Dauw (Equus Burchelli), 1/16 v.d. ware grootte.

Dauw (Equus Burchelli), 1/16 v.d. ware grootte.

De Dauw (Equus Burchelli), Burchell’s, en Chapman’s Tijgerpaard, de Bonte Quagga der Hollandsche Boeren, is ongetwijfeld het edelste dier van zijn stam, omdat zijn gestalte het meest op die van een Paard gelijkt; het is nagenoeg even groot als de Quagga. Het zachte, glad aanliggende haar is aan de bovenzijde isabelkleurig, van onderen wit. Veertien smalle, zwarte strepen ontspringen aan de neusgaten, zeven daarvan zijn buitenwaarts gericht en vereenigen zich met een gelijk aantal van boven komende; de overige gaan scheef over de wangen heen en zijn verbonden met strepen, die de onderkaak versieren. Over het midden van den rug loopt een zwarte streep met witte randen; de hals is, evenals de 13 cM. hooge manen, geteekend met tien breede, zwarte dwarsstrepen, waarvan sommige zich splitsen en waartusschen smalle, bruine strepen liggen. Nog breedere strepen omringen den romp, niet echter de onderste gedeelten van de pooten, die gewoonlijk beneden den elleboog en het kniegewricht effen wit zijn.

De Zebra of het Bergpaard (Equus zebra), dat ongeveer even groot is als de vorige soort, heeft over het geheele lichaam, ook over de pooten, strepen, en is hieraan gemakkelijk van den Dauw te onderscheiden. Zijn lichaamsbouw gelijkt minder op dien van het Paard dan op dien van den Ezel en meer bepaaldelijk van den Dziggetai. De op slanke, goed gebouwde pooten rustende romp is vol en krachtig, de hals gebogen, de kop kort, de snuit gezwollen; de staart is middelmatig lang, over het grootste deel van zijn lengte kort en alleen bij de spits lang behaard, hij gelijkt dus op dien van den Ezel; de manen zijn dicht, maar zeer kort. Op witten of geelachtigen grond loopen van den snuit tot aan de hoeven dwarsstrepen van glanzig zwarte of roodbruine kleur; alleen de achterzijde van den buik en de binnenzijde van het bovenlichaam zijn niet gestreept. De donker bruinzwarte, overlangsche streep op den rug is eveneens aanwezig, een tweede loopt langs het onderlijf.

Het eigenlijke vaderland van de Tijgerpaarden is Zuid- en Oost-Afrika; zij ontbreken in de keerkringsgewesten van de westelijke helft van Afrika en in het geheele Kongo-gebied, met uitzondering van het meest afgelegen, zuidoostelijk deel. De Quagga wordt gevonden in de noordwaarts van het Kaapland gelegen Kalahari-woestijn en in Duitsch Zuidwest-Afrika tot aan den Kunene, bovendien in de Zuid-Afrikaansche Republiek. Verder op bij de Zambesi en de Kunene komt de Bonte Quagga voor. De Zebra, die aan bergachtige gewesten de voorkeur geeft, bewoont hetzelfde gebied als de beide andere soorten en is nog verder verbreid: in het Kaapland wordt hij ook thans nog gevonden; noordwaarts komt hij aan de westzijde tot in Benguela, aan de oostzijde tot op ongeveer 12° Z.B. voor.

De Tijgerpaarden leven gezellig. Gewoonlijk ziet men wel 10 à 30 stuks bijeen; vele berichten maken melding van gezelschappen, die uit honderden individuën bestonden; waarschijnlijk verhuisden deze van het eene gewest naar een ander. Steeds ziet men iedere soort afzonderlijk. Misschien zijn de Tijgerpaarden van de eene soort voor die van de andere bevreesd. Andere dieren schuwen zij echter niet: zoo melden alle onderzoekers eenstemmig, dat men tusschen de Quagga-kudden bijna geregeld Springbokken en Bonte Bokken, Gnoes, en Struisen, maar ook Buffels vindt. Vooral de Struisen zijn, naar gezegd wordt, de standvastige begeleiders van de genoemde Wilde Paarden; de reden hiervan zal wel zijn, dat deze met de waakzaamheid en de voorzichtigheid van de genoemde reuzen uit de Vogelklasse hun voordeel kunnen doen.

Alle Tijgerpaarden zijn buitengewoon snelle, bewegelijke, waakzame en schuwe dieren. Vlug als de wind snellen zij voort, door de vlakte zoowel als in bergstreken.

Het inhalen van zulk een aaneengesloten kudde van Tijgerpaarden, valt den goed bereden jager niet moeielijk, hoewel een alleenloopend dier gemakkelijk den vlugsten ruiter ontkomt. Men verhaalt, dat de jonge Quaggas wanneer het den vervolger gelukt met het Paard in de kudden door te dringen en de veulens van de moeder te scheiden, zich gewillig gevangen geven en het Paard volgen, zooals zij vroeger hun eigen moeder deden. Er schijnt over ’t algemeen tusschen de Tijgerpaarden en de Eenhoevige huisdieren een zekere vriendschap te bestaan; de Gewone en de Bonte Quaggas althans volgen, naar men zegt, niet zelden de Paarden van de reizigers en grazen rustig op dezelfde weide.

De Tijgerpaarden zijn niet bijzonder keurig op hun voedsel, hoewel zij hunne eischen hooger stellen dan de Ezels. Hun vaderland biedt hun genoeg voedsel aan voor hun levensonderhoud; wanneer op de eene plaats gebrek begint te heerschen, zoeken zij andere meer begunstigde plaatsen op.

De stem van de Tijgerpaarden verschilt evenzeer van het hinneken van het Paard als van het balken van den ezel. Volgens de door Cuvier gegeven beschrijving laat de Quagga wel 20-maal achtereenvolgens de klanken “oa, oa” hooren; sommige reizigers omschrijven dit geluid door “kwè, kwè” of “kwèhè” en leiden hiervan den Hottentotschen naam van dit dier af. Het geluid van den Dauw gelijkt op “joe, joe, joe”; deze kort afgebroken klanken verneemt men althans van het gevangen dier, zelden meer dan driemaal achtereen.

Alle zintuigen van de Tijgerpaarden zijn goed ontwikkeld. Het oor ontgaat niet het geringste gedruisch, hun oog laat zich slechts uiterst zelden bedriegen. Wat geestesgaven betreft, komen alle soorten tamelijk wel met elkander overeen. Een onbegrensde neiging tot vrijheid, uitgelatenheid, een zekere wildheid, ja zelfs boosaardigheid en een groote moed zijn hun allen eigen. Dapper verweren zij zich door schoppen en bijten tegen Roofdieren. De Hyenas laten hen wijselijk met vrede. Waarschijnlijk is de machtige Leeuw in staat een Tijgerpaard te overmeesteren; de vermetele Luipaard valt waarschijnlijk alleen de zwakste exemplaren aan. Ook de Tijgerpaarden hebben tot ergsten vijand de mensch. De moeielijkheid van de jacht en het fraaie vel, dat op velerlei wijze gebruikt wordt, lokken den jager aan tot het vervolgen van dit wild, dat over ’t geheel genomen onschadelijk genoemd mag worden. De Europeaan doodt het met den kogel, de inboorling met de werpspeer; nog vaker echter worden deze dieren in valkuilen gevangen en daarna met geringe moeite gedood of voor de gevangenschap bestemd.

Ten onrechte werden de Tijgerpaarden vroeger voor ontembaar gehouden. Vele pogingen tot het temmen van deze prachtige dieren hebben blijkbaar niet op de juiste wijze plaats gehad, of zijn niet lang genoeg voortgezet. Enkele gelukten, anderen leidden niet tot de gewenschte uitkomst. Meermalen zijn reeds Quaggas voor het trekken van rijtuigen of voor het dragen van lasten afgericht; in Engeland had men een paar van deze fraaie dieren zoo ver gebracht, dat men ze voor een lichten wagen spannen en evenals met Paarden met hen rondrijden kon. Andere berichten maken melding van mislukte africhtingsproeven. Sparrmann verhaalt, dat een rijke kolonist aan de Kaap, die eenige jong gevangene Zebras had laten opfokken en over hun opvoeding tevreden scheen te zijn, eens op het denkbeeld kwam deze nieuwmodische koetspaarden voor den wagen te spannen. Hij nam zelf de teugels ter hand en reed met zijne harddravers weg. De rit had zeer schielijk plaats, want kort daarna bevond de gelukkige eigenaar zich weer in den gewonen stal zijner dieren en had zijn vernielden wagen naast zich.

Deze en dergelijke ervaringen hebben de Kapenaars tot de meening gebracht, dat het temmen van de Tijgerpaarden niet mogelijk is; vele deskundigen twijfelen er echter niet aan, dat mettertijd ook de bonte paarden den mensch dienstbaar zullen zijn. Barrow beweert, dat de goede uitslag zeker is, wanneer men met meer omzichtigheid en geduld handelt dan de Hollandsche Afrikaanders deden.

