Een kabelspoorweg in een soda-raffinaderij.
Nu en dan houden wij stil bij houten loodsen, die met den naam van stations worden bestempeld. Als men rondziet in de pampa, begrijpt men niet wat die halten beduiden in een streek, waar geen levend wezen schijnt verblijf te houden. Maar die stations zijn gelegen bij plaatsen, waar natriumnitraat of andere delfstoffen worden behandeld. Deze geheele woestenij is door de cateadores (mijnontginners) grondig onderzocht, en er wordt zooveel mogelijk partij van getrokken. De oogenschijnlijk zoo dorre en eentonige streek bevat onmetelijke rijkdommen, die uit den schoot der aarde aan het licht worden gebracht door lieden, die met menschen alleen het uiterlijk voorkomen gemeen hebben, en wier geestvermogens verstompen onder onafgebroken, zwaren lichaamsarbeid.
Eerst komen wij bij Portezuelo, waar de salpeter-streek begint; het is dertig kilometer van Antofagasta gelegen en 158 meter boven de zee. Daarna Cuevitas; op 83 kilometer afstand en 893 meter hoogte; vervolgens Cerillos, 109 kilometer van Antofagasta en 1024 meter boven de zee, en eindelijk Salinas, 128 kilometer van de kust verwijderd, op een hoogte van 1341 meter.
De nood maakt den mensch vindingrijk, en in het gebrek aan water moet hier volstrekt worden voorzien. Het water, dat hier in geringe hoeveelheden in deze salpeterwoestijn wordt gevonden, is brak en ondrinkbaar. Tegenover het station Salinas bevindt zich een inrichting, die een nadere beschouwing wel waard is; want zij is misschien eenig in haar soort. Hier wordt het water door de zon gedistilleerd. Uit een put midden in de pampa pompen mannen het troebele water op naar groote, ondiepe bassins, die een uitgestrekte oppervlakte beslaan, en bedekt zijn met hermetisch gesloten glazen ruiten, die een weinig naar binnen gebogen zijn. Het proces is eenvoudig. De tropische zon doet het water in de bassins verdampen en die damp zet zich om in waterdroppels, welke langs de binnenzijde van het glas afglijden in buizen, die naar een reservoir leiden. De reusachtige uitgestrektheid van het terrein gaf den vindingrijken ingenieur gelegenheid, deze distillatie op zoo groote schaal te doen plaats hebben, dat de som van al die waterdroppels dezelfde hoeveelheid zuiver water verschaft, die een goede pomp zou leveren. Van groote afstanden komen de menschen dan ook hier heen om drinkwater. Na Salinas duurt de eentonige zandwoestijn nog steeds voort, en men komt voorbij Central en Sierra Gorda, waarheen nog altijd het erts vervoerd wordt uit de beroemde zilvermijn van Caracoles, die van 1870 tot 1885 haar bloeitijdperk beleefde, en millioenen heeft opgebracht, doch thans is uitgeput.
Na Sierra Gorda begint men toch de grenzen der zandvlakte te onderscheiden, en in de verte rijzen bergtoppen op. Weldra glijden wij heuvelhellingen voorbij, die in de avondzon allerlei zonderlinge kleurspelingen vertoonen. Hier is groen de overheerschende tint; daar rood; daar geel. Het zijn sulfiden en oxyden, welke deze hoogten die eigenaardige kleur verleenen. Langzaam klimt de trein tegen de fraaigetinte heuvelhellingen op. De zon gaat achter de hooge bergen onder, een frissche koelte begint te waaien, en daar de menschen in deze streken van elk hulpmiddel gebruik maken, dat de natuur hun biedt, zien we thans karren voorbijrijden, van hooge masten voorzien, die als schepen met volle zeilen voortstevenen. Ook de werklieden van den spoorweg maken gebruik van dit hulpmiddel, om des te spoediger het station, waar zij overnachten, te bereiken.
Eindelijk zien we, om zes uur des avonds, het groen van enkele bremstruiken. We hebben de oase van Calama bereikt, 2265 boven de zee, en 238 kilometer van Antofagasta gelegen. Na tien uren in den trein te hebben doorgebracht zou een goede nachtrust ons wel te pas komen.
Calama is een allertreurigst armoedig plaatsje. Bij onze aankomst wordt ons, op onze vraag naar het beste hotel, een zeer verdacht uitziende posada aangewezen. Maar wij kunnen toch moeilijk den geheelen nacht heen en weer wandelen op het perron, en de trein gaat eerst morgen verder. Calama verheugt zich ook niet, zooals Antofagasta, in een klimaat waarin oranjeboomen bloeien. We zijn hier op een hoogte van omtrent 2300 meter; dat maakt nog al verschil.
Na een maaltijd uit onzen meegebrachten voorraad blikjes, met brood, dat van morgen versch was, maar door het ijler worden der lucht zoo bros als beschuit is geworden, deelen wij met onze medereizigers de paar vuile stroomatrassen, die tot onze beschikking worden gesteld. ’t Is hier alles behalve comfortabel. De bewoners van Calama betrachten zeer nauwgezet het: “Wat gij wilt dat anderen u zouden doen, doet hun ook alzoo.” Maar om te beginnen stellen zij zelf geen heel hooge eischen. Achter het planken beschot doen zekere onverstaanbare keelklanken vermoeden, dat onze buren behooren tot dat edelaardige volk, de weldoeners der menschheid, die ons de Yorkshire ham hebben geschonken. Om acht uur zijn we allen, door vermoeienis overmand, in slaap.
Om halfvijf ’s morgens reeds doet het gefluit van den trein ons opspringen. We zijn er niet rouwig om, dat we in onze rust worden gestoord, en blijde, dat we om zes uur verder trekken.
