De orde van de Onevenvingerigen omvat, evenals die der Slurfdieren, slechts de weinig talrijke vormen, die van een eertijds veel rijker ontwikkelden stam zijn overgebleven; deze in den regel groote dieren steunen, terwijl zij zich bewegen, alleen op de hoeven, d.w.z. op nagels die het laatste vingerlid geheel omgeven; steeds is bij hen de teen, die met den derden teen van den vijfteenigen voet overeenkomt, meer ontwikkeld dan de overige; bij de Paarden is hij zelfs de eenige, die tot ontwikkeling is gekomen. Het gebit van de Onevenvingerigen onderscheidt zich door de kleinheid of afwezigheid der hoektanden en de door lijsten verbonden knobbels der maaltanden; snijtanden komen in beide kaken voor.
Van deze orde zijn ongeveer 25 soorten bekend, die, met uitzondering van Australië, nagenoeg over de geheele wereld verspreid zijn: zij kunnen over vier scherp van elkander gescheiden familiën verdeeld worden: in de éénteenige Paarden, de Tapirs, die vier teenen aan de voorpooten, drie teenen aan de achterpooten hebben, de drieteenige Neushoorndieren en de Klipdassen, welker teenen in aantal met die der Tapirs overeenstemmen. Wegens de geringe overeenkomst, die er, ook wat de levenswijze betreft, tusschen deze vier familiën bestaat, komt een op alle toepasselijke beschrijving ons onuitvoerbaar voor.
De Paarden (Equidae) van de hedendaagsche dierenwereld vormen een zeer begrensde groep en vertoonen zooveel overeenkomst met elkander, dat men ze tot één geslacht rekent. Dit geslacht—dat der Paarden (Equus)—is gekenmerkt door een middelmatig groote, schoone gestalte, betrekkelijk krachtige ledematen en een mageren, langwerpigen kop met groote, levendige oogen, middelmatig groote, toegespitste, beweeglijke ooren en wijd geopende neusgaten. De hals is stevig en gespierd, de romp afgerond en vleezig, het lichaam grootendeels met zachte, korte, dicht aanliggende haren bedekt, die zich echter in den nek tot manen verlengen; ook de staart is, hetzij alleen aan de spits (bij de Ezels) of over zijn geheele lengte (bij de Eigenlijke Paarden), met lange haren begroeid. Het aanwezig zijn aan elken poot van slechts één teen, welks eindlid (hoeflid) door een sierlijk gevormden hoef als door een schoen omgeven is, onderscheidt de Paarden van alle Onevenvingerigen. Wegens de groote rol, die dit lichaamsdeel bij de beweging speelt, is het noodig het te beschrijven.
De teen bestaat uit drie leden: de koot, de kroon en het hoeflid. Het geraamte van het hoeflid bestaat uit twee beenderen van zeer ongelijke grootte: het voorste en grootste, het hoefbeen, is sponsachtig, heeft een scherpen, halfcirkelvormigen onderrand, die de eenigszins uitgeholde ondervlakte van het hoefbeen van voren en aan de zijden begrenst; het achterste, kleinere beentje, dat, evenals het hoefbeen, met de ondervlakte van het kroonbeen verbonden is, heet straalbeen. De pees van de spier, die het hoeflid buigt, gaat achter dit straalbeen langs, om zich te hechten aan de ondervlakte van het hoefbeen, waar zij zich tot een peesvlies (den “ganzevoet”) verbreedt.
De hoef, die het hoeflid omgeeft, bestaat uit: 1º. een hard, verhoornd gedeelte (de hoorndoos), en 2º. de meer inwendig gelegen, zachte hoefhuid. Aan de hoorndoos onderscheidt men drie deelen:
(a) De hoornwand, welks voorste, sterk hellend gedeelte (de teen) zich achterwaarts ombuigt, in de meer loodrecht geplaatste zijwanden of kwartieren overgaat, die, steeds smaller wordend, aan de buitenzijde van het hoeflid blijven tot daar, waar zij in twee minder harde uitwassen (de verzenen) hun achterste punt bereiken; hier gaat de hoornwand op de onderzijde van het hoeflid over onder den naam van steunsels, die naar voren van weerszijden samenloopen, en onder een scherpen hoek elkander ontmoeten. De lijn volgens welke de hoornwand in de gewone huid overgaat, heet kroonrand; het deel dat op den grond rust, en aan den “teen” ruim 1 cM. breed is, heet draagrand.
(b) De hoornzool, een dikke plaat met oneffene oppervlakte, die de ruimte vult welke tusschen den “teen”, de zijwanden en de steunsels overblijft, is met den draagrand verbonden volgens een witte lijn; alleen hier rust zij op den grond, daar zij eenigermate gewelfd is.
(c) De hoornstraal is een weekere, maar zeer veerkrachtige hoornmassa van wigvormige gedaante, die de driehoekige ruimte tusschen de beide steunsels aanvult; door de overlangsche straalgroef is hij in twee afdeelingen verdeeld, die zich naar achteren ieder tot een hoornbal uitzetten.
De binnenste oppervlakte van den hoornwand is met diepe groeven voorzien, waarin plooien van de rijk met bloedvaten en zenuwen voorziene zachte hoefhuid doordringen; deze wordt naar het deel, waarmede zij in aanraking is, onderscheiden in vleeschwand, vleeschzool en vleeschstraal. De beide laatste hebben geen plaatvormige, maar tepelvormige uitwassen, die in kuiltjes van het hoorn doordringen. De hoefhuid is evenzoo ingericht aan den kroonrand, waar zij het dikst is en zoom heet. De vleeschstraal is wit, veerkrachtig en niet zeer gevoelig. Door de zachte hoefhuid wordt het hoorn van den hoef gevormd.