Alle Tijgerpaarden verdragen zonder bezwaar de gevangenschap in Europa. Als zij goed gevoederd en ook overigens goed behandeld worden, blijven zij niet slechts gezond, maar planten zich ook voort, zelfs wanneer zij in een beperkte ruimte opgesloten zijn. Het is gebleken, dat de Tijgerpaarden niet alleen onderling, maar ook met andere Eénhoevigen gekruist kunnen worden. Tot dusver heeft men reeds hybriden verkregen na paring van een Zebra-hengst met een Ezelin, van een Ezel-hengst met een Zebra-merrie, van een Dziggetai-hengst met een Zebra-merrie, van een Dziggetai-hengst met een Quagga-merrie, van een Dziggetai-hengst met een Ezelin, van een hengst, die een bastaard van een Zebra-hengst en een Ezel was, met een Pony-merrie, van een hengst door kruising van een Ezel met een Zebra-merrie ontstaan met een Pony-merrie. De beide laatstgenoemde gevallen leveren nieuwe bewijzen voor de vruchtbaarheid van bastaarden.


Als naaste verwanten van de Paarden in de hedendaagsche dierenwereld mag men de Tapirs (Tapiridae) beschouwen, een familie van betrekkelijk kleine, plomp gebouwde dieren, welke zich onderscheiden door een goed gevormden romp met langwerpigen, schralen kop, slanken hals, een kort staartstompje en middelmatig hooge, krachtige pooten. De overeind staande ooren zijn kort en tamelijk breed, de scheef geplaatste oogen daarentegen klein. De bovenlip is bij wijze van een slurf verlengd en hangt ver over de onderlip naar beneden. De pooten zijn krachtig; de voorpooten hebben vier, de achterpooten drie teenen. Het stevige vel ligt overal glad tegen de overige lichaamsdeelen aan. De beharing is kort, maar dicht, bij de Amerikaansche soorten van het midden van den kop tot aan het kruis bij wijze van manen verlengd. Het gebit bestaat uit drie snijtanden en één hoektand in iedere kaakhelft met 7 maaltanden in iedere helft van de bovenkaak en 6 in iedere onderkaakshelft. Het geraamte onderscheidt zich door den betrekkelijke slanken vorm der beenderen.

Van de 3 of 4, voor ’t meerendeel in Amerika levende soorten dezer familie is minstens één ons reeds sedert langen tijd bekend, terwijl de overige soorten eerst in den laatsten tijd ontdekt, beschreven en onderscheiden werden. Wel is het opmerkelijk, dat de Amerikaansche Tapir het eerst in de wetenschappelijke werken werd opgenomen, en dat, ondanks het levendige verkeer met Indië en Zuid-Azië, de eerste betrouwbare berichten over den Indischen Tapir niet vóór het begin van deze eeuw (n.l. in 1819, door bemiddeling van Cuvier) tot ons zijn gekomen. Bekend was dit dier reeds lang vóór dien tijd, maar niet aan ons, wel aan de Chinezen, welker leer- en schoolboeken reeds sinds lang van deze soort melding maakten. Bij de Tapirs merkt men hetzelfde verschijnsel op als bij andere familiën, die zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld vertegenwoordigd zijn, n.l. dat de soorten van de Oude Wereld edeler van vorm, men zou kunnen zeggen volkomener zijn dan die, welke in de Nieuwe Wereld leven.

De Indische Tapir of Schabrak-Tapir (Tapirus indicus) onderscheidt zich van zijne verwanten door aanzienlijker grootte en door zijn betrekkelijk slanken lichaamsbouw; van den kop is het aangezichtsgedeelte dunner, de schedel meer gewelfd; de slurf is forscher en langer, de pooten zijn krachtiger, de manen ontbreken, ook de kleur is anders. Vooral de bouw van de slurf is, naar het mij voorkomt, belangrijk voor het herkennen van dit dier. Terwijl deze bij de Amerikaansche Tapirs duidelijk te onderscheiden is van den snuit en door zijn afgeronden vorm op een buis gelijkt, gaat de bovenste helft van den snuit bij den Schabrak-tapir onmerkbaar in de slurf over en gelijkt deze op de dwarse doorsnede veel op de slurf van den Olifant; zij is n.l. aan de bovenzijde afgerond, aan de onderzijde recht afgesneden.

Zeer eigenaardig is de kleur van het hoogst gelijkmatige haarkleed. Bij de zuiver donkerzwarte grondkleur steekt de grijsachtig witte, duidelijk begrensde schabrak sterk af. Volgens nauwkeurige metingen aan een volwassen wijfje bedroeg de totale lengte 2.5 M. met inbegrip van het 8 cM. lange staartstompje, bij 1 M. schouder- en 1.05 M. kruishoogte. Het verbreidingsgebied van dit dier begint op ongeveer 15° N.B. en strekt zich van hier zuidwaarts uit over Tenasserim en Siam, het Maleische Schiereiland, Sumatra en Borneo.

In 1820 kwamen voor ’t eerst een huid, een geraamte en verscheidene ingewanden van het tot aan dien tijd nog slechts zeer onvolledig bekende dier in Europa aan. Sedert dien tijd is onze bekendheid met den Schabrak-tapir aanmerkelijk toegenomen, maar toch ontbreekt er nog steeds veel aan. Van zijn leven in de vrije natuur weten wij nog niets; ook de waarnemingen over het leven van dit dier in de gevangenschap vereischen in vele opzichten nog aanvulling. Sterndale noemt het schuw en zegt dat het een verborgen leven leidt, maar dat het, jong gevangen, goed getemd kan worden en zeer gehecht wordt aan zijn verzorger.

Korte manen in den nek en een effen haarkleed kenmerken den Gewonen Amerikaanschen Tapir, die in Brazilië Anta of Danta wordt genoemd (Tapiris terrestris). Met deze soort is men het vroegst bekend geworden. De reizigers spraken reeds weinige jaren na de ontdekking van Amerika over een daar levend, groot dier, dat zij voor een Nijlpaard hielden en daarom Hippopotamus terrestris noemden. Een uitvoerige beschrijving, waaraan een afbeelding is toegevoegd, werd er eerst omstreeks het midden van de 18e eeuw van gegeven door den zeer verdienstelijken Georg Marcgrav. Deze eerste beschrijving werd later door verschillende reizigers en onderzoekers aangevuld, zoodat wij tegenwoordig over weinige groote dieren beter onderricht zijn dan juist over dezen Tapir. De romp is bedekt met een tamelijk gelijkmatig haarkleed, dat alleen van ’t midden van den bovenkop langs den nek tot aan de schouders stijve manen vormt, die echter niet bijzonder lang worden. De kleur hiervan is zwartachtig grijsbruin, aan de zijden van den kop, vooral echter aan den hals en aan de borst, iets lichter; de voeten en de staart, de middellijn van den rug en van den kop zijn gewoonlijk donkerder van kleur; de ooren zijn witachtig grijs gezoomd. Verscheidene afwijkingen komen voor: er zijn vale, grijze, geelachtige en bruinachtige exemplaren. Bij de jonge dieren vertoont alleen de rug de grondkleur van de oude; de bovenzijde van den kop is bij hen dicht bezet met witte, kringvormige vlekken; langs iedere zijde van den romp loopen vier onafgebroken reeksen van punten van lichtere kleur, die zich ook over de ledematen uitstrekken. Met toenemenden leeftijd verlengen deze vlekken zich tot strepen en na het einde van het tweede jaar verdwijnen zij geheel. Volgens de metingen van Tschudi kan de Tapir wel 2 M. lang en 1.7 M. hoog worden, volgens Kappler bedraagt zijn schouderhoogte bij deze lengte ternauwernood 1 M. Opmerkelijk is het, dat deze maximale afmetingen niet voorkomen bij mannetjes, maar bij wijfjes, en dat deze in den regel de grootste zijn.

Anta (Tapirus terrestris) 1/16 v.d. ware grootte.

Anta (Tapirus terrestris) 1/16 v.d. ware grootte.

Volgens de nieuwste onderzoekingen schijnt het vaderland van den Tapir beperkt te zijn tot het zuiden en oosten van Zuid-Amerika, en wordt hij in ’t noorden en westen van dit faunistisch rijk vervangen door zeer na verwante, maar duidelijk verschillende soorten en wel in de hooge gedeelten van den Andes-keten van Bogota tot Quito door den Bergtapir (Tapirus pinchacus), in Centraal-Amerika door Baird’s Tapir (Tapirus Bairdii).

Om een levensbeschrijving van de Tapirs te geven, staan ons nagenoeg geen andere hulpbronnen ten dienste dan de mededeelingen van Azara, Rengger, den Prins von Wied, Tschudi, Schomburgk en anderen over de Amerikaansche soorten, want over de levenswijze van den Schabrak-tapir bezitten wij geen uitvoerige berichten. Alle soorten gelijken trouwens zooveel op elkander, dat het voldoende is van één hunner den handel en den wandel na te gaan.

Alle Tapirs houden zich op in het woud en vermijden angstvallig de niet met boomen bezette gedeelten. Door den voorwaarts dringenden mensch worden zij teruggedrongen; zij nemen de wijk naar dieper gelegen deelen van de wouden, terwijl, volgens Hensel, de overige dieren van de Zuid-Amerikaansche keerkringslanden zich in omgekeerde richting naar de ontgonnen gedeelten van het woud begeven. In de wildernissen van de Zuid-Amerikaansche oerwouden loopen de Tapirs regelmatige paden uit, die moeielijk onderscheiden kunnen worden van de wegen der Indianen en den onervaren reiziger licht verleiden tot het volgen van een verkeerde richting. De dieren maken van deze wildpaden gebruik, zoo lang zij niet gestoord worden; wanneer de angst hen bevangt, banen zij zich zonder eenige merkbare inspanning een weg door het meest verwarde mengelmoes van takken, slingerplanten en struiken.

