Trakehner. 1/25 v.d. ware grootte.
“Het Friesche Paard, in de provinciën Groningen, Friesland en Drente, maar door uitvoer naar Noord- en Zuid-Holland ook in deze provinciën niet zeldzaam, werd voorheen onder dezen naam naar alle streken van Europa uitgevoerd, inzonderheid naar Rome en Madrid, waar het als staatsiepaard een grooten naam had. Ook thans nog is het als koetspaard in het buitenland gezocht. Jaarlijks gaat onder anderen een zeker aantal zwarte hengsten van dit ras naar Engeland om daar voor de lijkkoetsen dienst te doen. Hun schoone vorm, hun verheven gang en hunne sterke beenen maken hen daarvoor uitermate geschikt. Van al de Nederlandsche Paarden is het Friesche Paard het grootst hoewel niet meer zoo groot als voorheen. Het Friesche Paard heeft ook naam als harddraver, maar bezit deze eigenschap meer door aanleg dan wel tengevolge van de keuze bij het aanfokken, gelijk bij het Engelsche Renpaard het geval is. Ook als harddraver werd het vroeger veelvuldig uitgevoerd en met andere rassen gekruist.
“Het Geldersche Paard, nog het meest oorspronkelijk in de Betuwe, is kleiner dan het Friesche. Het is meer rij- dan trekpaard en om zijne verhevene bewegingen gezocht als cavaleriepaard; de zwaardere exemplaren zijn ook goede trekpaarden. De goede eigenschappen van het Geldersche Paard worden toegeschreven aan een kruising van het oorspronkelijke inlandsche met het Andalusische Paard in den Spaanschen tijd.
“Het Zeeuwsche Paard is zwaar en meer of minder plomp van vorm. Het is sterk, maar niet zeer schoon, wel geschikt voor ploeg- of werkpaard, maar wegens zijn moeilijke beweging minder gepast als tuigpaard.”
De talrijke in Nederland voorkomende vreemde Paarden behooren voor een groot deel hetzij tot Duitsche slagen of tot het Vlaamsche of het Ardenner ras, die beide in België en in de aangrenzende Fransche departementen gefokt worden; de Ardenners zijn meestal roodschimmels; het zijn sterke gebergtepaarden, waarvan een grooter en een kleiner slag bestaat; hier te lande heeft men meestal het zware slag; het meestal zwarte Vlaamsche Paard is grooter, gemiddeld 1.8 M. hoog in de schouders, nog iets hooger in het kruis, met eenigszins ingezonken rug; het heeft een breed gespleten kruis evenals het nauw verwante, iets kleinere en meer gedrongen gebouwde Brabantsche Paard. Het ras der Percherons, zoo genoemd naar het Fransche landschap Perche (Depn Eure et Loire en Orne), komt in twee hoofdverscheidenheden voor, als middelsoort rij- en tuigpaard en als zwaar trekpaard; meestal zijn het schimmels met kleinen, edelen kop, fijn manenhaar, hoog, meestal gespleten kruis en korte, krachtige ledematen. Verwant hieraan zijn de Boulognezer Paarden. De Clydesdalers zijn zware Engelsche landbouwpaarden. Nog grooter zijn de Engelsche Karrepaarden (Dray-horse, 1.9 à 1.94 M. schouderhoogte), die men wel eens “Olifantspaarden” noemt, en die, ondanks hun kolossalen omvang, goed geproportioneerd zijn en zich gemakkelijk bewegen; naar men zegt, stammen zij af van Paarden, die uit Holland werden ingevoerd en welker nakomelingen door goede verzorging en doelmatige keuze van fokdieren veredeld zijn; zij worden o.a. voor het trekken van de bierwagens gebruikt. Het Norische ras heeft zijn hoofdzetel in de Oostenrijksche Alpen (Salzburg, Tirol, enz., tot aan het westelijke deel van Hongarije); het sterkste en grootste van de vele, hiertoe behooren de slagen is het Pinzgauer Paard; het kleinste, de door karige voeding en ruw klimaat ontaarde Hafflinger Hit in de omstreken van Bozen. Voorts verdienen nog vermelding het Jutlandsche of Deensche Paard en het Russische Bitjug-Paard. In de Hongaarsche paardenslagen, die wegens hun volharding voor gemakkelijke cavalerie-diensten uitnemend geschikt zijn, is een Oostersch type zichtbaar: zij zijn nauwelijks middelmatig groot, hebben een zwaren kop, een eenigszins verlengden romp, een recht kruis en krachtige, droge ledematen.
In Hongarije, Zuid- en Oost-Rusland, Roemenië en andere landen met geringe bevolkingsdichtheid en uitgestrekte weidegronden heeft het paardenfokken meestal plaats in zoogenaamde “wilde” of “half-wilde” stoeterijen: in gene worden de Paarden gedurende het geheele jaar aan zichzelf overgelaten; de hier geboren Paarden zijn zeer duurzaam, krachtig en sober, maar nimmer zoo schoon als die, welke onder toezicht van den mensch geboren en grootgebracht worden, vooral omdat op de kruising door den mensch weinig of geen invloed wordt geoefend. Dit is nog wel eenigszins het geval in de “half-wilde” stoeterijen, waar, evenals in de Zuid-Amerikaansche Llanos, in den bronsttijd aan elken hengst een bepaald aantal merries worden toebedeeld, of waar, zooals in vele Oost-Europeesche landen geschied, de Paarden wel van de lente tot den herfst in vrijheid leven, maar ’s winters in stallen gehouden worden. Deze vormen een overgang tot de reeds genoemde “tamme stoeterijen”, waar stamboeken gehouden worden, die de afstamming, den ouderdom en bijzondere kenteekenen van ieder ingeschreven Paard vermelden; hier heeft de voedering plaats in stallen ’s winters en op de weiden (afzonderlijk voor de hengsten en merriën) gedurende den zomer.
Paardenrassen van in ’t oogloopende kleinheid, welker schouderhoogte in volwassen toestand minder dan 1.4 M. bedraagt, worden Ponies genoemd. Het kleinste Paard, de Schotlandsche Pony of Hit, die gevulde, langharige manen en een ruigen staart heeft, is dikwijls slechts 90 cM., soms niet meer dan 85 cM., enkele malen zelfs maar 82 cM. hoog en dus niet grooter dan enkele rassen van Honden. Wanneer zij grooter zijn 1.20 M. noemt men ze Dubbele Hitten of Ketten. In Engeland bestaan, behalve het genoemde Pony-ras, nog die van Wales, Exmoor (in het Schotsche Hoogland) en New-Forest. Ook in andere landen komen Pony’s voor, o.a. in Noorwegen en Zweden, op IJsland en Corsika. Iedere bezoeker van de Amsterdamsche diergaarde kent de Javaansche Paardjes. Opmerkelijk is trouwens bij alle Indische Paarden de geringe grootte. Een hoogte van 1.3 M. is reeds buitengewoon, in den regel wisselt deze af tusschen 95 en 125 cM. Het beste Indische Paard is het Macassaarsche, dat gewoonlijk als cavalerie-paard voor het O.I. leger dient. Ook de Hitten uit de bergstreken van Timor worden zeer geroemd.
