Potosi is zeer vervallen van haar vroegere grootheid.
Een der priesters was zoo onvoorzichtig, zich in een toespraak te laten ontvallen, dat alle vreemdelingen verdoemd waren, en dat hun gebeente niet verdiende in de aarde te rusten. Dat behoefde den dweepzieken Indianen geen tweemaal te worden gezegd. Zij begaven zich naar het europeesche kerkhof, waar zij lijken opgroeven en hun beenderen verstrooiden over de verlaten hoogvlakte, die Oruro omringt. Dit lieten de Europeanen zich niet welgevallen, en, na het bestuur der stad gewaarschuwd te hebben, dat niet bij machte was hen tegen den dreigenden aanval der Indianen te beschermen, maakten zij zich gereed, hun rechten persoonlijk te verdedigen. Gelukkig werd de zaak nog in der minne geschikt en is alles betrekkelijk goed afgeloopen.
Het was niet moeilijk, de Indianen tot het Katholicisme te bekeeren. De Zonaanbiddende Incas waren even vurig godsdienstig als hun nakomelingen. De oude Inca-godsdienst vertoonde trouwens een merkwaardige overeenkomst met het Christendom. Zoo vierden zij jaarlijks het groote Raymi-feest, waarbij brood en wijn onder rijken en armen werden uitgedeeld, hetgeen aan het Israëlietische en Christelijke Paaschfeest herinnert. Ook biecht en boetedoening waren bij de Incas in zwang. Aan het heidendom deed weder een andere instelling denken, de Zonnemaagden, die een gelofte van kuischheid moesten afleggen, waarvan haar slechts de Zonnezoon, haar heer en meester, kon ontheffen.
Haar eenige taak was het onderhouden van het gewijde vuur, een gebruik, dat zich licht laat verklaren uit de noodzakelijkheid, om geen warmtebron te laten uitdooven daar, waar juist het vuur een even strikte levensvoorwaarde als het dagelijksch voedsel was. De Vestaalsche maagden deden hetzelfde, en de Zonnemaagden werden even als haar romeinsche zusters levend begraven, indien zij haar taak verzuimden of haar gelofte verbraken.
Andere overleveringen schenen aan oud-testamentische bronnen ontleend. Zoo heerschte hier ondanks het volslagen gebrek aan regen op de hoogvlakte van Atacama, toch ten tijde van de spaansche overheersching onder de Incas het geloof aan een algemeenen zondvloed, die in oude tijden ook hun land zou hebben overstroomd.
Op den weg van Potosi naar Challapata.
De priesters in Bolivia zijn almachtig, en de geestelijkheid heeft alles in handen. Zelfs de protestantsche en Israëlietische vreemdelingen zijn niet buiten het bereik van haar invloed.
Boerderij in de omstreken van La Paz.
La Paz heeft steeds den voorrang betwist aan de andere steden van Bolivia, telkenmale wanneer het aan het hoofd van den boliviaanschen staat behaagde, den zetel van het bestuur naar een andere plaats over te brengen. De onderlinge naijver tusschen La Paz en Sucre gaf bijna altijd aanleiding tot al de ongeregeldheden en opstanden, die het land veel schade hebben berokkend. Ook de laatste, en een der bloedigste van die omwentelingen, in 1898–1899, was weder het gevolg van zulk een willekeurige verplaatsing van het bestuur. La Paz eischte van de regeering, die Sucre als residentiestad had gekozen, dat de verschillende departementen van Bolivia door een federaal constitutioneel lichaam zouden worden vertegenwoordigd, en dat de zetel der regeering in La Paz zou blijven gevestigd. Dit was niet meer dan rechtvaardig, beweerden de revolutionnairen, omdat La Paz den toegang tot Bolivia in handen heeft, door de ligging der stad in de nabijheid van de havenplaats Chililaya, aan het Titicacameer. Na deze proclamatie vereenigden zich de volksleiders in La Paz tot een federale regeering, die zich openlijk verzette tegen den toenmaligen president, Alonso. Dat ging des te gemakkelijker, daar deze zich op dat oogenblik te Sucre bevond, midden in het hooggebergte en minstens twaalf dagreizen verwijderd van de verschillende grootere plaatsen, waar hij zijn gezag had kunnen doen gelden. Dus maakten de oproerlingen zich, zoo snel als dit bij de gebrekkige verkeersmiddelen mogelijk was, meester van Oruro, Cochabamba, Santa Cruz en Colquechaca. Naar alle oorden der wereld werden telegrammen verzonden, waarin werd medegedeeld, dat deze steden zich bij de federatie hadden aangesloten. Het bestaan dier federatie was dus thans een uitgemaakte zaak; en president Alonso bleef niets anders over, dan naar Oruro te reizen, van waar de spoorweg reeds zoovele ongelukkige presidenten van Bolivia in de verbanning had gevoerd, maar tevens dan ook in veiligheid gebracht, op chileensch grondgebied. Zijn partijgenooten kwamen op afschuwelijke wijze om het leven. Te Corocoro, waar de beroemde kopermijnen zijn, waren een honderdtachtigtal van zijn aanhangers vereenigd. Men hitste op de ongelukkigen een bende van eenige duizenden Indianen aan, die te voren dronken waren gemaakt. Van een overgave was zelfs geen sprake; er bleef hun niet anders over dan hun leven zoo goed mogelijk te verdedigen, en zich tot het uiterste te verweren. Ten slotte trokken de Indianen, wier gelederen door het hardnekkig geweervuur der Alonzisten waren gedund, zich terug, de lijken hunner slachtoffers, die zij hadden kunnen bereiken, met zich medevoerend. Zij staken deze de oogen uit, en sneden de lichamen in stukken, die zij op groote vuren braadden en vervolgens verslonden. Uit zulke verschrikkelijke tooneelen kan men afleiden waartoe deze bevolking van Cholos en Indianen, in gewone omstandigheden kalm en goedaardig, zich in oogenblikken van razernij kan laten vervoeren.
Waterdrager te La Paz.
Wat deze arme schepsels noodig hebben, is leiding en onderwijs. Veel is echter in deze richting nog niet tot stand gekomen.
In 1825 werd door het congres voor het eerst een programma opgesteld van het openbaar onderwijs. Doch de resultaten van deze goed bedoelde pogingen waren niet schitterend te noemen. In 1846 bestonden in Bolivia 442 openbare en particuliere inrichtingen van onderwijs; in 1868 waren daarvan slechts 332 overig. Die onrustbarende achteruitgang is steeds zoo goed mogelijk bestreden door de verschillende regeeringen, welke elkaar in dit land zijn opgevolgd.
Een schrander en ijverig man, Don José Vicente Ochoa, heeft als minister van onderwijs veel gedaan, om het peil van de volksontwikkeling te verhoogen. Al is hij in die moeilijke taak niet geheel geslaagd, men mag hem daarvan geen verwijt maken, en het is niet meer dan billijk, zich rekenschap te geven van de bezwaren, die hij daarbij te overwinnen had.
Administratief is Bolivia verdeeld in negen departementen, acht en veertig provincies, en driehonderd drie en zestig kantons. De departementsbesturen bestemmen voor het lager onderwijs jaarlijks een som van 139 565 bolivianen (een boliviaan = 2.50 frs.) Daar nu de inkomsten dezer departementen te samen een totaal van 682 047 bolivianen bedragen, komt de zaak hierop neer, dat twintig percent van die inkomsten aan het onderwijs worden gewijd. Als men echter den toestand van elk departement afzonderlijk nagaat, komt men tot de ontdekking, dat deze verhouding lang niet overal geldig is, daar sommige departementen zich beroepen op oude wetsvoorschriften, en zich dientengevolge onttrekken aan een verplichting, die hen zou noodzaken een vijfde van hun inkomsten aan het onderwijs ten koste te leggen.
