Bolivia.—Een in wording zijnde Staat aan den Stillen Oceaan.

Te Oruro. Een kudde rustende lama’s in den corral.

Te Oruro. Een kudde rustende lama’s in den corral.

Het aes triplex (drievoudig koper) waarmede de dichter der oudheid het hart van den eersten zeevaarder ompantserd achtte, schijnt nog slechts een onvoldoende bescherming, vergeleken bij de wapenrusting, waarmede zich de eerste conquistadores wel mochten hebben omgord, toen zij het waagden, zich blindelings te storten in die ook thans gedeeltelijk onbekende wildernis vol gevaren, die Bolivia heet. Tot het tijdstip, toen generaal Sucre, die met gunstig gevolg de Spanjaarden in Z. Amerika bestreed, na een overwinning op den onderkoning van Lima behaald, dezen staat onafhankelijk verklaarde, 11 Maart 1825, heette Bolivia Opper-Peru, een naam, die volkomen juist de ligging van het land weergeeft. Het is inderdaad een deel van Peru, en de bewoners van het land zijn Incas; maar het is dan toch een soort van arendsnest, hoog boven het eigenlijke Peru gelegen. De gemiddelde hoogte van het boliviaansche plateau is 4000 meter, en de wegen daarheen leiden langs de steile bergwanden van de hoogste toppen der wereld. Door deze ontoegankelijkheid is het bekende gedeelte van Bolivia zelfs nog weinig beschaafd, terwijl een groot gedeelte van het land zelden is bezocht, of geheel onbekend gebleven, zooals bijv. het grondgebied van den grooten Chaco, dat door Argentinië en Paraguay aan Bolivia wordt betwist, en Beni, waarop Peru en Brazilië aanspraak maken. Omtrent de werkelijke uitgestrektheid van het gebied zijn dan ook de boliviaansche aardrijkskundigen het niet eens. De heer Manuel Vicente Ballivian de la Paz heeft in Mei 1692 de oppervlakte van Bolivia (zonder den grooten Chaco) geschat op 1,545,818 vierkante kilometer. Hiervan moeten echter 77,286 kilometer worden afgetrokken voor de departementen Atacama en Antofagasta, die in 1879 door Chili zijn veroverd. Doch zelfs zonder dat gebied is Bolivia zoo groot als Frankrijk, Engeland, Duitschland, Zwitserland, België en Griekenland, met elkaar. Sedert in 1881 met Chili een wapenstilstand is gesloten, ligt Bolivia ingesloten tusschen Chili, Peru, Brazilië, Paraguay en Argentinië, en heeft slechts door Chili en Peru verbinding met den Stillen Oceaan. Wat de bevolking betreft, deze is hier niet, zooals in Chili, geheel samengesmolten met het blanke ras, om geregeerd te worden op de zelfde wijze als europeesche volken. Een zoogenaamde volkstelling kan hier niet anders dan een oppervlakkige schatting zijn. Vele geslachten zullen nog moeten voorbijgaan, eer de twee millioenen Indianen en Cholos van Bolivia inzien, dat zij menschen, en geen kudden vee zijn, om eerst daarna, bij gevorderde beschaving, tot het besef te geraken van hun burgerschap, als leden van een geordenden staat.

In 1854 heette Bolivia 3,326,126 inwoners te tellen. De autoriteiten, die zeker goede reden hadden, de juistheid dezer schijnbaar nauwkeurige opgave in twijfel te trekken, hebben wijselijk een ronde som voor het bevolkingscijfer vastgesteld, en geven als totaal thans 2,500,000 aan, welke als volgt worden verdeeld. Blanken 600,000; Cholos 700,000; gewone Indianen 960,000; wilde Indianen 240,000.

De blanken zijn afstammelingen van Spanjaarden of andere Europeanen. De Cholo is, wat wij onder een mesties verstaan. In theorie is hij half Indiaan, half blanke, feitelijk slechts een half ontbolsterde Indiaan. De Cholos vormen een overgang tusschen de gewone Indianen, welke door de blanken als tamme huisdieren worden beschouwd en behandeld, en de eigenlijke blanke klasse. Het woord eigenlijk is hier in zekeren zin misplaatst; want als een Cholo veel geld heeft, wordt hij tot de blanken gerekend, vooral wanneer hij daarbij de europeesche kleederdracht heeft aangenomen, en dan ziet hij natuurlijk met diepe verachting neer op zijn minder bevoorrechte broeders. Vandaar dat onder de bewuste 600,000 blanken vrij veel welgestelde halfblanken zijn medegeteld. Zij doen volstrekt niet onder voor de bloem der boliviaansche aristocratie, en men zou hen grootelijks beleedigen, wanneer men hen Cholos durfde noemen. Want de Cholos behooren tot de lagere volksklasse, en hun indiaansche afkomst springt onmiddellijk in het oog.

Die Cholo’s dragen een eigenaardig costuum. Vooral de vrouwen, Chola’s genaamd, zien er wonderlijk uit, met haar ronde, grijsachtig witte vilten hoeden, die op omgekeerde soepborden gelijken. Haar dik zwart haar, of liever ruige manen, zijn in ’t midden gescheiden, en vallen als twee gevlochten paardestaarten, aan beide zijden op haar schouder. Ze dragen vrij korte rokken, tot halverwege de kuit. Zes of zeven daarvan over elkaar vormen een wijd uitstaande crinoline, die haar gang iets schommelends geeft. Hooge laarsjes met knoopen, groote kwasten, en bespottelijk hooge hielen voltooien haar toilet. De gewone Indiaan vervangt als ’t ware het tamme lastdier in de mijnen of den stal, en al zijn dieren beter geschikt voor het vervoer van zware vrachten, de mensch is bruikbaarder, waar handenarbeid wordt vereischt. Bij den feitelijken toestand van slavernij, waarin hij verkeert, al moge deze ook door de wet zijn afgeschaft, geniet hij van zijn arbeid geen voordeel. Iemand in eigendom toe te behooren, en dus niet van honger om te komen, dat is al, wat hij begeert. Muilezels, paarden, en lama’s zijn er werkelijk beter aan toe; want zij worden tenminste behandeld en gevoed in verhouding naar de waarde, die zij vertegenwoordigen. Hij gaat altijd blootvoets en in lompen gekleed in dit koude hooggebergte, dat door de eeuwige sneeuw der gletschers is omgeven, en is machteloos overgeleverd aan de luimen van blanken en Cholos, van welke laatste hij geen menschlievende behandeling te wachten heeft. In de steden draagt hij water, en lamamest, de eenige brandstof op de hooggelegen vlakten, of vervoert zware vrachten op zijn schouders.

