Hoe men ’t bekijkt.

Een oude Indiaan, dien ik goed ken, had eens een berin in zijn val gevangen. Dienzelfden dag was het mannetje van de berin gekomen en had geprobeerd den zwaarbevrachten stam, die op haar rug was gevallen en haar verpletterd had, weg te tillen. Toen hem dat niet gelukte, was hij door de omheining heengebroken, en toen de Indiaan op geruischlooze voeten aankwam, door een eigenaardig zoemen in de lucht gelokt, zat de beer naast zijn doode wijfje met haar kop in zijn armen klagend heen en weer te wiegen. Wie in onzen tijd over de natuur schrijft en eerst de dierenwereld wil begrijpen om zijn ontdekking daarna met anderen te deelen, moet twee dingen doen. Hij moet zijn feiten verzamelen, als ’t kan uit de eerste hand, en dan deze feiten weergeven naar den indruk dien ze op eigen hoofd en hart maken, in het licht der omstandigheden waarmee ze omringd zijn. Het kind zal met zijn dierenverhaal tevreden zijn, maar de man zal stellig vragen naar ’t hoe en waarom van elk feit uit het dierenleven dat hem bijzonder treft. Want elk feit is tevens een openbaring, en is vooral belangrijk, niet om zichzelf, maar om de natuurwet of het leven dat er achter schuilt en waar dat feit in zekeren zin de uitdrukking van is. Een appel die op den grond viel, dat was nog wel gewoon—zóó gewoon dat het niet de aandacht trok, tot iemand er eens over nadacht, en de groote wet ontdekte, die zoowel den vallenden appel als de vallende ster omvat.

Zoo gaat het ook in de dierenwereld. De gewone dingen, als kleur, afmeting en uiterlijk, waren al eeuwen opgemerkt, maar wekten weinig of geen belangstelling, totdat iemand er over ging nadenken en ons de wet over het ontstaan der soorten gaf. Van de meeste dieren zijn deze gewone dingen en hun beteekenis nu wel bekend, en het is een vervelende en ondankbare taak ze nog eens na te gaan. Het ontstaan der soorten en de wet der zwaartekracht worden nu gemakkelijk gerangschikt met de stoommachine en de telegraafdraad en andere dingen, die we meenen te begrijpen. Ondertusschen zijn er onzichtbare stroomingen in de lucht, die bereid zijn om onze boodschappen over te brengen, en de zon verspilt dagelijks zooveel kracht op onze domme planeet, dat al onze machinevuren er overbodig door zouden worden, wanneer we het maar begrepen. En ondertusschen liggen er in het dierenleven een eindelooze reeks van onbekende feiten verscholen, of komen langzamerhand aan het licht, doordat de natuuronderzoekers de dieren tot in hun eigen schuilhoeken volgen en ontdekken hoe hemelsbreed zij van elkaar, zelfs binnen dezelfde soort, verschillen, en hoe ver ze afwijken van de gewoonten, die hun toegeschreven worden in de boeken.

Wij zijn veel te lang tevreden geweest met de leelijke telegraafpalen en -draden als het toppunt van volmaaktheid in het verkeer; en we hebben veel te lang berust in het aangenomen feit dat de dieren door een vreemd, onbekend iets, instinct genoemd, worden beheerscht, en dat zij, die tot een zelfde groep behooren, allemaal hetzelfde zijn. Dit gaat echter slechts op wat het uiterlijk betreft. Het doet dienst om de dieren algemeene benamingen te geven, maar verder ook niet; en een dier zijn naam of de soort is toch de hoofdzaak niet. Ge zijt nog niet klaar met de Indianen, als ge hun ras en hun stam hebt vastgesteld. In een boek over ethnologie mag dit voldoende zijn; mogelijk was de Calvinistische godgeleerde daar eens tevreden mee; maar het leven van den Indiaan is er ook nog, van grooter beteekenis dan zijn ras; en pas na twee eeuwen van veronachtzaming, of vervolging, of onrecht, worden we wakker voor het feit dat zijn leven van het allergrootste belang is voor ons menschen. Zijn medicijnleer, zijn opvattingen omtrent God liggen dieper dan de ronding van zijn schedel; zijn legenden en zijn primitieve muziek moeten verklaard worden, even goed als zijn huidskleur; en wij beginnen nog maar pas de beteekenis van deze belangrijke dingen op te merken. Dit is slechts vergelijking en bewijst niets. Maar wanneer we er over nadenken, zou dit ons op de gedachte kunnen brengen, dat we ten opzichte van de dieren wel eens een dergelijke fout konden begaan hebben, dat we nog niet geheel met ze hebben afgehandeld, wanneer we “instinct” hebben geroepen en hun soorten genoemd; en niet volkomen vrij uitgaan, als we ze maar ijverig van den aardbodem uitroeien—zooals we eertijds gedaan hebben met de arme Beothuk-Indianen, om het kostbare bont dat ze droegen.—Onder hun vacht en hun veeren is hun leven; en eenige waarnemers beginnen te begrijpen dat ook hun leven, dat heel in de verte aan onze eigen prille jeugd doet denken, van het grootste belang is voor ons menschen. Sommige van die dieren maken plannen en berekeningen; en wiskunde, zelfs in haar eerste beginselen, is toch niet bepaald een zaak van instinct. Sommige leggen dammen en kanalen aan; sommige hebben bepaalde maatschappelijke verordeningen; sommige redden makkers die in nood verkeeren; sommige verbinden hun eigen wonden en zetten zelfs een gebroken poot met een kleiverband, dat steviger gemaakt wordt door er vezels of veeren in te werken. Alle hoogere soorten houden min of meer gedachtenwisseling met elkaar en oefenen hun jongen en wijzigen hun gewoonten om tegemoet te komen aan veranderde omstandigheden. Dit alles en nog veel meer, minstens even wonderbaarlijk, zijn ook feiten. We wachten nog op den bioloog, die ons werkelijk vertellen zal wat ze beteekenen.

Bever bij dam in rivier.

Deze twee zaken—de nieuwe feiten en hun verklaring—hield ik in ’t oog, toen ik deze verhalen uit mijn aanteekeningen en herinneringen uit de wildernis in elkaar zette. De feiten zijn zorgvuldig gekozen uit jarenlange waarnemingen, met de bedoeling om den nadruk te leggen op sommige ongewone of onbekende dingen uit de dierenwereld. Ja, bij al mijn werk, of liever uitspanning buitenshuis, heb ik het ongewone trachten te ontdekken, dat het karakter van een dier kenmerkt, en het beschrijven der algemeene gewoonten en het rangschikken in klassen aan andere natuurkenners overgelaten, die meer weten en het beter kunnen. Daarom heb ik wel honderd dieren overgeslagen om er éen te bestudeeren, en heb ik slechts de buitengewone waarnemingen vermeld, zooals er zelden gedaan worden, en dan nog alleen door menschen die dagen, jaargetijden lang in stille aandacht in de bosschen doorbrengen.