De Oostersche paardenrassen vertoonen over ’t algemeen veel minder verscheidenheid van vorm dan de Westersche; het is gemakkelijker van gene een algemeen beeld te ontwerpen dan van deze. “Een Berberpaard,” zegt Wilckens, “verschilt slechts weinig van een Arabisch-Perzisch Paard, en zelfs het gewone Tartaarsche Paard vertoont in vorm veel overeenkomst met den Arabischen Volbloed. Daarentegen merkt men bij onderlinge vergelijking van de Westersche paardenrassen een buitengewone verscheidenheid van vorm op, die het voor den oppervlakkigen beoordeelaar onbegrijpelijk maakt, dat deze zoo uiteenwijkende dieren tot een en dezelfde soort gerekend worden; inderdaad, wanneer men b.v. het kolossale Engelsche Karrepaard, of zelfs het Suffolk-paard naast een Shetlandsche Pony, of een voor den renbaan gefokt Engelsch Volbloed-paard naast een Vlaamsch of een Pinzgauer Paard plaatst, welk een in ’t oog loopend verschil! Ongetwijfeld is zoowel de groote overeenstemming van den vorm der Oostersche Paarden als de groote verscheidenheid van vormen der Westersche een gevolg van den invloed van het klimaat en van de levenswijze op de ontwikkeling dezer dieren. Omdat eenerzijds het klimaat in de steppen van Afrika en Azië (en zelfs in Zuid-Rusland, Hongarije en Galicië) gelijkmatiger is, dan anderzijds dat in Engeland en Zuid-Frankrijk, in Denemarken en de Alpen, omdat het Oostersche Paard op gelijkaardiger wijze gevoed en gebruikt wordt dan het Westersche, zijn de leden van het eerste hoofdras meer aan elkander gelijk en is dit ras armer aan variëteiten. De zeer verschillende wijze van voeding van het Westersche Paard en zijn geschiktheid tot zeer uiteenloopende werkzaamheden zijn een uitvloeisel van den hoogeren trap van beschaving en van den vooruitgang op industrieel gebied van de Westersche volken.”
Het tamme Paard is tegenwoordig bijna over den geheelen aardbol verspreid. Het ontbreekt alleen in de koudste landstreken en op verscheidene eilanden, waar de mensch dezen helper nog niet noodig heeft.
Het veulen heeft bij de geboorte de oogen geopend en is behaard; weinige minuten later kan het staan en gaan. Men laat het ongeveer 5 maanden lang zuigen, ronddartelen en spelen en speent het dan. In het eerste jaar draagt het een wollig haarkleed, korte, overeindstaande gekroesde manen en een dergelijken staart, in het tweede levensjaar worden de haren glanziger, de manen en de staartharen langer en sluiker. Later kan men de leeftijd vrij nauwkeurig bepalen door acht te geven op de snijtanden. Bij de geboorte zijn de spitsen van drie kiezen in elke kaakhelft zichtbaar, soms ook de middelste snijtanden (grasbijters) van onder- en bovenkaak, die in allen gevalle binnen de twee eerste weken na de geboorte zich vertoonen. De volgende snijtanden (middeltanden) komen op den leeftijd van 2 à 6 weken, de buitenste (hoektanden) 5 à 9 maanden na de geboorte. Dan is het veulen- of melkgebit volledig. Al deze tanden vallen op een bepaalden leeftijd uit, om voor de blijvende- of paardentanden plaats te maken. De “melksnijtanden” zijn zuiver wit, schopvormig en met een hals voorzien, in tegenstelling met de geelachtige, beitelvormige, aan de voorzijde gegroefde “paarden-snijtanden.” De tandwisseling begint op 2½ à 3-jarigen leeftijd: dan wisselen de grasbijters; hetzelfde geschiedt met de middeltanden, als het dier 3½ à 4, met de “hoektanden” (buitenste snijtanden) als het 4½ à 5 jaar oud is. In de 10e à 12e levensmaand krijgt het veulen de 4e, op 2- à 2½-jarigen leeftijd de 5e, en als het 4 à 5 jaar oud is, de 6e kies. De drie eerste melkkiezen wisselen tusschen 2½ en 3 jaar. Bovendien komt bij het mannetje geregeld, bij het wijfje bij uitzondering op 4- à 5-jarigen leeftijd, tusschen de snijtanden en de kiezen in elke kaakhelft een haaktand (hoektand) te voorschijn, ten teeken, dat de ontwikkeling van het dier is afgeloopen. Na het vijfde jaar let men, om de ouderdom van het dier te kennen, op het merk in de snijtanden, dit is een zwartachtig bruine holte ter grootte van een linze op de afgesleten kroonvlakte. Dit merk verdwijnt door afslijting aan de grasbijters van de onderkaak op den leeftijd van 5 of 6 jaar, aan de middeltanden in het zevende, aan de hoektanden in het achtste jaar; vervolgens verdwijnt in dezelfde volgorde het merk van de bovenkaakssnijtanden, totdat in het elfde of twaalfde jaar alle merken verdwenen zijn. Met toenemenden leeftijd verandert ook allengs de gedaante der tanden: zij worden des te smaller, naarmate zij ouder worden.
De Paarden kunnen éénkleurig zijn of een gemengde haarkleur hebben. De éénkleurige zijn: vaal of isabelkleurig (lichtgeel of goudgeelachtig), voskleurig (naar rood of kaneelkleur zweemend; flauw rosachtig heet “koeharig”, “brandvossen” zijn meer roodachtig, “zweetvossen” van lichteren tint), bruin (kastanjebruin en wel licht goudgeelachtig of donker), zwart (gitzwart of moorzwart, vuilzwart). Bij bruine of vale Paarden zijn de manen, de staart en de onderste deelen der pooten meestal zwart; bij de zwarte en witte zijn zij van dezelfde kleur, bij voskleurige nu eens van dezelfde, dan weer van een lichtere of donkerder kleur. Een zwarte streep over den rug, van de manen tot den staart, heet een “aalstreep”.
De gemengdkleurige Paarden zijn: “stekelharig”, wanneer de meeste haren zwart zijn, maar tusschen deze over het geheele lichaam hier en daar enkele grijze haren te voorschijn komen, zonder dat ouderdom hiervan de oorzaak is; “schimmels”, wanneer de meestal witte grondkleur (die grijs kan schijnen, doordat enkele donkerder haren met de witte gemengd zijn) regelmatig gerangschikte vlekken vertoont door sterkere ophooping van donkere haren op sommige plaatsen; “tijgerkleurig”, wanneer de helder witte beharing bezaaid is met duidelijk uitkomende, min of meer ronde, zwarte, bruine, roodachtige of leikleurige vlekken; “bont”, wanneer groote, donkerkleurige onregelmatige vlekken met de meestal witte grondkleur afwisselen. Vooral bij schimmels komt het voor, dat de kleur bij de geboorte anders (donkerder) is dan op lateren leeftijd. “Geappeld” heet het Paard, wanneer ronde vlekken (die uit een donkeren rand en een lichteren kern bestaan) hetzij over het geheele lichaam of meer bepaaldelijk over enkele deelen, zooals de schouders en het kruis verspreid zijn. “Bont” noemt men een Paard niet, wanneer het enkele vlekken of strepen aan den kop heeft, of wanneer alleen de voeten meer of minder ver wit gekleurd zijn. Een “kol” is een kleine of middelmatig groote, witte vlek op het voorhoofd, even boven de oogen; een “bles” is een witte band over den neus van het Paard van tusschen de oogen tot aan de neusgaten; een “snuf” is een witte bovenlip.—Alleen de kleine haren (die in den winter langer zijn dan in den zomer) worden gewisseld; dit geschiedt hoofdzakelijk in het voorjaar. Het winterhaar valt in dezen tijd zoo snel uit, dat het “verharen” reeds binnen een maand grootendeels afgeloopen is. Langzamerhand worden de uitgevallen haren vervangen; eerst na het begin van September of October beginnen de nieuwe haren zich sterk te verlengen. De haren van de manen en den staart blijven onveranderd.
Het Paard is aan vele ziekten onderhevig. De belangrijkste zijn de spat, een gezwel gevolgd door een verharding van het spronggewricht; de droes, een zwelling van de klieren aan de onderkaak; de wormziekte, een droge of vochtige uitslagziekte, waardoor de haren uitvallen; de kwade droes, een sterke ontsteking aan het neusmiddelschot, die in hooge mate besmettelijk is en ook op den mensch kan overgaan; de razende kolder, een hersenontsteking; de stille kolder, een dergelijk lijden; de grauwe en de zwarte staar en andere kwalen. Bovendien wordt dit dier gekweld door vele uitwendige en inwendige parasieten.