Door haar samenstelling is de hoef in staat zich eenigszins te verwijden en te vernauwen. Zoodra, bij het neerzetten van den voet, het gewicht van het lichaam op het hoefbeen en straalbeen, en bijgevolg op den straal, de steunsels en de hoornzool drukt, wordt de zool vlakker; tevens komt de straal met den bodem in aanraking en verbreedt zich; beide oefenen dus een zijdelingsche drukking uit op den hoornwand, welks achterste gedeelte zich het eerst aan den kroonrand en daarna ook aan den draagrand zal verwijden. Bij het ophouden van de drukking wordt de hoef, door de veerkracht zijner bestanddeelen, weder in den vorigen toestand teruggebracht. De verwijding en de daarop volgende inkrimping bedragen ongeveer 3 mM. Hierdoor zal er geen pijnlijke drukking op en geen beschadiging van de zachte hoefhuid plaats hebben, schokken worden voorkomen en de bloedsomloop blijft ongestoord. Een sierlijke en vlugge beweging wordt er door bevorderd. Voor het behoud van deze belangrijke eigenschappen van den hoef is het noodig, hem goed te verzorgen; steeds moet de draagrand een loodrechten stand hebben. De snelle afslijting van dezen rand op een harden of geplaveiden weg, wordt door het aanbrengen van een hoefijzer (door het beslaan) vermeden. De hoefijzers mogen de inkrimping en uitzetting van den hoef niet verhinderen; zij worden vastgehecht met 5 à 9 nagels, die in de witte lijn worden ingeslagen. Vooral de voorhoeven hebben, wegens hun van nature vlakkere zool, beschutting door een hoefijzer noodig.
Het kootbeen is verbonden met een lang middelvoetsbeen, dat kanonbeen (pijpbeen) wordt genoemd; hierachter komen twee weinig ontwikkelde (rudimentaire) middelvoetsbeenderen voor, die, wegens hun vorm, griffelbeenderen heeten: zij bereiken het kootgewricht niet, maar eindigen op eenigen afstand daarboven stomp in het vleesch. In ’t diluviale tijdvak bestonden onze hedendaagsche Eénhoevigen reeds. De dieren, die hen in het voorafgaande tertiaire tijdvak vervingen, hadden in plaats van de griffelbeenderen, twee goed ontwikkelde middelvoetsbeenderen, die ieder een achterteen droegen; deze uitgestorven, drieteenige vormen, worden als de voorouders van de hedendaagsche Paarden beschouwd.—Gewoonlijk wordt het deel van den poot, waarin het pijpbeen en de griffelbeenderen voorkomen, de pijp genoemd; het polsgewricht heet in de wandeling “voorknie”, of eenvoudig “knie”. Wat de teen en de pijp betreft, komen de voor- en achterpooten in hoofdzaken met elkander overeen.
Elke kaakhelft bevat 3 snijtanden, die als het ware van boven ingestulpt zijn, waardoor in elk dezer tanden een holte ontstaan is. Op deze wijze zijn de drie bouwstoffen van den tand, cement, email en tandbeen, in dubbele lagen aanwezig. Van boven gezien ontdekt men licht de twee kringvormige lagen van email, die, harder zijnde, minder afslijten. De binnenste omsluit een centrale holte, het merk, die, behalve dat zij inwendig met cement is bekleed, met een kalkachtige massa en met gekauwde spijsdeelen is opgevuld, en daardoor een geheel andere kleur vertoont dan het glasachtige email. Tusschen de beide email-kringen treft men het weekere tandbeen aan. De genoemde holte of instulping is in de snijtanden der bovenkaak van het Gewone Paard 1.3 à 1.7 cM. diep, in die der onderkaak slechts 0.66 cM., en wordt naar beneden toe steeds nauwer. Aangezien nu de tanden door het gebruik voortdurend afslijten, spreekt het van zelf, dat het merk steeds kleiner worden en eindelijk geheel verdwijnen moet; dit geschiedt echter eerder aan de tanden der onderkaak dan aan die der bovenkaak, wijl bij deze de holte dieper is.—De hoektanden ontbreken dikwijls, vooral bij de wijfjes; bij de mannetjes vertoonen zij zich in den regel als kleine, haakvormige, stompe kegels, die door de paardenkenners gewoonlijk “haaktanden” worden genoemd, omdat zij den naam “hoektanden” geven aan de buitenste snijtanden, terwijl de voorafgaande paren snijtanden bij hen “middeltanden” en “grasbijters” heeten.—De zes vierzijdige kiezen van iedere kaakhelft hebben sterk gekronkelde email-plooien op de kroonvlakte.—Van de spijsverteringsorganen verdienen voorts nog vermelding: de nauwe slokdarm, die op de plaats, waar hij in de maag eindigt, met een klep voorzien is, de enkelvoudige (onverdeelde), langwerpig ronde, tamelijk kleine maag, de sterk ontwikkelde blinde darm; de galblaas ontbreekt.
Als het oorspronkelijk verbreidingsgebied van de Paarden—welker overblijfselen men voor ’t eerst in de lagen van het tertiaire tijdvak ontmoet—wordt het grootste gedeelte van het noordelijk halfrond beschouwd. In Europa zijn de wilde Paarden, naar ’t schijnt, eerst voor betrekkelijk korten tijd uitgestorven; in Azië en Afrika zwerven ook thans nog kudden van deze dieren door de gebergten en hoog gelegen steppen. In Amerika, waar zij uitgestorven waren, zijn zij opnieuw verwilderd; ook in Australië komen reeds verwilderde Paarden voor. Zij voeden zich met gras, kruiden en andere plantaardige stoffen; de tamme Paarden hebben zelfs dierlijk voedsel—b.v. vleesch, visch, Sprinkhanen—leeren gebruiken.
Alle Paarden zijn levendige, wakkere, beweeglijke, schrandere dieren; hunne bewegingen zijn bevallig en statig. De gewone wijze van gaan der in vrijheid levende soorten, is een tamelijk scherpe draf, hun versnelde beweging een betrekkelijk gemakkelijke galop. Vreedzaam en goedaardig tegenover andere dieren, voor zoover deze hun geen kwaad doen, ontwijken zij angstvallig den mensch en de groote Roofdieren, maar verdedigen zich in geval van nood door slaan en bijten moedig tegen deze vijanden.
