De weg van Cochabamba naar Sucre is ver van gemakkelijk.
Cochabamba, in het dal van dien naam gelegen, dat de voortzetting is van het Tapacari-dal, wordt omgeven door een halven cirkel van hooge bergketens, waarachter de provincie Beni ligt, een bijna woeste streek. Beni is een tropisch land, met weelderigen plantengroei, en wordt slechts bezocht door de enkele reizigers, die er caoutchouc komen zoeken. De andere zijde van deze bergketens, waarboven zich de 6000 meter hooge Tunari-top verheft, is naar den Atlantischen Oceaan gekeerd. Muildieren zijn ook hier het eenige vervoermiddel. ’t Is het maagdelijk woud met al zijn gevaren: moerassen, koortsen en gevaarlijke dieren, zooals slangen, jaguars en luipaarden.
De straten hebben een voorkomen dat aan Spanje herinnert.
Zij, die zich in deze streken hebben gewaagd, zoeken nog steeds naar geschikte wegen voor het vervoer der caoutchouc. Thans kent men geen beter middel, dan door in platte booten de rivieren af te varen. De Madre di Dios, de voornaamste dezer stroomen, stort zich uit in de Amazonenrivier. Maar haar loop wordt dikwijls onderbroken door stroomversnellingen en daardoor moet zoowel de boot als de lading telkens aan den oever worden gebracht en voorbij deze onbevaarbare plaatsen worden vervoerd.
Het leven der caoutchouc-zoekers in Beni is vol ontberingen en gevaren, en zij kunnen zeker zijn een afschuwelijken dood te zullen vinden, wanneer zij wilden ontmoeten, die belust zijn op menschenvleesch en weten dat hun aantal groot genoeg is, om de vreemde indringers weerstand te kunnen bieden. Meer naar het zuiden ligt het departement Santa Cruz, waarheen wij later een reis denken te ondernemen, daar dit (altijd bij wijze van spreken), gemakkelijker te bereiken valt van uit Argentinië en Paraguay. Nog zuidelijker liggen de departementen Chuquisaca met de hoofdstad Sucre, en Tarija, die over ’t algemeen weinig verschillen van Beni en Santa Cruz.
Op de grens tusschen Chuquisaca en Tarija ligt het gebied van den grooten Chaco, nog onbekend, en dat berucht is geworden door den moord, hier gepleegd op den franschen onderzoeker Crevaux en zijn metgezellen. Crevaux was uitgegaan op een onderzoekingstocht in den grooten Chaco, vergezeld van een gewapend geleide, dat hem door de boliviaansche regeering was medegegeven. De ongelukkige man vermoedde weinig, hoe valsch en trouweloos deze lieden zich zouden gedragen. Hij werd het slachtoffer van zijn goedgeloovigheid. Drie dagen nadat hij de wildernis was binnengetrokken, verlieten zij hem en maakten zich, met hun aanvoerder aan het hoofd, uit de voeten. Alleen en verlaten, werd de kleine groep aangevallen, en bijna allen kwamen om het leven. Van Crevaux werd niets meer vernomen, en men vermoedde, dat hij was opgegeten door de wilden, die hem hadden vermoord. Slechts zeer weinigen van de onverschrokken lieden, die zich in deze streken wagen, om door insnijdingen in de schors van den boom, die de hars levert waaruit caoutchouc wordt vervaardigd, deze kostbare stof te bemachtigen, worden rijk bij dit gevaarlijk werk. Toch zouden deze streken ontzaglijke winsten kunnen afwerpen, als zij wegen bezaten en de beschaving er doordrong, zoodat men zich hier kon wagen zonder levensgevaar. Thans dient al die moeite en opoffering van enkelen slechts om een klein getal handelaars te verrijken.
De reis van Oruro naar Cochabamba was niet gemakkelijk; doch die van Cochabamba naar Sucre is nog veel bezwaarlijker. En als men inlichtingen vraagt, kan men zeker zijn een antwoord te zullen krijgen, waarvan ieder woord een vergissing of onwaarheid is. De meesten beweren, dat er geen weg bestaat, en dit zou men ook opmaken uit het feit, dat de post brieven naar Sucre over Oruro vervoert, ’t geen negen dagen tijd neemt, terwijl Sucre niet meer dan zes dagreizen van Cochabamba verwijderd is. De postrijders reizen echter dag en nacht door, en kunnen dus den langen omweg hierdoor eenigszins goedmaken.
Om acht uur begeven wij ons uit Cochabamba op weg, en kunnen eerst, kalm op onzen muilezel gezeten, genieten van het gezicht op den hoogen Tunari, waarvan de besneeuwde top, de trots der Cochabambineezen, overal in den omtrek zichtbaar is. De gastvrije stedelingen hebben onze zakken volgestopt met allerlei benoodigdheden voor de reis, o. a. ook aguardiente quinado, (kinine-brandewijn), een geschenk van een voorzichtig apotheker, die ons Europeanen welgezind is. “’s Morgens en ’s avonds vooral geregeld gebruiken,” riep hij mij na. ’t Is het beste voorbehoedmiddel tegen de derdendaagsche koorts, en het is werkelijk geen prettig vooruitzicht, zes dagen lang door een streek te trekken, waar deze ziekte heerschende is. De goedaardige apotheker heeft mij er nog een flesch coca-elixer bijgegeven, en dat is niet te versmaden. De koude kip, de wijn, het koffie-extract, de suiker, de blikjes, alles is blijkbaar in orde.
Indianen en Cholo’s op een feestdag in de omstreken van Cochabamba.
Om elf uur honden we stil te Angostura, gebruiken iets, en gaan weer op weg. Om één uur zijn we in Clissa, waar we toevallig een zonderlinge vertooning bijwonen, een buitenkansje, dat niet alle reizigers te beurt valt.—Op het marktplein te Clissa werden juist de muilezels afgespannen van een ongelukkig karretje, waarin vier personen waren gezeten, die wel de moeite waard zijn om nader te worden omschreven. De eerste stelde zich, met veel vertoon van waardigheid, aan ons voor als de particuliere secretaris van den President der Republiek. Hij had groot gelijk, zijn waardigheid niet onder stoelen en banken te steken, want men zou hem op het oog voor een haveloozen voddenraper hebben gehouden. Dat mijnheer de secretaris van gemengd ras was, daaraan behoefde men niet te twijfelen. Zijn tint deed denken aan tabakssap en was te geel voor een neger. Men zag maar al te duidelijk zijn verwantschap met het gele ras, die bij den echten leelijken boliviaanschen Cholo niet valt te miskennen. Afgaande op het spreekwoord: zoo heer, zoo knecht, zou men niet geneigd zijn door den aanblik van zijn secretaris een bijzonder gunstige meening op te vatten van Alonso, den tegenwoordigen president van Bolivia.
Naast hem zaten een paar lange magere mestiezen, twee broeders, die zich afgevaardigden uit het district Beni noemden, waardige vertegenwoordigers van de onbeschaafde streek, die hen zond. De vierde was een journalist uit Cochabamba, die zich mocht verheugen in den liefelijken naam van Abélard. Het was blijkbaar een politieke tournée, waarop het viertal uit was.
Toen ze waren afgestapt en verdwenen in een der armoedige huizen, waar zeker een feestmaal voor hen was aangericht, verzamelden zich op het marktpleintje een menigte lieden, in lompen gekleed, en op bloote voeten, die op een rij gingen staan, op bevel van een paar anderen, die iets beter waren gekleed. Op onze navraag bleek, dat dit de nationale militie was.
