Negende Orde.

De Slurfdieren (Proboscidea).

Als een uitstervend geslacht, als de laatste afstammelingen van een voormaals talrijkere Zoogdieren-groep, treden de slurfdieren voor ons. Zij maken den indruk van levende getuigen uit vroegere tijdperken van de ontwikkelingsgeschiedenis der dierenwereld, van wezens uit den vóórtijd, die aan het lot, dat hunne stamgenooten getroffen heeft, ontkomen zijn, en tot den tegenwoordigen tijd gespaard bleven.

Van de tot deze orde behoorende diervormen, die onze planeet bewoond hebben, leven thans nog slechts de vertegenwoordigers van één familie; twee of misschien drie soorten; zij maken de laatste leden uit van een reeks, die den tegenwoordigen tijd op een duidelijk zichtbare wijze met de voorwereld verbindt: want tot hun familie moet men de reusachtige dieren rekenen, welker goed geconserveerde lijken het ijs van Siberië gedurende duizenden van jaren voor ons bewaard heeft. Om van de beteekenis dezer diergroep een juist denkbeeld te krijgen, is het noodig ook op de uitgestorvene soorten de aandacht te vestigen. Neumayr zegt van hen het volgende: “Over ’t algemeen onderscheidden zich de Zoogdieren, die gedurende het diluviale tijdvak Europa bewoonden, door hun krachtige ontwikkeling: er zijn zoovele groote vormen bij, dat met het oog op deze, de hedendaagsche Europeesche Zoogdieren-fauna zich als een jammerlijk ontaard overblijfsel van vroegeren bloei aan ons voordoet. Het meest loopt dit in ’t oog, als wij letten op de groote planteneters van dien tijd; in de eerste plaats blijkt dan de sterke verbreiding van drie kolossale soorten van Slurfdieren, die alle grooter waren dan de hedendaagsche Indische en Afrikaansche soort. Twee van deze, n.l. Elephas meridionalis en Elephas antiquus—misschien de grootste landbouwers onder de Zoogdieren, die ooit bestaan hebben—lieten hoofdzakelijk in Zuid-Europa sporen van hun aanwezigheid achter; hun verbreidingsgebied reikte tot in Engeland; reeds in Noord-Duitschland echter waren zij zeer zeldzaam. Beide zijn vooral veelvuldig geweest in de oudste diluviale periode (in het tijdvak, dat aan den ijstijd onmiddellijk voorafgaat) daarna verdwijnt Elephas meridionalis, terwijl overblijfselen van Elephas antiquus nog voorkomen in de aardlagen, die zich afgezet hebben in het interglaciale tijdperk (tusschen den eersten en den tweeden ijstijd).

“Geheel anders was het gesteld met de derde soort, met den Mammoet (Elephas primigenius), wiens overblijfselen in het tijdvak dat aan den ijstijd voorafgaat, slechts zelden gevonden worden, maar in de diluviale gronden uit latere tijdperken buitengewoon veelvuldig zijn; tallooze kudden van deze dieren bevolkten destijds Europa en het noorden van Azië. Geen fossielen hebben zoo sterk de aandacht getrokken als die van den Mammoet, wiens beenderen en tanden op sommige plaatsen in menigte voorhanden zijn. In vroegeren tijd hield men ze voor de beenderen van Sint Christophorus of van een anderen heilige, wien men om de een of andere reden een bijzondere grootte meende te moeten toeschrijven; vele van zulke overblijfselen werden daarom in kerken als reliquieën bewaard. Anderen hielden ze voor de beenderen van de reuzen Gog en Magog, die in den bijbel worden genoemd, of van andere minder beroemde reuzen. Door hen, die met de klassieke oudheid meer bekend waren, werden zij aan den Germaanschen koning Teutobod toegeschreven. Toen men er eindelijk toe overging, deze beenderen en tanden nauwkeuriger te bekijken, en de overeenkomst opmerkte, die zij met Olifantstanden hebben, meende men, dat zij afkomstig waren van de voor den krijg afgerichte Olifanten, die Hannibal op zijn vermetelen tocht uit Spanje door het zuiden van Frankrijk en over de Alpen medenam, en die, zooals bekend is, alle op één na onderweg ten gevolge van de vermoeienissen der reis bezweken.

“Later kwam men tot de overtuiging, dat de Mammoet werkelijk tot voor betrekkelijk korten tijd in Europa geleefd heeft en het lag voor de hand hieruit af te leiden, dat het klimaat van Europa in dien tijd warmer was. Door nog latere ervaringen werd deze meening echter niet bevestigd: in het zuiden van Europa ontbreekt de Mammoet, terwijl hij in het midden en in het noorden van dit werelddeel gevonden wordt. Hoe veelvuldig hij hier echter op sommige plaatsen is, nog overvloediger komt hij voor in Siberië, vooral in het noorden van dit land, waar sommige diluviale lagen geheel gevuld zijn met zijne overblijfselen. Waarschijnlijk is geen omstandigheid beter geschikt om dit in ’t licht te stellen dan het feit, dat ongeveer het derde gedeelte van al het ivoor, dat in den handel komt van de diluviale Mammoeten van Siberië afkomstig is. Volgens Middendorf zijn sedert 200 jaren ieder jaar meer dan 100 paar slagtanden van Mammoeten uit Siberië op de markt gekomen. Zelfs op de zoo moeilijk bereikbare Nieuw-Siberische eilanden, die ten noorden van het Aziatisch vasteland tusschen 73 en 76° N.B. in de IJszee gelegen zijn, is het fossiele ivoor in zulk een groote hoeveelheid aanwezig, dat de ivoorverzamelaars herhaaldelijk den gevaarlijken sledetocht over de bevroren zee wagen om deze schatten te lichten.

“Het is zeer zeker een merkwaardig feit, dat het ivoor gedurende zulk een langen tijd zoo weinig verandering heeft ondergaan, dat het nu nog technisch bruikbaar is; nog veel wonderbaarlijker echter is de ontdekking van volledige exemplaren met huid en haar, met vleesch en ingewanden, in den bevroren bodem van Siberië. Deze lijken waren nog zoo frisch, dat het vleesch steeds door IJsberen, Wolven, Vossen en Honden verslonden was, voordat een expeditie deze afgelegen gewesten kon bereiken om het gevonden materiaal ten behoeve van de wetenschap in bezit te nemen.

“Men kan zich nog geen volkomen duidelijke voorstelling vormen van de wijze, waarop deze bevroren grond ontstond; daarom weet men ook niet, hoe de Mammoeten er in bedolven zijn geraakt. Voor sommige gevallen geldt de verklaring, dat de Olifanten, Neushoorndieren enz. toevalligerwijze weggezonken zijn in moerasgrond, die later bevroren en sedert den ijstijd niet weder ontdooid is. In andere gewesten hebben, naar het schijnt, andere oorzaken tot soortgelijke gevolgen aanleiding gegeven; zoo ziet men b.v. aan de Eschscholtz-bocht in het noordwestelijkste deel van Noord-Amerika een tamelijk zuivere afzetting van waterijs (geen gletscher-ijs) uit het diluviale tijdperk, waarin oude strandlijnen ingesneden zijn en deze ijsmassa wordt bedekt door een laag klei met overblijfselen van groote Zoogdieren.

“Hoe dit ook zij, zeker is het, dat van tijd tot tijd volledige Mammoet-lijken door den dooi blootgelegd worden; de inboorlingen meenen, dat dergelijke dieren ook nu nog in den grond leven en dezen doorwoelen, en dat zij, gedurende dezen arbeid bij vergissing aan de lucht komend, onmiddellijk sterven en daarom in volkomen verschen toestand gevonden worden. De eerste gebeurtenis van dezen aard, die bekend geworden is, had plaats aan den mond van de Lena; hier bemerkte een Toengoese, dat een Olifant in een tijdperk van twee jaren langzamerhand uit zijn ijshulsel te voorschijn kwam; in 1799 werd deze ontdekking gedaan, maar eerst zeven jaren later kwam zij den natuuronderzoeker Adams ter oore, die toen een reis door Siberië deed en de bedoelde plaats bezocht. Ongelukkig was het dier reeds grootendeels verslonden; één oor, één oog, een stuk van de huid en vele pezen en banden waren behalve het skelet nog aanwezig. Toen reeds werd het hoogst merkwaardige feit ontdekt, dat de Mammoet over het geheele lichaam met een dichte, roodbruine, wollige vacht bekleed was en aan den hals lange manen had.” De manen in den nek reikten bijna tot op de knieën; ook op den kop groeiden zachte haren van één Meter lengte. Boven het dichte wolhaar, dat den geheelen romp bedekte, verhieven zich borstels van 25 cM. lengte. De overblijfselen van dit dier werden voor een som van 8000 roebels aan het museum te Petersburg verkocht, waar het skelet met de daaraan nog aanwezige pezen is opgesteld.

“Sedert dien tijd zijn herhaaldelijk dergelijke in den grond vastgevroren dieren gevonden; nooit is het echter gelukt er één in zijn geheel voor bederf te bewaren. Een onder de leiding van F. Schmidt uitgezonden expeditie kon tegen het einde van het tijdperk 1860—1870 weder eenige deelen van een Mammoet redden; bovendien verzamelde men eenige nog met de huid bedekte lichaamsdeelen van Neushoorndieren. Vooral een door Schrenk ontdekte kop van Rhinoceros Merckii is goed bewaard gebleven en levert het bewijs, dat de huid met een rood gevlekte vacht bekleed was.