Sedert, na een wet van 7 Nov. 1872, een regeling van het openbaar onderwijs is tot stand gekomen, heeft het middelbaar onderwijs hier veel doorgemaakt. De staat bekostigt acht scholen, waarnaast vijf godsdienstige inrichtingen en vier vrije scholen bestaan. In de staats- en godsdienstige scholen (behalve in die te Beni) omvat het onderwijs zes klassen, die de leerling doorloopen moet, ten einde tot de universiteit te kunnen worden toegelaten. De “vrije” scholen bestaan uit slechts twee of drie klassen en verstrekken onderwijs, al naar de omstandigheden het meebrengen, of de behoeften der leerlingen het vorderen. Het hooger onderwijs is drieledig, nl. òf algemeen, òf een opleiding voor een of ander beroep, òf meer bepaald technisch onderwijs. In theorie bestaan hier vier faculteiten; nl. de rechten, de medicijnen, de theologie en de letteren. De laatste is echter tot dusver nooit behoorlijk geregeld, terwijl de theologische faculteit zich als in den ouden tijd voegt naar de verordeningen der diocese.
Bij de wet van 15 October 1892 zijn de universiteiten van Potosi en Oruro opgericht. Behalve deze zijn er nog vijf andere districten, die zich op een universiteit kunnen beroemen. Al is dit groote aantal inrichtingen van hooger onderwijs een voordeel voor de studeerende jongelingschap, die zich zoodoende, ter wille van de studie, niet ver van hun woonplaatsen behoeven te verwijderen, aan den anderen kant werkt die verbrokkeling van krachten niet gunstig op het onderwijs zelf, en doet schade aan het gezag, dat anders van een enkele groote universiteit zou kunnen uitgaan.
De wet verdeelt voorts het speciaal en technisch onderwijs over landbouw-, handels-, en mijnbouwscholen. Het programma der landbouwscholen is gebaseerd op een vierjarigen cursus. Maar daar de reglementen van deze instellingen eerst kunnen worden opgesteld, wanneer een wet in werking is getreden, die nog nooit is uitgevaardigd, is in het geheele land nog geen enkele dier scholen geopend, en met de handelsscholen gaat het niet beter.
Wat de mijnbouwscholen betreft, de wetgevers die ze in het leven riepen, hebben de zorg voor hun inrichting verschoven tot den tijd, waarop weer nieuwe besluiten zullen worden uitgevaardigd. Alleen voor de oprichting eener mijnbouwschool te Potosi hebben verschillende regeeringsleden zich veel moeite getroost, zoodat men er ten slotte werkelijk in geslaagd was, een reglement samen te stellen. Ongelukkig rezen echter in de praktijk bezwaren van overwegenden aard, waaronder voornamelijk een totaal gebrek aan professoren, zoowel als aan leerlingen; zoodat ten slotte ook deze inrichting niet veel meer dan een voorbereidende cursus is geworden.
In de universiteitsdistricten, behalve te Oruro, wordt het onderwijs in de studie der rechten en staatswetenschappen bekostigd door den staat, al naar de middelen welke zij voor het oogenblik tot dit doel beschikbaar heeft. Volgens de jongste statistiek studeeren in de rechten 506 jongelieden.
Het onderwijs in de genees- en heelkunde wordt te Sucre en La Paz door den Staat bekostigd, te Cochabamba en Potosi door particuliere bijdragen, natuurlijk een zeer onzekere bron.
Daar La Paz sedert de laatste revolutie de hoofdstad van Bolivia is geworden, heeft men het recht, te verwachten, dat van deze stad de staatkundige hervormingen zullen uitgaan, die het geheele land ten goede zullen komen.
Door de nabijheid van de kleine havenplaats Chililaya of Puerto Perez, aan die groote binnenzee gelegen, die het meer van Titicaca wordt genoemd, hoopt La Paz de douanestad der republiek te worden, en in zekeren zin de algemeene stapelplaats voor Bolivia. Maar als deze hoop verwezenlijkt zou worden, moest La Paz dan ook bereid zijn, haar hervormingsplannen tot het uiterste door te zetten, en eenvoudig een eigen belastingstelsel ontwerpen, waardoor zoowel de binnen- als de buitenlandsche handel slechts rekening zou hebben te houden met een algemeene administratie, en niet voortdurend behoefde te worden belemmerd door een aantal verschillende tarieven, even groot als het aantal plaatsen, dat Bolivia rijk is.
Reeds maakten wij bij onze algemeene beschouwingen over den handel van Bolivia melding van deze decentralisatie, die oorzaak is, dat de kooplieden in elke stad op nieuwe en verschillende moeilijkheden stuiten, en ten slotte afhangen van de willekeur van enkele ambtenaren, aan wie de overheid het innen der belastingen heeft opgedragen, die zoowel van de koopwaar worden geheven als van den reiziger die ze aanbiedt. Toch zal La Paz, ondanks haar 25 à 30 000 inwoners, (het getal is trouwens zeer moeilijk vast te stellen bij de steeds wisselende en zwervende indiaansche bevolking), wel niet bestemd zijn, de voorname plaats als handelsstad te bekleeden, waarvan zij zich thans reeds bij voorbaat verzekerd acht. In dit opzicht kan la Paz op één lijn worden gesteld met Sucre en Potosi; het is noch een stapelplaats, zooals Oruro geworden is, sedert de spoorweglijn van Antofagasta daarheen is aangelegd , noch een tusschenstation voor waren, die naar het district Santa Cruz worden uitgevoerd, zooals Cochabamba. Wat te La Paz wordt ingevoerd, is uitsluitend bestemd voor eigen verbruik; want wat naar de streken der Yungas en naar Beni wordt gezonden, is niet de moeite waard om te vermelden.
Wenscht echter La Paz een ruim veld voor het verwezenlijken van hervormingsplannen, dan kan de stad dit vinden in de bovenvermelde misbruiken, die dringend om verbetering roepen; op die wijze alleen zou zij zich verdienstelijk kunnen maken jegens Bolivia en de verschillende vreemde volken, die met dit land in betrekking staan. Gelegenheid tot invoer is er genoeg in Bolivia. Behalve timmerhout en veevoeder, welke slechts met voordeel kunnen worden geïmporteerd in plaatsen, die aan of dichtbij den spoorweg zijn gelegen, kunnen de voortbrengselen uit den vreemde tot naar de verst verwijderde gedeelten van het land worden vervoerd. Suiker kwam vroeger uit Santa Cruz en werd verkocht voor 70 bolivianen de honderd kilo, tegenwoordig krijgt men de suiker uit Duitschland en België, en betaalt thans voor dezelfde hoeveelheid 40 bolivianen. Men heeft getracht, dit artikel uit Parijs te laten komen; maar de concurrentie der beide eerstgenoemde landen was van dien aard, dat het den kooplieden onmogelijk werd gemaakt, hun waar uit Frankrijk te betrekken. Vroeger leverde Frankrijk hier nagenoeg alle geestrijke dranken; maar deze zijn vervangen door den alcohol van veertig graden, uit suikerriet verkregen, dien de Indianen, met water vermengd, plegen te drinken. Eerst werd deze levering van spiritualiën, die onzen uitvoerhandel groote schade toebracht, gemonopoliseerd door Peru; thans hebben Chili en Duitschland er zich grootendeels van meester gemaakt.