Voor 1879 behoorde Calama en de geheele woestijn, die thans achter ons ligt, aan Bolivia. Chili, dat op dat tijdstip op gespannen voet was met Peru zoowel als Bolivia, veroverde Antofagasta op 14 Februari 1879, en heeft het sedert dien tijd behouden. Antofagasta was Bolivia’s eenige haven, de eenige verbinding welke het bezat met de buitenwereld. De Bolivianen verdedigden zich dan ook met mannenmoed; maar de tegenwoordige toestand van het leger in aanmerking genomen, is het wel te begrijpen, dat in die dagen de beroemde slag bij Calama, waarbij de chileensche troepen onder kolonel Emilio Sotomayor eenige boliviaansche vrijwilligers in de pan hakten, voor Bolivia een tweede Waterloo werd. Na die nederlaag zou Bolivia zeker gemakkelijk door Chili zijn geannexeerd, maar de overwinnaars bleven op hun lauweren rusten, en stelden zich tevreden met de bezetting van het plaatsje Calama, dat thans, na het aanleggen der spoorlijn, nog slechts 5 à 600 inwoners telt. Later, toen Chili ook de Peruanen, die Bolivia te hulp kwamen, had verslagen, maakte het zich van een grooter gedeelte van Bolivia meester, tot voorbij Ascotan, en geraakte daardoor in het bezit van een uitgestrekt terrein, dat rijk was aan calcium-boraten en delfstoffen van allerlei aard.
In Calama herhaalde zich aan het loket de geschiedenis van den vorigen dag.
“Een biljet eerste klasse Uyuni, als ’t u blieft.”
“Drie en twintig piasters, tachtig centavos,” zegt een stem.
“Goed”. Ik leg vier en twintig piasters neer.
Het kaartje komt voor den dag, maar geen geld.
“Ik krijg nog twintig centavos van u”.
“Jawel, mijnheer; maar ik heb geen geld terug.” Waarop precies dezelfde woordenwisseling volgde als gisteren te Antofagasta.
De trein staat stil. Nu zijn we in Cere; weer midden in de woestijn. In de verte, rechts, blaast de vulkaan San Pedro rookwolken uit, bij geregelde tusschenpoozen, juist als een stoommachine.
Boliviaansche vagebonden, aan de grens gevat.
Wij stijgen steeds hooger. Na Cere volgt Conchi, 3500 meter hoog gelegen, aan het riviertje de Loa. Die Loa, waarvan men in Chili met veel ophef spreekt, is maar een bescheiden stroompje, dat elf maanden in het jaar als een rustige beek voortvloeit tusschen honderd meter hooge rotswanden, ontstaan in verwijderde tijdperken, toen deze woestenij geschapen werd.
Na Conchi gaat de trein over een 144 meter lange brug, die deze beide steile rotswanden met elkander verbindt. Het is een echt moderne constructie, licht en luchtig op het oog, maar ijzersterk van bouw. De reiziger, die op het achterbalkon van den laatsten wagen staat, kan toch een lichte huivering niet onderdrukken, als hij honderd meter beneden zich het water in de diepte ziet vloeien. De overzijde is echter spoedig bereikt, en opnieuw houdt ieder zich uitsluitend bezig met de gewichtige vraag, of hij al of niet de sorroche zal krijgen.
Die sorroche, in Chili puna genaamd, is een soort bergkwaal, een aandoening van de ademhalingswerktuigen, veroorzaakt door de ijlheid van de lucht. Ieder heeft natuurlijk aan de kust allerlei middeltjes daartegen opgedaan. De een zweert bij ether; de Engelschen beginnen maar vast zich te versterken met ferme hoeveelheden gin en cognac. Ons bevalt nog het beste, van tijd tot tijd wat ammonia op te snuiven.
Er worden akelige staaltjes van verteld; sommige menschen hebben het zoo benauwd, dat het bloed hun uit neus en ooren spuit; anderen worden zeeziek, en weer anderen hangen met het hoofd uit het raam als een visch op het droge naar adem te snakken. Midden onder die verhalen vliegt de kurk van een fleschje ether met een knal uit de opening. Dit komt door de vermindering van den luchtdruk, die hier niet zoo sterk is, als te Antofagasta, waar de flesch werd gevuld.
Na in vele bochten om den voet van den San Pedro te zijn gelaveerd, houdt de trein stil bij het station van dien naam, op 3233 meter hoogte, waarboven zich de reusachtige rookpluim van den steeds werkenden vulkaan verheft. De voorzichtigsten onder het reisgezelschap, die geen lust gevoelen, zich te wagen aan de onsmakelijke poespas, die ons hier allicht zal worden voorgezet, ontbijten met de meegenomen proviand. Anderen vallen met groote graagte aan op het zoogenaamde “buffet van San Pedro”, waar ze zich te goed doen aan een veelkleurig mengelmoes van aardappelen, rijst, tomaten en andere groenten, gekruid met specerijen en zwemmend in een verdacht uitziende geelachtige saus, waarin stukken niet bijzonder smakelijk vleesch drijven. ’t Is het nationale lievelingsgerecht van Bolivia, chupe genaamd.
Tweehonderd meter van het station zijn in den berg de reservoirs uitgehouwen, waardoor Calama en Antofagasta van water worden voorzien. Terwijl de overige reizigers aan ’t smullen zijn, gaan wij ze bekijken. Het zijn groote, met cement bekleede bassins, waarin het water der stroomen, die door de eeuwige sneeuw van den San Pedro worden gevoed, moet worden opgevangen. Jammer genoeg, en een bewijs te meer van de algemeene achteloosheid en onverschilligheid hier te lande is het, dat de ingenieurs, die dit grootsche werk, een watertoevoer naar Antofagasta van een afstand van 314 mijlen, tot stand brachten, zich hebben vergist. Toen het werk voltooid was, bespeurde men, dat het water van de Rio San Pedro, ’t welk zij hadden afgeleid, bestanddeelen bevatte, die het ongeschikt maakten, zoowel om als drinkwater gebruikt te worden, als voor wasscherijen dienst te doen. Men had hiervoor het water van de Rio Polapi moeten kiezen, een ander riviertje, dat eveneens op den San Pedro ontspringt, en zich uitstort in de Rio Loa.
Een moderne boerderij op de hoogvlakten van Bolivia.
Wij moesten zorgen, ons plaatsje in den waggon weer op te zoeken, wat ons lang niet gemakkelijk viel, al hadden we maar een 250 meter te loopen tot aan den trein. De sorroche plaagde ons nu reeds geducht. We kwamen buiten adem bij den waggon, alsof we lang achtereen hard geloopen hadden. Iets later kreeg een der reizigers een ergen aanval; hij bloedde uit neus en ooren en leed herhaaldelijk aan brakingen. Een vier en twintig uren zou dat zoo wel aanhouden, dacht men. Wij trachtten er maar niet op te letten, want de sorroche is besmettelijk, evenals de zeeziekte.
