XXXII.

Vrije gedachten.

Ibarra was bijna klaar, toen een bediende kwam zeggen, dat er een landbouwer was die hem te spreken vroeg.

Veronderstellende dat het een van zijn werklieden was, beval hij hem binnen te laten in het kantoor of studeerkamer, tegelijk, bibliotheek en scheikundig laboratorium.

Doch tot zijn verbazing zag hij de strenge en geheimzinnige gedaante van Elias voor zich staan.

“U heeft mijn leven gered”, zeide deze in de landstaal, Ibarra’s houding begrijpende. “Ik heb u mijn schuld voor de helft betaald, en u heeft me voor niets te danken. Integendeel. Ik ben hier, om u om een gunst te vragen...”

“Zeg op!” antwoordde de jongeman in dezelfde taal, verrast door den toon van ernst van den landbouwer.

Elias keek Ibarra enkele oogenblikken strak aan, en hervatte:

“Wanneer ’t gerecht dit geheimzinnige geval tot klaarheid wil brengen, verzoek ik u dat u niemand iets zegt van de waarschuwing, die ik u in de kerk gegeven heb.”

Maakt u niet ongerust”, antwoordde de jongeman eenigszins ontstemd. “Ik weet dat u vervolgd wordt, maar ik hoû niet van aanbrengerij.”

“O, ’t is niet om mij, ’t is niet om mij!” riep Elias ietwat levendig en fier. “’t Is om u. Ik vrees niets van de menschen.”

De verbazing van Ibarra nam toe: de toon waarop de landbouwer—de vroegere loods—sprak was nieuw en scheen niet in overeenstemming met zijn maatschappelijken staat noch met zijn geldelijke omstandigheden.

“Wat wilt u zeggen?” vroeg hij, terwijl hij den geheimzinnigen man verwonderd aankeek.

“Ik spreek niet in raadselen. Ik tracht me duidelijk uit te drukken. In ’t belang van uw veiligheid is ’t noodig dat uw vijanden gelooven, dat u onvoorbereid en geheel te goeder trouw is geweest.”

Ibarra schrok.

“Mijn vijanden? Heb ik dan vijanden?”

“Die hebben we allemaal, meneer, van ’t kleinste insekt tot den mensch toe, van den armste tot den rijkste en machtigste! Vijandschap is de wet van ’t leven!”

Ibarra keek Elias een oogenblik zwijgend aan.

“U bent geen loods en geen landbouwer!...” mompelde hij.

“U heeft vijanden onder de hoogen en onder de lagen”, ging Elias voort, zonder op de woorden van den jongen man acht te slaan. “U beoogt iets grootsch, u heeft een verleden, uw vader en uw grootvader hebben vijanden gehad, omdat ze hartstochten hebben gehad, en in ’t leven zijn ’t niet de misdadigers, die den meesten haat opwekken, maar mannen van eer.”

“Kent u mijn vijanden?”

Elias antwoordde niet dadelijk, dacht even na.

“Een heb ik er gekend, die doodgegaan is,” antwoordde hij.

“Gisteren avond ontdekte ik, dat hij iets in ’t schild voerde tegen u, doordat ik eenige woorden opving, die hij met een onbekende wisselde, die in de menigte verdween. ‘Die zal niet door de visschen opgegeten worden, zooals zijn vader: dat zal je morgen ’s zien’, zei hij. Die woorden trokken mijn aandacht, niet alleen om de beteekenis, maar ook om hem die ze uitsprak; want de man had zich al eenige dagen geleden aangeboden bij den baas van ’t werk, met het uitdrukkelijke verlangen om de werkzaamheden te leiden bij ’t neerlaten van den steen. Hij vroeg daarvoor geen groot loon en gaf hoog op van zijn bekwaamheden. Ik had geen reden genoeg om aan kwaadwilligheid te gelooven, maar iets in me zeide me, dat mijn vermoedens juist waren, en daarom koos ik, om u te waarschuwen, een oogenblik en een gelegenheid van dien aard, dat u me geen vragen kon doen. Het overige heeft u bijgewoond.”

Reeds een heele poos had Elias gezwegen, en Ibarra nog steeds geen enkel woord geantwoord. Hij was in gedachten verzonken.

“’t Spijt me dat die man dood is gegaan!” hervatte hij eindelijk. “We hadden van hem wel iets meer van de zaak kunnen hooren!”

“Als hij was blijven leven, zou hij ontsnapt zijn aan de onzekere hand van de blinde menschelijke gerechtigheid. God heeft hem gevonnist, God heeft hem gedood, laat God zijn eenige rechter wezen!”

Crisóstomo keek den man, die zoo tot hem sprak, een oogenblik aan, en zijn gespierde armen ziende, die vol striemen en groote blauwe vlekken waren, zeide hij lachend:

“Gelooft u ook aan ’t wonder? Daar heb je nu ’t wonder waarvan ’t volk spreekt!”

“Als ik aan wonderen geloofde, zou ik niet aan God gelooven; dan zou ik aan een tot God verheven mensch gelooven, dan zou ik inderdaad gelooven, dat de mensch God naar zijn beeld en gelijkenis had geschapen,” antwoordde hij hoog ernstig; maar ik geloof in Hem. Ik heb meer dan eens zijn hand gevoeld. Toen alles in elkaar stortte en al wat er op de plek stond dreigde te vernielen, heb ik, ik, den misdadiger vastgehouden. Ik ben naast hem gaan staan: hij werd getroffen, en ik kwam vrij.

U? Dus u?”...

“Ja! Ik heb hem vastgehouden toen hij ontsnappen wou, nadat hij aan zijn duivels werk begonnen was: ik zag zijn misdaad. Ik zeg u: laat God de eenige rechter onder menschen wezen, laat hij de eenige zijn, die recht heeft over het leven. Laat ’n mensch er nooit aan denken hem te vervangen!”