Het Paard kan een leeftijd van 40 jaar en meer bereiken, maar wordt dikwijls zoo slecht behandeld, dat het reeds op zijn 20e jaar afgeleefd is; men mag aannemen, dat het slechts zelden 30 jaar oud wordt.
Over de eigenschappen, gewoonten, hebbelijkheden en eigenaardigheden van de Paarden, in één woord over de gesteldheid van hun geest, zal ik Scheitlin laten spreken: “Het Paard,” zegt hij, “heeft onderscheidingsvermogen voor voedsel, woning, ruimte, tijd, licht, vorm, voor zijn familie, voor buren, vrienden, vijanden, andere dieren, menschen en zaken. Het bezit waarnemings-, voorstellings- en herinneringsvermogen, geheugen, verbeeldingskracht; het heeft een fijn ontwikkeld gevoel voor een groot aantal toestanden, die zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid wijzigen. Het wordt aangenaam of onaangenaam gestemd door elke wijziging van omstandigheden, is in staat om tevreden te zijn over het leven, dat het op een gegeven tijdstip leidt, of om naar verandering te haken; zelfs is het vatbaar voor hartstochten, voor fijn gevoelende liefde en haat. Zijn verstand is groot en wordt zonder groote moeite in bekwaamheid omgezet, want het Paard is buitengewoon leerzaam.
“Zijn opmerkingsvermogen, zijn geheugen en zijn goedhartigheid maken het mogelijk het alle kunststukken te leeren, die de Olifant, de Ezel en de Hond kunnen verrichten. Het moet raadsels oplossen, vragen beantwoorden, door beweging met den kop ‘ja’ en ‘neen’ zeggen, door met den poot te tikken getallen aangeven, b.v. de tijdaanwijzing van een horloge. Het let op de beweging van de handen en voeten van zijn leermeester, begrijpt de beteekenis van het zweepgeklap en van de woorden, die het vervangen of er mede gepaard gaan: het heeft dus werkelijk een klein woordenboek in de gedachten. Op commando houdt het zich ziek, neemt een onnoozele houding aan door de pooten wijd uiteen te zetten en den kop te laten hangen, waggelt treurig en vermoeid voort, laat zich langzaam vallen, ploft op den grond neer, houdt zich dood (ook wanneer iemand op zijn lichaam gaat zitten, of zijn pooten uiteen legt, of het aan den staart trekt, of den vinger in de zoo fijngevoelige ooren steekt, enz.); zoodra zijn meester echter zegt, dat hij het door den vilder zal laten halen, springt het weder overeind en neemt een wakkere en vroolijke houding aan; het heeft deze klucht uitmuntend begrepen. Het blijkt niet, dat het behagen schept in de grappen, die het zoo dikwijls moet herhalen. Alleen in loopen en springen heeft het vermaak. Hoe lang zal men het moeten onderrichten, voordat het er zich aan waagt om door twee groote hoepels te springen, die tamelijk ver van elkander verwijderd zijn en die met wit papier dichtgeplakt, op hem den indruk van witte muren moeten maken? Dat de mensch iets leeren kan en wil, verwondert ons niet, maar wel dat het Paard het kan. Men moet werkelijk niet vragen: Wat kan het leeren? maar: Wat kan het niet leeren?
“Ieder, die een Paard iets menschelijks wil leeren, moet het, in den beginne althans, echt menschelijk behandelen, d.w.z. hij moet niet trachten het door slaan, of door bedreigingen, of door honger de gewenschte vaardigheid bij te brengen, maar alleen goede woorden gebruiken en het bejegenen zooals een goed, verstandig mensch een goed, verstandig mensch bejegent. In den regel zijn de Paarden geheel en al kinderen in het goede zoowel als in het booze.
“Het Paard kent niet alleen het begrip plaats, maar ook het begrip tijd. Het leert op de maat stappen, draven, galoppeeren en dansen. Het kent ook verschil van tijd op grootere schaal; het weet, of het morgen, middag of avond is. Het ontbreekt het Paard zelfs niet aan muzikaal gevoel. Evenals de krijgsman houdt het van trompetgeschal. Het krabt vroolijk met de voorpooten op den grond, wanneer dit geluid als sein voor het loopen bij wedrennen en gedurende den veldslag weerklinkt; het kent en begrijpt ook het tromgeroffel en alle geluiden, die met zijn moed en met zijn vrees in verband staan. Het kent het gebulder van het geschut; maar hoort het niet graag, wanneer het soortgenooten gedurende veldslagen door kogels heeft zien treffen. Door het hooren van donder wordt het eveneens onaangenaam aangedaan. Misschien heeft het ervaren, dat het onweer onheil kan stichten.
“Het Paard is zeer vatbaar voor vrees en gelijkt dus ook in dit opzicht op den mensch. Het verschrikt door een ongewoon geluid, een ongewoon voorwerp, een wapperend vaandel, een hemd, dat buiten het venster waait. Zorgvuldig kijkt het naar den bodem, wanneer hier steenen op liggen; voorzichtig stapt het in de beek of in de rivier. Het is buitengewoon bang voor den bliksem. Gedurende het onweder zweet het uit angst van getroffen te worden. Als het eene Paard op hol gaat, kan het andere, dat minder schichtig is, het tegenhouden; gewoonlijk echter wordt het eveneens door den schrik bevangen; beide rennen dan voort met steeds klimmende vrees en toenemenden angst, hollen in dolle vaart over en door alles heen, over den dorschvloer, met den kop tegen een muur, enz., alsof zij dol zijn.
“De eenige ware lust van het Paard is het rennen. Van nature is het een reiziger; alleen voor hun vermaak rennen de Paarden, die in de Russische steppen grazen; zij galoppeeren vele uren, een dagreis ver met de koetsen mede; zonder nood van op den langen weg te verdwalen, keeren zij eindelijk naar hun uitgangspunt terug. Op de weide spelen zij vroolijk met elkander, werpen het voorste of het achterste deel van ’t lichaam omhoog en halen allerlei streken uit, rennen te zamen of bijten elkander. Er zijn er bij, die gedurig bezig zijn de andere te plagen. Het dier, dat menschelijke handelingen tracht na te bootsen, moet zich den mensch zeer nabij gevoelen, moet in hem bijna zijns gelijke vinden.
“De hengst is in alle opzichten een vreeswekkend dier. Zijn spierkracht is ontzettend, zijn moed boven alle beschrijving groot, zijn oog schiet vuur. De merrie is veel zachtaardiger, goedhartiger, toegevender, gehoorzamer, gemakkelijker te besturen; daarom geeft men aan haar dikwijls de voorkeur boven den hengst. Het paard is voor allerlei aandoeningen vatbaar. Het mint en haat, is jaloersch, wraakzuchtig, nukkig enz. Geen Paard is aan een ander gelijk. Bijtlustig en boos, valsch en arglistig is het eene, goed vertrouwend en zachtaardig het andere. De natuur of de opvoeding of beide gezamenlijk hebben ze zoo verschillend doen worden.
“Groot is het verschil van levenslot der Paarden! Het lot van de meeste is in de jeugd vertroeteld en met haver gevoederd te worden, op hun ouden dag een kar voort te slepen, met haksel en ruigte het leven te rekken, en rijkelijk slagen te ontvangen. Aan de nagedachtenis van menig Paard werden tranen gewijd; terecht zijn voor sommige Paarden marmeren gedenkteekens opgericht. Zij hebben een jeugd, die voor ’t spelen bestemd is, jongelingsjaren, waarin zij met hunne gaven pronken, een mannelijken leeftijd om te arbeiden, en een ouderdom, waarin zij naar lichaam en geest trager en doffer worden; zij bloeien, rijpen en verwelken!”