De Tapirs gaan bij voorkeur gedurende de schemering hun voedsel zoeken. “Wij hebben,” zegt Tschudi, “de dichte oerwouden, waarin een groot aantal Tapirs leven, maanden lang doorkruist, zonder er in den loop van den dag ooit een te ontmoeten. Naar het schijnt, houden zij zich dan uitsluitend op in het dichte struikgewas op koele, schaduwrijke plaatsen, bij voorkeur in de nabijheid van stilstaand water, waarin zij zich gaarne wentelen.” In zeer donkere wouden, waar zij in ’t geheel niet verontrust worden, zwerven zij echter ook over dag rond. In den zonneschijn bewegen zij zich hoogst ongaarne en gedurende de eigenlijke middaguren zoeken zij steeds op de meest beschaduwde plaatsen van het woud zich te vrijwaren tegen de verslappende hitte en nog meer tegen de Muggen, waarvan zij zeer veel te lijden hebben. “Wanneer men,” zegt de Prins von Wied, “in den vroegen morgen of des avonds zachtjes en zonder gedruisch te maken de rivieren bevaart, krijgt men dikwijls Tapirs te zien, die zich baden om zich te verfrisschen of voor de steken van Muggen en Vliegen te beveiligen. Werkelijk verstaat geen enkel dier beter de kunst om zich deze lastige gasten van ’t lijf te houden: elke modderpoel, iedere beek of vijver wordt met dit doel door den Tapir opgezocht en gebruikt. Wanneer dit dier geschoten wordt, vindt men daarom zijn huid met aarde en slijk bedekt.” Tegen den avond gaan de Tapirs hun voedsel zoeken: waarschijnlijk zijn zij des nachts voortdurend in beweging. Hun levenswijze gelijkt wel eenigszins op die van ons Wild Zwijn; zij vereenigen zich echter niet tot zulke groote benden als de dieren van deze soort, maar leven meer afzonderlijk op de wijze van de Neushoorndieren. Vooral de mannetjes leven, naar men zegt, in afzondering en zoeken alleen in den paartijd de wijfjes op. Hoogst zelden treft men familiën aan, en gezelschappen van meer dan drie individuën werden tot dusver alleen op buitengewoon goede, vette weiden gevonden.

De bewegingen van de Tapirs herinneren aan die van de Zwijnen. Hun gang is langzaam en voorzichtig; de eene poot wordt bedachtzaam voor de andere gezet, de kop intusschen naar den grond gebogen; de snuffelende slurf, die onophoudelijk heen en weer gedraaid wordt en de ooren, die voortdurend in beweging zijn, brengen leven in de overigens zeer traag schijnende gestalte. De Tapir is een voortreffelijke zwemmer en een nog beter duiker, die zonder aarzeling over de breedste rivieren zwemt, niet alleen als hij vlucht, maar bij iedere gelegenheid.

De voortreffelijkste zinnen van den Tapir, de reuk en het gehoor, staan waarschijnlijk op denzelfden trap van ontwikkeling; het gezicht is zwak. De slurf is een zeer gevoelig tastwerktuig, en wordt voor dit doel veelvuldig gebruikt.

De stem is een eigenaardig, schril gefluit, dat in ’t geheel niet geëvenredigd is aan de grootte van het dier.

Alle Tapirs zijn, naar het schijnt, goedhartige, vreesachtige en vreedzame dieren, die alleen in den hoogsten nood van hunne wapens gebruik maken. Zij vluchten voor iederen vijand, zelfs voor het kleinste hondje; het bangst zijn zij echter voor den mensch, wiens overmacht zij wel hebben ingezien. Dit blijkt reeds hieruit, dat zij in de nabijheid van plantages veel voorzichtiger en schuwer zijn dan in het onbetreden woud. Op dezen regel zijn echter uitzonderingen. In sommige omstandigheden stellen zij zich te weer, en zijn dan tegenstanders, waarmede rekening gehouden dient te worden. Door woede verblind vallen zij hun vijand aan, en trachten hem omver te loopen; ook gebruiken zij hunne tanden wel op de wijze van onze Wilde Zwijnen. Zoo handelen de moeders, wanneer zij hunne jongen verdedigen, die door de jagers bedreigd worden. Zij stellen zich dan zonder aarzeling aan gevaar bloot. Wie gedurende langen tijd gevangen Tapirs heeft nagegaan, komt tot de overtuiging, dat zij, wat hunne geestesgaven betreft, hooger staan dan het Neushoorndier en het Nijlpaard, en ongeveer met het Zwijn op een lijn gesteld moeten worden. “Een jong gevangen Tapir,” zegt Rengger, “geraakt na een gevangenschap van slechts weinige dagen zoozeer aan den mensch en diens woning gewend, dat hij ze niet meer verlaat. Hij wordt onrustig, als zijn oppasser lang achtereen wegblijft, en zoekt hem, als hij hiertoe in de gelegenheid is, overal op. Door iedereen laat hij zich trouwens aanraken en liefkoozen. Kappler, die dikwijls jonge Tapirs heeft opgevoed, verhaalt, dat hij ze steeds na verloop van korten tijd weggaf, omdat zij door hun te groote gemeenzaamheid zeer lastig werden; een volwassen dier trok eens van een gedekte tafel het laken met al wat er op stond, naar beneden.—De door mij verzorgde gevangenen hebben deze waarnemingen bevestigd. Zoowel de Indische als de Amerikaansche Tapir waren hoogst goedaardige dieren. Zij waren volkomen tam, vreedzaam gezind tegen ieder dier, en toonden genegenheid aan bekenden.—Keller Leuzinger is van oordeel, dat de Anta een huisdier zou kunnen worden. Volgens hem worden jong gevangen dieren reeds na weinige dagen zoo tam als Honden, en denken in ’t geheel niet meer aan ontvluchten. “In Curitiba, hoofdstad van de provincie Parana,” verhaalt onze zegsman, “liep een tamme Tapir, die aan niemand toebehoorde, verscheidene jaren achtereen in de straten rond, en werd van ’s morgens tot ’s avonds door de negerjongens bereden. Een temperatuur van 2 à 3 graden onder het vriespunt, die daar in Juni en Juli niet tot de zeldzaamheden behoort, schenen hem weinig te hinderen.”

De in vrijheid levende Tapirs voeden zich slechts met planten, en hoofdzakelijk met boombladen. In Brazilië geven zij de voorkeur aan jonge palmbladen, niet zelden echter doen zij strooptochten in de plantages en toonen dan, dat suikerriet, mango, meloenen en allerlei groenten ook van hun gading zijn.

Alle soorten van Tapirs worden door den mensch ijverig vervolgd, omdat men hun vleesch en hun vel gebruikt. Het vleesch wordt geroemd als malsch, sappig en smakelijk; de dikke huid wordt gelooid en in lange riemen gesneden, die, na afgerond en door herhaalde inwrijving met gesmolten vet lenig gemaakt te zijn, als zweepkoorden of teugels gebruikt worden.

Men jaagt den Tapir in Amerika gewoonlijk met behulp van Honden, die het vluchtende dier fel vervolgen, tot het, wat geregeld geschiedt, naar het naast bij gelegen water ijlt. Hier echter loert, in een licht schuitje aan den oever verborgen, de jager, die nu met de Honden het zwemmende en duikende wild vervolgt. Het wordt, indien de watervlakte niet te klein is, weldra door zijne vervolgers ingehaald en met een kogel of ook wel met het lange jachtmes afgemaakt. Zeer duidelijk beschrijft Von der Steinen een Tapirjacht, door hem bijgewoond gedurende zijn vaart op den Xingoe: “Valentin ontdekt een dicht bij den oever zwemmen den Tapir; allen haastten zich om aan de jacht deel te nemen. Irineo treft hem met twee kogels de eene in de flanken, de andere in de slurf, Valentin zendt hem een lading hagel om de ooren—hij ontsnapt in het woud. De Honden vervolgen hem en wij roeien zoo hard wij kunnen; op nieuw gevuurd, nogmaals ontsnapping in het struikgewas. De Honden kijken onnoozel in het water en weten niet wat zij doen zullen; de kleine Spits vindt echter het spoor en volgt dit, de andere Honden komen hem te hulp. Daar ginds op een afstand van ½ KM., is de Tapir al weer te water gegaan; wij hem zoo snel mogelijk achterna in een onbeschrijfelijke verwarring; hij komt boven en duikt weer onder; Pedro mist hem op 5 pas en schiet een pijl op hem af, die terugspringt; Merelles schiet ook dicht bij het dier langs; een ander raakt het; de booten varen bijna over elkander heen; wij trachten het wild te grijpen; onze boot slaat bijna om en schept water; de Tapir wordt met messen gestoken; de Yuruna treft hem met een pijl, en schreeuwt, opgewonden met de armen zwaaiend, dat men hem met den lasso moest vangen; Antonio’s mes doet een bloedstraal uit het dier stroomen—nogmaals zwemt het onder water door; maar, tusschen twee booten bovenkomend, wordt het bij een poot gepakt, gedood en naar een nabijgelegen rots gesleept. Het is een groot exemplaar, wel zoo groot als een Muildier; in zijn haar krioelt het van bruine tieken. Fraai zien de korte, stijfharige manen er uit, gelijk aan die der Grieksche godenpaarden.”