“En toch heeft u dezen keer...”

“Nee!” viel Elias in, de tegenwerping gissende.

“Dat ’s niet hetzelfde. Wanneer een mensch anderen ter dood veroordeelt of voor altijd hun toekomst verwoest, doet hij dat vrijuit en beschikt daarbij over de kracht van andere menschen, om zijn vonnissen uit te voeren, die per slot van rekening wel even zooveel vergissingen of misslagen kunnen wezen. Maar ik heb, toen ik den misdadiger aan ’t zelfde gevaar blootstelde dat hij voor anderen beoogd had, dezelfde kwade kansen geloopen. Ik heb hem niet gedood, ik heb Gods hand hem laten dooden.”

“Gelooft u niet aan toeval?”

“Aan ’t toeval gelooven, is net hetzelfde als te gelooven aan wonderen: beide dingen veronderstellen dat God de toekomst niet kent. Wat is ’n wonder? Een tegenstrijdigheid, een storing in de natuurwetten. Niet voorzien en tegenstrijdig zijn, beteekenen twee groote gebreken in ’t verstand, dat de wereldmachine bestuurt.”

“Wie bent u?” vroeg Ibarra nogmaals, met zekere vrees. Heeft u gestudeerd?”

“Ik heb heel veel in God moeten gelooven, omdat ik mijn geloof in de menschen verloren heb, antwoordde de ander, de vraag ontwijkend.

Ibarra meende den vervolgden jongen man te begrijpen.

Elias loochende de menschelijke gerechtigheid, hij ontzegde den mensch het recht om over zijn gelijken te oordeelen, kwam op tegen de macht en de meerderheid van sommige standen boven de andere.

“Hoe dan ook, u moet toch de noodzakelijkheid van het menschelijk recht aannemen, al is ’t gebrekkig”, gaf Ibarra terug. Hoeveel dienaren God op aarde ook heeft, Hij doet zijn uitspraken niet duidelijk genoeg, om al de millioenen strijdpunten uit te maken, die onze hartstochten opwekken. ’t Is noodig, ’t is noodzakelijk, ’t is rechtvaardig, dat de mensch soms over zijn naasten oordeel velt!”

“Jawel, om ’t goede te doen, niet het kwaad, om te verbeteren, niet om te vernietigen, want, als zijn uitspraken falen, heeft hij de macht niet om het kwaad te herstellen, dat hij aangericht heeft. Maar,” liet hij volgen, terwijl hij van toon veranderde, “deze discussie gaat boven mijn krachten, en ik houd u maar op: u wordt zeker gewacht. Vergeet u niet wat ik u zoo even gezegd heb: u heeft vijanden. Bewaar uzelf voor ’t welzijn van uw land.”

En hij nam afscheid.

“Wanneer zie ik u terug?” vroeg Ibarra.

“Altijd, wanneer u maar wilt, en de keeren dat ik u van dienst kan zijn. Ik ben nog uw schuldenaar!”

XXXIII.

De maaltijd.

Ginds in de versierde feesttent zaten de groote mannen van de provincie aan den maaltijd.

De alcalde zat aan ’t eene uiteinde der tafel, Ibarra aan ’t andere. Rechts van den jongen man bevond zich Maria Clara, en aan zijn linkerzijde de notaris. Capitán Tiago, de alférez, de burgemeester, de monniken, de beambten en de enkele jonge dames die gebleven waren, zaten niet naar rang, maar naar eigen verkiezing.

Het feestmaal was nogal opgewekt en vroolijk, doch toen ’t in vollen gang was, kwam er een telegraafbode op Capitán Tiago af, met een voor hem bestemd bericht. Natuurlijk vroeg deze verlof, het te mogen lezen, en even natuurlijk verzocht iedereen hem, het te willen doen.

Onze waardige Capitán fronst eerst de wenkbrauwen, dan trekt hij ze op. Zijn gelaat verbleekt, klaart op, en haastig het papier weer opvouwend, staat hij van tafel op, en zegt gejaagd:

“Dames en heeren, Zijne Excellentie de Gouverneur komt van avond mijn huis met een bezoek vereeren!

En meteen zet hij ’t op een loopen, telegram en servet in de hand, maar zonder hoed, bestormd door achterna gezonden uitroepen en vragen.

De tijding dat de toelisan’s of roovers gekomen waren, zou stellig niet meer opschudding verwekt hebben.

“Hoort u ’s even!” Wanneer komt hij?” “Vertelt u ons toch ’s! Z’n Excellentie!”

Capitán Tiago was al weg.

“Zijne Excellentie komt en gaat logeeren bij Capitán Tiago!” riepen er enkelen, er niet aan denkende, dat daar zijn dochter en zijn aanstaande schoonzoon mee aanzaten.

“Hij kon geen betere keus doen!” antwoordde deze laatste.

De monniken keken elkaar aan. De blik wilde zeggen:

“De Capitán-General doet weer een van zijn dwaasheden: hij beleedigt ons.” Doch ze zwegen allen.

“Ik heb er gisteren al van gehoord”, zeide de alcalde, maar toen was Zijne Excellentie nog niet vast besloten.”

“Weet u wellicht, meneer de alcalde, hoeveel tijd de Gouverneur hier denkt te blijven?” vroeg de alférez ongerust.

“Met stelligheid niet, Zijne Excellentie houdt van verrassingen.”

“Daar komen nog meer telegrammen!”

Deze waren voor den alcalde, den alférez en den burgemeester en bevatten hetzelfde bericht. De geestelijken merkten goed op, dat geen enkel telegram aan den pastoor gericht was.

“Zijne Excellentie zal hier om vier uren in den namiddag aankomen, heeren en dames!” zei de alcalde plechtig.

