Drie geslachten van Cholas uit Santa Cruz.

Drie geslachten van Cholas uit Santa Cruz.

Den tweeden avond wordt halt gehouden in Yacousé, onder een tent van palmboomen, in gezelschap van voerlieden en ossendrijvers. Den derden avond bivakkeeren wij bij sterrenlicht te Pascana du Carmen, na midden op den dag groote kudden vee te zijn gepasseerd, die naar Santa Cruz worden gebracht, op een plek, die Potreritos wordt genoemd en waar men niets anders ziet dan een vervallen schuur en een trechtervormigen kuil, die een put moet voorstellen, maar alleen na hevige stormen aan zijn bestemming beantwoordt. Als wij na de lange en vermoeiende dagreis, steeds over een lossen zandigen bodem, te Pascana du Carmen aankomen, is een der ossen van uitputting en dorst bezweken. De drijvers hebben het dier aanstonds met hun lange messen of navajas in stukken gesneden, en bereiden het, ieder naar zijn smaak. Een van hen, die zoo gelukkig is, meel en een kooktoestel te bezitten, maakt er empanadas van, een geliefkoosd gerecht, een soort pastei met een vulsel van vleesch, rauwe uien en specerijen. Gewoonlijk is de inhoud dier empanadas nog al verdacht, en de korst vrijwel onverteerbaar. Maar het volk eet ze met graagte. Vraagt men een van hen: “Vertel mij eens, hombre, was het dier, waarvan dat vleesch afkomstig is, wel gezond?,” dan antwoorden zij lachend, met den mond vol: “Kom, Caballero, wat doet dat ertoe? Bij de empanadas ziet men niet, wat men eet.”

Een Indiaansche vrouw uit de omstreken van Santa Cruz.

Een Indiaansche vrouw uit de omstreken van Santa Cruz.

Den vierden dag bereikt men, na een schijnbaar eindeloozen tocht over zachtgolvend terrein, door een bosch van laag struikgewas, en steeds in wolken van stof gehuld, die de hoeven onzer eigen dieren doen opstuiven, ten langen leste Santa Ana. En de vijfde reisdag wordt gaarne gewijd aan een dolce far niente, is het dan al niet met het oog op ons eigen genoegen, dan ten minste ter wille van de arme dieren, die hier eens rustig kunnen weiden en water drinken naar hartelust. “Wie ver wil reizen, spaart zijn beest,” zegt men hier.

Wij zullen trouwens den zesden dag reeds voor zonsopgang onzen tocht moeten voortzetten, en om het reizen in de grootste middaghitte te vermijden, onze tenten opslaan aan de oevers van een helder stroompje, dat door een nauwe vallei vloeit. De inboorlingen noemen dit beekje Tucavava; het loopt naar het Zuidoosten en mondt uit in de Rio Paraguay, aan de grens van Brazilië. Een kleine mijl stroomafwaarts zijn de bouwvallen gelegen van Santo Corazon, een stichting der Jezuiten, de eerste kolonisten in deze streek. Om een proef te nemen met de uitkomsten van hun beschavingsarbeid, hadden de eerwaarde paters eenige troepen Chiquitos en Charopas-Indianen, die van oudsher een zwervend leven leidden, zich hier willen doen vestigen in de nederzetting, die zij Santo Corazon (Sacré Coeur) doopten. Zij beperkten zich echter niet tot de zorg voor het zieleheil hunner bekeerlingen, doch matigden zich ook het recht aan, hen in aardsche zaken voor te lichten. Toen op een goeden dag een hunner zich aan een Indiaan had vergrepen, stond de geheele stam op en maakte korte metten met de volgelingen van Loyola. Weldra verschenen echter nieuwe zendelingen, met het voornemen thans krachtiger op te treden. Of zij in de harten der Indianen berouw wisten te wekken over hun snood gedrag, is niet bekend; maar zij gingen bij het straffen grondig te werk, maakten het dorp, dat het schouwtooneel was geweest van het misdrijf, met den grond gelijk, en lieten de bevolking honderd mijlen verder op een tweede Corazon bouwen, dat heden ten dage nog bestaat.