Als de sansculotten van 1792 tot hun stoute daden werden aangespoord door gebrek en ellende, en zich vooral beklaagden over gemis aan behoorlijk schoeisel, dan zal die nationale garde van Clissa hun vijanden, de Chilenen, zeker glorierijk verslaan. Hun schoenen zullen hun in elk geval geen beletsel zijn om er duchtig op los te marcheeren; want zij doen het er zonder. De Clissasche schutterij verheugde zich ook in het bezit van muziekinstrumenten. Twee ezelsvellen over een cognacvaatje zonder bodem gespannen, dienden als trom; een soort pansfluit uit stukken riet van verschillende lengte werd niet onverdienstelijk bespeeld door iemand, die als pijper optrad, en een gedeukte hoorn voltooide het orkest, dat een leven maakte als een oordeel. De aanvoerders van deze troepen hadden de teekenen hunner waardigheid eerlijk samen gedeeld; de een droeg een sabel, waarvan de ander dapper de scheede zwaaide. Zij wekten blijkbaar de bewondering van de indiaansche schoonen, die in het stof in de zon zaten te blakeren, met haar bonte rokken wijd uitgespreid. Wij hoopten nog half, dat er een politieke toespraak zou worden gehouden; maar er werd enkel hoera geroepen, toen na twee uren wachtens de secretaris, die niet heel vast meer op zijn beenen stond, weer in het rijtuig stapte.
Tegen het vallen van den avond kwamen we te Arani, onze eerste rustplaats. Den volgenden dag wachtte ons een bergtocht van 65 kilometer, en dus gingen we om zeven uur al weer op weg. Om twaalf uur, op 4000 meter hoogte, rusten we in eene vervallen hut, op een plaats die Janchillani heet. Den geheelen namiddag gaat het weer bergop, bergaf, langs diepe afgronden, tot we om zes uur bij een armoedige schuilplaats van Indianen komen, Rumicorral genaamd, onze tweede pleisterplaats. ’t Is er treurig en verlaten, en geducht koud; maar we moeten het hier toch voor lief nemen, want zestig kilometer verder eerst ligt de volgende plek, waar we onder dak kunnen komen. Dat is Misqui, ’t welk we, thans dalende, den volgenden dag om vijf uur bereiken. Ik had gedacht, hier een groote stad te vinden, want de Bolivianen zijn gewoon, van hun steden sprekend, verbazende bevolkingscijfers te noemen, doch bij onze aankomst bemerk ik, dat Misqui slechts een armzalig plaatsje is, met een honderdtal havelooze inwoners, die in hutten van leem en klei zijn verzameld. Ik hoor, dat de bevolking zoo gedund is door de derdendaagsche koorts. We zijn hier in het dal van den Misqui, een zijstroom van den Rio Grande, die zich in de Madre di Dios uitstort. Al deze valleien zijn zeer ongezond. En de schijnbare rijkdom aan rivieren heeft niet veel te beteekenen; daar al deze stroomen gedurende tien maanden van het jaar zoo goed als droge beddingen zijn, waarin een weinig troebel water vloeit tusschen de steenklompen, die in den regentijd door den stroom zijn medegevoerd. Want dan wordt dat onschuldige beekje een woest schuimende bergstroom, die boomen en rotsblokken meesleept in zijn vaart. Zooals we tusschen Oruro en Cochabamba een geheelen dag de bedding volgden van de Rio Paria en de Rio Tapacari, zullen wij na Sucre het bed van den Pilcomayo doortrekken. De Bolivianen hebben met hun rivieren niet veel op, daar zij allen schijnen te lijden aan een soort van watervrees. Uit den mond van allerdeftigste (hoewel licht chocoladekleurig getinte) heeren en dames, die, naar de nieuwste parijsche mode uitgedost, op de wandelplaatsen te Sucre, La Paz en Cochabamba ronddrentelden, hoorde ik telkens de oprecht gemeende waarschuwing: “U moet u in Bolivia vooral niet wasschen; ’t water is hier slecht. Als u zich wascht, doet u stellig een verkoudheid op!” Ze schenen voor de verkoudheid weinig minder bang dan voor ’t water zelf.
Een vermakelijk intermezzo was mijn bezoek bij den pastoor van Misqui, die hier toevallig onder deze halve wilden is verzeild en gaarne gastvrijheid verleent aan vreemdelingen, die uit verre streken komen. Hij woont op het marktplein. Een groote wijde poort, zonder deuren, in een leemen muur, die bezig is langzaam te verbrokkelen, en waar het stof in grauwe wolken af vliegt, verleent toegang tot een soort binnenplaats, den corral, die op een slecht onderhouden boerenerf gelijkt. Links en rechts, voor en achter vuil, niets dan vuil. In den hoek staat de vuurpot, waarop gekookt wordt, tusschen hoopen aarde, waarop de pan moet steunen, en de muur daarachter is zwart van rook en roet. Op den corral komt een groot vierkant vertrek uit, waar we bij het binnentreden een zonderlinge mengeling van allerlei voorwerpen ontdekken. Links moeten een hoop schapenvellen en dekens van lamawol, opgestapeld op een leemen uitbouwsel aan den wand der kamer, een bed voorstellen. Langs de muren, op den grond, liggen geboorte- en sterfregisters en de geheele “burgerlijke stand” van Misqui tusschen ledige flessen, zadels, tuig en allerlei voorwerpen voor huiselijk gebruik. In een hoek van het smerige hol staat een groote tafel vol boordevolle glazen chicha, een geelachtig, dik, troebel vocht, dat over de tafel loopt en in straaltjes op den grond droppelt. ’t Is een gegiste drank, een soort cider, bereid uit versche maïskorrels, dus op een andere wijze dan de chicha van Chili, die uit druiven wordt geperst en veel heeft van zoeten wijn. De pastoor, een forsche kerel van tegen de zestig jaar, met een echten Inca-kop, komt den welkomen gast welwillend tegemoet, terwijl de geheele karavaan lastdieren achter ons het portaal binnentrekt. Hij is omringd door een krioelenden troep kleine kinderen, en een aantal havelooze vrouwen. De Indianen, die als honden op de binnenplaats liggen te slapen, worden wakker, en allen dringen om ons heen om ons te begroeten. We moeten volstrekt dadelijk een glas chicha drinken, hoewel onze oorspronkelijke tegenzin in dit brouwsel niet is verminderd, sedert we hebben vernomen, hoe het wordt toebereid. De vrouwen uit de volksklasse, die de maïskorrels pellen, bijten ze daarna met de tanden door. Als men die dames ooit van nabij heeft waargenomen, kan men dit niet bepaald een appetijtelijke methode noemen. De Bolivianen nemen het daarmee zoo nauw niet. Zij beweren, dat het gistingsproces den drank voldoende zuivert, en de Europeaan, die zijn gastheer zou beleedigen, als hij den aangeboden welkomstdronk weigerde, moet dit maar op gezag gelooven, en mag nog van geluk spreken, als in den intiemen huiselijken kring niet de patrillo rondgaat, een verbazend groote glazen kroes, die twee of drie liter kan bevatten, en waaruit het geheele gezelschap beurtelings een teug neemt. Terwijl het kleine grut, dat de pastoor ons als zijn neefjes voorstelt—(daarmede neemt men het ook al niet nauw in Bolivia, waar elke pastoor vijf of zes huishoudsters en een dozijn neefjes erop nahoudt)—gezellig uit oom’s glas meeproeft, en zoo vriendelijk is, dat van den reiziger voor hem te ledigen, maken de moeders van dat drukke troepje het middagmaal gereed. Als ik alleen geweest was, zou ik dien poespas, die mij midden in den vuilen rommel werd voorgezet, niet hebben kunnen aanroeren. Maar omringd door argelooze lieden, die zich om strijd beijveren, u de beste stukjes toe te stoppen, moet men zich in zulk een geval maar schikken in zijn lot, en tenminste voor den schijn meedoen, al draait ons het hart in het lijf om, bij ’t gezicht van een tafellaken zóó vol vlekken, dat er zeker geen schoon plekje aan is te vinden, groot genoeg om met een tienstuiverstukje te bedekken.