Canadeesche Lynx op boomtak.

Of deze zeldzame gewoonten gemeengoed zijn onder de soorten, en ons slechts vreemd lijken, omdat we zoo heel weinig over ’t verborgen bestaan der in ’t wild levende dieren weten, of dat ze de vondst zijn van een heel enkel beest dat beter door de natuur begiftigd is dan zijn makkers, zal de lezer moeten uitmaken, want ik weet het niet. Onze uitspraak moet echter niet berusten op een theorie, of een vooroordeel, of vooringenomenheid; maar eenvoudig op een aandachtiger gadeslaan van de dieren, wanneer ze zich niet van de menschelijke nabijheid bewust zijn en zich dus natuurlijk uitdrukken. Ik mag er hierbij op wijzen dat ik zelden een waarneming gedaan heb, hoe ongelooflijk ze me op dat oogenblik ook toescheen, of vroeger of later trof ik een Indiaan, een “trapper”, een natuuronderzoeker aan, die iets dergelijks onder ’t wilde volkje had opgemerkt. De vindingrijkheid van de houtsnip, wier geschiedenis hier verhaald zal worden, is een van die gevallen. Ook het stekelvarken, dat een lange helling afrolde, alleen voor de grap klaarblijkelijk—een waarneming die tweemaal bevestigd is, eens door een strooper in Nieuw-Brunswijk en nog eens door een leeraar van Harvard. Evenzoo de wilde kat die mijn net stal, en de reiger, die kleine vischjes door uitgestrooid lokaas ving, en de vos die zich dood hield toen hij in een kippenhok gevangen werd, en de ijsvogels die een stilstaande plek in ’t water vol voorntjes wierpen om ze door hun jongen te laten vangen, en de pad die had geleerd tegen melktijd op den hoef van een koe op de vliegen te zitten wachten. Het zou wel eens kunnen zijn dat al deze, en nog een massa ongelooflijke dingen meer, door verschillende waarnemers op verschillende plaatsen gezien, aantoonden dat verstand onder de boschbewoners meer algemeen verspreid is, dan wij verondersteld hadden; en dat wij, wanneer wij onze oogen verder openzetten en onze vooroordeelen overboord geworpen hebben, zullen merken dat de natuur mild is met haar gaven en gunstbewijzen, zelfs voor het kleine goedje.

Wat de verklaring der feiten betreft, waar ik me zoo nu en dan aan gewaagd heb—die is geheel van mezelf en is van ondergeschikt belang naast de andere. Haar beteekenis is zuiver persoonlijk en ik heb haar meer meegedeeld om den lezer zelf aan het denken te brengen, dan om zijn vragen te beantwoorden. In het hart van elken mensch zal de maatstaf voor zijn wereld gevonden worden, om het even of die groot is of klein. Hij zal de warmte beoordeelen, niet naar een wiskundige berekening van de kracht der zon, maar naar de pijn van den vinger dien hij gebrand heeft, zooals elk ander kind; en de wet van den tegenstand begrijpen, niet uit Ganots verhandeling, maar wanneer hij aan zijn eigen schoenriemen trekt. Zoo zal hij, met alle nieuwe verschijnselen uit het dierenleven vóór zich, toch in een wereld van raadselen leven en niets begrijpen, tenzij hij den moed heeft, in zijn eigen hart te kijken en te lezen.

Een Broertje van den Beer.

Weinigen kennen den weg naar het huisje in de rotsen, waar het Broertje van den Beer woonde. Het was mijlen ver van eenig ander huis op één na, in het hartje van de groote, stille bosschen. Je moest den grooten weg verlaten, waar deze een koele, donkere vallei indook tusschen de dennen, en een verlaten ouden weg volgen, dien de houthakkers ’s winters gebruikten, en deze leidde je, als je hem ver genoeg volgde, naar een ouden, vervallen watermolen aan nog weer een zijweg, waar de beek den heelen, langen dag babbelde en lachte tegen het vergane rad, en de phoebe1 ongehinderd onder de doorgezakte balken bouwde, en je soms in de schemering een forel kon hooren springen tusschen de schuimbellen. Maar zoo ver ging je niet, als je er achter wou komen waar het Broertje van den Beer woonde.

Kop van een waschbeer.

Wanneer je den boschweg volgde, kwam je plotseling aan een kleine open plek met een beek en een wild weitje en een overhangende rots, geheel met varens bedekt. De weg kronkelde hier, zooals een weg altijd doet wanneer hij langs een mooi plekje komt, alsof hij nog eens omkeek. Er stond een oud huisje onder de overhangende rots, waar een paar schuwe, stille kinderen woonden; en dit was de eenige menschelijke woning aan den weg, drie mijlen ver. Vlak er achter, op een punt waar het kreupelhout het dichtst groeide, sloop onopgemerkt een karrepad van den boschweg af en bracht je naar een meertje in de groote bosschen, op een plaats waar eeuwen geleden de bevers een dam hadden gemaakt en een kolk om hun hout ’s winters weg te bergen. Wanneer je een langen stok nam en hier diep in de modder wroette, kon je soms een afgeknaagd stuk vinden van het hout, dat den bever tot voedsel diende, waarvan de kegelvormige uiteinden duidelijk de indrukken van de sterke tanden vertoonden en de bast nog versch was, als wachtte ze om opgegeten te worden wanneer de kleine eigenaar terug zou komen; want daarvoor knaagde hij ’t af en borg hij ’t op, tallooze jaren geleden. Maar heel weinigen hebben daar echter ooit aan gedacht; zij die op deze plek kwamen wijdden al hun aandacht aan de katvisch2 die krioelde in de oude voorraadschuur van den bever en die goed beet op donkere dagen. Om den heelen, ouden dam heen en aan weerskanten van de boschrijke vallei stroomaf liep een rotswand; en tusschen de mossige met varens bedekte rotsen van dien wand wees een van de schuwe kinderen, met wie ik vriendschap had gesloten, me een boogvormigen doorgang, die gevormd werd door twee groote, tegen elkaar leunende steenen.

“Daar woont een beest. Ik hem zien. Ik ingekijkt, en toen zien ik hem met z’n oogen knippen; en, en—en—toen ik weggeloopt,” zei hij met zijn oogen wijd opengesperd over het boschwonder.

We maakten geen leven, maar gingen samen onder een struik liggen en bespiedden den merkwaardigen ouden ingang, tot het tijd was voor het schuwe kind om naar huis te gaan; maar er kwam niets naar buiten, zelfs was er geen glimmend, nieuwsgierig oog in het deurgat achter het scherm van neerhangende varens te zien. Toch wisten we dat er wat inzat, want ik toonde mijn boschvriendje, tot zijn groote verbazing en verrukking, een kort grijs haar met een zwarte punt dat aan de rotsen kleefde. Toen gingen we nog omzichtiger heen dan we gekomen waren.

