"Ik dank u voor de goede diensten die gy my, by eenige Raaden des Konings gedaan hebt[9], en bid u daarin te volharden, zo wel by gemelde Raaden, als by anderen, waaromtrent gy zulks noodig zult oordeelen; zyt verzekerd dat ik u desaangaande myne erkentenis zal toonen, in alle gelegenheden, waarin ik u van eenigen dienst zal kunnen weezen:"

—"Ik wenschte", dus luidt een verder gedeelte van dien brief;

"Ik wenschte in staat te zyn van u alhier nuttig te kunnen zyn in uwe zaak, ik zou my daarin met al myn hart van myne verpligting kwyten; maar gy weet, dat de gelegenheid der zaake zodaanig is, dat noch ik, noch uwe andere vrienden u daarin niet kunnen dienen, zo als wy wel zouden wenschen; ik hoop dat de tyd daarin eenige verandering zal ten wege brengen, en dat ik u, ten eenigen tyde, in deezen Lande, zal mogen wederzien, zo hoog geacht, zo algemeen geëerd, als uwe zeldzaame talenten verdienen; het welk my niet minder genoegen zou doen smaaken, dan ik gesmaakt heb, by het verneemen van uwe ontkoming; ondertusschen," enz.

Deed Fredrik Hendrik recht aan 's mans ongemeene bekwaamheden, Lodewyk de Dertiende was daarin evenmin nalaatig; niet alleenlyk zeide hy hem mondling: de Groot, gy zyt een treffelyk man, en ik wil u wel doen, maar had zulks ook reeds werkelyk getoond door hem, na hem eene aanzienlyke vereering gedaan te hebben, een jaarlyks tractement van 3600 guldens toeteleggen: in het koninglyk besluit desaangaande genomen, en dat zyne Majesteit eigenhandig ondertekende, vindt men, dat de koning hem dat pensioen toestond, om hem by zig te houden, hebbende in achting genomen de verdiensten, bequaamheit en zonderlinge geleertheit van den Heer de Groot.

Na, gelyk wy boven, (bladz. 82) gezien hebben, de onvoorbeeldige Reigersbergen, weder op vrye voeten was gesteld worden, en na eenige vergeefsche pogingen ter verdere verlossinge van haaren halsvriend aangewend te hebben, toefde zy niet om zig ook weder in het bezit van dien onwaardeerelyken schat te stellen; zy stak naar Frankryk over: het trouwhartig Elsje was door te sterke banden aan haare Meesteresse verbonden, dan dat zy dezelve niet op de reis vergezeld zou hebben; Parys ontving ook die lofwaardige Dienstmaagd binnen haare muuren, en werd door veelen bewonderd; onder anderen toonde de President Jeannin, inzonderheid, groote begeerte om haar te zien, en zeide, toen hem zulks mogt gebeuren: Ma fille! Dieu vous benira; dat is: Myn Dochter! God zal U zegenen.

Den geruimen tyd van elf jaaren, bragt onze Held in het Lelieryk door, in welken tyd hy meer dan ééns aangezocht was geworden, zo door Christiaan den Vierden, Koning van Deenemarken, als door Gustavus den Grooten, Koning van Zweeden, en anderen, om in derzelver Ryken aanzienlyke amten te bekleeden, maar hy hield nog altoos het oog op zyn Vaderland gevestigd, en hoopte zekerlyk nog eens in deszelfs boezem zyne verloorene rust te zullen wedervinden; gedeeltelyk tot dat einde had zyne Gemaalinne reeds een reis derwaards gedaan, doch geheel zonder vrucht: de gezegde hoop verkreeg echter van tyd tot tyd voedzel, schoon dezelve ook wel eens weder geheel uitgebluscht werd; er vielen in Nederland zeer veele gewigtige veranderingen voor, waarvan als eene der voornaamste genoemd mag worden, dat Fredrik Hendrik, dien wy gezien hebben, dat niet tegen Hugo maar veelëer zyn vriend was, zynen broeder Maurits in de Stadhouderlyke waardigheid was opgevolgd, waarover zyne Hoogheid door onzen Held geluk gewenscht werd: alle 's mans vrienden yverden nu zeer hartlyk tot zyne herstelling, maar in Frankryk, liet men in tegendeel niet na alles aan te wenden wat mogelyk was, om hem tot de Roomsche Kerk overtehaalen, tot welk einde zyne Gemaalin zelfs de dringendste aanvallen moest doorstaan: "Myne huisvrouw", schreef hy in zekeren brief, "wordt door de geleerdsten van Parys aangevochten, maar verdedigt zig treffelyk; ons hart", voegde hy 'er by,

"zou beter strekken tot vereeniging met de Gereformeerden van ons land, na eenige verzachting van de wat te onvoorzichtig (zo wy oordeelen) gedaane decisie"

—"En hier," schreef hy aan Uitenbogaard,

"wat zal ik zeggen? men ziet, dat ik door goed noch kwaad ter misse wil gaan; men ziet dat ik geen voorneemen heb, ten aanzien van ons land, dan tot behoudenis van wettige vryheid; men ziet dat myne wederpartydigen sterk zyn, en in den Staat groot gezach hebben: wat hier uit volgen zal by eene Natie, die zo wispeltuurig is als de Fransche, zal UEd. best kunnen oordeelen;"

—"Men wil hier niet ten halve gediend zyn", schreef hy op een anderen tyd;

"op de betaaling wordt my ook reeds groote zwaarigheid voorgewend: men wil my wysmaaken dat het comptoir, waarop ik geordonneerd ben, geledigd is, het welk geene verstandigen kunnen gelooven:"

uit dit een en ander, waarby wy nog veele zaaken zouden kunnen voegen, indien dezelven niet door anderen reeds breedvoerig waren geboekt geworden, is gemaklyk optemaaken, in welk eene gesteltenis onzen Hugo zig bevondt; evenwel verliet hy zyne letteroefeningen niet, maar vervaardigde, van tyd tot tyd, veele schriften die zynen naam onstervelyk gemaakt hebben.