Het tweede ondergeslacht van de Paarden (Asinus), waarvan de kenmerken reeds vroeger opgegeven zijn omvat de Ezels en de Tijgerpaarden.
De Koelan van de Kirgiezen, de Dziggetai (letterlijk vertaald “Langoor”) der Mongolen in ’t algemeen [Equus (Asinus) hemionus], heeft sommige eigenaardigheden, waardoor zijn schoonheid die van den Ezel verre overtreft. Deze zijn: een buitengewoon licht gebouwd lichaam, slanke ledematen, een wild en vlug voorkomen en een fraaie haarkleur. Hij is iets grooter dan het kleine slag van muildieren, bijna gelijk aan een hit. De kop is eenigszins zwaar ontwikkeld, de borst groot, van onderen hoekig en een weinig samengedrukt. De ooren zijn langer dan bij het Paard, maar korter dan bij de gewone muildieren. De manen zijn kort en overeind geplaatst; hierdoor en ook door den staart en de hoeven gelijkt hij op den Ezel. De borst en de bovenarmen zijn smal en op lange na niet zoo gevleescht als bij het Paard; ook het achterstel is schraal; de ledematen zijn buitengewoon licht en fijn, en tevens tamelijk lang. De kleur van den Dziggetai is licht geelbruin; de neus en de binnenzijde der ledematen hebben een vaal-gelen tint; de manen en de staart zijn zwartachtig. Over het midden van den rug, boven de ruggegraat, loopt een bruinachtige, eenigszins naar geel en grijs zweemende streep, die van voren ongeveer zoo breed is als een vinger, zich naar ’t midden van den rug allengs tot 1 cM. versmalt; haar breedte neemt daarna snel weer toe, zij komt in ’t kruis en boven het bekken met die van 3 vingers overeen, om vervolgens weer af te nemen tot een smalle lijn op ’t midden van de bovenzijde van den staart; overal steekt zij sterk af bij de kleur van het overige haar.
Koelan (Equus hemionus). 1/18 v.d. ware grootte.
De totale lengte bedraagt ongeveer 2.5 M., waarvan 50 cM. op den kop en 40 cM. op den staart komen (de haarkwast aan de spits niet medegerekend); de schouderhoogte wisselt van 1.3 tot 1.5 M. af.
De Dziggetai of Koelan is een kind van de steppe. Hoewel hij zich bij voorkeur in de nabijheid van meren en rivieren ophoudt, vermijdt hij evenwel de dorre, waterlooze en woestijnachtige streken niet, en evenmin de bergachtige gewesten, voor zoover deze n.l. een steppe-karakter hebben, met andere woorden, niet met bosschen bedekt zijn. Zoomin de ijlere lucht van het hooge gebergte, als de temperatuurswisselingen van het laagland, waar in den zomer een verzengende hitte, in den winter een strenge koude heerscht, zoomin de prikkelende sneeuwstormen van de hoogvlakte, als de door den wind voortgestuwde heete zandwolken van de laagvlakte, beperken het verbreidingsgebied van deze tegen weer en wind geharde dieren in de steppen; door niemand anders dan door den mensch wordt zijn aanwezigheid zoo niet bepaald, dan toch eenigermate beperkt. Streken, welker uitgestrekte weidegronden van tijd tot tijd door rondzwervende herdersvolken bezocht worden, of waardoor de nomadische herder met zijne kudden geregeld heen en weer trekt, worden door de Koelan verlaten; daar waar te midden van vruchtbaarder weidegronden zich landstreken bevinden, zoo arm, zoo dor, zoo woestijnachtig, dat zelfs de genoemde voorloopers van den aan vaste woonplaatsen gebonden mensch ze vermijden, kan men er verzekerd van zijn het wilde Paard, dat onbeperkte vrijheid verlangt, te zullen aantreffen.
Nog tegenwoordig bevolkt het in aanzienlijken getale verscheidene districten van Akmolinsk en bewoont het een strook steppe-land tusschen het Altaï-gebergte en het Saisan-meer; men ontmoet het van hier uitgaande op alle voor zijn levenswijze geschikte, verder oostwaarts en zuidwaarts gelegen oorden van zuidelijk Siberië en Toerkestan, hoewel hier niet zoo menigvuldig als in de woestijnachtige steppen van Mongolië en het noordwesten van China of in de gebergten van Tibet.
Gezelligheid is een grondtrek van de inborst van dit wilde paard en van de Eénhoevigen in ’t algemeen. Evenals in Afrika de Zebra, de Quagga en de Dauw zich voegen bij de kudden Antilopen en Struizen, ziet men in de hooge gebergten van Midden-Azië de Dziggetai gemeenschappelijk grazen met verschillende soorten van wilde Schapen, met de Tibetaansche Antilope en den Yak, in de laagvlakten met de Krop- en Saiga-Antilopen. Ook met verwilderde Paarden leeft hij in goede verstandhouding.
Wie ooit Koelans in hun vaderland en in volledige vrijheid zag, zal moeten erkennen, dat zij hoog begaafde dieren zijn. Betooverd volgt het oog hunne bewegingen; verrukt en verbaasd tracht het de onvergelijkelijke behendigheid van deze snelvoetige dieren na te gaan. “Het is een verwonderlijk schouwspel,” zegt Gay, “te zien, hoe vlug zij de bergen bestijgen en hoe behendig zij er van afdalen zonder ooit te struikelen. Alsof zij met hunne onuitputtelijke krachten wilden spelen, repten de door ons vervolgde Koelans zich voort over de heuvels en door de dalen van de steppe.”
Zulk een dier ontkomt gemakkelijk aan de vervolgingen van groote Roofdieren. In de West-Aziatische steppen zijn er trouwens geen, die op Koelans jacht maken; want de hier inheemsche Wolven wagen het niet gezonde, wilde Paarden aan te vallen, omdat deze hunne krachtige hoeven uitmuntend tegen vijanden weten te gebruiken. Waarschijnlijk worden alleen vermoeide en door ziekte aangetaste Koelans, die van de kudde verwijderd zijn geraakt, een prooi van de Wolven. In het zuidelijk en zuidoostelijk gedeelte van hun verbreidingsgebied worden de Koelans misschien door Tijgers lastig gevallen. Een gevaarlijker vijand is echter de mensch. De nomadische herders van de steppe zijn hartstochtelijke liefhebbers van de Koelan-jacht, vooral omdat voor dit bedrijf een groote behendigheid van de zijde van den jager vereischt wordt.—In de Europeesche dierentuinen behoort de Koelan nog steeds tot de zeldzaamheden, hoewel men hem in de laatste 20 jaren dikwijls daarheen heeft overgebracht, en hij er ook herhaaldelijk (alleen te Parijs niet minder dan 16-maal) jongen heeft geworpen. Met goed gevolg heeft men hem met den Ezel, den Quagga, den Zebra, en kort geleden ook met het Paard gekruist.
Een tweede, in Azië in ’t wild levende Eénhoevige, die misschien met den Koelan een zelfde soort vormt, is de Onager van de Ouden, die ook in den Bijbel herhaaldelijk genoemd wordt. Volgens Sclater’s vergelijkend onderzoek van de wilde Paarden is het meer dan waarschijnlijk, dat de wilde Ezel, die de Indische woestijnen bewoont, zich niet van den Onager onderscheidt. Het verbreidingsgebied van deze soort zou zich dus van Syrië over Arabië, Perzië en Beloetsjistan tot in Indië uitstrekken.