“Misschien is ’t een waschbeer,” vertelde ik het schuwe kind, “want dat zijn slaapkoppen, die den heelen dag dutten. Geslepen zijn ze ook nog; ze komen vóór donker niet buiten en gaan vóór ’t daglicht weer naar binnen, zoodat de jongens niet kunnen ontdekken waar ze wonen.”

Tegen den tijd van volle maan ging ik op een middag naar het huisje tusschen de overhangende rotsen terug en verborg me onder denzelfden struik, om te loeren tot er iets voor den dag zou komen. Maar eerst keek ik eens overal rond en vond er in de buurt een reusachtigen, hollen kastanjeboom, dien de houthakkers jaren geleden overgeslagen hadden als niet de moeite van ’t kappen waard. Er waren overal krabbels en indrukken van klauwen op den ruwen bast, en net onder de laagste takken was een groot donker kwastgat, dat wel eens de toegang tot een hol zou kunnen zijn. Ik ging dus zoo op de loer liggen, dat ik door mijn hoofd maar om te draaien èn den boom èn den ingang met het scherm van varens tusschen de rotsen in ’t oog kon houden.

Tegen de schemering ontstond er plotseling gekrabbel in den hollen boom, dat hoe langer hoe hooger klom; toen onderdrukt gegrom en gejammer en vermaningen, alsof stemmetjes binnen in den boom zeiden: ”Ik het eerst. Nee, ik! Ie-ie-ie-ie-a!” Het gejammer werd plotseling afgebroken en er verscheen een snuitje in het donkere gat—een slim, puntig snuitje met gespitste ooren en heldere oogen, die scherp over het stille bosch uitkeken, waar niets dan schaduwen rondslopen, en slechts een wilde eend, die zachtjes tegen haar jongen kwaakte in het meertje, de stilte verstoorde. Toen begon het gejammer weer in den hollen boom en duwden nog vier snuitjes hun spitsen neus het gat uit, dat ze geheel vulden, terwijl ze alle keken en luisterden en met hun kin op den kop van hun makkers wurmden om een beter uitzicht te krijgen, en toch zoo begeerig als kinderen, om naar buiten te kunnen gaan spelen na hun langen slaap.

Een ongeduldig kereltje krabbelde boven op zijn moeders rug en duwde zijn snuit tusschen haar ooren door, en ik had toen gelegenheid het beter te bekijken—een merkwaardig snuitje, vol guiterij en grappen, met een witten ring om zijn spitsen neus, en een donkere streep, die van den top van zijn neus afliep en zich in zwarte ringen om beide oogen uitbreidde, alsof hij een grappigen, berookten bril ophad, waarachter zijn oogen fonkelden en glommen, of heel bezadigd en ernstig gingen staan als hij de eend hoorde kwaken. Een slim snuitje en toch heel onschuldig, een heerlijk mengelmoes van hondenverstand en vosachtige geslepenheid en de snaakschheid van den beer; een uitdrukking die heel verrassend was, me deed glimlachen en aan ’t nadenken bracht tegelijk; een onderzoekend, bekoorlijk snuitje, het liefste en tegenstrijdigste van het heele boschvolkje,—het snuitje van Mooweesuk den waschbeer, het Broertje van den Beer, zooals Indiaan en bioloog hem beiden noemen.

Twee waschbeeren in een holle boom.

De moeder kwam er het eerst uit en liet zich achterwaarts langs den boom naar omlaag glijden, terwijl ze haar kop heen en weer wendde om onder zich te kijken en te zien hoe ver ’t nog was, op echte berenmanier. De vier kleintjes volgden haar met veel gekrabbel en gejammer naar beneden—op één na, die toen hij halverwege was zich omkeerde en om zich moeite te sparen sprong, zoodat hij op zijn moeders zachten rug neerkwam. Toen ging ze hen vóór naar de opening tusschen de rotsen en de jongen volgden een voor een achter elkaar de kronkelingen van haar spoor, stonden stil en snuffelden als zij het deed, en bootsten elke beweging van haar na; net als jonge beren doen, wanneer ze door de bosschen zwerven.

Bij den ingang van het hol ging ze op zij en de jongen verdwenen een voor een naar binnen. De moeder keek en luisterde nog even, en toen een helder, trillend geluid door de schemering aan kwam drijven, liep ze haastig door het bosch weg. Een oogenblik later zag ik haar aan den oever van het meertje met een grooten waschbeer, haar mannetje waarschijnlijk, dat in z’n eentje in een anderen hollen boom had geslapen; en met z’n beiden trokken ze langs den oever weg om te visschen en kikkers te vangen.

Nauwelijks was de moeder verdwenen, of de jongen kwamen hun hol uit en begonnen samen te spelen, terwijl ze als een nest jonge vossen over elkaar rolden en duikelden. Ze deden het wel alleen voor hun genoegen, maar toch oefenden ze elken klauw en spier voor ’t harde werken, dat een waschbeer doen moet als hij voor zichzelf heeft te zorgen. Na een poosje liet een van de jongen zijn spelende broertjes in den steek en ging naar den kastanjeboom terug langs denzelfden weg dien hij gekomen was, terwijl hij elken draai, elke wending van het spoor volgde, alsof er een pad was—en dat was er waarschijnlijk wel voor zijn oogen en neus, ofschoon de mijne er geen konden ontdekken. Hij klom den boom in, alsof hij ergens op uitwas en verdween in het gat, waar ik het kleine ding al krabbelend en piepend binnen in den boom naar beneden kon hooren scharrelen. In een oogwenk verscheen hij weer met iets in zijn bek. In het halfdonker kon ’k niet uitmaken wat het was, maar toen hij terugkwam en op geen tien voet afstand langs de plaats heenging, waar ik me verstopt had, richtte ik mijn kijker op hem en zag het duidelijk—een kleinen, krommen houtknoest, het eenige stuk speelgoed, dat men in bijna elke woning zal aantreffen, waar het Broertje van den Beer gewoond heeft.

Hij bracht het naar de plek, waar de jonge waschberen aan ’t ravotten waren, ging tusschen hen in liggen en begon in zijn eentje te spelen, door het speelgoed heen en weer te laten glijden in zijn merkwaardige voorpooten; hij wierp het op en ving het weer en rolde het om zijn hals en onder zijn lichaam door, zooals een kind met maar één stukje speelgoed doet. Een paar van de andere waschberen gingen meedoen en het kromme knoestje rolde tusschen hen heen en weer, werd rondgedraaid en opgevangen en verstopt en teruggevonden,—alles vol zwijgende aandacht en met een pret, die zelfs in de schemering onmiskenbaar was.