“We kunnen rustig ons maal beëindigen!”

Het gesprek hervatte zijn gewonen loop.

“Merkwaardig dat onze groote prediker afwezig is!” zeide schuchter een van de beambten, een mak uitziend man, die zijn mond niet opengedaan had, voor ’t oogenblik dat het eten begon, en die nu voor ’t eerst op dien dag sprak.

Allen die de geschiedenis van Crisóstomo’s vader kenden, maakten een gebaar of gaven een knipoogje alsof ze zeggen wilden: “Och loop, ’t eerste wat je zegt is een onhandigheid!”

Doch een der aanzittenden antwoordde snaaks:

“Hij moet wel een beetje moe zijn...”

“Wat, een beetje?” riep de alférez, “bekaf moet hij wezen, afgejakkerd. Asjeblieft, dat was een preek!”

“Een pracht, een reuzen-preek!” zei de notaris.

“Heerlijk, diepzinnig!” voegde de correspondent eraan toe.

“Om zooveel te kunnen spreken, moet men longen hebben zooals hij”, merkte Padre Manuel Martin op.

De Augustijner erkende alleen de kracht van zijn longen.

“En zijn gemakkelijkheid van zich uit te drukken,” liet Padre Salvi volgen.

“Weten de heeren wel dat meneer Ibarra de beste kok in de heele provincie heeft?” zeide de alcalde om ’t gesprek een andere wending te geven.

“Dat heb ik ook al gezegd, maar zijn schoone buurvrouw doet de tafel geen eer aan, want ze eet bijna niets,” gaf een der beambten ten antwoord.

Maria Clara kleurde.

“Meneer, u bent wel vriendelijk... U moet op mijn persoontje maar niet letten,” stamelde zij verlegen, “maar...”

“Door uw aanwezigheid hier alleen doet u de tafel al genoeg eer aan,” kwam de hoffelijke alcalde haar te hulp.

“Meneer de pastoor,” vervolgde hij luider, “ik merk op dat uw hoogeerwaarde den heelen dag stil en in gedachten is...”

“Meneer de alcalde is een ontzagwekkende opmerker!” riep Padre Sibyla op bijzonderen toon.

“Dat ben ik zoo gewoon,” stamelde de Franciskaan, “ik hou meer van luisteren dan van spreken.”

“Uw hoogeerwaarde is er altijd op uit, om te winnen en niet te verliezen!” zei de alférez schertsend.

Padre Salvi nam ’t echter niet als scherts op; zijn blik schitterde even toen hij teruggaf:

Meneer de alférez zal wel weten dat ik ’t niet ben die dezer dagen wint of verliest!”

De alférez lachte gedwongen en deed alsof hij de steek niet gevoeld had.

In de andere feesttent aten de kinderen, voorgezeten door hun onderwijzer. Voor Filippijnsche kleinen maakten ze nogal gedruisch, want in den regel zijn dezen aan tafel en in tegenwoordigheid van vreemden eer schuchter dan ongedwongen. Degeen die zich vergiste met het gebruik van ’t eetgereedschap, kreeg een terechtwijzing van zijn buurman. Daaruit ontstond een woordenwisseling en beiden vonden aanhangers: sommigen beweerden dat de lepel, anderen dat de vork of het mes moest gebruikt worden. En daar zij niemand als bevoegd in deze zaak beschouwden, kwam het niet tot een oplossing.

De ouders gaven elkaar knipoogjes of elleboog-stootjes of andere teekens, en aan hun lach kon men zien, dat ze in hun schik waren.

“Stellig,” zei een boerin tot een oude man, die bezig was zijn sirihpruimpje klaar te maken, “al is ’t ook dat mijn man ’t niet hebben wil, mijn Andoy wordt toch priester. We zijn wel arm, maar we zullen wel werken, en, als ’t noodig mocht wezen, zullen we bedelen. Er zijn altijd menschen te vinden, die er geld voor over hebben, om een arme te helpen priester te worden. Zegt broeder Mateo niet—en die liegt niet—dat Paus Sixtus karbouwenhoeder in Batangas geweest was? Nou, kijk maar ’s naar mijn Andoy, en zeg me dan, of hij niet al ’t gezicht van den heiligen Vincent heeft!”

En de goede moeder glom van trots, toen ze zag dat haar zoontje zijn vork met beide handen vasthield.

“God geve ’t!” antwoordt de oude man, zijn sirih kauwend. “Als Andoy nog ’s paus wordt, gaan we naar Rome. He, he!”

“Wees maar niet ongerust, grootvader! Andoy zal ’t niet vergeten, dat u hem rotan-manden en dikin-mandjes heeft leeren vlechten.”

“Je heb gelijk, Petra, ik geloof ook dat je zoon nog ’s iets groots wordt, op z’n minst aartsvader. Ik heb nog nooit iemand gezien die zoo gauw ’t handwerk geleerd heeft! Zeker, hij zal wel aan me denken wanneer hij als paus of bisschop manden voor zijn keukenmeid moet maken. Hij zal stellig missen voor mijn ziel lezen, he, he!”

En ons oudje vulde zijn kalikoet of sirihzakje tot den rand.

“Als God mijn gebeden verhoort en mijn wensch vervuld wordt, zal ik Andoy zeggen: ‘Vent, ontdoe ons van al onze zonden, zend ons naar den hemel. Dan hoeven we niet meer te bidden of te vasten of aflaten te koopen. Wie een zoon heeft die Zijne Heiligheid de Paus zelf is, die mag vrij zondigen!’

“Zend hem morgen naar mijn huis, Petra,” zeide de oude man vol geestdrift, “ik zal hem leeren nitô-vlechtwerk te maken.”