Te Paz kan men die arme stakkers zich zien verdringen bij de aankomst van vrachtwagens, die in de steile straten niet verder kunnen; ze vechten bijna om kisten en balen, die gemiddeld 120 pond wegen; zonder haken, alleen met touwen van lamavel, binden ze de zware vrachten op hun gekromden rug en dragen ze soms wel een mijl ver, naar een hotel, of naar den winkel van een koopman, die hun hoogstens een paar stuivers betaalt, en als zij meer vragen, hen met een schop of oorveeg afscheept.

Bedden kennen zij niet. ’s Nachts slapen ze in hotels of particuliere huizen, in hun ponchos gewikkeld, als honden op den drempel voor de deur van hun meester. Niemand kan binnentreden, zonder hen te wekken. Dikwijls gaan zij ook tegen elkander aan liggen, om het warm te hebben.

Zij begeleiden van de eene stad naar de andere de troepen lama’s, die beladen zijn met zakken erts of andere koopwaar. Als de karavaan in de stad belast is, wordt hun door den koopman een vrachtbrief medegegeven, waarin de aard en de hoeveelheid der koopwaren vermeld staat, die hun zijn toevertrouwd. Dan gaat ieder zijns weegs en trekt alleen met zijn lama’s de onherbergzame hoogvlakten in, bij instinkt den weg zoekend, onbekommerd om weer of wind, zonder eenig begrip van tijd, zonder de zekerheid, voldoende voedsel te zullen vinden, daar zij geen andere proviand medenemen dan een zakje coca, en met een lang touw, om de lama’s vast te binden. Zoo trekken ze weken en maanden verder, tot ze de plaats hunner bestemming hebben bereikt. De lama blijft, waar hij zich ook bevindt, van zelf staan, als de avond is gevallen. Dan omsingelt de Indiaan met zijn touw de geheele kudde, die zich niet meer zal verroeren eer de zon opgaat. Vervolgens kruipt hij onder den buik van een der goedige dieren, dat hem als een levende deken dient, op den harden grond, die ’s winters bevroren en ’s zomers door de zware regens der tropen doorweekt is. Als de zon opgaat, en het touw wordt weggenomen, staan de lama’s uit eigen beweging op, en trekken weer verder, hier en daar eens even knabbelend van het schrale gras en mos der hoogvlakten. Zonder de minste overhaasting zetten zij kalm hun tocht voort, gevolgd door hun makker, den Indiaan, die onophoudelijk zijn coca kauwt, welke hem in een droomerigen toestand brengt, en beiden, mensch en dieren, stappen zoo, behagelijk hun kaken bewegend, verder. Als een vreemdeling hen voorbijgaat, staan zij met uitgerekten hals stil, en staren hem aan met een strakken, verbaasden blik. ’t Is altijd weer nieuw, die verrassing, van nu eens een werkelijk mensch te zien. Deze Indianen zijn geen menschen, maar beesten; even goedaardig als de lama’s, schoon van verschillend ras, en voor den omgang met deze dieren geknipt.

In de mijnen worden zij door de blanken geëxploiteerd. Het stof, de uitwaseming der zilversulfiden, de zware behandeling van het erts, doen hen in groote menigte bezwijken. Zij komen om van ellende, en men denkt er zelfs niet aan, dat ooit gebrek aan dergelijke arbeidskrachten zou kunnen ontstaan.

Voorloopig zijn er altijd nog genoeg.

Het onderscheid tusschen de gewone Indianen, die met blanken in aanraking komen, en de wilde Indianenstammen, is slechts gering. De laatsten heeten Chunchos. Men zou kunnen zeggen, dat zij tot de gewone Indianen staan als de wolf tot den hond. Zij zijn vreesachtig en niet gevaarlijk, zoolang zij niet worden aangevallen. Hun geduld is onbegrensd. Op de jacht is de list hun eenig wapen, daar de regeering hun het gebruik van wapenen verboden heeft. Zij kennen alleen de uitwerking ervan, door droeve ervaring van de zijde der blanken opgedaan. Om de peruaansche schapen te vangen, die nauw aan de lama’s verwant, maar zeer schuw en wild zijn, en zoo rap als gazellen, graaft de Indiaan midden in de vlakte een kuil van omtrent 10 cM. diepte, en gaat daarin op den rug liggen. Dagen achtereen beweegt hij, in die houding, geregeld nu eens de armen, dan de beenen, als een groote ledepop. De schapen, die verbazend nieuwsgierig zijn, komen, als de vertooning lang genoeg heeft geduurd, eindelijk eens van naderbij kijken. Maar helaas! Als de Indiaan zijn kans schoon ziet,—en hij weet die uitstekend waar te nemen,—grijpt hij het beest bij de pooten, maakt het af, eet het vleesch op, en verkoopt de huid. Deze Indianen ontvluchten, evenals de peruaansche schapen zelf, de beschaving, die zelfs tot deze ontoegankelijke hoogvlakten is doorgedrongen. Zij zoeken een schuilplaats in de warme dalen van het oostelijk Beni-gebergte, waar maagdelijke wouden zijn, of in de uitgestrekte vlakten van den grooten Chaco.

Dat is hun domein, daar voelen zij zich thuis. Al zijn deze streken ongezond, onherbergzaam, woest en een verblijfplaats van wilde dieren, de Chuncho kan er leven in den natuurstaat. Wee den ontdekkingsreiziger, of den man, die hier caoutchouc komt zoeken, als de Indiaan hem hier ontmoet, in het bewustzijn, dat hij de sterkste is. Dan gaat de vreesachtige Chuncho aanvallenderwijze te werk, en wordt dikwijls, door honger gedreven, menscheneter. Zoo kwam de ongelukkige onderzoeker Crevaux met eenige zijner metgezellen om het leven.