De weg blijft steeds stijgen rondom den vulkaan, wij rijden langs stroomen basalt-lava. Daarop volgt plotseling, zonder overgang, een aschvlakte, die bezaaid is met geweldige steenklompen. Ze zijn zoo dicht opeengehoopt als hagelkorrels, maar ze smelten niet, ze liggen daar bij duizenden opgestapeld. Die vlakte zal alles behalve een aangename verblijfplaats zijn, als de San Pedro, na jaar en dag rookwolken te hebben uitgeblazen, eens weer tot een uitbarsting komt. Bij Polapi, op 3772 meter, houden we vijf minuten stil. Dan volgt Ascotan, op 3956 meter, waar we tien minuten ophouden. Men krijgt een gevoel, alsof de locomotief ook last van sorroche moet hebben, en eens even moet uitblazen. Ascotan is het hoogst gelegen punt van den spoorweg. Wij laten San Pedro achter, en zien vóór ons den vulkaan Ollagué, van Ascotan gescheiden door een uitgestrekte vlakte van calcium-boraat. Welke schatten rusten hier, 3900 meter boven de oppervlakte van den Oceaan, die in verwijderde tijdperken ook hier haar golven heeft voortgestuwd. In de verte gelijkt het een sneeuwveld, of nog meer op een zilveren watervlak, dat spiegelt in de zon. Het is inderdaad een soort van meer, maar het is gevuld met een troebele stof, zooals water waarin zeer veel zout is opgelost. Wee den ongelukkige, die zich op de oppervlakte zou wagen; hij zou onmiddellijk wegzinken.
Des nachts bevriest die uitgestrekte plas, en bij het aanbreken van den dag kunnen lama’s en schapen hem oversteken. De mensch weet echter een beter gebruik te maken van wat hem hier geboden wordt. Bij het station Cebollar, 388 kilometer van Antofagasta gelegen, bevindt zich de werkplaats, waar deze delfstof wordt bearbeid. Men schept als ’t ware het bovenste van den plas af, en laat de weeke pap, die zestig percent water bevat, in de zon drogen. Als de stof vast genoeg is, wordt zij in poreuze blokken, die op witten puimsteen gelijken, per spoor naar Antofagasta vervoerd, om vandaar den Oceaan over te steken.
In de omstreken van Arequipa in Peru, op de hellingen van den vulkaan Misti, bestaat een dergelijk meer van calciumboraat. Maar inplaats van het in de zon te laten drogen, waarbij nog een aanzienlijke hoeveelheid vocht in de stof achterblijft, wordt het hier gecalcineerd, tot het boraxgehalte veertig à vijfenveertig percent bedraagt. Daar de stof, op deze wijze behandeld, veel minder zwaar weegt, maakt dit een aanmerkelijk verschil in transportkosten en is de winst dus veel grooter.
Uit deze boorzure kalkzouten wordt het boorzuur en de borax getrokken, die in de nijverheid zulk een belangrijke rol spelen, vooral bij het bleeken van stoffen.
Zwavel wordt hier ook aangetroffen, maar is tot nog toe weinig geëxploiteerd, daar de vlakte tusschen San Pedro en Ollagué moeilijk te bereiken is. Men zal hier echter binnenkort ook fabrieken van zwavelzuur oprichten, daar deze stof juist in dit aan mineralen zoo rijke land onontbeerlijk is, terwijl het tot nu toe uit Europa werd aangevoerd.
Een fransch ingenieur heeft, naar ik vernam, een eenvoudige wijze ontdekt om deze kostbare stof te vervaardigen op de plek zelve, waar de zwavel gevonden wordt. Hij moet zelfs aan het chileensche gouvernement hebben aangeboden, hun zijn ontdekking bekend te maken, op voorwaarde dat men hem een modelfabriek zou laten oprichten, waarbij hij zich het recht voorbehouden zou, de machines te leveren voor particuliere ondernemingen, die zijn methode wenschten te volgen.
Bij het station Ollagué zeggen we Chili vaarwel. Hier is sinds 1881 de nieuwe grens van Bolivia, 435 kilometer van Antofagasta gelegen. Verder kan Chili niet gaan, zonder Argentinië in ’t harnas te jagen. Het zou zich gaarne meester maken van Lipez, dat honderd mijlen verder naar het Oosten ligt dan Ascotan, en waar belangrijke zilvermijnen zijn. In dat geval zou Bolivia met zijn duizendtal soldaten niet veel kunnen uitrichten. Maar Argentinië houdt een oog in ’t zeil, en Chili dient op zijn hoede te zijn.
Nu zijn we dus in Bolivia, op de hoogvlakte van het binnenland. We hebben de eerste schreden gezet op de Andes. Veel later eerst zullen wij die onmetelijk hooge bergwanden zien verrijzen, aan de andere zijde der uitgestrekte puna, de kale vlakte zonder eenig spoor van plantengroei, die een oppervlakte van achthonderd vierkante mijlen beslaat, op een gemiddelde hoogte van 4000 meter.
Om acht uur des avonds komen we aan te Uyuni, dat 610 kilometer van Antofagasta verwijderd is. Veertien uren achtereen hebben we in den trein gezeten. We voelen ons te zeer geradbraakt om iets anders te doen, dan te snakken naar voedsel en een beter bed dan gisteren te Calama. Gelukkig vinden we hier een hôtel, dat aan een Franschman behoort, en waar we een goed avondmaal en een zindelijke slaapplaats kunnen krijgen. We beschouwen den heer Gobilard als onzen weldoener, en zegenen zijn gelukkigen inval om in deze streek een fatsoenlijk logement op te zetten.
Den volgenden morgen herhaalt zich aan het loket te Uyuni hetzelfde tooneel van den vorigen dag. Ik ga in ’t vervolg een zwaren zak kleingeld meetorsen op reis. Al slijten mijn zakken dan ook dubbel zoo snel, beter dat de kleermaker er wat aan verdient, dan dat ik mij op deze manier moet laten foppen.