Den morgen na dit bezoek verlieten we voor het aanbreken van den dag Misqui, en hielden des middags slechts even stil te Aiquile; want de vierde dagreis is lang. Vervolgens kwamen we nog voorbij Quiroga en Chinguri, om zeer laat, bij maneschijn, in ons nachtverblijf Aguada aan te komen. Men ziet in Bolivia van een weg wel het begin, maar van het einde is men zelden zeker, en het was lang niet aangenaam, na tien of twaalf uren achtereen te hebben doorgereden, nog steeds te vergeefs te moeten uitzien naar een plaats, om zijn hoofd neder te leggen. Tusschen Aguada en Sucre zagen we boomgaarden en boerderijen, die beter verzorgd en onderhouden waren dan eenige inrichting van dien aard, die wij nog op onzen tocht door dit land hadden gezien. Zij behoorden aan den voormaligen president Arce. Dat is een echte markies van Carabas; we hoorden, dat al de grond tusschen Aguada en Sucre zijn eigendom is, en Sucre ligt nog twee dagreizen van hier verwijderd. Een paar mijlen voorbij Aguada zagen we aan de rechterzijde van den weg zijn landhuis liggen, La Constancia. ’t Was een eenvoudig huis, schilderachtig gelegen, in een prachtigen tuin, vol oranje- en citroenboomen, bananen, palmen, zeldzame bloemen; kortom, de geheele plantenschat der tropen was hier vertegenwoordigd. En door die groene vallei, die zich, zoover het oog reikt, aan den voet van het hooggelegen lustverblijf uitstrekt, fladderden bonte tropische vogels; geheele zwermen papegaaien vlogen, verschrikt door den stap der muilezels, omhoog, en verscholen zich in het gebladerte. Niets herinnerde hier aan de kale hoogvlakten, de treurige verlatenheid van het landschap, dat ons reeds sedert we Antofagasta verlieten omgaf. Doch dit plekje is dan ook geheel eenig in Bolivia. Weldra deed een woud van reuzencactussen, wel tien of vijftien meter hoog, en de hobbelige bodem, bedekt met groote steenen, door de overstrooming eener naburige rivier hier neergeworpen, ons opnieuw gevoelen, dat we wel degelijk nog in Bolivia waren.
Om halftwee kwamen we aan den Rio Grande, een rivier, die in snelle vaart tusschen hooge rotswanden stroomt. President Arce, die zeer goed inzag, van hoe veel gewicht het was, als Cochabamba en zijn landgoed met Sucre waren verbonden, verkreeg niet alleen, dat de spoorweg naar Oruro werd verlengd, maar ook, dat over de Rio Grande een brug werd gebouwd. Op een der pilaren staat dan ook zijn naam met dien van den ingenieur vermeld.
Den vijfden avond sliepen we in Caparari, en na nog een langen dag reizens kwamen we des avonds laat aan in Sucre, de hoofdstad van het departement Chuquisaca.
Na zes dagen in den zadel te hebben gezeten, verheugden we ons op een rustigen nacht, want we waren zoo voorzichtig geweest, vooruit een kamer te bestellen in het hôtel van den heer Tavel. Tot mijn verbazing vond ik mijn bed echter nog niet opgemaakt, en hoorde van den waard, dat dit geen vergissing was, maar dat al de lakens van het hôtel ongelukkig in de wasch waren.
Het hielp niets of ik mij boos maakte; de heer Tavel trok de schouders op en vond, dat ik heel goed lakens had kunnen meebrengen.
Er zat niets anders op, dan te berusten; ik schoof mijn bed van den muur en trachtte mij over het gemis aan behoorlijk beddegoed heen te zetten.
Dat wegschuiven van het bed is hier een noodzakelijke maatregel. In Oruro reeds trof mij in elke slaapkamer der zoogenaamde hôtels de aan den muur geplakte waarschuwing: “Het is verboden, tegen den wand te spuwen”. Het schijnt, dat hier de reizigers geen genoeglijker tijdverdrijf kunnen bedenken, dan, achterover in hun bed gelegen, kunstig kringetjes te spuwen tegen de muren en den zolder. ’s Lands wijs, ’s lands eer. Een andere eigenaardigheid der hôtelkamers hier te lande is de aanwezigheid van een langen paardestaart, die aan het toilet is opgehangen, en waarin een paar niet altijd zindelijke kammen zijn gestoken. De reiziger aan de kust van den Stillen Oceaan behoeft zich de moeite niet te geven, toilet-benoodigdheden mede te nemen. Dáárvoor zorgt het hôtel, al vindt het lakens overbodige weelde!
Sucre, dat vóór Bolivia’s onafhankelijkheidsverklaring Chuquisaca heette, telt 12 à 15000 inwoners, waaronder ongeveer 4000 beschaafde. Het is genoemd naar generaal Sucre, die in het begin der 19de eeuw zich met goed gevolg verzette tegen de spaansche heerschappij in Z. Amerika. Doch al hebben de Bolivianen dit juk weten af te schudden, van eenig streven naar werkelijken vooruitgang ontdekt men bij hen geen spoor. Van hun bekrompenheid kan men zich een denkbeeld vormen, wanneer men in een der plaatselijke nieuwsbladen (el Tiempo) een stuk leest, onderteekend door een in zijn omgeving gunstig bekend en geacht journalist, die heftig te velde trekt tegen het plan, een spoorweg in de provincie te laten aanleggen, en in zijn verontwaardiging zoo ver gaat, te beweren “dat het beter zou zijn, zoo in deze streken het gesis van slangen werd vernomen, dan het fluiten van een trein”.
Het is volstrekt niets ongewoons, onder de advertenties, die drie vierde van zulk een blad beslaan, berichten aan te treffen in den trant van het volgende, dat wij overnemen uit La Industria.
“De firma Y, handelaars in koloniale waren, maken aan hun klanten bekend, dat zij, die vóór 31 Juli niet hun achterstallige schulden voldoen, van af dien datum hun naam zullen zien gepubliceerd in dit blad, met vermelding van de som, die zij verschuldigd zijn. Hierbij voegen wij de lijst onzer klanten, die ondanks gerechtelijke vervolging onzerzijds, nog steeds in gebreke blijven, hun verplichtingen jegens ons na te komen”.
Daarop volgde een twintigtal namen.
Zulke advertenties geven te denken!
Evenals Potosi en La Paz, waarheen wij ons thans op weg begeven, is Sucre, om zoo te zeggen, een eindpunt voor den handel met Europa, en niet zooals Oruro of Cochabamba, een stapelplaats en tusschenstation.
Cochabamba. Het voornaamste plein van de stad.
De handel der drie eerstgenoemde steden beperkt zich tot den invoer van waren, die zij behoeven voor eigen gebruik.
Vandaar dan ook die heftige strijd om den voorrang en de eer, residentiestad te zijn. De laatste maal heeft La Paz het gewonnen. Doch de groote kooplieden van Sucre zullen zeker niet rusten, eer zij den President der Republiek, met zijn geheelen stoet van ambtenaren en soldaten, hebben bewogen, weer in hun midden terug te keeren en de stad door meerdere weelde toenemende welvaart te bezorgen. Want als Sucre het van de Indianen alleen zou moeten hebben, zag het er al zeer treurig uit.
