’s winters zelfs van onder het ijs weg. Bovendien houdt hij veel van honig en vruchten. Zijn bloedgierigheid is groot, hoewel minder dan die van de eigenlijke Marters. In den regel doodt hij niet al het gevogelte, dat hij in het door hem bezochte hok vindt, maar neemt het eerste het beste dier en gaat er mede naar zijn schuilhoek; hij herhaalt echter zijn bezoek verscheidene malen in één nacht. Meer dan andere soorten van Marters heeft hij de gewoonte om voorraad bijeen te brengen; niet zelden vindt men in zijne woningen een niet gering aantal Muizen, Vogels, eieren en Kikvorschen bijeengeborgen. Door zijn behendigheid valt het hem niet moeielijk, zich altijd van proviand te voorzien.
Alle bewegingen van den Bunzing zijn behendig, vlug en doelmatig. Meesterlijk verstaat hij de kunst om een prooi te besluipen en haar met een sprong te bereiken; met gemak loopt hij langs den dunsten stang, klimt, zwemt, duikt, kortom maakt gebruik van allerlei middelen om tot zijn doel te geraken. Bovendien is hij sluw, listig, behoedzaam, voorzichtig en wantrouwend, zeer scherpzinnig en, als hij aangevallen wordt, moedig, opvliegend en onmiddellijk gereed om te bijten, dus volkomen geschikt tot het verrichten van rooverijen op groote schaal. Op de wijze der Stinkdieren verdedigt hij zich in geval van nood door het uitspuiten van een stinkende vloeistof; dikwijls schrikt hij hierdoor de hem vervolgende Honden af. Hij is ongeloofelijk taai van leven. Zonder er nadeel door te lijden springt hij van een aanzienlijke hoogte naar beneden, verdraagt bijna onverschillig allerlei pijnen en bezwijkt eerst na buitengewoon zware verwondingen.
Twee maanden na de paring, gewoonlijk in Mei, werpt het wijfje in een hol, nog liever in een houtmijt of in een hoop takkebossen, 4 à 5, soms ook 6 jongen. De moeder houdt zeer veel van hare kinderen, verzorgt ze op de liefderijkste wijze, en beschermt ze tegen iederen vijand; soms zelfs gaat zij, bij het vernemen van gedruisch in de nabijheid van het nest, ook zonder aangevallen te zijn, op menschen af. Na een kindsheid, die ongeveer 6 weken duurt, gaan de jongen met de ouden op roof uit; na afloop van de derde maand zijn zij bijna even groot geworden als deze.
Men kan jonge Bunzingen door zoogende Katten laten voeden om ze daarna te temmen; men beleeft echter niet veel genoegen van hen, omdat de aangeboren bloeddorst zich mettertijd openbaart en zij dan ieder weerloos huisdier vervolgen. Tegenover menschen gedragen de in vrijheid levende Bunzingen zich soms zeer vermetel; voor kinderen kunnen zij zelfs gevaarlijk worden.
“Te Verna, een dorp in Keur-Hessen,” verhaalt Lenz, “had een zesjarige knaap zijn broertje in de nabijheid van een kanaal op den weg neergezet, om het met minder moeite te kunnen oppassen. Plotseling kwamen drie Bunzingen te voorschijn en vielen op het kind aan. De eene beet zich in den nek vast, de andere aan de zijde van het hoofd en de derde aan het voorhoofd. Het kind begon luid te schreeuwen; de knaap wilde het te hulp komen, maar van het kanaal kwamen nog andere Bunzingen toegeloopen, die hem wilden aanvallen. Gelukkig kwamen twee mannen van het veld de kinderen te hulp: zij sloegen twee van de Bunzingen dood, waarna de overige de vlucht namen.”
Wegens de aanzienlijke schade die het dier aanricht, wordt het bijna overal met ijver vervolgd. Allerlei vallen en wapenen doen hierbij dienst. Op plaatsen waar men zeer veel last van Muizen heeft, zou het beter zijn, den Bunzing zijn gang te laten gaan, en de moeite die de vangst van dit dier veroorzaakt, liever aan te wenden tot het herstellen en beter sluiten van de hoenderhokken.—“Sommige lieden,” schrijft Rombouts, “maken er hun vak van om Bunzings te vangen, zij nebben daarin een bijzondere handigheid gekregen; met een langen stok gewapend en van een paar Honden vergezeld, loopen zij de boerenerven af en het gebeurt menigmaal, dat zij onder houtmijten en hooiklampen een Bunzing weg halen, vóórdat de boer gemerkt heeft, dat hij zulk een roover in zijn nabijheid had. Zulk een jacht werpt nog al voordeelen af, want de huid wordt soms met zes gulden betaald.”