“Och wat! Wat denkt u wel, grootvader? Denkt u dat een pastoor nog zijn handen verroert? De pastoor, zeg ik je, die niets meer is dan pastoor, die werkt alleen bij de mis... wanneer hij zich omkeert! De aartsbisschop draait zich zelfs niet meer om, die leest de mis zittende. Dus de Paus...wel, de Paus leest de mis in zijn bed, met een waaier in de hand!... wat verbeeldde u zich wel?”

“’t Is toch niet kwaad, Petra, dat hij leert, hoe je met nitô werkt. Dan kan hij salákot’s (hoeden) en sigarenkokers verkoopen, hoeft niet te bedelen, zooals de pastoor dat hier ieder jaar voor den Paus doet. Ik krijg medelijden, als ik denk aan zoo’n armen heilige, en dan geef ik altijd wat ik gespaard heb.”

“Ik ben al besloten, buurvrouw, mijn zoon moet dokter worden. Niks beter dan dokter!”

“Dokter! Zwijg toch, buurman,” antwoordde Petra.

“Er gaat niks boven pastoor!”

“Pastoor! Larie! Pastoor? Een dokter verdient veel geld, de zieken vereeren hem, buurvrouw!”

“Met je welnemen! De pastoor draait zich alleen maar drie of vier keer om, zegt: ‘déminos pabiskoem,’ eet onze Lieve Heer en krijgt geld. Alle menschen, zelfs de vrouwen vertellen hem hun geheimen!”

“En een dokter? Wat denkt u dan wel dat een dokter is? Een dokter ziet alles wat jullie vrouwen mankeeren. Hij voelt de pols van de jonge meisjes...

Ik wou dat ik maar ’s een enkel weekje dokter was.”

“En de pastoor dan? Ziet de pastoor soms ook niet wat zoo’n dokter ziet? Nou, nog beter hoor! U kent het spreekwoord wel: ‘vette kip en rond been voor den pastoor.’

“Wat zou dat? Eten de dokters dan soms gedroogde visch?

Die hebben zeker te klagen?”

“Nee, maar de pastoor maakt zijn handen ten minste niet vuil, zooals zoo’n dokter. En dan heeft hij groote landerijen, en wanneer hij werkt, dan doet hij ’t met muziek en de kosters helpen hem erbij.”

“En de biecht afnemen, buurvrouw? Noem je dat geen werken?”

“Nou, dat ’s ook een werk! Al moest je de heele wereld de biecht afnemen! Dat is zeker sloven en zwoegen, na te gaan wat mannen en vrouwen doen, wat je buren doen! De pastoor gaat alleen maar zitten en dan vertellen ze hem alles. Soms valt hij in slaap. Hij steekt een paar zegeningen af, en klaar is Kees: we zijn weer Gods kinderen! Ik wou dat ik ’s pastoor was op een middag in den vasten tijd!”

“En ’t... ’t preeken dan? Is dat dan soms geen werk? Nou, dan moest u maar ’s opgelet hebben, hoe de ‘groote pastoor’ van ochtend zweette,” bracht de man ertegen in, die voelde dat hij grond verloor.

“Preeken? Preeken een werk? Hoe komt ’t bij u op? Ik woû dat ik maar ’s een halven dag achtereen op de katheder mocht staan, om niets anders te doen dan iedereen uit te vegen en de ooren te wasschen, zonder dat iemand een woord terug durft te zeggen, en dat ze me daar ook nog voor betaalden! Nou, ik wou dat ik ’s pastoor mocht wezen, een morgen maar, wanneer de lui die me geld schuldig zijn de mis bijwonen! Let maar ’s op, daar, hoe dik Padre Dámaso wordt van al zijn standjes geven en ranselen!”

Inderdaad, daar kwam Padre Dámaso aanstappen met den waggelgang van een zwaarlijvig mensch, half lachend, maar op zulk een boosaardige wijze, dat Ibarra, toen hij hem zag, den draad van zijn toespraak kwijt raakte.

De pater werd, schoon met eenige verwondering, door iedereen met teekenen van vreugde begroet, behalve door Ibarra. Men was reeds aan de nagerechten en de champagne schuimde in de kelken.

Padre Dámaso’s glimlach werd zenuwachtig, toen hij zag, dat Maria Clara naast Crisóstomo zat. Doch, een stoel nemende naast dien van den alcalde, vroeg hij te midden van een beteekenisvolle stilte:

“Spraken de dames en heeren over iets? Gaat u dan voort.”

“We waren aan de toasten,” antwoordde de alcalde. “Meneer Ibarra was juist bezig allen te bedanken die hem in zijn menschlievend werk ter zijde gestaan hadden, en hij sprak over den bouwmeester, toen uwe hoogeerwaarde...”

“Och, ik heb geen verstand van bouwkunde,” viel de pater in de rede, “maar ik lach wat om architekten en om de ezels die ze noodig hebben. Kijk daar die kerk, daar heb ik ’t plan voor geteekend, en die is uitstekend gebouwd: dat heeft een Engelsche juwelier nog gezegd, toen hij ’s op een dag in ’t ‘klooster’ bij me logeerde. Om zoo’n plan te maken heb je aan een minimum hersens genoeg!”

“Maar,” hervatte de alcalde, die zag dat Ibarra zweeg, “u zult toch toegeven dat voor zekere gebouwen, bijvoorbeeld zoo’n school, wel een deskundige noodig is!”

“Och wat, larie!” riep Padre Dámaso spottend, “wie een deskundige voor zoo iets noodig heeft, is een snertkundige!

Daar moet je toch waarlijk botter voor wezen dan de inlanders—die bouwen hun eigen huizen—om niet vier van die muren te kunnen opzetten en daar een deksel op te maken; want wat is zoo’n school anders?”