Indianen uit Potosi, die werken in de zilvermijnen.
Alvorens uit Sucre te vertrekken, verzuime men niet een weg van ongeveer drie of vier mijlen af te leggen en een bezoek te brengen aan het landgoed La Glorieta, in de omstreken der stad gelegen, het eigendom van de familie Argandona, die er trotsch op is, onder haar leden mannen te tellen, die naam hebben gemaakt in de politiek, o.a. voormalige gezanten in Frankrijk, en vooral Francisco Argandona, de oprichter en eigenaar van een der belangrijkste bankinstellingen in Bolivia. Natuurlijk zal een reiziger, die in het oude Europa reeds veel heeft gezien en bewonderd, bij zijn bezoek aan la Glorieta nu juist niet versteld staan van verbazing over de pracht van dit buitengoed. Maar het is toch werkelijk der vermelding waardig, al was het alleen, omdat het in Bolivia eenig is in zijn soort. Wie hier lang gereisd heeft, door betrekkelijk onbeschaafde streken, kan niet anders dan aangename gewaarwordingen voelen opkomen, een herinnering aan zijn verre vaderland, bij het zien van keurig onderhouden parkachtige tuinen en een fraai buitengoed, dat ook in Europa als een lustverblijf zou worden beschouwd.
Tamboer-majoor van het 1ste boliviaansche regiment.
Na la Glorieta zette ik mijn reis weer voort langs dezelfde ongebaande wegen en muilezelpaden als te voren. Nu eens langs de oevers van den Pilcomayo trekkend, die snel en met vele kronkelingen over een bedding van gladde steenen stroomt, dan weer stijgende naar de hoogvlakte, kwam ik over bergen en door dalen eindelijk te Potosi, na gedurende dien tocht tweemaal overnacht te hebben. De stad Potosi, de hoofdplaats van het departement van dien naam, is een der meest bekende van Zuid-Amerika, niet wegens haar feitelijke belangrijkheid, maar door den roep, die eertijds uitging van den rijkdom harer zilvermijnen, in den Cerro gelegen. Potosi ligt op 19° 35′ 18″ Zuiderbreedte en 67° 54′ 39″ Westerlengte van den meridiaan van Parijs. De hoogte, in het midden der stad, is 4061 M. boven het oppervlak der zee. Hoewel zij midden in de tropen is gelegen, heerscht in deze stad een zeer koud klimaat, door die hooge ligging. De Cerro, die ten Zuiden van de stad oprijst, bereikt een hoogte van 4890 M. De stichting en uitbreiding der stad Potosi hingen ten nauwste samen met de exploitatie der mijnen van den Cerro, en haar lotgevallen hielden gelijken tred met de meerdere of mindere opbrengst der beroemde zilvermijn. De bouwvallen, die de stad omringen en het bewijs leveren van haar voormaligen bloei, doen ons tevens vermoeden, dat de overdreven verhalen omtrent de schatten, die in den Cerro verborgen lagen, meerendeels bezijden de waarheid moeten zijn geweest.
De grootste productie werd bereikt in 1651. De spaansche regeering eischte voor zich de opbrengst van een vijfde deel van het verkregen erts, en in het tijdsverloop van honderdzeven jaren, tusschen 1556 en 1663, inde Spanje door deze belasting de niet geringe som van 9720 millioen francs.
Toenmaals was Potosi de verzamelplaats van een talrijke schaar mijnwerkers en fortuinzoekers, en de stad telde in die dagen 250 000 inwoners. Thans bedraagt dat getal niet meer dan 12 000.
Om de oorzaken te begrijpen van dezen bloei, zoowel als van het daarop volgend verval, moest men in de gelegenheid zijn, nauwkeurig de geologische gesteldheid van den Cerro te bestudeeren, en vooral rekening houden met de ondoordachte wijze, waarop die eerste ontginners te werk gingen. De ondernemers hadden geen ander doel, dan spoedig rijk te worden; zij bekommerden zich niet om de toekomst, en wijdden aan den arbeid volstrekt niet die zorg, die zij eraan hadden moeten besteden, als zij de waarde van hun eigendom hadden willen behouden en vermeerderen. Zij doodden de kip, die hun gouden eieren lei. Thans zijn nog verschillende compagnieën bezig, die gedeelten der mijnen te bewerken, welke de eerste onderzoekers slechts ten deele hebben uitgeput, en zij trekken uit die overblijfselen zelfs nog een aanzienlijke winst. Wel een bewijs, hoe verkwistend de oorspronkelijke bezitters er mede zijn te werk gegaan.
De Cerro van Potosi werd ontdekt in 1545. Een Indiaan, Diego Guallea, die in dienst was van den Spaanschen kapitein Juan Villaroël, hoedde, naar het verhaal luidt, lama’s op den berg, die toen ter tijde met een weelderigen plantengroei was bedekt. Daar hij, niet ver van den top van den berg, door de duisternis werd overvallen, zocht hij een schuilplaats in een hol, om er den nacht door te brengen, en toen hij, wegens de felle koude, een vuur van droge takken had aangelegd, zag hij, bij het schijnsel der vlammen, glinsterende strepen in den rotswand, die hij voor zilver hield. Hij deelde deze ontdekking aan zijn meester mede, en eenige maanden later ondernam Don Juan Villaroël het onderzoek van de ader, die men Veta Descubridora (ader der ontdekking) noemde, en die ook wel bekend was onder den naam van een zekeren Centeno, een medewerker van Villaroël. In die dagen werd de grondslag gelegd voor de latere stad Potosi, die aanvankelijk slechts uit eenige hutten van Indianen bestond. In 1547 reeds, dus twee jaar later, schonk de koning van Spanje aan Potosi den titel van Villa Imperial.
In 1562 werd de zoogenaamde Veta Rica (rijke ader) ontdekt. Weldra volgden andere, en reeds zeer spoedig wist men, hoeveel er in het geheel aanwezig waren. Thans zijn er nog 32 voorname aderen, benevens meerdere nevenaderen, die deze kruisen.
Zoodra de eerste inrichting voor de bewerking van het kostbare metaal op den Cerro was tot stand gekomen, was men getroffen door den buitengewonen rijkdom van het erts. In de betreffende documenten, gedateerd uit de jaren tusschen 1545 en 1572, wordt gesproken van gedegen zilver en chloorhoudend erts, dat 25 à 30 percent zilver bevatte.
De bewerking van het metaal geschiedde echter in die dagen nog op zeer primitieve wijze. Men volgde hierbij het voorbeeld der Incas, het erts werd gesmolten in ovens, huairachinas genaamd, die gestookt werden met taquia, gedroogde lamamest. Daar het erts met lood en kool was vermengd, werd het zilverhoudende lood later gezuiverd. De ovens werden zóó geplaatst, dat de heerschende winden de benoodigde lucht konden toevoeren. De schoorsteenen waren drie à drie en een halve meter hoog. In 1572 moeten niet minder dan zes duizend van deze ovens in werking zijn geweest. Van velen zijn de bouwvallen nog aanwezig. Zij brachten jaarlijks een som van veertig millioen francs op.
In 1572 moest men echter ophouden met de bewerking van dit bijzonder rijke erts, en de spaansche regeering was genoodzaakt, zich tevreden te stellen met de helft van de vroeger opgelegde belasting, die thans tot een tiende van de opbrengst werd teruggebracht. Natuurlijk was de bewerking van het metaal, zooals die tot nog toe in zwang was, niet geschikt voor het chloorhoudende en betrekkelijk schrale erts, dat de uitgeputte aderen thans nog opleverden.
