V.

Inrichting der schoorsteenen.—De vuur-quaestie.—De lucifersdoos.—Onderzoek van de kust.—Terugkomst van den correspondent en Nab.—Eén lucifer.—Het vlammende vuur.—Het eerste avondmaal.—De eerste nacht aan land.

De eerste zorg van Pencroff was, toen zij het vlot gelost hadden, de schoorsteenen zoo bewoonbaar mogelijk in te richten door al dadelijk de openingen, waardoor de wind gierde, dicht te stoppen. Daarop plaatste hij een nauwe buis in een der holten, waardoor de rook kon opstijgen. De schoorsteenen waren verdeeld in drie of vier kamers, zoo men dien naam aan de duistere holen geven kon, waarin zich een wild dier tevreden had gesteld. Maar hier was men tenminste beschut tegen regen en wind en in de grootste kamer kon men recht overeind staan. Fijn zand bedekte overal den grond.

“Nu kunnen onze vrienden terugkomen. Zij zullen een voldoende schuilplaats vinden,” zeide Pencroff. Thans moesten zij nog vuur aanleggen en een middagmaal bereiden. Dit was echter een zeer gemakkelijke taak. En terwijl de matroos bezig was eenig brandhout onder den schoorsteen te leggen, vroeg Harbert hem of hij wel lucifers had.

“Zeker,” zeide Pencroff, “en ik voeg er bij, gelukkig, want zonder lucifers of zonder zwam zouden wij in groote verlegenheid zitten.”

“Wij konden dan toch altijd vuur maken zooals de wilden,” antwoordde Harbert, “door twee stukken droog hout tegen elkander te wrijven?”

“Welnu beproef het eens, en wij zullen zien of u iets ander gelukt dan uw armen te breken!”

“Men doet het toch veel op de eilanden van den Stillen Oceaan.”

“Ik zeg ook niet dat het onwaar is, maar de wilden weten er mede om te springen of gebruiken er misschien bijzonder hout voor, want meer dan eens heb ik mij op deze wijze van vuur willen voorzien, maar het is mij nooit gelukt. Ik beken dus gaarne, dat ik liever lucifers heb! Waar zijn mijn lucifers?”

Pencroff zocht in zijn vestjeszak naar het doosje, dat hem nooit verliet, want hij was een verstokt rooker. Hij vond het niet. Hij doorzocht al zijn zakken en tot zijn groote verbazing voelde hij het nergens.

“Dat is toch dom, en meer dan dom!” zeide hij, terwijl hij Harbert aanzag. “Het doosje is zeker uit mijn zak gevallen en zoodoende heb ik het verloren! Maar Harbert, hebt gij niets, geen vuurslag, niets waarmede wij vuur kunnen maken?”

“Neen, Pencroff!”

De matroos verliet de schoorsteenen, gevolgd door Harbert, en krabde zich het hoofd.

Op het zand bij de rivier, in de rotsen, hoe en waar zij ook zochten, alles was te vergeefs. Het doosje dat van koper was, zou hun blik niet ontgaan zijn.

“Pencroff, hebt gij het niet over boord geworpen?” vroeg Harbert.

“Daar heb ik wel op gepast,” antwoordde de matroos. “Maar als men zoo geslingerd is, zooals wij zijn gedaan, moet zulk een klein voorwerp wel zoek raken. Zelfs mijn pijp heb ik verloren! Duivelsche doos! Waar kan zij wezen?”

Nog eenigen tijd zochten zij naar het doosje, maar vruchteloos. Eindelijk keerden zij naar de schoorsteenen terug.

Tegen zes uur, op het oogenblik dat de zon in het westen verdween, kwam Harbert, die op de kust heen en weer liep, terug met de tijding dat Nab en Gideon Spilett op hun terugtocht waren. Zij keerden alleen terug!.... Een beklemd gevoel maakte zich van den knaap meester. De matroos had zich niet in zijn voorgevoel bedrogen. Men had den ingenieur Cyrus Smith niet gevonden!

De correspondent zette zich op een steen en sprak geen woord. Blz. 25.

De correspondent zette zich op een steen en sprak geen woord. Blz. 25.

Toen de correspondent was aangekomen, zette hij zich op een steen en sprak geen woord. Uitgeput van vermoeienis was het hem onmogelijk iets te zeggen.

Wat Nab betreft, diens roode oogen getuigden voldoende, dat hij geweend had, en de tranen die thans weer in zijn oogen kwamen, bewezen duidelijk dat hij alle hoop had verloren.

Spilett verhaalde uitvoerig welke pogingen zij in het werk hadden gesteld om Cyrus Smith terug te vinden. Nab en hij hadden meer dan acht mijlen langs de kust afgelegd en dus waren zij veel verder gegaan dan de plek waar het onheil had plaats gehad, dat gevolgd was door de verdwijning van Cyrus Smith en zijn hond Top. De geheele kust was verlaten. Geen spoor, geen enkele voetstap. Waarschijnlijk had nooit eenig menschelijk wezen hier een voet gezet. De zee was even verlaten als het land, en zeker had de ingenieur eenige honderden passen daarvan verwijderd den dood gevonden.

Op dit oogenblik stond Nab op, en op een toon waaruit duidelijk sprak dat hij alle hoop nog niet verloren had, riep hij:

“Neen, neen, hij is niet dood! Neen het kan niet! Hij dood, onmogelijk! Ik! of wie anders ook, dat zou mogelijk wezen! Maar hij! Nooit! Hij redt zich altijd!....”

Daarop begaven hem zijn krachten en stamelde hij:

“O, ik kan niet meer!”

Harbert snelde naar hem toe.

“Nab,” zeide de knaap, “wij zullen hem terugvinden! God zal hem ons wedergeven! Maar luister eens, gij hebt honger! Eet eerst eens wat!” Dit zeggende gaf hij den neger eenige lithodomen, een schamel en een ontoereikend voedsel.

Nab had sinds vele uren niets gebruikt, maar toch weigerde hij. Nu hij zijn meester niet meer had, kon of wilde Nab niet langer leven.

Maar Gideon Spilett van zijn kant verslond de schelpdieren; daarop legde hij zich op het zand neder aan den voet van een rots. Hij was uitgeput maar kalm.

Toen naderde hem Harbert, hem bij de hand vattende en zeide:

“Mijnheer, wij hebben een betere schuilplaats ontdekt dan deze. De nacht nadert. Ga nu rusten, morgen zullen wij verder zien.” De correspondent stond op en met den knaap ging hij naar de schoorsteenen. Op dit oogenblik kwam Pencroff naar hem toe en op den meest natuurlijken toon, vroeg hij hem of hij ook een lucifer had.

Spilett stond stil, zocht in zijn zakken, vond niets en zeide:

“Ik had er wel, maar ik heb ze weg moeten werpen.”

Toen riep de matroos Nab, deed hem dezelfde vraag en ontving hetzelfde antwoord.

“Vervloekt!” mompelde hij, zijn gewaarwordingen niet kunnende onderdrukken. Spilett hoorde het, en ging naar Pencroff toe met de woorden:

“Hebt gij geen lucifers?”

“Geen een en dus ook geen vuur!”

“O,” riep Nab uit, “als mijn meester er maar was, hij zou het u wel verschaffen!”

De vier schipbreukelingen staarden elkander roerloos en verbijsterd aan. Harbert verbrak het eerst de stilte met de woorden:

“Mijnheer Spilett, gij rookt, gij moet altijd lucifers bij u hebben. Misschien hebt gij niet goed gevoeld? Zoek nog eens! Eén lucifer zou ons voldoende wezen!”