Waarschijnlijk hebben de Tapirs nog gevaarlijker vijanden dan de menschen in de groote soorten van Katten, die hetzelfde gebied bewonen. Dat de Amerikaansche Tapirsoorten fel vervolgd worden door den Jagoear, wordt door alle reizigers verzekerd; men mag wel aannemen, dat Schabrak-Tapir denzelfden last ondervindt van den Tijger.


Hoewel reeds bij uitwendige beschouwing en vergelijking van de Paarden, Tapirs en Neushoorndieren eenige van de overeenstemmende kenmerken waargenomen worden, die aanleiding hebben gegeven tot de samenvoeging van deze dieren in één zelfde orde, is het toch noodig ook de laatstgenoemde dieren te ontleden om hun verwantschap duidelijk aan te toonen.

De Neushoorndieren (Rhinocerotidae) zijn plomp gebouwde, logge dieren van tamelijk aanzienlijke grootte; zij onderscheiden zich door hun in ’t oog loopend grooten kop, welks aangezichtsgedeelte van voren één hoorn (of twee achter elkander geplaatste hoornen) draagt; zij hebben een korten hals, een krachtigen romp, gehuld in een op een pantser gelijkende huid en nagenoeg geheel of grootendeels onbehaard, een korte staart en korte, zware, maar toch geenszins plompe pooten, welker voorvoeten en achtervoeten ieder drie teenen hebben, waarvan het eindlid door een hoef omsloten is. Ieder deel van ’t lichaam heeft, zelfs wanneer men het met het overeenkomstige deel van andere Neushoorndieren vergelijkt, een eigenaardig en vreemdsoortig voorkomen. De kop is zeer langwerpig; vooral het aangezicht is buitengewoon verlengd; het schedelgedeelte daarentegen van voren naar achteren sterk samengedrukt, zoodat het voorhoofd een zeer steile helling verkrijgt; tusschen het voorhoofd en het merkbaar verhevene neusgedeelte ontstaat hierdoor een in ’t midden diep uitgeholde, zadelvormige inzinking; de mondopening is in verhouding tot den kop zeer klein, het middelste deel van de bovenlip tot een vinger- of slurfvormig uitsteeksel verlengd, de onderlip afgerond of van voren recht afgesneden; het oog opmerkelijk klein, het niet ongewoon gevormde oor eerder groot dan klein, zijn buitenrand afgerond. De korte, steeds geplooide hals is dikker dan de kop en gaat zonder merkbare scheiding in den kolossalen romp over; deze onderscheidt zich zoowel door de scherpe, in ’t midden uitgeholde ruglijn en den over zijn geheele lengte afgeronden en hangenden buik, als doordat hij iets hooger is in de schouders dan in het kruis; de korte staart is bij sommige naar de spits toe zijdelings sterk samengedrukt en dan tot aan het einde bijna gelijk van breedte, bij andere gestrekt kegelvormig. De pooten krommen zich als die van een Dashond van buiten naar binnen; alleen het deel, dat onder het polsgewricht en spronggewricht ligt, is recht en verticaal geplaatst; dit deel verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den bodem bereikt, waarop het met de eivormige zool rust; de middelste van elk drietal hoeven is ongeveer dubbel zoo breed als elk der beide zijdelingsche. De steeds zeer dikke huid, die bij de meeste soorten op een pantser gelijkt, sluit bij sommige glad tegen het lichaam aan, met uitzondering van eenige weinige, niet sterk verheven plooien. Bij andere soorten bestaat zij uit verscheidene schilden, die door diepe plooien duidelijk gescheiden zijn en alleen door deze plooien een zekere bewegelijkheid verkrijgen, omdat hunne randen over elkander geschoven kunnen worden, daar waar zij verbonden zijn door de dunnere, buigzame huid, die de groeven bekleedt. Diepe rimpels omgeven de oogen en den mond en verschaffen aan de plompe, maar betrekkelijk zeer beweeglijke lippen een onverwachte lenigheid. Fijnere groeven kruisen elkander op de huid en voorzien haar met een netvormige teekening, welker mazen knobbelvormige verhevenheden van zeer regelmatige gedaante insluiten; deze vormen op de huid, vooral op de schilden, een even vreemdsoortige als bevallige versiering. De beharing bepaalt zich tot een meer of minder langen zoom om de ooren en om de platgedrukte staartspits; bij enkele soorten ook eenige plekken op den rug behaard. De hoornen, die, evenals de haren, opperhuidsvormingen zijn, bestaan uit evenwijdig loopende, uiterst fijne, ronde of kantige, van binnen holle vezels van hoornstof: zij rusten met hun breede, rondachtige grondvlakte op de dikke huid, die het aangezicht bekleedt. Niet zelden, hoewel altijd slechts bij enkele exemplaren, vertoont de opperhuid op verschillende plaatsen, het meest echter aan den kop, hoornachtige woekeringen, die een hoogte van verscheidene centimeters kunnen bereiken.

Plompheid van vorm en krachtige ontwikkeling kenmerken de beenderen. De breede en forsche neusbeenderen, die de neusholte bedekken, en door een dik neusmiddelschot gesteund worden, welks voorste gedeelte, evenals bij de andere Zoogdieren, kraakbeenig is, zijn oneffen, ruw en knobbelig daar, waar de hoorn er op rust, en wel des te meer, naarmate de hoorn grooter is. Aan het gebit ontbreken de hoektanden; bij de Afrikaansche soorten vallen de vier in elke kaak voorkomende snijtanden reeds op zeer jeugdigen leeftijd uit, terwijl er bij de Aziatische soorten gedurende het geheele leven vier in de onderkaak en twee in de bovenkaak aanwezig blijven. Voor ’t overige bestaat het gebit uit zeven maaltanden in elke kaakhelft.

De Neushoorndieren bewonen tegenwoordig alleen het Oostersche en het Ethiopische faunistische rijk; zij hadden in den vóórtijd een veel uitgestrekter verbreidingsgebied. Dat van de beide uitgestorven, tweehoornige soorten, die met de namen Rhinoceros antiquitatis (R. tichorhinus) en Rhinoceros Merckii (R. leptorhinus) aangeduid worden, omvatte gedurende den ijstijd en het hieraan voorafgaande praeglaciale tijdvak geheel Noord- en Centraal-Azië met inbegrip van Siberië en China, bovendien Noord- en Midden-Europa. Bij beide was het neusmiddelschot ook van voren verbeend. Hierdoor verkreeg de voorste en grootste van de beide hoornen steun; de achterste rustte op het voorhoofdsbeen. Van beide soorten zijn volledige lijken met huid, haren en goed geconserveerde weeke deelen gevonden in den bevroren bodem van de moerassige landstreek, die den mond van den Jeniseï van dien van den Lena scheidt. In het St. Petersburger Museum worden deelen van deze merkwaardige lijken bewaard, welke bewijzen, dat de Neushoorndieren van den IJstijd met een dicht, wollig haarkleed bedekt waren en dat hun huid de eigenaardige plooien van de thans levende, tropische vormen miste. In Noord-Azië, van den Ob tot aan de Beringstraat is er geen rivier in het vlakke land, aan welks oevers geen beenderen van voorwereldlijke dieren vooral van Olifanten, Buffels en Neushoorndieren gevonden worden.

Onze kennis van de hedendaagsche soorten is in den laatsten tijd aanmerkelijk uitgebreid, maar laat in sommige opzichten nog veel te wenschen over. Flower heeft in het jaar 1876 deze familie op nieuw bewerkt. Naar het gebit en de huidplooien onderscheidt de genoemde onderzoeker drie hoofdgroepen van Neushoorndieren. Tot de eerste rekent hij alle soorten met in schilden verdeelde, tot de tweede die met minder geplooide huid, tot de derde de soorten zonder blijvende huidplooien.

*

Blijvende snijtanden (zie boven), één hoorn en goed ontwikkelde hals- en lendenplooien, die met de overige huidplooien schildvormige velden omgeven, en de als harnas dienende huid in pantserplaten verdeelen, kenmerken de Gepantserde Neushoorndieren (Rhinoceros), vertegenwoordigd door twee welbekende, levende soorten.

De Indische Neushoorn (Rhinoceros unicornis) bereikt, met inbegrip van den 60 cM. langen staart, een lengte van 3.75 M. een schouderhoogte van 1.7 M. en een gewicht van omstreeks 2000 KG. De hoorn wordt 60 à 65 cM. lang. Zeer krachtig en plomp gebouwd, onderscheidt dit dier zich van zijne verwanten door den betrekkelijk korten, breeden en dikken kop en de eigenaardige begrenzing der huidschilden. Het bewoont thans nog het noordelijk deel van Indië en het Zuiden van China.