Midden onder dit rustige spelletje klonk er een flauw geklater en watergeplas; de waschbeertjes lieten hun speelgoed vallen en stonden met oogen, die glinsterden achter hun donkere brillen, met trekkende neuzen en gespitste ooren naar het plassen op den oever van het meertje te luisteren. De moeder was daar druk met iets bezig, dat ze gevangen had; en weldra kwam ze voor den dag en de kleintjes vergaten hun spel in de vreugd van het eten. Maar het was te ver weg en de schaduwen waren nu te donker om te zien wat het was dat ze mee naar huis gebracht had, en hoe ze het onder hen verdeelde. Toen ze weer heenging, was het donker genoeg geworden om veilig te zijn en de jongen volgden haar alle achter elkaar naar den oever van het meertje, waar ik ze weldra tusschen de koele schaduwen uit het oog verloor.

Dat was het begin van een langdurige kennis, die soms overdag, maar vaker ’s nachts onderhouden werd; soms alleen, als ik een lid van de familie op visschen of het zoeken van mossels betrapte, of op het uitgraven van wortels, of het plunderen van nestjes; soms met een jongen die er twee van de familie in zijn vallen ving; of wel met de jagers in September in den maneschijn, als een listige, oude waschbeer een vrijbuitersbende om zich heen verzameld had en ze aanvoerde voor een strooptocht naar de korenvelden. Daar ontpopte zich elke waschbeer onmiddellijk als een vernielal, en brassend in den ongekenden overvloed rukte en vernietigde hij als een jonge wildeman en proefde van wel twintig melkachtige korenaren, eer hij er één vond die hem geheel aanstond; en dan, te verzadigd om te spelen, of rond te zwerven om alle holle boomen in ’t bosch te zoeken, trok hij naar het eerste het beste goede hol, waar hij sliep, tot hij weer honger had en het zachte gehinnik van den ouden leider hem riep voor een nieuwen strooptocht.

Spelende waschbeer.

Als we ons troepje dien eersten avond van hun rondzwerven, voordat de strooptochten begonnen en de honden ze uiteenjoegen, hadden kunnen volgen, dan zouden we begrepen hebben waarom Mooweesuk een broertje van den beer genoemd wordt. Wanneer hij draaft, loopt hij net als een hond op zijn teenen, en bij ontleding doet hij denken, vooral in de ontwikkeling van schedel en oorbeenderen, aan den voorwereldlijken stamvader van hond en wolf beide; maar overigens is hij in al zijn gewoonten een zakuitgave van Mooween. De moeder gaat steeds voorop, evenals de beer, en de jongen volgen in een rij achter elkaar, terwijl ze alles opmerken waar de moeder hun aandacht op vestigt. Ze zitten op hun dijen en loopen op hun heele voetzool, evenals een beer, terwijl ze met hun achterpooten een prent achterlaten als van een miniatuurkindje. Alles wat eetbaar is in de bosschen wekt hun eetlust op, evenals het dat van den gulzigen zwerver in zijn zwarte vacht doet. Nu roeren ze in een mierennest, dan weer grabbelen ze in een vermolmden boomstam naar larven en kevers. Wanneer ze zoet sap of wat stroop in een oude kampplaats kunnen vinden, doopen ze er hun voorpooten in en likken ze dan schoon, net als Mooween. Nu eens trekken ze uit op bessen van wintergroen3, dan weer op boschmuizen. Ze ontdekken een ondiepte in de beek, als de zuigvisschen4 op den trek zijn, en wachten daar tot de groote visschen voorbijkomen; dan wippen zij ze met hun voorpooten uit het water en scharrelen er haastig achteraan. Van die visscherij gaan zij aan ’t uitzuigen van watergras, of kikkers en schildpadden uit de modder delven; en de schaal van de schildpad wordt kapot gemaakt door er een steen op te laten vallen. Nu sluipen ze een kippenhok binnen en gaan er met een kuiken van door; en als ze dit verorberd hebben, komen ze weer in den tuin terug om een pompoen open te breken en de zaden tot nagerecht te nemen. Dan zien ze in het meertje een muskusrat voorbijzwemmen met een mossel in haar bek en ze gaan haar langs den oever achterna; want Musquash heeft een eigenaardige gewoonte om op vaste plaatsen te gaan eten—een plat rotsblok, een aangespoeld stuk hout, een bepaalden graspol waar hij de sprieten van afgeknaagd heeft—en verzamelt vaak een stuk of wat schelpen en mossels, eer hij gaat dineeren. Mooweesuk loert net zoo lang, tot hij de plaats gevonden heeft; en als Musquash dan verdwenen is om nog meer schelpen te halen, gaat hij er van door met al wat hij op den disch aantreft. Ettelijke keeren heb ik aan meren en rivieren het verslag van dit kleine blijspel gelezen. Ge kunt de plaats altijd herkennen, waar Musquash eet, door het stapeltje mosselschelpen in ’t water stroomaf; en soms vindt ge de prent van Mooweesuk die naar de plek is toegeslopen, en als ge ze volgt, zult ge merken waar hij de schelpen gebroken heeft die Musquash had verzameld.

Siluetten van waschbeeren.

Nog in een ander opzicht lijkt Mooweesuk merkwaardig veel op een beer: hij zwerft ver in het rond, maar hij heeft bepaalde verblijven, evenals Mooween, en als hij niet gestoord wordt, komt hij altijd min of meer geregeld op elke plek terug waar ge hem eens gezien hebt, en hij komt langs hetzelfde onzichtbare pad. Evenals bij Mooween is zijn kennis van de bosschen uitgebreid en nauwkeurig. Hij kent elk hol en hollen boom, die een waschbeer beschutting zullen verleenen in tijden van nood—gedeeltelijk door ze op te speuren en gedeeltelijk door zijn moeder, die hem meeneemt en ze hem wijst. Bij een korenveld heeft hij altijd een hol, waar hij kan slapen, als hij te verzadigd of te lui is om te zwerven; hij heeft een drogen boom voor regenweer, en een koelen, mossigen, hollen stam diep in de schaduw voor de heete zomerdagen. Hij heeft tenminste één zonnig plekje in den top van een hollen boomtronk, waar hij graag in ’t najaar in de zon ligt te stoven; en een geliefkoosden, reusachtigen boom met het diepste en warmste hol, dat hij zonder uitzondering voor zijn langen winterslaap gebruikt. En behalve deze allemaal heeft hij tenminste één toevluchtstoren bij elk van zijn paden, waar hij heen kan gaan, als er plotseling gevaar van honden of menschen dreigt.

Ofschoon hij loopt en jaagt en vecht en eet als een beer, heeft Mooweesuk veel eigen gewoonten, waar Mooween nooit aan toe is gekomen. Een er van is zijn gewoonte om nesten te plunderen. Mooween doet dit ongetwijfeld ook, want hij is dol op eieren, maar hij moet zich grootendeels tot de vogels die op den grond nestelen bepalen, en tot nesten, die hij bereiken kan met op zijn achterpooten te staan. Daarom zijn alle spechten veilig voor hem. Mooweesuk echter kan nooit een gat in een boom zien, zonder er zijn neus in te steken om te ontdekken of er ook eieren of jonge spechten in zitten. Als ze er zijn, zal hij éen poot naar beneden steken. Hij klemt zich stijf tegen den stam, en duwt zijn voorpoot tot aan zijn schouder in het gat, om te zien of het nest misschien ook dom ondiep zit en de eieren binnen het bereik van zijn poot liggen. Deze doet door zijn buigbaarheid aan een apenhand denken;—laat ’k dat hier even zeggen.