Weder doorzocht de reporter al zijn zakken en tot groote vreugde van Pencroff, evenals tot zijn eigen niet geringe verbazing voelde hij tusschen de voering van zijn vest een stukje hout. Hij had het wel tusschen zijn vingers, maar kon het houtje toch niet door de voering trekken en daar het de eenige lucifer was, dien zij hadden, moesten zij vooral zorgen dat de phosphorus er niet afging. Het gelukte eindelijk aan Harbert het ongeschonden er uit te krijgen.

“Eén lucifer!” riep Pencroff uit. “Het is zoo goed alsof wij een geheele lading hebben!”

Hij nam den lucifer en gevolgd van zijn drie makkers ging hij naar de schoorsteenen terug.

Het kleine stukje hout, dat in de bewoonde landen met zulk een groote onverschilligheid wordt bejegend en dat geen waarde heeft, moest hier met de uiterste behoedzaamheid worden behandeld. Eerst overtuigde de matroos zich dat het goed droog was. Toen hij dit gedaan had, zei hij:

“Nu moet ik papier hebben.”

“Hier,” antwoordde Gideon Spilett, die na eenige aarzeling een stukje uit zijn schrijfboekje scheurde. Pencroff nam het papier, dat de correspondent hem gaf en knielde bij den haard neder. Men legde er dorre bladeren en droog mos op, zoodanig dat de wind er doorheen speelde en het hout dus spoedig vlam zou vatten.

Toen hij den lucifer zacht afstreek, kwam er geen vuur. Pencroff had niet met genoeg kracht gedrukt, daar hij bang was de phosphorus er af te strijken.

“Neen, ik zal het niet kunnen,” zei hij, “mijn hand beeft.... De lucifer zal niet afgaan.... Ik kan het niet.... ik wil het ook niet!” En opstaande liet hij de taak aan Harbert over.

Zeker was de knaap in zijn geheele leven nog nooit onder zulk een indruk geweest. Zijn hart bonsde. Toen Prometheus het vuur uit den hemel stal, kon hij zoo geroerd niet geweest zijn. Toch aarzelde hij niet en streek hij hem snel af. Een zwak knetteren hoorde men en daarop ontstond een blauwachtig vlammetje dat een scherpe zwaveldamp deed ontstaan, Harbert draaide den lucifer langzaam om, zoodat de vlam voedsel kreeg, daarop bracht hij hem bij het papier. Het papier vatte oogenblikkelijk vlam en spoedig het mos ook.

Eenige oogenblikken later knetterde het droge hout en een vroolijk vlammetje, aangewakkerd door het blazen van den matroos, flikkerde te midden der duisternis.

“Eindelijk,” riep Pencroff, “ik ben nog nooit zoo ontroerd geweest!”

Hun eenige zorg was thans dit vuur niet meer te laten uitgaan; dit zou hun niet moeilijk vallen, daar er hout in overvloed was.

Pencroff maakte het zich terstond ten nutte, met er een voedzamer maaltijd op te bereiden. Spilett zat in een hoek en zijn eenige gedachten waren: Leeft Cyrus nog? En zoo hij leeft, waar zou hij wezen? Zoo hij niet in de golven is omgekomen, waarom heeft hij dan geen middel gevonden, om dit ons bekend te maken. Wat Nab betrof, deze zwierf langs de kust. Hij was slechts een lichaam zonder ziel.

Eenige oogenblikken later was Pencroff met zijn maal gereed.

De harde eieren, die hij hun voorzette, versterkten de arme schipbreukelingen, en nadat Spilett met korte woorden de gebeurtenissen van de twee laatste dagen had opgeteekend, gelukte het hem eindelijk in slaap te vallen.

Harbert was ook spoedig in rust. Wat den matroos aanging, deze bracht zijn nacht bij het vuur door, waarop hij telkens nieuwe brandstoffen wierp. Eén echter van hen sliep niet. Het was Nab. Deze doolde den ganschen nacht langs de kust en riep gedurig zijn meester.

VI.

De inventaris der schipbreukelingen.—Niets.—Gebrand linnen.—Een tocht door het bosch.—De bloem der groene boomen.—Het boomkruipertje.—Sporen van wilde dieren.—Koeroekoes.Schildpadden.—Zonderlinge vangst met een hengel.

De inventaris van al wat de schipbreukelingen, op dit verlaten eiland geworpen, bezaten, was spoedig opgemaakt.

Zij hadden niets dan de kleeren, die zij droegen, toen hen het onheil trof. Toch had Gideon Spilett, bij ongeluk zeker, een opschrijfboekje en een horloge behouden, maar overigens was er geen wapen, geen werktuig, zelfs geen zakmes te vinden. De reizigers in het bootje hadden alles overboord geworpen om het luchtschip lichter te maken.

“Ik ben nog nooit zoo ontroerd geweest.” Blz. 28.

“Ik ben nog nooit zoo ontroerd geweest.” Blz. 28.

De denkbeeldige helden van Daniël de Foe of van Wyss, zoowel als de Selkirken en de Raynals, die schipbreuk leden op de Juan-Fernandez eilanden of in den archipel der Auckland eilanden, waren nooit zoo geheel en al van alles beroofd of zij vonden toereikende hulpmiddelen in hun gestrand schip, of hadden een voorraad graan, vee, werktuigen en kruit en lood. Of wel er dreef een wrak naar de kust, dat hen van de eerste levensbehoeften voorzag. Zij bevonden zich niet zoo terstond geheel ongewapend tegenover de natuur. Hier echter was geen enkel stuk gereedschap, geen werktuig. Maar vóor alles moesten zij zich vestigen op dit gedeelte der kust, zonder eerst te onderzoeken tot welk land zij behoorden, of het bewoond werd, dan wel slechts het strand van een onbewoond eiland uitmaakte.

Dit was een gewichtige vraag, die zoo spoedig mogelijk moest opgelost worden. Toen dit besluit genomen was, moest men slechts voor het dadelijk noodige zorgen. In elk geval volgde men den raad van Pencroff op, die het geschikter vond nog eenige dagen te wachten, voor men tot een onderzoek overging. Men moest toch eenige levensmiddelen bereiden en zich versterkender voedsel verschaffen dan eieren en schelpdieren.

De schoorsteenen boden voor het oogenblik een voldoende schuilplaats aan. Nu het vuur eenmaal brandde, viel het hun niet moeielijk dit te onderhouden. Voor ’s hands hadden zij geen gebrek aan schelpdieren en eieren, die zij op de rotsen en het strand vonden. Nu en dan gelukte het hun eenige duiven te vangen, die bij honderden over de bergvlakte vlogen, en die zij dan met stokken of steenen doodden. Misschien zouden de boomen van het naburige bosch hun wel van eetbare vruchten voorzien. En eindelijk had men hier toch zoet water. Men kwam dus overeen, dat men nog eenige dagen in de schoorsteenen zou blijven om zich tot een ontdekkingstocht gereed te maken, hetzij langs de kust, hetzij in het binnenste gedeelte van het eiland.

Zeer vroeg in den ochtend van den 26sten Maart was Nab, die niet aan den dood zijns meesters geloofde, de noordelijke richting van het eiland gevolgd en hij was teruggekeerd naar het punt, waar de zee den ongelukkigen Smith vermoedelijk had verzwolgen.

Toen zij dien dag het middagmaal gebruikt hadden, vroeg Pencroff aan den reporter of deze hen naar het bosch wilde vergezellen, daar Harbert en hij van plan waren te gaan jagen?