Al kunnen de verschillende pleisterplaatsen, waar wij halt houden, den reiziger niet veel bekoorlijks bieden, zij stichten tenminste dit goeds, dat wij ons na veel ondervinding niet meer laten verleiden, ons illusies te maken omtrent hetgeen ons op de verdere reis te wachten staat. In Aguas Retiradas, waar wij den nacht tusschen den zesden en zevenden dag doorbrengen, vinden wij geen droppel water, en wij verlaten dus die ongastvrije plek zoo spoedig mogelijk, om den zevenden avond Santo Domingo te bereiken, waar onze dieren hun dorst kunnen lesschen.

Den morgen van den achtsten dag wachtte ons een verrassing. Een paar mijlen na Santo Domingo stonden wij onverwachts voor een soort erf, waarop een kleine hoeve gelegen was, en waar zelfs op een mesthoop een troep kippen met een haan aan ’t pikken waren. Dat eerste spoor van een eenigszins menschelijke woonplaats, dat we na Piedra Blanca hadden ontmoet, heette la Florida. Er woonde een kluizenaar, die zich met de voorbijtrekkende reizigers niet inliet. De eenige afwisseling in zijn leven waren de bezoeken der Indianen.

Indiaan uit Beni.

Indiaan uit Beni.

Kort daarna eindigde het dichte bosch, en wij bevonden ons thans te Aguas Calientes (Warme bronnen). Op verschillende plaatsen wellen hier uit het zand bronnen op van een temperatuur van 40 graden, die een uitgestrekten plas vormen. Naar men zegt, bezitten deze bronnen een zeer werkzame genezende kracht, vooral bij ziekten, die door onzuiverheid van het bloed ontstaan. Wij zagen er een aantal armoedige, havelooze mannen en vrouwen, sommigen aan verschrikkelijke huidziekten lijdende, of met ontstoken oogen, die hier in kleine hutten huisden. Ondanks de nabijheid van het heilzame geneesmiddel, dat hen van hun kwalen moet verlossen, blijven deze menschen ziek en ellendig door hun verwaarloosden toestand en de besmetting, die zij op elkander overbrengen. En alsof het water zelf zich vernederd voelt door de treurige verontreiniging, waaraan het is blootgesteld, verschuilt het zich weldra onder een dichten, weelderigen plantengroei, de voorbode van het groene dal, waarin het Indianendorp Santiago de Chiquitos gelegen is, een weinig terzijde van onzen weg. Wij houden ons daar echter niet op; doch gaan verder naar Santiagoma, waar wij willen overnachten. In de taal der Chiquitos beteekent het achtervoegsel ma: klein.

Sedert Piedra Blanca hebben wij nu ongeveer 280 kilometer afgelegd, en weer is het volstrekt noodig, dat wij, evenals te Santa Ana, een paar dagen rust nemen. Maar al vinden onze dieren overvloedig voedsel in het dal van Santiagoma, de reiziger, die zich niet voldoende van mondvoorraad heeft voorzien, zal hier moeten honger lijden, evenals de bewoners, die te lui zijn om te werken en eer verachting dan medelijden verdienen; daar zij door hun eigen schuld gebrek lijden, terwijl de bodem vruchtbaar genoeg is, om hun rijkelijk voedsel te leveren. Den elfden dag ligt Santiagoma reeds weder ver achter ons, wanneer de zon nog niet hoog is gestegen. Wij ontbijten in San Carlos, waar de bodem bedekt is met coca-planten, die het geliefkoosde voedsel leveren der Indianen van de hoogvlakte. Het zijn lage struiken, die in de schaduw groeien van mooi hoog geboomte, dat echter lang niet zooveel waard is als de nederige beschermelingen aan hun voet. Des avonds kampeeren wij te Pascana di Puentecito. Den volgenden morgen, in het begin van de twaalfde dagreis, krijgen wij den Cochisberg in het gezicht, die omtrent 1000 M. hoog is, en door schilderachtige spitsen en valleien omringd.