Frankryk werd vervolgends door verdervelyke onlusten verdeelt en geschud; de duurte der levensmiddelen nam dagelyks toe, en op de betaaling der pensioenen kon geen staat meer gemaakt worden; de groote Hugo was te groot van ziel om te smeeken, en derhalven nam hy het besluit, zig naar elders te begeeven; evenwel wilde hy niet in vreemden dienst overgaan, voor hy verzekerd ware van de gesteldheid der gemoederen in 't Vaderland, omtrent hem: de kloekmoedige Reigersbergen, stak andermaal over, om met vrienden en bloedverwanten raad te neemen;—ieder verlangde hem te zien; de zaaken hier ten lande werden van de beste zyde beschouwd; de Groot wenschte ook zeer vuuriglyk zynen ouden vader nog eens te mogen omhelzen—was dit niet genoeg om hem de reis te doen aanneemen? hy nam in 't openbaar afscheid van den Koning, die hem niet alleenlyk met alle beleefdheid ontving; maar zelfs omhelsde, en hem aanbood, ten zynen voordeele, eigenhandig aan de Heeren Staaten te schryven: in 't laatst van de maand October des jaars 1631, kwam hy behouden te Rotterdam aan.

Men kan ligtlyk denken wat al beweegingen daardoor ontstonden, en welke beweegingen niet weinig vermeerderden, toen de zaak ter ooren van zyne vyanden gekomen was; tot by den Stadhouder toe, onderzocht men, op wiens toestemming hy het gewaagd had, weder in 't Vaderland te verschynen; ieder kende zig vry, hem daartoe verlof gegeeven te hebben; Fredrik Hendrik zeide: Ik heb hem niet doen komen; men was geheel verdeeld over de wyze waarop men den stap, door de Groot gedaan, zoude behandelen; deezen waren voor de zachtheid, ten welke einde de Heeren van Delft, zig zeer gelegen laatende leggen aan hunnen roemwaardigen Inboreling, eene bezending naar den Prins Stadhouder afvaardigden; Amsteldam en Rotterdam ondersteunden de lofwaardige poogingen van Delft, maar anderen, zeer waarschynelyk door de Geestlykheid opgezet, riepen, dat hy de Groot was, die Land en Kerk beroerde, dat hy de tegenwoordige Regeering in zyne verantwoording voor onwettig gescholden had, en dat hy op zyn eigen ban en boete, zonder voorafgaande bewilliging der Staaten, in 't Land gekomen was; en deeze party behield de overhand; te vergeefsch had men hoop gevoed op den bystand van Fredrik Hendrik; te vergeefsch hadden niet weinigen geloofd, dat hy glory zou zoeken te behaalen door het herstellen van zo groot een man, als deeze bewonderenswaardige vluchteling, in deszelfs voorige waardigheden; men had dien Prins van zyne menschlievende en loflyke oogmerken weeten te doen afzien: "maar gelyk meerendeels", zegt één van Hugo's levensbeschryveren;

"op de gemoederen der genen, die by Vorsten doen en laaten zyn, meer het nutte dan het eerlyke plaats grypt, en er geene ontbraken, die hem voor oogen stelden, hoe gevaarlyk 't voor syne saeken zyn soude, eenen man, die met soo groot een stantvastigheit de Vryheit en syn Vaederland beminde, wederom in de Regeeringe in te neemen, heeft hy beslooten veel eer te volghen 't gheen hem syne moogenheit dan 't gheen hem syne weerdigheit raedde, en, als de Staeten beraedtslaeghden oover 't verblyf van de Groot, sich gevoeght by 't oordeel der genen, die gevoelden dat men hem 't verblyven in syn Vaederlandt behoorde te verbieden":

—wat zou de doorluchtige balling, na het verlies van zulk een veel vermogenden voorstander, anders hebben moeten besluiten, dan zyne zelfberging niet uit het oog te verliezen?—hy nam de wyk naar Amsteldam, alwaar hy zig een geruimeren tyd, onder eenen verbloemden naam onthield, ten huize van den Heere, Joost Brasser, terwyl er volgends de aantekeningen van den onpartydigen Brand, by de Heeren Staaten van Holland geresolveerd werd, dat alle 's Lands Officieren zouden worden gelast, Hugo de Groot, in verzekering te brengen, op privatie van hun amt, en dat 2000 Guldens zou gegeeven worden, aan die geenen die hem in handen van de Justitie zoude leveren: Amsteldam had zig daartegen zeer sterk verzet, van gedachten zynde, dat de Provincie van Holland niet bevoegd was de poenen tegen de Groot, by voorgaande plakaat der Heeren Staaten Generaal gesteld, te bezwaaren; andere steden voegden zig weder by Amsteldam; maar te vergeefsch, men begeerde de zaak door te zetten, zo als zy van den beginnen af aan opgenomen was geworden; het moest er nu meê door; men scheen te ver gegaan te weezen om wedertekeeren; Fredrik Hendrik, "vond niet geraaden tegen deezen stroom van sterke driften opteroeijen"; dus werd het besluit, by meerderheid van stemmen, tot zyn nadeel genomen, gelyk wy boven gezien hebben.

Ondertusschen werd zyn komst te Amsteldam door de voornaamste Dichters bezongen: de Heer Hooft, vervaardigde een Dichtstukje, waarin hy van onzen geleerden Held dus spreekt:

O Blaakende vernuft, zo puur
Als 't rookelooze starrevuur,
Wanneer hem wolk noch schaduw let!
Gy stelt aan krygh en vreê de wet;
't Wargaaren van 't gerecht gy schift;
Verlicht de duisternis der schrift;
De naamen die uw' lof verbreidt,
Vergoodt gy met onsterflykheit,
Oft eeuwelyk onzaaligh maakt,
De geene die uw' oordeel wraakt;
Baardt wonderwerk by wonderdaadt;
En altyds even zwanger gaat.
Maar alle wond'ren streeft verby,
o Lief der deughde, dat, daar gy
Die groote wonderen bedryft,
Zoo kleen noch by u zelven blyft,
Dan, mits dat gy u dus verneêrt,
Houdt zich der Eng'len schaar vereert
Met zich te draagen onderdaan,
Aan u, en staâghs ten dienst te staan.