Maar alles wel overlegd, moest er toch iemand thuis blijven, om het vuur te onderhouden, en ook voor het geval dat zich misschien mocht voordoen, hoewel het zeer onwaarschijnlijk was, dat Nab hulp noodig had. De reporter bleef dus.

“Op jacht, Harbert,” zeide de matroos. “Wij zullen wel op onzen weg jachtgereedschap vinden en ons in het bosch van een geweer voorzien.”

Maar op het oogenblik dat zij zouden vertrekken, merkte Harbert op dat zij geen zwam hadden en misschien verstandig handelden tondel mede te nemen.

Het was toen negen uur in den morgen. Het weer was onstuimig en de wind blies uit het zuidoosten.

Harbert en Pencroff sloegen den hoek van de schoorsteenen om, maar wierpen eerst een blik op den rook, die boven de rots opsteeg; daarop volgden zij den linker oever der rivier.

Toen zij in het bosch kwamen, was Pencroffs eerste werk om twee stevige takken af te breken, die hij tot knuppels maakte, en waaraan Harbert tegen een rots een punt sleep. Wat zou hij niet hebben willen geven om een mes te bezitten! Daarop gingen zij in het hooge gras, terwijl zij den steilen oever volgden.

De zeeman beschouwde intusschen aandachtig de gesteldheid en de natuur van het land. In het bosch, zoowel als aan de kust, was geen spoor van eenig menschelijk wezen te ontdekken. Pencroff zag slechts sporen van viervoetige dieren, maar tot welke soort die behoorden, kon hij niet nagaan.

Zéér zeker—en dit meende Harbert ook—waren er eenige verslindende dieren, waarmede zij ongetwijfeld ook nog te strijden zouden hebben; maar nergens was de houw van een bijl op een boomstam te vinden, noch de overblijfselen van een uitgedoofd vuur, noch de indruk van een voetstap. Dit was misschien nog gelukkig, want op dit eiland, in het midden van den Stillen Oceaan, was de tegenwoordigheid van een mensch meer te vreezen dan te wenschen.

Harbert en Pencroff spraken weinig, want de moeielijkheden, die de weg opleverde waren talrijk en zij vorderden slechts zeer langzaam. Na een uur loopen hadden zij nog nauwelijks een mijl afgelegd.

Tot nog toe had de jacht weinig opgeleverd. Soms hoorden zij eenige vogels zingen en zagen ze tusschen het groen fladderen, waarop ze dan zeer verschrikt wegvlogen alsof de mensch hun een instinctmatigen angst inboezemde.

Onder het gevogelte herkende Harbert, in een zeer moerassig gedeelte van het bosch, een dier met langen spitsen bek, die veel op een ijsvogel geleek. Vooral deed hij aan dezen denken door zijn donker gevederte, waarover een metalen glans lag.

“Het moet een boomkruipertje wezen,” zeide Harbert, terwijl hij beproefde het dier te naderen.

“Dit zou een goede gelegenheid wezen, om zoo’n boomkruipertje eens te proeven, hernam de zeeman, zoo dat vogeltje tenminste geschikt is om gebraden te worden.”

Op hetzelfde oogenblik wierp de knaap met krachtige hand een steen, die het dier aan zijn vleugel trof; maar de worp was niet doodelijk geweest, want de boomkruiper vluchtte in allerijl en was in een oogenblik uit het gezicht.

“Domkop, die ik ben!” riep Harbert uit.

“Wel neen, beste jongen!” zeide de matroos. “Gij hebt goed gemikt en menigeen zou den vogel niet geraakt hebben. Kom, treur er maar niet over! Wij zullen hem een andermaal wel vangen!”

De ontdekkingstocht werd voortgezet. Naarmate de jagers verder kwamen, werden de boomen schaarscher maar ook prachtiger, hoewel er aan geen enkelen eetbare vruchten gevonden werden. Juist vloog er een zwerm kleine vogels, met langen staart en prachtige veeren, tusschen het geboomte op en bedekte den grond met vederen.

“Het zijn koeroekoes, nietwaar?”

“Ik zou wel zoo graag een parelhoen of een korhoen gehad hebben,” antwoordde Pencroff; “maar zij zullen toch ook lekker zijn?”

“Zij smaken uitmuntend, hun vleesch is zelfs zeer fijn,” hervatte Harbert. En, zoo ik mij niet vergis, kan men ze gemakkelijk naderen en met een stok dooden.”

De matroos en de knaap drongen tusschen het gras door en slopen op hun teenen naar een zeer lagen tak, waarop een menigte van die vogeltjes zaten. Deze koeroekoes loeren op de kleine insecten waarmede zij zich voeden.

De jagers richtten zich op en met hun stokken, die zij als zeisen hanteeren, doodden zij geheele rijen van deze kleine vogels, die er niet aan dachten om weg te vliegen en zich argeloos lieten treffen. Een honderdtal lag reeds over den grond gestrooid, toen de overigen besloten te vluchten.

“Ziezoo,” zeide Pencroff, “nu hebben wij een wild, zooals voegt aan jagers, gelijk wij! Wij zouden ze met de hand kunnen grijpen!”

Tegen drie uur ’s middags ontdekte men een nieuwe vlucht vogels boven zekere boomen, waarvan zij de bessen afplukten, die een welriekenden geur verspreidden. Plotseling weerklonk een waar trompetgeschal door het bosch. Deze zonderlinge en helderklinkende fanfare was het gezang van hoendervogels, welke men in de Vereenigde Staten ook aantreft. Weldra kwamen er eenige te voorschijn. Pencroff achtte het noodzakelijk om zich van een dezer vogels meester te maken, die ongeveer de grootte van een kip hebben en wier vleesch even malsch als van een hoen is, maar het ging met zeer veel moeielijkheden gepaard, daar men ze niet naderen kon. Na eenige vruchtelooze pogingen, die tot geen andere uitkomst leidden dan dat zij de vogels schrik aanjoegen, zeide de matroos tot den knaap:

“Zeker moeten wij die, daar men ze niet in de vlucht kan grijpen, aan den hengel vangen.”

“Als een karper?” riep Harbert verwonderd over dit voorstel uit.

“Als een karper,” antwoordde de zeeman op ernstigen toon.

Hoezee! riep hij. Blz. 34.

Hoezee! riep hij. Blz. 34.

Pencroff had in het gras een zestal nestjes dezer vogels gevonden en in elk lagen twee a drie eieren. Hij zorgde wel dat hij deze nestjes niet aanraakte, daar ongetwijfeld de eigenaars wel er in terug zouden keeren. Om hen te vangen zou hij een net spannen, met een lokaas er in. Hij wenkte Harbert op korten afstand van de nestjes nader te komen en bracht daar alles tot de vangst in gereedheid. Daarop verscholen zij zich beiden achter een boom, waar zij geduldig afwachtten wat gebeuren zou. Het behoeft wel niet gezegd te worden dat Harbert weinig vertrouwen stelde in de goede uitwerking van zijn toestel.

Toen een half uur verloopen was, gebeurde wat de matroos voorzien had, en keerden verscheidene vogels in hun nest terug. Zij trippelden rond en zochten op den grond hun voedsel, en schenen volstrekt de tegenwoordigheid der jagers niet te bespeuren, die dan ook wel gezorgd hadden, dat zij niet door de hoenders bemerkt konden worden.

Inmiddels kwamen de vogels langzamerhand op het lokaas af; Pencroff bewoog het nu en dan eens, alsof de wormen nog levend waren.

Zeker is het, dat zich op dat oogenblik een geheel andere gewaarwording van den matroos meester maakte dan die, welke de hengelaar gevoelen moet, daar deze zijn prooi niet onder het water zien kan.