Een 35 kilometer na Santiago de Chiquitos, dat thans ten Oosten van ons ligt, komen wij aan een soort vijver, de Pascana de Lippia, waar wij stilhouden, daar wij hier liever rusten, dan bij de gewone pleisterplaats San Lorenzo, een moeras, waar overdag tapirs en pecaris zich ophouden, en des nachts de wilde dieren zich verzamelen, waarvan het hier krioelt. Dien avond komen wij voorbij de bouwvallen van Taperas de San Juan en kampeeren ten zuiden van het moeras Concepcion. Tot aan Santiagoma zijn wij bijna voortdurend westwaarts getrokken, maar daarna slaan wij schuin af, en zoodra Taperas de San Juan achter ons ligt, dus vanaf de dertiende dagreis, volgen wij geregeld een noordwestelijke of Noord-noordwestelijke richting.

Evenals er een menigte Floridas, Aguas Negras of Calientes, Santiagos en Santo Domingos hier bestaan, allen namen, waarvoor de Bolivianen een ongeëvenaarde voorliefde schijnen te koesteren, en die voortdurend tot verwarring aanleiding geven, zijn de plaatsen, die in Bolivia San Juan zijn gedoopt, letterlijk niet te tellen. De bouwvallen van het dorp, dat wij thans achter ons lieten, herinnerden aan de Jezuiten, die de plaats hadden gesticht. Zij hadden echter bij de keuze van die plek geen rekening gehouden met de schadelijke uitwasemingen van het nabijgelegen moeras Concepcion, aan welks oever wij hadden overnacht. Reeds meer dan een eeuw geleden hebben de bewoners deze ongezonde plek verlaten en het aan den tijd overgelaten om San Juan verder te verwoesten.

Midden op den dag komen wij voorbij een hoeve, Dolores, en kampeeren tegen den avond in een tweede Aguas Calientes, dat dien naam waarlijk niet verdient, want noch warm, noch zelfs koud water is hier in de buurt te vinden. Wij moeten dus reeds weder bij het aanbreken van den veertienden dag haastig verder trekken, om het tien kilometer hier vandaan gelegen San José te bereiken, waar wij onszelf en onze dieren weer een dag rust moeten gunnen. Als men verlangt te weten, hoe dit armoedige dorpje is ontstaan, vindt men het antwoord op die vraag, door de kerk te gaan bezichtigen die het jaartal 1778 draagt, en waarnaast een kruisbeeld staat, dat van twee jaar later dateert. Er valt niet aan te twijfelen, dat dit het werk der Jezuiten is; overal in San José vindt men nog sporen van hun heerschappij, die lang heeft geduurd. Een 200 meter van het dorp bevindt zich nog het bassin, waarin zij plachten te baden, en dat thans als reservoir dient voor het drinkwater, waarvan een stroomend beekje de dorpelingen voorziet. Behalve deze drie dingen is al wat de ijverige geestelijken hier tot stand brachten weer verloren gegaan. Te San José woont een districts-chef, die van regeeringswege hier is aangesteld.

Aan den avond van den vijftienden dag, nadat wij langs de noordelijke zijde van een lage, met bosch begroeide bergketen zijn getrokken, houden wij stil bij de suiker-exploitatie Pio Coca. Daar wij hier eindelijk alles vinden, wat wij noodig hebben, om onszelf en onze dieren nieuwe krachten te doen verwerven, brengen wij er voorzichtigheidshalve den zestienden dag door; ook al om te beter voorbereid te zijn voor de moeilijkheden der zeventiende dagreis. Behalve de gewone kwelling van het lastige voorwaarts trekken door het zware zand en in de drukkende hitte, plaagt ons, die volstrekt geen liefhebbers zijn van zulke sterke emoties, de vrees voor tijgers en ratelslangen, waarvan het wemelt in de buurt der hoeve Iquitos (die met de peruaansche stad Iquitos enkel den naam gemeen heeft) waar wij heden overnachten. Bij nader bedenken willen wij nog voor den achttienden dag die gevaarlijke plek achter ons hebben, en breken dus reeds voor zonsopgang ons kamp op. Weldra bereiken wij het Palmar de Carandahys, een bosch van allerlei soorten palmen, waar de grond bedekt is met dicht ineengewarde slingerplanten.