“Over het algemeen is de Mammoet nauw verwant aan den Indischen Olifant; hij onderscheidt zich echter van dezen, behalve door zijn grootte en beharing door de veel talrijkere en smallere emailplaten van de kiezen en door de reusachtige, zeer sterk naar boven en buiten gekromde stoottanden.” Deze zijn soms ruim 4 M. lang en 125 K.G. zwaar.

“Zooals reeds gezegd werd, meende men aanvankelijk, dat de Mammoet in een heet klimaat geleefd zou hebben, omdat hij nauw verwant is aan den Olifant. Toen men hem echter in zoo grooten getale in Siberië aantrof en de daar in het ijs bedolven exemplaren ontdekte, zocht men den volgenden uitweg: men nam aan, dat door geweldige, van ’t zuiden naar ’t noorden zich uitstrekkende watervloeden, misschien wel door den zondvloed van Noach, tallooze overblijfselen van tropische dieren naar de Noordpool-gewesten gespoeld zouden zijn. Weldra echter zag men de onmogelijkheid van dit vermoeden in en nam zijn toevlucht tot de even onjuiste veronderstelling van een zeer plotseling ingetreden omkeering van het klimaat. Zoomin voor de eene als voor de andere meening is eenige grond aan te voeren. De Mammoet was door zijn dichte vacht tegen de koude beschut; dat hij ook werkelijk in koude gewesten leefde, blijkt uit de overblijfselen van voedsel, die men in de maag en tusschen de tanden van den Mammoet (en den Rhinoceros) gevonden heeft; daar deze hoofdzakelijk bestaan uit twijgen en spruiten van naaldboomen gelijk aan die, welke thans nog in Siberië groeien. Elephas primigenius is dus de Olifant van de noordelijke gewesten, die zijn hoofdzetel had in Siberië en Noord-Europa; in Midden-Europa ontmoette hij den zuidelijken vorm Elephas meridionalis en ook den Elephas antiquus, die zeer veel overeenkomst had met den Afrikaanschen Olifant.

“Behalve de drie genoemde, over een groot gebied verbreide soorten komen in Europa nog overblijfselen voor van eenige andere vertegenwoordigers van hetzelfde geslacht, die, hoewel zij een kleiner gebied bewoonden, toch van groot belang zijn. In de eerste plaats moet de echte Afrikaansche Olifant genoemd worden, waarvan in de beenderenholen van Sicilië en in Spanje in de omstreken van Madrid fossielen gevonden zijn, welk feit van belang is als steun voor de stelling, dat Europa vroeger op verschillende plaatsen met Afrika verbonden was. Het opmerkelijkst echter zijn de zeer talrijke overblijfselen van een zeer nauw aan den Afrikaanschen Olifant verwanten vorm, die men op het eiland Malta gevonden heeft. Alle zooeven bedoelde fossiele soorten zijn echter aanmerkelijk kleiner dan de hedendaagsche: de grootste (Elephas mnaidriensis) bereikt gemiddeld geen grootere hoogte dan 2 M., Elephas melitensis is zelfs aanmerkelijk kleiner en Elephas Folconeri is een zeer kleine dwergvorm, welks grootste exemplaren nog geen Meter hoog waren en dus niet grooter waren dan een kalf. Uit de aanwezigheid van groote Zoogdieren op Malta blijkt in allen gevalle, dat dit tamelijk kleine en schaars met planten begroeide eiland eens deel uitmaakte van een groot vasteland. Van het ontstaan van een Dwerg-olifant, waarnevens nog een Dwerg-nijlpaard voorkomt, geeft men de volgende (niet onmogelijke) verklaring: Toen Malta een eiland werd en de plantenwereld daar niet meer voldoende was voor het voeden van groote soorten, verkregen de de Olifanten en Nijlpaarden hier kleinere afmetingen.”

“Voor het verdwijnen van de groote diluviale Zoogdieren heeft men ondanks alle hiervoor in ’t werk gestelde pogingen, nog geen verklaring kunnen vinden.”


Onze Olifanten (Elephas)—de eenige thans nog levende vertegenwoordigers van de gelijknamige familie (Elephantidae)—zijn gekenmerkt door de lange beweeglijke slurf en door het gebit, vooral door de slagtanden, die als sterk ontwikkelde snijtanden beschouwd worden. De romp is kort en dik, de hals zeer kort, de kop rond en door de aanwezigheid van holten in de bovenste schedelbeenderen gezwollen; de tamelijk hooge, zuilvormige pooten hebben vijf met elkander verbonden teenen en vlakke hoornachtige zolen.

Het merkwaardigste lichaamsdeel van den Olifant is de slurf, een verlengde neus, die zich door lenigheid, gevoeligheid en bovenal door een vingervormig uitsteeksel aan zijn uiteinde onderscheidt. Zij dient zoowel voor ’t ruiken, als voor het tasten en het grijpen. De ringvormige en overlangsche spieren die haar samenstellen, bestaan volgens Cuvier uit ongeveer 40000 afzonderlijke bundels en stellen haar in staat zich in alle richtingen te wenden, zich te verkorten en te verlengen. De ontbrekende bovenlip wordt vervangen door de slurf. Zonder dit orgaan zou de Olifant niet kunnen leven.

Alle overige lichaamsdeelen en zelfs de zintuigen van den Olifant zijn minder opmerkelijk. De oogen zijn klein en hebben een onnoozele, maar goedaardige uitdrukking, de oorschelpen daarentegen zijn zeer groot en gelijken op lappen leder. De voor- en achtervoeten zijn zeer kort. De teenen zijn zoo innig omgeven door een gemeenschappelijke huid, dat zij zich niet ten opzichte van elkander kunnen bewegen. Zij zijn voorzien van hoeven, die wel is waar klein zijn, daar zij slechts de spits van den teen omhullen, maar tevens stevig, breed en plat. Boven de met een dikke huid bedekte, min of meer cirkelvormige zool van elken poot, aan welker voorrand de hoeven zichtbaar zijn en op welker achterrand de voetwortel rust, bevindt zich een kraakbeenige plaat, een vetkussen en eindelijk de sterk bovenwaarts gewelfde, korte middelvoet (of middelhand). De zachte stap van de op zuilen gelijkende pooten, die zulk een kolossaal lichaam dragen, is een gevolg van deze eigenaardige samenstelling van den voet.

Zeer merkwaardig is het gebit. In de bovenkaak draagt de Olifant twee buitengewoon sterk ontwikkelde slagtanden; overigens heeft hij geen snijtanden, ook geen hoektanden en gewoonlijk slechts één kolossale kies in elke kaakhelft. Deze kies bestaat uit een vrij groot aantal (3 à 27) dwars gerichte platen, ieder bestaande uit tandbeen, omgeven door een laag email, die zich op de door afslijting gevormde, platte, kauwvlakte voordoet als een richel met eenigszins geplooiden rand, die zeer langwerpig elliptisch is (Mammoet en Indische Olifant) of ruitvormig (Afrikaansche Olifant). Deze “dwarsjukken” worden vereenigd door het daartusschen liggend cement, dat ook de zijvlakken van de geheele kies bedekt. Als de kies door het kauwen zoover afgesleten is, dat zij haar dienst niet meer voldoende kan verrichten, vormt zich achter haar een nieuwe kies, die, langzamerhand aangroeiend, verder naar voren dringt en geruimen tijd vóór het uitvallen van het laatste overblijfsel van de vorige kies dienst begint te doen. Men heeft waargenomen, dat deze tandwisseling zes malen achtereenvolgens plaats heeft, zoodat alles bijeengenomen elke kaakhelft zes kiezen bezit, die de eene na de andere in gebruik genomen worden, zoodat er nooit meer dan twee te gelijk in functie zijn. De drie eerstverschijnende kiezen van elk zestal worden gerekend tot het melkgebit te behooren. Bij den Indischen Olifant komt de eerste melkkies in de derde levensmaand voor den dag, vertoont 3 dwarsjukken en valt in het tweede levensjaar uit. De tweede melkkies heeft 8 dwarsjukken en valt in het vijfde of zesde jaar uit, de derde met 12 dwarsjukken in het negende jaar. Van de eerste ware kies, die dan natuurlijk al reeds sedert eenigen tijd in functie is met een deel van hare dwarsjukken, zijn deze in het 15e jaar in vollen getale (12 à 14) aan de kauwvlakte zichtbaar; zij valt uit, als het dier 20 à 25 jaar oud is. Op nog lateren leeftijd vertoonen zich achtereenvolgens de tweede en de derde ware kies; gene heeft 16 à 18, deze 24 à 27 dwarsjukken. Het aantal wortels van de kies staat in verband met het aantal dwarsjukken. Bij jonge tanden zijn de wortels kort en met een wijde opening voorzien; later ontwikkelen zich vooral aan de achterste helft van de kies tamelijk lange, met cement bedekte wortels, die gedeeltelijk met elkander vergroeien. De slagtanden hebben voortdurend open wortels en groeien dus steeds aan; zij kunnen bij den Afrikaanschen Olifant een lengte van 2½ M. en een gewicht van 90 KG. bereiken. Met uitzondering van een dun laagje cement, dat het diep in de tandkas verborgen deel van deze tanden bedekt, en van een (bij zeer jonge tanden aan de spits aanwezig) zeer spoedig afslijtend emailkapje, bestaat de geheele slagtand uit tandbeen; deze stof is het dus, die als “ivoor” dienst doet.