Maar (het dient hier tot geruststelling van ondernemende reizigers gezegd) deze Chuncho’s komt men op den openbaren weg in Bolivia niet tegen. Wat de taal betreft, het heet, dat in Bolivia Spaansch wordt gesproken. Het is waar, dat dit de officieele taal is, zooals in Bretagne de Fransche taal daarvoor doorgaat. Maar feitelijk is Bolivia een modern Babel in dit opzicht. De Cholos, die het Spaansch radbraken, en de Indianen, die het niet kennen, spreken verschillende dialecten, die men in twee groepen kan onderscheiden, het quichua en het aïmara. Dit zijn de twee oorspronkelijke talen van het groote Inca-rijk, dat een aanvang nam bij de woestijn van Atacama, Bolivia en Peru besloeg, den equator overschreed, en zich uitstrekte tot het tegenwoordige Columbia.

De boliviaansche kinderen leeren allen in hun jeugd quichua of aïmara, door den omgang met de bedienden en de kinderen uit de volksklasse. Zij spreken het evengoed als Spaansch. De Cholos en de Indianen in de steden spreken een koeterwaalsch, dat min of meer verwantschap met de taal van Cervantes verraadt.

Uit de ligging der streken, waar respectievelijk quichua en aïmara wordt gesproken, hebben ethnologen afgeleid, dat het ras, ’t welk aïmara sprak, oorspronkelijk aan de Quichua-Incas onderworpen was. De quichua-taal is zulk een aaneenschakeling van keelklanken, dat men liefst wat op een afstand blijft van den persoon, met wien men spreekt. Ik ben het dan ook in dit opzicht niet eens met den heer Bellesort, die in “Jong Amerika, Chili en Bolivia” het een schoone en poëtische taal noemt. Philologen bezitten misschien een bijzondere gave van waardeering op dit punt. Op den oningewijde maakt deze spraak veeleer den indruk van een aanhoudend gorgelen en mondspoelen.

De boliviaansche regeering is even ambulant als de Indianen waarover zij den scepter zwaait. Het gouvernement heeft geen vasten zetel.

Van de acht departementen, waarin Bolivia verdeeld is, nl.: Chuquisaca, waarvan Sucre de hoofdstad is, La Paz, Oruro, Cochabamba, Potosi, Santa Cruz, Tarya en Beni, doen de vier eerste niet anders, dan elkander den voorrang betwisten. Al naar de luim van den President der Republiek het medebrengt, trekt het geheele bestuur nu eens naar Sucre, dan naar Paz, dan naar Oruro, en het corps diplomatique volgt dat voorbeeld. In 1865 had een grappig voorval plaats onder den beruchten president Melgarejo, die als een tyran over Bolivia heerschte.

Toen hij op het toppunt van zijn macht was, kreeg hij het eens weer in den zin, den zetel der regeering van La Paz naar Sucre te verplaatsen, en hij noodigde de verschillende gezanten en consuls uit, hem te vergezellen. Doch de consul van hare Majesteit Koningin Victoria van Engeland nam hiermede geen genoegen. Hij gaf te kennen, dat La Paz hem door zijn regeering als verblijfplaats was aangewezen, en dat hij niet reislustig was gezind.

Melgarejo hield niet van tegenspraak. Hij liet den engelschen diplomaat eenvoudig door vier soldaten achterste voren op een ezel zetten, met den staart van het grauwtje in de hand, en zoo door de straten van La Paz rondrijden tusschen een dubbele rij dreigende bayonetten.

Engeland scheen het wat gewaagd te vinden, de beleediging, een zijner vertegenwoordigers aangedaan, te gaan wreken in een land, dat op 4000 meter hoogte was gelegen, aan ’t eind van de wereld. Het vergenoegde zich ermede, alle betrekkingen met Bolivia af te breken, en in enkele engelsche atlassen werden deze oorden voortaan met den naam van “woeste streken” betiteld.

Wat die verplaatsing van de regeeringsleden nog zonderlinger maakt, is de omstandigheid, dat in Bolivia geen andere reisgelegenheid bestaat, dan de rug van een muilezel. Over de allerhoogste bergen en bergpassen van de wereld tijgt zulk een troepje politici naar een stad, die tien of twaalf dagreizen is verwijderd, om—wetten uit te vaardigen, die nooit zullen worden nagekomen, daar er niemand is, die zou kunnen zorgdragen, dat ze werden uitgevoerd.

De twisten, die ontstaan door den naijver der verschillende plaatsen, welke aanspraak maken op de eer, residentiestad te zijn, waren van ouds de oorzaak van voortdurende omwentelingen. Vandaar dan ook, dat president Alonso, die voor kort nog zijn afscheid kreeg, het geraden vond, een goed heenkomen te zoeken buiten de grenzen van zijn vaderland. In September 1898 had zijn volksvertegenwoordiging het gewaagd, paal en perk te willen stellen aan al dat reizen en trekken, en Sucre voorgoed tot hoofdstad van Bolivia te verklaren. Dit plan vond geen algemeene instemming. La Paz maakte met meer recht, dacht men, aanspraak op die eer, daar het in Chililaya, op den Titicaca, een gewichtig douanenstation bezat, slechts een dagreis van de stad verwijderd. Maar Alonso bleef onverbiddelijk. Aanstonds was het oproer in vollen gang.

Boliviaansche typen uit het platteland en de stad.

Boliviaansche typen uit het platteland en de stad.

La Paz werd nu de zetel der tegenpartij, die zich 2 November 1898 afscheidde, en de “federalistische regeering” werd genoemd. De president, die advocaat was van beroep, zwaaide thans onverschrokken den kommandostaf. Hij plaatste zich aan het hoofd der troepen en trok in korte dagreizen naar Oruro, om daar zijn kamp op te slaan.

Van de grootte der boliviaansche legermacht geven de volgende, in 1897 gepubliceerde cijfers ons een denkbeeld.

De infanterie van Bolivia bestaat uit:

De artillerie bestaat uit:

De cavalerie bestaat uit:

Bij de wagens en ammunitie (20 ruiters).

Totaal: 1000 man.