Spoedig trok het op en neer gaan van het aas de aandacht van de hoenders en pikten zij in het lokaas. Op hetzelfde oogenblik had Pencroff er verscheidene in zijn bezit.

“Hoezee!” riep hij en snelde naar zijn buit.

Harbert klapte in de handen van vreugde over het welslagen zijner poging, want hij had nog nooit vogels met een hengel zien vangen.

Maar daar de avond begon te vallen, achtten zij het raadzamer huiswaarts te keeren, en tegen zes uur kwamen zij vermoeid in de schoorsteenen aan.

VII.

Het avondeten.—Een slechte nacht.—Vreeselijke storm.—Nachtelijke tocht.—Strijd met regen en wind.—Op acht mijlen van het eerste kamp.

Spoedig hadden zij eenige vogels geplukt en zorgde Pencroff voor een meer versterkend maal. Tegen den nacht zette de storm weder op. De zee klotste met geweld tegen de rotsen en een zware regenbui viel als een dikke mist neer. Hieraan moest men het wegblijven van Nab toeschrijven, die ongetwijfeld een nachtverblijf in een rots gevonden had.

Men besloot dan ook, zich niet verder over hem ongerust te maken en elk zocht zijn hoekje van den vorigen nacht weder op.

Ondanks het geloei van den storm was Pencroff, die zich aan alle weer gewend had, in slaap gevallen. Gideon Spilett alleen was door de onrust, die hij omtrent Nab koesterde, wakker gebleven.

Het was ongeveer twee uur ’s nachts toen Pencroff, die in een diepen slaap gedompeld was, plotseling wakker werd geschud.

“Wat is er?” vroeg hij, en terwijl hij ontwaakte was hij met de vlugheid van geest, die den zeeman eigen is plotseling weder geheel op de hoogte van den toestand.

De reporter stond naast hem en zeide:

“Luister Pencroff, luister.”

De zeeman luisterde aandachtig, maar geen enkel geluid dan het loeien van den storm trof zijn oor.

“Het is de wind,” zeide hij.

“Neen,” antwoordde Gideon Spilett, terwijl hij opnieuw luisterde, “ik meen iets gehoord te hebben....”

“Wat dan?”

“Het blaffen van een hond!”

“Een hond!” riep Pencroff uit, terwijl hij overeind sprong.

“Ja,.... blaffen....”

“Het is onmogelijk!” antwoordde de zeeman. “En buitendien, hoe zou het kunnen, bij het loeien van den storm....”

“Wacht.... Hoor dan zelf,” zeide Spilett.

Pencroff luisterde nog oplettender, en meende nu ook geblaf in de verte te hooren.

“Nu!....” zeide de reporter, terwijl hij de hand van den zeeman vastgreep.

“Ja, ja!....” antwoordde Pencroff.

“Het is Top! Het is Top!....” riep Harbert uit, die ook ontwaakt was en alle drie snelden naar den ingang der schoorsteenen.

Met moeite konden zij buiten komen; de wind hield hen tegen, maar eindelijk toch slaagden zij, en konden zij zich, door zich aan de rotsen vast te klampen, staande houden.

Het was stikdonker. Eenige oogenblikken stonden de correspondent en zijn vrienden stil, als vastgenageld door den storm, doornat van den regen en verblind door het zand. Eindelijk hoorden zij weder blaffen, en bemerkten zij, dat het geluid nog verre van hen verwijderd was. Geen ander dan Top kon het wezen! Maar was hij alleen! Het waarschijnlijkste was dat hij alleen was, want zoo Nab zich bij hem bevond, zou hij wel naar de schoorsteenen geijld zijn.

De zeeman drukte de hand van Spilett, daar deze hem niet verstaan kon; en hiermede gaf hij te kennen:

“Wacht!” en daarop ging hij weder naar binnen.

Een oogenblik later kwam hij met een brandenden takkenbos terug, zij wierpen dien in de duisternis, terwijl zij een schel gefluit lieten hooren.

Dit teeken scheen verwacht te zijn; dit mocht men ten minste gelooven, want het werd weder door een geblaf beantwoord en weldra zagen zij een hond de schoorsteenen binnen snellen. Pencroff, Harbert en Gideon Spilett volgden hem.

Zij wierpen eenig droog hout op het vuur. Een helder licht verspreidde zich in de duisternis.

“Het is Top!” riep Harbert uit.

Het was inderdaad Top, de hond van den ingenieur Cyrus Smith. Maar hij was alleen! Noch zijn meester, noch Nab vergezelde hem!

Hoe had zijn instinct hem naar de schoorsteenen geleid, die hij volstrekt niet kende. Dit was hun onbegrijpelijk, vooral in deze duisternis en met zulk een hevigen storm! Maar wat zij nog minder konden verklaren was dat Top volstrekt niet vermoeid noch uitgeput scheen en zelfs geen slijk of zand aan zijn pooten had!

Harbert had hem naast zich genomen en omvatte zijn kop met beide handen. De hond liet hem rustig begaan.

“Wanneer de hond teruggevonden is, zullen wij den meester ook weervinden,” zeide Spilett.

“Ik hoop het!” antwoordde Harbert. “Kom, laten wij voortgaan, Top zal ons geleiden!”

Pencroff maakte geen tegenwerpingen. Hij begreep dat de terugkomst van Top zijn voorgevoel logenstrafte....

“Vooruit!” zeide hij.

Eerst legde hij nog eenige blokken hout op het vuur en daarop vertrokken zij allen, voorafgegaan door den hond, die zich eerst nog aan de overblijfselen van het avondmaal te goed had gedaan.

De storm had toen zijn toppunt bereikt en daar het nieuwe maan was, dus geen straaltje licht op de aarde viel, moesten zij geheel op het instinct van Top vertrouwen. De correspondent en Harbert volgden hem, en Pencroff sloot den stoet. Het was hun onmogelijk een woord te wisselen, daar de regen te veel gedruisch maakte.

Eindelijk kwamen zij achter de rotsen en waren zij dus voor een groot gedeelte tegen den wind beschut. Harbert en Spilett stonden stil om adem te halen. Nu konden zij elkaar verstaan en antwoorden en toen Harbert den naam van Cyrus Smith uitsprak, blafte Top, alsof hij zeggen wilde, dat zijn meester gered was.

“Gered, nietwaar?” herhaalde Harbert, “gered Top?”

En de hond blafte als om te antwoorden.

De correspondent en Harbert volgden hem. Blz. 36.

De correspondent en Harbert volgden hem. Blz. 36.

Tegen vier uur in den morgen hadden zij ongeveer vijf mijlen afgelegd. Het weer helderde langzamerhand op; maar thans hadden zij meer van de koude te lijden, daar hun kleeren volstrekt niet dik genoeg waren; maar geen klacht ontsnapte aan hun lippen. Zij waren vast besloten het verstandige dier te volgen, waar het hen ook brengen mocht.

Tegen zes uur was het klaar dag. De matroos en zijn vrienden waren toen ongeveer zes mijlen van de schoorsteenen verwijderd. Zij waren thans op een vlakke kust; aan hun linkerzijde verhief zich een keten van rotsen, waarvan de toppen alleen boven de zee uitstaken, wanneer het vloed was; hier en daar zag men eenige boomen. Op verren afstand strekte zich de zoom van het laatste bosch uit.

Op dit oogenblik blafte de hond weder, maar veel gejaagder. Hij liep heen en weer en snelde naar den matroos en smeekte hem als het ware zijn schreden te verhaasten. De hond sloeg den weg naar de duinen in.