In het algemeen zijn de voornaamste artikelen, welke in Bolivia worden ingevoerd: katoenen en linnen stoffen, zijde en meubels van allerlei soort. Ongeveer vijftien jaren geleden werden meubels ingevoerd uit Frankrijk, Engeland en de Vereenigde Staten; naarmate echter deze tak van handel zich uitbreidde, ontstond een internationale concurrentie, en thans zijn het vooral België en Duitschland, die de meubels voor Bolivia leveren. Wel zijn deze van mindere kwaliteit, doch zij zien er aardig uit, en zijn goedkooper dan die, welke fransche fabrikanten kunnen aanbieden. De oorzaken, die er toe hebben bijgedragen, den invoer uit Duitschland te begunstigen, zijn de volgende. Ten eerste is de afwisselende waarde der boliviaansche munt aanmerkelijk gedaald, in vergelijking met het europeesche goudgeld, en het gebrek aan kapitaal heeft de boliviaansche afnemers genoodzaakt, bij hun inkoopen de grootste zuinigheid te betrachten, terwijl Duitschland door de lage prijzen van zijn koopwaar groote voordeelen biedt. Nog een andere oorzaak is deze: de toenemende neiging tot landverhuizing der Duitschers heeft ondernemende lieden uit Duitschland naar Bolivia gevoerd. Onder bescherming van hun regeering vestigen zij zich in Bolivia, stellen zich op de hoogte van de behoeften der steden, waar zij verblijf houden, zenden stalen naar Duitschland van alles, wat daar wordt verkocht, en maken zoo gebruik van elke gelegenheid om zich vasten voet te verschaffen. Hoewel hun waar van beslist mindere hoedanigheid is dan de fransche, moet men toegeven, wat zij aanbieden, is goedkoop, wat er in Bolivia ’t meest op aankomt, en ziet er bovendien aanlokkend genoeg uit, om gemakkelijk koopers te vinden.
Zoodoende heeft Frankrijk hier ook de levering verloren van gemaakte costumes, merinos en cachemir, borduurwol, japonstoffen, shawls, dames-, heeren- en kinderhoeden, onderkleeding, manufacturen etc, evenals de halfzijden, halfkatoenen weefsels. Tot nog toe echter blijft Engeland onovertroffen in gebleekt en ongebleekt katoen, gekleurd sits, tapijten enz. De boliviaansche kooplieden, die geen Duitschers zijn, staan niet rechtstreeks in verbinding met Hamburg en Berlijn, en richten hun aanvraag tot de commissionnairs in Parijs; doch deze laatsten koopen dikwijls allerlei artikelen, onverschillig waar, die zij voor duitsch laten doorgaan, en zenden deze uit de havens van Hamburg en Antwerpen naar Antofagasta, hetgeen zeer schadelijk is voor de fransche handelsbelangen. De voornaamste handel op Bolivia drijft Engeland; dadelijk daarna volgt Duitschland, en Frankrijk kan eerst in de derde plaats worden genoemd.
Een der hulpmiddelen, die den franschen uitvoerhandel ten dienste staan, is de specialiteit in elken vorm; iets, waaraan de Bolivianen gewend zijn en behoefte hebben.
De verkoop van waren met een eigen handelsmerk is hier vooral aan te bevelen, omdat zulk een merk, als het eenmaal gunstig bekend staat, niet licht wordt verdrongen. De aard der koopers, die traag zijn en gehecht aan sleur, brengt van zelf mede, dat zij niet licht geneigd zullen zijn, iets nieuws te beproeven. Ongelukkig zijn de namaaksels, die voornamelijk schuld zijn aan den achteruitgang van den franschen handel in deze streken, hier aan de orde van den dag, vooral bij de merken van betere kwaliteit. Het staat vast, dat dit misbruik, op zoo groote schaal gedreven als thans, den handel van Frankrijk met Bolivia ernstig moet benadeelen. Wat hebben, tot nog toe, de meest bevoegde autoriteiten gedaan, om den voortgang van dit kwaad te stuiten, dat ook hun eigen belang bedreigt? Het orgaan der nationale vereeniging van Handel en Nijverheid, rue Lancry te Parijs, geeft het antwoord op deze vraag, in zijn nummer van 23 Oct. ’07. “Wij moeten de aandacht vestigen,” leest men daar, “op een artikel in het verslag van de fransche kamer van koophandel te Constantinopel, betreffende het namaken van fransche producten, ’t geen op zoo schaamtelooze wijze gebeurt, dat het publiek langzamerhand van het gebruik onzer waren wordt afgewend. Wij moeten ons hiertegen verzetten en hen, die zich hieraan schuldig maken, met kracht bestrijden. In Parijs bestaat een vereeniging van fabrikanten, die zich ten doel stelt, de fransche handelsmerken in de geheele wereld te beschermen. Doch deze vereeniging heeft nooit stappen in deze richting gedaan; wat misschien een zuinige maatregel is, doch niet bevorderlijk voor het doel, dat de leden wenschen te bereiken en waarvoor zij hun bijdragen storten.” Jammer genoeg is deze opmerking niet alleen van toepassing in Turkije; maar geldt overal, en wel in ’t bijzonder in Bolivia.
En al is in Frankrijk een krachtig ingrijpen nog niet mogelijk, in Bolivia kunnen de fransche producten wel degelijk beschermd worden, wanneer ieder maar de middelen wilde aangrijpen, die hem daartoe ten dienste staan. In Bolivia toch kan iedere verkooper gemakkelijk en zonder groote onkosten zijn merken beschermen, sedert de invoering der wet van 25 November ’93, die den 21sten Maart ’97 door een presidentsbesluit werd bekrachtigd. Deze wet en dit besluit, waaromtrent alle boliviaansche consuls belanghebbenden kunnen inlichten, zijn onze fransche wet in dezen vooruit. In Frankrijk is het handelsmerk enkel een bewijs van eigendom; in Bolivia, als in vele andere landen, geeft het deponeeren van een merk het recht, om dat merk door de wet te doen verdedigen.
De beschouwing van Bolivia’s handel brengt ons als van zelf op den financieelen toestand van het rijk. Het spreekt van zelf, dat bij een jeugdig land, een Staat, die nog slechts zijn eerste schreden op den levensweg heeft gezet, hier geen sprake zal zijn van kolossale cijfers. Doch de staat der inkomsten dekt ongeveer die der uitgaven, en een klein tekort in het loopende jaar, zal, naar men zegt, in het volgende reeds weder zijn aangevuld. Het eenige, waarvoor de staat millioenen zou kunnen noodig hebben, is de aanleg van spoorwegen. Maar Bolivia zou tot het bereiken van dit doel zooveel geld ter beschikking kunnen krijgen als het slechts wilde; daar men van te voren weet, welke winsten dit zou afwerpen en hoezeer de uitvoerhandel erdoor zou worden gebaat. Waar men zoo zeker is, dat het kapitaal goede rente zal afwerpen, zullen kapitalisten wel niet aarzelen, hun geld in deze onderneming te steken.
Lama’s, die wachten om beladen te worden, te La Paz.
Het laat zich dan ook verklaren, dat een leening van 50 à 100 millioen francs, door een machtige financieele groep in Engeland Bolivia onder zeer voordeelige voorwaarden aangeboden, door laatstgenoemd land geweigerd is. In antwoord toch op deze aanbieding schreef de boliviaansche regeering: “Het aanbod van een leening door zulk een machtige combinatie is zeer vleiend voor het crediet der Republiek; doch onze inkomsten bedragen meer dan voldoende om onze uitgaven te dekken, en die inkomsten zullen aanmerkelijk vermeerderen bij den toenemenden vooruitgang van ons land. Het eenige doel, waarvoor wij aanzienlijke sommen zullen noodig hebben is de uitbreiding van het spoorwegnet, dat de verschillende departementen onderling, zoowel als met de omliggende republieken moet verbinden.
“Dit net zal worden aangelegd door amerikaansche ondernemers, die een kapitaal zullen storten van 7½ millioen pond sterling, welk cijfer eventueel tot 9½ millioen zal worden verhoogd, terwijl de regeering van hare zijde 50 millioen francs zal bijdragen. De 50 000 pond, die wij aan de studie onzer spoorwegen hebben ten koste gelegd, zullen ons door de hierboven bedoelde amerikaansche financiers worden vergoed.”
Wij willen voorts nog melding maken van twee voor kort ingevoerde hervormingen, die blijk geven van den vooruitstrevenden geest, welke in Bolivia heerscht en te danken zijn aan het helder inzicht van den jeugdigen minister van financiën del Castillo.
Deze hervormingen, die van groot belang zijn voor het land, betreffen den muntstandaard en het bankwezen. De standaardmunt was, zooals reeds gezegd is, in Bolivia in waarde verminderd; de zilveren piaster, die een waarde heette te vertegenwoordigen van 5 francs, gold in werkelijkheid niet meer dan twee francs en eenige centimes. Deze zilverstukken worden thans buiten koers gesteld, en vervangen door goudgeld. Dit zal gemakkelijk gaan in een land waar goud wordt gevonden, en den internationalen handel zeer ten goede komen.