Tot aan El Cerro, waar wij ontbijten, is het een lust voor de oogen, al die zonderling gevormde boomen te zien, de een al vreemder dan de ander; vooral dien dikbuikigen palmboom met wijd vertakte kroon, dien de inboorlingen mapajo noemen en vreemden “de boom met den buik.” Die gemeenzame benaming geeft werkelijk een duidelijk beeld van deze zonderlinge plant.

Na de pleisterplaats El Cerro verlaten wij voor goed de heuvelreeks, waarlangs wij sinds Santiagoma zijn voortgetrokken. Wij hebben nu de vlakte bereikt, die besproeid wordt door de Rio Grande, aan welker overzijde Santa Cruz is gelegen, het doel onzer reis. Te Juan Bautista, waar wij bivakkeeren, vinden wij dan ook reeds malschen weidegrond, waar onze dieren hun hart ophalen. Den negentienden dag wanen wij ons plotseling in een tooverland verplaatst. Van alle zijden zien wij ons omgeven door den weelderigsten plantengroei. Tusschen verschillende cactussoorten groeien de meest fantastisch gevormde en fraai gekleurde orchideeën. Alle tinten van groen zijn hier vertegenwoordigd, en als festoenen slingeren zich de ranken der lianen van den eenen stam naar den anderen. Tusschen tallooze soorten van bromeliaceeën en bignoniaceeën, waaronder zich ook de tecoma of trompetboom bevindt, verheft zich hier en daar een reuzenficus. En te midden van al dat groen en die tropische kleurenpracht krioelt het van zeldzame, bonte vlinders, papegaaien, toekans en kolibris. Dertig kilometer leggen wij af in die verrukkelijke omgeving, tot aan de aguada de Guarayo, en vervolgens nog vijf en dertig tot aan Pozo del Tigre, dat wij voor den avond moeten bereiken, uit vrees voor wilde dieren.

De twintigste en een en twintigste dag gaan voorbij, zonder dat wij eenige vermoeidheid gevoelen, zoozeer zijn wij geboeid door de schoone natuurtafereelen, die ons aan alle zijden omringen. Vijftig kilometer tot aan Tres Cruces; nog eens vijftig, en wij houden opnieuw stil te Canada Larga, te midden van suikerrietvelden. Als in een droom leggen wij de volgende vijftig kilometer af. Maar daar wordt ons de weg versperd door de Rio Grande, die wij zullen moeten oversteken. Dit gebeurt niet dan na veel overleg, zoowel met onze gidsen, als met de Indianen, die door ervaring geoefend zijn in het overbrengen van menschen en dieren van den eenen naar den anderen oever, al staan zij er niet voor in, dat geen paarden of muilezels zullen verdrinken, en geen bagage door den stroom zal worden medegevoerd.

Den twee en twintigsten reisdag heeft de overtocht gelukkig plaats, en wij overnachten in het gehucht Païla, op den anderen oever. Als alles goed gaat, zullen we in den namiddag van den drie en twintigsten dag Santa Cruz bereiken, met een gevoel van innige voldoening over de geslaagde reis.