Allerzonderlingst is het, dat dit leger wordt aangevoerd door een totaal van 1064 officieren, van de 36 generaals af, tot de 130 onderofficieren toe. De statisticus, die deze welsprekende cijfers heeft verzameld, voegt er dan ook de opmerking aan toe, dat het, na den oorlog met Chili, zeer moeilijk was geweest, zich van de overtollige militairen van hoogeren rang te ontdoen; daar hun aanwezigheid altoos gevaar opleverde bij een regeering, die uit den aard der zaak altijd eenigszins wankel is. Een openhartige bekentenis! Aan het hoofd van deze legermacht, en zonder zich dus over gebrek aan aanvoerders te kunnen beklagen, toog Alonso ten strijde, de federalisten tegemoet. Afgaande op den toestand, waarin de laatsten verkeerden, met een ruiterij “die grootendeels te voet ging”, moesten zij noodzakelijkerwijze het onderspit delven; maar ziet—alsof het spel sprak, Alonso werd verslagen, en moest zich naar Chili terugtrekken. De zegepraal van een president zou trouwens ook een ongehoorde zaak zijn geweest. In Bolivia en Peru wordt elke revolutie met gejuich begroet, en eindigt met de overwinning van hen, die haar hebben uitgelokt, tot de verjaagde president op zijn beurt weder de volksgunst heeft weten te winnen en opnieuw de plaats komt innemen, die hem wederrechtelijk is ontroofd.

Van de zes en twintig presidenten, die sedert 1825 in Bolivia elkander zijn opgevolgd, zijn slechts drie gedurende hun ambtsbekleeding gestorven; de overigen zijn of verbannen, of vermoord. Alonso wist tot zijn geluk te ontvluchten, want de stad La Paz, die zich thans den titel van hoofdstad had toegeëigend, ontzag zich niet, al zijn partijgenooten te laten fusilleeren.

Het heet, dat in Bolivia wetten bestaan. Maar deze worden slechts bij tusschenpoozen in toepassing gebracht, en alleen in gevallen, waarbij de machtigste partij geen straf heeft te duchten. Straf toch treft alleen Indianen, nooit heeren, die een gekleede jas dragen.

Het voorgaande is een beknopte, maar getrouwe schets van de toestanden in het hedendaagsche Bolivia.

Indiaansche jonge vrouwen, bezig met haar toilet.

Indiaansche jonge vrouwen, bezig met haar toilet.

Onze mededeelingen mogen in zooverre wel van belang geacht worden, als zij kunnen dienen, om elken overmoedigen reiziger te overtuigen van de noodzakelijkheid, een menigte voorwerpen van dagelijksch gebruik mede te nemen, die de leemten moeten aanvullen, welke zich onvermijdelijk doen gevoelen in een omgeving, waar eigenlijk niets is, zooals het zijn moet.

Hieruit behoeft men echter niet af te leiden, dat Bolivia een land is, waarheen geene handelswaren kunnen worden uitgevoerd. Integendeel. Het land is nieuw, en heeft aan alle mogelijke dingen behoefte; het arbeidsveld is dus groot genoeg. Maar men mag zich wel terdege in acht nemen en het terrein verkennen, eer men zich daar in speculaties steekt; want de eenige waarborg, dat men zijn waar betaald krijgt, is de eerlijkheid van den kooper.

Is Bolivia dan dus werkelijk voor den handel niets waard? vraagt men allicht.

Zeer zeker is het dat wèl. Juist omdat elke reis er als ’t ware een ontdekkingstocht is, omdat zelfs de meest ondernemende lieden worden afgeschrikt door de gevaren, daarmede verbonden, behoeft men hier minder mededinging te duchten dan in menig ander land.

Bolivia is zeer veel waard; vooreerst al door de goudmijnen. Goud wordt hier overal verspreid gevonden, het meest in het departement La Paz. De bodem moest echter beter worden onderzocht, om er voordeel uit te trekken. Thans beweert ook zelfs de armoedigste, verloopen Boliviaan, een of andere geheimzinnige lavadero te kennen, of te bezitten. Hij haalt daarbij uit zijn vestzak een onoogelijk klompje erts te voorschijn, dat aan iedereen wordt vertoond, en dienen moet om europeesch kapitaal te lokken. Vooral rijk aan het edele metaal heeten de omstreken van Irooco, Oruro, La Joya, Sepulturas, Sorasora en Machacamarca. Maar wat bij al die mijnen ontbreekt, is het geld om ze te exploiteeren. Wat meer en zekerder winst afwerpt, dan die dikwijls denkbeeldige goudmijnen, zijn de werkelijk bestaande mijnen, waar koper, tin en zilver gevonden wordt.

Te Oruro, het grootste middenpunt, zijn zooveel mijnen, dat hierom alleen de spoorweg verlengd is, die van Uyuni naar Oruro loopt. De voornaamste, die van La Tetilla, Socavon de la Virgen, Itos, Atocha, San José Grande, zijn reeds in werking; andere, zooals Santo Christo, Union Yankee Colorado, Alacranes, Sapos, wachten nog om geëxploiteerd te worden.

Het departement Oruro bezit verder nog de volgende tinmijnen: Avicaya bij Hurmiri, Morococala, San Antonio, Guarmiri bij Vento y Media, en zilvermijnen, Pampa Rosaria, San Francisco en Antequera. Te Pulacayo, te Huanchaca dezelfde rijkdom aan mineralen; te Machacamarca bevinden zich de fabrieken, waar het zilvererts wordt gezuiverd en bewerkt, eer het in staven naar Europa wordt verzonden.

Het departement Potosi voert voornamelijk zilver uit in blokken en staven, dat in het land zelf gesmolten is. Het erts, waarvan het zilvergehalte een bepaalde grens overschrijdt, wordt bij vrachten van 5000 pond vervoerd, daar dit bij een behandeling in het buitenland grootere winsten afwerpt. Niet alle mijndistricten kunnen zich deze weelde veroorloven. Als zij te ver van den spoorweg liggen, is het vervoer met lastdieren te duur. Potosi en Andacava zijn 220 mijlen van den spoorweg verwijderd, en kunnen dus geen erts uitvoeren, te meer, daar er ook gebrek aan muilezels is. Thans is hun aantal niet eens voldoende voor het vervoer van 1000 ton jaarlijks aan gesmolten tin, staven en blokken zilver, en eenig erts.