*

De Indische of Aziatische Olifant (Elephas asiaticus, E. indicus), dien wij als type van zijn geslacht en van zijn familie plegen te beschouwen, is een kolossaal, plomp, sterk gespierd dier met zwaren, aan het voorhoofd zeer breeden kop, korten hals, reusachtigen romp en zuilvormige pooten. Zijn kop, die bijna loodrecht gehouden wordt, draagt er veel toe bij om den overweldigenden indruk die het reusachtige dier op den toeschouwer maakt, te verhoogen. Het voorhoofd is plat of zelfs een weinig uitgehold.—De huid is in bepaalde richtingen fijn geplooid, in andere, die de plooien meestal kruisen, gegroefd; hierdoor ontstaat aan haar oppervlakte een eigenaardige, netvormige teekening; alleen aan de borst verdikken deze plooien zich tot losse, beweegbare, kwabvormige opzwellingen. Wegens dit netwerk van plooien valt het bijna volslagen gemis van beharing minder in ’t oog. Het haarkleed bepaalt zich over ’t grootste deel van ’t lichaam tot zeer verspreid staande borstels, die een weinig dichter bijeengeplaatst zijn rondom de oogen, aan de lippen, aan de onderkaak, op de kin en op ’t achterste deel van de rug; de staart echter is aan zijn spits overvloedig met haar voorzien; dit vormt hier een platte, dunne kwast. De haren hebben een bruine of zwarte kleur, behalve op de lippen, waar zij witachtig zijn; de huid zelve is vaalgrijs, behalve aan de slurf, het onderste deel van den hals, de borst en den buik, die een vleeschkleurige tint vertoonen en dicht bezet zijn met rondachtige, donkere vlekken.—Gewoonlijk komen aan de achtervoeten slechts vier hoeven tot ontwikkeling (daar de éénledige binnenteen de hoef mist); terwijl de voorvoeten er vijf hebben.

Aziatische Olifant (Elephas asiaticus).

Aziatische Olifant (Elephas asiaticus).

De afmetingen van den Olifant worden in den regel overschat en dikwijls onjuist bepaald. Bij de grootste mannetjes bedraagt de totale lengte, van de spits van de slurf tot aan de spits van den staart, bijna 7 M., waarvan ongeveer 2 M. voor de slurf en hoogstens 1.5 M. voor den staart gerekend moeten worden; de schouderhoogte bedraagt hoogstens 3 M. Waarschijnlijk treft men niet veel exemplaren aan, die grooter zijn. Sanderson (wiens getuigenis ongetwijfeld veel gewicht in de schaal legt, daar hij gedurende een half menschenleven met het bestuur van de Olifanten-vangst in Engelsch Indië belast was) heeft van honderden van Olifanten de grootste gemeten en de schouderhoogte bepaald: bij de twee meest ontwikkelde mannetjes bedroeg zij 3 M. en 2.95 M. en bij de twee kolossaalste wijfjes 2.57 M. en 2.52 M. Het gewicht van de zwaarste dieren is waarschijnlijk 4000 KG., misschien ook iets meer.

De Indiërs, die buiten kijf de beste Olifanten-kenners zijn, onderscheiden naar de gestalte en de hiervan afhangende geschiktheid om te werken, bij deze dieren drie slagen, die zij Koemiria, Dwasala en Miërga noemen. De Koemiria is de volkomenste Olifant, zwaar en evenredig gebouwd, met ruime borst, krachtigen kop en romp, met een rechten, platten, naar achteren afhellenden rug. Zijn oog is open, helder en innemend. Zoowel naar het lichaam als naar den geest is hij een edel dier, betrouwbaar en onversaagd, majestueus en afgemeten in zijne bewegingen, als ’t ware geschapen voor een vertooning van koninklijke waardigheid. Een tegenstelling met hem vormt de Miërga: deze is licht en minder schoon gebouwd, langpootig, kleinkoppig, met varkensoogen, krom en steil van rug, engborstig en dikbuikig, met zwakke, slappe slurf en dunne, gemakkelijk kwetsbare huid. Tusschen het edelste en het onedelste slag houdt de Dwasala het midden; deze is tevens het talrijkst vertegenwoordigd. De drie genoemde, zoo verschillende slagen, zijn niet door den mensen gefokt; men vindt ze bij een en dezelfde kudde; zij staan dus, naar wij mogen veronderstellen, tot elkander in een nauwen graad van bloedverwantschap.

Lichtkleurige Olifanten—zelfs zulke, die lichtkleurige vlekken hebben—, zoogenaamde Witte Olifanten, komen zeer zelden voor. In Siam, waar albino’s van allerlei dieren hoog geschat worden, omdat men meent, dat zij gezagvoerders zijn over hunne soortgenooten, waar de Witte Olifant als het machtigste van alle dieren voor heilig wordt gehouden, en één der vele titels van den koning daarom “heer van den Witten Olifant” beteekent, moet men zich, naar het schijnt, bij het zoeken naar witte Olifanten tevreden stellen met exemplaren, welker kleur slechts weinig lichter is dan de gewone; een echte albino is daar nog niet voorgekomen.

In Indië is de Olifant op 25-jarigen leeftijd volwassen, hoewel nog niet in ’t bezit van zijn volle kracht, die hij eerst op ongeveer 35-jarigen ouderdom heeft. Het mannetje is ongeveer in het 20e jaar voor de voortplanting geschikt. De wijfjes brengen hun eerste jong ter wereld als zij 16 jaar oud zijn, de volgende jongen met tusschenpoozingen van gemiddeld 2½ jaar. De pas geboren Olifanten hebben een schouderhoogte van ongeveer 90 cM. en op den tweeden dag gemiddeld een gewicht van 90 K.G.; gedurende 6 maanden gebruiken zij geen ander voedsel dan de moedermelk; dan beginnen zij langzamerhand een weinig malsch gras te eten, hoewel zij zich nog eenige maanden lang hoofdzakelijk met melk voeden. Van den beginne af zien zij er minder plomp uit dan andere jonge dieren er is zelfs reden om ze lief en grappig te noemen; gedurende den eersten tijd van hun leven houden zij zich bij voorkeur onder den romp en tusschen de pooten van hun moeder op, en verlaten deze veilige plaats ook dan niet als het oude dier sneller begint te loopen. Naar het schijnt, staan zij gedurende verscheidene jaren, althans tot aan de geboorte van een volgend jong, onder de hoede van de ouders.

De Aziatische Olifant is inheemsch in de meeste, boschrijke gewesten van zuidoost Azië, in Vóór-Indië van den voet van den Himalaja tot aan de zuidspits, verder in Assam, Birma, Siam, op het Maleische Schiereiland, en voorts in afnemend aantal op de twee naastbij gelegene groote eilanden Ceylon en Sumatra. (De op Borneo levende Olifanten zijn alle van Sumatra afkomstig.) Volgens Temminck en Schlegel vormen de op Ceylon en Sumatra inheemsche Olifanten een afzonderlijke soort, die onder den naam Elephas sumatranus door hen beschreven werd, maar slechts onbelangrijk van den Indischen Olifant verschilt. Deze, hoewel in vele gewesten reeds uitgeroeid, of althans zeer in aantal verminderd, bewoont binnen het zoo even genoemde verbreidingsgebied alle groote en samenhangende wouden, het gebergte zoowel als de vlakte.

De Afrikaansche Olifant (Elephas africanus) overtreft den Indischen in grootte; zijn gedaante is over ’t algemeen minder fraai; het is echter te verwachten, dat men ook bij deze soort, evenals bij de vorige, na nauwkeuriger onderzoek “slagen” zal leeren kennen, die door uitwendige eigenschappen verschillen. Zijn romp is korter, maar staat hooger op de pooten dan bij zijn stamgenoot, van wien hij zich bovendien nog duidelijk onderscheidt door den platteren kop met meer gewelfd voorhoofd, dunnere slurf, grootere slagtanden en veel grootere ooren, door de meer gewelfde ruglijn, smallere borst en leelijker pooten. Aan de voorpooten heeft hij vier, aan de achterpooten drie hoeven, ofschoon het aantal teenen voor en achter vijf bedraagt.—De plooien en groeven van de huid vormen een grover netwerk dan bij den Indischen Olifant. Met uitzondering van een weinig beteekenende haarlijst op den nek en tusschen de schouders, eenige wijd vaneen geplaatste, soms wel 15 cM. lange, zwartbruine haren, die van de borst en den buik afhangen en enkele borstels om de oogen en aan de onderlip, ontbreekt de beharing geheel. De blauwachtig grijze, leikleurige huid is gewoonlijk met vuil en stof bedekt en hierdoor vaalbruin.

Bij een door Kirk aan de oevers van de Zambesi gedooden, mannelijken Olifant bedroeg de afstand van den spits van de snuit tot aan de kruin 2.75 M, de lengte van de gebogen lijn, die dit punt met den aanvang van den staart verbindt, was 4.2 M., de staart had een lengte van 1.3 M.; de totale lengte bedroeg dus ruim 8 M. bij een schouderhoogte van 3.14 M. En toch had dit dier nog geen hoogen leeftijd bereikt, daar iedere slagtand slechts 15 KG. zwaar was.