De Onager [Equus (Asinus) onager] is aanmerkelijk kleiner dan de Dziggetai, maar toch hooger en fijner van ledematen dan de Gewone Ezel. De kop is betrekkelijk nog hooger en grooter dan bij de Koelan; de dikke lippen zijn tot aan den rand dicht bezet met stijve, borstelige haren; de ooren zijn tamelijk lang, maar korter dan bij den Gewonen Ezel. De heerschende kleur is fraai wit met een zilverachtigen glans, deze gaat aan de bovenzijde van den kop, aan de zijden van den hals en van den romp en ook aan de heupen in een bleeke isabelkleur over. Over de schouderstreek loopt een witte streep ter breedte van een hand benedenwaarts, een tweede streep loopt aan weerszijden langs het midden van den rug en over de achterzijde der dijen; tusschen de beide overlangsche strepen ligt de koffie-bruine rugstreep. De beharing is nog zijdeachtiger en zachter dan bij een Paard. Het winterhaar kan men met kameelwol vergelijken, het zomerhaar is uiterst glad en fijn. De rechtopstaande manen bestaan uit zachte, wollige, ongeveer 10 cM. lange haren; de kwast aan den staart wordt meer dan een span lang.
Door zijn levenswijze herinnert de Onager aan den Koelan. Een hengst is de aanvoerder van de kudde, die uit merries en veulens van beiderlei geslacht bestaat. Wat vlugheid van beweging betreft, doet de Onager voor den Dziggetai volstrekt niet onder.
De zintuigen van den Onager, vooral die van ’t gehoor, ’t gezicht en den reuk, zijn zoo fijn, dat het niet mogelijk is hem in de open steppen te genaken. Hij is zoo buitengewoon matig, dat hij hoogstens om den anderen dag naar de drinkplaats gaat; het opwachten van dit dier, “het jagen op den afstand”, is dus meestal ondoenlijk. Zouthoudende planten vormen zijn liefste voedsel; na deze geeft hij de voorkeur aan die, welke een bitter melksap bevatten, zooals paardenbloemen, melkdistels en dergelijke; klaversoorten, lucerne en allerlei kruisbloemige planten worden echter ook niet door hem versmaad. Hij heeft evenwel een tegenzin in alle planten, die welriekend zijn, doordat zij vluchtige oliën bevatten, in moeraskruiden, boterbloemachtigen en alle stekelige gewassen, zooals distels. Hij houdt meer van brak, zouthoudend water dan van zoet; het moet echter helder zijn; troebel water lust hij niet.
Over den paringstijd en den werptijd is nog niets bekend.
De stamsoort van onzen tammen Ezel [Equus (Asinus) asinus] bewoont Afrika en is er door twee ondersoorten vertegenwoordigd. De eerste ondersoort—de Steppen-ezel (Equus asinus africanus)—gelijk door grootte en uitzicht op zijne getemde nakomelingen in Egypte, door levenswijze en aard echter op zijne in ’t wild levende, Aziatische verwanten. Hij is groot, slank en fraai gebouwd, isabelkleurig, aan de onderzijde lichter, met duidelijk herkenbare rugstreep en schouderkruis en eenige meer of minder duidelijke dwarsstreepen aan de buitenzijde van den benedenvoet. De korte manen staan overeind, de staartkwast is dik en lang.
Van den Steppenezel onderscheidt zich de Somali-ezel (Equus asinus somalicus) door een aanzienlijker grootte en langere, hangende manen. Het schouderkruis ontbreekt; wel komen aan de pooten talrijke, duidelijke, zwarte dwarsstrepen voor. Zijn vaderland is Somaliland. De beter bekende Steppenezel daarentegen bewoont de woestijnen van Opper-Nubië. In de nabijheid van den Atbara, de voornaamste Nubische bijrivier van den Nijl is hij veelvuldig, zoo ook in de Barka-vlakten; zijn verbreidingsgebied strekt zich uit tot aan de kust van de Roode Zee. Hier leeft hij in volkomen gelijksoortige omstandigheden als de Dziggetai en de Onager. Iedere hengst staat aan het hoofd van een kudde van 10 à 15 stuks, die hij bewaakt en verdedigt. Hij is buitengewoon schuw en voorzichtig; de jacht op dit dier is hierdoor zeer moeilijk. Alle tamme Ezels, die men in ’t zuiden van Egypte en waarschijnlijk ook in Abessinië gebruikt, stammen, naar het schijnt, van deze soort af; want volgens de verzekering van de Arabieren gelijken de Wilde Ezels zoozeer op hen, dat men den eenen voor den anderen zou kunnen aanzien.
De gestreepte voeten van dit dier, en vooral die van den Somali-ezel, zijn een opmerkelijk verschijnsel; daar hierdoor deze Ezels een overgang schijnen te vormen tusschen hunne Aziatische verwanten en de Tijgerpaarden.
De Steppenezel wordt reeds sinds overouden tijd getemd en de gevangen Wilde Ezels worden dikwijls voor de veredeling van tamme Ezelrassen gebruikt. De Romeinen van de oudheid gaven groote sommen voor dit doel uit; de Arabieren doen dit ook thans nog. Alleen bij ons is de Tamme Ezel door voortdurende verwaarloozing tot op een laag peil afgedaald.
Steppen-ezel (Equus asinus africanus). 1/18 v.d. ware grootte.
Als men den Ezel, die hier te lande graan of meel voor den molenaar draagt of den melkboer zijn beroep helpt uitoefenen, met zijne verwanten in zuidelijker landen vergelijkt, zou men er toe kunnen komen, beide voor verschillende soorten te houden, zoo weinig gelijken zij op elkander. De Ezel uit het Noorden is, zooals iedereen weet, een trage, eigenzinnige, dikwijls weerbarstige klant, die algemeen, heewel ten onrechte, als zinnebeeld van onnoozelheid en domheid wordt beschouwd; de Ezel uit het Zuiden daarentegen, vooral de Egyptische, is een fraai, wakker, buitengewoon vlijtig en volhardend dier, wiens arbeid niet veel bij dien van het Paard achterstaat, en dezen in sommige opzichten zelfs overtreft. Maar hij wordt dan ook veel zorgvuldiger behandeld dan onze Ezel. In vele Oostersche landen zorgt men niet minder goed voor de zuiverheid van de beste ezelrassen dan voor die van het edelste paardenras; men voedert de dieren zeer goed, kwelt hen in hun jeugd niet te veel en kan derhalve van de volwassenen diensten verlangen, die onze Ezel in ’t geheel niet zou kunnen verrichten. Er is wel reden voor de zorg, die men in het Oosten aan den Ezel besteedt, want hij is daar een huisdier in den volsten zin van het woord, dat in het paleis van den rijkste, zoowel als in de hut van den armste voorkomt, en de onmisbaarste dienaar is, dien de bewoner van zuidelijke gewesten kent. Reeds in Griekenland en Spanje treft men zeer schoone Ezels aan, hoewel zij altijd nog ver achterstaan bij die, welke men in het Oosten, vooral in Perzië, Toerkmenië en Egypte, gebruikt. De Grieksche en de Spaansche Ezel evenaren een klein muildier in grootte; hun haar is glad en zacht; de manen zijn tamelijk, de staartharen betrekkelijk zeer lang; de ooren zijn lang, maar fijn gebouwd, de oogen schitterend. Groote volharding, een gemakkelijke, vlugge gang en een zachte galop stempelen deze Ezels tot onovertreffelijke rijdieren.
Nog veel schooner dan deze uitmuntende dieren zijn de Arabische Ezels, vooral die, welke in Yemen worden gefokt. Er zijn twee rassen van: één van groote, moedige en snelle dieren, die voor het reizen zeer geschikt zijn, en één, welks leden kleiner en zwakker zijn, en gewoonlijk voor ’t dragen van lasten gebruikt worden. Soortgelijke rassen komen voor in Perzië en Egypte, waar men veel geld voor een goeden Ezel uitgeeft. Een voor rijdier geschikte Ezel, die aan alle eischen voldoet, staat hooger geprijsd dan een middelmatig Paard; niet zelden betaalt men f 900 voor zulk een dier. “Men kan zich,” zegt Bogumil Goltz, “geen bruikbaarder en dapperder schepsel voorstellen dan deze Ezel. De grootste kerel zet zich op een exemplaar, dat dikwijls niet grooter is dan een kalf van zes weken en brengt het in galop. Deze zwak gebouwde dieren bewegen zich met een flinken pas; hoe zij echter aan de kracht komen om uren lang met een volwassen mensch op den rug, zelfs bij groote hitte, te draven en te galoppeeren, komt mij volkomen onverklaarbaar voor en schijnt tot de bovennatuurlijke ezels-mysteriën te behooren.” Den rij-ezels wordt het haar zeer zorgvuldig over het geheele lichaam kort geknipt; alleen aan de bovenarmen en dijen laat men het zijn volle lengte behouden; hier worden echter in de beharing allerlei figuren en krullen uitgeknipt, waardoor de dieren een zeer eigenaardig voorkomen verkrijgen.