De andere soort van het ondergeslacht is de Wara, de Javaansche Neushoorn der Europeesche handelaars (Rhinoceros sondaicus), die echter niet tot Java beperkt is, maar een uitgestrekter verbreidingsgebied heeft dan de vorige soort, daar hij ook in Achter-Indië (n.l. in Birma, Pegoe en Tenasserim) voorkomt. De huidplooien zijn hier zeer diep, maar de door haar begrensde velden hebben een anderen vorm dan bij de vorige soort; korte, zwarte borstels komen verspreid over het geheele lichaam voor. Evenals de Indische Neushoorn is ook de Javaansche vuil bruingrijs van kleur. Zijn hoorn wordt hoogstens 25 cM. lang. De lichaamslengte bedraagt, met inbegrip van den 50 cM. langen staart, 3 M., terwijl de schouders 1.4 M. hoog zijn.

*

De Half-gepantserde Neushoorndieren (Ceratorhinus) hebben onvolledig ontwikkelde hals- en lendenplooien, die de huid wel in gordels, maar niet in schilden verdeelen. Zij hebben twee achter elkander geplaatste, betrekkelijk korte hoornen en komen, wat hun gebit betreft, met de dieren der vorige groep overeen.

De eenige vertegenwoordiger van dit ondergeslacht is de Badak of Sumatraansche Neushoorn (Rhinoceros sumatranus), de kleinste van de tot dusver genoemde, daar zijn lichaamslenge, met inbegrip van 55 cM. langen staart, 3.35 M. bedraagt, bij een schouderhoogte van 1,5 M.; de voorste hoorn is 25, de achterste 12 cM. lang. De huid is verspreid borstelig behaard en grijsbruin van kleur.

*

Het volkomen ontwikkelde gebit van de Afrikaansche Neushoorndieren, die het derde ondergeslacht (Atelodus) vormen, is gekenmerkt door het ontbreken van alle snijtanden. De gladde, gelijkvormige en onbehaarde huid is alleen op de verbindingsplaats van hals en romp duidelijk geplooid en zoomin in schilden als in gordels verdeeld. Deze dieren zijn met twee slanke, achter elkaar geplaatste hoornen gewapend.

De meest bekende vertegenwoordiger van het ondergeslacht is de Zwarte Neushoorn der Zuid-Afrikaansche Boeren en Engelsche jagers, die door de inboorlingen van Zuid-Afrika Borele en, als de achterste hoorn zeer lang is, Keitloa genoemd wordt (Rhinoceros bicornis). Zijn kleur wisselt af tusschen donker leikleurig grijs, dat de overhand heeft en vuil roodbruin. Geheel volwassen mannetjes hebben, met inbegrip van den ongeveer 60 cM. langen staart, een totale lengte van 4 M., bij 1,4 M. schouderhoogte. De meer of minder sterk achterwaarts gebogen hoornen zijn 70 à 80 cM. lang. Slechts bij uitzondering is de achterste hoorn nagenoeg even lang of iets langer dan de voorste; bij de meeste exemplaren bereikt hij niet de helft van de lengte van den voorsten; dikwijls is hij slechts een kort stompje.

Zwarte Neushoorn (Rhinoceros bicornis). 1/20 v.d. ware grootte.

Zwarte Neushoorn (Rhinoceros bicornis). 1/20 v.d. ware grootte.

Het verbreidingsgebied van dit dier is vooral van ’t zuiden af aanmerkelijk ingekrompen, maar is nog steeds zeer uitgestrekt, daar het een groot deel van Afrika omvat en wel voornamelijk de oostelijke helft, ongeveer van 15° N.B. tot aan de zuidkust.

De grootste soort van de geheele familie is die, welke door de Hollandsch sprekende bewoner van Zuid-Afrika Witte Neushoorn, door de inboorlingen Monoehoe, Kobâba of Tsjikori (Rhinoceros simus) wordt genoemd. Met inbegrip van den 60 cM. langen staart heeft hij een lengte van ruim 5 M. Bijna ⅓ van deze lengte komt op den kop, die twee hoornen draagt, waarvan de voorste een lengte van 1 M. heeft en in den regel zwak naar voren gebogen is, de achterste daarentegen klein blijft. Grootendeels is zijn kleur lichtgeel à lichtgrijs of bleekgrijsbruin, op de schouders en dijen en het onderlijf iets donkerder. Aan den buitengewoon langen kop is opmerkelijk de stompe snuit; hieraan ontbreekt het slurfvormige uitsteeksel, dat bij de overige leden der familie aan de bovenlip voorkomt; hij gelijkt hierdoor op den snuit van een Rund. Dit dier bewoont de zuidelijke helft van Afrika.

De ouden hebben den Neushoorn zeer goed gekend. Volgens Plinius bracht Pompejus, behalve den Los uit Gallië en den Baviaan uit Ethiopië, het eerste Eénhoornige Neushoorndier in het jaar 61 voor Chr. naar de kampspelen te Rome. De eerste schrijver, die van dit dier melding maakt, is Agatharchides; op hem volgt Strabo, die te Alexandrië een Neushoorn gezien heeft. Pausanias noemt hem het “Ethiopische Rund”. Martialis wijdt aan beide soorten eenige dichtregelen. Van den Eénhoornigen zegt hij:

“Op de ruime vlakte, o Caesar, voert de Neushoorn

Kampstrijden uit, zooals nimmer nog gezien zijn.

Hoe stormde in grimmige woede ontstoken het ondier nader!

Hoe machtig door zijn hoorn, waarvoor slechts een bal was de Stier!

Van den Tweehoornigen Neushoorn wordt gezegd:

“Terwijl de mannen trachtten den Neushoorn ten strijde te prikkelen,

Den verkropten toorn van den reus langzaam deden zwellen,

Verloor het volk door het lange wachten de hoop op den strijd,

Maar de gewone woede keert dra in het monster terug;

Met den dubbelen hoorn heft hij den geweldigen Beer op,

Zooals de Stier de stroopoppen tot de sterren omhoog werpt.”

De Arabische schrijvers hebben de beide soorten reeds zeer vroeg genoemd en den Indischen Neushoorn van den Afrikaanschen onderscheiden; in hunne sprookjes komen beide niet zelden als bovennatuurlijke wezens voor. Marco Polo, de bekende reiziger, wiens geschriften voor de dierkunde zoo belangrijk zijn, is de eerste, die, na een langdurig tijdvak, waaruit geen berichten over den Neushoorn tot ons gekomen zijn, het stilzwijgen verbreekt. Hij had het in de 13e eeuw op zijn reis door Indië, en wel op Sumatra, weder gezien. In het jaar 1513 kreeg de koning van Portugal uit Oost-Indië een levenden Neushoorn. De mare van het bestaan van dit vreemdsoortige dier verbreidde zich over alle landen. Albrecht Dürer gaf een houtsnee in ’t licht, die hij naar een slechte, uit Lissabon afkomstige afbeelding gemaakt had. Hierop is het dier voorgesteld, alsof het met schabrakken bedekt en met pantserschubben aan de voeten bekleed is; ook draagt het een kleinen hoorn op den schouder. Bijna 200 jaren lang was deze houtsnede van den beroemden graveur de eenige afbeelding, die men van het Neushoorndier had. Eerst door Chardin, die te Ispahan een Neushoorndier zag, werd in ’t begin van de vorige eeuw een betere afbeelding gegeven. Een betere levensbeschrijving gaf Bontius reeds omstreeks het midden van de 17e eeuw.

Over ’t geheel genomen komen alle Neushoorndieren in levenswijze, aard, eigenschappen, bewegings- en voedingswijze met elkander overeen, hoewel van iedere soort eigenaardigheden bericht worden. Onder de Aziatische soorten b.v. staat het Indische Neushoorndier als een buitengewoon boosaardig dier bekend; het Javaansche wordt veel goedaardiger genoemd en het Sumatraansche is dit, volgens de beschrijvingen, in nog hoogere mate. Een soortgelijk verschil merkt men tusschen de Afrikaansche soorten op. Het zwarte Neushoorndier wordt, ondanks zijn betrekkelijk geringe grootte, als het kwaadaardigste van alle Afrikaansche dieren beschouwd, terwijl de Witte Neushoorn geheel onschadelijk heet te zijn. Eenige grond zal er wel bestaan voor deze verschillende karakterschetsen; de volle waarheid zal echter wel zijn, dat iedere Neushoorn, die voor de eerste maal een mensch ontmoet, en niet getergd wordt, zich goedaardig toont, maar bewijzen geeft van boosaardigheid, wanneer onaangename ervaringen zijn verstand gescherpt en hem vertoornd hebben.