Men volgde hem. Het land scheen geheel verlaten te zijn. Geen levend wezen was er te bespeuren. Vijf minuten later stond Top voor een hol stil en begon heftig te blaffen. Harbert, Pencroff en Spilett drongen er binnen.

Nab lag daar naast een lichaam geknield, dat op eenige droge kruiden was uitgestrekt. Het was het lichaam van den ingenieur Cyrus Smith.

VIII.

Leeft Cyrus Smith?—Nab’s verhaal.—Voetstappen in het zand.—Onoplosbare vraag.—De eerste woorden van Cyrus Smith.—Terugkeer naar de schoorsteenen.—Pencroff radeloos.

Nab verroerde zich niet. De matroos zeide slechts:

“Leeft hij?”

Nab antwoordde niet, Gideon Spilett en Pencroff werden doodsbleek. Harbert vouwde de handen krampachtig samen, maar bleef onbeweeglijk staan. Het waarschijnlijkste was, dat de arme neger, te zeer overstelpt door zijn eigen smart, noch zijn vrienden gezien, noch hun woorden gehoord had.

De reporter knielde naast dat wezenlooze lichaam neder, waarvan hij de kleederen losmaakte. Een minuut—een eeuw!.... verliep, terwijl Spilett aandachtig naar eenig kloppen van het hart luisterde. Nab had zich een weinig opgericht en staarde hen aan zonder te zien. Nog nooit had de wanhoop een menschelijk gelaat zoo kunnen veranderen. Nab was onkenbaar, uitgeput van vermoeienis en gebroken door zijn smart. Hij meende dat zijn meester dood was.

Gideon Spilett stond op na hem lang met aandacht gadegeslagen te hebben.

“Hij leeft!” zeide hij.

Pencroff knielde thans op zijn beurt naast Cyrus Smith neder; ook hij hoorde het kloppen van het hart en zijn lippen voelden den adem van den ingenieur.

Harbert snelde naar buiten, om op verzoek van den correspondent water te halen. Een honderd passen ver vond hij een helder stroomend beekje. Maar hij had niets om dit water in te scheppen. De knaap moest zich dus tevreden stellen met zijn zakdoek daarin te doopen en spoedig snelde hij naar de grot terug.

Gelukkig was deze natte zakdoek voor Gideon Spilett voldoende, daar hij slechts de lippen van den ingenieur wilde bevochtigen. Deze weinige droppelen water hadden een plotselinge uitwerking. Een zucht ontsnapte aan de borst van Cyrus Smith en het scheen zelfs dat hij wilde beproeven eenige woorden te spreken.

“Wij zullen hem behouden!” riep de reporter.

Nab kreeg bij deze woorden weer eenige hoop. Hij ontkleedde zijn meester om te zien of hij ook ergens gewond was. Maar noch het hoofd, noch de borst, noch de armen, noch de beenen hadden eenig letsel bekomen, zelfs geen enkele schram, iets wat hem zeer verwonderde, daar het lichaam van Cyrus Smith toch tegen de rotsen moest zijn geworpen. Zelfs de handen waren onbezeerd; het was hem onverklaarbaar dat er bij den ingenieur volstrekt geen sporen te bekennen waren van de pogingen die hij had moeten doen om over de klippen te komen.

Maar later zou zich deze onbegrijpelijke omstandigheid wel verklaren.

Toen Cyrus Smith weder spreken kon, verhaalde hij hun het gebeurde. Voor het oogenblik kwam het er slechts op aan, niets onbeproefd te laten, om hem in het leven terug te roepen, en het was niet onwaarschijnlijk dat men dit doel door wrijven zou bereiken. Zij hadden het aan den duffel van den matroos te danken. De ingenieur werd door de aanraking met deze ruwe stof een weinig verwarmd en gevoelde zich daardoor in staat om zijn arm even op te lichten en zijn ademhaling werd regelmatiger. Hij leed aan uitputting en ongetwijfeld zou het, zonder de komst van Spilett en zijn vrienden, met Cyrus Smith gedaan zijn geweest.

“Gij dacht dus dat uw meester dood was?” vroeg de matroos aan Nab.

“Ja! dood!” antwoordde Nab, “en zoo Top u niet gevonden had en gij niet gekomen waart, zou ik mijn meester begraven hebben en zou ik aan zijn zijde zijn gestorven!”

Men ziet dus waarvan het leven van Cyrus Smith had afgehangen.

Nab verhaalde toen hetgeen voorgevallen was. Den vorigen dag, nadat hij de schoorsteenen verlaten had, had hij de noordwestelijke richting van de kust gevolgd en was dus in dat gedeelte gekomen, wat zij reeds doorzocht hadden.

Nab was vastbesloten toch nog eenige mijlen de kust te houden. Misschien was het lijk door het opkomen van de zee verder opgespoeld. Wanneer een lijk op eenigen afstand van de kust drijft, gebeurt het zeer zelden dat de golven het niet vroeg of laat op het strand werpen. Nab wist dit en hij wilde zijn meester toch nog voor het laatst zien.

“Twee mijlen volgde ik nog de kust,” zeide hij, “en waar of ik ook zocht, nergens vond ik eenig spoor en begon nu te wanhopen, iets van hem te ontdekken toen ik gisteren, omstreeks vijf uur ’s avonds, eenige indrukken van voetstappen bespeurde.”

“Voetstappen?” riep Pencroff uit.

“Ja!” antwoordde Nab.

“En die voetstappen begonnen reeds op de klippen?” vroeg de correspondent verder.

“Neen,” antwoordde Nab, “op het strand eerst, want tusschen het strand en de klippen moeten de voetstappen zijn uitgewischt.”

“Ga voort, Nab,” zeide Gideon Spilett.

“Toen ik deze voetstappen zag werd ik waanzinnig. Zij waren goed zichtbaar en blijkbaar voerden zij naar de duinen. Ik volgde ze een halve mijl, maar zorgde wel ze niet uit te wisschen. Vijf minuten later, toen de avond begon te vallen, hoorde ik het blaffen van een hond. Het was Top en Top bracht mij hierheen, bij zijn meester.”

Nab’s eerste gedachten waren toen aan zijn makkers geweest. Deze zouden hem waarschijnlijk ook nog wel eens voor het laatst willen zien! Top was daar. Kon hij niet vertrouwen op het verstand van dit edelmoedige dier? Nab sprak toen verscheidene malen den naam van Spilett uit, daar hij een van de vrienden van den ingenieur was, dien Top het best kende; daarop wees hij hem het zuidelijke gedeelte der kust en de hond verwijderde zich in de aangewezen richting.

Men weet, hoe de hond door een bijna bovennatuurlijk instinct geleid aan de schoorsteenen was gekomen.

Allen hadden naar dit verhaal aandachtig geluisterd. Er lag iets onbegrijpelijks in, dat Cyrus Smith, na alle pogingen die hij moest aangewend hebben om aan de golven te ontsnappen en over de klippen heen te klimmen, zelfs geen enkele schram bekomen had. En wat hun niet minder onverklaarbaar toescheen, was dat de ingenieur op een mijl afstand van de kust deze grot in het midden der duinen gevonden had.

Het was de ingenieur. Blz. 38.

Het was de ingenieur. Blz. 38.

Slechts Cyrus Smith zelf kon hun deze vragen ophelderen. Men moest dus geduld hebben tot dat hij weer tot zich zelf was gekomen. Gelukkig ontwaakte het leven meer en meer in hem. Nab, die naast hem zat sprak nu en dan zijn naam uit, maar zijn oogen bleven altijd gesloten. Eindelijk kwamen zij overeen daar Pencroff geen vuur bij zich had, Smith zoo spoedig mogelijk naar de schoorsteenen over te brengen.