Allen keken naar Ibarra, doch deze ging voort met Maria Clara te praten, ofschoon hij bleek werd.

“Maar uwe hoogeerwaarde moet toch in aanmerking nemen ...”

Doch de Franciskaner liet den alcalde niet aan ’t woord. “U weet toch zeker wel,” ging hij voort, “dat een leekebroeder van ons, de domste dien we hebben, een goed, mooi en goedkoop gasthuis heeft gebouwd. Hij liet flink werken en betaalde niet meer dan acht ‘cuarto’s’ per dag, zelfs aan de menschen die van andere dorpen moesten komen. Die kon er mee omgaan, die deed niet als sommige ‘halve garen’ en sinjo’s, die het werkvolk bederven door hun drie of vier ‘real’ loon te geven”.1

“Zegt uw weleerwaarde dat hij maar acht cuarto’s betaalde? Onmogelijk!” zeide de alcalde, om het gesprek een andere wending te geven.

“Ja, meneer, en zoo moest iedereen doen die zich voor goed Spanjaard uitgeeft. Och, ’t is duidelijk: sinds het Suez-kanaal geopend is, is er hier de klad in gekomen. In vroeger tijd, toen we de Kaap moesten omvaren, kwam er hier niet zooveel tuig, en gingen er ook niet zooveel naar Europa, om als tuig terug te komen!”

“Maar Padre Dámaso!”

“U weet heel goed, hoe de inlander is: als hij maar even wat gestudeerd heeft, hangt hij de geleerde uit. Al die snotjongens die tegenwoordig naar Europa gaan...”

“Maar luister nu toch ’s even, weleerwaarde!” viel de alcalde in, die ongerust begon te worden over ’t aanvallend karakter dier woorden.

“Ze eindigen allemaal zooals ze ’t verdienen”, ging de monnik voort: “de hand Gods is erin te bespeuren; je zou blind moeten wezen, om ’t niet te zien. De ouders van zulk ‘vee’ krijgen in dit leven de kastijding al... die crepeeren in de gevangenis, ha, ha! net als...”

Doch hij bracht zijn zin niet ten einde. Ibarra—die lijkbleek was geworden—had hem met den blik gevolgd. Toen hij de toespeling op zijn vader hoorde, sprong hij op en liet zijn stoere vuist neerkomen op ’t hoofd van den priester, die als bedwelmd achterover viel.

Vol verbazing en schrik dorst niemand tusschen beiden komen.

“Laat me begaan!” riep de jonge man met een vreeselijke stem, en hij strekte zijn hand uit naar een scherp mes, terwijl hij met zijn eene voet op de keel van den pater stond. Deze was inmiddels van zijn verbijstering hersteld. “Die niet dood wil, moet me laten begaan!”

Ibarra was buiten zich zelve: zijn lichaam beefde, zijn oogen bewogen zich dreigend in hun kassen. Fray Dámaso deed een geweldige poging om op te staan, die bijna slaagde, maar de ander greep hem bij zijn keel en duwde hem in elkaar op zijn knieën.

“Meneer Ibarra! Meneer Ibarra!” stamelden enkelen.

Maar niemand, zelfs niet de alférez, waagde het om naderbij te komen. Men zag ’t mes flikkeren en dacht aan de kracht en den gemoedstoestand van den jongeman. Allen voelden zich als verlamd.

“Jullie daar, jullie hebben je mond gehouden, nu neem ik ’t op me. Ik heb gedaan wat ik kon om ’t te vermijden. God heeft ’t zoo gewild, laat God beslissen!”

De jongeman ademde zwaar, maar bleef met ijzeren greep den Franciskaan neerdrukken. Tevergeefs wrong en worstelde deze om los te komen.

“Mijn geweten is volkomen rustig, ik voel niet de minste weifeling...

En om zich heen kijkende, voegde hij eraan toe: “Eerst dit: Is er onder u soms iemand die zijn vader niet liefgehad heeft, die alleen haat voelt, als hij aan hem denkt, iemand die misschien geboren is in schande en vernedering?... Nu? Hoor je, iedereen zwijgt. Zeg, priester van een God van vrede, die altijd den mond vol heeft van heiligheid en godsvrucht, en je hart vol afschuwelijkheid, jij hebt zeker nooit beseft wat een vader is... anders zou je aan den jouwe gedacht hebben! Zie je? onder die menschen daar, die jij minacht, is er geen een zooals jij. Je bent geoordeeld.”

De andere aanwezigen, denkende dat hij een moord zou begaan, kwamen in beroering.