De dieren van het Paardengeslacht worden verdeeld in twee ondergeslachten: de Paarden (Equus) en de Ezels (Asinus). Bij gene bereikt het oor ongeveer ¼ gedeelte van de lengte van den kop en is de staart van den wortel af lang behaard; bij deze is het oor langer, (soms zelfs bijna half zoo lang als de kop) en draagt de staart alleen aan de spits lange haren. Bij alle Paarden (in engeren zin) komen aan beide paren ledematen eeltplekken (zwilwratten) voor; aan de voorpooten: één aan het bovenste derde gedeelte van de voorarm en wel aan haar binnenzijde, een andere aan het onderste uiteinde van de pijp; aan de achterpooten: één even onder het spronggewricht aan de binnenzijde, een tweede aan het benedenste gedeelte van de pijp. Bij de Ezels ontbreken de zwilwratten aan de achterpooten, terwijl zij aan de voorpooten aanwezig zijn.
De vermenigvuldiging van deze dieren geschiedt langzaam. Het wijfje werpt na langen draagtijd (48 weken bij de merrie, 52 bij de ezelin) één enkel jong. Hier te lande is de Ezel bronstig in April en Mei, het Paard tusschen het einde van Maart en het begin van Juni.
Minstens twee, waarschijnlijker echter drie soorten van deze familie, zijn door den mensch onderworpen. Geen geschiedverhaal, geen sage maakt melding van den tijd, waarin zij voor ’t eerst huisdieren werden; zelfs het werelddeel, waarin de eerste Paarden getemd zijn, kan niemand met zekerheid aanwijzen. Naar men meent, heeft men vooral aan de volken van Middel-Azië het bezit van het Paard als huisdier te danken; ook de halfwilde, voormalige bewoners van Europa hebben wilde Paarden getemd. Betrouwbare gegevens over den tijd, waarin de hulpmiddelen van den mensch zulk een belangrijke uitbreiding ondergingen, en over de volken, die haar voor ’t eerst in praktijk brachten, ontbreken ons echter ten eenenmale.
Nog tegenwoordig zwerven in de steppen van Zuidoost-Europa kudden van Paarden rond, die door enkelen beschouwd worden als de wilde stamouders van ons huisdier, door anderen als afstammelingen van tamme Paarden, die tot den wilden staat terugkeerden. Deze dieren, Tarpans genaamd, hebben alle eigenschappen van echte wilde dieren en worden door de Tartaren en Kozakken als zoodanig aangemerkt. De Tarpan is een klein Paard met dunne, maar krachtige, langhielige pooten, tamelijk langen, dunnen hals en betrekkelijk dikken kop; deze is “ramsneuzig” (de rug van den neus is bol), heeft spitse, vooroverhellende ooren en kleine, vurige, boosaardige oogen. Het haar is in den zomer dicht, kort, golvend, vooral aan het achterdeel, waar het bijna gekroesd kan heeten; in den winter daarentegen is het dicht, zwaar en lang, vooral aan de kin, waar het bijna een baard vormt; de manen zijn kort, dicht, ruig en gekroesd; de staart is middelmatig lang. De hoofdkleur van het zomerkleed is gelijkmatig vaalbruin, geelachtig bruin of isabella-geel; in den winter worden de haren lichter, soms zelfs wit; de manen en de staart hebben een gelijkmatige, donkere kleur. Gevlekte exemplaren komen nooit voor, zwarte zelden.
Tarpan. 1/25 v.d. ware grootte.
Men ontmoet de Tarpans in kudden, die uit verscheidene honderden individuën kunnen bestaan. Gewoonlijk bestaat iedere troep weder uit een aantal kleinere gezelschappen of familiën, die elk een hengst tot aanvoerder hebben. Deze kudden bewonen uitgestrekte, open en hoog gelegen steppen en trekken van de eene plaats naar de andere, in den regel in den wind op. Zij zijn buitengewoon waakzaam en schuw, kijken rond met ver omhoog geheven kop, bespieden den omtrek, spitsen de ooren, openen de neusgaten en ontdekken in den regel nog ter rechter tijd het hun dreigend gevaar. De hengst is alleenheerscher in zijn kring; hij zorgt voor de veiligheid van hen, die aan zijn bescherming zijn toevertrouwd, maar duldt van hen geen afwijkingen van den bekenden regel. Zoodra zijn aandacht getrokken wordt door een of ander verschijnsel, begint hij te snuiven en de ooren snel te bewegen, draaft met omhoog gehouden kop het verdachte voorwerp een eind weegs te gemoet en laat een schel gehinnik hooren, zoodra hij gevaar bemerkt; op dit teeken maakt de geheele kudde zich in gestrekten galop uit de voeten. Dikwijls verdwijnen de dieren als door een tooverslag: zij hebben zich verborgen in de een of andere diepe inzinking van den bodem en wachten hier af, wat de toekomst brengen zal. Voor Roofdieren zijn de weerbare en strijdlustige hengsten niet bevreesd. Op Wolven gaan zij hinnikend af en slaan hen met de voorpooten neder. Het sprookje, dat zij gezamenlijk een kring vormen met de koppen naar ’t middenpunt gekeerd en aanhoudend met de achterpooten achteruitslaan, is reeds sinds lang weerlegd.
De Tarpan kan moeielijk getemd worden: het schijnt, dat hij de gevangenschap niet kan verdragen. Zijn buitengewoon levendige natuur, zijne spierkracht en wildheid maken zelfs de bekwaamheden van de in ’t paardendresseeren ervaren Mongolen te schande. Wegens de niet geringe schade, die de Tarpan aan de “wilde” stoeterijen toebrengt door het wegvoeren van de Paarden, maakt men met hartstochtelijken ijver jacht op dit dier.