De groote Vondel, die nooit zweeg, zweeg ook by deeze gelegenheid niet; hy verwelkomende de Groot te Amsteldam, met deeze verzen:

Wat zaelge wint is 't, die van 't Lelistrant,
Den stroom op, in 't ondankbre Vaderlant,
Hervoert het Delfsche wetorakel, dat
Gekoffert, als een kostelyken schat,
Wel eer de bange Maes afdryven quam,
Tot dat de sein het in haar armen nam,
En zette dat gebergde Gods kleinoot,
Met blydschap, op den koninglyken schoot
Des allerkristelyksten Luidewyks,
Die 't herberg schonk, tot glorie zynes Ryks;
Op dat het, na 't verstuiven van die wolk
Des druks, verscheen tot heil van 't vrye volk,
En 't misverstant, aenziende 's helts gedult
Hem weder eerde, en riep; het is myn schult, enz.

Ten blyke van de genegenheid die de wethouderschap der Stad Amsteldam onzen de Groot toedroeg, verstrekt het geen wy aangetekend vinden, naamlyk, dat hy, na zig omtrent drie maanden schuil gehouden te hebben, de vryheid nam van openlyk langs de straaten te gaan; de kerklyke vergadering der Remonstranten by te woonen, en in de Fransche Kerk te verschynen, niettegenstaande hy de straaten niet betreeden konde, zonder een grooten toeloop van menschen, die hem eer beweezen en beklaagden, waar uit te besluiten is dat het neemen van die vryheid, ter ooren van de Regeering moet gekomen weezen; men verzekert evenwel dat hem geen vrygelei gegeeven was geworden, hoe zeer anderen zulks ook voorgaven; 't kan zyn dat het niet uitdrukkelyk geschied zy, echter is het wel waarschynelyk dat onze Held de gemelde vryheid niet genomen zal hebben zonder te weeten, dat de Wethouderschap den Hoofdofficier, en door hem den Onderschouten, heimelyk gelast had, niets tot zyn nadeel te onderneemen, want die last was door de Heeren Burgemeesteren gegeeven geworden.

Zy die hem genegen waren, zaten ondertusschen niet stil, met hunne pogingen aantewenden, om hem een gerust en vreedzaam verblyf in den Lande te bezorgen; men vorderde van hem dat hy daartoe een verzoekschrift zou opstellen, 't welk hy echter onwillens deed; maar men oordeelde dat hy zig daarin veel te fier uitdrukte, 't geen een gevolg was van zyn gevoelen wegens zig zelven; hy wilde met zyne partyen gaarne bevredigen, maar alles wat slechts eenigzins naar belydenis van schuld zweemde, hoe ingewikkeld ook, of de minste gunstvorderende uitdrukking, was voor zyne waarlyk verhevene ziel onverdraagelyk; zyn verzoekschrift, bovengemeld, werd dan afgekeurd en een ander opgesteld, doch dit weigerde hy te tekenen, ronduit verklaarende, dat hy geen pardon, hoegenaamd, begeerde, maar wel vergeeven wilde den geenen, die hem misdaan hadden: na men langen tyd over zyn te houden gedrag geraadpleegd, en elkanders gedachten onderling medegedeeld had, nam onze Hugo een onverzettelyk besluit om het vaderland te verlaaten: begeerende dat het ook niet zyn koud gebeente toevertrouwd zou worden; men poogde hem van dat voorneemen aftebrengen, maar te vergeefsch, hy ging te scheep naar Hamburg, waardoor hy zyne vyanden verheugde, doch zyne vrienden nog veel meer bedroefde, vooral die geenen van hun, welken de hoop op eene volkomene bevrediging nog niet geheel opgegeeven hadden; en waarin zy versterkt werden door de betuiging van Prins Fredrik Hendrik, dat hy, ingeval de Groot, door een request te presenteeren, zyne zaak eene andere gedaante geeven, en zyne vrye inwooning verzoeken wilde, hy in zulk een geval de hand aan zyne zaak houden, en alles ten zynen besten zoude helpen bestuuren.

Te Hamburg werd onze Held, met alle minzaamheid en hoogachting ontvangen, ja veelëer, volgends zyn eigen schryven, als een staatelyken Afgezant, dan als een verdreeven balling; hier voegde zyne Echtgenoote, die zig eenigen tyd elders opgehouden had, zig weder by hem, en Hugo, leide in het byzyn van haar, en zyn verder gezin, als mede onder het onvermoeid navorschen en beoefenen der weetenschappen, een leven, zo gelukkig als een man in zyn omstandigheid zou hebben kunnen leiden.

Eenigen tyd daarna werd hy, ('t geen reeds meermaalen geschied was, doch nu ernstiger dan voorheen) aangezocht, van Gustaaf Adolf, Koning van Zweeden, om in deszelfs dienst over te gaan; deeze Vorst was wegens zyne geleerdheid, en doordringend oordeel, bekwaam om de zonderlinge gaaven van den grooten Hugo, op haare rechte waarde te schatten; het boek van onzen Held, over 't recht des oorlogs en des vredes, had zyne Majesteit zig zeer ten nutten weeten te maaken, waarom zyne achting voor het zelve ook zo groot was, dat hy het, ten dienste zyner onderdaanen, in de Zweedsche taale liet overzetten: de Groot werd, tot vreugd van zyne vrienden, door den dood zyner Majesteit, die op het bed van eer stierf, verhinderd, in het handelen over deezen overgang in zweedschen dienst, maar zyne hoop op eene aanzienlyke verbindenis werd by het leven behouden, door andere Mogendheden die hem, by aanhoudendheid, aanzoeken van dien aart bleeven doen; de Koning van Deenemarken verzocht hem te Glukstad te willen komen, om hem in persoon te spreeken, aan welk verzoek onze Held voldeed, en, ter gezegde plaatze, door zyne Deensche Majesteit, met zonderlinge blyken van gunst en genegenheid, ontvangen werd;—intusschen wees de Groot alle aanzoeken van dien aart vriendlyk van de hand, het welk 't Zweedsche Hof weder gelegenheid gaf om het meer dan eens hervatte verzoek te vernieuwen, 't geen Axel Oxenstiern, groot Cancelier van dat Ryk, dien benevens nog drie andere Raaden, 't Staatsroer was toebetrouwd, ter oorzaake van de minderjarigheid van Koninginne Christina, op zig nam, en daarover, in het begin des jaars 1633 aan den geleerden Hugo schreef: "Kan UE," dus drukte Oxenstiern zig in dien brief uit,