Waschbeer op boomtak.

Eens zag ik hem, aan den zoom van een wilden boomgaard, het nest van een gouden specht5 op die manier plunderen. De moedervogel vloog er af, toen Mooweesuk tegen den boom op kwam krabbelen, en dit verzekerde er hem van dat hij daarbinnen iets de moeite waard zou vinden. Hij stak er een poot in, greep een ei, en ’t leek alsof hij ’t naar boven rolde door het tegen den wand van de holte te houden. Toen het ei bijna aan den ingang was, stak hij zijn neus naar binnen om zijn schat te bekijken. Daar glipte het weg, viel terug en brak waarschijnlijk. Hij probeerde ’t met een ander, kreeg het veilig naar boven en at het op zooals hij daar zat. Hij probeerde ’t met een derde, dat hem net als ’t eerste ontglipte en brak. Toen, met den smaak van het versche ei in zijn bek, scheen hij ongeduldig te worden, of misschien kreeg hij een ingeving door de gele strepen op zijn klauwen. Hij duwde zijn poot hard neer om alle eieren te breken en trok hem druipend terug. Hij likte hem schoon met zijn tong en stak hem weer in den gelen smeerboel op den bodem. Dit ging gemakkelijk en hij bleef zoo voortgaan, tot zijn vochtige poot slechts doppen en vermolmd hout ophaalde. Toen klom hij achterwaarts den boom weer uit en schuifelde het bosch in, terwijl hij een boeltje achterliet, treurig om te zien voor een spechtenmoeder.

Nog een gewoonte waar hij Mooween de baas in is geworden, is zijn visschen. Hij weet evenals alle beren, hoe hij de visch met zijn voorpoot uit het water moet wippen; maar hij heeft ook geleerd hoe hij ze lokken moet, als ze niet op de zandbanken te vinden zijn. Dikwijls heb ik Mooween ook in de schemering aangetroffen, heel stil op een rotsblok of een grijzen boomtronk naast het meer of de rivier gezeten, terwijl hij door zijn zachte kleuren en zijn roerloosheid op een deel van den oever leek. Andere natuuronderzoekers en jagers hebben hetzelfde opgemerkt en hun getuigenissen stemmen hierin gewoonlijk overeen: dat Mooweesuk’s oogen bij zoo’n gelegenheid half gesloten zijn en zijn gevoelige “tasters” of snorren op de oppervlakte van het water spelen. De visschen er onder, die deze lichte beweging zien, maar niet het dier er boven, stijgen óf door nieuwsgierigheid óf, wat waarschijnlijker is, door de gedachte aan spelende insecten gedreven, naar de oppervlakte en worden er uitgegrist door een zwaai van Mooweesuk’s poot.

Veel jaren geleden vestigde Dr. Samuel Lockwood, een beroemd natuuronderzoeker, in een verhandeling voor het eerst de aandacht op deze eigenaardige manier van hengelen. Sedert dien tijd heb ik Mooweesuk herhaaldelijk aan ’t visschen gezien; maar ik ben nooit zoo fortuinlijk geweest hem iets te zien vangen, ofschoon ik een wilde kat dat kunststuk prachtig op dezelfde listige wijze heb zien volbrengen. Als ik er aan denk, hoe dol hij op visch is, en aan de vele plaatsen waar ik heb gezien dat hij ze gegeten had en waar ’t water te diep was om ze er op de gewone berenmanier uit te wippen, twijfel ik er geen oogenblik aan, of Dr. Lockwood heeft het ware geheim ontdekt van zijn geduldig wachten boven de diepten, waar de visschen aan ’t azen zijn.

Er is nog een eigenaardige gewoonte van den waschbeer, die hem van den beer onderscheidt en van alle andere dieren. Dat is zijn gewoonte om al wat hij vangt in ’t water te wasschen, of liever te spoelen. Het doet er niet toe wat hij vindt om te eten—muizen, kuikens, wortels, larven, vruchten—alles eigenlijk, behalve visch, zal hij meenemen naar ’t water, als hij ergens in de buurt van een meer of een beek is, en terdege afspoelen, voordat hij ’t opeet. Waarom hij dat doet—daar is slechts naar te raden. Het is niet om ’t schoon te maken, want veel er van is al schoon; niet om het zachter te maken, want mossels6 zijn vanzelf al zacht genoeg, en zijn kaken zijn wel zoo sterk om de hardste schalen stuk te maken; toch spoelt hij ze evengoed eer hij ze opeet. Mogelijk is het om de dingen den waterigen smaak van visch te geven, waarop hij dol is; nog waarschijnlijker is het een overblijfsel, evenals het ronddraaien van een hond eer hij gaat liggen, of als de onnoodige trek van de meeste vogels, de erfenis van een vergeten voorzaat, die een reden had voor de gewoonte en op aarde woonde lange, lange jaren voordat er een mensch was om op hem te letten en zich af te vragen waarom hij het deed.

Diep in de wildernis is Mooweesuk schuw en steeds op zijn hoede voor gevaar, als de meeste dieren in ’t wild daar; maar als ge heel stilletjes naar hem toesluipt, of als hij u onverwachts bij zich ziet, is hij vol van de nieuwsgierigheid van het boschvolkje om er achter te komen wie ge zijt. Eens, op den langen transportweg van St. Leonards naar den bovenloop van de Restigouche, zag ik Mooweesuk op een rotsblok aan een forellenbeek zitten, druk bezig iets uit te spoelen, dat hij juist gevangen had. Ik kroop op handen en voeten naar den kant van een oude brug op hem af, toen de balken onder mijn gewicht kraakten en hij van zijn wasscherij opkeek en me zag. Onmiddellijk liet hij zijn vangst in den steek en kwam de beek op, half wadend, half zwemmend, zette zijn voorpooten op de lage brug, stak zijn kop over den rand en keek aandachtig naar me, met zijn gezicht geen tien voet van het mijne. Hij verdween na een poosje en ik kroop naar den rand van de brug om te kijken wat hij aan ’t spoelen was. Een flauw gekrabbel deed me omkijken en daar had je hem met zijn voorpooten over den anderen bruggerand, terwijl hij dat wonderlijke mensch-ding nakeek, dat hij nog nooit eerder gezien had. Hij was de brug onderdoor gegaan om van den anderen kant naar me te kijken, zooals een vos zonder mankeeren doen zal, als we ons rustig genoeg houden. Het wild dat hij spoelde was een groote kikker, en na een poosje liep hij in een kring om de brug heen, greep zijn buit en verdween in de bosschen.

Waschbeer kijkend over een rand.