De bovenstaande mededeelingen brengen het vraagstuk van de afstamming van het Paard geen stap nader bij zijn oplossing. Uit de gewoonten van den Tarpan kan men geen bewijzen putten vóór of tegen de stelling, dat dit dier van getemde Paarden afstamt. Dat deze gemakkelijk en spoedig verwilderen, blijkt op overtuigende wijze uit de geschiedenis van de kudden, die steppen van Zuid-Amerika bevolken en die wij nu zullen behandelen.
“De in 1535 gestichte stad Buenos Ayres werd later verlaten,” verhaalt Azara. “De vertrekkende inwoners deden in ’t geheel geen moeite om al hunne Paarden bijeen te brengen. Er bleven 5 à 7 van deze dieren achter, die aan zichzelf overgelaten waren. Toen in het jaar 1580 deze stad weder in bezit genomen werd, vond men er reeds een menigte verwilderde Paarden, afstammelingen van de tamme, die er achtergelaten waren. Reeds in het jaar 1596 was het aan iedereen geoorloofd deze Paarden te vangen en te gebruiken. Dit is de oorsprong van de tallooze kudden Paarden, die ten zuiden van den Rio de la Plata rondzwerven.” De Cimarrones, zoo noemt men deze Paarden, bewonen thans alle deelen van de Pampas en vormen er talrijke kudden, die soms wel uit duizenden individuën bestaan.
Zij zijn lastig en richten schade aan, niet alleen omdat zij goede weiden kaal vreten, maar ook omdat zij de tamme Paarden met zich medelokken. Gelukkig verschijnen zij des nachts niet. De wilden in de Pampas eten het vleesch van de Cimarrones, vooral dat van de veulens en merries. Ook vangen zij er verscheidene om ze te temmen; de Spanjaarden daarentegen maken er bijna geen gebruik van. Hoogst zelden vangen zij een van deze Paarden met het doel om het te temmen.—
In Paraguay komen geen verwilderde Paarden voor, maar de toestand waarin de Paarden van dit land verkeeren, verschilt niet belangrijk van dien der wilde. Zij worden Mustangs genoemd en zoo verwaarloosd, dat zij merkbaar verbasteren. Zij zijn middelmatig hoog, hebben een grooten kop, lange ooren en dikke gewrichten; alleen de hals en de romp zijn tamelijk regelmatig gebouwd. In den zomer zijn zij kort, in den winter lang behaard; de manen en de staart zijn altijd dun en kort.
De Zuid-Amerikaansche Paarden brengen het geheele jaar onder den blooten hemel door. Eénmaal in de acht dagen worden zij bijeengedreven om te verhoeden, dat zij verstrooid geraken; men onderzoekt en zuivert hunne wonden, bestrijkt deze met koedrek en snijdt van tijd tot tijd, om de drie jaren ongeveer, den hengsten de manen en de staartharen af. Aan de veredeling van deze dieren wordt niet gedacht.
“Gewoonlijk,” zegt Rengger, “leven de Paarden bij troepen in een bepaald gebied, waaraan zij sinds hun jeugd gewoon zijn. Bij iederen hengst voegt men 12 à 18 merries, die door hem bijeengehouden en tegen vreemde hengsten verdedigd worden. De veulens blijven tot in het derde of vierde jaar bij hunne moeders. Deze geven blijken van groote liefde voor haar kroost, zoolang zij het nog zoogen; soms verdedigen zij het zelfs tegen den Jagoear. Wanneer de Paarden een weinig ouder zijn dan 2 of 3 jaar, worden aan de hiervoor uitgekozen jonge hengsten de jonge merries toebedeeld; men gewent iederen hengst er aan met zijn gezelschap een bepaald gebied te beweiden. De Paarden, die tot één troep behooren, mengen zich nooit onder die van andere troepen en toonen zooveel gehechtheid aan elkander, dat het moeite kost een grazend Paard van zijne metgezellen te scheiden. Wanneer de verschillende gezelschappen dooreengemengd worden, zooals bij het samendrijven van alle Paarden van een hoeve geschiedt, zoeken de bijeenbehoorende elkander dadelijk weer op. Niet alleen aan hunne metgezellen, maar ook aan hunne weiden zijn deze dieren zeer gehecht. Ik heb er gezien, die van een afstand van 80 uren gaans teruggekeerd waren naar de vroeger door hen bewoonde plaatsen. Des te zonderlinger is daarom het feit, dat soms de Paarden van een geheel district zich op weg maken, en één voor één of bij troepen wegloopen. Dit gebeurt hoofdzakelijk, wanneer na droog weder plotseling hevige regenbuien vallen, waarschijnlijk ten gevolge van de vrees, die deze dieren hebben voor den hagel, die niet zelden met het eerste onweder gepaard gaat.
“De zintuigen van deze nagenoeg in ’t wild levende dieren zijn, naar het schijnt, scherper dan die van de Europeesche Paarden. Het gehoor is buitengewoon fijn; des nachts kan men aan de beweging van hunne ooren zien, dat zij het geringste, voor den ruiter volkomen onhoorbare gedruisch hebben opgemerkt. Hun gezichtsvermogen is, evenals bij alle Paarden, tamelijk zwak, hoewel zij gedurende het leven in de vrije natuur door oefening een groote vaardigheid verkrijgen in het onderscheiden van voorwerpen op aanzienlijken afstand. Door middel van hun reukzin leeren zij de omgeving kennen. Zij besnuffelen alles, wat hun vreemd voorkomt. Door dezen zin leeren zij hun berijder, het tuig, den stal waar zij gezadeld worden, enz. onderscheiden, door hem weten zij in moerassige streken de plaatsen te vinden, waar zij zouden verzinken; in den donkeren nacht of bij dichten nevel wijst hij hun den weg naar hunne woonplaatsen of naar hun weide. Goede Paarden besnuffelen hun berijder op ’t oogenblik, dat hij in den zadel stijgt; ik heb er wel gezien, die hem in ’t geheel niet op den rug toelieten of zich niet door hem lieten sturen, als hij niet een ‘poncho’ medenam, een mantel, zooals altijd gedragen wordt door de landlieden, die Paarden temmen en voor ’t rijden africhten. Op grooten afstand ruiken zij trouwens niet. Zelden heb ik een Paard gezien, dat op 50 schreden afstands de lucht kreeg van een Jagoear. Daarom vormen zij in de bewoonde gewesten van Paraguay den gewonen buit van dit Roofdier.”