Ten tweede zullen de vele banken, die in Bolivia bestaan, en die allen biljetten kunnen uitgeven tot een zekere waarde, worden vereenigd tot een enkele, door den Staat gewaarborgde nationale bank van Bolivia.
Volgens de verklaringen van alle onderzoekers en aardrijkskundigen, die het land grondig hebben leeren kennen, kan geen oord ter wereld met Bolivia wedijveren in rijkdom aan schatten uit het delfstoffen-, dieren- en plantenrijk. Nog voor kort werd door duitsche geleerden verzekerd, dat Bolivia het rijkste land der wereld was. En die bewering is niet nieuw. Vele reizigers, die Z. Amerika goed kennen, zijn het hiermede eens. Jaren geleden heeft A. d’Orbigny dezelfde meening verkondigd, in het hoofdstuk, aan Bolivia gewijd, van zijn l’Amérique méridionale.
Maar al deze geleerde en bereisde schrijvers wijden meer uit over de gesteldheid en het aantal der mijnen, over het zilver, goud, petroleum, tin, mica, bismuth, bruinsteen, koper, platina, kwikzilver, borax, etc, die hier worden aangetroffen, dan over de voortbrengselen uit het plantenrijk, die toch een der voornaamste bronnen van rijkdom zijn, waarin dit wonderbare land zich kan verheugen. Het bezit de meeste producten van Europa en Afrika, en bovendien nog menige andere, voortreffelijk in hun soort, welke in ons werelddeel niet worden verbouwd; koffie, cacao, tabak (even goed als die uit Havanna) kaneel; suikerriet, dat een hoogte van negen à tien voet bereikt; vanille; kruidnagelen; de coca, die in de moderne pharmacopie een rol speelt, aardnoten en nog meer, te veel om te noemen.
Door een zonderlinge speling der natuur worden juist de kostbaarste dezer producten gevonden in de streken, welke het moeilijkst te bereiken zijn. In een geheel afgelegen streek wordt de beste koffie verbouwd, en in de maagdelijke wouden de caoutchouc-boom aangetroffen. In een dagreis, per muilezel, van La Paz naar het binnenland, bereikt men de Yungas, de streek, waar de beste koffie wordt verbouwd door Indianen, met de haren in een staart gevlochten als Chinezen, en in zeer primitieve kleederdracht, typen, die men wel eens in de straten van La Paz ontmoet.
De koffie der Yungas, die in den handel niet veel wordt aangetroffen, is zelfs voor hen, die geen deskundigen zijn, gemakkelijk te herkennen; de boonen zijn klein, een weinig doorschijnend, en blauwachtig grijs. De fijnproevers, wie het zeldzame voorrecht te beurt valt er een partijtje van te bemachtigen, weten, dat de naam “de beste koffie der wereld” in dit geval geen ijdele grootspraak is. Jammer genoeg dat onze uitgesproken voorliefde voor den geurigen drank in de Yungas niet wordt gedeeld; de Indianen, die aan dergelijke genotmiddelen geen behoefte gevoelen, laten den grond braak liggen, die zooveel rijkdommen bevat.
Een der hoofdstraten van La Paz; rechts het gouvernementsgebouw.
Wanneer eenmaal de vreemde kolonisten zullen hebben ingezien, dat hier een vrij wat vruchtbaarder veld te ontginnen valt, dan hun geboden wordt in de mijnen van het hooggebergte, kunnen met de koffie der Yungas schatten worden verdiend.
Wanneer men zijn weg verder voortzet naar het Noordoosten, bereikt men Beni, het nog ondoorzochte en door woeste stammen bewoonde grondgebied, van Midden-Zuid-Amerika, dat steeds de twistappel is geweest tusschen Bolivia, Peru en Brazilië.
Het departement Beni is een der door de natuur zelf aangewezen streken voor de teelt van den boom, die de caoutchouc levert. De caoutchouc, uit deze streken afkomstig, wordt als veel beter beschouwd, dan die uit Afrika; omdat de boomsoort, waaruit zij getrokken wordt, een hevea is, terwijl in Afrika slechts de ficus elastica groeit, welke een minder waardevolle soort van caoutchouc oplevert. In Afrika zelf wordt de meerdere voortreffelijkheid der hevea erkend, en in het Zuiden van Madagascar heeft men groote proefplantages aangelegd, langs de oevers der rivier Mananjary, van heveas, die uit Beni en de streken, aan de bijrivieren der Amazone gelegen, zijn aangevoerd.
De caoutchouc uit Beni komt aan de europeesche markt in den vorm van groote brooden, voor de eerste tweede en derde kwaliteit, en voor de mindere soorten in den vorm van kogels of bolletjes. Zonder het voorbeeld van verschillende andere schrijvers te volgen, en een uitvoerige beschrijving te geven van de wijzen waarop de harsachtige stof wordt bereid, welke in Europa voor zoo oneindig vele doeleinden zal worden aangewend, kan ik toch niet nalaten, met nadruk te verklaren, dat zoowel Beni als in het algemeen het stroomgebied der rivieren, die van de Oostelijke helling der Andes zich in de Amazonerivier uitstorten, in elk opzicht waard zijn, om door ondernemende onderzoekers, die over een ruim kapitaal kunnen beschikken, te worden geëxploiteerd. Het aantal caoutchoucboomen in dit gedeelte van Amerika is zoo groot, dat geheele menschen-geslachten noodig zouden zijn, om den voorraad uit te putten. Jongelieden, die gaarne rijk zouden worden, mogen dezen raad ter harte nemen, altoos wanneer zij moedig en volhardend genoeg zijn om zich vele gevaren en ontberingen te willen getroosten.
Gewoonlijk vereenigen zich de caoutchouc-zoekers, die in deze onherbergzame streken werkzaam zijn, en vormen samen een soort kolonie, of voegen zich bij een dergelijke reeds bestaande vereeniging. Zulk een plaats draagt dan den weidschen naam van stad; maar is gewoonlijk niet veel meer dan een meer of minder dicht bijeengeschaarde groep hutten, met een bevolking van half getemde Indianen. De europeesche kolonisten voeren er natuurlijk den boventoon, en laten de Indianen voor hen werken. Het behoeft niet gezegd te worden, dat ruw geweld hier aan de orde van den dag is, en dat het gezag zich dan ook helaas door geen ander middel laat handhaven.
Dikwijls wordt de heftige vijandschap der kolonisten onderling, en de twisten daardoor ontstaan, oorzaak van bloedige drama’s, waarin dolk en revolver hun rol spelen. Meermalen ook komen de Indianen, die even als vee met den lazzo worden gevangen, en zonder verderen vorm van proces tot arbeiden gedwongen, tegen hun meesters in opstand, vermoorden hen, verbranden hun hutten, en keeren tot hun vroegeren staat terug. Eerst wanneer eenige maanden later de karavaan met levensmiddelen het kamp bereikt, die door de agenten dezer vereenigingen wordt uitgezonden, om hen geregeld van proviand te voorzien, en zij op de bekende plek slechts de asch der verbrande hutten en verspreide beenderen vinden, begrijpen zij wat er gebeurd is, en keeren onverrichterzake terug.
Alle caoutchouc-zoekers stellen zich vooraf in verbinding met groote handelshuizen in de voornaamste steden van Europa, die filialen hebben in de plaatsen, welke het dichtst bij de onbewoonde streken zijn gelegen, die zij zich voornemen, te bezoeken; n. l. in Bolivia te La Paz en Cochabamba; in Peru te Arequipa en Cuzco. Deze vertegenwoordigers zijn de eenige band, die de pioniers nog met de beschaafde wereld verbindt. Zij zenden op van te voren vastgestelde tijden hun karavanen uit, die de kolonisten voorzien van voedsel, kleeding, gereedschappen, wapens enz. Daarvoor in de plaats nemen zij de sedert hun laatste bezoek verzamelde caoutchouc mede terug en brengen deze bij de genoemde agenten, die ze naar Europa verzenden, en tevens de verschillende geldzaken regelen, die bij dezen gecompliceerden handel vallen te vereffenen.