"zyne studien zo veel tyds onttrekken, dat gy my in dit gewest komt bezoeken, zyt verzekert, dat UE. my den aangenaamsten dienst zult doen, dien ik, zo ik niet anders vermag, ten minsten zo hoog zal achten en erkennen, dat ge over de moeijelykheid uwer reize niets te klaagen zult hebben, en in der daad bevinden, dat ik de ongemakken uwer ballingschap heb getracht te verlichten. Meer mag ik voor deezen tyd niet schryven", enz:

—zeide de beroemde Vondel niet te recht van onzen Hugo:

Hoe zou de duisternis dit Hollandsch licht gedoogen,
Dat al te hemels scheen in aller blinden oogen!
Het ging een wyle schuil, om klaarder op te gaan:
Wy haaten 't groote licht, een ander bidt het aan.

Onze Held dit dringende aanzoek, dat waarschynelyk verscheidene keeren hervat zal weezen, overweegende, en begrypende dat de hoop om voor eerst in zyn vaderland een gerust verblyf te zullen vinden, op een zeer zwakken grond steunde, besloot het oor te leenen aan de begeerte van Oxenstiern; vertrok in de Maand Mei des jaars 1634 van Hamburg naar Zweeden alwaar hy met de uitsteekendste blyken van eere en gunst ontvangen werd.

Men begrypt ligtlyk dat men zo veel moeite om de Groot derwaards te doen trekken niet gedaan had, alleenlyk om in hem een voorwerp van verwondering te kunnen hebben; geenzins, het welzyn van 't Ryk was de voornaamste dryfveer dier aanzoeken, dit toonde men ook wel rasch, want onze Hugo werd vereerd met de waardigheid van Zweedsche Afgezant aan 't Hof van Frankryk, benevens die van Staadsraad des Zweedschen Ryks; de eerste op een jaarwedde van 15000 en de andere op eene van 5000 guldens: in 't begin des volgenden jaars, (1635) vertrok hy van Mentz naar Parys, en verscheen nu andermaal aan het Hof van Lodewyk den Dertienden, trouwens in zeer verschillende omstandigheden, thans ten hoogsten aanzienlyk, niet zo zeer door den luister zyns Gezantschaps, als wel door den roem zyner geleerdheid, en zyner deugden: ondertusschen lieten zyne vyanden nog niet af hem te vervolgen, aan 't Fransche Hof, alle pogingen aantewenden, om te beletten, dat door De Groot toetelaaten, in de gezegde waardigheid, zyn voorgaand gedrag, waarom hy zo veel geleeden had, niet gerechtveerdigd werd; men begreep zeer wel dat als Hugo braafheids genoeg bezat, om als Zweedsch Afgezant aan 't Hof van Frankryk geduld te worden, dat hy dan onmogelyk een man kon weezen, schuldig genoeg om als balling buiten zyn Vaderland te moeten zwerven; evenwel was alles te vergeefsch, en de Groot had reden te zeggen:

Al scherpt de magre Twist haar tand,
God slaat haar voor my neêr met schand.

Ons voorneemen en bestek laaten niet toe ons breedvoerig over zyne verrichtingen als Afgezant uittelaaten, alleenlyk kunnen wy desaangaande zeggen, dat hy veele wederwaardigheden te boven te komen had, echter in 't Fransche Ryk leefde, zo aangenaam by den geenen aan welken, als by hun van welken hy gezonden was; zynen tyd bestedede hy grootendeels in de bezigheden zyns Gezantschaps, gedeeltelyk ook in zyne studien, maar ook gedeeltelyk met de bezoeken en aanspraaken der geenen, die van alle kanten als zamenvloeiden om hem te zien, en met hem te raade te gaan: voor allen, zegt zeker schryver, stond zyn deur, voor alle zyn tafel, voor allen zyn dienst open, zelfs zonderde hy daarvan niet uit, die geenen, wier ouders, na hem tallooze ongelyken aangedaan te hebben, oorzaak van zyne gevangenis en ballingschap geweest waren.

Boven gaven wy te kennen dat de toestemming van het Fransche Hof om de Groot als Afgezant van Zweeden te ontvangen, eene soort van verontschuldiging voor dien edelen balling was; dien dit vreemd mogt voorkomen, uit aanmerking van het vonnis dat in zyn vaderland over hem was uitgesproken geworden, zal zig nog meer verwonderen over de volgende Verklaaring, welke in 1637, van wege de Heeren van Delft, in 't licht verscheen; dus luidende:

"Wy Schout, Burgemeesteren, Schepenen en Raaden der Stad Delft, certificeeren mits deezen voor de waarheid, dat voor ons gecompareerd zyn, de Heeren Joost van Adrichem, Burgemeester der voorschrevene Stad; Ewout van der Dussen, en, Mr. Cornelis van Beerestein, Oud Burgemeester, mitsgaders Mr. Johan Camerling, Raad-pensionaris derzelver Stad, de welken gezamentlyk, en elk in 't byzonder, ten verzoeke van den Heere Willem de Groot, Advocaat voor den Hove van Holland, van wege zynen broeder Hugo de Groot, thans Ambassadeur van haar Majesteit, en de kroon Zweeden, by zyne Majesteit van Frankryk, hebben verklaard en getuigd, by den eed by hem respectivelyk in hunne amten gedaan, dat zy comparanten, als gedeputeerden deezer stad, present zyn geweest, in de vergadering van de Ed. Gr. Mog. Heeren Staaten van Holland en Westfriesland, gehouden vóór Paasschen van den jaare 1632, en dat zylieden comparanten ten zelven tyde de Gedeputeerden der Stad Rotterdam, dewelken ter voorschreevene Vergaderinge, de voornoemde Stede Rotterdam waren representeerende, hebben hooren mondeling uit verklaaren, dat de voornoemde Hugo de Groot, ten tyde dat hy het Pensionarisschap, en 't Gecommitteerde Raadschap, der voorschrevene Stede was waarneemende, en naamlyk, in den jaare 1618, niet anders heeft geproponeerd, voorgedraagen, en gedaan had, dan 't geen was conform de resolutiën van zyne Meesters, de Heeren Regeerders van Rotterdam, en hem dien volgende belast was, daar het behoorde, voor te draagen, en de genomene resolutie te effectueeren, zonder dat hy buiten of tegen den last van voorschrevene zyne Meesters, zig zelven eenigzins heeft verloopen: daar by voegende, indien de voornoemde Hugo de Groot daarin misdaan heeft, zo hebben wy-luiden misdaan."