Verderop in het binnenland, waar dit nuttige wezen eveneens als huisdier wordt gehouden, zijn edele Ezels zeldzaam, en ook deze weinige worden van buiten ingevoerd.
In vroegere tijden trof men op eenige eilanden van den Griekschen archipel en op Sardinië half-verwilderde Ezels aan; tegenwoordig vindt men er nog in Zuid-Amerika. Zulke aan de heerschappij van den mensch ontkomen Ezels nemen spoedig alle gewoonten van hunne wilde voorouders aan.
Door de bovenstaande mededeelingen is meteen het verbreidingsgebied van den Ezel aangeduid. Het oostelijke deel van Voor- en Middel-Azië, het noorden en oosten van Afrika, Zuid- en Middel-Europa en eindelijk Zuid-Amerika zijn de landstreken waar hij het best gedijt. Hoe droger het land is, des te beter gevoelt hij zich er thuis. Vochtigheid en koude verdraagt hij minder goed dan het Paard.
Waarschijnlijk is het rijden op Ezels nergens zoozeer in zwang als in Egypte. In alle grooten steden van dit land zijn deze gewillige dieren werkelijk onmisbaar voor de gemakkelijkheid van ’t leven. Men gebruikt ze, zooals bij ons de huurrijtuigen; en het wordt volstrekt niet vreemd gevonden zich door hen te laten dragen. Wegens de engheid van de straten der Oostersche steden, zijn Ezels beter dan andere vervoermiddelen geschikt om den weg, dien men heeft af te leggen, af te korten en gemakkelijk te maken. Daarom ziet men ze b.v. in Kaïro, overal te midden van den onafgebroken stroom van menschen, die zich door de straten beweegt. De ezeldrijvers van Kaïro vormen een eigen stand, een ware kaste; zij behooren bij de stad, zooals de minarets en de palmen. Zij zijn onontbeerlijk voor de inwoners zoowel als voor de vreemdelingen; aan hen heeft men iederen goeden dag te danken, hoewel zij iederen dag iemand de gal doen overloopen. “Het is een ware lust en een ware ellende”, zegt Bogumil Golts, “met de ezeljongens om te gaan. Men kan het niet eens met hen worden, hetzij men ze voor goedhartig of boosaardig, koppig of dienstwillig, traag of wakker, listig of onbeschaamd houdt; zij vertoonen een mengelmoes van alle mogelijke eigenschappen.” De reiziger ontmoet ze, zoodra hij in Alexandrië aan land stapt. Op elk druk plein staan zij met hunne dieren van zonsopgang tot zonsondergang. De aankomst van een stoomboot is voor hen een hoogst gewichtige gebeurtenis; want dan moeten zij zich beijveren om de in hunne oogen onwetende of zelfs domme toeristen voor zich te veroveren. De vreemdeling wordt vooreerst in drie of vier talen aangesproken, en wee hem, wanneer hij in ’t Engelsch antwoordt. Dadelijk heeft er om den “rijken man” een vechtpartij plaats, totdat de reiziger het verstandigste doet, wat hij doen kan, n.l. op goed geluk op een Ezel gaat zitten en zich door den jongen naar het eerste het beste hotel laat drijven. Dit is de eerste kennismaking met de ezeljongens; maar eerst als men de Arabische taal machtig is en, in plaats van het koeterwaalsch der drie of vier door hen geradbraakte talen, hun eigen taal met hen kan spreken, leert men ze kennen.
Gewone Ezel (Equus asinus). 1/16 v.d. ware grootte.
De eene zegt: “Kijk toch eens, Mijnheer, naar den Ezel, dien ik u aanbied, een echte locomotief in vergelijking met de dieren, die de andere jongens u aanprijzen! Zij zullen onder u inzakken, want het zijn erbarmelijke schepsels en gij zijt een forsch man! Maar de mijne! Voor hem is het een kleinigheid als een Gazelle met u weg te loopen.”—“Dit is een Kahiriner Ezel,” zegt de andere; “zijn grootmoeder was een Gazelle en zijn bet-overgrootmoeder een wild Paard. Komaan, Kahiriner, loop eens en laat Mijnheer zien, dat ik de waarheid spreek! Doe uwe ouders geen schande aan, maak voort in Gods naam, mijn Gazelle, mijn Zwaluw!”—De derde wil alle overige de loef afsteken; hij roemt zijn Ezel als een “Bismarck”, een “Moltke” enz., en in dezen toon gaat het voort, totdat men eindelijk een van de dieren bestegen heeft. Dit wordt nu door een onnavolgbaar getrek en geduw of door stooten, steken en slagen met den aan ’t eene einde puntig toeloopenden drijversstok in galop gebracht, terwijl de knaap, die er achteraan rent, door roepen, schreeuwen, aansporen en babbelen zijne longen niet minder mishandelt dan den Ezel vóór hem. “Pas op, Mijnheer! Uw rug, uw voet, uw rechterzijde is in gevaar! Wees voorzichtig, uw linkerzijde, uw hoofd! Denk er om! een Kameel, een muildier, een Ezel, een Paard! Let op uw gezicht, op uw hand! Ga uit den weg, vriend; laat mij en Mijnheer voorbij! Scheld niet op mijn Ezel, smeerlap; hij is meer waard dan je overgrootvader was. Verschooning, meester, dat gij gestooten werd!” Deze en en honderd andere uitroepen gonzen den reizigers onophoudelijk om de ooren, terwijl hij tusschen allerlei gevaar opleverende dieren en ruiters, tusschen straatkarren, lastdragende Kameelen, wagens en voetgangers door rent. De Ezel verliest geen oogenblik zijn goede gezindheid; zijn gewilligheid kan bijna niet ingetoomd worden; hij snelt steeds voort in een allerprettigsten galop, totdat het doel bereikt is. Kaïro is de hoogeschool voor alle Ezels; hier eerst leert men deze voortreffelijke dieren kennen, waardeeren, achten en van hen houden.
Op onzen Langoor trouwens zijn Oken’s woorden volkomen toepasselijk: “De tamme Ezel is door langdurige slechte behandeling zoozeer ontaard, dat hij bijna in ’t geheel niet meer lijkt op zijne voorouders. Niet alleen bereikt hij een veel geringere grootte dan deze, maar ook zijn kleur is doffer, meer aschgrauw, zijne ooren zijn langer en slapper geworden. De moed is bij hem in weerspannigheid veranderd, de vlugheid in langzaamheid, de levendigheid in traagheid, de schranderheid in domheid, de vrijheidsliefde in geduld, de volharding in lijdzaamheid bij het verduren van mishandelingen.” Scheitlin zegt van hem: “De tamme Ezel is veeleer schrander dan dom; zijn schranderheid gaat echter niet samen met goedheid, zooals bij het Paard, maar openbaart zich meer als valschheid en sluwheid, en nog wel het meest als koppigheid en eigenzinnigheid. Hoewel uit een slavin geboren, is hij in zijn jeugd zeer opgewekt en een liefhebber van potsierlijke sprongen, evenals al wat jong is; evenals het menschenkind, heeft hij trouwens geen besef van zijn misschien vreeselijke, treurige toekomst. Als hij volwassen is, moet hij trekken en dragen; hij laat zich hiervoor goed africhten, hetgeen een bewijs is van zijn verstand, want hij moet zich schikken naar den wil van een ander wezen, van den mensch. Het kalf is hiervoor nooit verstandig genoeg, en zelfs het paardenveulen begrijpt aanvankelijk niet, wat men van hem verlangt. Geduldig draagt de Ezel zijn grooten last, maar volstrekt niet gaarne, want zoodra men hem dien heeft afgenomen, is het voor hem een genoegen zich over den grond te wentelen, en zijn afschuwelijk gebalk te laten hooren. Hij heeft waarschijnlijk in ’t geheel geen muzikaal gevoel. Zijne ooren duiden werkelijk iets bijzonders aan.