Ook de volslagen afwezigheid van brandstof in Bolivia is een beletsel voor het smelten van het erts. Dit proces moet dus worden bewerkstelligd door amalgameering, welke behandeling kostbaarder is, meer tijd vordert, en waarbij 20 tot 25% van het gehalte verloren gaat.

Op zeer veel plaatsen wordt tin-oxyde, antimonium en lood gevonden. Ook veel bismuth en koper, en verschillende soorten klei- en porseleinaarde. Zout is er in overvloed, en wat de voortbrengselen uit het dierenrijk betreft, kan Bolivia roemen op zijn alpaca’s, lama’s, de peruaansche schapen, die de vigogne-wol leveren en de chinchilla’s, waarvan de vacht in Europa met goud wordt betaald.

Dit zijn dan ook de eenige voortbrengselen waarvan Bolivia thans moet leven. Wel wagen zich onverschrokken lieden in de omstreken van Beni, Santa Cruz en Tarija, om er caoutchouc te verzamelen, hoewel slechts in geringe hoeveelheden, wegens het ongezonde klimaat, de onveiligheid en het gebrek aan verkeersmiddelen. Om uit deze streken voordeel te trekken, zou men ze moeten zuiveren van de Indianenplaag, wegen moeten aanleggen, en een verbinding tot stand brengen met Madre de Dios, den Amazonenstroom, Para en de europeesche markten. Maar die Hercules-arbeid zal vooreerst nog wel niet worden ondernomen.

Voor den uitvoerhandel komt de laatstgenoemde streek dus voorloopig niet in aanmerking. Maar men zou in verbinding kunnen treden met Oruro, Potosi, Chuquisaca, Cochabamba en La Paz, want voor alle mogelijke artikelen van huishoudelijk gebruik zou men hier een afzet kunnen vinden, altoos op voorwaarde, dat de aangeboden waar in den smaak en binnen het bereik der beurs van de koopers valt, dus eenvoudige zaken, die er op het oog bont en fraai uitzien. Indianen en Cholos weten niets af van de moderne beschaving. Van hun jeugd af aan hebben zij zich tevreden gesteld met chuno (bevroren aardappelen), charqui (in de zon gedroogd vleesch) en coca (een heester, ook honger- en dorstboom genoemd), zoolang zij dit karig voedsel maar rijkelijk konden besproeien met alcohol. De Indiaan heeft slechts twee behoeften, maar hun vervulling is dan ook voor hem levensvoorwaarde. Voor coca en alcohol zou hij een moord begaan. In Bolivia handeldrijven, wil dus zeggen: behoeften scheppen. En dat zal men niet anders bereiken, dan door artikelen aan te bieden, die den kooper niet te duur zijn. Geen aanprijzing van de voortreffelijkheid der fransche fabrikaten zou opwegen tegen de nuchtere waarheid, dat wie maar drie francs bezit, er geen zes kan besteden.

Wat den politieken toestand aangaat, elk departement is een kleine staat op zichzelf. Dit volslagen gebrek aan centralisatie in een zoo jeugdig land leidt tot anarchie, en vermeerdert ten zeerste de moeilijkheden der handelspraktijk. Buiten het rijkstolstelsel houdt elke gemeente er nog een afzonderlijke verordening op na, en in verschillende plaatsen worden op de meest uiteenloopende zaken belastingen geheven, die niet alleen schade doen aan de goede verstandhouding der betrokken gemeenten, maar ook den vooruitgang tegenhouden, daar vreemde kooplieden hierdoor worden afgeschrikt. Zij moeten bijv. in Oruro en Potosi honderd bolivianen betalen voor het recht daar te komen handeldrijven; te Cochabamba en La Paz tweehonderd, en als zij veel stalen bij zich hebben, stijgt die som tot vierhonderd. Te Sucre worden driehonderd bolivianen gevraagd (een boliviaan is ongeveer 2,50 francs), zoodat men gerust kan beweren, dat de boliviaansche autoriteiten den vreemdeling niet met open armen ontvangen. Gelukkig kan men met wat list en overleg nog wel eens tusschen de mazen van dit net van moeilijkheden doorsluipen. De boliviaan is de standaardmunt van Bolivia, en wordt verdeeld in 100 centavos. Er is bijna niet anders dan vuil papierengeld in omloop; goudgeld hebben zij niet. Hun grootste zilvermunt is een stuk van 50 centavos, de helft zoo zwaar als onze vijf-francsstukken.

In Bolivia zijn slechts twee voorname banken, die succursalen hebben in de belangrijkste steden. Het zijn de Banco Nacional de Bolivia, 1 September 1871 opgericht, met een kapitaal van 3 millioen bolivianen, en de Banco Francisco Argandona.

Een van de kleine onaangenaamheden, die de reiziger in Bolivia telkens moet verduren, is de slaafsche bijgeloovigheid, waarmede de Boliviaan gehecht is aan zijn lijfspreuk:

Dia martes,

No te cases,

Ni te embarques,

Ni de tu casa te apartes.

(Op Dinsdag moogt gij niet trouwen, noch aan boord van een schip gaan, noch zelfs u van huis begeven).

Iedereen legt u te pas of te onpas dit bezwaar in den weg. De man, die u muilezels zal verschaffen, laat u in den steek en zegt, dat hij ze u vóór Woensdag onmogelijk bezorgen kan. Hij zou trouwens in alle oprechtheid niet de verantwoording op zich willen nemen, u op die wijze in uw verderf te laten loopen. De drijver, die zich volgens contract heeft verbonden u te vergezellen, zal misschien tegen zijn zin op een Dinsdag medegaan, maar gij kunt er op rekenen, dat dan ook elk ongeluk op uw rekening wordt geschoven, en dat gij de schuld krijgt, als een muilezel struikelt, een riem breekt, ja van alles wat oponthoud veroorzaakt. Als men zich aan al die malligheden wilde storen, zou men nooit klaarkomen, ’t Is al lastig genoeg, zijn reisplannen zóó in te richten, dat men alles in het gunstigste jaargetijde kan afdoen. Het meest geschikt is het winterseizoen; dat wil in het zuidelijk halfrond dus zeggen: tusschen Mei en November, als het weêr koud, maar in elk geval droog is. Op een anderen tijd is reizen in Bolivia onmogelijk.