Ongerust geworden door deze misrekening, zonden de spaansche vorsten uit Madrid den onderkoning Francisco Toledo, met een aantal mijnwerkers en bekwame deskundigen naar Potosi. Deze voerden het stelsel van amalgameering in, dat zij patio noemden. Het chloorhoudend erts werd fijngestampt, uitgespreid op steenen vloeren, met zout vermengd en onderworpen aan een behandeling, repaso genaamd, waarbij het door muilezels werd getreden. Verder voegde men er kwikzilver aan toe, en een zekere hoeveelheid magistral, die diende om den voortgang der bewerking te regelen. Deze behandeling van het metaal, die thans nog in eenige oude werkplaatsen van Potosi in gebruik is, stelde de mijnwerkers in staat, den arbeid te hervatten in aderen, die tot nu toe niet meer hadden opgebracht dan pacos (chloorhoudend erts) dat slechts een zeer gering zilvergehalte bezat.
Ongelukkig voerde Don Juan van Toledo ook de mita in, een gehate instelling, waardoor de Indianen van Peru en de overige spaansche bezittingen tot den arbeid in de mijnen werden geprest. Elk jaar werd een troep van 20 000 inboorlingen den mijnwerkers als hulp toegevoegd. Slecht betaald en gevoed, en gedwongen tot zwaren arbeid, keerden slechts weinigen van die ongelukkige lieden naar hun woonplaatsen terug; de meesten bezweken en werden door nieuwe slachtoffers vervangen. Doch daar de mita een aanzienlijke besparing van arbeidskracht insloot, verklaart zij ook de herleving van den bloei van den Cerro in 1580. Dit duurde zoo voort tot het jaar 1600. Toen was ook het chloorhoudend erts (pacos) uitgeput, en in stede daarvan leverden de voornaamste mijnen zwavelhoudend erts (negrillos), dat volstrekt niet geschikt was voor de behandeling die tot nu toe was aangewend. Men kende toen nog niet het calcinatie-proces, dat alleen in staat is, amalgameering tot stand te brengen.
Toentertijde waren reeds belangrijke sluiswerken aangelegd in de Kari-Kari-keten, bij Potosi. Op die wijze werden twee en dertig kunstmatige meren gevormd, waarvan het water, al naarmate dit vereischt werd, de beweegkracht leverde voor 150 hydraulische raderen, die voor het malen van het erts moesten dienen. Dit groote werk werd in 1621 voltooid en had tien millioen francs gekost. Thans zijn nog twintig van die lagunen in goeden staat; zij leveren het water voor de stad, zoowel als voor de thans nog in werking zijnde mijn-exploitaties, ingenios genaamd.
Doch de bloei van Potosi had met het eind der 16de eeuw zijn toppunt bereikt. In 1623 brak in Spanje de burgeroorlog uit tusschen Basken en Andalusiërs. Van dezen strijd, die den ondergang van vele families ten gevolge had, moest Potosi den terugslag ondervinden. Meerdere mijnen werden aan hun lot overgelaten. Daarbij kwam nog een andere ramp. In 1626 brak de sluis van San Ildefonso, en het water van het meer overstroomde de fabrieken, die aan den oever der rivier waren gelegen. Van 150 ingenios bleven slechts zes over, en bij de ontzettende ramp kwamen 2500 menschen om het leven. In de kronieken van die dagen wordt het geleden verlies op veertig millioen francs geschat. Van dezen slag zou Potosi zich nooit weder herstellen.
De spaansche regeering, die een aanzienlijk deel harer inkomsten bij de ramp zag verloren gaan, deed al, wat in haar vermogen was, om de mijnwerkers in staat te stellen, hun arbeid voort te zetten. De Staat leende hun het benoodigde kapitaal, om de verwoeste fabrieken door nieuwe te vervangen. In 1628 waren dan ook 130 ingenios weder opgebouwd, waarvan echter 29 werden geconfisqueerd, wijl ze in gebreke bleven, het door den staat geleende geld terug te betalen. In ieder van deze inrichtingen werden wekelijks veertig à vijf-en-veertig-duizend kilo erts bewerkt.
Doch de mijnen waren thans dieper geworden, en men zag zich genoodzaakt, maatregelen te nemen, om het binnendringen van het water te beletten. De Indianen (naar de mita mitayos genaamd) plachten het in kruiken weg te dragen, doch daar dit primitieve hulpmiddel weinig baatte, gingen vele der ondernemingen verloren. Daar de mijnen bovendien steeds minder pacos en meer negrillos opleverden, en men van de laatste soort erts niet op doeltreffende wijze wist partij te trekken, zag het er met de toekomst der zilvermijnen treurig uit.
Toch werden in die dagen nog reusachtige fortuinen hier vergaard. In 1650 liet een zekere Sinteros een vermogen na van 80 millioen francs. In 1651 stierf de beruchte Rocha, die wegens het vervaardigen van valsch geld was veroordeeld. De door hem verzamelde en verborgen schatten werden nooit gevonden, en nog thans doet men moeite, ze op te sporen. In 1699 stierf de schatrijke Antonio Lopez Quiroga, die zijn reusachtig fortuin had te danken aan de Colamito-mijn, welke thans behoort aan de maatschappij Real-Socavon.
In 1759 bood de corporatie der mijnwerkers den koning van Spanje een belangrijk verzoekschrift aan, waarin de treurige toestand der mijnarbeiders werd geschilderd. Op de opbrengst der verschillende aderen viel hoegenaamd geen staat te maken, bij de bewerking werden de koninklijke verordeningen niet meer nageleefd; men was reeds tot op honderden meters diepte doorgedrongen, en de exploitatie werd zoodoende te kostbaar; men had te kampen met het binnendringende water, en leed door onvoldoende luchtverversching; in het bovenste derde deel van den berg was geen enkele ader meer over, die niet doorzocht was; de geheele mijn was een warnet van zich kruisende gangen geworden, en daar de verschillende eigendommen boven en door elkander lagen, gaf die verwarring aanleiding tot aanhoudende processen; driehonderd Indianen waren bedolven bij de instorting der ader Mendieta; alle pogingen om hen te redden waren vruchteloos gebleken, en deze mijn, tot nog toe een der meest winstgevende, was thans verlaten. Tengevolge van dit alles was het onmogelijk nog dieper in den berg door te dringen; het was noodig, dat een gang gegraven werd aan den voet van den Cerro, en voor deze belangrijke onderneming werd de hulp der regeering ingeroepen. Het verzoekschrift besloot met de verzekering, dat de beroemde berg nog vele en onuitputtelijke schatten verborgen hield, en dat de Cerro, bij een betere arbeidsverdeeling en geregelde bewerking, nog honderdmaal meer kon opbrengen, dan tot nog toe het geval was geweest.
Zoo was Potosi in vervlogen tijden. Doch Spanje heeft het uitgeput en het tegenwoordige Potosi is slechts de schaduw van wat het eertijds is geweest. Toch zou men denken, als men de Bolivianen erover hoort spreken, dat men hier minstens een wereldstad in het klein zal te zien krijgen. Met de grootste ingenomenheid doen zij den vreemdeling lange verhalen van die prachtige stad en haar grootsch verleden; Potosi was de eerste van alle universiteitssteden van Z. Amerika; uit dien berg van Potosi waren meer milliarden zilveren douros te voorschijn gekomen, dan over de geheele wereld, sedert de schepping, aan het licht waren gebracht; uit heel Amerika kwamen studenten naar Potosi om er de lessen aan de Universiteit te volgen, en uit de verste oorden der wereld stroomden de menschen toe, om hun deel te ontvangen van den overstelpend rijken zilveroogst. Quantum mutatus!