Toch kwam de ingenieur sneller bij kennis dan men had durven hopen. Pencroff kwam op het denkbeeld om bij het water, waarmede hij zijn lippen bevochtigde, een weinig vet van de vogels te doen, die hij meegebracht had. Harbert keerde eindelijk met twee groote schelpen terug. De matroos maakte een drank klaar, dien hij langzaam tusschen de lippen van den ingenieur liet vloeien, wien het blijkbaar goed deed.

Daarop opende hij de oogen. Nab en de correspondent waren over hem heen gebogen.

“Meester! Meester!” riep Nab uit.

De ingenieur hoorde hem. Hij herkende Nab en Spilett, daarna zijn beide andere metgezellen, Harbert en Pencroff; zacht raakte hij hen met de hand aan.

Toen kwamen eenige woorden over zijn lippen—woorden, die hij zeker reeds meer gezegd had en die duidelijk te kennen gaven welke gedachten in hem omgingen. Deze woorden waren slechts:

“Eiland of vasteland?”

“Och!” riep Pencroff uit, en hij kon dezen uitroep niet weerhouden, “goede hemel, wat zal er dat toe doen, als gij maar leeft, mijnheer Cyrus! Eiland of vasteland. Dat zullen wij later wel zien.”

De ingenieur knikte toestemmend en scheen weder in te slapen.

Daarop gingen Pencroff en zijn beide vrienden naar de duinen, waar zij met geen ander werktuig dan hun handen een dun boompje uit den grond haalden. Van de takken maakten zij een bed waarover zij droge bladeren en kruiden spreidden, zoodat de ingenieur daarop gelegd kon worden.

Dit was het werk van een half uur en het was tien uur toen Nab en Harbert bij den ingenieur terugkeerden, terwijl Gideon Spilett hem niet verlaten had.

Cyrus Smith ontwaakte juist. Er kwam weder kleur op zijn wangen, die tot nog toe doodsbleek waren geweest. Hij richtte zich een weinig op, wierp een blik om zich heen en scheen te vragen waar hij zich thans bevond.

Eindelijk vroeg Cyrus Smith op zwakken toon of zij hem niet op het strand gevonden hadden?

“Neen,” zeide Spilett.

“Zijt gij het dan niet, die mij in deze grot gelegd hebt?”

“Neen.”

“Hoever is de grot van de klippen verwijderd?”

“Ongeveer een halve mijl,” antwoordde Pencroff, “en zoo gij verwonderd zijt, mijnheer Smith, wij zijn niet minder verbaasd u hier te vinden.”

“Inderdaad,” hernam de ingenieur die langzamerhand meer belang in alles begon te stellen, “inderdaad, dat is zeer zonderling!”

“Maar,” zeide de matroos, “kunt gij ons zeggen, wat er met u voorgevallen is, sedert gij door dien golfslag medegevoerd werd?”

Cyrus Smith bedacht zich een oogenblik. Hij wist er weinig van. De golfslag had hem uit het net gerukt. Hij was eerst in de diepte verdwenen. Toen hij op de oppervlakte der zee terugkwam, voelde hij in deze halve duisternis een levend wezen naast zich. Het was Top, die hem ter hulp was gesneld. Hij bevond zich te midden der onstuimige golven, op geen grooteren afstand dan een halve mijl van de kust verwijderd. Hij beproefde tegen de golven te worstelen, door te zwemmen. Top hield hem aan zijn kleederen vast. Toen hij plotseling door den storm werd medegevoerd en nadat hij een half uur lang zich er met kracht tegen verzet had, moest hij zich laten drijven en sleepte hij Top in den afgrond mede. Van dat oogenblik af totdat hij zich in de armen zijner vrienden bevond, herinnerde hij zich niets meer.

“Toch moet gij kracht genoeg gehad hebben,” zeide Pencroff, “om, toen gij op het strand geworpen waart, van daar naar deze grot te loopen, want Nab heeft hier uw voetstappen ontdekt.”

“Ja.... dat moet wel....” antwoordde de ingenieur peinzend. “En gij hebt volstrekt geen spoor van eenig menschelijk wezen gevonden?”

“Geen enkel,” antwoordde Spilett. “En bovendien, zoo gij toevallig door iemand gered waart, welke redenen zou die persoon hebben u te verlaten nadat hij u aan de golven had ontrukt.”

“Ge hebt gelijk, beste Spilett.—Zeg Nab,” ging hij voort, terwijl hij zich tot zijn bediende wendde, “gij waart het niet.... ge zult toch niet gedachteloos iets gedaan hebben.... terwijl ge.... Neen, dat is al te ongerijmd.... Zijn er nog van die voetstappen te zien?” vroeg Cyrus Smith.

“Ja, meester,” antwoordde Nab, “hier bij den ingang zijn er nog eenige. De overige zijn door den storm en den regen uitgewischt.”

“Pencroff,” hernam Cyrus Smith, “wilt gij mijn schoenen medenemen en zien of zij dezelfde indrukken maken?” De matroos deed wat hem gevraagd werd. Harbert en hij gingen, geleid door Nab, naar de plaats waar de indrukken te vinden waren, terwijl Cyrus Smith tot den reporter zeide:

“Er hebben onverklaarbare dingen plaats gehad!”

“Onverklaarbare!” beaamde Spilett.

“Maar laten wij er niet langer over denken, later spreken wij er nader over.” Een oogenblik daarop kwamen de matroos, Nab en Harbert weder terug.

Er viel thans niet meer te twijfelen. De schoenen van den ingenieur pasten juist in de voetsporen. Het was dus Cyrus Smith, die ze in het zand gedrukt had.

“Ik was het dus die deze zinsverbijstering onderging, terwijl ik dacht dat het Nab geweest was. Ik moet in mijn slaap gewandeld hebben, zonder te weten waarheen ik mijn schreden richtte; en het was dus Top, die door zijn instinct geleid, mij hierheen bracht, na mij gered te hebben.... Kom eens hier Top! mijn beste trouwe hond!”

De prachtige hond sprong blaffend tegen zijn meester op en werd overladen met liefkoozingen.

Tegen den middag gevoelde Cyrus Smith zich in staat, gesteund door den arm van Spilett, naar de schoorsteenen te gaan.

Men bracht nu de draagbaar. Cyrus Smith strekte zich op het mos en de droge bladeren uit, terwijl Pencroff en Nab de baar tusschen zich namen. Acht mijlen moesten zij afleggen; en daar zij niet snel zouden kunnen loopen en zeker nog wel eens dikwijls stil zouden moeten staan, kon men rekenen dat er zes uur zouden voorbijgaan eer de schoorsteenen bereikt waren.

Tegen vijf uur waren zij hun doel nabij en bevonden zij zich vóór hun woning. Allen stonden stil en zetten de draagbaar op het zand neer. Cyrus Smith lag in een diepen slaap en ontwaakte niet.

De grond voor de schoorsteenen was geheel door den opgekomen vloed doorweekt. Pencroff snelde naar binnen, want plotseling had zich een gedachte van hem meester gemaakt.

Oogenblikkelijk daarop keerde hij terug en staarde roerloos zijn vrienden aan....

Het vuur was uitgedoofd. De tondel die de plaats van zwam kon innemen was verdwenen. De zee was zeer ver in de schoorsteenen doorgedrongen en had alles verwoest wat daar aanwezig was.

IX.

Cyrus is er.—Pogingen van Pencroff.—Wrijven van hout.—Eiland of vastland?—De plannen van den ingenieur.—Op welk punt van de Zuidzee?—In het dichtst van het woud.—De pijnboom.—De jacht.—Rook die veel belooft.