Vóór 1892 ging de trein niet verder dan tot Uyuni. Slechts een afzonderlijk lijntje, het eigendom van de Huanchaca-maatschapprj, liep van hier naar Pulacayo, waar zich de mijnen der compagnie bevonden. Deze weg, waarlangs Pulacayo in twee uren wordt bereikt, loopt tusschen hooge bergketenen. Gelukkig telde de maatschappij onder haar voornaamste aandeelhouders ook den heer Aniceto Arce, een der weinige presidenten van Bolivia die niet werden vermoord, en die de algemeene achting zijner medeburgers genoot. Aan zijn invloed is het te danken, dat de lijn werd doorgetrokken tot Oruro; daar de mijnen der laatstgenoemde plaats met die van Huanchaca in verbinding stonden. Als president Arce niet wegens persoonlijke beweegredenen er voordeel in had gezien, die spoorweglijn te laten aanleggen, zou Bolivia zich zeker nog in lang niet hebben verheugd in het bezit van dit verkeersmiddel. Dit is weer een nieuw voorbeeld van boliviaansche politiek; alle vooruitgang hangt hier af van het onmiddellijk belang eener bevoorrechte groep, en men kan zich licht voorstellen hoe treurig de toestand van het volk is onder een dergelijk bewind, terwijl bovendien twee millioen van de inwoners niet eens de landstaal spreken, maar verschillende indiaansche dialecten. Van Huanchaca naar Potosi, en van Potosi naar Sucre is men thans wel verplicht, zijn weg per muilezel voort te zetten. Doch aan hoevele gevaren zijn de reizigers op zulke tochten niet blootgesteld! Het eerste traject neemt van vier tot zes dagen, het tweede minstens drie, en de weg naar Sucre, dat tusschen hooge bergen ligt ingesloten, is woest en eenzaam. Afgezien van het gevaar, zich een longontsteking op den hals te halen in dit klimaat, bestaat ook altoos kans op een aanval van Indianen of struikroovers; of de reiziger kan door het geweld van een der bergstroomen met muilezel, bagage en al worden medegesleurd, om verpletterd te worden tegen een rots, als hij niet reeds den dood heeft gevonden in het woest schuimende water, zooals het lot is geweest van een Duitscher, die op weg naar Cochabamba den Pilcomayo overtrok. Dit zijn geen ingebeelde gevaren! Er worden verschrikkelijke voorbeelden aangehaald. Een fransch reiziger geraakte hier tusschen draaikolken, en had zijn leven slechts aan een gelukkig toeval te danken. Een fransche attaché had het ongeluk, dicht bij Huanchaca zijn been te breken, en moest vier uren alleen in de sneeuw blijven liggen, terwijl de Indiaan, die zijn gids was, hulp ging halen. De Duitscher, van wien ik daareven sprak, is in den Pilcomayo verdronken. En hoevele onbekenden vonden niet in deze streken den dood, wier lijken somtijds de Rio de la Plata komen afdrijven naar den Oceaan, om spoorloos te verdwijnen.
Maar thans zetten wij onze reis naar Oruro verder voort. Van het landschap valt niet veel nieuws te vermelden. Nog steeds, zoover het oog reikt, de puna, een eentonige drassige vlakte. Maar hier vertoont zich toch een spoor van dierlijk leven. Hier en daar staan lama’s, met uitgerekten hals en wantrouwigen blik, den trein aan te staren, dien zij als hun mededinger mogen beschouwen. Want de kudden lama’s, die de puna doortrekken, heeten in den volksmond ferrocarril de Bolivia (spoorwegen van Bolivia). Ze schijnen met hun levendige oogen en schranderen blik den Europeaan spottend te tarten, en te vragen: “Ongelukkig schepsel, wat komt gij hier doen op deze hoogten, waar slechts wij zonder moeite kunnen ademhalen?” Hun bovengenoemden bijnaam hebben de lama’s gekregen, omdat zij met de ezels de eenige goedkoope, en dus bereikbare vervoermiddelen zijn in dit land. De zachtaardige dieren, geduldig als de os, matig als het kameel, waarmede zij den hals, de kop en de dubbele maag gemeen hebben, snelvoetig als het hert, waarop zij door vorm van pooten en lichaamsbouw gelijken, maken den grootsten rijkdom van Bolivia uit. In de steden of dorpen, voor de deur der kooplieden, bevestigt men met leeren riemen, die rondom hun lijf worden gewonden, de vrachten, welke zij soms over afstanden van 500 tot 600 mijlen hebben te vervoeren, en die hun niet worden afgenomen, eer zij de plaats hunner bestemming hebben bereikt.
Het reizen op de boliviaansche hoogvlakte is op den duur grenzeloos eentonig en vervelend. Met groote blijdschap begroeten wij dan ook, na elf uren sporens, het eindstation Oruro. Oruro is een leelijke stad, maar ons niettemin op dit oogenblik van harte welkom. We zijn nu 924 kilometer verwijderd van Antofagasta, en hebben dien weg in drie dagen afgelegd.
Oruro telt ongeveer achtduizend inwoners, waaronder zich zeker niet meer dan driehonderd beschaafde blanken bevinden. De overigen zijn Indianen en Cholo’s, die in de mijnen werken, en muilezeldrijvers. Oruro bestaat slechts door zijn zilvermijnen. Eenzaam te midden van een woestijn gelegen, zonder drinkwater, blootgesteld aan felle koude en wind, in een uiterst dorre en onvruchtbare streek, zou de stad zonder haar mijnwerken nooit de plaats bekleeden, die zij thans inneemt. Oruro is als eindstation van den spoorweg ontegenzeggelijk de voornaamste handelsstad van Bolivia; veel gewichtiger dan Uyuni. Behalve door de mijnen, bloeit het ook door den handel in allerlei waren, die de groothandelaars van hier naar alle oorden van het land in groote hoeveelheden verzenden. Oruro heeft directe verbinding met Cochabamba; indirect is het met Sucre en Potosi en zelfs met La Paz verbonden. Hier voorzien zich ook de vele mijnexpedities, die door geheel Bolivia worden uitgezonden, van al wat zij noodig hebben. Daardoor is Oruro, ondanks het geringe aantal beschaafden, die het onder zijn inwoners telt, toch de belangrijkste stad van het land.