Want in de overige maanden van het jaar, vooral midden in den zomer, vallen elken dag die zware regens, welke men alleen in de tropen en aan den equator kent. De bodem wordt dan letterlijk doorweekt, en de geheele hoogvlakte is niet anders dan één slijkpoel, waarin men bij elken stap zou kunnen wegzakken. In de bergen zwellen de stroomen, en in die verlaten streken, waar nergens een schuilplaats is te vinden, moet de reiziger dan soms een of twee dagen wachten aan den oever eener rivier, eer het water genoeg gedaald is, om den stroom te kunnen doorwaden. Vandaar het spreekwoord, dat waarlijk niet ongegrond is: Nunca carga atraz, nunca rio adelante. (Laat nooit uw bagage achter, en sta nooit stil vóór een rivier). ’t Is waar, wie weet of men de bagage, die men in den steek laat, ooit zal weervinden. En als men heeft stilgehouden bij een rivier, die doorwaadbaar is, kan deze den volgenden morgen wel zóó zijn gezwollen, dat aan oversteken niet te denken valt.

Wanneer ik spreek van het winterseizoen, dan wil dit zeggen, dat de nachten zeer koud zijn. Het land is hoog gelegen, en zelfs in de tropen daalt hier de thermometer ’s nachts geregeld tot 20 graden onder nul. Maar des morgens, als de zon is opgekomen, stijgt de temperatuur soms in drie uren van tien graden vorst, tot 20 graden warmte, en ’s avonds is het juist andersom, zoodat men wel zal doen, zooveel mogelijk voorzorgsmaatregelen te nemen tegen die grillige wisselingen van warmte en koude.

Als men van Oruro, waar de spoorweg die van Antofagasta, aan de kust, naar het hart van Bolivia loopt, eindigt, zich op weg begeeft met het eenige vervoermiddel, dat den reiziger hier ten dienste staat, zijn de afstanden, die men heeft af te leggen om van de eene plaats naar de andere te geraken, ongeveer de volgende. Van Oruro naar Cochabamba ongeveer 205 mijlen, af te leggen in drie of vier dagen, al naar de kracht en het weerstandsvermogen van den ruiter.

Van Cochabamba naar Sucre 350 mijlen, of zes tot acht dagen. Van Sucre naar Potosi 125 mijlen, of drie dagen. Van Potosi naar Challapata, een spoorwegstation, op vier uur afstand van Oruro 250 mijlen, drie of vier dagen. Van Oruro naar La Paz 245 mijlen, drie of vier dagen. Van La Paz naar Chililaya, 75 mijlen, of één dag.

In de haven van Chililaya gaat men aan boord van een kleine stoomboot, die het meer Titicaca in zeventien uren oversteekt, en te Puno, op den anderen oever, kan men per spoor de reis vervolgen naar Arequipa, en vandaar naar de havenplaats Mollendo aan den Stillen Oceaan. Wij spreken hier dus niet van den tocht door oostelijk Bolivia, waarin de departementen Beni, Santa Cruz, Chuquisaca en Tarija gelegen zijn, die aan de andere zijde van den Andes liggen, veel lager dan de ijskoude hoogvlakte aan de zijde, die naar den Stillen Oceaan gekeerd is. Dáár is elke reis een ontdekkingstocht, en het is onmogelijk, zelfs bij benadering, het tijdsverloop aan te geven, waarin een bepaalde afstand zal worden afgelegd. Een andere moeilijkheid, die ook ervaren reizigers dikwijls in verlegenheid brengt, is het aanschaffen van de benoodigde muilezels, en de prijs, die daarvoor mag worden bedongen. Bewoners van Bolivia, die nooit in hun leven een reis hebben gemaakt, geven hoog op van de voortreffelijkheden der muilezels, die bij den postdienst worden gebruikt. In de praktijk heeft men echter aan die raadgevingen bitter weinig. De muilezels, die voor het vervoer van de post worden gebezigd, zijn betrekkelijk goedkoop te krijgen aan de verschillende poststations, waar ze telkens worden verwisseld. Maar het zijn slecht doorvoede, zwakke, ellendige beesten, die met slagen moeten worden voortgedreven, en zeer dikwijls onhandelbaar en weerspannig zijn. Als men alleen reist, is men op genade en ongenade aan hen overgeleverd. En wanneer men dan bijvoorbeeld zoo weinig intiem bekend is met hun gewoonten, dat men afstapt, eer men hun een mantel of deken over den kop heeft gegooid, dan zijn zij zoo vrij, onmiddellijk om te keeren, en in vliegende vaart terug te galoppeeren naar de pas verlaten pleisterplaats, terwijl de ruiter hen verbaasd staat na te staren. Op die hoogte, waar de lucht zoo ijl is, dat iemand, die uit lagere streken komt, er geen honderd schreden kan loopen zonder stil te staan om adem te scheppen, is het alles behalve aangenaam voor een reiziger, op die wijze door zijn muildier te worden in den steek gelaten, terwijl nergens in den omtrek een menschelijke verblijfplaats is te vinden, en hij waarschijnlijk ten overvloede zijn zak met proviand kwijt is, die aan den zadelknop hing. Bovendien huurt men aan de bewuste stations alleen de dieren, en niet den drijver, een gids die voor den vreemdeling onontbeerlijk is.

Men moet dus beginnen met te vragen naar een goeden muilezeldrijver, die bij de kooplieden in de stad gunstig bekend is. Met hem bespreekt men de voorwaarden van het vervoer. Is het aantal dieren en hun prijs vastgesteld, dan wordt een contract opgemaakt, dat als bewijsstuk moet dienen bij de overheid der steden, die men doortrekt, in geval men met den drijver onaangenaamheden krijgt. Zonderling is het, dat in dit land, waar aan de wet slechts een betrekkelijk gezag wordt toegekend, de autoriteiten juist aan deze contracten veel gewicht hechten, en er voor zorgen, dat zij stipt worden nagekomen, als men zich genoodzaakt ziet de hulp der wet in te roepen. Dit gebeurt echter zelden. De muilezeldrijvers hebben over ’t algemeen een goeden naam, en verdienen dien volkomen.