“Laat me begaan,” schreeuwde Ibarra nogmaals met dreigende stem. “Wat? Is er iemand soms bang dat ik mijn handen zal bevuilen met onrein bloed? Heb ik dan niet gezegd dat mijn geweten volkomen rustig was? Laat ons begaan! Luistert, priesters, rechters, jullie die jezelf voor een ander soort menschen houdt, met andere rechten! Mijn vader was een man van eer. Vraagt ’t gerust aan ’t volk hier: dat houdt zijn nagedachtenis hoog. Mijn vader was een goed burger: hij heeft zich voor mij en ’t welzijn van zijn land opgeofferd. Zijn huis stond open voor een ieder, aan zijn tafel was plaats voor iederen vreemdeling of verschoppeling, die in zijn ellende bij hem om hulp kwam! Hij wat een goed christen: hij heeft altijd ’t goede gedaan, en nooit zwakken onderdrukt of ongelukkigen gekweld... Voor deze man heeft hij zijn huis ook opengezet, hij heeft hem aan zijn tafel gehad, hij heeft hem zijn vriend genoemd. Hoe is hij daarvoor beloond? De man heeft hem belasterd, vervolgd, heeft domme menschen tegen hem opgezet door misbruik te maken van zijn heilig ambt. Hij heeft zijn graf geschonden, zijn nagedachtenis gehoond en hem zelfs in zijn doodsrust vervolgd. En omdat hij daar niet mee tevreden is vervolgt hij nu den zoon! Ik heb hem ontweken, ik heb hem vermeden waar ik kon... U hebt hem van morgen den preekstoel hooren verontheiligen door mij aan ’t dweepzieke volk als ’t ware met den vinger aan te wijzen. Ik heb gezwegen. Nu komt hij hier, om twist met me te zoeken. Ik heb eerst in stilte geleden, tot uw verwondering, nietwaar? Maar hij heeft nu weer een nagedachtenis beleedigd, die aan iedereen, die zich een goed zoon voelt, heilig is... U aanwezigen, priesters, rechters, heeft een van u zijn oude vader zijn nachtrust zien opofferen, om voor u te werken, hem van u zien scheiden voor uw welzijn, sterven van verdriet in de gevangenis, smachtend om u te mogen omhelzen, zoekend naar iemand die troosten kon, alleen, ziek en ellendig, terwijl u verweg in ’t buitenland waart?... Hebt u later zijn naam hooren smaden, hebt u ook zijn graf leeg gevonden, toen u er wilde bidden? Niet? Zwijgt iedereen? Dan veroordeelt u hem!”

Hij hief het mes op, maar een jong meisje liep ijlings op hem toe en hield met haar teedere handen zijn arm tegen. ’t Was Maria Clara.

Ibarra keek haar aan alsof hij krankzinnig was geworden. Langzamerhand verslapte de krampgreep van zijn vingers en liet hij ’t lichaam van den monnik los. ’t Mes ontgleed hem. En ’t gelaat met beide handen bedekkend, liep hij door de menigte heen, hard weg.

Spoedig was het gebeurde in ’t dorp bekend. In den beginne wilde niemand ’t gelooven, doch toen men voor de bewijzen zwichten moest, uitte een ieder luide zijn verbazing.

Ieder maakte zijn opmerkingen, al naar den graad van zijn zedelijk peil.

“Padre Dámaso is dood!” zeiden er sommigen. “Toen ze hem van den grond opnamen, was zijn gezicht vol bloed. En hij haalde geen adem meer.”

“Laat hem in vrede rusten, maar hij heeft niets dan zijn verdiende loon!” riep een jongmensch uit. “Als je ’s wist wat hij van morgen in ’t klooster gedaan heeft... ’t Is niet om te zeggen.”

“Wat heeft hij gedaan? Heeft hij de coadjutor weer een pak ransel gegeven?”

“Wat heeft hij toch gedaan? Kom, vertel ’t ons.”

“Hebt u van ochtend een Spaansche sinjo gedurende de preek door de sakristie de kerk uit zien gaan?”

“Zeker, zeker, dat hebben we gezien. Padre Dámaso keek er nog erg naar.”

“Nu goed...na de preek heeft hij hem bij zich laten komen, en hem gevraagd waarom hij heen was gegaan. Ik versta geen Tagaalsch, pater’ zei hij. ‘En waarom heb je ermee gespot en gezegd dat het Grieksch was?’ Dat schreeuwde hij hem in zijn gezicht, en gaf hem meteen een oorvijg. Het jongmensch sloeg terug, en zoo werd ’t een formeele vechtpartij, totdat ze door andere menschen werden gescheiden.”

“Dat moest mij ’s overkomen”... mompelde een student binnensmonds.

“Ik keur ’t optreden van den Franciskaan af,” antwoordde een ander, want godsdienst is iets dat men niemand als straf of boete af moet dwingen. Maar ik ben er bijna blij om, want ik ken dat jongemensch. Ik weet dat hij van San Pedro Makati komt, en goed Tagaalsch spreekt. Tegenwoordig wil hij graag doorgaan voor iemand die zoo kersversch uit Rusland is gekomen. En nu meent hij voornaam te doen door de taal van zijn ouders te verloochenen.

“Dan is ’t maar goed ook dat hij ‘op zijn ziel’ gehad heeft!”

“En toch moeten we tegen ’t gebeurde opkomen,” riep een andere student uit. “Als we ons stilhielden, zou ’t net zijn alsof we ’t goed vonden, en dan kon ’t zelfde een van ons even zoo overkomen. We gaan weer naar de tijden van Nero terug!”

“Je vergist je!” gaf een ander te kennen, “Nero was een groot kunstenaar, en onze pater Dámaso preekt allerberoerdst!”

De commentaren der oudere menschen waren anders.

Terwijl men in een huisje buiten het dorp op de komst van den gouverneur—Capitán Generaal—wachtte, zeide de burgemeester:

“’t Is niet makkelijk te zeggen, wie er gelijk heeft, en wie ongelijk. Maar, als meneer Ibarra een beetje meer de voorzichtigheid had betracht...”

“Als Padre Dámaso de helft van meneer Ibarra’s voorzichtigheid had gehad, wilt u misschien zeggen?” viel Don Filipo in. ’t Kwaje is, dat ze de rollen verwisseld hebben: de jonge man heeft gehandeld als een oud bezadigd man, de oude als een onbesuisd jongmensch.”

“En u zegt dat niemand zich verroerde, dat er niemand tusschenbeide is gekomen, behalve dan de dochter van Capitán Tiago?” vroeg Capitán Martin.

“Geen enkele van de frailes, en de alcalde ook niet? Hm! Erger kon ’t al niet! Ik zou niet graag in ’t vel van dat jongemensch steken. Niemand zal hem ooit vergeven dat hij bang voor hem geweest is. Erger kon ’t al niet, hm!”

“Gelooft u dat heusch?” vroeg Capitán Basilio vol belangstelling.