Maar zoodra men er zijn zaken heeft afgedaan, heeft men er ook verder niets te zoeken, want de stad bezit geen de minste aantrekkelijkheid. Men doet werkelijk het best, zoo spoedig mogelijk een muilezeldrijver te huren, en zich op weg te begeven naar Cochabamba. Het type van den arriero of muilezeldrijver, aan wien men voorloopig zijn lijf en have gaat toevertrouwen, is zeker wel ongewoon in de oogen van een groote-stadsbewoner. Gewoonlijk is hij sterk gebouwd, taai en gehard door zijn levenswijze, met een schranderen oogopslag en een olijfkleurige huid, vol groeven en rimpels. Bestand tegen vermoeienis, honger, dorst, koude en hitte, slijt hij zijn leven op den rug van zijn muildier, en vervoert zonder ophouden vrachten van groote waarde, dikwijls staven zilver en goud. Jaren achtereen houdt hij dit leven vol, zonder dat er ooit reden bestaat om hem van de geringste oneerlijkheid te beschuldigen. Toch zou men op het eerste gezicht geneigd zijn, hem voor een geduchten boosdoener te houden. Onder zijn grijzen vilten hoed heeft hij een zakdoek om het hoofd gebonden. Hij is in een ruimen poncho van donkerbruine lamawol gehuld, en draagt een bouffante van dezelfde stof om den hals. Uit een der kappen van zijn groote wijde laarzen steekt het heft van een lange navaja, waarvan hij zich zoowel ter verdediging bedient, als voor huishoudelijk gebruik. Dikwijls trilt zulk een stevige kerel onder zijn warme deken, niet van koude, maar van de koortsen, die hij heeft opgedaan in de ongezonde streken van Bolivia, waarheen hij reizigers heeft begeleid. Voor het vertrek dient men er vooral op aan te dringen, dat de muilezels op den dag van de afreis vroeg bij de hand zullen zijn. Want op zulk een afscheidsdag is de boliviaansche muilezeldrijver niet zeer nauwgezet in het nakomen zijner verplichtingen. Hij bezit in elke stad een groot aantal goede vrienden, die den avond voor zijn vertrek een afscheidsfeest plegen te geven, en zich daarbij weinig om den dag van morgen bekommeren, noch om de onaangename gevolgen van dit uitstel voor den reiziger, die de diensten van hun vriend behoeft.
Tegen zeven uur ’s morgens wordt onze uitrusting nog eens goed nagezien, en als het zadel en tuig, de mondvoorraad en verdere reisbenoodigdheden in goede orde zijn bevonden, begeven we ons op weg. Het is acht uur als wij de laatste huizen van Oruro achter ons laten.
De zon der tropen brandt veel te fel en verschroeit onze europeesche huid. We beginnen maar vast, ons gezicht met vaseline in te smeren, om niet reeds den eersten dag totaal te verbranden.
Het gaat op een sukkeldrafje, den gewonen stap van den muilezel, die zoo geregeld is, dat men op vlakken bodem met zijn horloge in de hand de afgelegde afstanden precies kan nagaan. Zes of zeven mijlen in het uur is zijn gewone gang.
Ongeveer dertien mijlen van Oruro zien we links in de verte een paar grauwe huisjes, het zijn woningen van Indianen, en het groepje, dat ze vormen, wordt San Juan genoemd. Een vijftal kilometers verder komen we aan de Rio Paria. Een breede bedding van zand, en bijna geen water. Wij zullen de bedding der rivier volgen, die ons als weg dient. Thans gaat dat gemakkelijk genoeg, onze muilezels loopen slechts tot even boven de hoeven door het water. Maar als we hier reisden in de maanden tusschen November en Maart, dat is dus in den zomer, zou het er geheel anders uitzien. Dan smelt de sneeuw, en vallen zware regens; de rivieren zwellen, de geheele hoogvlakte is een meer van slijk, en de Rio Paria een geweldige stroom, dien men niet dan met levensgevaar kan doorwaden. Dicht bij den oever zien we een groep mijnwerkerswoningen. De mijnen van Rio Paria behoorden voor het grootste deel aan den verdwenen president Alonso, die zich bijtijds heeft teruggetrokken. Men had nog eenigen tijd de hoop gekoesterd, dat hij het goede voorbeeld van President Arce, die den spoorweg tot Oruro doortrok, zou volgen en de lijn verlengen tot aan Rio Paria, maar de revolutie sloeg die verwachtingen den bodem in.
We trekken onder deze en dergelijke overdenkingen getroost verder, zachtjes door het water plassend, het lastdier voorop; dan de muilezeldrijver, die den weg wijst, en eindelijk mijn persoon, als een priester, die wordt voorgegaan door zijn dienaren.
Op eens stroomt de rivier tusschen hooge, steile rotswanden; de Quebrada of engte van Condorchinoca. Ik ben blijde, dat ik dien naam hoor, want na dien pas zullen we mogen stilhouden, om te middagmalen. Het is nu een uur; van acht uur af hebben we al te paard gezeten, en ik verlang geducht om eens af te stappen. We gaan een omheinde plek binnen, waar een klein gebouwtje staat. Terwijl de gids aan ’t uitpakken is van onze eetwaren, neem ik de soort pleisterplaats in oogenschouw, waar we zullen rusten. Vier wit gekalkte muren; als tafel een hoop harde klei in het midden, en verder niets dan vuil op den grond. Ziedaar in ’t kort alle gemakken vermeld, welke hier in zulke schuilplaatsen in ’t gebergte ten behoeve der reizigers worden aangetroffen.
Het oversteken eener rivier over een hangende brug.
Volgens de zeden der Incas is het den Indianen niet geoorloofd, den vreemdeling een schuilplaats of een dronk water te weigeren. Eieren zijn overal te krijgen, en dat is gelukkig; men weet dan tenminste, wat men eet, en kan het menu aanvullen met den voorraad, dien men zelf heeft meegebracht.
Cochabamba gelijkt het meest van alle plaatsen in Bolivia op een europeesche stad.