Ook een zeer winstgevende tak van bedrijf, die echter door het geringer aantal afnemers der waar minder bekend wordt, is het zoeken van orchideeën, waaraan de maagdelijke wouden hier rijk zijn.
Vooral engelsche handelshuizen in de City maken hiervan hun specialiteit, en zenden met groote kosten dappere en geoefende lieden uit naar de streken, aan den bovenloop der Amazonerivier gelegen. Maandenlang vertoeven deze in de eenzame wouden, en brengen van daar, dikwijls met levensgevaar, de prachtige orchideeën mede, die later zullen prijken in de salons der europeesche millionairs. Dikwijls worden in de verzamelingen van schatrijke en hartstochtelijke liefhebbers van orchideeën zeldzame exemplaren aangetroffen, die fabelachtige sommen vertegenwoordigen. In “La Vie à la Campagne” was onlangs sprake van orchideeën, die van 30 000 tot 50 000 francs hadden gekost. Zulke sommen doen menschen, die niet weten waarin eigenlijk de waarde dezer planten schuilt, verstomd staan; maar als men begrijpt met hoeveel moeite deze zeldzame planten worden verkregen, die dikwijls menschenlevens en in elk geval groote sommen gelds hebben gekost, laat zich die reusachtig hooge prijs wel verklaren. Doch deze maagdelijke wouden zijn voor den reiziger, die zich niet ten doel stelt te zoeken naar de schatten, welke zij verborgen houden, een ontoegankelijke en ondoordringbare wildernis. Het is feitelijk onmogelijk, hier een uitweg uit Bolivia te zoeken naar de zijde van Brazilië. Men moet wel terugkeeren naar La Paz, dat niet ten onrechte het eindstation van Bolivia heet.
Geen nauwkeurige beschrijving van Bolivia zou volledig zijn, waarin verzuimd werd melding te maken van een niet te versmaden bron van winst, n. l. de chinchilla-huiden, die als kostbaar pelswerk bij de europeesche dames zeer gezocht zijn. De chinchilla, die onze bevallige mondaines een prachtig zijde-achtig bont levert, in tinten, die afwisselen tusschen zacht grijsachtig bruin en blauwgrijs, is een aardig knaagdiertje, dat leeft op de westelijke hellingen der Andes, en het midden houdt tusschen een rat, een konijn, en een eekhoorn. De chinchilla of mus laniger, evenals de vistcacha, die hem na verwant is, mag zich er op beroemen in de natuurlijke historie zijn naam te hebben geleend aan een afzonderlijke familie, die der chinchilliden. De huid van het beestje beslaat, uitgeslagen, slechts een oppervlakte van 50 of 60 vierkante centimeter. Dit verklaart dan ook de hooge prijzen, die in Europa voor het chinchillabont worden betaald; want niet alleen zijn er zeer veel huiden noodig om een dergelijk stel bont te vervaardigen; maar reeds in het land, waar de dieren gevangen worden, vragen de chinchilla-jagers voor de goede soorten van 70 tot 90 francs voor het dozijn huiden; en daarbij komen dan nog, behalve de winst van de verkoopers, tusschenpersonen en bontwerkers, de onkosten van emballage en transport, van de bereiding van het leder en het afwerken der kostbare artikelen.
Wanneer men, op zijn muilezel gezeten, over de hoogvlakte en langs de hellingen der Andes trekt, ziet men de viscachas, met hun heldere oogjes, bij duizenden zich warmen in de stralen der morgenzon, knabbelend op wortels en grassprietjes en, waar zij ze kunnen bemachtigen, ook graan en vruchten. Als de reiziger een geweer bij zich heeft, vermaakt hij zich, ter afwisseling op de eentonige reis, niet zelden met zijn vaardigheid te beproeven in het schieten van die aardige kleine diertjes. Hun vleesch moet bijzonder fijn van smaak zijn. Maar het gebeurt niet licht, dat iemand een viscachaboutje te proeven krijgt, want het kleine goed is zoo rap als eekhorentjes, en wipt bij ’t minste verdachte geluid in hun hol.
Vroeger, tot de eerste helft der vorige eeuw, dartelden, met de viscachas, ook de chinchillas hier rond. In oude reisverhalen kan men lezen, hoe deze dieren hier zoo talrijk waren, dat zij dikwijls bij hun vlucht door de hoeven der muilezels werden vertrapt. Toen maakte men echter ook nog geen jacht op de chinchilla’s. Thans geven zich de jagers alle mogelijke moeite, om ze dood of levend in handen te krijgen. Het is reeds zoover gekomen, dat de regeering van Bolivia en Chili op middelen zint om deze jacht te reglementeeren, daar anders de tijd niet meer ver zou zijn, waarin het geheele ras zou zijn uitgeroeid.
Van Valparaiso naar het Noorden trekkend, treft men, na Coquimbo, de chinchilla’s aan op al de berghellingen langs de chileensche kust, zoowel als op de boliviaansche hoogvlakten. Uit Bolivia zijn trouwens de grootste, zachtste, en glanzigste huiden afkomstig, die, om ze te onderscheiden van de chileensche, “chinchilla royal” worden genoemd.
Geregeld eenmaal per week brengt een kar, die veel gelijkt op het vroeger beschreven vervoermiddel tusschen Oruro en La Paz, reizigers naar de ietwat kille oevers van het meer Titicaca, waar het kleine groepje huizen ligt, dat zoo onbescheiden is, zich een havenstad te noemen en den naam Chililaya of Puerto Perez draagt. Voor zijn pleizier behoeft men de reis niet te ondernemen; maar veel geld kost het uitstapje dan ook niet. Voor 7½ boliviaan en acht uren schommelens in de kar kunnen de bewoners van La Paz zich het genoegen verschaffen, een poosje op de vischvangst te gaan in hun geliefkoosd meer.
Te Chililaya, aan de boliviaansche zijde, scheept men zich in op een stoombootje, dat den reiziger na een vaart van 18 tot 20 uren aan den Zuidwestelijken oever brengt, te Puno, in Peru. Het Titicacameer, dat, naar beweerd wordt, 3813 Meter boven het oppervlak van den Stillen Oceaan is gelegen, is werkelijk een binnenzee, met een uitgestrektheid van 8340 vierkante kilometer. Het nabijgelegen meer van Poopo, of Pampa Aullagas, waarin het overvloedige water van het Titicaca-meer door den Desaguadera wordt uitgestort, beslaat de eveneens niet geringe oppervlakte van 2530 vierkante kilometer.
Op vaste tijden in het jaar dient de stoomboot, die de heldere wateren van het Titicaca-meer bevaart, als vervoermiddel voor duizenden pelgrims, die zich naar Copacabana begeven. Dit is het Lourdes van Bolivia, en de zwarte maagd van het heiligdom heeft, naar de geloovigen beweren, tallooze genezingen bewerkt.
Een jonge dame uit Santa Cruz.
Midden in het meer, op 90 kilometer afstand van Puno, vaart men voorbij het historische eiland Titicaca. Volgens zeer oude Inca-legenden zou van uit dit eiland de beroemde Manco Capac, de Inca der Incas, gekomen zijn, met zijn vrouw, Mama Oello, om het rijk te veroveren, waar hij zijn heerschappij grondvestte in de streken, die thans Peru en Noordelijk Bolivia vormen.