Het verbreidingsgebied van den Afrikaansche Olifant is in deze eeuw, vooral van ’t zuiden af, aanmerkelijk ingekrompen en strekt zich tegenwoordig uit van den breedtegraad van het Tsad-meer in het noorden tot aan dien van het Ngami-meer in het zuiden. Nauwkeurig kunnen de grenzen van dit gebied niet aangegeven worden, omdat Olifanten groote reizen ondernemen, zelfs van tijd tot tijd van woonplaats veranderen, zoodat zij in sommige gewesten gedurende vele jaren en tientallen van jaren niet waargenomen worden, in andere onverwachts verschijnen.

Beide soorten van Olifanten, zoowel de Afrikaansche als de Indische, waren aan de ouden wel bekend. Reeds de oude Ethiopiërs dreven een levendigen handel in ivoor, welks Grieksche naam (elephas) later tot dien van den Olifant werd, en reeds bij Herodotus in deze beteekenis voorkomt. Ktesias, de lijfarts van Artaxerxes Mnemon was de eerste, die een Olifant volgens eigen waarnemingen beschreef. Hij zag dit dier levend te Babylon, waar het waarschijnlijk uit Indië was gebracht. Hij was de eerste, die het sprookje verbreidde, dat de olifant geen gewrichten in de pooten heeft, niet kan gaan liggen en hierom staande slapen moet. Ieder die een Olifant kunstjes ziet verrichten, weet wel beter. Wel is waar legt onze reus zich niet altijd neder om te slapen; hij doet dit echter wel degelijk als hij zijn gemak wil nemen; het gaan liggen en het opstaan kosten hem even weinig moeite als iedere andere beweging. Darius is de eerste veldheer, waarvan de geschiedenis melding maakt, die Olifanten in den oorlog gebruikte, o.a. toen hij Alexander den Grooten bestreed. Eenige van de door Alexander buit gemaakte Olifanten kreeg Aristoteles te zien, die een vrij nauwkeurige beschrijving van deze diersoort gaf. Na dien tijd wordt van haar dikwijls melding gemaakt. Bijna driehonderd jaar achtereen speelde zij een rol in de eindelooze oorlogen, die gevoerd werden, voordat de Romeinen er in slaagden de wereldheerschappij te verwerven. De Olifanten werden zelfs naar Europa overgebracht en in de Italiaansche veldtochten gebruikt; dit geschiedde niet alleen met de Indische, maar ook met de Afrikaansche soort. Deze, die men in lateren tijd wel eens voor ontembaar heeft gehouden, werd door de Carthagers uitmuntend voor den oorlog afgericht en bewees haren meesters belangrijke diensten.

De Romeinen maakten van de Olifanten hoofdzakelijk gebruik in hunne kampspelen; aan hen is het te wijten, dat deze dieren in de gewesten ten noorden van den Atlas uitgeroeid zijn. Hoe goed de Afrikaansche Olifanten gedresseerd werden, blijkt uit de mededeeling, dat zij letters met een griffel konden schrijven, op een gespannen koord liepen, met hun vieren op een zolder een vijfden droegen, die ziek heette te zijn, op de maat dansten, aan een prachtigen disch, met gouden en zilveren gereedschap voorzien, volgens de regels der etikette dineerden enz.

In de hierboven genoemde landen vindt men de Olifanten in ieder eenigszins omvangrijk woud. Hoe meer water het bevat en hoe meer het de kenmerken van een oerwoud draagt, des te veelvuldiger komen zij er voor. Men moet echter niet meenen, dat alleen zulke wouden den Olifant tot woonplaats dienen. Uit zorgvuldige onderzoekingen is de onjuistheid gebleken van de bewering, dat dit reusachtige dier niet van koele en hooggelegen oorden houdt. Op Ceylon bewoont hij juist bij voorkeur heuvel- en bergachtige gewesten. In Uvah vond Tennent nog kudden van Olifanten op plaatsen, die 2400 M. boven den zeespiegel gelegen zijn. Geen hoogte is hun te luchtig of te koud, wanneer er maar overvloed van water te vinden is. De Olifant vermijdt het zonlicht zooveel mogelijk, brengt den dag in het duistere woud door en maakt van den koelen, donkeren nacht gebruik voor zijne zwerftochten.—Van den Afrikaanschen Olifant valt iets dergelijks op te merken. In de Bogoslanden heb ik zijn drek nog gevonden op een hoogte van 2000 M., en tevens vernomen, dat hij in de naburige gebergten, op een hoogte van 3000 M. boven den zeespiegel, nog geregeld voorkomt. Op dezelfde hoogte vond Von der Decken sporen van de aanwezigheid van Olifanten op den Kilima-ndsjaro; na hem vond Hans Meijer ze op een hoogte van 4000 M. Ook van getemde exemplaren wordt bericht, dat zij bij ’t bestijgen van hooge bergen van groote behendigheid en van onvermoeide volharding blijken geven.

Hoe veelvuldig de Olifanten in het binnenland van Afrika ook zijn, toch is het soms moeilijk de plaats te vinden, waar zij zich op een gegeven oogenblik ophouden, daar zij een zwervend leven leiden. Bij zulke veranderingen van verblijfplaats volgen zij in den regel bepaalde paden of banen nieuwe wegen, zonder zich er om te bekommeren of deze door wouden of door moerassen, over steile hoogten of door nauwe ravijnen leiden. Voor hen levert de bodem naar ’t schijnt, geenerlei hinderpalen op: zij zwemmen door stroomen en meren, dringen zonder bezwaar door het dichtste oerwoud heen, maken op den vasten grond dikwijls echte straten, omdat zij hunne tochten gezellig ondernemen en bovendien gewoon zijn in een lange rij achter elkander aan te loopen, zoodat zij dan een betrekkelijk smal spoor achterlaten. Meestal zijn de paden van de hoogte naar ’t water gericht.

Het voorste lid van de kudde gaat rustig door het oerwoud, onbekommerd over het kreupelhout, dat hij onder zijne breede voeten ineenstampt, evenzeer onbekommerd over de boomtakken, die hem in den weg komen; hij breekt ze eenvoudig met de slurf af en vreet ze grootendeels op, de houtige gedeelten achterlatend. In het gebergte leggen zij, evenals in het woud, paden aan; zij doen dit op zulk een vernuftige wijze, dat zelfs deskundigen, die hun arbeid nagaan, er verbaasd over zijn. Steeds zoeken de Olifanten de gunstigst gelegen bergpassen, die in den geheelen omtrek te vinden zijn, voor hunne wegen uit. Sommige van deze passen worden door hen zoo geregeld en sedert zoo langen tijd begaan, dat zij met hunne voeten zelfs harde gesteenten afgesleten, ja in den letterlijken zin van ’t woord uitgeslepen hebben.

De Olifant is trouwens slechts schijnbaar plomp van beweging, in werkelijkheid echter zeer behendig. Gewoonlijk beweegt hij zich voort met een bedaarden, gelijkmatigen pas, zooals het Kameel en de Giraffe, waarbij hij 4 à 6 KM. per uur aflegt; deze bedaarde gang kan echter zoo zeer versneld worden, dat het dier een afstand van wel 15 of 20 K.M. met een nagenoeg verdubbelde snelheid doorloopt. Meesterlijk heeft het kolossale Slurfdier er den slag van, zoo zachtjes door het woud te sluipen, dat men het in ’t geheel niet hoort. “In ’t eerst”, zegt Sir Emerson Tennent van den Aziatischen Olifant, “stuift de wilde kudde met luid gedruisch door het kreupelhout; weldra echter vermindert het geraas en hoort men in ’t geheel niets meer, zoodat iemand, die hieraan niet gewoon is, zou kunnen meenen, dat de vluchtende reuzen op een korten afstand zijn blijven staan.”—Als de Olifant een steilte op zijn weg ontmoet, blijkt het, dat hij ook in ’t klauteren ervaren is. Naar boven komt hij nog het gemakkelijkst: door de voorpooten in het handgewricht te buigen, komt het voorste gedeelte van ’t lichaam lager te liggen en wordt het zwaartepunt dus naar voren verplaatst; met op deze wijze gebogen voorpooten en eenigszins achterwaarts gestrekte achterpooten bereikt het dier langzaam aan zijn doel. Bij het afdalen heeft het echter wegens zijn verbazend groot gewicht met grootere bezwaren te kampen. Op de gewone wijze voortgaande, zou de Olifant ongetwijfeld het evenwicht verliezen, naar voren omtuimelen en een val doen, die hem het leven zou kunnen kosten. Het voorzichtige dier vermijdt dit gevaar door aan den rand van den afgrond neer te knielen, zoodat zijn borst den bodem raakt, nu de voorpooten hoogst bedachtzaam vooruit te schuiven, totdat zij ergens een steunpunt hebben gevonden, en vervolgens de achterpooten bij te trekken; zoo komt de kolossus langzamerhand, glijdend, en schuivend, beneden. Het komt trouwens wel eens voor, dat de Olifant op zijne nachtelijke tochten een zwaren val doet. In het dal langs den bovenloop van den Mensa zag ik hiervan onmiskenbare sporen. Een talrijke kudde was bij een berghelling afgedaald om het dal over te steken en hier op een smallen weg geraakt, die door het regenwater op sommige plaatsen uitgespoeld was. Een van de Olifanten had de pooten gezet op een vooruitstekenden steenklomp, die, losrakend en naar beneden vallend, het dier zijn evenwicht deed verliezen, zoodat het in de diepte stortte. Het dier moet een geweldige buiteling gemaakt hebben, want het gras en de struiken waren tot op een afstand van ongeveer zestien meter en over een breedte, die met de lichaamslengte van een Olifant overeenkomt, neer gedrukt, afgebroken en gedeeltelijk zelfs ontworteld. Door een sterker en dichter boschje was de val van het dier gestuit, want vandaar leidde het spoor weer naar den hoofdweg. De val had dus geen ernstiger gevolgen gehad, dan misschien eenige pijn in de lenden.