In de nabijheid van steden, waar er veel op hem gejaagd wordt, is Mooweesuk schuwer geworden, evenals de vos, en heeft tallooze listen geleerd waar hij vroeger niets van kende. Toch geeft hij zelfs hier, als hij maar jong aangetroffen wordt, blijk van een wonderlijke onbevreesdheid en zelfs van een zeldzaam vertrouwen in den mensch. Eens vond ik vroeg in den zomer een jongen waschbeer aan den voet van een heuvelkam, die naar een rotsrichel een paar voet boven zijn kop keek en jammerde, omdat hij er niet op kon komen. Het was hem blijkbaar een verrassing, dat zijn klauwen op de harde rots niet denzelfden indruk konden maken als thuis op den boom, waarin hij geboren was. Hij spartelde niet tegen—scheen het eigenlijk als de natuurlijkste zaak ter wereld te beschouwen—toen ik hem opnam en hem op de richel zette waar hij om jammerde, maar net als een klein kind wou hij een oogenblik later weer naar beneden en ik deed naar ’t hem behaagde. Toen ik wegging liep hij me piepend na, zijn eigen hol en zijn makkers in de helling vlakbij vergetend, en hij was niet tevreden, eer ik hem opgebeurd had. Toen rolde hij zich in de holte van mijn arm op en ging volmaakt tevreden slapen.

Weldra werd hij wakker, spitste zijn ooren en draaide met zijn kop op hondenmanier, om een geluid dat te zwak voor mijn gehoor was, en duwde met zijn onderzoekenden neus heelemaal over me heen, zelfs in mijn boord, waar ’t net een gevoel was alsof er een stukje ijs langs mijn hals kroop. Pas toen hij zich met zijn klauwen een weg naar den binnenkant van mijn jas gebaand, en zijn neus in mijn vestzak gestoken had, ontdekte hij de oorzaak van de geheimzinnige geluiden die hij had gehoord. Het was mijn horloge dat tikte, en in een oogwenk had hij het er uitgehaald en was hij met het glimmende ding aan ’t spelen, even verrukt als een kind met een nieuw stuk speelgoed. Het werd een heerlijk huisdier, vol grappen en snakerijen, dat kuikens ving door net te doen of hij sliep als ze hun hals naar de kruimeltjes in zijn bak kwamen uitrekken, dat zich dood hield als hij op “ondeugde” betrapt werd, dat uit een flesch dronk, en dolblij was als hij de jongens achterna naar de bosschen mocht, waar hij heelemaal wild werd van de pret, maar ze tegen de schemering weer naar huis volgde, en dat er eindelijk in zijn eentje naar zijn eigen boom van doorging om den winter door te slapen—maar over dat alles moet ik ergens anders eens vertellen.

Evenals de beer is Mooweesuk een vreedzame baas en houdt zich strikt bij zijn eigen zaken als hij ver in ’t rond door de bosschen zwerft; niet uit angst, want geen dier, behalve misschien de veelvraat, wat een vreeselijk beest is—geeft zoo weinig om gevaar of trotseert het zoo koelbloedig, of met zoo’n moed, als het komt. Van een paar honden trekt hij zich niet veel aan. Als hij ze op zijn spoor hoort, klimt hij gewoonlijk in een boom om ze uit den weg te gaan; want onze hond, anders dan zijn wilde broeder, de wolf, is een bemoeial en moet iedereen altijd lastig vallen; en Mooweesuk, evenals de meeste dieren in ’t wild, houdt van den vrede, jaagt slechts als hij honger heeft, en zal altijd, als hij even kan, liever standjes vermijden. Als hij op den grond betrapt wordt, of in ’t nauw gedreven, of tot handelen genoopt door een plotselingen aanval, gaat hij met zijn rug tegen den naasten boom of steen staan om zijn vijanden te verhinderen hem van achteren te betrekken, en dan vecht hij tot hij dood is, of tot er geen van zijn vijanden meer over is om hem lastig te vallen, waarna hij weer kalm zijns weegs gaat.

Het doet er niet toe hoe ongelijk de strijd is of hoe vreeselijk hij op zijn kop krijgt, ik heb nog nooit een waschbeer zien versagen of zijn hielen lichten en op de vlucht slaan. Als er veel honden zijn en hij bij een meer of een rivier is, zal hij ze naar het diepe water voeren, waar hij thuis is, en door snel in kringen te zwemmen zal hij ze een voor een insluiten en ze eens en voor goed buiten gevecht stellen. Hij gaat dan bijna altijd op dezelfde manier te werk. Hij schiet plotseling op den hond los dien hij tot zijn slachtoffer heeft gekozen, grijpt hem met een arm om den nek, zaagt uit alle macht met zijn sterke tanden op zijn kop, terwijl hij hem tegelijkertijd met zijn vrijen klauw over de oogen zwiept, en dan gaat hij met zijn volle gewicht op den kop van den hond hangen, om hem onder water te werken en al wat er nog aan vechtlust in hem steekt te verdrinken. Dat is gewoonlijk genoeg voor een hond; en Mooweesuk zal zich, zonder eenig letsel en met de grootste tegenwoordigheid van geest, bliksemsnel op zijn volgend slachtoffer storten.

Gelukkig zijn zulke veelbewogen dagen zeldzaam in Mooweesuk’s leven en weet de waschbeer in de wildernis er weinig van af. Zijn leven is gewoonlijk van ’t begin tot het einde vreedzaam, vol lekkers en slaap en spel en een steeds grooter kennis omtrent de bosschen. Hij wordt in de lente geboren, een heel klein, blind, naakt kereltje, als een mollen- of berenjong. Wanneer hij grooter wordt, klimt hij naar den ingang van zijn hol en zit daar urenlang als aan een venster, met niets dan neus en oogen zichtbaar, uit te kijken naar de nieuwe, vroolijke, ruischende wereld der bosschen, en slaperig in den blikkerenden zonneschijn te knipoogen. Dan komen de lange uitstapjes met zijn moeder, eerst overdag, als de roofdieren rustig zijn, dan in de schemering, en eindelijk de lange nachtelijke tochten, waarin hij door zijn leidsvrouw te volgen tallooze dingen leert, die een waschbeer weten moet: dezelfde paden te nemen tot hij de bosschen door en door kent; zijn onderzoekenden neus in elke spleet en barst te steken, want de lekkerste beetjes die er op zijn spijskaart staan schuilen op zulke plaatsen; een slaapje te doen als hij moe is, waarbij hij op zijn voorhoofd rust om zijn vroolijk geteekend snuitje te verbergen en te maken dat hij even weinig in ’t oog valt als een rotsblok of een bemoste boomstomp; uit den hoogsten boom te springen zonder zich pijn te doen; en als hij een hol in den grond of tusschen de rotsen in gebruik heeft, op eenigen afstand van den ingang nog een uitweg te hebben en onder geen omstandigheden zijn hol anders dan door de voordeur binnen te gaan. Er schuilt groote wijsheid in dit laatste wat er geleerd wordt. Als een hond een hol vindt met een spoor dat er altijd van uitgaat, loopt hij weg, want hij weet, dat het nergens toe dient hier te blaffen; maar als hij een gat vindt waar een spoor binnengaat, meent hij natuurlijk, dat het wild er in zit en blijft hij huilen en krabbelen zonder dat ooit de gedachte in zijn mallen kop opkomt, dat er nog een andere uitgang kan zijn. Terwijl hij graaft en een onvergeeflijk lawaai in de stille bosschen maakt, zal Mooweesuk ondertusschen om ’t hoekje aan den binnenkant van het gat zitten wachten, tot ze een gelegenheid krijgt om den hond in zijn neus te bijten of hem zijn poot te verpletteren; of anders zal ze kalmpjes met haar jongen de achterdeur uitglippen en ze naar een hollen boom brengen, waar ze tot de hond weggaat rustig kunnen slapen en niet bang hoeven te zijn.