Potosi drijft, het geringe aantal inwoners in aanmerking genomen, nog een levendigen invoerhandel. En die handel zal zeker nog meer tot bloei geraken, wanneer ten behoeve der mijnen een spoorweg in deze streek zal zijn aangelegd. Feitelijk zijn het gebrek aan verkeermiddelen, de bergachtige gesteldheid van het land, het wassen der rivieren in het regenseizoen, en de groote afstand tusschen de verschillende streken, waar de producten van het land worden verbouwd, oorzaak, dat de inheemsche voortbrengselen hier duurder zijn, dan die uit het buitenland worden aangevoerd.
Na Potosi bestegen wij dapper weer onze muilezels. Die dapperheid was niet overbodig; want wij moesten in vier dagen het overblijvende gedeelte van ons traject afleggen, om zoo weer terug te komen tot de spoorweglijn van Antofagasta, die wij bij het station Challapata zouden bereiken.
Van daar waren wij voornemens, na een nacht rustens in een half-europeesch hotel, vijf dagen na ons vertrek uit Potosi, met den trein naar Oruro te reizen, het uitgangspunt, van waar wij, met onze karavaan muilezels, dezen tocht hadden aanvaard.
Den eersten nacht na ons vertrek uit Potosi hielden wij stil te Yocalla. Den volgenden brachten wij door in een soort boerderij, te Lagunilla, aan den oever van een schilderachtig meer, waar een jager allerlei soorten watervogels had kunnen schieten. De derde halte was Ancacato, en na de vierde dagreis kwamen wij te Challapata aan.
Gezicht op de stad Sucre.
Omstreeks 1895 beraamde de directie van de Huanchaca-mijnen het plan, om Potosi met het station Uyuni te verbinden door een rijweg, die langs de mijnen van Huanchaca en Pulucayo zou loopen. Ongelukkig, zoowel voor Potosi als voor reizigers in deze streken, is dit plan nooit ten uitvoer gebracht; bij nader inzien bleken de onkosten te groot, en de weg is alleen nog maar op de kaart aangegeven.
Het zou jammer zijn, als men, in deze streken vertoevende, niet minstens een vier en twintig uren wijdde aan de bezichtiging der uitgestrekte zwavel-zilvermijnen, de grootste van de geheele wereld. Te meer, daar vreemde bezoekers hier zeer vriendelijk worden ontvangen, en door de directie der mijn, die op duizelingwekkende hoogte is gelegen, tusschen bergen van 5000 Meter, gaarne worden geherbergd.
Deze mijn-exploitatie ontleent ten onrechte haar naam aan de Huanchaca-vallei, daar zij feitelijk uit den Pulucayo het kostbare metaal aan het licht brengt. Pulucayo is dan ook het middelpunt van deze rustelooze bedrijvigheid, en hier, beschermd door de hooge bergwanden, liggen de woningen der tallooze mijnwerkers, werktuigkundigen en beambten, die allen leven van en door de mijn.
Pulucayo, dat eenzaam tusschen bijna ontoegankelijke bergen ligt, en slechts met Uyuni is verbonden door een spoorweglijn van eenige mijlen lengte, die in slingerende bochten langs de steile rotswanden omhoog kruipt, behoort aan de Huanchaca-maatschappij. Die spoorweg wekt werkelijk angstige gewaarwordingen. Misschien kan de indruk, dien hij op den beschouwer maakt, niet beter worden weergegeven dan door een reeks van uitroepen, door een Duitscher in klimmende verrukking geslaakt bij zijn aankomst te Pulucayo: “Famos! Kolossal! Pyramidal! Elefantisch!” Over een afstand van 25 kilometer beschrijft de lijn meer dan tweehonderd bochten, bij een voortdurende helling van 1/20. Wee den reiziger die hier het slachtoffer wordt van een spoorwegramp! Reeds eenmaal heeft hier een ongeluk plaats gehad, en reizigers en waggons zijn verdwenen in afgronden, wier diepte geen menschelijk oog heeft gepeild. Men kan een huivering niet onderdrukken, wanneer men van uit den trein het bergland daar in de diepte overziet.
De trein staat stil in een station, tusschen een menigte kleine huizen en hutten, aan den ingang van een tunnel, die te laag is, om de locomotief door te laten. Hoewel de rails tot in den tunnel doorloopen, rijden in deze nauwe gang, die den berg over een afstand van vier kilometer doorboort, slechts karren, met paarden bespannen.
Die lange, onderaardsche gang verbindt de helling, waarop Pulucayo gelegen is, met het dal van Huanchaca. In het begin wierpen, toen wij achter een rij karren, die de mijnwerkers naar hun arbeid brachten, den tunnel binnenreden, eenige electrische lampen nog een bleek en schemerachtig licht, doch later maakte dit plaats voor dichte duisternis. Nu en dan hielden wij stil, om ploegen arbeiders af te zetten. Bij die korte halten onderscheidden wij sombere, bochtige gangen; hier mondden de putten uit, waarin de mijnwerkers moesten afdalen, een voor een, met hun lampje op den hoed.
Soms zagen wij zwarte schimmen bewegen, bij het licht van fakkels, diep in de duistere gangen, waar het erts wordt gevonden, dat in blinkende zilverstukken zal worden omgetooverd.
Het zijn een twaalfduizendtal arbeiders, die daar te Pulucayo hun leven slijten, tusschen den nauwen tunnel, waarin de schatten liggen verborgen, die anderen zullen verrijken, en hun armoedige hutten, waar zij een ellendig leven leiden. Reeds vijftig jaren bijna daalt die stroom van edel metaal van den 4600 M. hoogen Pulucayo neer, en niemand hunner gelooft, dat ooit die hoorn van overvloed zou kunnen worden uitgeput, waaraan zij hun levensonderhoud hebben te danken. Gedronken wordt hier verbazend veel, en dat is geen wonder, als men bedenkt, dat die arme lieden te Pulucayo, buiten hun arbeid, geen andere verpoozing hebben dan drinken en slapen.
Terwijl ons wagentje steeds dieper in den duisteren tunnel doordrong, zagen wij, als de beelden van een kinematograaf, allerlei tafereelen aan ons oog voorbijtrekken. Hier de machines om het water op te pompen, dat de mijn zou binnendringen, wanneer hun slechts een oogenblik rust werd gegund, daar vlammende ovens, bij fakkellicht. Dan weer stoomketels, die de lucht verwarmen in de nauwe kille gang, waar overal droppels langs de wanden parelen. Het is, alsof men zich niet meer op aarde bevindt, maar rondzwerft in het rijk van Satan, en instinctmatig zoekt ons oog in de verte het kleine, witte puntje, dat glinstert als een ster, en langzaam grooter wordt, tot men een zucht van verlichting slaakt, wanneer de opening eindelijk is bereikt, en men het vriendelijk daglicht weder begroet.
Hier zijn wij op de helling der bergen die het Huanchaca-dal begrenzen. Het woord Huanchaca beteekent, in de taal der Indianen: vuil, of mest. Het geheele dal is dan ook slechts een dichte, bruine veenmassa, een opeenhooping van lang vergane planten. En al dit veen wordt als brandstof gebruikt; een omstandigheid, die van overwegend belang is in deze hooggelegen streken, en als een der allervoornaamste redenen mag beschouwd worden, waarom juist te dezer plaatse fabrieken zijn opgericht voor de bewerking van het zilvererts.