Dat de Olifant in ’t zwemmen goed ervaren is, werd reeds opgemerkt; het schijnt hem een genot te zijn, zich te water te begeven en er in onder te duiken. Als hij het noodig acht, zwemt hij dwars door breede en snel stroomende rivieren; soms houdt hij het geheele lichaam onder den waterspiegel met uitzondering van de spits van de slurf. Dat deze ook voor het drinken dient, is bekend. De twee kanalen, die als voortzettingen van de beide afdeelingen der neusholte zich door de geheele slurf uitstrekken en door een uit bindweefsel en spiervezels bestaand verlengstuk van het kraakbeenig neusmiddelschot vaneengescheiden zijn hebben een vrij gelijkmatige wijdte tot dicht bij het midden van het tusschenkaaksbeen, hier kunnen zij vernauwd worden, zoodat de vloeistof, die in de slurf is opgezogen, niet verder kan doordringen. De vloeistof wordt uit de slurf geperst, b.v. in de mondholte, door de drukking van de lucht in de longen, die, omdat de luchtpijp nu tot aan de achterste neusopeningen opgeheven is, geen gevaar loopen, om bij het doorslikken van het vocht hiervan iets binnen te krijgen. Van het zich verslikken is dus in dit geval geen sprake.

De slurf wordt door den Olifant nog voor velerlei andere doeleinden gebruikt. Daar zij zeer gevoelig is, wordt zij slechts bij uitzondering gebezigd om er mede te slaan of een mensch aan te vatten. Bij alle grove werkzaamheden of gevaarlijke verrichtingen wordt zij zorgvuldig gespaard en te dien einde zoo nauw mogelijk opgerold. Hoofdzakelijk dient zij voor het opnemen en naar den mond brengen van voedsel en water, alsook voor het speuren en tasten. Met dit werktuig breekt de Olifant takken af, ook wel dunne boompjes; om dikkere af te breken, drukt hij er met den voet tegen; voor ’t verschuiven van lasten maakt hij ook wel gebruik van het onder de oogen gelegen deel van den kop, waar de snuit aanvangt. Als de Olifant in dienst van den mensch een zwaar voorwerp moet opheffen, neemt hij het hieraan bevestigde touw in den bek en legt het tevens over een van zijne slagtanden, ingeval hij deze heeft. Ook de slagtanden worden voor allerlei verrichtingen gebezigd, altijd echter, evenals de snuit, met groote voorzichtigheid en zeer zeker niet als hefboomen voor het voortrollen van steenblokken of voor het uit den grond woelen van boomwortels. Zij dienen den Olifant hoofdzakelijk als wapens om aan te vallen of zich te verdedigen, en worden in andere gevallen zooveel mogelijk gespaard, omdat zij betrekkelijk gemakkelijk breken.

Alle hoogere vermogens van den Olifant zijn geëvenredigd aan zijne reeds genoemde begaafdheden. Het gezicht schijnt niet bijzonder ontwikkeld te zijn; alle jagers zijn althans van oordeel, dat het gezichtsveld van het dier zeer beperkt is. Des te beter zijn de reuk en het gehoor ontwikkeld; ook de smaak en het gevoel zijn, gelijk men bij gevangen dieren kan waarnemen, betrekkelijk fijn. Hoe scherp het dier hoort, ondervinden alle olifantenjagers. Het geringste geluid is voldoende om de aandacht van den Olifant te trekken; het breken van een takje zou zijn gemoedsrust kunnen verstoren. De reukzin is voortreffelijk ontwikkeld en stelt het dier in staat om op buitengewoon grooten afstand de lucht van iets te krijgen; geen jager is in staat om boven den wind den Olifant voldoende te naderen. In de slurf heeft ook de tastzin haar hoofdzetel; vooral het vingervormig uitsteeksel van den top van dit werktuig wedijvert in fijnheid van gevoel met den geoefenden vinger van een blinde.

De stem van den Olifant biedt veel verscheidenheid aan; de geluiden, waardoor hij zijne aandoeningen te kennen geeft zijn van velerlei aard. Welgevallen drukt hij uit door een zeer zacht gemurmel; vrees openbaart hij door een diep uit de borst komend gebulder, schrik door een kort en schril getrompet met de slurf; als hij woedend is, hoort men van hem een onafgebroken, zwaar en rommelend keelgeluid, bij het aanvallen daarentegen een gillend trompetgeluid: het trompetten moet men zich echter voorstellen als een schetterend gekrijsch.

Elke Olifanten-kudde is een groote familie en omgekeerd iedere familie vormt een afzonderlijke kudde. Het aantal leden van zoo’n kudde kan zeer uiteenloopen: het kan van 10, 15, 20 stuks aangroeien tot eenige honderden. Enkele reizigers spreken van 400 en 500, ja zelfs van 800 Olifanten, die zij bijeen gezien hebben. Zoo verzekert Von Heuglin, dat hij een troep van deze dieren heeft ontmoet, welker aantal volgens zijn schatting op minstens 500 begroot moest worden en evenzoo beweert Sir Joh. Kirk aan den Zambesi eens een kudde van 800 stuks te hebben aangetroffen. Tot zulke verbazend groote benden vereenigen zij zich echter ongetwijfeld slechts zelden; men kan in den regel aannemen, dat in deze gevallen verscheidene kudden zich bijeengevoegd hebben, die elkander bij een grooten tocht toevallig ontmoetten en gedurende korten tijd denzelfden weg volgen.

Hoewel iedere kudde een eigen familie vormt, schijnen toch vreemde Olifanten, zooals jonge mannetjes en weggeloopen, getemde wijfjes, meestal zonder bezwaar opgenomen te worden; het is echter wel mogelijk, dat er velerlei uitzonderingen zijn. In allen gevallen is het niet juist te veronderstellen, dat de zoogenaamde “eenzame Olifanten” uitgestooten zijn en nergens opname hebben kunnen vinden. Sanderson spreekt deze opvatting bepaaldelijk tegen. Volgens hem leiden de meeste van deze dieren, die vaker jonge dan oude mannetjes zijn, slechts schijnbaar een eenzaam leven, maar houden zij zich veeleer uit eigen verkiezing slechts tijdelijk een weinig verwijderd van hun kudde, welker bewegingen zij echter volgen. Een werkelijk eenzame Olifant, die niet meer met zijns gelijken samenleeft, komt zeer zelden voor, en is dan nog geenszins altijd een boosaardige klant, een “Rogue”, zooals de Engelschen hem noemen (de Goenda der Indiërs, de Hora der Singalezen, ook wel Ronkedoor genoemd in de bekende “Reis naar Ceylon” van Haafner). Daarentegen ontwikkelen zij zich niet zelden tot doortrapte plunderaars van plantages, die niet zoo licht door de gewone middelen verjaagd kunnen worden. Sommige van deze eenloopende gezellen worden trouwens gevaarlijk voor den mensch, die hen bij toeval stoort of opzettelijk verrast, daar zij, evenals zoo vele andere weerbare dieren, min of meer onder den indruk van den eersten schrik, den mensch aanvallen in plaats van hem te ontwijken.