Met weinige woorden werden Gideon Spilett, Harbert en Nab op de hoogte van den toestand gebracht. Deze gebeurtenis die zeer ernstige gevolgen kon hebben,—Pencroff zag het ten minste zoo in,—had een verschillende uitwerking op de metgezellen van den braven zeeman. Nab was zoo verheugd zijn meester te hebben weergevonden, dat hij niet luisterde en zelfs volstrekt niet wilde letten op hetgeen Pencroff zeide. Harbert scheen eenigermate de vrees van den zeeman te deelen. Wat den verslaggever betreft, deze antwoordde slechts op de woorden van Pencroff.

Pencroff beproefde twee stukken hout te wrijven. Blz. 47.

Pencroff beproefde twee stukken hout te wrijven. Blz. 47.

“Op mijn woord van eer, Pencroff, het is mij volmaakt onverschillig! Is Cyrus er dan niet? Leeft onze ingenieur niet? Hij zal wel weten hoe hij ons vuur kan verschaffen?”

“Waarmee dan?”

“Met niets.”

Wat moest Pencroff daarop antwoorden? Hij antwoordde niet, want in zijn binnenste deelde hij het vertrouwen, dat zijn metgezellen in Cyrus Smith stelden. De ingenieur was voor hem een vereeniging van alle menschelijke wetenschappen en kennis! Het kwam op hetzelfde neer of men met Cyrus op een verlaten eiland was, dan wel zonder Cyrus in de meest welvarende stad van de Unie. Met hem kon men aan niets gebrek hebben. Met hem behoefde men nooit te wanhopen. Al had men dezen goeden lieden gezegd, dat een vulkaansche uitbarsting dit land zou vernietigen, dat het verzinken zou in de peillooze diepte van de Stille Zee, zij zouden kalm geantwoord hebben: “Cyrus is daar! Daar is Cyrus!”

Cyrus Smith moest nu vóór alles onder gebracht worden; men bereidde hem zoo goed mogelijk een bed van zeegras en de diepe slaap, waarin hij weldra verzonk, herstelde spoedig zijn krachten.

De nacht was ingevallen en de temperatuur begon tegelijkertijd kouder te worden door het draaien van den wind naar het noordoosten. Daar de zee de beschuttingen had verwoest, die Pencroff op verscheidene plaatsen had aangebracht, begon het zoo te tochten dat de schoorsteenen bijna onbewoonbaar werden. Het zou er dus slecht voor den ingenieur hebben uitgezien, indien zijn lotgenooten hem niet zorgvuldig toegedekt hadden, door zich zelve van hun overkleederen te ontdoen.

Het avondeten bestond dien avond slechts uit die onvermijdelijke lithodomen, waarvan Harbert en Nab er zooveel op de kust hadden gevonden; zij wisten echter op de hoogste rotsen nog een eetbare plant te vinden, die nog al in den smaak viel van den correspondent en zijn lotgenooten.

“Toch wordt het tijd, dat Cyrus ons te hulp komt,” zeide de zeeman.

Het werd intusschen zeer koud en ongelukkig genoeg, men had geen enkel middel om de koude tegen te gaan.

De zeeman, die inderdaad ongerust werd, beproefde op alle mogelijke manieren vuur te maken. Nab hielp hem zelfs daarbij. Hij had eenig droog mos gevonden en door twee keisteenen tegen elkander te slaan, verkreeg hij vonken; maar het mos, was niet brandbaar genoeg en vatte geen vlam; die vonken waren toch slechts gloeiende stukjes vuursteen en hadden niet dezelfde bestanddeelen als die, welke aan het staal bij het vuurslaan ontspringen. De poging gelukte dus niet.

Pencroff beproefde vervolgens, hoewel hij er niet veel van verwachtte, om, in navolging van de wilden, twee stukken droog hout tegen elkander te wrijven. Wanneer volgens de nieuwe theorie, de beweging, die Nab en hij maakten, in warmte moest overgaan, dan zou deze zeker voldoende zijn geweest om het water voor een stoomketel aan de kook te brengen! De uitkomst echter leidde tot niets. De stukken hout werden warm, dat was alles, en zelfs niet eens zoo warm als zij, die de beweging maakten.

Na een uur gewreven te hebben, gudste Pencroff het zweet uit alle poriën en hij wierp spijtig de stukken hout weg.

“Als het waar is, dat de wilden op deze manier vuur maken,” zeide hij, “dan zou het zelfs in den winter warm zijn! Door zoo te wrijven zou ik nog eerder mijn armen in brand steken!”

Pencroff vergat dat niet alle soorten van hout er toe geschikt zijn en dat hij er niet den slag van had.

Harbert had den zeeman gadegeslagen en de stukken hout opgenomen, toen deze ze wegwierp; hij begon met grooten ijver te wrijven en hij antwoordde, toen Pencroff hem spottend toeriep:

“Wrijf maar, mijn jongen, wrijf maar.”

“Ik wrijf alleen om mij zelf warm te maken evenals gij het er door zijt geworden, Pencroff.”

Wat er ook gebeurde, zij moesten zich dien nacht ter ruste leggen zonder er in geslaagd te zijn vuur te maken.

Spilett, Harbert, Nab en Pencroff strekten zich in een van de gangen op het zand uit en Top sliep aan de voeten van zijn meester.

Toen de ingenieur den volgenden morgen, 28 Maart, tegen acht uur ontwaakte, zag hij zijn metgezellen om zich geschaard, die op zijn ontwaken wachtten; evenals den vorigen avond, waren zijn eersten woorden:

“Eiland of vasteland?”

Men ziet, deze gedachte vooral hield hem bezig.

“Dit is nu juist wat wij niet weten, mijnheer Smith!” antwoordde Pencroff.

“Weet gij dat nog niet?...”

“Maar wij zullen het weten,” voegde Pencroff er bij, “wanneer gij ons door dit land den weg hebt gewezen.”

“Ik geloof wel het te kunnen ondernemen,” antwoordde de ingenieur die zonder veel inspanning opstond en bleef staan.

“Dat gaat al goed!” riep de zeeman uit.

“Ik zou bijna van honger omkomen,” antwoordde Cyrus Smith. “Vrienden, ik moet iets te eten hebben, en dan ben ik ter uwer beschikking.—Er is vuur, nietwaar?”

Het duurde eenige oogenblikken, voordat er antwoord op deze vraag kwam. Pencroff zeide eindelijk:

“Helaas, wij hebben geen vuur, of liever, mijnheer Smith, wij hebben geen vuur meer!”

Hij vertelde vervolgens, wat er den vorigen avond gebeurd was. Smith gebruikte inmiddels zijn sober maal, en toen dit genuttigd was, kruisde hij zijn armen en zeide:

“En dus, mijn vrienden, gij weet nog niet of het lot ons op het vasteland of wel op een eiland geworpen heeft?”

“Neen, mijnheer Smith,” was het antwoord.

“Morgen zullen wij het weten,” hernam de ingenieur. “Tot zoolang staat ons niets te doen.”

“Zeker wel,” gaf Pencroff ten antwoord.

“Wat dan?”

“Vuur,” zeide de zeeman, die ook van zijn kant een idée fixe had.

“Wij zullen vuur maken, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith.—“Heb ik gisteren niet, terwijl gij mij vervoerdet, in het westen een berg gezien die boven alles uitsteekt?”

“Ja,” antwoordde Gideon Spilett, “een berg, die hoog genoeg moet zijn....”

“Goed,” hernam de ingenieur. “Morgen zullen wij den top bestijgen en zien of dit land een eiland of het vasteland is. Tot zoolang, ik herhaal het, is er niets te doen.”