Het leven van de verwilderde Paarden in de verder noordwaarts gelegen Llanos heeft Alexander von Humboldt ons in korte woorden op meesterlijke wijze geschilderd: “Wanneer in den zomer onder de loodrecht invallende stralen van de nooit door wolken omsluierde zon het grastapijt van deze onmetelijke vlakten geheel en al verdroogd en in poeder veranderd is, ontstaan er langzamerhand diepe kloven in den bodem, alsof hij door geweldige aardschokken was opengespleten. In dichte stofwolken gehuld, door honger en een brandenden dorst gekweld, zwerven de Paarden en Runderen rond, gene met languitgerekten hals en met den hoogopgeheven neus den hen te gemoet ijlenden wind opsnuivend om uit de vochtigheid van den luchtstroom de nabijheid van een nog niet geheel verdampten plas af te leiden. Op een andere wijze, met meer overleg en sluwheid, trachten de Muildieren hun dorst te lesschen. Een bolvormige plant met vele overlangsche groeven aan haar oppervlakte, de meloen-cactus, verbergt onder een stekelig hulsel een veel water bevattend merg. Met de voorpooten slaat het Muildier de stekels weg om het koele distelsap te drinken. Het putten uit dezen levenden plantaardigen bron geschiedt echter niet altijd zonder gevaar: dikwijls ziet men dieren, die door de cactus-stekels aan de hoeven verlamd zijn. Ook dan wanneer eindelijk op de brandende hitte van den dag de koelte van den even langen nacht volgt, kunnen de Paarden en Runderen geen ongestoorde rust genieten. De Bladneuzige Vleermuizen vervolgen hen gedurende den slaap en hangen zich aan hun rug om hun bloed te zuigen.
“Eindelijk, als na langdurige droogte de verkwikkelijke regentijd aanbreekt, komt er verandering van tooneel. Nauwelijks is de oppervlakte van den bodem bevochtigd, of het heerlijkste groen bedekt de steppe. De Paarden en Runderen zwelgen in vroolijk levensgenot. In het hoog opschietende gras verschuilt zich de Jagoear en overmeestert met vasten sprong menig Paard, menig veulen. Weldra zwellen de stroomen en dezelfde dieren, die gedurende een deel van ’t jaar van dorst versmachten, moeten als Amphibiën leven. De merriën zoeken met hare veulens een schuilplaats op de hooggelegen banken, die, in de lengte gerekt, zich als eilanden boven den waterspiegel van het meer verheffen. Met iederen dag wordt het droog gebleven terrein kleiner. Uit gebrek aan weideplaatsen zwemmen de dicht opeengedrongen dieren uren lang rond en vinden een karig voedsel in de bloeiende graspluimen, die zich boven het gistende, bruin gekleurde water verheffen. Vele veulens verdrinken, vele worden door de Krokodillen gegrepen, met den staart doodgeslagen en verslonden. Niet zelden ziet men Paarden, die groote litteekens, kenteekenen van den aanval der Krokodillen, aan de pooten hebben. Ook onder de Visschen hebben zij een gevaarlijken vijand. Het water van het moeras is bevolkt met talrijke Electrische Alen. Deze merkwaardige Visschen zijn in staat om met hunne geweldige electrische schokken, de grootste dieren te dooden, wanneer zij hunne batterijen tegelijkertijd in een gunstige richting ontladen. De weg; door de steppe aan de Uri Tucu moest opgegeven worden, omdat de Sidderalen zich in zulk een menigte in een riviertje hadden opgehoopt, dat ieder jaar vele Paarden door hen verdoofd werden en bij het doorwaden van het stroompje verdronken.”
Een nog veel gevaarlijker vijand hebben de kudden in zich zelf. Soms worden zij door een panischen schrik bevangen. Bij honderden en duizenden ijlen zij als razenden voort, laten zich door geen hindernissen tegenhouden, rennen tegen rotsen aan of vallen zich te pletter in afgronden. Plotseling verschijnen zij in het kamp van de in ’t open veld overnachtende reizigers, vervolgen hun weg tusschen de wachtvuren door, over de tenten en wagens heen, vervullen de lastdieren met een doodelijken schrik, rukken ze los en nemen hen op in den levenden stroom—voor altoos. Verder noordwaarts komen de Indianen het aantal vijanden vermeerderen, die het leven van de wilde Paarden verbitteren. Zij vangen ze op, om ze gedurende hunne jachttochten te berijden, en mishandelen ze zoo erg, dat zelfs het krachtigste Paard na korten tijd bezwijken moet. Evenals bij de Bedoeïnen van de Sahara geeft ook bij de Indianen het Paard dikwijls aanleiding tot bloedige gevechten. Hij, die geen Paarden heeft, tracht ze te stelen. Paardendiefstal wordt bij de Roodhuiden als een eervol bedrijf aangemerkt. Benden van dieven volgen de trekkende stammen of karavanen weken lang, totdat zij de gelegenheid vinden om alle rijdieren mede te nemen. Ook om hunne huiden en hun vleesch worden de Paarden in Amerika ijverig vervolgd.
Een beschrijving of zelfs een eenvoudige opsomming van de bijna tallooze rassen of stammen van het Paard (Equus caballus), die onder den invloed van den Mensch ontstaan zijn, behoort niet in het kader van dit werk. Bovendien bestaan er voortreffelijke, uitvoerige werken speciaal over dit onderwerp. Het is voor ons doel voldoende de belangrijkste rassen te behandelen. Gewoonlijk worden zij in twee groepen gerangschikt: de Oostersche en de Westersche rassen. De Oostersche rassen behooren oorspronkelijk thuis in Azië en Afrika, vooral in de landen van de gematigde zone dezer werelddeelen, zooals blijkt uit de namen die aan de vier hoofdafdeelingen van deze groep gegeven zijn: het Barbarijsche of Berber-ras, het ras der Nijllanden, het Arabisch-Perzische ras en het Mongoolsch-Tartaarsche ras. Tot het laatstgenoemde worden, behalve de Paarden van een groot deel van Midden-Azië, ook de “slagen” gerekend, die in het oosten van Europa tot aan de grenzen van Duitsch-Oostenrijk en Pruisen het meest algemeen verbreid zijn. Tot het Berber-ras behooren o.a. sommige slagen van Zuid-Spanje (o.a. het vermaarde Andalusische), waarvan weer een groot deel van de Paarden der Nieuwe Wereld, o.a. die van Mexico, afstammen.