De geestvermogens van den Olifant zijn dikwijls veel te hoog geschat, vooral door hen, die hem alleen in den getemden staat leerden kennen, maar niet in de vrije natuur nagegaan hebben. De meeste anecdoten over de schranderheid en het overleg van getemde Olifanten, die telkens weer hierbij tepas gebracht worden,—zooals die van den snijder, die een Olifant eens in plaats van de gewone lekkernijen een prik met een naald gaf, en die naderhand met het werk, dat hij onderhanden had, door het uit de rivier terugkeerende dier met een straal vuil water werd bespoten,—of die van den Olifant, die het wiel van een kanon ophief, om te verhoeden, dat het den van ’t kanon gevallen soldaat overreed, en andere vertelsels meer—, zijn wel aardig verzonnen, maar niet werkelijk gebeurd. De in ’t wild levende Olifant geeft stellig meer bewijzen van onnoozelheid dan van vernuft, en de gedresseerde, die schijnbaar uit eigen aandrift handelt, doet in werkelijkheid alleen, wat zijn geleider hem gelast. “Laten wij eens even nagaan,” schrijft Sanderson, “of de wilde Olifant meer inzicht toont dan eenig ander dier. Hoewel hij in zijn slurf een lichaamsdeel bezit, dat hem voortreffelijk zou kunnen waarschuwen voor een op lompe wijze aangelegden, met een laag takken en twijgen bedekten valkuil, valt hij er toch geregeld in. Zijne metgezellen loopen vol schrik weg, hoewel het hun weinig moeite zou kosten hem uit den kuil te halen, als zij de aarde van den rand er in trapten. Als een jongen Olifant er in gevallen is, blijft wel is waar de moeder in zijn nabijheid, tot de jagers komen, maar het komt haar niet in de gedachten, haar jong op de een of andere wijze te helpen: zij denkt er niet eens aan, takken af te breken en in den kuil te werpen, opdat het gevangen kind den honger zal kunnen stillen. Maar zóó iets gelooft het publiek veel minder graag dan het verzinsel, dat de moeder haar jong op allerlei wijzen behulpzaam is, het gras toewerpt om het voedsel te verschaffen, water met haar slurf aanbrengt om het te laten drinken, of zoolang stokken en takken in den kuil werpt, totdat haar kind er uit kan komen. Voorts worden geheele kudden van Olifanten in gebrekkig gemaskeerde omheiningen gedreven, waarin geen ander wild dier zich zou laten jagen; zij worden één voor één gevangen, doordat een paar mannen, die met tamme Olifanten naar hen toesluipen, hen de pooten samenbinden. Ontvluchte Olifanten worden op gelijke wijze, bijna zonder moeite, weder opgevangen; zelfs door de ervaring worden zij dus niet verstandiger. Zulke feiten zijn zeer zeker onvereenigbaar met de meening, dat de Olifanten buitengewoon verstandige dieren zijn, veel minder nog met de stelling, dat zij tot scherpzinnig nadenken in staat zouden zijn. Ik geloof niet, dat ik den Olifant onrecht aandoe, wanneer ik beweer, dat hij in vele opzichten dom is; bovendien kan ik de stellige verzekering geven, dat de mij bekende verhalen over zijne handelingen voorzoover zij niet op staaltjes van spierkracht en, leerzaamheid neerkomen, die hij onder de aansporing van zijn geleider vertoont, niets anders zijn dan op effect berekende verzinsels, gegrond op een te hoog denkbeeld van de geestesgaven van den Olifant.

“Wij stappen nu van het verstand van den Olifant af, om zijn gemoedsstemming gedurende de gevangenschap na te gaan. Ik vertrouw, dat ieder, die met Olifanten te maken heeft gehad, met mij zal instemmen, wanneer ik zeg, dat hunne goede eigenschappen bijna niet hoog genoeg geschat kunnen worden en dat slechte bij hen steeds een uitzondering zijn. De beste eigenschappen van den Olifant zijn gehoorzaamheid, zachtmoedigheid en geduld. In deze opzichten wordt hij door geen enkel huisdier overtroffen. Zelfs in een zeer onaangenamen toestand—b.v., als hij de blakerende zon dulden of pijnlijke heelkundige bewerkingen ondergaan moet,—toont hij zelden eenige prikkelbaarheid. Hij weigert nooit iets te doen, wanneer hij op de juiste wijze bestuurd wordt—tenzij het iets is, waarvoor hij vrees koestert. De Olifant, de wilde zoowel als de tamme, is buitengewoon vreesachtig; zijn vrees wordt door ieder eenigszins vreemdsoortig verschijnsel zeer licht opgewekt. Toch hebben vele van deze dieren een goeden aanleg tot moed, die alleen maar op een behoorlijke wijze ontwikkeld behoeft te worden, zooals blijkt uit het gedrag van sommige Olifanten bij de tijgerjacht.”

Van vreesachtigheid geven de wilde Olifanten blijken bij al wat zij ondernemen: hetzij zij voedsel zoeken, of uitgaan om zout te likken (waarvan zij groote liefhebbers zijn), of om te drinken of om te baden, altijd bewegen zij zich met de grootst mogelijke voorzichtigheid, maar geven zich dan ook, nadat zij zich van hun veiligheid overtuigd hebben, met des te grooter genot aan het genoegen van den maaltijd over. Zij breken spelenderwijs takken van de boomen af, waaien zich hiermede koelte toe, verdrijven de hun zoo lastige Vliegen en verslinden de takken nu op hun gemak, na ze eenigszins ineengefrommeld te hebben. Hoewel het maal bedaard en zonder overhaasting gebruikt wordt, geschiedt dit toch niet altijd stil en zonder gedruisch te maken; integendeel het gaat, naar Von Heuglin in het stroomgebied van den Boven-Nijl heeft opgemerkt, met een waarlijk helsch geraas gepaard. Het knikken van de twijgen, het kraken van de takken of stammen, die dikwijls met vereende krachten afgebroken worden, het kauwen, ademen, zich ontlasten, het dof gerommel van de lucht in de ingewanden, het plassen van de zware voeten door het moeras, het nat spuiten van het lichaam met de slurf, het klepperen met de kolossale ooren, die dikwijls als zonneschermen uitgebreid worden, het wrijven van het kolossale lichaam tegen dikke boomstammen en het gillend getrompet, dat intusschen van deze dieren gehoord wordt, dit alles te samen brengt een oorverdoovend geraas teweeg. Geëvenredigd aan dit geraas is de elke beschrijving te boven gaande verwoesting, die een Olifanten-kudde in het woud aanricht. “Wat door de kolossale voeten niet nedergetrapt wordt,” verhaalt onze zegsman, “wordt omgesmeten, de sterkste boom ontworteld, zijne takken afgebroken; het kreupelhout ligt verward door elkander op den grond alsof een razende wervelwind het had neergeworpen; stammen, die de stormen van meer dan een eeuw getrotseerd hebben, zijn als riethalmen geknapt.” (?) Takken van meer dan een arm dik worden door den Olifant zonder bezwaar verzwolgen. Zeer dikke takken schilt hij geheel of gedeeltelijk, waarna hij het hout laat liggen. In dorre steppen wroet hij ook in den bodem om saprijke wortels te verkrijgen.

De Olifanten behooren ongelukkig eveneens tot de dieren, die hun ondergang tegemoet gaan. De vervolgingen, die zij te verduren hebben, zijn geen wraakoefeningen voor de door hen aangerichte schade; men maakt jacht op hen wegens het genoegen, dat deze jacht oplevert, en om het kostbare ivoor te verkrijgen. Van de vroegste tijden af is daarom een verdelgingskrijg tegen hen gevoerd. In Indië en op Ceylon worden zelfs tandelooze of korttandige mannetjes, ja zelfs de tandelooze wijfjes en jongen alleen ter wille van het jachtvermaak geschoten en misschien nog vaker in valkuilen gevangen, waarin zij bij het naar beneden storten dikwijls zoozeer gewond worden, dat zij voor dienstverrichtingen niet meer bruikbaar zijn. In Afrika, waar de dieren van beiderlei geslacht groote slagtanden hebben, maken zoowel de inboorlingen als de Europeesche beroepsjagers jacht op hen ter wille van het ivoor. Ongelukkig gaan ook zij hierbij niet altijd met omzichtigheid te werk, maar moorden soms doelloos. In het open veld, b.v. in Zuid-Afrika, waar men op een goed gedresseerd Paard zich op een willekeurigen afstand van den Olifant bewegen kan, gebruikt men bij deze jacht dikwijls het Engelsche militaire geweer en schiet het dier hiermede snel achtereenvolgens zooveel kogels in ’t lijf, totdat hij ter aarde stort. Waar echter de Tsetse-vlieg het gebruik van Paarden onmogelijk maakt, en vooral in streken, die rijk zijn aan wouden, of waar veel struikgewas groeit, jaagt men te voet en maakt gebruik van zeer zware geweren met gladde loopen of van zware dubbelloops-buksen. Daar men zich in het dichtst van het woud tot in de onmiddellijke nabijheid van het wild begeeft, de meeste schoten op een afstand van minder dan 30 schreden en met een hiermede geëvenredigde gewisheid op het kwetsbaarste lichaamsdeel lost—zoo mogelijk op een plek ter grootte van een hand tusschen het oog en het oor—, is wegens de zeer sterke lading niet zelden één kogel voldoende om den reusachtigsten Olifant neer te vellen.

De vermoeienissen bij deze wijze van jagen zijn zoo groot, dat slechts de meest geharde mannen ze kunnen verduren; het gevaar voor den jager is echter niet zoo groot, als het wel schijnen kan. Het valt niet te ontkennen, dat de vertoornde Olifanten soms op hunne vervolgers aanvallen; enkele van deze hebben ook inderdaad onder de voeten van de reuzen van het woud hun laatsten adem uitgeblazen.—De werkelijk vertoornde Olifant maakt ook nog op andere wijze dan door zijn kolossale zwaarte, waaronder de bodem dreunt, een onvergetelijken indruk op den toeschouwer. Met ineengerolde slurf, de ooren een weinig opgeheven, den staart in een kring zwaaiend, schiet hij woest snuivend op zijn vijand toe; het voorste deel van zijn lichaam schijnt aan te groeien, het ziet er althans veel breeder en hooger uit, dan ooit te voren; aan het achterste deel van den romp worden de lange huidplooien door hun heen en weer slingerende beweging veel duidelijker zichtbaar; de reusachtige massa nadert snel en aanhoudend; het toornig snuiven wordt afgewisseld door een woedend gekrijsch, waarvan iemand, die aan zulke geluiden niet gewoon is, zich geen denkbeeld kan vormen. Wanneer in deze omstandigheden de van drift ziedende reus zijn tegenstander bereikt, is deze verloren, en is hij, meestal zonder eenige kans op redding, blootgesteld aan de billijke wraakoefening van den getergden planteneter.