“Toch wel, vuur!” hernam nogmaals de koppige matroos.

“Maar men zal vuur maken!” antwoordde Gideon Spilett. “Een beetje geduld, Pencroff.”

De zeeman zag Gideon Spilett aan, alsof hij zeggen wilde: “Indien gij er alleen voor staat om het ons te geven, dan zullen wij nog zoo spoedig geen biefstuk bakken!” Maar hij zweeg.

Cyrus Smith echter had nog niets geantwoord. De quaestie om vuur te maken scheen hem al zeer weinig bezig te houden. Gedurende eenige oogenblikken bleef hij in gedachten verzonken. Eindelijk nam hij het woord en zeide:

“Mijne vrienden, onze toestand is misschien ellendig, maar hij is in ieder geval zeer eenvoudig. Of wij zijn op een vasteland, en dan kunnen wij ten koste van meerdere of mindere vermoeienis, een bewoond punt bereiken; òf wel, wij zijn op een eiland. In dit laatste geval blijven ons slechts twee dingen over; indien het eiland bewoond is, dan zullen wij het met zijn bewoners trachten te vinden; is het verlaten, dan zullen wij trachten ons alleen te redden en ons hier vestigen, alsof wij het nooit moesten verlaten!”

“Nooit!” riep de verslaggever uit. “Zegt gij nooit! mijn waarde Cyrus?”

“Het is beter, dadelijk het ergste van de zaken te zien,” antwoordde de ingenieur, “en betere uitkomst als een verrassing te beschouwen.”

De jagers zagen, dat Top er een beet had. Blz. 50.

De jagers zagen, dat Top er een beet had. Blz. 50.

“Flink!” zeide Pencroff. “En men moet ook nog hopen, dat dit eiland, als het er een is, niet juist geheel buiten den weg der schepen ligt! Dat zou al zoo ongelukkig mogelijk zijn!”

“Wij zullen niet eer weten waar ons aan te houden, vóórdat wij den berg hebben bestegen,” antwoordde de ingenieur.

“Maar, mijnheer Cyrus, zult gij morgen de vermoeienis van dien tocht kunnen doorstaan?” vroeg Harbert.

“Ik hoop het,” antwoordde de ingenieur, “maar onder voorwaarde dat Pencroff en gij, mijn jongen, zult toonen knappe en handige jagers te zijn.”

“Mijnheer Cyrus,” viel de zeeman hem in de rede, “daar gij nu toch van wild spreekt, als ik, bij mijne terugkomst, even zeker kon zijn het wild te zien braden, als ik nu zeker ben het thuis te brengen....”

“Breng het maar eerst thuis, Pencroff,” antwoordde Cyrus Smith.

Men kwam overeen, dat de ingenieur en de correspondent den dag in de schoorsteenen zouden doorbrengen, om de kust en de hooge vlakte te onderzoeken. Nab, Harbert en de zeeman zouden intusschen naar het bosch terugkeeren, een nieuwen voorraad hout opdoen en zich meester maken van elken vogel of van elk stuk wild, dat onder hun bereik mocht komen.

Tegen tien uur in den morgen gingen zij op weg, Harbert vol vertrouwen, Nab vroolijk en Pencroff binnensmonds mompelende:

“Als ik bij mijn terugkomst vuur in huis vind, dan heeft het onweder in eigen persoon het er aangebracht!”

Zij kwamen overeen om met de jacht te beginnen en op den terugtocht hout in te zamelen. In plaats van, zooals den vorigen keer, de rivier te volgen, drongen zij dieper in het bosch door, maar dit beantwoordde niet aan hunne verwachting, want na een uur geloopen te hebben, hadden zij nog geen wild gezien.

De zon had haar hoogste standpunt nog niet bereikt; de tocht duurde nog maar altijd voort. Eindelijk werden zij beloond; Harbert ontdekte namelijk een soort van denneboom, waarvan de vruchten eetbaar waren en veel overeenkomst met amandelen hadden.

“Dat gaat goed,” zeide Pencroff, “zeeplanten in plaats van brood, rauwe mosselen in plaats van vleesch en amandelen tot dessert, dat is wel een diner voor menschen die geen enkelen lucifer meer in hun zak hebben!”

“Ge moet niet klagen,” antwoordde Harbert.

“Ik klaag niet, mijn jongen,” hernam Pencroff, “ik herhaal slechts, dat het vleesch wel een beetje te veel ontbreekt bij dat maal!”

“Top denkt er anders over....” riep Nab uit, die op een kreupelboschje toeliep, waarin de hond blaffend verdwenen was. Het keffen van Top vermengde zich met een zonderling geknor.

De zeeman en Harbert waren Nab gevolgd. Nauwelijks waren de jagers in het boschje of zij zagen Top, die een beest bij een oor vasthield. Het was een soort varken, ongeveer twee en een halven voet lang, bruinzwart van kleur met een harde, maar niet zeer dikke huid, en pooten waarvan de teenen, die op dat oogenblik aan den grond als genageld stonden, door vliezen verbonden waren.

Harbert meende dat het een moeraszwijn was, dat is te zeggen, het grootste soort van de orde der knaagdieren.

Intusschen verweerde het dier zich volstrekt niet tegen den hond. Het keek dom uit zijn oogen, diep verborgen in een dikke laag vet. Misschien was dit de eerste maal dat het menschen voor zich zag.

Nab had zijn stok stevig in de hand genomen en wilde het knaagdier afmaken, toen dit zich eensklaps uit de tanden van Top, die slechts een stuk van het oor behield, losrukt, een vreeselijk gebrul uitstoot, op Harbert aanvliegt, dezen op den grond werpt en daarna in het bosch verdwijnt.

“Ha! die schelm,” riep Pencroff uit.

Onmiddellijk volgden zij de sporen van Top en op het oogenblik dat zij het beest nabij waren verdween het onder water in een grooten poel, door eeuwenoude pijnboomen omringd.

Nab, Harbert en Pencroff stonden onbeweeglijk. Top was in het water gesprongen, maar het dier verscheen niet weer.

“Wij moeten wachten,” zeide de knaap, “want het zal weldra komen om adem te halen.”

“Zou het niet verdrinken?” vroeg Nab.

“Neen,” antwoordde Harbert, “het heeft zwemvliezen en is dus een amphibie. Maar wij moeten opletten.”

Top bleef te water. Pencroff en zijn metgezellen gingen ieder aan een kant staan, om het beest elken uitweg af te snijden.

Harbert had zich niet vergist. Weinige oogenblikken later verscheen het zwijn aan de oppervlakte van het water. Top wierp zich in een sprong op hem en belette het op nieuw onder te duiken. Het volgende oogenblik was het dier door een slag van den stok van Nab afgemaakt.

“Hoezee!” riep Pencroff, die gaarne door dien kreet zijn vreugde uitte. “Nu nog slechts een gloeiend kooltje en dit knaagdier zal zelf tot op de beenderen afgeknaagd worden!”

Pencroff laadde het zwijn op zijn schouders en den stand der zon gadeslaande, oordeelde hij, dat het ongeveer twee uur zou zijn en gaf bevel tot den terugtocht.

Dank zij het instinct van Top, konden de jagers den weg, dien zij gekomen waren, terugvinden. Een half uur later waren zij aan den oever van de rivier. De zeeman was nog op vijftig passen van de schoorsteenen verwijderd, toen hij op nieuw een oorverdoovend hoezee aanhief en op den steenhoop wijzende, uitriep:

“Nab! Harbert! Zie eens!”

Een rookwolk steeg kronkelend boven de rotsen op!