“Ik verwacht”, zeide Don Filipo, terwijl hij met dezen een blik verwisselde, “dat het dorp hem niet in den steek zal laten. Wij moeten niet vergeten wat zijn familie voor ons gedaan heeft, en wat hij nu voor ons doet. En als misschien de menschen in ’t dorp uit vrees hun mond houden en zich niet roeren, dan zullen zijn vrienden...”

“Maar, heeren,” vroeg de burgemeester, “wat kunnen wij nu doen? Wat kan ’t volk doen? Och, wat er ook gebeurt, de monniken krijgen altijd gelijk.”

“Ze krijgen ‘altijd’ gelijk, omdat wij hun dat ‘altijd’ geven,” gaf Don Filipo kregelig terug, terwijl hij beide malen sterk op dat “altijd” drukte. “Als we maar eens onszelf gelijk gaven, dan zouden we ’s verder kunnen praten!”

De “gobernadorcillo” krabde zich achter zijn oor, keek naar de zoldering, en antwoordde scherp:

“Och, wat ’n warmbloedigheid! ’t Lijkt wel alsof u nog niet weet, in welk land we zijn en onze landlui niet kent. De frailes zijn rijk en steunen elkaar, wij zijn verdeeld en arm. Wel zeker! Probeert u maar ’s hem te verdedigen, en u zult ’s zien hoe ze u alleen laten zitten!”

“Jawel!” riep Don Filipo vol bitterheid uit, “dat zal gebeuren zoolang men er zoo over denkt, zoolang vrees en voorzichtigheid één blijven. Men let meer op een kwaad dat gebeuren kan, dan op ’t goede dat noodzakelijk is. Dadelijk doet zich vrees voor in plaats van vertrouwen. Iedereen denkt aan zichzelf alleen, niemand aan zijn evenmensch. Daarom zijn we allemaal zwak.”

“Nu goed, u moet maar ’s eerst aan een ander denken en dan aan uzelf, en u zult ’s zien hoe ze u met de gebakken peren laten zitten! Kent u ’t Spaansche spreekwoord niet: welbegrepen menschlievendheid begint met zichzelf?”

“Waarom zegt u niet liever,” antwoordde de teniënte mayor buiten zichzelve van ergernis: “dat welbegrepen lafheid begint met zelfzucht en eindigt met schande! Ik neem dadelijk mijn ontslag bij den alcalde: ik ben er beu van, den zot uit te hangen en niemand tot nut te wezen... Adios!”

De vrouwen waren van een ander gevoelen.

“Och, och!” zuchtte er een, die er goedig uitzag, “die jonge menschen toch! Wat zou zijn goeie moeder wel zeggen, als die nog leefde? Och God! Als ik toch ’s bedenk, dat mijn zoon ook zoo iets kan overkomen, want dat ’s ook een heethoofd...Och Heerejee! Ik ben bijna jaloersch op zijn moeder, die dood is... ik zou doodgaan van verdriet.”

“Nu, ik niet,” antwoordde een andere vrouw, “ik zou er geen verdriet van hebben, als zoo iets aan mijn twee zoons overkwam.”

“Wat zegt u, Capitana Maria?” riep de eerste uit, en sloeg de handen in elkaar.

“Ik mag ’t zien, dat een zoon opkomt voor de nagedachtenis van zijn ouders. Capitana Finay, wat zou u wel zeggen als u eens, als weduwe, kwaad hoorde spreken van uw man en uw zoon Antonio zijn hoofd boog en geen woord er tegenin zei?”

“Ik zou hem mijn zegen niet meer willen geven!” riep een derde uit. ’t Was zuster Roefa. “Maar...”

“Mijn zegen niet meer geven, dat nooit!” viel de goedige Capitana Finay in, “een moeder mag zoo iets niet zeggen ...maar ik weet niet, wat ik doen zou ... ik weet niet.., ik geloof dat ik ’t besterven zou...ik zou hem...nee! Lieve God! maar ik zou hem niet meer willen zien...maar wat komt ’t er toch bij u op aan, Capitana Maria?”

“In allen gevalle,” voegde zuster Roefa erbij, “moet men nooit vergeten, dat het een groote zonde is, de hand op te heffen tegen een gewijd persoon, een heilig man.”

“De nagedachtenis van iemands ouders is nog heiliger,” hervatte Capitana Maria. “Niemand, zelfs de Paus niet, en nog minder Padre Dámaso, mag zoo’n heilige nagedachtenis ontwijden!”

“Dat is waar!” mompelde Capitana Finay vol bewondering voor de wijsheid der beide anderen, “waar haalt u toch zulke mooie redeneringen vandaan?”

“Ja, maar hoe is ’t dan met de kerkelijke ban en de verdoemenis?” vond la Roefa nog in te brengen. “Wat beteekenen eer en goede naam in dit leven, als we onze verdoemenis in ’t leven hiernamaals bewerken? Alles is vergankelijk, maar de kerkelijke ban...een dienstknecht van Jezus Christus...te hoonen... zoo iets kan alleen de Paus vergeven!”

“God zal ’t wel vergeven, want ’t is zijn gebod vader en moeder te eeren. God zal hem niet in den ban doen! En ik zeg u: als dat jongmensch in mijn huis komt, dan ontvang ik hem en spreek ik met hem. Als ik een dochter had, dan woû ik dat hij mijn schoonzoon werd: iemand die een goed zoon is, zal zeker een goed echtgenoot zijn en een goed vader ook, gelooft u dat maar, zuster Rufa!”

“Nu, ik denk er anders over. U mag zeggen wat u wilt: al schijnt het ook dat u gelijk heeft, ik blijf den pastoor gelooven. Voor alles zorg ik voor ’t heil van mijn ziel. Wat zegt u, Capitana Finay?”