Op dit eiland ziet men nog bouwvallen, die overblijfselen heeten te zijn van den Zonnetempel, het verblijf der maagdelijke priesteressen van het Vuur, en andere, eertijds belangrijke monumenten. Ten laatste bereiken wij Puno, op peruaansch grondgebied. Als wij gebruik maken van een der treinen, die om de twee dagen vertrekken, dalen wij van de hoogvlakte af, langs een niet minder woesten en bergachtigen weg, dan die van Antofagasta, waarlangs wij haar hebben bestegen. Tusschen Puno, op 3822 M. hoogte, en den Stillen Oceaan ligt een spoorweglijn van 523 kilometer lengte, die tusschen meren en door bergen slingert, en zigzags-gewijze opkruipt langs den vulkaan Misti, die zich boven Arequipa verheft. Na het station Juliaca, op 3825 M. hoogte, waar zich de lijn van Sicuani afscheidt, die later naar de stad Cuzco zal worden doorgetrokken, daalt de weg langzaam tot Arequipa, de tweede stad van Peru, die op een hoogte van 2301 M. is gelegen, en 172 kilometer van het eindstation verwijderd is. Den volgenden morgen, of twee dagen later, haalt een andere trein de reizigers uit Arequipa af, waarna men, steeds dalende, des middags in de havenplaats Mollendo aankomt, na de eentonige woestijn van Islay te zijn doorgetrokken. Mollendo is slechts een klein stipje op de kaart; maar het is het eindstation van den spoorweg, en aan een inham van den Oceaan gelegen, waar de schepen, die langs de kust varen, voor anker liggen, om koopwaren en reizigers op te nemen, die door ervaren zeelieden aan boord worden gebracht.
Het tegenwoordige Bolivia is voor administratieve en militaire doeleinden in negen departementen verdeeld, n.l.: Chuquisaca, la Paz, Cochabamba, Potosi, Oruro, Atacama (een provincie, die voorloopig eens weer door Chili geannexeerd is), Beni, Santa Cruz en Tarija. Wanneer wij de aandacht onzer lezers tot nog toe voornamelijk op de zes eerste hebben gevestigd, dan is de reden hiervan te zoeken in het feit, dat zij de eigenlijke kern der republiek Bolivia vormen, en daarenboven de eenige zijn, waar Europeanen zich uit een oogmerk van praktisch belang metterwoon hebben gevestigd. Toch is Beni een belangrijk departement, alleen reeds door zijn uitgestrektheid, die 260 494 vierkante kilometer bedraagt; Santa Cruz, dat nog grooter is, beslaat een oppervlakte van 327 214 kilometer, terwijl het departement Tarija 89 643 vierkante kilometer groot is. Wij brachten aan deze departementen slechts een kort bezoek. Zij zouden dan ook veeleer een geëigend veld van onderzoek vormen voor ethnographische en archeologische navorschers in het gebied, dat bewoond wordt door de Indianen van de Oostzijde der Andes, en tusschen de rivieren Madre de Dios, Beni, Grande en Pilcomayo is gelegen. Een dergelijke reis werd in 1904–5 ondernomen door baron Erlang Nordenskjöld, zoon van den beroemden poolreiziger en neef van Dr. Otto Nordenskjöld. Om echter mijn reisverhaal te voltooien, wil ik aan deze provincies het laatste gedeelte wijden mijner beschrijving van Bolivia.
Een Creoolsche uit Santa Cruz.
Wat de juiste grens betreft tusschen de departementen Beni en Santa Cruz, de voorzichtigheid verbiedt den schrijver, die zich niet gaarne het ongenoegen der Bolivianen of van de bewoners der andere naburige staten op den hals zou halen, hierin een voorbarig oordeel uit te spreken. De streken aan den bovenloop der Amazonerivier, waarin de grens van Bolivia is gelegen, zijn nog te weinig bekend, dan dat elk der betrokken partijen met zekerheid over het mijn en dijn zou kunnen beslissen. En als ik mij wilde beroepen op een aardrijkskundig werk, getiteld “Notions sur la Géographie de la Bolivie” door den heer Justo Leigue Moreno, uitgegeven te Sucre in 1889, of op de “Encyclopédie Américaine”, of “Britannique”, zou het blijken, dat voor geen der deskundigen, die hier aan het woord zijn, een bepaalde grens staat vastgesteld. Dus is het maar ’t beste zich te houden, zooals ik reeds aan het begin van mijn verhaal heb vermeld, aan de gegevens, verstrekt door den boliviaanschen aardrijkskundige Manuel Vicente Ballivian. Van zijn cijfers heb ik mij ook bediend, toen ik hierboven de oppervlakte aangaf der drie provinciën, waarvan thans sprake is.
Voor het verbazend uitgestrekte departement Beni zijn slechts 22 000 inwoners aangegeven. Ruimte is er genoeg; maar het land is schaars bevolkt. De eenige belangrijke plaatsen zijn Trinidad aan de Rio Marmore, de hoofdstad van het departement, Magdalena, Santa Ana en Reyes. Andere gedeelten van het aan steden arme land dragen den naam der stammen, die er verblijf houden, waarvan het meest bekend zijn: de Mojos, de Itonamas, de Canichanas, de Baures, de Mobimas en de Cayubabas. Hun nog zeer primitieve beschaving hebben zij te danken aan den invloed, door Jezuiten-zendelingen hier in de 18de eeuw uitgeoefend. Doch de dalen van den Purus, van de Iruyani, de Mechupo, de Madre de Dios, die door de Indianen Mayutata of Slangenrivier wordt genoemd, worden bewoond door geheel woeste stammen met zonderlinge namen, zooals de Araonas, de Pacaraguas, Toromonos, Cavinas, Chacobos, Sirianos, Simonianos.
Een caoutchouc-zoeker, omringd door zijn inlandsch personeel.
Men schat het aantal dier Indianen op twintigduizend ongeveer, een zeer weinig betrouwbare opgave echter, waar geen enkele onderzoeker in de gelegenheid is geweest, een nauwkeurige telling te ondernemen. Eenige van deze stammen zijn, volgens den spaanschen franciskaner monnik Fidel de Codinach, die langen tijd in deze streken heeft vertoefd, menscheneters. Zij weten zelfs niet, dat zooiets als kleeding bestaat, en leven in den natuurstaat, evenals de apen en andere dieren, die zich met hen schuil houden in de dichte wouden langs de oevers der talrijke bijvloeden van de Amazonerivier. De dappere photograaf, die ons hun afbeeldingen bezorgde, moest gebruik maken van een krijgslist om hun conterfeitsel machtig te worden. Gelukkig had hij in zijn kamp een tooverlantaarn, waarmee hij in donker voor de wilden vertooningen gaf, en waardoor het hem gelukte, hen te bewegen, zich ook in het volle zonlicht voor zijn instrument te plaatsen, in afwachting van een dergelijk schouwspel, als ’t geen hen de vorige maal zoo geboeid had.
Dit gedeelte van Bolivia wordt besproeid door groote rivieren, waarvan de bronnen, door alle departementen van Bolivia verspreid, steeds nieuwe bijvloeden leveren aan de zijrivieren, die zich in den Maranon en de Amazone uitstorten. De caoutchouc-zoekers hebben dikwijls pogingen aangewend, om voor de scheepvaart van deze rivieren gebruik te maken, zonder echter daarin volkomen te zijn geslaagd. Heden zijn nog slechts gedeelten van enkele rivieren bevaarbaar. De Rio Beni heeft slechts een bevaarbaar gedeelte van 220 à 250 kilometer lengte; van af een zeker punt, voorbij de stroomversnelling van Esperanza, op ongeveer 10° 40′ Z. B. tot aan de haven van Reys. De Madre de Dios is bevaarbaar van af haar vereeniging met de Rio Beni tot aan de caoutchouc-exploitatie El Carmen, 360 kilometer van Villa Bella. De Rio Marmore kan bevaren worden van Villa Bella, waar de stroomversnellingen eindigen, 500 kilometer ver tot Trinidad, en van daar tot haar samenvloeiing met de Chaparé. Gedurende den regentijd kan men zelfs de Chaparé opvaren tot aan de haven Coni in Cochabamba, en de Rio Sara tot aan Cuatro Ojos in het departement Santa Cruz. Men kan zich licht voorstellen, dat hier geen geregelde dienst wordt onderhouden door stoombooten, of andere behoorlijk ingerichte vaartuigen. Alles geschiedt op de meest primitieve wijze; en de roeiers zijn Indianen, gewend aan het lastige en gevaarlijke besturen der schommelende prauwen zonder kiel. Zij roeien met hun pagaaien tegen den stroom op met een snelheid van omstreeks 3 à 4 kilometer in het uur en bij een lading van 5 of 6 ton, terwijl zij natuurlijk veel vlugger terugkeeren, met een snelheid van 15 à 16 kilometer in het uur. Somtijds, wanneer op enkele plaatsen, door het wassen der rivier, de stroomversnellingen een onoverkomelijken hinderpaal vormen, zijn deze lieden genoodzaakt aan land te gaan, hun prauwen leeg te halen en deze, met de waren die zij vervoeren, mede te sleepen door het dichte woud langs den oever der rivier, om zich later opnieuw te water te begeven.