Het tijdstip, waarop de Indische Olifanten uitgeroeid zullen zijn, is vooreerst nog niet aangebroken. De betoogen van weldenkende ambtenaars hebben teweeggebracht, dat de inboorlingen van hunne zoovele dieren verminkende vangwijzen thans een minder ruim gebruik maken dan vroeger; hierdoor verheugt de in ’t wild levende Olifant zich thans in een volledige vrijheid van beweging, zoowel in de West-Ghats als in de eindelooze dsjungels en wouden, die zich langs den voet van den Himalaja tot aan Birma en Siam uitstrekken. Het aantal dieren, dat ieder jaar op last en ten behoeve van de regeering gevangen wordt, is betrekkelijk zeer gering; er valt niet aan te twijfelen, dat de wildernissen, die men den Olifant en andere wilde dieren als woonplaats kan overlaten, tegenwoordig zoo talrijk met wild bevolkt zijn, als men maar wenschen kan.

In Afrika oefenen de inboorlingen nu nog op dezelfde wreede en onmeedoogende wijze als voor onheugelijke tijden de jacht op den Olifant uit. In het westen van Afrika, in het Ogowe-gebied, vlechten de Negers de slingerplanten tot een soort van netwerk ineen, drijven dan de Olifanten naar de op deze wijze omheinde plaatsen van het woud en slingeren, als de dieren besluiteloos voor de dooreengewarde ranken blijven staan, honderden van lansen in het lichaam van de sterkste en grootste exemplaren, totdat deze ter aarde storten. Gebruikelijker is het echter bij dergelijke jachten in het woud, zulk een omheining in den vorm van een grooten halven cirkel aan te leggen en de Olifanten, die er toevallig in geraakt of er in gedreven zijn, zoo schielijk mogelijk met een haag te omgeven. Rondom deze worden dan wachten geplaatst en vuren aangestoken, om de dieren, die de omheining naderen, terug te schrikken. Hoewel het zelfs den kleinsten en zwaksten Olifant mogelijk zou zijn, om zonder groote inspanning door de weinig weerstand biedende omtuining heen te breken en aan de slecht gewapende inboorlingen te ontkomen, wagen de gevangen dieren het evenwel niet, de vlucht te nemen. Zij worden door de hen omringende jagers letterlijk uitgehongerd, aangeschoten, gespietst en in een toestand van doodelijke uitputting eindelijk om ’t leven gebracht.

Veel aantrekkelijker en menschelijker dan alle jachtmethoden, is de wijze waarop men de Olifanten levend vangt, om deze vagebonden te temmen, tot nuttige dienaren van den mensch op te leiden. De Indiërs zijn meesters in deze kunst. Onder hen bestaat een echt gilde van Olifanten-vangers, die Panikis heeten; zij volgen het spoor van den Olifant, zooals een goede Hond het spoor van een Hert herkent; sporen, die door Europeesche oogen niet opgemerkt worden, zijn voor hen als ’t ware de met duidelijke aanwijzingen beschreven bladen met een voor hen verstaanbaar boek. Hun eenig wapen bestaat in een stevigen en rekbaren strik van herte- of buffelleer, dien zij, als zij onvergezeld op de vangst uitgaan, den door hen begeerden Olifant om den poot werpen. Met onhoorbare schreden volgen zij hem op den weg en wachten een gunstig oogenblik af, om hem te kluisteren; soms zelfs zien zij kans om hem, wanneer hij stil staat, den strik aan beide pooten te bevestigen. Hoe zij het aanleggen om ongemerkt het vreeschachtige dier te naderen, is en blijft een raadsel. Een Europeaan is, omdat hij den goeden uitslag van de onderneming zou verijdelen, niet in staat deze lieden op hunne jachttochten te volgen en moet zich tevreden stellen met wat hij er van hoort vertellen.

Veel grootscher en winstgevender is een wijze van vangen, die geheele kudden aan de heerschappij van den mensch onderwerpt. Om deze in practijk te brengen, wacht men gewoonlijk het begin van het droge jaargetijde af, en trekt dan met eenige honderden geoefende inboorlingen en zooveel mogelijk tamme Olifanten naar een gewest, waar een talrijke kudde wilde Slurfdieren verblijf houdt. Deze kudde wordt in de eerste plaats door een 5 à 10 KM. langen keten van posten omgeven, die ieder met twee manschappen bezet en, al naar den aard van het terrein, op afstanden van 60 à 100 schreden van elkander verwijderd zijn. In den regel kan een op deze wijze omsingelde Olifantenkudde niet anders dan door groote onachtzaamheid van de schildwachten ontkomen. Binnen weinige uren hebben de manschappen in alle stilte een zwakke omheining van gespleten bamboe-stokken enz. langs den geheelen ring voltooid, en voor zich zelf van takken een soort van hutten gebouwd; des nachts worden vuren aangestoken. Heeft men een recht groot terrein omheind, dat rijk is aan voedsel en water, dan veroorzaken de Olifanten gewoonlijk slechts gedurende de eerste nachten eenige moeite; zij worden, telkens als zij de omheining naderen, door fakkels, schoten en geschreeuw teruggedreven. Deze soort van insluiting wordt gedurende 4 à 10 nachten volgehouden, d.i. zoolang, totdat een reeds vroeger begonnen, uit stevig paalwerk bestaande omheining, den “Khedda”, op een gunstig gelegen plek binnen het afgeperkte terrein voltooid is. De sterke, uit boomstammen en planken samengestelde, ongeveer 4 M. hooge wand, omsluit een kringvormige ruimte van 20 à 50 M. middellijn en laat een ongeveer 4 M. breeden ingang vrij, die door een zware valdeur gesloten kan worden, waarheen een gang leidt, die door twee tot op een afstand van 100 M. voortgezette, uit palen bestaande, uiteenwijkende vleugelwanden begrensd wordt. Zoodra deze getimmerten gereed zijn, wordt de kring om de omsingelde kudde vernauwd. De naastbij geplaatste wachtposten begeven zich naar de uiteinden van de beide vleugelwanden, de meer verwijderd staande dringen op de Olifanten aan, eerst langzaam en voorzichtig, daarna sneller; wanneer eindelijk de dieren tot aan de wijde opening van den Khedda genaderd zijn, wordt met groot geschreeuw en het afschieten van de geweren een algemeene storm ondernomen, die de dieren langs den weg tusschen de beide vleugelwanden en door de nauwe poort tot binnen in den Khedda drijft. De valdeur, die aan een touw hangt, dat nu doorgesneden wordt, valt krakend naar beneden,—de kudde is gevangen. Niet altijd loopt deze arbeid goed van stapel; soms bemerken de dieren gevaar, stormen op hunne belagers af, breken door den kring heen, moeten op nieuw omsingeld worden, of zijn in ’t geheel niet meer tegen te houden. In den regel echter gelukt het, de eenmaal in een kring besloten kudde in de voor ’t vangen bestemde ruimte te drijven en haar hierin te doen blijven, in weerwil van de onrustigheid der dieren en de pogingen, die zij af en toe aanwenden, om een bres te maken in de omheining. Als de eerste ontroering voorbij is, zendt men tamme Olifanten met hunne geleiders en de hun toegevoegde binders in den Khedda; deze maken zich achtereenvolgens één voor één van de dieren meester, en brengen ze gekluisterd buiten de vangruimte in het omringende woud, waar zij aan boomen vastgelegd worden. Tennent beschrijft de vangwijze, die op Ceylon in gebruik is, als volgt:

“Buiten de vangruimte was alles gereed gemaakt om de tamme Olifanten, die helpen moeten bij het binden hunner wilde soortgenooten in de kraal” (zoo heet hier de Khedda) “te voeren. De strikken werden gereed gehouden; eindelijk trok men behoedzaam de boomstammen weg, die den ingang gesloten hielden, en liet twee tamme Olifanten zachtjes naar binnen gaan. Elk dier werd bereden door een kornak en zijn knecht. Elke Olifant had een stevigen halsband om, van welke naar weerszijden een riem van antilopenleder, met een strik voorzien, naar beneden hing. Ter zelfder tijd trad de aanvoerder van de binders naar binnen, en hield zich achter de tamme Olifanten verborgen; hij was verlangend voor zich de eer te verwerven den eersten Olifant te binden. Het was een vlug mannetje van ongeveer 70-jarigen leeftijd, die voor diensten bij de olifantenvangst bewezen, reeds twee zilveren kettingen als eereteekens verworven had. Zijn zoon, eveneens bekend door zijn moed en behendigheid, vergezelde hem.