Het vel van den Bunzing levert een warm en duurzaam pelswerk, dat echter wegens zijn aanhoudenden en werkelijk onverdragelijken reuk veel minder geschat wordt, dan het wegens zijn dichtheid verdient. Van de lange staartharen maakt men penseelen; het vleesch is volkomen onbruikbaar en wordt zelfs door de Honden versmaad.
Het is tegenwoordig voor alle natuuronderzoekers een uitgemaakte zaak, dat het Fret (Putorius furo) een door gevangenschap en temming eenigszins veranderde afstammeling van den Bunzing is. Het Fret is reeds sinds overouden tijd bekend, hoewel alleen in getemden toestand. Aristoteles vermeldt het onder den naam Iktis, Plinius noemt het Viverra. Op de Balearische eilanden hadden zich eens de Konijnen zoo sterk vermenigvuldigd, dat de bewoners keizer Augustus om hulp smeekten. Hij zond eenige “Viverrae” over, die zich zeer verdienstelijk maakten. Zij werden in de gangen der Konijnen gelaten en dreven de verderfelijke Knaagdieren er uit en in het net hunner vijanden.
Het Fret gelijkt wat gestalte en grootte betreft, op een Bunzing. Wel is het iets kleiner en schraler, maar dit is bij vele dieren het geval, die geheel van den mensch afhankelijk zijn en dus slechts in den gevangen staat leven. De lichaamslengte bedraagt 45 cM., zonder den 13 cM. langen staart. Dit is dezelfde verhouding als bij den Bunzing voorkomt, die ook door den bouw van het geraamte niet noemenswaard van het Fret verschilt. Gewoonlijk ziet men het Fret in Europa alleen als “Kakkerlak” of Albino, d. w. z. witachtig geel, van onderen iets donkerder van kleur en met lichtroode oogen. Slechts weinige exemplaren hebben een donkerder en daardoor een echt Bunzingachtig voorkomen. Met zekerheid kan men zeggen, dat men tot dusver nog geen doorgaand verschil tusschen den Bunzing en het Fret heeft kunnen vinden, en dat alle redenen die aangevoerd zijn, om te bewijzen dat het Fret een afzonderlijke soort is, geen steek houden. Deze meening was vooral gegrond op de grootere gevoeligheid en kouwelijkheid, op de zachtaardigheid en grootere geschiktheid om getemd te worden van het Fret in tegenstelling met de reeds genoemde eigenschappen van den Bunzing. Mijns inziens bewijst echter dit feit even weinig als de overige bewijsgronden, want alle Albinos zijn zwakkelijke, gevoelige wezens. Eenige natuuronderzoekers hebben de meening uitgesproken, dat het Fret uit Afrika afkomstig zou zijn, en zich vandaar over Europa verbreid zou hebben; zij waren echter niet bij machte om voor deze meening bewijzen aan te voeren.—Het Fret komt dus alleen in gevangenschap voor en dient bij ons alleen voor de Konijnenjacht; de Engelschen gebruiken het echter ook voor de Rattenjacht, en achten de Fretten, die “Rattendooders” genoemd worden, veel hooger dan die, welke alleen voor de Konijnenjacht kunnen dienen. Deze dieren worden in een kist of een kooi geborgen; men moet ze dikwijls versch hooi en stroo geven en ’s winters tegen de koude beschutten. Gewoonlijk worden zij met wittebrood en melk gevoed; het is voor hun gezondheid echter veel beter, dat men hun malsch vleesch van pas gedoode dieren geeft. Volgens de ervaringen van Lenz kan men ze met Kikvorschen, Hagedissen en Slangen zeer goedkoop in ’t leven houden; want zij houden veel van allerlei Kruipende Dieren en Amphibiën.