Hoe moeilijk bevaarbaar ook, toch zijn deze waterwegen van onschatbare waarde, daar zij tot nog toe de eenige verbinding vormen tusschen het hart van Bolivia en Beni, en eveneens tusschen Beni en den Atlantischen Oceaan. Hoeveel ladingen caoutchouc, die in den dienst onzer nijverheid worden verbruikt, zijn niet langs deze rivieren vervoerd tot Villa Bella, en vervolgens door Indianen, voorbij de stroomversnellingen en watervallen van de Rio Madeira 400 kilometer verder gedragen, tot aan San Antonio, het eindstation voor de rivierstoombootvaart van Para, dat nog 1300 kilometer verwijderd ligt, om eindelijk, langs de bijvloeden der Amazonerivier den Atlantischen Oceaan en onze zeehavens te bereiken!
Beni en het noordelijk deel van het departement Santa Cruz genieten een constante gematigde temperatuur, die afwisselt tusschen 30 en 35 graden. Er heerscht een eeuwige zomer, en het begrip winter sluit geen andere voorstelling dan die van een regentijd in. Dan veranderen de vlakten dezer streek in meren, waarover de slimme Indianen hun waren vervoeren, die reeds van te voren worden verzameld, in afwachting van den tijd, waarin jaarlijks de scheepvaart in deze streken mogelijk wordt. Hoe rijk ook de fauna en flora van dit land mogen zijn, het blijft door zijn gebrek aan verkeersmiddelen, een bewaarplaats voor onontgonnen schatten.
Geheel aan het eind van Bolivia, d. w. z. ten Zuiden van het departement Santa Cruz, en naar de zijde van Argentinië gelegen, bevindt zich het departement Tarija, met de hoofdstad van dien naam, en de steden Concepcion, San Lorenzo, Salinas en Yacuiva. Tusschen dit departement en de provincies der boliviaansche hoogvlakte bestaat een zeer groot verschil. In het algemeen beschouwd is het boschrijk en vlak, op eenige lichte golvingen van het terrein na, en verschillende tamelijk hooge heuvelreeksen, die echter geen samenhangende keten vormen. De Rio Pilcomayo, die eveneens deel uitmaakt van het stroomnet, dat met den Atlantischen Oceaan is verbonden, en die, met de Rio Paraguay, veel zuidelijker, de majestueuze Rio de la Plata zal gaan verbreeden, begint hier, waar zij door de geheele breedte van het departement Tarija stroomt, reeds een zekere grootschheid ten toon te spreiden. Deze stroom dient als begrenzende richtingslijn voor een meer vaag aangeduiden, dan werkelijk gebaanden weg, waarlangs reizigers, die uit Asuncion, de hoofdstad van Paraguay, komen, onder groote gevaren en ontberingen de hoogvlakte van Bolivia kunnen bereiken.
Voor hen, die uit Buenos Aires zijn vertrokken, en, in plaats van door Chili naar Antofagasta te gaan, er de voorkeur aan hebben gegeven, per spoor door de Argentijnsche Republiek te reizen tot aan Jujuy, bestaat nog een andere route, die echter ook niet veel beter is, dan de hierboven genoemde.
Uit Jujuy moet men dan naar Tupiza reizen, en van daar Potosi zien te bereiken. Op deze reis legt men met den trein van Buenos Aires tot Jujuy 2310 kilometer af; de afstand tusschen Jujuy en Tupiza is 420 kilometer, en tusschen Tupiza en Potosi liggen 270 kilometer. Dit laatste gedeelte, tusschen Jujuy en Potosi wordt natuurlijk per muilezel afgelegd, en daar er geen sprake van is, onderweg zijn mondvoorraad te kunnen vernieuwen, is het voorzichtig zich rijkelijk van proviand te voorzien. Deze beide wegen stijgen bijna onmerkbaar van de hoogte van 800 of 900 Meter, waarop het punt van vertrek is gelegen, naar de hoogvlakte van Potosi, door de uitgestrekte vlakten der tropische zone, de voortzetting der pampas van Argentinië. Een groot gedeelte van het vruchtbare land brengt, waar het geregeld wordt bebouwd, graansoorten, groenten en vruchten voort van allerlei aard; maïs, rijst, aardappelen, druiven,—eigenlijk al wat men maar verlangen kan.
Het zuidelijke gedeelte van het departement Tarija, dat tusschen den linker oever van de Pilcomayo, en de grens van Paraguay ligt, is de streek van den Grand Chaco, nog even weinig bekend als sommige gedeelten van Beni. Hier, juist waar het zuidelijk deel van den Grand Chaco grenst aan het Noorden van Argentinië en Paraguay, is het vaderland van de maté, of thee van Paraguay. Deze plant, in geheel Z. Amerika bekend onder den naam Yerva maté, levert een drank, die door meer dan een millioen menschen dagelijks en in groote hoeveelheden wordt gebruikt. Het jaarlijksch verbruik per hoofd wordt geschat op 2.50 kilogram in Bolivia, 1.50 kilogr. in Chili, 9 kilogr. in Argentinië, 10.50 kilogr. in Uruguay en 15 kilogr. in Paraguay. In den staat Parana in Brazilië, waar toch koffie wordt verbouwd, worden per hoofd jaarlijks 20 kilogram verbruikt. De maté-boom, ilex paragueyensis, komt in het wild voor in Parana en het Noorden van Paraguay; maar door het veelvuldig gebruik is de vraag naar maté zoo toegenomen, dat men zich op het kweeken der bewuste boomen met ijver heeft toegelegd. Op een cuadra, een in Z. Amerika algemeen gebruikte maat, die 75 hectaren vertegenwoordigt, plant men in den regel 1200 matéboomen, die na vier jaren elk een eersten oogst zullen opleveren van een half kilo. Na twee jaar rustens geeft dezelfde boom twee kilo’s, en deze hoeveelheid kan hij voor het vervolg om de twee jaar opleveren. Volgens de onlangs gepubliceerde opgaven in een verslag van den duitschen consul te Paraguay, is het gebleken, dat slechts 70 percent van de geplante boomen zich ontwikkelen; maar toch brengt de cultuur van den matéboom een zuivere winst op van 90 percent, na aftrek van alle onkosten, die de oogst, verpakking en vervoer noodzakelijk maken. Als een derde van de geplante boomen hun vollen wasdom bereikt, bedraagt de winst nog 40 percent, en het is al zeer onwaarschijnlijk, dat een derde der geplante matéboomen, die goed verzorgd worden, mislukken zou.