De eere-plaats onder alle paarden-stammen verdient ook thans nog het Arabische Volbloed-Paard. (Een Paard heet “volbloed”, wanneer al zijne voorouders zonder eenige uitzondering, naar uit authentieke bescheiden moet blijken, gedurende een lange reeks van geslachten de kenmerkende eigenschappen van een en hetzelfde ras in zich vereenigden, en dus van zuiver ras waren. Om het ras zuiver te houden moet ieder Paard steeds met zijne gelijken paren en moet ieder exemplaar, dat storende afwijkingen vertoont, als fok-dier niet in aanmerking komen. “Half-bloed”-Paarden ontstaan door kruising van Volbloed-Paarden, die in dit geval gewoonlijk “ras”-Paarden worden genoemd, met andere Paardenslagen; terwijl “Koudbloed”-rassen in ’t geheel geen Volbloed-Paarden onder hunne voorouders tellen.) “Het Volbloed-Paard”, schrijft Graaf Wrangel, “heeft geen edeler vertegenwoordiger dan het Arabische Paard van zuiver ras, dat, daar het op de grens tusschen de natuurlijke en de door de kultuur verkregen rassen staat, zoowel door den natuuronderzoeker als door den paardenkenner en—den dichter als het edelste dier van de schepping geprezen wordt.”
Volgens de algemeen door de Arabieren gestelde eischen, moet het edele Paard de volgende eigenschappen in zich vereenigen: een geëvenredigde lichaamsbouw, korte en beweeglijke ooren, zware, maar toch sierlijke beenderen, een vleeschloos gelaat, neusgaten “zoo wijd als de muil van den Leeuw”, fraaie, donkere, uitpuilende oogen, “met een uitdrukking gelijk aan die van een liefhebbende vrouw,” een fraai gebogen en langen hals, breede borst en breed kruis, smallen rug, ronde achterschenkels, zeer lange ware en zeer korte valsche ribben, een ingesnoerde romp, lange bovenschenkels, “zooals die van den Struis zijn”, met spieren, “zooals het Kameel ze heeft,” een zwarten, eenkleurigen hoef, fijne, niet zeer gevulde manen en een rijk behaarden staart, dik aan den wortel en dun in de nabijheid van de spits. Het moet vierderlei lichaamsdeelen breed hebben: het voorhoofd, de borst, het achterdeel en de ledematen; vierderlei lichaamsdeelen moeten lang zijn: de hals, de voorarm, de buik en de dij, vierderlei lichaamsdeelen daarentegen kort: de lendenen, de ooren, de kooten en de staart. Deze eigenschappen bewijzen, dat het Paard van een goed ras is en snel loopt; want het gelijkt dan door zijn lichaamsbouw “op den Windhond, de Duif en het Kameel te zamen.”
In de 18e levensmaand begint de opvoeding van het edele dier. In ’t eerst tracht een knaap het te berijden. Het leidt het naar de drinkplaats, naar de weide, maakt het schoon, kortom voorziet in al zijne behoeften. Beide leeren te gelijker tijd: de knaap wordt een ruiter, het Paard een rijdier. Nooit echter zal de jonge Arabier van het veulen, dat hem is toevertrouwd, te veel eischen, nooit er werkzaamheden van vergen, die het niet verrichten kan. Op iedere beweging van het dier wordt acht geslagen, het wordt zachtmoedig en liefderijk behandeld, hoewel men geen ongehoorzaamheid en boosaardigheid duldt. Eerst wanneer het Paard zijn tweede levensjaar volbracht heeft, legt men het een zadel op; na afloop van het derde jaar gewent men het er langzamerhand aan, al zijne krachten in te spannen. Eerst wanneer het zeven jaar oud geworden is, beschouwt men zijn opvoeding als afgeloopen; daarom zegt het Arabische spreekwoord: “Zeven jaar voor mijn broeder, zeven jaar voor mij en zeven jaar voor mijn vijand.”
De Arabieren onderscheiden vele familiën in hunne Paarden; ieder gewest, ieder volk beroemt zich op die, welke het bezit. In Arabië rangschikt men deze dieren ook thans nog in 21 “bloedstammen” of familiën, van welke de vijf belangrijkste onder den naam “Khamsa” samengevat worden: deze heeten van de vijf merriën van Salomo af te stammen. De oudste en edelste van deze vijf familiën heet “Kehilan” of “Kochlani”. Vermakelijk is het te luisteren naar den lof, die over een bijzonder edel Paard verkondigd wordt. “Zeg niet, dat het mijn Paard is, noem het mijn zoon! Het loopt sneller dan de stormwind, sneller nog dan de blikken over de vlakte waren. Het is zoo zuiver van ras als goud. Zijn oog is zoo scherpzichtig, dat het in het duister een haar kan onderscheiden. Het achterhaalt de gazelle. Tot den arend zegt het: Ik beweeg mij zoo snel als gij! Als zijn oor het jubelen der meisjes verneemt, hinnikt het van vreugde en bij het fluiten der kogels springt zijn hart op van blijdschap. Uit de hand der vrouwen neemt het aalmoezen aan, den vijand slaat het met de hoeven in ’t aangezicht. Als het loopen kan zooveel het begeert, storten zijne oogen tranen. Hetzij de hemel klaar is, of de stormwind het licht der zon door stofwolken verduistert, ’t is alles om ’t even; dit Paard is een edel dier, dat het woeden van den storm veracht. In deze wereld is er geen, die het evenaart. Snel als de Zwaluw ijlt het voort; het is zoo licht, dat het op de borst van uw geliefde zou kunnen dansen, zonder haar lastig te zijn. Zoo zacht draaft het, dat gij gedurende den snelsten draf op zijn rug zittend een kop koffie kunt drinken, zonder een druppel te spillen. Het begrijpt alles, wat een zoon van Adam begrijpt; alleen door het gemis van de spraak verschilt het van dezen.”