De Neushoorndieren bewonen bij voorkeur een zeer waterrijk gebied; moerassige gewesten, rivieren, die ver buiten hunne oevers treden, meren met slijkerige, door struikgewas omgeven oevers, in welker nabijheid zich grasrijke weidegronden bevinden, bosschen, die door beken doorsneden zijn en dergelijke plaatsen. De Afrikaansche soorten gedijen echter ook zeer goed in gewesten, die rijk aan gras en struiken, maar bijzonder droog zijn, wanneer zij hier op niet te grooten afstand poelen aantreffen. Voor zulke zware, zoo goed gepantserde dieren opent zelfs de meest verwarde wildernis hare voor andere dieren ontoegankelijke verborgenheden; zelfs de vreeselijkste doornen zijn buiten machte den Rhinoceros te keeren. Om deze reden ontmoet men de meeste soorten bijzonder veelvuldig in bosschen, reeds bij het zeestrand, sommige echter in hooge gewesten nog regelmatiger en overvloediger dan in lage. Ieder Neushoorndier bezoekt waarschijnlijk minstens éénmaal per dag het een of andere water, om hier te drinken en zich in het slijk te wentelen. Een slijkbad is een levensbehoefte voor alle op het land levende “dikhuidige” dieren; want, hoezeer ook deze naam (die vroeger op alle Onevenvingerigen, met uitzondering van de Eénhoevigen, en bovendien op de Zwijnen, Nijlpaarden en Slurfdieren werd toegepast) door den aard van hun vel gerechtvaardigd wordt, toch zijn zij zeer gevoelig voor de steken van de Vliegen, Bremzen en Muggen; tegen deze boosaardige, kleine vijanden kunnen zij zich eenigermate beschutten en zich tijdelijk rust verschaffen door zich met een dikke laag slijk te bedekken. Voordat zij uitgaan om te fourageeren, zoeken de Neushoorndieren de weeke oevers van de meren, poelen en rivieren op, en woelen een gat in den modder, waarin zij zich rondwentelen en omdraaien, totdat de rug en de schouders, de zijden en het onderlijf met slib bedekt zijn. Hoe prettig zij dit ploeteren in den modder vinden, blijkt uit hun luid geknor; zelfs verliezen zij door het hun zoo aangename bad niet zelden hun gewone waakzaamheid uit het oog.

De Neushoornen zijn meer des nachts dan over dag in de weer. Een groote hitte is hun zeer onaangenaam; zoolang deze heerscht, slapen zij op de een of andere schaduwrijke plaats, half op de zijde, half op den buik liggend; de kop is vooruitgestoken of rust op den grond; soms echter staan zij traag in een stil gedeelte van het woud, waar zij door de boomen tegen de zonnestralen beschut zijn. Volgens alle berichten slapen deze dieren zeer vast. Niet zelden is het gebeurd, dat men slapende Neushoornen zonder eenige voorzorgsmaatregelen kon naderen; zij geleken op gevoellooze rotsblokken en verroerden zich niet. Gewoonlijk is het dreunende gesnurk van den slapenden Neushoorn op een vrij grooten afstand hoorbaar, en trekt het zelfs de aandacht van hem, die het rustende dier niet ziet. Soms echter geschiedt de ademhaling zonder gedruisch, zoodat de reiziger niet gewaarschuwd werd voor de aanwezigheid van het reusachtige dier, dat hij plotseling voor zich ziet liggen.

Met het aanbreken van den nacht, in vele gewesten echter reeds in de middaguren, staat de Neushoorn op, rekt en strekt zich behaaglijk in zijn slijkbad, en gaat nu grazen. Hij zoekt voedsel in dichte, voor andere dieren ternauwernood toegankelijke wouden en in open vlakten, in het water en in de met riet begroeide moerassen, op de bergen en in het dal. In de dsjungels van Indië heeft hij lange, lijnrechte wegen gebaand, door het breken en zijwaarts buigen van alle planten, die hem in den weg stonden, en door het vasttrappen van den grond; ook in de binnenlanden van Afrika ziet men zulke paden.

Het Neushoorn dier vreet boomtakken en allerlei harde struiken, distels, brem, biezen, steppengras, enz., maar is volstrekt niet afkeerig van saprijker voedsel. Te dezen aanzien bestaat dus tusschen hem en den Olifant een soortgelijk verschil, als tusschen den Ezel en het Paard. In Afrika voedt de Zwarte Neushoorn zich hoofdzakelijk met twijgen, vooral met die van de daar zeer veelvuldig voorkomende, doornachtige Minosa’s; de Witte Neushoorn echter eet, in verband met den vorm van zijn onderlip, gras, dat in bosjes bijeen groeit. Dikwijls richten deze dieren, in streken waar akkerbouw voorkomt, groote verwoestingen aan. Bovendien vernielen en vertrappen zij daar nog veel meer dan zij opeten. Het gras wordt met den breeden muil afgeplukt; de twijgen worden afgebroken met het als hand dienend uitgroeisel van de bovenlip.—De Indische Neushoorn kan het slurfvormige verlengstuk van de bovenlip tot ongeveer 15 cM. verlengen, en hiermede een dikken bos gras omvatten, uitrukken en in den bek brengen. Het schijnt hem onverschillig te zijn, dat er nog eenige aarde aan de wortels blijft hangen. Wel slaat hij het uitgerukte bosje even tegen den grond, om het grootste deel van de aarde er af te schudden, maar daarna stopt hij het zonder eenig gemoedsbezwaar in den wijden muil, en slikt het zonder moeite door. Zeer gaarne eet hij wortels, die hij zeer goed weet op te delven. Tot tijdverdrijf, hoofdzakelijk voor zijn vermaak althans, woelt hij soms ook wel een boompje of een struik uit den grond; daartoe veegt hij met zijn kolossalen hoorn zoo lang de aarde tusschen de wortels weg, totdat hij den struik vatten en uit den grond lichten kan, waarna hij de wortels er afbreekt en deze verslindt.

De levenswijze van de Neushoorndieren heeft niet veel aantrekkelijks. Wanneer zij niet eten, slapen zij; om de overige wereld bekommeren zij zich nagenoeg niet. Zij leven niet gelijk de Olifanten in kudden bijeen, maar meestal afzonderlijk of hoogstens tot kleine troepen van 4 à 10 individuën vereenigd. Tusschen de leden van zulk een gezelschap bestaat geen nauwen band: in den regel leeft ieder voor zich en doet wat hem goeddunkt. Toch kan men niet zeggen, dat het eene dier het andere steeds met doffe onverschilligheid beschouwt; in zulk een gezelschap vindt men ook de moeder en haar kind; bovendien is de betrekking tusschen de volwassen dieren van verschillend geslacht niet zelden van zeer innigen aard en wordt misschien eerst door den dood afgebroken. Zij schijnen log van lichaam en ook log van geest; de schijn stemt hier echter niet geheel met de werkelijkheid overeen. In den regel heeft de Neushoorn een zwaren en eenigszins plompen gang; als hij liggen gaat, of zich omwentelt, doet hij dit zoo onbeholpen mogelijk; al zijne bewegingen zien er echter onbeholpener uit, dan zij zijn. Hij is niet zooals de Olifant een telganger, maar verzet de pooten overkruis, d.w.z. verplaatst tegelijkertijd een voorpoot en een achterpoot van verschillende zijden. Iedere Neushoorn zwemt nu en dan; hij blijft echter altijd aan de oppervlakte van het water en duikt alleen onder, wanneer dit strikt noodig is.

Onder de zinnen van de Neushoorndieren staat het gehoor bovenaan; dan volgt de reuk en hierna het gevoel. De gezichtszin is zeer weinig ontwikkeld. Het gehoor is vermoedelijk zeer fijn: het zachtste gedruisch wordt op een grooten afstand waargenomen. De smaakzin ontbreekt hun niet; bij tamme dieren althans nam ik waar, dat zij veel van suiker houden en blijken geven van bijzonder welgevallen, wanneer zij er op getracteerd worden. Hun stem bestaat uit een dof gegrom, dat door een woest gesnuif en geproest vervangen wordt, als zij toornig zijn. De Neushoorndieren in vrijen toestand laten dit geproest dikwijls hooren, want zij worden spoedig tot toorn geprikkeld en hun onverschilligheid voor alles, wat geen voedsel is, kan zeer schielijk in het tegenovergestelde gevoel veranderen. Dan letten zij zoomin op het aantal als op de weerbaarheid hunner vijanden, maar gaan blindelings en regelrecht op het voorwerp van hun toorn af. Evenals de stier heeft de Neushoorn een afkeer van roode kleuren; men heeft opgemerkt, dat hij menschen aanviel, die hem in ’t geheel geen kwaad hadden gedaan, maar kleederen droegen, welker sterk sprekende kleuren zijn woede opwekten. Gelukkig kost het niet veel moeite, een in razenden drift voorthollenden Neushoorn te ontwijken. De geoefende jager laat hem tot op een afstand van 10 à 15 schreden naderen en springt dan ter zijde; het doldriftige dier rent hem voorbij, verliest zijn spoor, holt op goed geluk voort en koelt misschien zijn woede aan een volkomen onschuldig voorwerp.

De Neushoorn brengt slechts een jong ter wereld, een klein, plomp beest, zoo groot als een halfwassen Zwijn, dat met geopende oogen geboren wordt. Zijn roodachtige huid heeft nog geen plooien; een beginsel van een hoorn is reeds aanwezig.

Hoe lang het jonge Neushoorndier bij zijn moeder blijft, weet men niet; evenmin kent men de verhouding tusschen vader en kind. In de eerste maanden groeit het snel. Een exemplaar, dat op den derden levensdag ongeveer 60 cM. hoog en 1.1 M. lang was, werd in de daaropvolgende maand 13 cM. hooger en 15 cM. langer. Na 13 maanden had het reeds een hoogte van 1.2, een lengte van 2 en een omvang van 2.1 M. bereikt.