Een troep boliviaansche soldaten.

Een troep boliviaansche soldaten.

Wat de prijzen betreft, het tarief is niet geregeld, en men kan de lijst niet raadplegen, zooals men een spoorboekje zou doen. Alles hangt af van de meerdere of mindere inschikkelijkheid van huurder en verhuurder. Het is het beste, de som voor het geheele traject in eens vast te stellen. Hoe meer muilezels men bespreekt, des te lager wordt de prijs gesteld. En dan komt het ook nog aan op de hoeveelheid bagage, die men medeneemt. Minstens drie muilezels zijn noodig voor elken reiziger, een voor hemzelf, een voor zijn gids, dien hij natuurlijk ook betaalt, en een derde voor het vervoer van bedden en mondvoorraad.

Van Oruro naar Cochabamba betaalt men 10 à 12 bolivianen per ezel. (1 boliviaan = 2.50 frs.) Midden in den winter rijdt, als het droog is, een allertreurigste rammelkast eenmaal in de week heen en weer tusschen deze beide steden, en een plaats daarin komt op 20 à 25 bolivianen. Van Cochabamba naar Sucre kost een muilezel omtrent 30 bolivianen, evenveel als men hier voor een plaats in een dergelijk vervoermiddel als het bovengenoemde betaalt. Van Sucre naar Potosi is de prijs ongeveer dezelfde, als van Oruro naar Cochabamba, en van Potosi naar Challapata van 20 tot 25 bolivianen.

’t Is dikwijls moeilijk, in Potosi muilezels te krijgen, en daarom voordeeliger, de dieren in Sucre dadelijk voor Challapata te huren, en vooral precies af te spreken, hoe lang men in Potosi denkt te blijven. Want zulke rustdagen geven dikwijls aanleiding tot ongenoegen, daar de muilezeldrijvers er volstrekt niet op gesteld zijn, het voer van hun beesten, dat hier zeer duur is, voor niets te besteden.

Van Challapata reist men in vier uur naar Oruro, met den trein, die driemaal per week daar aankomt uit Antofagasta en Uyuni. Tusschen Oruro en La Paz bestaat een geregelde omnibusdienst, behalve in den ergsten regentijd. Dat vervoermiddel rijdt geregeld tweemaal per week, en legt den weg af in drie dagen. De prijs bedraagt 25 bolivianen. De bagage wordt op een kar vervoerd tegen 25 bolivianen de 100 kilo. Van La Paz kan men ook elken Vrijdag met een wagen voor zes of zeven bolivianen naar Chililaya komen en betaalt dan vijf bolivianen voor 100 kilo vracht.

Te Oruro. Een karavaan lama’s, die met zakken erts zullen worden beladen.

Te Oruro. Een karavaan lama’s, die met zakken erts zullen worden beladen.

Men ziet uit het voorgaande, dat het reizen in Bolivia niet altijd van een leien dakje gaat. Wij zijn aan die primitieve toestanden niet gewend, en het is ieder geraden, zich hier niet te wagen eer hij zich op allerlei gebeurlijkheden heeft voorbereid. Koffers en kisten mogen hier bijvoorbeeld wel verbazend sterk zijn, en moeten natuurlijk met een waterdichte stof zijn bekleed. Want om van de stortregens maar niet te spreken, de muilezels glippen bij voorkeur uit midden in een rivier.

Het gewicht der verschillende stukken bagage mag niet meer dan 60 kilogram bedragen, want zij moeten altijd twee aan twee op den rug der dieren worden geladen; en 120 kilo is al een tamelijk zware vracht voor een muilezel, die vier of vijf dagen achtereen dien last heeft te torsen over steile bergpaden, en van zeven uur ’s morgens tot tien uur ’s avonds in touw is. De muilezels aan den equator, en die van Midden-Amerika zijn minder sterk dan de boliviaansche, en kunnen niet meer dragen dan 100 kilo. Daar nemen de drijvers dan ook geen vrachten aan die boven de 50 kilo wegen. Daar 50 kilo over ’t algemeen het maximum is voor vrachtgoed, dat per muilezel wordt vervoerd, is het ’t voorzichtigst, dat gewicht in geen geval te overschrijden.

Daar het vervoer per ezel goedkooper is, willen sommige kooplieden geen vrachten ontvangen, die meer wegen dan 36 kilo; want een ezel heet officieel 72 kilo te kunnen dragen. In bijzondere gevallen, als de goederen niet kunnen verdeeld worden, gebruikt men wel zeer sterke ezels, die echter ook duur moeten worden betaald, en het is ook daarom ’t verstandigst, zich in dit opzicht naar landsgebruik te schikken.

Voorts heeft men noodig: een goed zadel, compleet tuig, zakken, die aan den zadel worden bevestigd; mondvoorraad, een veldbed met matras, dekens, en warme kleeren. Wat de mee te nemen proviand betreft, daarbij mag niets worden vergeten. Brood, zout, suiker, spijzen en dranken, een licht kooktoestel en andere benoodigdheden voor het gereed maken der spijzen zijn onontbeerlijk. Want onderweg is niets te krijgen; men is al blijde, als men bij ’t vallen van den avond een plekje vindt, waar men eenigszins voor de koude is beschut en zijn leger kan spreiden. En thans kunnen wij onze reis aanvaarden.

Door den berg van zand, die Antofagasta en Mejillones omringt, kronkelt als een ijzeren slang een spoorweglijn, die in Antofagasta begint, in Oruro eindigt, en 900 kilometer lang is. ’t Is de mijnspoorweg van de beroemde Huanchaca maatschappij, die groote hoeveelheden zilvererts naar de kust vervoert, benevens natriumnitraat, boorzure kalkzouten, zwavel, en een steeds toenemend aantal mineralen, die den rijkdom uitmaken der provincie Antofagasta en het boliviaansche gebied, dat daaraan grenst.