Tegen den tijd dat de eerste sneeuw valt zijn de jonge waschberen volwassen en sterk genoeg om goed voor zichzelf te zorgen; en dan, weer net als de beer, ontwijken ze winterkou en -honger door vier of vijf maanden lang in een warm hol te gaan slapen, dat ze zorgvuldig op hun zomersche zwerftochten hebben uitgezocht. Ze zijn zoo vet als boter wanneer ze zich oprollen voor hun langen slaap; hun geringde staart bedekt hun gevoeligen neus, en als ze een poosje wakker worden, zuigen ze slaperig op hun voorpooten tot ze weer inslapen, zoodat ze, evenals de beer, dikwijls teere voetzolen hebben wanneer ze in ’t voorjaar weer voor den dag komen.

Vaak slapen de jonge waschberen van een zelfde gezin samen in één hol. De oude mannetjes huizen liever op zichzelf; maar moeder waschbeer, evenals de berenmoeder, doet alle mogelijke moeite om zich te verbergen op een plaats, waar ze rustig haar jongen ter wereld kan brengen en waar niemand ze ooit zal vinden.

Die winterholen duiden op een eigenaardige gewoonte, waarvan ik nooit een verklaring heb aangetroffen en waar ik geen voldoende reden voor heb kunnen vinden. Op sommige zachte winterdagen ontwaakt Mooweesuk uit zijn langen slaap en dwaalt de wereld in. Dan kunt ge hem wel mijlen ver door de bosschen prenten, zonder te merken dat hij een doel heeft of iets bijzonders uitvoert; want ’k heb nooit gemerkt, dat hij iets gegeten heeft op die zwerftochten. Soms, op mijlen afstand van zijn hol, buigt zijn spoor zich af en gaat regelrecht naar een hollen boom, waar andere waschberen den winter doorbrengen. Het is mogelijk dat het zijn eigen familieleden zijn, die gewoonlijk een eigen hol hebben en die hij bezoekt om te zien of alles in orde is. Soms gaat er uit dit hol een waschbeer met hem mee en dwalen hun sporen mijlen ver samen; vaker komt hij er alleen weer uit en kunt ge hem volgen: hoe hij andere waschberen bezocht heeft, of in een van zijn andere boomen is gaan slapen, of in een wijden kring weer naar den boom gebogen is, waar hij vandaan kwam en waar hij verder gaat slapen, tot hij er door de lentezon en het minnelied van ’t meesje weer uitgelokt wordt voor een volgend seizoen.

Misschien is ’t louter zin voor gezelligheid van Mooweesuk, want het is zeker zijn tijd niet dat hij ’t hof maakt, of een wijfje zoekt. Dikwijls slapen, zooals ik gezegd heb, drie of vier jongen den winter door in hetzelfde hol; maar dan weer kunt ge twee of drie oude waschberen in denzelfden boom aantreffen. Anders dan bij veel andere dieren als ’t hun hol betreft, is bij den waschbeer de wet der gastvrijheid van groote beteekenis, en een eenzame oude baas, die liever alleen een hol heeft, zal nooit weigeren zijn winterwoning met andere waschberen te deelen, wanneer ze uit hun behaaglijke schuilplaats verdreven zijn; en dit gaat op, ondanks het feit dat er volop andere holle boomen zijn, die aan den stam in ’t algemeen schijnen te hooren, want ze worden ongehinderd bezocht door elken waschbeer die voorbijkomt.

Waschbeer onder tak.

Er is nog een manier, waarop de liefde tot zijn ras zich uit, en we voelen een innige bewondering voor Mooweesuk, wanneer deze blijkt: hij komt altijd bij het dreigendste gevaar, en al is zijn leven er mee gemoeid, op een noodkreet van een zijner soortgenooten af. Ik heb dit verscheiden keer gezien en eens vooral, toen het een heele opwinding gaf bij het wilde, nachtelijke jachtvermaak, die onverwachte gevolgen had. Het was achter in November, op het eind van het jachtseizoen, tegen middernacht. De honden hadden een waschbeer in een boom gejaagd, en met behulp van een helder vuur van knappende takken trachtten we “zijn oog te laten schijnen”, dat wil zeggen: de plaats te bepalen waar het wild in de boomtoppen zat, als de felle gloed van zijn oogen den schijn van het vuur terugkaatste. We zagen het eindelijk, en een van de jagers klom in den boom en trachtte den waschbeer met een dikken stok van zijn tak af te porren. In plaats van te doen wat er van hem verwacht werd, kwam Mooweesuk, die altijd koelbloedig is in het dreigendste gevaar, snel langs den tak en toonde zijn tanden met een gegrauw door zijn neus, dat onmiskenbaar was. De jager liet zijn stok vallen, trok een revolver uit zijn zak en schoot op den waschbeer, die in een aanval van plotselinge woede zich omdraaide en op de huilende honden veertig voet naar beneden afsprong. In een ommezien was er een vreeselijk gevecht gaande. Mooweesuk, met zijn rug tegen een boom, begon met zijn koelbloedige, snelle uitvallen, die de helft van zijn vijanden ontmoedigden. Nu werd er een hond buiten gevecht gesteld door een enkelen wolfachtigen uitval naar zijn gevoeligen neus; dan trok zich een lievelingsdier huilend terug, half verblind door een bliksemsnellen veeg van Mooweesuk’s poot over beide oogen. Maar er waren te veel honden voor één vechter, al was hij ook nog zoo dapper. Ze vielen Mooweesuk in de flank aan; twee sterke honden legden hem; toen, daar hij wist dat hij ’t gevecht zoo goed als verloren had, draaide hij zijn kop om en gaf plotseling een schellen kreet, den kreet om hulp, die geheel verschilde van zijn krijschen en grauwen gedurende den strijd. Snel als de bliksem verscheen er nog een waschbeer op het tooneel, een jonge, die uit den boomtop sprong en zich in ’t gevecht wierp, krabbend en bijtend als een furie en zijn strijdkreet uitgalmend.