“Och, wat zal ik u zeggen? U hebt beiden gelijk! Ik weet ’t niet, ik ben maar ’n dom mensch... Maar ik weet wel, dat ik aan mijn zoon zal zeggen, dat hij niet meer studeeren moet! Ze zeggen dat de geleerden aan den galg eindigen. Heilige Moeder Gods! En dan woû mijn zoon nog wel naar Europa!”

“Wat denkt u dan te doen?”

“Hem zeggen dat hij bij me moet blijven. Wat geeft ’t of ie wat meer weet? Morgen of overmorgen gaan we toch dood, de geleerde menschen evengoed als de domme menschen...de hoofdzaak is in vrede te leven.”

En de goede vrouw zuchtte, en sloeg de oogen ten hemel.

“Nu”, zei Capitana Maria ernstig, “als ik rijk was zooals u, dan zou ik mijn zoons vrij laten reizen: ’t zijn jongelieden, en ’t zullen eenmaal mannen moeten wezen...Ik heb wel niet lang meer te leven...we zouden elkaar in ’t andere leven terugzien. Zoons moeten er naar streven, wat meer te zijn dan hun ouders, en als we ze aan den leiband houden, leeren we ze alleen kind zijn?.

“Och, wat ’n vreemde ideën heeft u!” riep Capitana Finay ontsteld uit, en sloeg weer de handen in elkaar. “’t Is net of u geen pijn geleden heeft, toen u uw tweelingen kreeg!”

“Juist omdat ik ze met pijn ter wereld heb gebracht, en ze behoorlijk heb opgevoed, al zijn we nog zoo arm, wil ik niet, dat na al de moeiten en zorgen die ze ons gekost hebben het maar halve mannen werden...”

“Ik geloof niet dat u van kinderen houdt, zooals God het voorschrijft!” zeide zuster Roefa op eenigszins strengen toon.

“Och, neem me niet kwalijk: iedere moeder houdt van haar kinderen op haar eigen manier. Ik heb ze lief om hun zelf. Zoo heeft mijn man ’t me geleerd.”

“Al uw ideën, Capitana Maria,” zeide la Roefa op een preektoon, “zijn al heel weinig godsdienstig. Wordt u maar ’s zuster van den Allerheiligsten Rozenkrans, van Sint Franciskus, van Sinte Rita of van Sinte Clara!”

“Zuster Roefa, zoodra ik me een waardige zuster van de menschen voel, zal ik zien zuster van de heiligen te worden,” antwoordde de ander lachend.


Op ’t marktplein zitten eenige landlieden te praten onder ’t daar opgeslagen verhemelte. De man die zooveel ophad met het doktersberoep zit erbij.

“Wat me ’t meeste spijt,” zei deze, “is dat de school nu niet afkomt.”

“Hoe zoo, hoe nu?” vroegen de omstanders vol belangstelling.

“Mijn zoon kan nu geen dokter meer worden, wel karrevoerder! Er komt niets van! Er komt geen school meer!”

“Wie zegt dat, dat er geen school komen zal?” vroeg een ruwe, stoergebouwde boer, met breede kaken en een smal hoofd.

“Ik! De blanke paters hebben gezegd dat Don Crisóstomo een pilibistiro is. Er komt geen school!”

Allen keken elkaar vragend aan: die naam was iets nieuws voor hen.

“En is dat iets leelijks, die naam?” waagde ten slotte de stoere landbouwer te vragen.

“’t Ergste wat de eene Christen van den ander kan zeggen!”

“Erger dan tarantado en saragaté?”2

“Was ’t dat maar! Daar hebben ze me dikwijls voor uitgescholden, en dat heeft me koud gelaten.”

“Och kom, ’t zal toch niet erger zijn dan ‘indio’, zooals de alférez ons noemt.”3

De man wiens zoontje karrevoerder zou worden, kijkt somberder, de ander krabt zich achter zijn oor en denkt na.

“Dan is ’t zeker net zooals bitlopora, (vete á la porra, loop naar de weerga!), wat de ‘ouwe’ van den alférez altijd zegt! Nog erger dan dat is spugen op de hostie.”

“Nu dan, ’t is nog erger dan spugen op de hostie op Goeden Vrijdag,” antwoordde hij ernstig. “U zult zich wel herinneren, dat het woord ispitjoso4, als het op iemand toegepast werd, voldoende was om te maken, dat de politie van villa-Abrille hem naar een ballingsoord of naar de gevangenis bracht. Nu, pilibistiro is veel erger: als ze je eenmaal pilibistiro noemen, ga dan maar dadelijk biechten en betaal je schulden af, want dan zit er niets anders op dan dat je je laat ophangen. Dat zeggen de lui die ’t weten kunnen.”

Allen waren onder den indruk.

Ze mogen me dwingen schoenen te dragen en mijn leven lang niets anders te drinken dan van die paardenpies, die ze bier noemen, als ik me ooit pilibistiro laat noemen!” zwoer onze boer terwijl hij zijn vuisten balde. Nou, als ik Don Crisóstomo was, zoo rijk was, en Spaansch kende als hij, en vlug kon eten met mes en lepel zooals hij, dan lachte ik om vijf pastoors bij elkaar!”

“De eerste de beste ‘guardia civil’ die ik kippen zie stelen, noem ik pilibistiro...en dan ga ik dadelijk biechten”, mompelde heel zachtjes een der landlieden, terwijl hij zich van ’t gezelschap verwijderde.


1 Een cuarto is 1/16 van een peseta, dus thans ca. 3 ct N. C., een real vier maal zooveel.

2 Tarantado, door een tarantula-spin gebeten. Saragate, ruziemaker.

3Indios” noemen de Spanjaarden de katholieke inlanders.

4 Verbastering van sospechoso, verdacht.