In den ouden tijd heeft men vele sprookjes verteld over de vriendschappelijke verhouding tusschen den Neushoorn en sommige dieren en over zijn vijandschap met andere dieren, vooral met den Olifant; het heet, dat hij dezen bij elke gelegenheid aanvalt en steeds overwint. Deze reeds bij Plinius voorkomende verhalen worden af en toe door den een of anderen reisbeschrijver opgewarmd, maar behooren toch stellig onder de sprookjes thuis. Meer grond is er voor hetgeen men verhaalt van de vriendschap van den Neushoorn voor zwakkere dieren. Andersson, Gordon Cumming en anderen vonden bijna geregeld op den Zwarten zoowel als op den Witten Neushoorn een gedienstigen Vogel, den Madenhakker, die den reusachtigen viervoeter over dag trouw vergezelt en in zekeren zin de dienst van schildwacht bij hem vervult; hij voedt zich met het ongedierte, waarvan de huid van zijn kolossalen vriend krioelt, en zet zich daarom bij of op diens lichaam neder. Deze Vogels zijn de beste vrienden, die de Neushoorn heeft; zij laten zelden na, hem te waarschuwen voor een dreigend gevaar. Het spreekt wel van zelf, dat deze diensten door den beweldadigde erkend worden; zelfs het stompzinnigste Zoogdier zou dankbaar zijn, wanneer het verlost werd van een zoo pijnlijke kwelling als een heirleger stekende Insecten moet veroorzaken. Of echter de Vogel bij de nadering van menschen het dier, dat hem tot jachtveld dient, in ’t oor pikt om het te wekken, wil ik maar liefst in ’t midden laten; ik geloof eerder, dat de onrust, die hij toont, zoodra hij iets verdachts opmerkt, voldoende is om de aandacht van den Neushoorn te trekken. Dat zeer voorzichtige Vogels, op welker bewegingen door andere dieren gelet wordt, bij deze den dienst van voorposten en schildwachten vervullen, is in vele gevallen gebleken.

Behalve de mensch heeft de Neushoorn waarschijnlijk niet veel vijanden. De Leeuwen en Tijgers mijden dit dier, omdat zij weten, dat hunne klauwen toch te zwak zijn om door de dikke pantserhuid diepe wonden te scheuren; misschien kunnen zij gevaarlijk worden voor een van de moeder gescheiden jong. De Neushoorn is voor andere, veel kleinere dieren veel meer bevreesd, dan voor de groote Roofdieren; hij heeft vooral in eenige Horzels en in de Muggen verraderlijke vijanden, waartegen hij zich nagenoeg in ’t geheel niet verweren kan. Overal echter is de mensch wel zijn gevaarlijkste vijand. De volksstammen, in welker gebied hij voorkomt, en ook Europeesche jagers maken ijverig jacht op hem. Men heeft wel eens beweerd, dat de pantserhuid voor kogels ondoordringbaar zijn; het lijdt echter geen twijfel meer, dat een mes, een lans en zelfs een met kracht geschoten pijl er door heendringen. De inboorlingen besluipen den Neushoorn, terwijl hij slaapt, onder den wind en werpen hem hunne lansen in ’t lichaam of schieten op hem, terwijl zij de tromp van het geweer bijna op zijn romp houden om te maken, dat de kogels hun volle kracht behouden. De Abessiniërs gebruiken werpspiesen en slingeren dikwijls 50 of 60 van deze moordtuigen naar één Neushoorn; zoodra deze uitgeput is door bloedverlies, waagt een van de stoutmoedigste jagers zich in zijn nabijheid, en tracht met een scherp zwaard de Achillespees door te hakken, om het dier te verlammen, en tot verderen weerstand ongeschikt te maken. In Indië gaat men op de Rhinoceros-jacht met Olifanten, maar ook deze kolossen worden soms door het woedende dier in gevaar gebracht.

De Afrikaansche soorten worden door de Europeanen op gelijke wijze gejaagd als de Olifanten; het wild wordt des nachts opgewacht aan de drinkplaats, over dag in de wildernis bekropen, of in het open landschap te paard genaderd, om op den kortst mogelijken afstand met een grooten kogel het meest kwetsbare lichaamsdeel te treffen. Dat een Neushoorn, die door jagers vervolgd en in ’t nauw gebracht is, of getroffen en door pijn gekweld wordt, zich dikwijls tegen zijne vervolgers keert, kan ons van een weerbaar dier niet verwonderen.

Moeielijker dan de jacht is de vangst van dit dier. De Wara wordt hoofdzakelijk buitgemaakt ter wille van zijn hoorn, waarvoor de Chineezen een hoogen prijs betalen. Om hem te vangen, worden op zijne paden nauwe kuilen gegraven, die zorgvuldig met takken bedekt, en vooraf met puntige palen voorzien zijn, waarop het zware dier zich spietst, wanneer het in den kuil valt. De Neushoorn volgt zijn gewone pad, valt in den kuil, en is, zelfs wanneer het onbeschadigd blijft, buiten staat er uit te komen. De jonge Afrikaansche Neushoorndieren, die soms op onze wilde-dierenmarkten voorkomen, worden gevangen na het dooden van de wijfjes, die deze jongen vergezellen.

Een merkwaardig geval van goed vertrouwen bij een zeer jongen Zwarten Neushoorn, wordt ons door Selous medegedeeld. Op een morgen, toen hij met zijn reisgezel Wood ter jacht was uitgereden, stonden zij onverwachts in een kreupelboschje voor een grooten Zwarten Neushoorn, wien zij onmiddellijk twee kogels toezonden. Het zwaar getroffen dier vluchtte; gelijk nu eerst bleek, was het een wijfje. Een jong van slechts weinige dagen trachtte tevergeefs het te volgen, maar gaf deze poging dadelijk op, en kroop onder het Paard van Wood, terwijl Selous de moeder het genadeschot gaf. “Naar mijn vriend teruggekeerd,” zoo verhaalt onze zegsman verder, “vond ik hem onder een schaduwrijken boom zitten, en zag het Neushoornkalf dicht bij het Paard staan, dat voor het kleine monster in ’t geheel niet bang scheen te zijn. Het kalfje, ternauwernood grooter dan een halfwassen Zwijn, toonde volstrekt geen vrees, als wij of de inboorlingen, die ons vergezelden, het naderden en het streelden. Het viel mij echter op, dat het zeer sterk over den geheelen rug zweette, wat ik bij een volwassen Neushoorn nooit had opgemerkt. Daar het moederlooze dier het Paard van Wood volgde, alsof dit zijn moeder was, besloten wij het mede te nemen naar de wagens, die ongeveer 6 Engelsche mijlen verder waren, om te beproeven het groot te brengen. Wij reden weg, en het kalfje liep ons na als een Hond. Het had echter klaarblijkelijk veel last van de brandende zon, want het ging onder iederen schaduwgevenden struik rusten; zoodra wij het echter 30 schreden vooruit waren, kwispelde het met zijn staartje, piepte en draafde Wood’s Paard achterna. Eindelijk bereikten wij de wagens—maar nu veranderde op eens het gedrag van den jongen bewoner der wildernis. Misschien werd hij van streek gebracht door de Honden, die blaffend om hem heen sprongen, of door het gezicht van de huifwagens, of door de veelheid van nieuwe indrukken, die hem in ons leger overstelpten;—hoe dit ook zij, onze beschermeling ging als een echte duivel te keer, en schoot woedend op de menschen, de Honden en zelfs op de wielen van de wagens toe. Wij bonden hem een riem om den hals en den schouder, waarbij hij geweldig tegenspartelde, een luchtsprong deed, herhaaldelijk op mij toeschoof en met zijn neus krachtig tegen mijn knie bokste. Toen hij vastgelegd was, begon hij tot bedaren te komen; maar werd dadelijk weer wild, zoodra er menschen of Honden in zijn nabijheid kwamen. Zooals ik gevreesd had, nam hij niets van het voedsel, dat wij voor hem gereed maakten; melk zou hem wel gesmaakt hebben, maar deze konden wij hem ongelukkig niet verschaffen, daar wij geen koeien hadden. Omdat deze pogingen mislukten en het te verwachten was, dat hij, als wij hem lieten loopen, ellendig verhongeren of een prooi van Leeuwen of Hyena’s worden zou, hield ik het voor het beste, het ongelukkige schepsel, dat ik zoo gaarne in ’t leven had gehouden, een kogel door den kop te schieten.”

In onze diergaarden zijn de meeste Neushoorndieren goedaardig en tam; zij laten zich aanraken, naar een andere plaats drijven en op andere wijze behandelen, zonder zich te weer te stellen; langzamerhand geven zij duidelijke blijken van gehechtheid aan iederen oppasser, die verstandig met hen omgaat. Slechts één geval is mij bekend, dat een Neushoorn twee menschen, die hem waarschijnlijk geplaagd hadden, aanviel en doodde.