“Een van de twee tamme Olifanten, die de kraal binnengingen, had een buitengewoon hoogen ouderdom bereikt. De andere, die Siribeddi werd genoemd, was omstreeks vijftig jaar oud en onderscheidde zich door zijn zachtaardig en verstandig voorkomen. Zonder gedruisch te maken waren de vangers binnengekomen; langzaam met een sluwen blik, doch schijnbaar zonder zich om iets te bekommeren, drentelde Siribeddi voort tot aan de plaats, waar de negen wilde Olifanten bijeenstonden, nu en dan staan blijvend om in het voorbijgaan een bosje gras of eenige bladen af te plukken. Toen hij dichter bij was gekomen, gingen de wilde Olifanten hem te gemoet, hun aanvoerder streek hem zachtjes met de slurf over den kop, keerde zich daarna om en begaf zich met langzame schreden weder naar zijne bedrukte metgezellen. Siribeddi volgde hem op dezelfde onverschillige wijze en ging dicht achter hem staan, zoodat de oude man, onder hem doorkruipend, een strik om den achterpoot van den wilden Olifant kon schuiven. Deze bemerkte onmiddellijk het gevaar, waarin hij verkeerde, schudde den strik af, keerde zich om en viel op den ouden man aan. Deze zou zwaar hebben moeten boeten voor zijn vermetelheid, indien Siribeddi hem niet met de slurf beschermd en den aanvaller naar het midden der kudde teruggedreven had. De oude man was licht gewond en verliet de kraal, terwijl zijn zoon Raughanie hem verving. De kudde stond weer in een kring met de koppen naar het middelpunt gekeerd. De beide tamme Olifanten gingen onbeschroomd bij hen staan, en wel zoo, dat zij het grootste mannelijk exemplaar tusschen zich hadden. Dit bood geen weerstand, maar toonde zijn ongenoegen door voortdurend nu eens den eenen dan weer den anderen poot op te heffen. Raughanie sloop nader en hield met beide handen den strik open, waarvan het andere uiteinde aan Siribeddi’s halsband vastgemaakt was; hij wachtte het oogenblik af, waarop de wilde Olifant een van zijne achterpooten zou oplichten; eindelijk gelukte het hem den strik om dezen poot te werpen; hij trok hem aan en vluchtte toen achteruit. Oogenblikkelijk gingen de beide tamme Olifanten eveneens achterwaarts. Siribeddi trok het touw aan en sleepte op deze wijze den gekluisterden reus uit den kring weg; de andere tamme Olifant plaatste zich terzelfder tijd tusschen Siribeddi en de nog overige leden der kudde om hen te verhinderen zich in den strijd te mengen.

“Nu moest de gevangene nog aan een boom vastgemaakt en hiervoor 30 à 40 M. verder achteruit getrokken worden, en dit, terwijl hij woedend weerstand bood, voortdurend vreeselijk brulde, naar alle zijden heen sprong en de kleine boomen, die hem in den weg stonden, als riet vertrapte. Siribeddi trok hem gestadig naar zich toe en sloeg eindelijk den riem dien hij voortdurend zoo strak mogelijk gespannen hield, om een hiervoor geschikten boom. Zich om den boom heen bewegend, stapte hij voorzichtig over den riem om dezen nogmaals om den stam te wikkelen, waarbij hij natuurlijk tusschen den boom en den Olifant door moest gaan. Hij kon dezen natuurlijk niet zoo vastbinden, dat er geen ruimte meer tusschen den stam en de gevangene overbleef. De tweede tamme Olifant kwam hem te hulp, en duwde den gevangene terug door zich schouder tegen schouder en kop tegen kop bij hem te plaatsen, terwijl Siribeddi na elke achterwaartsche schrede van het wilde dier den slap geworden riem aantrok en zóó den afstand tusschen den boomstam en den olifantspoot verkortte, totdat beide met elkander in aanraking waren. De vanger maakte toen den riem vast en wierp een tweeden kluister om den anderen achterpoot, die op dezelfde wijze als de eerste en aan denzelfden boom bevestigd werd. Eindelijk werden nog de beide achterpooten met zachter banden aan elkander gehecht om de wonde en de zwelling, die de riemen zouden kunnen veroorzaken, indien de beweging van het dier niet eenigszins beperkt werd, minder gevaarlijk te maken. Nadat de beide tamme Olifanten zich nogmaals, als in den aanvang, naast den wilde hadden geplaatst, kon Raughanie, onder hun lichaam doorgaande, ook de beide voorpooten van den gevangene kluisteren en aan een dichtbij, doch vóór hem staanden boom bevestigen. Nu was zijn arbeid, wat dit dier betrof afgeloopen en verlieten de tamme Olifanten die steeds hunne kornaks droegen, het slachtoffer, om een ander lid van de kudde hetzelfde lot te doen ondergaan. Merkwaardig is het, dat de wilde Olifanten nimmer een poging doen, om de bestuurders van de tamme dieren aan te vallen en op den grond te werpen.” Zoodra de aanvankelijk min of meer weerspannige gevangenen eenigermate gewoon zijn geraakt aan den mensch en aan hunne tamme soortgenooten, worden zij overgebracht naar de plaats, waar men ze africht voor het werk, dat men van hen verlangt, b.v. het vervoeren van zware bouwmaterialen, balken of steenen.

In tegenstelling met de Indiërs, welker wijze van Olifanten-vangst zooeven beschreven werd, gaan de Afrikaansche stammen op een merkwaardig ruwe en lompe wijze te werk ter bereiking van hetzelfde doel. De nomadische stammen van de steppen, die zich tusschen den Nijl en de Roode Zee uitstrekken, houden zich meer of minder geregeld met de vangst van Olifanten bezig; het middelpunt van den handel in deze dieren was sedert 1857 Kassala. Marno die Casanova op één van diens reizen naar Kassala begeleidde, bericht, dat de bewoners van de steppen jacht maken op jonge, nog zuigende Olifanten, en deze alleen kunnen vermeesteren, nadat zij hun moeder op de reeds vroeger beschreven wijze vervolgd en gedood hebben. Terwijl de koenste jagers met het oude dier bezig zijn, trachten andere zich meester te maken van het jong; zij werpen het strikken om het lijf, trekken het op den grond en kluisteren het aan alle vier pooten. Gekrabd en gekwetst, keeren de jagers van hun woesten rit door wildernissen van doornstruiken met den buit naar hun dorp terug, evenals de krom en lam gereden Paarden; beide hebben zij na zulk een jacht een langen rusttijd noodig. Volgens Marno biedt de opvoeding van de Olifanten, zelfs van zeer jong gevangen exemplaren, groote moeilijkheden aan, zoowel door hun weerspannigheid gedurende en na de vangst, als door de bezwaren verbonden aan hun voeding en hun vervoer.

In de Europeesche dierentuinen kan de Afrikaansche Olifant even goed in ’t leven gehouden worden als de Aziatische, zelfs wanneer er weinig gedaan wordt tot bevrediging van zijne natuurlijke behoeften: dikwijls mist hij een groote ruimte voor vrije beweging of een badvijver van voldoende diepte en wijdte. Om de nadeelige gevolgen van te weinig lichaamsoefening te ontgaan, is hij wel genoodzaakt heen en weer te loopen of voortdurend de eene poot na de andere op te tillen en neder te zetten; terwijl hij zich voor het gemis van het zoo noodige bad schadeloos stelt, door zich van tijd tot tijd met de slurf, nat te spuiten. Zijne uitmuntende zintuigen, zijn leerzaamheid, zijn zachtaardig voorkomen vallen iederen toeschouwer dadelijk ’t oog. Hij leert gemakkelijk en al spelend; hij “werkt” gewillig en gaarne en vormt om die reden een van de merkwaardigste nummers op het programma van ieder wildedierenspel, terwijl hij evenzeer de lieveling is van de bezoekers der diergaarden.—De hoeveelheid voedsel, die hij noodig heeft, is zeer aanzienlijk: volgens Haacke krijgt de Aziatische Olifant van de diergaarde te Frankfort, die omstreeks 43 jaar oud is, dagelijks 8 KG. tarwe-zemelen, 8 KG. roggebrood, 2 KG. rijst en 25 KG. hooi, behalve het ligstroo, dat hij nu en dan opvreet, en de lekkernijen, bestaande uit wittebrood, roggebrood, suiker, vruchten en dergelijke zaken, waarop de bezoekers hem tracteeren. Ditzelfde dier drinkt iederen dag ongeveer 16 met water gevulde stal-emmers leeg.

Het vleesch van den Afrikaanschen Olifant heeft den smaak van rundvleesch, maar is veel taaier en grover van vezels. De Negers snijden alle spieren van dit dier in lange repen, die zij in de zon of boven het vuur laten drogen, en vóór het gebruik tot een grof poeder wrijven, dat zij aan hunne eenvoudige gerechten toevoegen. Bij de jachtexpedities die de Njam-njam ondernemen, dooden zij soms zooveel Olifanten, dat verscheidene dorpen hierdoor maanden lang een voldoende hoeveelheid vleesch hebben. “Dikwijls” zegt Schweinfurth, “zag ik lieden die, naar ik meende, zich met een groot bos brandhout naar hunne hutten begaven: zij droegen de hun toekomenden portie olifantenvleesch, dat in lange repen gesneden en boven het vuur gedroogd, geheel het uiterlijk van hout en takjes had verkregen.”

Voor den wereldhandel is van den Olifant alleen het ivoor van belang, maar dan ook van groot belang. De totale hoeveelheid ivoor, dat van de thans levende Olifanten-soorten afkomstig is en op de wereldmarkt komt, bedroeg volgens een statistieke opgave over de jaren 1879–1883, gemiddeld per jaar ongeveer 868.000 KG. Hiervan leverden Ceylon en Sumatra 2000 KG., Achter-Indië 7000 K.G., Voor-Indië 11000 KG. en Afrika 843.000 KG.