Het is treurig, te denken aan het aantal menschenlevens, dat die bewerking als haar slachtoffers eischt, en men is werkelijk ontzet, wanneer men hier verneemt, hoeveel Indianen jaarlijks bezwijken aan de noodlottige gevolgen van dezen moordenden arbeid. Het grijsachtig zilversulfide, dat op karren door den tunnel van Pulucayo naar Huanchaca wordt gebracht, wordt hier gestampt en tot poeder vermalen. De ongelukkige Indianen, die met deze taak zijn belast, gaan een zekeren en snellen dood tegemoet. Het inademen van het fijne stof, dat ondanks alle voorzorgen overal binnendringt en de omringende voorwerpen met een grauwe laag bedekt, heeft onvermijdelijk een ziekelijke aandoening der longen en een treurigen dood tengevolge.
Te Lagunilla aan den oever van een groot meer.
Het tot poeder gestampte erts wordt vervolgens in ovens verbrand, om de zwavel eruit te verwijderen en het zuivere zilver over te houden, dat daarna gesmolten en in blinkende staven gegoten wordt. Ook deze bewerking oefent, evenals de vorige, een hoogst nadeeligen invloed op de gezondheid der arbeiders uit; de zwaveldampen, die zich in de ovens ontwikkelen, brengen een menigte Indianen den dood. En al bekommert men er zich voorloopig niet over, dat eens wellicht een tijd zal aanbreken, waarop het erts in de mijnen verminderen zal, van het gewicht der vraag: wat te doen, als alle Indianen zijn uitgestorven? is men wel degelijk doordrongen. En toch gaat men voort, die ongelukkige schepsels uit alle oorden van Bolivia hierheen te halen om den Minotaurus tot voedsel te dienen.
De arbeid in de mijnen en de drank zullen de Indianen van Bolivia snel en zeker uitroeien. En als de kerkhoven van Pulucayo en Huanchaca konden spreken, zouden zij openbaren, met welk een ontzettenden prijs hier de bloei dezer industrie wordt betaald.
Wij keerden op dezelfde wijze als wij gekomen waren, naar Pulucayo terug. Daar de beide uiteinden van den tunnel zeer hoog gelegen waren, geleek die tocht wel wat op een toertje in een montagne russe; de wagentjes gleden eerst naar beneden, en vervolgens weer omhoog.
Na dit uitstapje naar Pulucayo en Huanchaca, keerde ik van Challapata met den trein terug naar Oruro, om mij daar gereed te maken voor mijn vertrek naar La Paz.
Hoe zou ik die stad bereiken? De reizigers, die zich naar La Paz wenschen te begeven, hebben de keus tusschen twee vervoermiddelen, muilezels, en iets, dat ik uit beleefdheid maar een omnibus zal noemen. Wat nu wel het meest geschikt zou zijn? Wie beide al eens in zijn leven geprobeerd heeft, weet, dat hij tusschen twee kwaden heeft te kiezen; want men moet niet vergeten, dat de muilezel, hoe bij uitstek geëigend ook om zware lasten te vervoeren, maar al te dikwijls neiging tot kuren en hebbelijkheden vertoont, die hij rechtstreeks van zijn voorvader, den ezel, heeft geërfd. Als men zich echter werkelijk van een muilezel wil bedienen, dan wordt de bagage op een kar geladen, en een Indiaan die te voet gaat en den weg wijst, loopt naast het beest, om het voortdurend met de zweep en de stem aan te zetten. Hij is dus postillon, en gids tevens. Het trof mij als een merkwaardig verschijnsel, dat op deze hoogte van 4000 M., waar iemand uit lager gelegen streken geen honderd schreden kan loopen, zonder buiten adem te geraken, zulk een gids maar dagen achtereen in den looppas blijft meedraven. Van die Indiaansche gidsen wordt beweerd, dat zij met gemak een paard kunnen inhalen, en het langer volhouden, dan het dier zelf. Wanneer zij werkelijk ook eens vermoeid zijn, gaan zij naar een muur, strekken zich uit, met het hoofd en den rug plat op den grond, en laten de beenen languit tegen den muur rusten. Naar de Bolivianen mij verzekerden, zal iemand in die houding na een half uur geen vermoeidheid meer gevoelen, zelfs na de grootste inspanning; en ik moet zeggen, dat mijn gids in den regel, na een paar minuten in die positie te hebben gelegen, weer bereid was om te vertrekken.—Maar nu de omnibus!—Empresa carretera, “omnibus onderneming”, staat deftig op de gedrukte biljetten en op den gevel van de herberg, van waar tweemaal per week dit voertuig vertrekt.
Met de klassieke diligence heeft het vehikel niet de minste overeenkomst, en het wil daarvoor dan ook niet doorgaan. Het publiek wordt in dit geval niet door leugenachtige aanprijzingen om den tuin geleid; men weet dat men op modern comfort hier niet behoeft te rekenen; maar wie het er op wagen wil, is welkom.
Wat mij betreft, mij lachte dit plan meer toe, dan weer een muilezel te bestijgen; te meer, daar ik van het rijden, na mijn tournee: Oruro, Cochabamba, Sucre, Potosi, Challapata, meer dan genoeg had.
Het bewuste vervoermiddel is van zeer eigenaardig maaksel. Een platte bak, die op leeren riemen steunt, en twee meter boven den grond hangt, om bij het oversteken van rivieren de reizigers voor een ongewenscht voetbad te vrijwaren. Op dien bak drie ongemakkelijke bankjes, op elk waarvan twee reizigers kunnen plaats nemen, zoodat in ’t geheel zes passagiers kunnen worden vervoerd, die met elkaar worden getrokken door zes muildieren. En in dat schommelende voertuig waagt men, om zoo te zeggen, bij elke oneffenheid van den weg zijn leven, de geheele 280 kilometer lang, die liggen tusschen Oruro en La Paz. Wanneer ik nog denk aan de steile hellingen, die ik, op dat gevaarte, achter de zes in woeste vaart voorthollende muildieren ben afgesleept, aan de schokken en stooten op de steenen der rivieren, die ik ermee doortrok, aan de moerassige plekken, waar de wielen halfweg in het slijk bleven steken, dan begrijp ik nog niet, hoe ik het in mijn hoofd heb kunnen krijgen, mij zoo onvoorzichtig aan die allesbehalve ongevaarlijke kwelling bloot te stellen. Die kar zal ik niet licht vergeten. Om vier uur ’s morgens, bij maanlicht nog, werd er ingespannen, en het was nog geen vijf, toen de koetsier met de zweep klapte en de reis begon. Wij wisten, dat de zon niet voor zeven uur zou opgaan, en zaten huiverend te verlangen naar de komst van die gezegende warmtebron. De gletschers, die wij tegemoet rijden, herinneren ons er aan, op welke hoogte we hier zijn. We zien ze nog niet, maar gevoelen hun nabijheid.
Opeens komt de zon voor den dag, en van tien uur tot vier uur in den namiddag worden we op onze open kar geroosterd. Daarna wordt het weer even koud als ’s morgens vroeg. En we mogen ons nog gelukkig rekenen, als er geen hagel- en sneeuwbuien vallen, die het onderstel van onze rammelkast in een voetbad veranderen. Om zeven uur is het alweer donker. Letterlijk geradbraakt, bont en blauw, en ademloos van de verschrikkelijke schokken, die we onophoudelijk hebben te verduren, danken wij den hemel, als de kar stil houdt voor een muur van klei, met een laag deurtje er in, waarboven een rieten dak oprijst. Dat is onze herberg, waar we den nacht zullen doorbrengen. Met de langzame bewegingen, die den Indiaan eigen zijn, helpen eenige omstanders ons van onze zitplaatsen op het twee meter hooge stellage af. In de herberg is voor de reizigers een chupe klaargemaakt, die ons maar matig kan behagen. Onder chupe verstaat men hier een mengelmoes van groenten, in water gekookt, en gekruid met aji, een soort van inheemsche peper, die de spijzen een flauwen en toch ietwat prikkelenden smaak geeft. Eenmaal gewend aan ontbering op reis, leert men zich met dat onsmakelijk mengsel wel tevreden stellen; wie het niet van zich kan verkrijgen, het te proeven, behelpt zich maar met den mondvoorraad, dien hij heeft meegebracht.