Tegen de schade, die de Neushoorn in vrijen toestand aanricht, weegt al het nut, dat hij kan opleveren, in de verste verte niet op. In gewesten, waar een regelmatige bebouwing van den bodem plaats vindt, kan hij niet geduld worden; hij is in den volsten zin van ’t woord een bewoner van de wildernis. Van het gedoode dier weet men nagenoeg alle deelen te gebruiken. Niet alleen het bloed, maar ook de hoorn staan in hoog aanzien wegens de geheimzinnige krachten, die men er aan toedicht. In het oosten ziet men in de huizen van de voorname lieden allerlei bekers en andere drinkgereedschappen, die uit den hoorn van dit dier gedraaid zijn. Men schrijft aan deze vaten de eigenschap toe van op te bruisen, zoodra er een vergiftige vloeistof in gegoten wordt, en meent dus hierin een probaat middel te hebben om zich voor vergiftigingen te vrijwaren. De Turken van hoogen stand hebben voortdurend een drinkbeker van Rhinoceros-hoorn bij zich en gebruiken, wanneer zij pogingen tot vergiftiging duchten, hieruit hun koffie. Nog vaker wordt de hoorn gebruikt voor het maken van gevesten van kostbare sabels. Van de huid vervaardigen de inboorlingen gewoonlijk schilden, pantsers, schotels en andere gereedschappen voor eigen gebruik. Het vleesch wordt gegeten, het vet hoog geschat, hoewel de Europeanen zoo min op het eene als op het andere bijzonder gesteld zijn.


In de woeste, steenachtige gebergten van Afrika en West-Azië, bemerkt men op vele plaatsen een opgewekt leven. Dieren zoo groot als Konijnen, die zich op een rotsterras of op een steenblok in de zon koesterden, sluipen, verschrikt door de komst van een mensch, schielijk langs de rotswanden voort, verdwijnen in een van de tallooze rotskloven en kijken dan nieuwsgierig en onschuldig, als zij zijn, op den ongewonen bezoeker neer. Dit zijn de Klipdassen, de kleinste en sierlijkste van alle thans levende Onevenvingerigen.

Ten aanzien van de plaats, die deze lieftallige rotsbewoners in de klasse der Zoogdieren moeten innemen, heeft te allen tijde verschil van meening geheerscht bij de natuuronderzoekers. Pallas beschouwde ze, op grond van hun uitwendig voorkomen en hun levenswijze als Knaagdieren, Oken meende, dat zij aan de Buideldieren verwant zouden zijn, Cuvier plaatste ze in zijn orde van de Veelhoevigen. In den laatsten tijd wordt hun ook deze plaats betwist, en vindt men het noodig ze in een afzonderlijke orde, die der Plathoevigen (Lamnungia) op te nemen. Wij behandelen ze hier—te recht of te onrecht, dit zij in ’t midden gelaten—als een groep van de Orde der Onevenvingerigen. Zij vormen slechts één familie.

De Klipdassen (Hyracidae) onderscheiden zich door de volgende eigenschappen: De romp is middelmatig lang en rolrond, de kop betrekkelijk groot en plomp, naar voren spits uitloopend en vooral in dwarse richting sterk versmald, de bovenlip gespleten, de spits van den neus fraai gevormd, het oog klein, maar uitpuilend, het in de vacht bijna verborgen oor kort, breed en rond, de hals kort en gedrongen; de staart is een nauwelijks merkbaar stompje. De pooten zijn middelmatig hoog en tamelijk zwak; de fijne voeten zijn langwerpig, die van de voorpooten eindigen in vier, die van de achterpooten in drie teenen, welke tot aan de eindleden door een gemeenschappelijke huid vereenigd zijn; met uitzondering van den binnenteen van de achtervoeten, die een klauwachtigen nagel draagt, zijn al deze eindleden voorzien met platte, hoefvormige nagels; op de naakte zolen komen verscheidene veerkrachtige eeltkussens voor, die door diepe groeven vaneengescheiden zijn.

Reeds in overoude tijden worden de Klipdassen als goed bekende dieren vermeld. De in Syrië en Palestina levende soort schijnt bedoeld te zijn, waar in den bijbel de naam “Saphan” gebruikt wordt, welk woord in de vertaling van Luther, door “Konijn” wordt vervangen. De Klipdassen zijn voor ’t meerendeel kenmerkende dieren van de gebergten der woestijnen en steppen. Er zijn verscheidene soorten van, die alle gebergten van Syrië, Palestina, Arabië en misschien ook van Perzië bewonen, voorts die van de Nijllanden, van Oost-, West- en Zuid-Afrika. Men vindt ze in de gebergten van 2000 à 3000 M. hoogte niet minder talrijk dan in de bij wijze van eilanden uit de vlakte oprijzende koppen en kegels, die aan de steppenlanden van Noordoost-Afrika zulk een eigenaardig voorkomen verschaffen.

Wij zullen den Klipdas van Abessinië—den Aschkoko (Hyrax abyssinicus)—beschrijven, daar deze ons het best bekend is. De lengte van dit dier bedraagt 25 à 30 cM.; zijn vacht bestaat uit tamelijk lange en fijne haren, die aan den wortel grijsbruin, in het midden vaalgrijs en vóór de lichtkleurige spits donkerbruin zijn, welke kleuren zich vereenigen tot een lichter of donkerder gesprenkeld vaalgrijs. Kleurafwijkingen schijnen tamelijk veelvuldig voor te komen.

Hoe meer de rotswanden gespleten zijn, des te veelvuldiger treft men er deze dieren aan. Wanneer men bedaard door de dalen wandelt, ziet men ze op rijen zitten op de rotskammen; nog vaker liggen zij, want het zijn gemaklievende, luie dieren, die zich gaarne door de warme zon laten beschijnen. Een snelle beweging of een luid gedruisch verdrijft ze oogenblikkelijk: de geheele troep geraakt in beweging; allen vluchten en loopen met de behendigheid van Knaagdieren weg en zijn bijna in ’t zelfde oogenblik verdwenen. In de nabijheid van de dorpen, waar men ze evenzeer, dikwijls bijna vlak naast de huizen aantreft, toonen zij bijna geen vrees voor den inboorling en verrichten in zijn tegenwoordigheid onbeschroomd hunne bezigheden, alsof zij er van overtuigd zijn, dat hier niemand er aan denkt, hen te vervolgen; voor menschen in vreemde kleedij of van een ongewone kleur nemen zij echter oogenblikkelijk de wijk in hunne rotsspleten. Veel meer dan den mensch vreezen zij den Hond of andere dieren. Ook wanneer zij zich voor hem in hunne rotsspleten verborgen hebben, hoort men hun eigenaardig trillend gegil, dat veel op het geschreeuw van kleine Apen gelijkt. De Abessiniërs meenen, dat de Luipaard, de ergste vijand van de Klipdassen, langs de rotswanden sluipt, wanneer men ze tegen den avond of gedurende den nacht hoort schreeuwen; want na zonsondergang houden zij zich altijd stil, tenzij zij gestoord worden. Ook Vogels kunnen hun den grootsten schrik veroorzaken. Een toevallig voorbijvliegende Kraai, zelfs een Zwaluw, is in staat hen naar hunne veilige woningen terug te drijven.

Wegens de buitengewone schuwheid van de Klipdassen schijnt het vreemd, dat zij in vriendschap leven met dieren, die veel gevaarlijker en bloeddorstiger zijn dan zelfs de roofgierigste Arend, nl. met de Zebra-Mangoeste (Herpestes Zebra) en met een Doorn-Hagedis (waarschijnlijk Stellio cyanogaster). Naar het schijnt, speelt in dit gezellige klaverblad de voorzichtige Klipdas de rol van schildwacht, want zoodra hij zijn gillend gefluit laat hooren, verdwijnt het geheele gezelschap in de spleten van het gesteente.

Slechts ongaarne verlaten de Klipdassen hunne rotsen. Als het gras, dat tusschen de steenklompen groeit, opgegeten is, gaan zij wel is waar naar lager gelegen plaatsen, maar dan staan er altijd wachten op de meest uitstekende rotspunten, en een waarschuwend signaal van deze is voldoende, om alle zoo schielijk mogelijk de vlucht te doen nemen.

Door hunne bewegingen en hun aard vormen de Klipdassen in zekeren zin een overgang tusschen de plompe Neushoornen en de behendige Knaagdieren. Zij kunnen meesterlijk klimmen. Een nauwkeurig onderzoek der voetzolen, die zoo veerkrachtig zijn als gomelastiek, leert, dat de Klipdassen in staat zijn, om zich door het willekeurig inkrimpen en uitzetten van de middelste spleet der zoolkussens aan gladde oppervlakten vast te hechten.

De handelingen van de Klipdassen verraden een groote zachtaardigheid, ja zelfs onnoozelheid, vereenigd met een ongeloofelijke angstvalligheid en vreesachtigheid. Zij zijn buitengewoon gezellig; men ziet ze bijna nooit alleen, of liever, men kan, indien dit geval zich voordoet, er bepaald op rekenen, dat de overige leden van het gezelschap zich bij toeval niet in de nabijheid bevinden. Aan de woonplaats, die zij zich eens gekozen hebben, blijven zij voortdurend getrouw. In hun vaderland, dat zoo rijk is aan geurige, in bergstreken groeiende planten, zullen zij wel nooit gebrek lijden. Herhaaldelijk zag ik ze aan den voet van de rotsen