—De aanmerkingen die na het leezen van deeze Verklaaring, over de zamenhang der zaake van onzen Hugo, te maaken zyn, laaten wy aan den kundigen Leezer over.

Eene en andere omstandigheden begonnen hem nu een groot ongenoegen te geeven, en daartoe behoort het nalaatig weezen in 't betaalen van zyne jaarwedden, welke hy reeds van twee volle jaaren, dus ter somma van 40.000 guldens te vorderen had, behalven zyne groote verschotten: "Ik heb", schreef hy,

"al myn geld, dat ik met verkorting van myn jaarlyks inkomen, uit Holland heb doen overkomen, reeds uitgegeeven, en daarom penningen noodig: ik verzoek dat men my van de ongemakken en bekommeringen daar ik mede gedrukt worde verlosse; om groote zaaken te doen moet het hart van zorgen vry zyn; en 't is onmogelyk, als de byzondere zaaken niet wèl zyn gesteld, dat alles naar zyne behoorelyke waardigheid kan geschieden: 't is een hard lot voor een blinkende eernaam zo nadeelig een schatting te betaalen".

Zyne onvoorbeeldige Gemaalinne deed weder een reis haar Holland, om zyne achterstallen aldaar intevorderen, waarin zy ook gelukkiglyk slaagde, schoon haar aan den anderen kant het verdriet trof, dat, staande haar verblyf aldaar, de vader en zuster van haaren dierbaaren Hugo, den laatsten tol aan natuur betaalden, in welke omstandigheden haare tegenwoordigheid zeer wel te passe kwam.

Dat de Zweedsche Ambassade hem begon tegentestaan, blykt duidelyk uit zyn schryven, by gelegenheid van een verspreid gerucht, dat men in Zweeden genegen was hem te herroepen, en een ander in zyne plaats te, zenden: "De Ambassade", schreef hy,

"brengt my geen profyt in; ik heb eers genoeg ingelegd; en ben 'er zat van. Zo men my de minste occasie geeft, zal ik ligt een stille plaats vinden om myn leven in goede gedachten te eindigen, en de wereld, die ik meer en meer moede worde, te laaten woelen. Wat het Hof alhier aangaat, ik meen, dat ik hier in achting ben; maar datze liever een slechthoofd hier hadden, doch, gy kunt verzekerd zyn, dat ik 'er my in 't minst niet over bekommere".

Zyne gedachten op een stil afgezonderd leven, en op zyn' dood, moeten, van tyd tot tyd, gemeenzaamer by hem geworden zyn; want hy zond zynen broeder een tweeregelig versje, in de Latynsche taale geschreeven, met verzoek van hetzelve, als het Gode behaagde hem uit het leven opteontbieden, als zyn grafschrift, by zyne overige verzen, in die taale opgesteld, te voegen; dus vinden wy het vertolkt:

Dit is het graf van Huig de Groot,
Dien Holland in zyn kerker sloot;
En daaruit vrygeraakt, in ballingschap deed leeven,
o Magtig Zweeden! tot uw Ryksgezant verheven.

Het voorgemelde gerucht van zyn ontslag, werd eindelyk met 'er daad bevestigd; na den onvermoeiden Letterheld, nog eenige onaangenaamheden, over het uitgeeven van sommige zyner herssenvruchten getroffen hadden; na omtrent elf jaaren, aan het Fransche Hof, in den dienst van Zweeden doorgebragt te hebben, ontving hy eene eigenhandige missive van de Koninginne Christina, zyne Meesteresse, die nu den ouderdom van agttien jaaren bereikt had, dus meerderjaarig geworden was, en het bestuur over haar Ryk en Staaten aanvaard had: in deeze missive, gedateerd, 30 December, 1644, sprak de Vorstin onzen held aan, met den loflyken eernaam van, Edele en voortreffelyke persoon, overgegeeven aan onzen dienst! betuigende in het slot des briefs, dat hy zig ten vollen verzekerd konde houden, dat haare Majesteit ten hoogsten voldaan was over zyne diensten, welken hy de Kroon van Zweeden beweezen had; hem tevens verzekerende, dat, gelyk haare Majesteit dezelven niet uit haar geheugen zou laaten gaan, zy ook hem en zyne famille blyken zou geeven van 't gevoel haarer erkentenisse: in den brief aan zyne Majesteit den Koning van Frankryk, ter kennisgeevinge van dat opontbod, noemde zy onzen Held, de edele, voortreffelyke, onze geliefde Hugo Grotius.

Na eene en andere bedenkingen op het bevel zyner Meesteresse gemaakt te hebben, besloot hy eindelyk zig naar Zweeden te begeeven, en maakte ten dien einde de noodige schikkingen in zyne byzondere zaaken: ook was hy, staande die bezigheid, weder bedacht op zyn opontbod uit deeze wereld, naar het vaderland der ziele, want nog eer hy op reis ging, schreef hy zynen uitersten wille, welke dus luidde:

"Ik, Hugo de Groot, weetende dat wy zyn geboren om overtegaan tot een beter leven, wenscht dit tegenwoordige te eindigen in den Christelyken Godsdienst, gelyk ik denzelven heb uitgelegd in myne boeken, overeenkomende met de H. Schriftuur, en de Leeraars by de kerk goedgekeurd; God biddende, dat hy de Christenen wil verëenigen tot één kerk, onder eene heilige reformatie: en om te disponeeren van myne goederen, erkennende de groote trouw, en liefde voor onze kinderen, van Vrouwe Maria Reigersbergen, myne zeer geliefde Echtgenoote, zo bidde ik God, dat hy haar vergelde het goede, dat zy my beweezen heeft, en stelle dezelve tot myne universeele erfgenaame van alle myne goederen, tegenwoordige en toekomende, van hoedanige natuur en plaatse die zouden mogen zyn; en begeere, dat zy aan onze kinderen, by hun huwelyk, of anderzins, uitkeere, 't geen zy zal redelyk oordeelen: en indien één van myne kinderen niet mogte vergenoegd zyn met deeze myne dispositie, zo stel ik dien tot erfgenaam alleen, van zyne legitime portie, hem toerekenende al het geene hem naar de Wetten en Costumen kan toegerekend worden.