In Engeland wordt tegenwoordig aan de paardenfokkerij niet minder zorg gewijd dan in het Oosten. Nog geen tweehonderd jaar geleden fokten de Spanjaarden en Italianen veel beter Paarden dan de Engelschen; deze zijn echter sedert dien tijd evenveel vooruitgegaan als gene achteruitgingen. De vroeger zoo beroemde Andalusische en Polesina-rassen bestaan niet meer, terwijl daarentegen het Engelsche Volbloedras (thorough-breed, racing breed) als het uitstekendste lid van het Westersche of Europeesche hoofdpaardenras wordt beschouwd. Alleen door paring van individuën, die verschillende uitnemende eigenschappen bezitten, kunnen wezens ontstaan, waaraan deze eigenschappen vereenigd voorkomen, en alleen als deze wezens met huns gelijken paren kan men verwachten, dat hunne afstammelingen onverbasterd zullen blijven. Voor het verkrijgen en zuiver houden, van een uitmuntend paardenras is dus een zorgvuldige keuze van fokdieren noodig. Al sinds lang legt men zich in Engeland toe op het fokken van Paarden, die door een buitengewone snelheid op de renbaan kunnen schitteren. Het Engelsche Volbloedpaard is een product van dit streven. De eerste gebeurtenis, die voor de geschiedenis van dit ras belangrijk zou worden, was, dat Jacobus I (1603—1625) eerst eenige Arabische, later ook eenige Turksche hengsten en merriën naar Engeland liet komen, om gebruikt te worden als renpaarden en voor het veredelen van de inlandsche paardenslagen. Karel II (1603—1625) volgde dit voorbeeld en schafte zich toen Oostersche merriën (the royal mares) benevens eenige Oostersche hengsten aan. Het vaderland van deze merries is twijfelachtig. Schwarznecker vermoedt, dat zij uit Barbarije en Turkije afkomstig waren. Bij dit fokmateriaal kwamen later nog eenige Oostersche hengsten, waarvan vooral drie beroemd zijn geworden als stamvaders van vele vermaarde renpaarden. Deze zijn: Darley Arabian (1714)—een uit de woestijn van Palmyra afkomstige, door Darley te Aleppo gekochte Arabische hengst, de vader van Flying Childers, het paard dat 1 Eng. mijl (1610 M.) in de minuut aflegde, en dat, op deze wijze dag en nacht doorrennend, in 17 etmalen den evenaar rondgeloopen zou zijn; deze was de overgrootvader van Eclipse (den stamvader van den Eclipse-stam), die in 3 seconden 7 sprongen van 25 voet deed—, Godolphin’s Berber—wiens afstammelingen den Matchem-stam vormen—, Byerley’s Turc—waaruit de Herodes-stam is voortgesproten, zoo genoemd naar het renpaard Herodes, die zijn eigenaar een winst van ruim 2½ millioen gulden op de wedrennen verschafte. Ieder Volbloedpaard moet, om als zoodanig erkend te worden, ingeschreven zijn in het in 1791 aangevangen General Stud-book, hetgeen alleen geschiedt, als zijn stamboom geen andere voorouders aanwijst, dan Paarden, die in dit register voorkomen. Het Engelsche Volbloedpaard heeft een kleinen kop, een langen hals, die meestal gestrekt wordt gedragen; het staat dikwijls hoog op de pooten, heeft sterk ontwikkelde achterschenkels, een duidelijk zichtbaar spierstelsel en breede, stevige pezen. Hoewel dit ras door ieder onbevangen beoordeelaar minder schoon wordt genoemd dan het Arabische, wijl bij het Engelsche paard het streven naar doelmatigheid meer op den voorgrond stond dan het zoeken van een harmonieuzen lichaamsbouw, is het toch wat grootte, sterkte, snelheid en geschiktheid voor acclimatisatie betreft, ver boven het Arabische Volbloedpaard verheven; terwijl het als fokdier voor de vorming van uitmuntende rij- en tuigpaarden zijns gelijken niet heeft. Terecht noemt men het dan ook: “de edelste Europeesche stamgenoot van het Arabische paard. Vele paardenkenners beweren, dat het verschil tusschen beide rassen eenvoudig veroorzaakt is door gewijzigde levensomstandigheden en dat het Engelsche Volbloedpaard onvermengd Oostersch bloed in zijne aderen heeft. Het stamregister van dit ras levert echter het onomstootelijk bewijs, dat er geen enkel Volbloedpaard is, in wiens stamboom zoowel aan vaders- als aan moederszijde geen andere dan Oostersche voorouders voorkomen.” Het volbloedpaard is niet anders “dan een door voortdurende reinteelt voortgebracht product van de wedrennen van de voorbereiding hiervoor (training) en van de door deze beide factoren bepaalde zorgvuldige keuze van fokdieren, verzorging en voeding.” Zoowel door zijn lichaamsvorm als door zijne vermogens munt het hedendaagsche Volbloedpaard in alle opzichten boven zijne voorouders uit; het kan een hoogte van 1.75 en meer bereiken. (De hoogte van het Arabische Paard bedraagt 1.5 à 1.6 M.) De gestalte is edeler en, wat de verhoudingen betreft, evenrediger geworden.—Het Engelsche Volbloedpaard wordt voor het veredelen van andere rassen naar alle door Europeanen bewoonde landen van de wereld uitgevoerd.
Renpaard (Engelsch Volbloedras). 1/21 v.d. ware grootte.