Wanneer men verder Noordwaarts trekt, verandert de Grand Chaco langzamerhand van een vlakte in een boschrijke streek, om ten slotte tot een ondoordringbaar woud te worden, dat tot nog toe uitsluitend bewoond wordt door een verbazende menigte dieren van allerlei soort: vogels, papagaaien, apen, wilde katten, pampahazen, zoo groot als onze jachthonden, vossen, herten, en misschien ook wel roofdieren. Dat dichte woud van den Grand Chaco is een onoverkomelijke hinderpaal voor hen, die Santa Cruz de la Sierra willen bereiken, de hoofdstad van het departement Santa Cruz; hoewel bij den eersten blik op de kaart juist deze weg de aangewezene schijnt, daar hij in een rechte lijn gelegen is. Maar bij reizen in Bolivia gaat de regel niet op, dat de rechte lijn de kortste afstand is tusschen twee punten. Santa Cruz de la Sierra te bereiken langs een eenigzins geschikten weg, is, wanneer men uit een der landen komt, die door den Atlantischen Oceaan worden bespoeld, of zelfs uit Paraguay, geen gemakkelijke zaak. Het eenvoudigste is, zich naar de braziliaansche stad Corumba aan de Rio Paraguay te begeven, op 19° Z. B. en van daar koers te zetten naar een zekere groep hutten en gebouwtjes, die den naam van Piedra Blanca draagt. Dit is het douanenstation van Bolivia, want het staat aan de boliviaansche grens. De menschen, die men er ontmoet, met hun kalme, breede gezichten, bijna zonder baardgroei, en hun goedige, donkere oogen, wijzen den reiziger gaarne den weg. Men bevindt zich hier onder de Chiquitenos, bedaarde lieden, zeer langzaam in hun bewegingen, die het Oosten van het departement Santa Cruz bewonen. Hun wederhelften zijn zeer gezette matrones, die haar echtgenooten in elk geval niet op groote kosten jagen door de weelde van haar toilet. Haar eenig kleedingstuk is de tipoyo, een soort van bodemlooze zak, die het lichaam van den hals tot de hielen bedekt.
Wie Piedra Blanca bereiken wil, zal zich met al zijn bagage en de tenten voor het kampeeren moeten toevertrouwen aan platte booten, waarin hij een, naar het Noorden en Zuiden onafzienbaar, moerassig meer zal moeten oversteken, te midden van dartelende kaaimannen en reuzenkikvorschen. En toch is het beter dezen weg te volgen, dan meerdere dagen te verliezen, door deze moerassen om te trekken, die begrensd zijn door dichte wouden, waar men geen kans loopt andere levende wezens te ontmoeten dan tijgers en jaguars.
Die vaart door het moeras neemt den eersten dag in beslag van den tocht van 800 kilometer, dien men voor den boeg heeft, eer Santa Cruz is bereikt, en die in het geheel stellig vijf en twintig dagen zal duren, als men de onontbeerlijke rustpoozen voor de lastdieren, en de toevallige vertragingen, die nooit uitblijven, mederekent. Voor hen, die in het overwinnen van moeilijkheden op zich zelf een genoegen vinden, is er nog een andere, noordelijker weg, over Santa Ana de Chiquitos. Dezen volgende, vermijdt men de groote plassen van la Gaïva en Uberabe, die zuidelijker liggen, en komt twee graden ten Noorden van Corumba uit aan de Rio Paraguay, in een punt, dat Descalvado heet, op den 17den breedtegraad. Doch deze weg is langer en bijgevolg gevaarlijker dan de vorige.
Te Piedra Blanca beginnen de moeilijkheden. Men moet zich voorzien van de noodige helpers en gidsen, muilezels huren of koopen, en zonder murmureeren zich er bij neerleggen, eenige dagen uitsluitend te wijden aan die Herculestaak. Het is raadzaam, niets aan het toeval over te laten. Vooral een voorraad goed drinkwater is onontbeerlijk, als men niet gemarteld wil worden door dorst, wanneer men dagen achtereen door kale, verschroeide zandwoestijnen trekt bij een gemiddelde temperatuur van 42 graden. Wel barsten hier nu en dan boven de hoofden der reizigers stormen los, zóó hevig als men ze slechts in de tropen kent. Doch in plaats van de drukkende hitte te verminderen en verlichting te schenken, zullen deze orkanen oorzaak zijn van nog veel grooter bezwaren. Plotseling toch moeten bagage en tenten worden afgeladen, om de eerste voor den watervloed te beschutten, terwijl daarna de van honger, dorst en vermoeienis bijna bezwijkende lastdieren weder moeten worden gezadeld, om verder te trekken. Op de eene plaats, zooals te Yacousé, vinden zij geen druppel water meer, weer elders, te Pascana du Carmen, kunnen zij drinken naar hartelust, maar vinden geen enkel grassprietje. Gedurende het eerste gedeelte van den af te leggen weg zal de zwarte, vaste kleigrond na den storm veranderd zijn in een weeke brij, waar de hoeven der dieren zoo diep in zakken, dat zij ze er slechts met groote moeite weer kunnen uittrekken.
Dichter bij Santa Cruz, waar de bodem zandig is, worden diepe geulen gevormd, en menige muilezel zakt daar voor goed weg in het slijk. Die weg naar Santa Cruz is voor de dieren een ware lijdensweg.
De hevigste contrasten van hitte en koude wisselen hier af. Als het overdag brandend heet is geweest, daalt de temperatuur ’s nachts tot 15, 10 en soms 6 graden, vooral in de buurt van Santa Ana. Men kan zich voorstellen, hoe menschen en dieren lijden door die plotselinge overgangen van hitte tot koude, en omgekeerd.
En als men dagelijks zich herhalende twisten en oneenigheid wil vermijden, hoeveel zorg moet men dan niet besteden aan de keus van een geschikten aanvoerder. De eerste muilezeldrijver toch heeft verschillende ondergeschikten, die onder zijn bevel staan, zorgt voor het beladen en het onderhoud der lastdieren, en beslist naar goedvinden over de keus van den weg, die rakelings leidt langs het grondgebied der Guaranocas en Potereros-Indianen, woeste en roofzuchtige stammen, die slechts uit vrees voor geweerschoten, of voor een bloedige wraakneming, zich laten weerhouden, de reizigers aan te vallen. Als de reis bij nacht wordt voortgezet, ziet men dikwijls in de lager gelegen bergwouden, op een afstand van 10 à 15 kilometer, boschbranden, die in bepaalde richtingen schijnen te worden geleid, en het werk zijn der Indianen, die op deze wijze het wild opjagen en in het nauw drijven om het met hun primitieve wapens af te maken.
Kort voor men na den achtsten dag de vaste pleisterplaats bereikt, komt men voorbij een plek, waar de Indianen eenige voerlieden hebben vermoord en met hun buit zijn gevlucht. Hun meester, die hen volgde, ging in het naastbijgelegen dorp hulp halen, en vervolgde, met een tot de tanden gewapenden troep, de vluchtende Indianen, die ten slotte toch ontsnapten. Hun vrouwen werden echter in haar schuilplaats ontdekt en gedood, en een vijftiental kinderen werd medegevoerd.
Meer in de nabijheid van Santa Cruz plegen de Chiquitos-Indianen, die minder bloeddorstig, doch daarentegen listiger zijn, een oog in ’t zeil te houden gedurende de rustpoozen der reizigers. Als zij des nachts de waakzaamheid der gidsen kunnen verschalken, stelen zij de paarden, die los loopen te grazen, en verbergen ze. Na lang vergeefs te hebben gezocht, loven de eigenaars in den regel een premie uit, en krijgen zoodoende hun eigendom terug. Doch wie zijn doel wil bereiken, zal voor de middelen niet terugdeinzen, en waagt zich onverschrokken op een onbekenden weg. Na den eersten dag ligt Piedra Blanca reeds verborgen achter een woud van dicht struikgewas en vóór de volgende halte valt niets bijzonders te vermelden, behalve het doorwaden van een troebelen, slijkerigen stroom, de Salado. Den tweeden dag kampeeren wij te Tacuaral, te midden der bamboeplanten of tacuars. Onderweg zagen wij groote hoopen in de zon gebleekte beenderen, geraamten van menschen blijkbaar. In den oorlog tusschen Brazilië en Paraguay vluchtten de vreemdelingen, te Corumba gevestigd, eer de Paraguayanen de stad innamen, met al hun have en goed den weg op naar Santa Cruz. Zij werden echter vervolgd, ingehaald, geplunderd en meedoogenloos vermoord. Het zijn hun beenderen, die hier verstrooid liggen.