"Gedaan te Parys den 27 Maart, in 't jaar van onzen Zaligmaaker, 1645: getekend met myn hand, en gezegeld met het Signet van myn wapen; enz."

Te zonderling is het volgende geval, dat wy aangetekend vinden in 't verslag van het geen onze Hugo in Frankryk bejegend is, dan dat wy het onzen Leezers niet zouden mededeelen: liefst volgen wy hier den voorgemelden Dichter, Duim, die 't één van de Groot's volgjonkers, in deeze verzen doet verhaalen:

Mynheer, reed op een' tyd wat driftig van den Koning
Door zeker dorp, verzelt met Kroeze[10], naar zyn woning;
In 't Dorp men bezig was misdadigers, ten schrik
Van anderen, ter dood te brengen, door een' strik;
De mening was, men kwam de schellemen ontzetten,
En door 't gedruis van 't volk, zy op 't geroep niet letten,
Om op te ruimen voor den Zweedschen Afgezant,
Maar verr' van zulks te doen; men schoot van allen kant
Van achtren door de koets, digt langs zyn hoofd, naar vooren.
En trefte den koetzier; twee kogels kwamen boren
In 't lichaam, dus gegrieft, stierf korts hy van die wond.

Na dan alle noodige bestellingen verricht te hebben; ging hy t'scheep, achterlaatende zyne vrouw en dochter, vermits de eerstgemelde zig niet in staat bevond, om hem op zyne reis naar Zweeden te vergezellen, en de Geneesheeren haar geraaden hadden, ter herstellinge van haare Gezondheid, de wateren van Spa te gaan gebruiken.

Hy nam zyne reis door Holland, en te Rotterdam, zyne oude woonplaats, gekomen zynde, werd hy aldaar met groote toejuichingen en gunst der burgeren ontvangen; maar zyne vyanden, niet vergenoegd met de lasteringen en ongelyken, waarmede zy hem zo langen tyd geplaagd hadden, liepen by hunnen aanhang rond, en arbeidden, om wien ze konden aan hun snoer te krygen: "Heemel en aarde", zegt één zyner Levensbeschryveren, dien wy, met anderen, hier volgen.

"Heemel en aarde beweeghenden, om te beletten, dat de Staeten van Hollandt, juyst toen ter tydt vergaedert, toelieten, dat de Groot ongestraft door hunne Landen en Steeden synen wegh nam: maer 't weesen der saeken was verandert;"

voegt dees schryver er by:

"Seer veelen der genen, die in den jaere 1618 den staat der Republyke ontrust hadden, waeren nu overleden; eenighe der genen die in 't selfde jaar waeren geschopt uit hunne weerdigheeden, hadt de saghte gemaetightheid des Prinsen Frederyk Henrik; weeder tot hunne voorighe bedieninghe geroepen, en die nieuw in de Regeeringhe waeren gekoomen, gelykse in de partyschappen niet waeren gemenght geweest, soo ook des te meer bequaemheits hadden ze, om de waerheit t'onderscheyden. Dus is 't gebeurt, dat als de Heer Jacob Kats, toen ter tydt Raedtpensionaris der Staeten van Hollandt, ter vergaderinghe der gemelte staeten voordroegh, 't geen hem dienaangaande was voorgekoomen, haere Eed. Grootmooghende hem tot antwoordt gaeven, dat hy de menschen, welker vreese wat te verre gingh, van die ongegronde vreese ontslaen soude, dat sy souden sorghe draeghen dat de Republyk geen schaede quaeme te lyden."

Te Rotterdam vertoefde hy geen langen tyd, maar vertrok van daar naar Amsteldam, alwaar toen de Burgemeesterlyke waardigheid, bekleed werd, door de Heeren, Pieter Hasselaar, Andries Bikker, Gerbrand Pancras, en Willem Backer; het gedrag van deeze Heeren, daarin bestaande, dat zy, terstond na het verneemen van 's man aankomst in hunne stad, by hem gegaan zyn; hem alle goede diensten aangeboden; van stads wege ten maaltyde onthaald, en hem een schip tot zyne overtogt bezorgd hebben; dit gedrag, zeggen wy, doet den onpartydigen aanmerkingen maaken over het lot dat de beroemde Hugo, welëer, had moeten ondergaan; een lot, het welk hem in den rang der boosdoenders stelde: tog heeft zyne vlucht, of lange afweezigheid zyne vooronderstelde schuld niet kunnen uitwisschen; hy was niet veroordeeld tot eene ballingschap van zo veele jaaren; dan zou men hebben kunnen zeggen, dat het recht voldaan, en 's mans schuld uitgewischt was geworden; neen, hy had niet als balling maar als vluchteling gezworven; nu werd hy gehouden voor een voorwerp wel waardig de achting en bezorgdheid van mannen, die wy beschreeven vinden geweest te zyn, wyze en bescheidene mannen—maar, door welke mannen is de Groot dan gevonnisd geworden?—alles zy zo, jammer is het maar, dat de verleiding ten dien tyde zo groot geweest is, dat men zig tegen den grooten stroom niet heeft durven verzetten; want daardoor moet het nakomelingschap nog verwyting hooren, en vind daarin een medebron van het bittere leven dat hetzelve smaakt—de verwyters en pynigers zyn ondertusschen niet ervaaren in de kennis van het menschlyke hart; in de kennis der byzondere charakters van de voorvaderen des kroosts dat zy doen lyden, ook niet in de historie van den tyd van onzen Hugo.... maar het staat thans niet aan ons, daarover breedvoeriger te spreeken.