“Wij kunnen den Ezel volkomen in zijn eer herstellen door er op te wijzen, dat hij afgericht kan worden tot zeer vele kunstjes, die men gewoonlijk alleen van het Paard ziet. Sommige kinderen leeren moeilijk, maar wat zij geleerd hebben, kennen zij grondig en voor altoos; zoo is het ook met den Ezel. Men kan wedrennen met hem houden; hij leert door hoepels springen en kanonnen afschieten. Hij springt goed, zonder het doel te missen en zonder angst te toonen. Hij let op de blikken en de woorden van zijn meester, en begrijpt deze telkens goed. Daarom kan men hem ook leeren dansen, zich op de maat bewegen en deuren openen, waarbij hij zijn bek als een hand gebruikt, trappen op- en afgaan, het schoonste, oudste of meest verliefde lid van een gezelschap aanwijzen, door met den poot op den grond te kloppen van een horloge, dat hem voorgehouden wordt, den tijd, van een kaart of van een dobbelsteen het aantal oogen aangeven, en iedere vraag van zijn meester, door met den kop te schudden of te knikken, bevestigend of ontkennend beantwoorden.”
De zintuigen van den tammen Ezel zijn goed ontwikkeld. Bovenaan staat het gehoor, hierop volgt het gezicht, dan de reuk; gevoel schijnt hij weinig te hebben, ook de smaak is, naar men vermoedt, niet bijzonder fijn, anders zou hij waarschijnlijk begeeriger, veeleischender zijn dan het Paard. Zijne verstandelijke vermogens zijn, naar uit Scheitlin’s woorden blijkt, niet zoo gering als gewoonlijk aangenomen wordt. Hij heeft een uitmuntend geheugen: hij kan iederen weg, dien hij eens gegaan is, weer terug vinden; hoe dom zijn uitzicht ook zij, toch is hij dikwijls recht sluw en listig. Ook is hij niet altijd zoo goedaardig, als men meent; hij heeft soms zelfs afschuwelijke kuren. Plotseling blijft hij dan midden op den weg stilstaan, en laat zich door geen slagen dwingen om verder te gaan, of gaat met zijn geheele last op den grond liggen, waar hij zich door bijten en schoppen verweert. Sommigen meenen dat zijn gevoelig gehoor hiervan de oorzaak is, dat ieder geraas hem verdooft en verschrikt, hoewel hij overigens niet bijzonder vreesachtig, maar slechts nukkig is. Uiterst vreemd gedraagt een Ezel zich in een streek waar Roofdieren zijn. Het is zeer vermakelijk of hoogst onaangenaam, al naar men het nemen wil, op een Ezel of een Muildier door een van de nauwe dalen van het gebergte van Habesch te rijden. Overal bespeurt het lange oor gevaar. Het draait en keert zich naar alle zijden, wordt met opzet benedenwaarts gebogen in de richting van een rotsblok, waarachter een vijand in hinderlaag zou kunnen liggen, het tracht zelfs met een paar sterke wendingen alles af te luisteren, wat er hooger op, langs de hellingen voorvalt, richt zich plotseling stijf omhoog en luistert in een bepaalde richting. Wanneer nu nog de reuk het gehoor te hulp komt en beide het edele rijdier schrikbeelden voor den geest tooveren, dan is de gemoedsrust voor goed verstoord. Het wil niet verder. Juist op de plaats waar het nu staat, is misschien in de vorige nacht het vreeselijk tot buitengewone voorzichtigheid aansporend feit voorgevallen, dat een Leeuw, een Luipaard, een Hyaena of een ander gruwelijk Roofdier over den weg is geslopen! De Ezel snuffelt, kijkt, luistert; de ooren draaien letterlijk rond in zijn kop; hij blijft als aan den grond genageld, totdat eindelijk een van de lieden voor hem uitgaat. Loos genoeg om te begrijpen, dat zijn gids de meeste kans heeft om in de klauwen van het grimmige Roofdier den laatsten adem uit te blazen, zal hij dezen volgen en inwendig gerustgesteld verder gaan. Op reis kan de Ezel geen enkel zintuig ontberen. Als men hem een doek voor de oogen bindt, blijft hij oogenblikkelijk staan; dit doet hij ook, als men hem de ooren bedekt of dicht stopt; eerst als, hij van al zijne zintuigen gebruik kan maken, gaat hij verder.
De Ezel is met het slechtste, karigste voedsel tevreden. Gras en hooi van zulk een hoedanigheid, dat iedere fatsoenlijke koe ze met een afkeer verradend gesnuif laat liggen en een Paard er zich ontevreden van afwendt, worden door hem nog als een lekkernij beschouwd: hij is zelfs met distels en doornstruiken tevreden. Alleen in de keuze van drank is hij zorgvuldig; hij wil geen water hebben dat troebel is; brak mag, helder moet het zijn. In de woestijn heeft men hierdoor dikwijls veel last met den Ezel, daar deze, hoe ook door den dorst gekweld, het troebele water uit de lederen waterzakken niet wil drinken.
Hier te lande valt de bronsttijd van den Ezel in de laatste lente- en de eerste zomermaanden; in het zuiden duurt hij ongeveer het geheele jaar door. De hengst verklaart aan de Ezelin zijn liefde met het welbekende, oorverscheurende “I-a, I-a,” en laat op deze langgerekte, vijf- à tienmaal herhaalde geluiden nog een half dozijn snuivende zuchten volgen. Zulk een aanzoek is onweerstaanbaar; zij oefent zelfs op de medevrijers een machtigen invloed uit. Ieder, die in een land heeft gewoond, waar vele Ezels zijn, heeft het kunnen ervaren. Zoodra een ezelin hare stem laat hooren, ontstaat er een formeel oproer onder alle hengsten in den omtrek. De naastbijwonende, gevleid door de eer, dat hij de voor hem zoo aanlokkelijke geluiden het eerst op een behoorlijke wijze mag beantwoorden, balkt er op los zoo luid hij kan. Een tweede, derde, vierde, tiende valt in: eindelijk balken zij allemaal; door den langen duur van dit concert zou iemand doof of half gek kunnen worden. Ik waag het niet te beslissen, of dit medebalken als een bewijs van teedere sympathie moet worden opgevat, of eenvoudig voortvloeit uit lust tot schreeuwen, maar kan stellig verzekeren, dat één Ezel alle overige aan ’t balken kan brengen. De reeds beschreven ezeljongens van Kaïro, die, naar het schijnt, veel behagen scheppen in het geluid van de dieren, waarmede zij hun kost verdienen, maken het “I-a”-geschreeuw, dat op beschaafde ooren zulk een onaangenamen indruk maakt, aan den gang, door het onnavolgbare, kort afgebrokene “Ii, Ii, Ii”, dat den hoofdinhoud van de ezelsrede voorafgaat, na te bootsen: spoedig neemt een van de Ezels de moeite over om de vroolijke opgewondenheid verder te verbreiden.