Och, och, die smalle spoorweg, met zijn nauwe waggons! Drie dagen lang moet men, van zes uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds, de marteling verduren daarin beklemd te zitten op ongemakkelijke banken, in een boemeltrein, die alleen Maandag, Woensdag en Vrijdag wordt aangehaakt achter de goederenwagens, die de waren naar Uyuni en Oruro vervoeren, om van daar per muilezel naar Potosi, Sucre en Cochabamba te worden gebracht.

Behalve de spoorweg van Mollenda over Arequipa naar het Titicaca-meer, is deze lijn van Antofagasta de eenige weg, die naar Bolivia leidt. Een treurig begin!

Om zes uur ’s morgens komt een kar aan ’t hotel de bagage der ongelukkige reizigers afhalen. Er wordt groote haast gemaakt; want men mag wel vroeg bij de hand zijn, om toe te zien, dat alles behoorlijk meekomt en een geschikt plaatsje uit te zoeken. De reis gaat in drie gedeelten, elk van een dagreis, en elken dag moet men opnieuw een kaartje nemen. De maatschappij komt niet op het praktische denkbeeld, een doorgaand biljet uit te geven van Antofagasta naar Oruro. Gelukkig, dat zij ten minste de zorg voor de bagage in eens voor haar rekening neemt. Daarvoor is men al heel dankbaar.

“Een eerste klasse, Calama.”

“Dertien piasters, veertig.”

“Goed”. Ik leg veertien piasters neer.

“Hier hebt u vijftig centavos terug.”

“Maar ik moet zestig hebben.”

“Dat weet ik wel, mijnheer, maar ik heb geen klein geld.”

“Ik ook niet. Aan een spoorwegloket moest u toch geld van een piaster terughebben.”

“Wilt u ’t kaartje nemen of niet? Niet? Dan moet u maar zien, dat u ergens wisselt; ik neem ’t kaartje terug.”

Men dient zich te schikken in het geval, als men tenminste een dragelijk plaatsje in een waggon wil vinden.

’t Is geen kleinigheid, in dit land, waar niemand zich om iets bekommert, de spoorwegbeambten uit hun slaperigen toestand wakker te schudden. Zelfs het vooruitzicht op een drinkgeld (fooien zijn trouwens aan de kust van den Stillen Oceaan niet in zwang) is niet bij machte hen uit hun onverschilligheid op te wekken. Als een kanonskogel voor hun voeten viel, zouden zij nog geen merkbare ontsteltenis toonen. Het is hier wel voorgekomen, dat een reiziger, die niet vlug van begrip was, zijn bagage eerst had ingeschreven, toen de trein vlak voor zijn neus vertrok. Dat treft niet, als men twee dagen moet wachten op den volgenden.

Eindelijk is alles in orde; mijn koffer staat in den goederenwagen; de trein fluit, en langzaam stoomen wij tegen de helling op.

Twintig minuten later is Antofagasta slechts een verwarde mengeling van zwarte plekken op het lichte oeverzand, de schepen op den oceaan zijn niet van vliegende vogels te onderscheiden, en wij krijgen Playa Blanca in ’t gezicht. Playa Blanca is de plaats, waar de Huanchaca-maatschappij het erts laat bewerken, dat naar de kust wordt vervoerd. Een groote fabriek, op vijfhonderd meter afstand van den oever, en tegen de heuvels de woningen der arbeiders in de buurt van het directiegebouw. Hier ziet men reusachtige reservoirs voor zoetwater, dat 315 kilometer ver uit de bergen wordt geleid, en eveneens voor het opgepompte zeewater, dat gebruikt wordt bij de behandeling der zilversulfiden. Huanchaca, op een hoogte van 4500 meter in Bolivia gelegen, dicht bij Pulacayo, is het middelpunt van de belangrijkste zilvermijnen der wereld. Tot nog voor korten tijd behandelde men daar het erts door amalgameering met kwik. Dit was het eenige middel om het metaal te zuiveren, want Bolivia bezit geen kolenmijnen, en de omstreken van Uyuni en Huanchaca zijn te hoog boven de zee gelegen, dan dat er bosschen konden worden gevonden, om de noodige brandstof te leveren. Aan smelting viel dus niet te denken. Daarom werd de fabriek van Playa Blanca opgericht, die door den spoorweg verbonden was met Antofagasta, waar het zilvererts wordt behandeld volgens de meest moderne methoden. Maar om redenen, die voor oningewijden in het duister liggen, schijnt het, dat deze fabriek, die wel een tentoonstelling van machinerieën gelijkt, op veel te grootsche schaal is opgezet, zoodat zij de maatschappij meer schade dan voordeel aanbrengt. “Het grootste geluk, dat de maatschappij kan overkomen”, zeide mij een bekend ingenieur, “zou een vulkanische uitbarsting zijn, die dat geheele Playa Blanca door een vloedgolf liet verzwelgen. Het is op veel te groote schaal aangelegd. Men heeft hier eene fabriek voor de behandeling van zilvererts; maar de grondstof ontbreekt. De mijnen van Pulucayo en Huanchaca, die het meest opbrengen, leveren niet eens genoeg om een vierde deel van al deze machines in werking te stellen. En een machine, die niet wordt gebruikt, is dood kapitaal.”

De trein rolt gestadig verder, tusschen hooge bergen van zand. Van Valparaiso af is dat nu al hetzelfde; zand, zand—anders niet. ’t Is de Quebrada agua negra; het Ravijn der Zwarte Wateren. Zwart water? Waarom zwart? zou men zeggen. Om over de kleur van ’t water te kunnen oordeelen, zouden we water moeten zien. En zoo dat hier ooit geweest is, dan was dat zeker in de dagen van den zondvloed. De toegang tot de hoogvlakte zou met meer recht het Ravijn der Dorheid kunnen worden genoemd. De mensch komt soms op zonderlinge invallen. Die naam is zeker bedacht door een van dorst versmachtend reiziger. De Quebrada agua negra ligt achter ons, maar wij reizen door een zandwoestijn tot Calama, waar de trein van avond zal stilhouden.

’t Is hier wel een ander gezicht, als men uit het raampje van den waggon kijkt, dan bij ons in Frankrijk! Aan alle zijden die uitgestrekte zandvlakte, waardoor de trein voortschuift met een slakkengang, dien hij van het spoorwegpersoneel schijnt te hebben afgekeken.