Na een uur rustens begeven we ons weer op weg. Nu gaat het de bergen op. ’t Beste wat ons te doen staat, is, de teugels slap te laten hangen, en het muildier maar rustig zijn gang te laten gaan, hooger klimmend, steeds hooger, tot de avond begint te vallen.
Na elke tien stappen staat het beest stil, om adem te scheppen. Het zou niets helpen, of men het al trachtte aan te sporen. We zijn op het plateau van Costa Colorada, 4900 meter boven de zee, en de lucht is hier zóó ijl, dat we bijna geen adem kunnen halen. Als we ’t waagden, uit medelijden met het zwoegende muildier, of omdat ons het aanhoudend in den zadel zitten vermoeit, af te stappen, zouden we geen twintig schreden kunnen gaan, zonder neer te vallen, en hoogst waarschijnlijk niet eens kracht genoeg hebben om weer op te stijgen, zonder de hulp van onzen gids. In de verte wijst deze ons thans, in de schemering, een hoogen berg, die voor ons oprijst.
Van nacht om vier uur zullen we dien moeten beklimmen. ’t Is al over zes, en wij dalen langs de andere zijde van de Costa Colorada af, in nacht en duisternis. De schemering duurt hier slechts zeer kort. We kunnen geen drie pas voor ons uitzien. Op eens zegt de gids: “Hier zijn we;” en we treden een dergelijke pleisterplaats binnen als die van heden middag. Het is Huaillas, waar we den nacht zullen doorbrengen. We hebben sedert we Oruro verlieten, 65 mijlen afgelegd, en hopen, als we gegeten hebben en de gids mijn bed heeft gespreid, een welverdiende rust te genieten. Het spreekt van zelf, dat ik doe, wat ik iederen reiziger in deze streken in gemoede meen te moeten aanraden, en mij alleen ter ruste leg in het achterste, afgescheiden gedeelte der barak, waar ik een zwaar voorwerp voor de deur zet. Als er geen deur geweest was, zou ik mijn gids hebben gevraagd, dwars voor den ingang der hut te gaan liggen. Men weet nooit wat er gebeuren kan.
Om drie uur ’s nachts moeten we alweer te paard stijgen, als we om zeven uur de plaats zullen bereiken, waar we willen overnachten. Dit is het zwaarste gedeelte van de reis, als men den tocht in drie dagen wil volbrengen. De omgeving is precies dezelfde als gisteren; het gaat berg op, berg af, tot in ’t oneindige. Iemand heeft Bolivia eens de rommelkamer genoemd, waar alle ongebruikte bergen van de wereld zijn weggestopt. Geen vergelijking kan juister zijn.
Waar onze weg die eerste uren tusschen drie en vijf, voor het aanbreken van den dag, langs voert, weet ik niet recht. Een tijdlang volgen we de bedding van een stroom in een nauwe kloof, zoo donker, dat ik niets kan onderscheiden dan den witten hoed van den gids voor mij. Des morgens vroeg zijn we boven op den berg, dien we gisterenavond van Costa Colorada uit konden zien, en de ijskoude wind blaast hier fel. Om acht uur, dertig kilometer na Huaillas, houden we even op te Challa, om de muilezels wat te laten rusten, en dan zetten we, nog steeds stijgend, onzen weg voort.
Reeds hebben we de grens, waar de eeuwige sneeuw begint, overschreden, en nog gaat het hooger. Eindelijk, om half elf, als we een hoogte van meer dan 5000 meter hebben bereikt, komen we op een met sneeuw bedekte vlakte. De wind snijdt ons in ’t gezicht en doet ons verstijven van koude, terwijl de weerkaatsing van het zonlicht op de sneeuw ons de oogen verblindt.
Dit zijn de hoogten van Tapacari. En nu mogen we dan eindelijk afdalen naar het plaatsje Tapacari zelf, dat we als een wit stipje in de verte zien schitteren in de zon, 2500 meter in de diepte. We hebben maar een schraal ontbijt genuttigd en hopen, dat het niet te lang zal duren eer we dat beloofde land hebben bereikt! Over een uur of anderhalf uur misschien?
IJdele hoop! Eerst om twee uur ’s namiddags mogen we verwachten in het plaatsje te zullen aankomen. Men verliest alle begrip van afstanden en verhoudingen te midden van die hooge bergen, die ons aan alle zijden als een reuzenpanorama omgeven.
Aan onzen voet strekt zich thans het dal van Tapacari uit. De sneeuw begint langzaam aan te verdwijnen. Dan komen we aan een steenachtig gedeelte, waar de bodem een roode kleur vertoont. En eindelijk zien we weer plantengroei en groene struiken, die we in Chili reeds hadden vaarwel gezegd.
De weg slingert zigzagsgewijze, en schijnt daardoor nog tweemaal zoo lang. Het wordt twaalf uur, één uur, en evenals gisteren bij het stijgen beginnen we te denken, dat hier aan het dalen nooit een einde zal komen.
De gids schijnt ons ongeduld te bespeuren, en zegt, dat we er nu spoedig zullen zijn. Maar de begrippen van een Boliviaan omtrent tijd en afstand verschillen hemelsbreed van de onze.
Eindelijk! ’t Is twee uur. Van drie uur af zitten we in den zadel, en we verlangen vurig, iets te eten te krijgen in het soort herbergje, waar we hier onderkomen vinden. Maar bij den eersten hap, dien ik in den mond wil steken, kan ik ’t niet meer uithouden van walging en afkeer; want geen vier schreden van ons af zit de eigenaar van dit fraaie etablissement op een hoop vuil en houdt zich onledig met het zwarte haar van zijn dochtertje van ongedierte te zuiveren. Ieder oogenblik doet hij een vangst, die hij met veel smaak verorbert, precies zooals de apen in den dierentuin.
Overal in Bolivia ziet men de menschen in dat opzicht het voorbeeld volgen, hun door de dieren gegeven. In La Paz verdrijven de indiaansche vrouwen, die groente aan de markt brengen, zich den tijd, terwijl ze op haar klanten wachten, met deze betrekkelijk onschuldige bezigheid. De Europeaan, die ze verbaasd staat aan te staren, komt haar even zonderling voor als zij hem, en zij gaan rustig voort, elkander of zich zelf van die ongenoode gasten te bevrijden.
Om drie uur, als we wat hebben gerust, zetten we onzen weg voort door de bedding der Rio Tapacari. ’t Is nog een heel eind weegs. Om zeven uur, in pikdonker, houden we stil, na op dezen rit van zestien uren 85 kilometer te hebben afgelegd.
Des morgens om half elf, den volgenden dag, zijn we in Parotani, tien mijlen verder dan ons nachtverblijf, en verlaten de Rio Tapacari, om het dal van Cochabamba binnen te trekken. De weg is hier prachtig, en het landschap doet soms aan Auvergne denken. We zijn hier op een hoogte van 2500 meter, we rijden in de schaduw van lommerrijke boomen en ruiken bloemengeuren, zoodat de tijd ons niet lang valt, en we om twaalf uur, eer we er aan denken, onze rustplaats hebben bereikt.
Na ons middagmaal trekken we verder, door het plaatsje Hacolio, dat al even vuil is als Tapacari, al is het de hoofdplaats der provincie. De bewoners laten al het vuil midden op straat liggen, maar hebben wel tijd om feestelijke toebereidselen te maken voor een kerkelijke processie. Ze dragen hun heiligen rond door de straten, waar men het niet kan uithouden van den stank. De priesters mochten die Indianen wel eens leeren, dat reinheid ook een Christelijke deugd is.
Tegen vier uur komen we op den grooten weg naar Cochabamba. Hier ontmoeten we Indianen en kudden lama’s, waarnaar kleine halfnaakte Cholo-kinderen kijken, die aan den weg zitten.
’t Is aangenaam, eens weer levende wezens tegen te komen, en te voelen dat men bewoonde streken nadert. Eindelijk en ten laatste hebben we Cochabamba bereikt.
Cochabamba (in het quichua beteekent cocha: meer, en bamba of pampa: vlakte) wil dus zeggen vlakte der meren. Er worden inderdaad in het dal van dien naam verschillende meren aangetroffen. Cochabamba is werkelijk geen onaardige stad. ’t Is bepaald de eenige plaats in Bolivia, die eenigszins een europeesch voorkomen heeft, wat ons hier wel als iets zeer zonderlings moet treffen, wanneer men in aanmerking neemt, hoe ver het van de beschaafde wereld is gelegen, en hoe uiterst moeilijk het te bereiken is. Het echter, zooals sommige bereisde Cochabambineezen doen, voor een miniatuur-Parijs te verklaren, komt mij wat overdreven voor. De bewoners, die zich mogen verheugen in dezen welluidenden naam, welke bepaald in een komische operette geen slecht figuur zou maken, zijn ongeveer 25000 in getal; en omtrent vier duizend van hen leven op europeeschen trant.
Cochabamba is de sleutel, die toegang verleent tot de provincies Beni en Santa Cruz.
Deze twee groote departementen hebben geen andere plaats, waar zij hun werktuigen en andere noodzakelijke dingen kunnen aanschaffen. Hier worden ook uit het binnenland caoutchouc, coca, en kostbare houtsoorten heengebracht, die verder worden gevoerd naar de kust van den Stillen Oceaan en van daar naar Europa. Cochabamba is dus uit den aard der zaak een belangrijke stapel- en uitvoerplaats. Het heeft dit op Oruro voor, dat het ook handel kan drijven in zijn eigen producten, want het departement, waarvan het de hoofdplaats is, is door zijn landbouw het rijkste van Bolivia. Overigens valt ook in Cochabamba niet veel merkwaardigs te zien. De menschen zijn er vuil, zooals overal in dit land. Wie hier, als vreemdeling, vraagt naar een gelegenheid, waar men een bad kan nemen, wekt ongeveinsde verbazing, zoowel te Oruro als te Cochabamba. In de laatste plaats wordt men naar Calacala verwezen, een dorpje, dat drie mijlen van Cochabamba ligt, en waarlangs een riviertje stroomt. Daarin kan men, als het niet is uitgedroogd, baden, in gezelschap van paarden, honden en muilezels. En dan moet men bovendien niet bang zijn voor de kou; want de temperatuur van het water in de open lucht is hier niet hoog. Te Sucre werd mijn vraag naar zulk een gelegenheid met een medelijdend schouderophalen beantwoord, en Potosi ligt veel te hoog, dan dat men daar het kostbare water zou willen verspillen aan iets zoo lichtzinnigs en overbodigs als een bad. Als men eindelijk na maanden reizens te La Paz aankomt, is men al heel blij, een inrichting te vinden, waar de badkuipen precies het model vertoonen van het noodlottige bad, waarin Murat werd vermoord.
In muziek hebben de Bolivianen bijzonder veel liefhebberij. Elken morgen worden de bewoners van Cochabamba gewekt door de vroolijke klanken der militaire muziek. Een half uur lang duurt dat oorverdoovend geschetter, en ’s avonds voor het ter ruste gaan wordt opnieuw een deuntje geblazen. Verder speelt de militaire muziek bij alle mogelijke gelegenheden een rol; bij begrafenissen, zoowel als bij processiën of feestelijke gelegenheden. En daar de Bolivianen blijkbaar van stemmingsmuziek nooit hebben gehoord, en het hun minder om den aard der melodieën, dan om het ontwikkelde klankvolume te doen is, moet men zich hier volstrekt niet ergeren of verbazen, als bij wijze van marche funèbre een wijsje van Offenbach wordt ten beste gegeven. Toen ik op een goeden dag in mijn hotel zat te schrijven, dat vlak tegenover de kerk was gelegen, had ik reeds vóór het begin der plechtigheid het geheele garnizoen, met muziek incluis, het kerkgebouw zien binnentrekken. Ik moet bekennen, dat ik zelfs toen nog ietwat verwonderd was, de mis te hooren begeleiden door een bloemlezing uit de melodieën van de opera “la Mascotte”. Toen het belletje klingelde, barstte het orkest verheugd los met: “Les présages, les songes, ne sont pas des mensonges”,—en zoo ging dat voort tot het einde van de plechtigheid toe.
Te Cochabamba bestaat een allerzonderlingste gewoonte onder de schildwachten, die er ’s nachts op post staan. Om te bewijzen, dat zij klaar wakker zijn, moeten die goede zielen om de twee minuten, zoo hard zij kunnen, schreeuwen: “Estoy despierto”. (Ik ben wakker). Den geheelen nacht door hooren de menschen, die in de buurt wonen, dat eentonige geroep, dat even geregeld terugkeert als het slaan van een uurwerk.
Voor menschen, die steeds op nieuwe sensaties belust zijn, is het bepaald een buitenkansje. Maar als men bedenkt, dat het in den oorlog zaak is, de schildwachten zoo stil en onbemerkt mogelijk hun plaats te laten innemen, opdat ze den vijand kunnen bespieden, zonder door hem te worden overvallen, dan vraagt men zich af, wat er wel gebeuren zal, en hoe het moet afloopen, als zulke soldaten plotseling ontheven worden van de verplichting, zich en anderen door dat geregeld terugkeerende gebrul uit den slaap te houden.
De boliviaansche militairen, die zich voor de best geoefende soldaten ter wereld houden, zullen niet licht dergelijke overwegingen bij zich voelen opkomen. Zij zijn trotsch op hun voorbeeldige gehoorzaamheid aan de krijgstucht, en geen bevel kan hun te onredelijk zijn, om het niet, strikt en zonder nadenken, letterlijk op te volgen. Men hoort, wat dat betreft, merkwaardige verhalen van de wijze, waarop President Mariano Melgarejo, die gedurende zes jaren als een tiran over Bolivia heerschte, zijn bevelen wist te doen gehoorzamen. Melgarejo, die altijd min of meer onder den invloed was van sterken drank, had eens op een dag den franschen consul bij zich ten eten gevraagd. Sprekend over de voorbeeldige gehoorzaamheid van zijn troepen, kreeg hij het plotseling in den zin, eens een staaltje daarvan te toonen.
“Heidaar,” riep hij uit het venster de soldaten toe, die op het plein voor het paleis de wacht hielden, en hij wenkte hen om boven te komen.
Zij deden, zooals hun bevolen was. Juist in die dagen werd een balkon gebouwd voor de vensters der tweede verdieping van het paleis, waarvan de balustrade nog niet geplaatst was. Melgarejo liet zijn manschappen op een rij plaats nemen voor de open vensters, die op het balkon uitkwamen en kommandeerde met luider stem: “Voorwaarts marsch.” De soldaten stapten dapper vooruit, zonder zich erom te bekreunen, dat hun na drie schreden de dood of verminking wachtte. Melgarejo riep niet: “Halt!” en de voorste rij viel dan ook beneden op de steenen te pletter.
Dat de volgenden hun lot niet deelden, hadden zij te danken aan den franschen consul, die met stentorstem: “Halt” riep, om ten minste het leven der anderen te redden.
Die zelfde Melgarejo, van wien in de volksalmanakken vermeld staat, dat zijn gruwzame, bloedige regeering duurde van 28 December 1864 tot 15 Januari 1871, moest vluchten, toen de revolutie uitbrak, en werd kort daarna te Lima door zijn eigen schoonbroeder vermoord. Hij schijnt een man te zijn geweest, die aan bloeddorstige wreedheid een ongelooflijke stoutmoedigheid paarde. Op den 27sten Maart 1865 had generaal Manuel Isidore Belzu, die, na tien jaar lang zijn ambt te hebben bekleed, heelshuids het presidentschap had neergelegd, Melgarejo, die hem in December van het vorige jaar had verdrongen, in de omstreken van La Paz op de vlucht geslagen. Het leger, dat op de hand van Belzu was, begroette hem reeds weer als hun nieuwen president, toen Melgarejo zich alleen naar La Paz begaf, en zich aan het paleis liet aandienen, onder voorwendsel, dat hij generaal Belzu zijn degen wilde overreiken.
Hij wordt bij den president toegelaten en begroet hem met den in Bolivia gebruikelijken vredekus, waarbij men elkander omhelst en wederkeerig op den rug klopt. Op eens haalt Melgarejo een geladen revolver voor den dag, en schiet Belzu, terwijl hij hem omarmd houdt, door het hoofd, terwijl de troepen buiten, in de meening dat de beide vijanden zich met elkander verzoenen, “leve Belzu” roepen. Met het bloedige lijk van zijn slachtoffer in de armen vertoont Melgarejo zich op het balkon, en roept met luider stem de soldaten toe: “Wie zal leven, Belzu of Melgarejo?” “Melgarejo!” roepen de verschrikte troepen en buigen opnieuw voor den tiran, die hen reeds drie maanden met ijzeren vuist had geregeerd. Na deze misdaad wist Melgarejo zich tot 1871 staande te houden. Van de Engelschen hield hij niet, en zooals wij reeds vermeldden, speelde hij den engelschen consul een leelijke poets. Met Frankrijk was hij bijzonder ingenomen. In den oorlog van ’70 liet hij op een avond, toen hij weer zwaar beschonken was, de troepen onder de wapenen komen, en hield een toespraak, waarin hij verklaarde, dat Frankrijk in gevaar was en hij het zijn plicht achtte, zich op te maken om het ter hulp te snellen. Eenige zijner officieren vroegen zich onder elkander af, hoe dit plan dan wel zou worden ten uitvoer gebracht. Maar tegenover een man als Melgarejo viel aan tegenspraak niet te denken. Hij liep altijd met een geladen revolver rond, en zag er geen bezwaar in, de menschen als honden neer te schieten bij het minste verzet. Des morgens trekt dus het geheele leger, met artillerie en cavalerie, de bergen op, die La Paz omringen. Op het hoogste punt aangekomen, schaart Melgarejo zijn troepen in slagorde en opent het gevecht met den denkbeeldigen vijand. Men schiet een paar uren raak, zonder iemand te treffen, tot de president langzaam aan van zijn roes is bekomen en vreedzaam met zijn legermacht naar La Paz terugkeert, in de overtuiging, dat hij Frankrijk een grooten dienst heeft bewezen. Zes jaar lang hielden de Bolivianen het uit onder dezen president, wiens luimen zij geduldig verdroegen. Men verwondert zich bijna over het feit, dat zij hem ten slotte toch zijn kwijt geraakt.