Ongeveer 11 maanden na de paring werpt de Ezelin één jong (hoogst zelden twee), dat bij de geboorte volkomen ontwikkeld is en zien kan; de moeder lekt het liefderijk af en biedt het reeds een half uur na de geboorte de uier aan. Na 5 à 6 maanden kan het veulen gespeend worden, maar het volgt de moeder nog lang op al hare wegen. Zelfs in zijn vroegste jeugd verlangt het geen bijzondere oppassing of verzorging, maar is evenals zijne ouders tevreden met elk voedsel dat het krijgen kan. Als men het kind van de moeder wil scheiden, is aan weerskanten het verdriet groot. Beiden verzetten zich en geven, als dit niets baat, hun verdriet en hun verlangen nog dagen achtereen door geschreeuw of althans door buitengewone onrustigheid te kennen. Als er gevaren dreigen, verdedigt de oude haar kind met moed; zij offert liever zich zelf op en vreest zelfs vuur en water niet, als het er op aankomt haar jong te beschermen. Reeds in het tweede jaar is de Ezel volwassen; maar eerst in het derde jaar bereikt hij zijn volle kracht. Hij kan, zelfs wanneer hij hard werken moet, een tamelijk hoogen leeftijd bereiken: er zijn voorbeelden van, dat Ezels veertig vijftig jaar oud werden.
Reeds in den ouden tijd heeft men het Paard en den Ezel met elkander gepaard en door deze kruising bastaarden verkregen, die Muildieren heeten, als de vader, Muilezels echter als de moeder tot het Ezelgeslacht behoort. Beide hebben in hun gestalte meer van hun moeder dan van hun vader; door hun aard gelijken zij echter meer op dezen dan op gene.
Het Muildier (Equus mulus) is bijna even groot als het Paard en gelijkt ook door zijn lichaamsbouw op dit dier; het verschilt er echter van door den vorm van den kop en de lengte der ooren, door den staart, die aan den wortel kort behaard is, door de schrale dijen en de smallere hoeven, welke kenmerken aan die van den Ezel herinneren. Zijn kleur gelijkt in den regel op die van de moeder. Het balkt als zijn vader.
De Muilezel (Equus hinnus) behoudt de onaanzienlijke gestalte, de grootte en de lange ooren van zijn moeder, krijgt van het Paard slechts den dunneren en langeren kop, de vollere dijen, den over zijn geheele lengte behaarden staart en de hinnikende stem; met zijn moeder heeft hij ook de traagheid gemeen.
De paardemerrie draagt het Muildier iets langer dan het paardenveulen; het pasgeboren Muildier staat echter veel eerder op zijne pooten dan het jonge Paard; daarentegen is hij minder spoedig volwassen dan het Paard. Beneden de 4 jaar mag men geen Muildier tot den arbeid dwingen; daarentegen behoudt het zijn kracht geregeld tot in 20e of 30e niet zelden zelfs tot in het 40e levensjaar.
Men fokt uitsluitend Muildieren, omdat deze beter geschikt zijn voor het gebruik. Alleen in Spanje en Abessinië heb ik Muilezels gezien. Het Muildier vereenigt de goede eigenschappen van zijne beide ouders in zich. Zijne soberheid en volharding, zijn zachten, vasten tred zijn erfstukken van den Ezel, zijne kracht en moed een geschenk van zijn moeder. In alle bergstreken acht men de Muildieren onmisbaar; voor de bewoners van Zuid-Amerika zijn zij niet minder noodig dan voor de Arabieren het Kameel. Een goed Muildier draagt een last van 150 KG. en legt hiermede iederen dag een weg van 20 à 28 KM. af. Zelfs na een lange reis bemerkt men ternauwernood vermindering van de kracht van het op deze wijze belaste dier, al is het voeder schaarsch en zóó slecht, dat een Paard het in ’t geheel niet zou lusten.
Zelfs in den laatsten tijd heeft men herhaaldelijk beweerd, dat Muildieren en Muilezels onvruchtbaar zouden zijn. Dit is echter niet altijd het geval, wanneer een van de beide parende dieren geen bastaard is. Reeds sedert overouden tijd zijn er voorbeelden van bekend, dat Muildieren jongen voortbrachten, n.l. bij paring van een Paardehengst met een muildier-merrie. In lateren tijd zijn eveneens verscheidene gevallen waargenomen, die de geschiktheid van het Muildier voor de voortplanting boven allen twijfel verheffen: zoo is het in de laatste kwart eeuw in den Acclimatisatie-tuin te Parijs gebleken, dat Muildieren tot in het tweede geslacht vruchtbaar kunnen zijn.—Dat Muildieren (of Muilezels) onderling of Muildieren met Muilezels vruchtbaar kunnen paren, is nog niet bewezen.
Een oude Latijnsche schrijver verhaalt, dat Caracalla in het jaar 211 van onze tijdrekening in de arena te Rome behalve Tijgers, Olifanten en Neushoorndieren ook een Hippotigris (“Tijgerpaard”) liet optreden, en dit dier eigenhandig doodde. Dat de bedoelde schrijver hiermede niets anders op het oog gehad kan hebben dan de eene of andere soort van Afrikaansche, gestreepte wilde Paarden, valt moeielijk te betwijfelen; de Engelsche natuuronderzoeker H. Smith heeft dus recht, als hij de naam Tijgerpaarden gebruikt tot aanduiding van een ondergeslacht (of liever van een groep van soorten) van de familie der paarden.
De Tijgerpaarden gelijken, wat hun gestalte betreft, zoowel op de Paarden als op de Ezels. De romp is gedrongen, de hals forsch, de kop houdt het midden tusschen dien van een Paard en dien van een Ezel, de ooren zijn tamelijk lang, maar tevens breed, de haren van de overeindstaande manen niet zoo hard en dik als bij het Paard, maar toch minder zacht en minder buigzaam dan bij den Ezel, de staart is alleen aan zijn onderste gedeelte lang behaard. Alle bekende soorten hebben een bont, levendig gekleurd en gestreept vel. De zuidelijke helft van Afrika is haar vaderland; misschien komt slechts één soort ook benoorden den evenaar voor. Zij leven op de gebergten en in de vlakten; iedere soort geeft echter, naar het schijnt, de voorkeur aan een afzonderlijk gebied.
De Quagga (Equus quagga) nadert door zijn gestalte meer tot het Paard dan tot den Ezel, maar moet, wat schoonheid betreft, bij den Dauw achterstaan. De romp is zeer goed gevormd, de kop middelmatig groot en sierlijk; de ooren zijn kort, de pooten krachtig. Langs den geheelen hals verheffen zich korte en rechte manen; de staart is van den wortel af behaard, de staartharen langer dan bij de overige Tijgerpaarden, evenwel aanmerkelijk korter dan bij het Paard. Ook door de beharing van de overige lichaamsdeelen gelijkt de Quagga op het Paard: het haar is kort en ligt dicht tegen het lichaam aan. Bruin, aan den kop donkerder, op den rug, het kruis en de zijden lichter, is de grondkleur van het vel; de buik, de binnenzijde van de dijen en de staartharen zijn zuiver wit. De kop, de hals en de schouders zijn geteekend met grijsachtig witte, roodachtig getinte strepen, die op het voorhoofd en de slapen overlangs gericht en dicht opeengedrongen zijn, op de wangen echter dwars loopen en iets verder uiteen staan. Tusschen de oogen en den mond vormen zij een driehoek. Op den hals bemerkt men tien zulke strepen, die ook op de manen zich vertoonen, op de schouders vier en op den romp nog eenige, die des te korter en bleeker worden, naarmate zij verder naar achteren voorkomen. Langs den geheelen rug tot op den staart, strekt zich een zwartachtig bruine, aan weerszijden roodachtig grijs geboorde rugstreep uit. De ooren zijn van binnen met witte haren bezet, van buiten geelachtig wit, met een donkerbruine streep. Beide geslachten gelijken zeer veel op elkander; het wijfje is echter een weinig kleiner en heeft kortere staartharen. Het volwassen mannetje wordt 2 M., met den staart 2.6 M. lang; de schouderhoogte bedraagt ongeveer 1.3 M.