Toch is Santa Cruz de la Sierra niet, wat men een mooie stad noemt. Eeuwen lang is het ’t primitieve plaatsje gebleven, dat door de spaansche conquistadores werd gesticht. De natuuronderzoeker d’Orbigny noemt de stad het Capua van Z. Amerika. De oorzaak van die ingenomenheid zal wel gelegen zijn in de tegenstelling, die hem treffen moest, tusschen de doorgestane ontbering en vermoeienis van zijn wetenschappelijken onderzoekingstocht, en de gemakken, die een zelfs ook maar eenigszins beschaafde omgeving aanbiedt. Trouwens de latere bezoekers van dit hooggeprezen oord hebben moeten ervaren, dat aan de volmaaktheid van dit Capua nog wel iets ontbrak. In Santa Cruz zelf is bijv. geen goed drinkwater te vinden, zoodat zijn 10 of 12 000 inwoners genoodzaakt zijn, dit acht mijlen ver te halen, uit den Rio Pirahy. Riolen zijn er evenmin. Als het regent, loopt de stad onder, en de bewoners steken dan de straten voetje voor voetje over, op palen, die tot dat doel in den grond zijn geslagen.

Als iets merkwaardigs trof mij, dat in de omstreken van Santa Cruz de bodem, die het stroomgebied van la Plata van dat der Amazone scheidt, een onberekenbaar aantal eeuwen geleden de basis moet zijn geweest van een gebergte, dat thans bijna vernietigd is door de aanhoudende werking van het water. Langzamerhand toch hebben de rivieren den grond medegevoerd naar de lager gelegen gedeelten van Z. Amerika, en men kan gerust beweren dat Brazilië, Paraguay en Argentinië tot Bolivia mogen opzien, als tot hun gemeenschappelijke moeder, want de vorming van hun bodem is gedeeltelijk door aanslibbing van Bolivia’s grond geschied. Ondanks die vrijgevigheid houdt het oostelijk deel van Bolivia nog onmetelijke schatten in zijn schoot verborgen, zoowel aan goud, als aan andere edele metalen, terwijl de rijkdom zijner fauna en flora alle beschrijving te boven gaat.

Het zijn dan ook voornamelijk voortbrengselen uit het plantenrijk, waarin Santa Cruz met het overige gedeelte van Bolivia handel drijft. Ondanks dat vrij belangrijk verkeer zijn toch de wegen, die Santa Cruz met de hoofdstad verbinden, zeldzaam slecht te noemen. Niet alleen zijn zij zelfs voor paarden bijna onbegaanbaar, maar op verschillende plaatsen worden zij ook nog versperd door tollen, waar belasting wordt geheven op de voortbrengselen van het land, die van de eene plaats naar de andere worden vervoerd.

Na Santa Cruz zetten wij de reis voort langs den Pirahy tot Chilon, het punt, waar de weg naar Sucre afslaat. Om Cochabamba te bereiken, moet men twaalf maal den Pirahy oversteken, wat in de nauwe bergkloven lang niet gemakkelijk gaat. Dan doorwaadt men nog eens de Rio Pogera, een bijvloed van den Pirahy, beklimt een reeks van steile bergtoppen, komt voorbij een plaatsje, Samaipata genoemd, en vindt ten slotte den Pirahy terug, dien men nog minstens twintigmaal moet oversteken, eer men na een maand reizens Cochabamba heeft bereikt, dankbaar dat men heelshuids op de plaats van bestemming is aangekomen en niet het lot heeft gedeeld der arme dieren, wier geraamten langs de wegen van Bolivia liggen verstrooid. Doch hoe in deze toestanden snel verbetering te brengen? Zij zijn nu eenmaal eigen aan elk land, dat nog in het eerste stadium zijner ontwikkeling verkeert.

De tropische vegetatie in de omstreken van Santa Cruz.

De tropische vegetatie in de omstreken van Santa Cruz.

Bolivia mag trotsch zijn op zijn rijkdom. En al zal het eerst na vele ervaring tot ware ontwikkeling geraken, het zal dan tevens met blijdschap ontwaren, hoe rijk aan welvaart een land kan worden, dat door de natuur zoo onvergelijkelijk mild is bedeeld.