De derde vertegenwoordiger van het Volbloedras is het Anglo-arabische of Gemengd Volbloedpaard, ontstaan door kruising van het Engelsche en het Arabische Volbloedpaard, welke kruising eerst in den laatsten tijd heeft plaats gehad.
Veel talrijker dan de Volbloedrassen zijn de Halfbloedslagen. Deze ontstaan door kruising van Volbloedfokpaarden met merries of hengsten van de gewone Westersche landslagen. Dit geschiedt op groote schaal in zoogenaamde stoeterijen, die aan den Staat, aan een vereeniging of aan particulieren behooren. De staats- of hoofdstoeterijen hebben ten doel een voor de behoeften van het land geschikt, edel, rein paardenras voort te brengen. In Pruisen zijn er drie; de belangrijkste van deze is die te Trakehnen, bij Gumbinnen in Oost-Pruisen, waar 360 halfbloed-merries worden gehouden. Zij werd in 1732 door Friedrich Wilhelm I opgericht, met het doel om voor zijn privaat gebruik goede Paarden te verkrijgen, en heeft er veel toe bijgedragen om aan de paardenfokkerij in Pruisen een goede richting te geven, en om het tot aan dien tijd zeer verwaarloosde Oud-Pruisische paardenslag op een oordeelkundige wijze te veredelen. Vóór het begin van de vorige eeuw bepaalde men zich er toe, Paarden te fokken, zonder zich toe te leggen op de veredeling van het ras. Waarschijnlijk stond dus destijds overal in Duitschland de paardenfokkerij op een lager standpunt dan in de Middeleeuwen; daar toen, zooals bekend is, een veel drukker handelsverkeer tusschen het Oosten en Westen bestond dan in latere tijden, met uitzondering van den tegenwoordigen tijd. Door gebruik te maken van Arabische en Engelsche Volbloedpaarden heeft de Trakehner zich langzamerhand ontwikkeld tot een fokras, dat zich door een goed gevormden kop, een fraai aangezetten hals, een gedrongen romp met rechten rug, een langwerpig rond kruis, tamelijk breede borst, zeer krachtige ledematen, als ook door snelheid onvermoeidheid en soberheid onderscheidt. Vooral voor het leveren van cavalerie- en koetspaarden is het uitnemend geschikt.—Staatsstoeterijen heeft Pruisen bovendien nog te Graditz bij Torgau (Saksen) en in Beberbeck bij Hofgeismar (Hessen). Deze inrichtingen leveren ook een groot deel van de dekhengsten ten behoeve van den landbouw, die in de “landsstoeterijen” bewaard, en gedurende den dektijd over de verschillende districten verdeeld worden.—Ook in andere Duitsche landen (Beieren, Wurtemberg, Brunswijk, Lippe), oefent de regeering op dezelfde of soortgelijke wijze als in Pruisen, grooten invloed uit op de paardenfokkerij. Anders is het gesteld in Hannover, Oldenburg, Mecklenburg en Holstein, waar door de landbouwers uitstekende halfbloedslagen worden gefokt. Het Oldenburger (Bovenlandsche) Paard is ook hier te lande gunstig bekend, vooral als tuig- of koetspaard; het is sterk en meer dan middelmatig groot (1.75 à 1.85 M. hoog). Soortgelijk, doch iets edeler van vorm, zijn de Hannoversche en Holsteinsche paarden.—Verder behooren nog tot deze afdeeling: in Oostenrijk het Lippizaner en het Kladruber slag, die met het Spaansche halfbloedslag, den Andalusiër, nauw verwant zijn; in Frankrijk het Anglo-normandische en het Anglo-bretonsche slag; de Russische Orlowdravers, die in de stoeterijen Khränowoy en Padu, in het gouvernement Woronesch gefokt worden, stammen af van een Arabischen hengst en een Hollandsche merrie, [evenals de Engelsche Norfolk-dravers, van een Engelschen Volbloedhengst een Friesche merrie]; andere Russische halfbloedpaarden zijn sommige slagen van Donsche en Tscherkessische paarden. Door kruising van Engelsche Volbloedhengsten en merries van het Yorkshire-landslag (ook wel Cleveland-bruinen genaamd, naar de streek waar zij het meest gefokt werden), ontstond het Engelsche Jachtpaard (Hunter), dat zich door een sterkeren lichaamsbouw en kortere pooten van het Engelsche Volbloedpaard onderscheidt, en dus een grooter gewicht kan dragen, maar er door kop en hals mede overeenkomt; kleiner is het Engelsche halfbloed koetspaard (Hackney of Hack) en nog kleiner (ongeveer 1.4 M. hoog), de voor ’t zelfde doel dienende Cob. Van de Noord-Amerikaansche paarden behooren tot deze afdeeling sommige slagen van Sneldravers (Trotter). De Paarden van de hier genoemde slagen zijn, zooals te verwachten is, zeer verschillend, zoowel wat lichaamsbouw als wat geschiktheid betreft. Er zijn lichte, middelmatige en zware dieren onder; vele zijn uitmuntende rij- of wagenpaarden, andere sterke werkpaarden; verscheidene onderscheiden zich door een zeer groote trekkracht.
Tot de derde afdeeling, die der Koudbloedige rassen, genaderd, zijn wij het best in de gelegenheid iets te zeggen van de in Nederland thuis behoorende paarden. “Evenals de meeste Europeesche landen,” zegt Reinders, “bezit Nederland eigenlijk een groot mengelmoes van Paarden. Men wil, dat daaronder drie typen voorkomen, die men gewoonlijk als het Friesche, het Geldersche en het Zeeuwsche ras onderscheidt. Het meest verbasterd (door kruising met andere rassen gewijzigd) is daarvan wellicht ’t Zeeuwsche, maar van de beide andere gaat het dikwijls moeilijk een exemplaar van de echte type, van ‘het echte ras’ te vinden. Twee andere typen zouden wellicht nog daarbij gevoegd kunnen worden, die van Holland en Utrecht, maar nog meer dan in andere provinciën heeft hier verbastering plaats gehad.