De waard wijst ons als slaapplaats een verhevenheid van platgetrapte klei, een dertig centimeter boven den grond, in een slecht sluitend soort loodsje, een gelegenheid, zooals wij die vroeger ook reeds onderweg hebben aangetroffen. En daar van slapen toch niet komt op die ongemakkelijke legerstede, zijn wij maar blijde, als we om halfvier ’s morgens reeds weer worden gewekt om de reis voort te zetten. De tweede, derde en vierde reisdag gaan op dezelfde wijze voorbij. Maar gedurende den laatsten dag van onzen tocht zien wij, als een schilderachtige tooneeldecoratie, het hoogste gebergte ter wereld, na den Himalaya, oprijzen. Een geweldige reeks van witte bergtoppen, die dreigend hun besneeuwde kruinen verheffen, tot op een hoogte van 7000 M.; de Illampu, de Illimani, de Chacacomani, de Callinsaya, de Huaina-Potosi, en nog meer.
Na nog een eindelooze reeks van schokken en stooten bereiken we eindelijk den rand van een reusachtige klip, waar ons voertuig stilhoudt, en wij een tooverachtig schouwspel voor onze oogen zien uitgebreid. Het is een prachtig gezicht op La Paz. Vanaf de hoogvlakte, welke wij thans hebben bestegen, op ongeveer 3800 M., zien wij, in een uitgestrekte, natuurlijke kom, honderden roode daken, verspreid en verscholen tusschen het groen, dat de steile bergwanden bedekt. Het doet ons goed, te bedenken dat wij onder die huiselijke roode dakpannen weer beschaafde menschen zullen aantreffen.
La Paz is als ’t ware gebouwd tusschen de twee uiteinden van een groote letter V, die zich vereenigen in een snellen bergstroom. In plaats van rijtuigen, trekken hier kudden lama’s langs den weg, ’t zij vrij, of met vrachten op hun rug geladen. In de drukste straten komt men soms zulk een troep, van honderd, of tweehonderd beladen lama’s tegen, die met hun indiaansche drijvers al zeer zonderling bij de europeesche huizen afsteken. Een engelsche maatschappij is voornemens hier de electrische verlichting te verbeteren en een tramlijn te leggen. La Paz is minder merkwaardig door zijn monumenten en kerkgebouwen, dan door de zonderlinge gebruiken, die vooral in de laatste in zwang zijn.
In de kerken heeft men n.l. de beelden van Christus en de heiligen uit een gevoel van overdreven zedigheid waarschijnlijk, voorzien van nette, wijde, geel linnen broeken, die bij feestelijke gelegenheden door schoone worden vervangen. Men is zelfs zoover gegaan, ook de schouders en ontbloote ledematen der schaars bekleede heiligen met fluweelen mantels, of desnoods maar zeer eenvoudige bedekkingen te omhullen.
De Bolivianen geven blijk van hun bijzonder vrome gezindheid door een bijna overdreven neiging tot het houden van processies. Regent het wat te veel, dan wordt ten spoedigste een plechtige optocht gearrangeerd, om den ongewenschten regen te bezweren. De kosten worden altoos bestreden door een inzameling van giften onder het publiek. Blijft het lang droog, dan wordt hetzelfde middel te baat genomen. Als iemands kind ziek is, wordt geen middel zoo heilzaam beschouwd als een gezamenlijke optocht, om zijn genezing af te smeeken. In La Paz en de andere groote steden van Bolivia bedraagt het aantal processies dan ook, door elkaar genomen, twee per week. Men beweert, dat de boliviaansche geestelijken er hun voordeel uit trekken, en dat zij over het algemeen wel een weinig misbruik maken van hun gezag, ten bate van hun beurs. Het is waar, dat deze priesters uit hun ambt des te meer winst kunnen halen, naarmate hun vindingrijkheid hun de middelen daartoe aan de hand doet.
De eigenlijke volksklasse, wier voorvaderen zonaanbidders waren, is fanatiek geloovig en blijft den aard van hun ras getrouw.
Het fetichisme heeft zich hier van geslacht tot geslacht voortgeplant, ondanks alle uiterlijke wisselingen.
Te Calamarca, ongeveer twintig mijlen van la Paz, aan den weg naar Oruro gelegen, bevindt zich een zonderlinge begraafplaats. Deze is n. l. verdeeld in drie afdeelingen, een kerkhof voor den hemel, een tweede voor het vagevuur, en een derde voor de hel.
Men behoeft niet te vragen, welk een gewichtige beteekenis deze willekeurige classificatie heeft in den geest van een armen onwetenden Indiaan. Wordt hij op het hemelsche kerkhof begraven, dan is hij zeker, na zijn dood alle genietingen der zaligheid te zullen smaken; rust zijn stoffelijk overschot op het kerkhof der hel, dan wordt hij voor eeuwig de prooi van de vreeselijkste pijnen en folteringen.
Nu is het tarief voor de drie kerkhoven zeer verschillend. En de zaak komt in ’t algemeen hierop neer, dat de aardsche goederen van elken gestorven Indiaan in deze gemeente aan den priester van Calamarca ten deel vallen, inplaats van in handen te geraken van zijn natuurlijke erfgenamen. Want deze zouden immers nooit de verantwoording op zich durven laden, den doode op het hellekerkhof te laten begraven, en getroosten zich dus liever, al wat zij bezitten, tot hun laatste lama, te verkoopen, ten einde de vereischte som te kunnen bijeenbrengen, die den toegang tot de hemelsche begraafplaats, of, als het dan niet anders kan, den gulden middenweg van het vagevuur, ontsluiten zal. Als de boliviaansche geestelijkheid zich nu maar wilde beperken tot het houden van processies, of tot het bedotten van onnoozele Indianen en Cholos, dan zou het nog zoo erg niet zijn. Maar onlangs was er iets ernstigers voorgevallen. De zeer talrijke europeesche kolonisten in Oruro waren genoodzaakt geworden, hun woningen in staat van verdediging te brengen. Ieder hield de wapenen gereed, zorgde voor munitie, en was op den strijd voorbereid. Oruro was in staat van beleg om de volgende reden. In Oruro woont een groot aantal Europeanen, die hier aan de mijnen zijn verbonden, en onder hen zijn veel Duitschers en Engelschen, allen Lutherschen, Calvinisten, of aanhangers der Anglikaansche kerk, en eveneens vele orthodoxe Russen. Al deze vreemdelingen waren door vereende pogingen er in geslaagd, in het bezit te geraken van een eigen kerkhof, waar zij geen inmenging van de geestelijkheid hadden te dulden. Daar ook vele Franschen, Italianen en Chilenen zich bij hen aansloten, bleven de nadeelige gevolgen voor de priesters van het plaatsje niet uit, daar deze thans bijna niet anders dan arme Indianen naar hun laatste rustplaats op het klassenkerkhof geleidden, terwijl de rijker met aardsche goederen bedeelden de voorkeur gaven aan de “vrije” europeesche begraafplaats.