Tot op dit oogenblik had niemand van ons vermoed, dat er nog een waschbeer ergens in de buurt was. Hij had zich veilig schuilgehouden in den boomtop gedurende dat lawaai, tot die kreet kwam, die duidelijk hulp scheen te roepen; toen liet hij alle gedachte aan zichzelf varen en sprong als een held naar beneden.

...die uit den boomtop sprong en zich in ’t gevecht wierp. bl. 40 VI.

...die uit den boomtop sprong en zich in ’t gevecht wierp. bl. 40 VI.

Dat was nog niet half tot ons doorgedrongen, toen de kleine baas zich op den hond stortte, die den eersten waschbeer bij den hals hield en met een beet van zijn sterke kaken een voorpoot verbrijzelde. De grootere waschbeer kwam weer op de been, zwakjes vechtend.—Maar er was een eigenaardige verandering in de jacht gekomen. Ik was vooruitgesprongen om tusschenbeide te treden bij zoo’n onverwachten heldenmoed, maar had me weer teruggetrokken bij de gedachte, dat ik slechts een gast was en er beleefdheidshalve bij mocht zijn. Naast me stond een groote jager, eigenaar van een paar der honden, wiens gezicht wonderlijk vertrok in het schijnsel van het vuur. Hij wilde op de vechtenden losgaan, zwaaide met zijn knuppel, maar trok zich toen terug, omdat hij zich schaamde eenige weekheid te toonen op een waschberenjacht. “Red hem,” fluisterde ik hem toe, “dat kleine ding heeft zijn leven wel verdiend”; en weer sprong hij naar voren. “Trek de honden weg!” brulde hij met vreeselijke stem, terwijl hij tegelijkertijd den zijnen er afrukte. Elke jager begreep het. Er ontstond plotseling een wild gebrul, waaruit iets klonk dat je een heerlijke rilling over den rug joeg. De honden werden bij staart en pooten weggesleept, terwijl ze huilden en zich verzetten tegen dien smaad. De groote waschbeer ging stil liggen sterven; maar het kleintje ging met zijn rug tegen de rotsen staan, zijn oogen fonkelend als kolen waar de wind over blaast, trok zijn neus in rimpels als een wolf en grauwde uitdagend tegen de heele, huilende bende. En daar bleef hij, tot ik een stok nam en hem te midden van gelach en toejuichingen, nog onder kwaadaardig verzet, in een anderen boom dreef, waar de honden niet bij hem konden komen.


Dat was ver van de plaats waar mijn eerste Broertje van den Beer woonde, en er waren vele jaren verloopen sinds ik de overhangende rots bij den ouden beverdam bezocht had. Op een dag kwam ik er weer, en boog haastig den ouden boschweg in, die bij elke wending en rots en vermolmde boomstomp een gelukkige herinnering voor me had. Hier was het dat de patrijs7 gewoonlijk trommelde; en daar, aan het eind van den boomstam, waren teekenen, die me zeiden dat hij er nog wel eens het gedempte roffelen van de vleugels liet wegrollen. Hier was ’t gat in het muurtje, waar de vos doorglipte; en daar was een krinkelend geel haar aan een ruwe rots blijven hangen, dat stom getuigde. Hier was ’t waar de dennen het dichtst stonden; maar ze waren nu alle omgehakt en de zaden van het loofhout, die zoo vele jaren onder de dennen hun kans op ’t zonnelicht hadden afgewacht, schoten eindelijk welig en krachtig omhoog. En hier was de plek waar de weg zich boog om nog eens om te kijken naar het aardige plekje, waar de schuwe kinderen woonden met wie ik eens vriendschap had gesloten.

Ze waren allen verdwenen en het huisje onder den rotswand was verlaten. In een van de vervallen vertrekken vond ik een lappenpop naast den kouden haard en een paar ongelukkige stukjes speelgoed op een plank, onder een gebroken raam. In het heele verlaten, vergeten huis waren dit de eenige dingen, die een glans over mijn gezicht en het vocht in mijn oogen riepen toen ik ze zag. Al het andere sprak van ondergang en verval; maar dit armzalige speelgoed, dat door kleine handjes was aangeraakt, ging me regelrecht naar ’t hart, zoo deed het denken aan leven en onschuld en een jeugd die nooit veroudert in de wereld. Ik stofte het zorgvuldig af met mijn zakdoek en zette het weer op zijn plaats, en ging stilletjes het pad af dat naar de andere woning leidde, waar ’t Broertje van den Beer vroeger huisde.

Alles was ook hier veranderd. De dam, dien de bevers gebouwd hadden en dien de jaren hadden bedekt, lag er nog even hecht als altijd; maar de bosschen waren omgehakt en het meertje was ingekrompen, tot de wilde eend er niet langer een schuilplaats vond. De rotswand was niet groen meer, want de zon, die binnendrong toen de groote boomen vielen, had bijna al het mos en de varens gedood, die ze bedekten; en ’t lied van de beek, ofschoon ’t nog opgewekt klonk, was nauwelijks te hooren, als ze dropte en sijpelde, waar ze eens naar beneden gestroomd en gehuppeld had in de lommerrijke vallei, die nog lommerrijk bleef, omdat de grond daar gelukkig te arm was om er iets anders dan kreupelhout en sleutelbloemen te laten groeien, en zoo hadden de houthakkers haar niet aan troostelooze verwoesting prijsgegeven. De oude boom, eens de woonplaats van den waschbeer, was omgewaaid. Toen hij den steun van zijn makkers miste en deze niet langer den wind voor hem braken, kon hij niet alleen staan en sloeg om in den eersten storm. De oude indrukken van Mooweesuk’s klauwen waren diep onder ’t mos verborgen. Van deze vernielde woning ging ik naar het hol onder de rotsen, langs het pad dat de waschberen indertijd volgden. De jagers waren hier lang geleden geweest; het hol was opengebroken, de beschuttende rotsblokken op zij gegooid en van binnen lag het vol bladen van het vorige jaar. Toen ik ze treurig wegstreek om eens te zien hoe de woning er uitzag, stootte mijn hand tegen iets hards in een donkeren hoek, en ik trok haar weer naar buiten. ’t Was een kleine, gebogen knoest, heelemaal glad gemaakt door ’t vele aanpakken—het speeltuig, dat ik ’t eerst gezien had en dat nu de laatste herinnering aan een tehuis was, waar de Broertjes van den Beer eens gewoond en vroolijk samen gespeeld hadden.

Gevallen bladeren.


1 Sayornis Phoebe.

2 Hier Ameiurus Nebulosus.

3 Gaultheria Procumbens.

4 Van de familie Catostomidae.

5 Colaptes Auratus.

6 Mya Arenaria.

7 Men zie Mitches, bladz. 126. Met patrijs wordt in Long’s boeken steeds den boschvogel, nooit onze patrijs bedoeld.