Zyn vertrek van Amsteldam naar Hamburg, werd, door tegenwind, vertraagd, 't welk de groote Vondel aangenaam genoeg was om Boreas daarvoor een dankdicht op te draagen, beginnende met deeze zoetvloeijende verzen, dien onvergelykelyken Prins der Nederlandsche Dichteren dubbeld waardig:

Noorden wint, die langs ons stroomen
Knaegt de bloessem op de boomen;
d'Opgeloken telgen schent;
Wiltzang steurt, en lieve lent,
En den Mai, die met zyn zonnen
Quam aanminnig aangeronnen;
Wintervogel, guur en schrael,
Steur den zoeten nachtegael;
Schen de bloemen in de hoven,
Met de lucht van geur bestoven;
Knaeg, en eet vry ongetoomt
Zoo veel bloesems op 't geboomt,
Dat vast jammert om genade:
't Is geen noot; want al die schade
Moet nu uit voor d'overbaet,
Die de wyze Magistraat
Rekent by uw schorre buien,
Die den adem van het zuien,
En den blaesbalg van het west,
Stuiten, keeren al hun best;
Zonder dat, gewis, wy zouden
Groote Huigen hier niet houden,
Noch festeeren in ons stad,
Nu verrykt door zulk een' schat,
Dien de verreziendste Heeren
En Gekroonden recht waardeeren.

Toen de beroemde Letterheld eindelyk vertrokken was, bragt dezelfde Dichter de volgende zinryke regels op het papier:

's Avonts daelt het Hemels wonder
Met zyn straelende aengezicht:
Maar de Groot, ons Hollands licht,
Gaet, helaes! hier 's morgens onder:
Hoe gelukkig, is de nacht
Die den dag uit hem verwacht!

Te Hamburg, alwaar hy, door tegenwind, eerst op den agtsten dag na zyn vertrek van Amsteldam aankwam, werd hy door de Regeering, mede met alle blyken van eerbied, ontvangen; hy reisde verder, over land, naar Lubek, alwaar hy even groote eere genoot; vandaar is hy gekomen te Wismar, alwaar de Graaf Wrangel, Opper-Admiraal van Zweeden, hem zeer prachtig ter maaltyd onthaalde; anderen zeggen dat de Admiraal, verwittigd van de aankomst van de Groot, met inzicht om naar Zweeden te vaaren, hem, in allerhaast, een oorlogschip, om zyne reize voordtezetten, heeft toegezonden.

Dit in allerhaast toezenden van een oorlogschip, door den Heer Wrangel, komt niet wel overëen met het geen wy leezen in een' brief van onzen de Groot, aan zynen broeder, hierin bestaande:

"Te Wismar, hebben wy elf dagen zeer ledig doorgebragt, om dat de Gezachhebber van dat gewest, de Heer Wrangel, de vloot niet durfde verdeelen, dewyl hy tyding had, dat de Deenen voorhadden de vloot in brand te steeken: hy meende dat ze toestel maakten om zulks gewapenderhand te doen; maar het was heel anders met de zaak gelegen, want hun toeleg was zulks door list te verrichten; doch men nam een' man in hechtenis, die, zo men zeide, van sommige Lubekkers omgekocht was, en eenige kisten met brandstoffen toebereid had, omze aan boord te zenden, welken, door eenige vuurwerken, op zekeren tyd, zouden aangaan".

—Door deeze "ontdekking", zegt een van 's mans levensbeschryveren,

"behaagde het de Voorzienigheid, hem, die eenmaal door een koffer of kist, zyne eeuwige gevangenis ontkomen was, wederom te redden uit het dreigende gevaar, waardoor het geschapen stond, dat hy, met vele anderen, door deeze springkoffers, jammerlyk zou zyn omgekomen:"

—wat van het een en ander zy, onze Held vertrok van Wismar naar Colmar, om naar Stokholm voordtereizen: de tyding van zyne nabyheid, deed de geleerde Christina[11], haar vertrek, van Upsal, alwaar zy zig bevond, naar Stokholm verhaasten, vermits zy reeds sedert een geruimen tyd eene vuurige begeerte gehad had om de Groot te zien: als met opene armen werd hy van de Vorstinne ontvangen: weinig tyds daarna, gaf hy haare Majesteit verslag en rekenschap van zyne verrichtingen, in hoedanigheid van haaren afgezant, over al het welke zy betuigde zeer voldaan te zyn; maar toen hy om zyn ontslag verzocht, kreeg hy geen voldoend antwoord, 't geen hem duidelyk deed begrypen, dat het de mening van haare Majesteit niet was, hem uit haar Ryk weder te laaten vertrekken: zy liet hem vervolgends weeten, dat zo hy zyn verblyf in Zweeden wilde neemen, en zyn huisgezin derwaards doen overkomen, zy hem met veel genegenheid in haaren dienst zoude houden, op eene jaarwedde overëenkomstig met zyne verdiensten; maar onze held verkoos niets minder dan dat; behalven dat hy begreep dat deeze genegenheid alleen genoeg was om de afgunst, welke hy, reeds terstond by zyne komst, in verscheidene ryksgrooten bespeurd had, nog meer gaande te maaken, behalven dat, zeggen wy, was het in 't geheel zyne verkiezing niet, zig nedertezetten, in een gewest des werelds, alwaar hy dagelyks niet minder met den aart der menschen, als met de strengheid der luchtsgesteltenis te kampen zou hebben; derhalven nam hy alle mogelyke gelegenheden waar om op zyn ontslag aantehouden, dat hem door Christina, eindelyk, ook toegestaan werd: de schrandere Vorstinne begreep duidelyk hoe bezwaarelyk het was, een gemoed dat noch door gierigheid, noch door staatzucht beheerscht werd, maar zig alleenlyk vergenoegde met zyne studiën en in den ommegang met geleerde lieden, te beweegen, een land te verlaaten waarin hy zo langen tyd geleefd had, en hetzelve te verwisselen voor een gewest der wereld, dat zelfs naauwlyks haar, die aldaar geboren en opgevoed was, ja die er het gebied voerde, kon behaagen: met dat alles toonde de groote Vorstinne dat zy over het besluit van haaren roemwaardigen Ambassadeur niet voldaan was, en liet hem zeggen, dat, indien zy gedacht had, dit genoegen niet van hem te zullen verkrygen, 't genoegen, naamlyk, van hem in haar Ryk te mogen houden, zy hem niet uit Frankryk herroepen zou hebben; evenwel bleef de Groot by zyn besluit maar kon geen vrygeleibrief van de Zweedsche Vorstinne erlangen, welke nalaatigheid, gelyk naderhand bleek, nergens aan toegeschreven moest worden, dan daaraan, dat eenige schoone geschenke, nog niet gereed waren: by verscheidene Schryvers vinden wy deeze stukken niet afzonderlyk genoemd; doch volgends den meergemelden Dichter Duim, hebben dezelven bestaan in keurelyk zilverwerk; want deeze doet de Vorstin dus tegen den grooten Hugo spreeken:

Ontfang, tot dankbaarheit, dees beurs met goude kroonen,
En uit genegenheid, dit beeltryk zilverwerk,
Op dat gy t' allen tydt, wen gy 't aanschouwt, bemerk',
't Genoegen, 't geen ik heb van uwen dienst ontfangen;
'k Wil, tot bekrachtinge, om uwen halze hangen,
Dees keten, waaraan is myn Beeltenis gestrikt.
Dit alles hebbe ik voor uw' dienst, u toegeschikt,
En uit genegenheit, gulhartig willen schenken,
Hier aan zult gy aan my, ten allen tyd gedenken.

De beurs waarvan in deeze verzen gesproken wordt, was gevuld ter waarde van 12000 Ryksdaalders, voorwaar geen gering geschenk, en dus zeer beantwoordende aan de grootheid van haar die gaf, en van hem dien gegeeven werd: de goudene keten waaraan het afbeeldzel van haare Majesteit hong, was drie dik; en by het schenken daarvan gebruikte de Vorstin eene omstandigheid, welke onzen Hugo zo zeer verëerde als ze aandoenlyk voor hem moet geweest zyn; zy deed naamlyk, dezelve eerst om haar eigen hals, en hong haar daarna om dien van de Groot, die dat alles beantwoordde, met de hartlykste betuigingen van dankbaarheid, en de ernstigste verzekering dat hy, werwaards zyn lot hem ook mogt voeren, nooit vergeeten zou, de hoogachting die hy verschuldigd was aan de uitmuntende verdiensten van haare Majesteit.

Na eindelyk hartlyk afscheid genomen te hebben vertrok hy, voorzien van eenen vrygeleibrief, die van den volgenden inhoud was:

"Wy Christina, door Gods genade, Koninginne enz. enz. aan allen die dezen tegenwoordigen zullen zien en leezen, doen te weeten, dat de edele, voortreffelyke, en onze zeer beminde Heer, Hugo Grotius, na in onzen naame de bediening bekleed te hebben van onzen gewoonen Ambassadeur by den Allerchristelyksten Koning, geduurende den tyd van meer dan tien jaaren, van ons alhier verkreegen heeft een gunstig afscheid: en ingevolge van dien, voorneemens zynde zig elders te begeeven, zo hebben wij, uit achting voor de treffelyke hoedanigheden, waarmede hy begaafd is, en zyne verdiensten jegens ons en ons Koningryk, uit zonderlinge gunst die wy hem toedraagen, en om het groot genoegen dat wy ontvangen hebben van zyne diensten aan ons beweezen, in zyne gemelde bediening, hem willen begunstigen, en zyn vertrek verzekeren, door deezen tegenwoordigen brieve van vrygelei."

"En derhalven verzoeken wy van de vriendschap, goedwilligheid, en genade van alle Mogendheden ter zee en te lande, van wat staat en aanzien die mogen zyn, en voornaamlyk de Koningen, Prinsen, vrye Republieken, en Steden, waardoor de reize zal mogen genomen worden, door gemelden Heer Grotius, voorheen onzen Ambassadeur in Frankryk, en tegenwoordig van ons ontslaagen, de zonderlinge gunst, om te gaan, keeren en komen, in Duitschland, Frankryk, de Nederlanden, of eenige andere plaatzen, daar 't hem behaagen zal naar toe te vertrekken, om hem, en zyn gevolg, met zyne dienaars en goederen, te laaten doortrekken, in alle vryheid, veiligheid, en zonder ophouden of beletzels, hoe dat zou mogen weezen: gelyk ook aan hem te bewyzen alle tekenen van goedwilligheid en vriendschap.

"Voords beveelen wy aan allen, die ons getrouwheid en onderdanigheid schuldig zyn, in hoedanigheid van Afgezanten, Krygsbevelhebbers, Admiraalen, Generaalen, Gouverneurs van de Provinciën, Vlooten, Steden, Vaartuigen en Havens, waardoor hy zal komen te reizen, met al het geene hem toebehoort, te gehoorzaamen aan dit ons bevel en ernstige wille, zig wel wachtende eenige verhindering te doen ofte laten doen aan gemelden Heere Grotius, op den weg dien hy zal neemen, het zy om wedertekeeren in Frankryk, 't zy om te vertrekken naar Duitschland, Nederland of andere plaatsen; maar veel meer, dat zy hem de behulpzaame hand zullen bieden, en helpen bevorderen in zyn oogmerk naar hun vermogen.

"Die bevonden zullen worden zig anders te gedraagen, zullen van onzent wege worden gestraft. Ter bevestiginge hiervan hebben wy dit doen verzegelen met ons Koninglyk zegel, en den tegenwoordigen getekend met onzen eigen hand: enz."

Schoon alles wat wy van die voortreffelyke Vorstinne, met betrekking tot onzen Held, gezegd hebben, genoegzaame blyken opgeeft van de hoogachting welke zy voor 's mans gaêdelooze talenten had, kunnen wy echter niet nalaaten nog daarby te voegen den volgenden brief, door haare Majesteit, na den dood van haaren geliefden Hugo, aan deszelfs Weduwe geschreeven: dus luidt dezelve: