Ten huize van Capitán Tiago heerschte niet minder verwarring dan in de verbeelding der menschen. Maria Clara deed niets anders dan schreien en luisterde niet naar de troostwoorden van haar tante en van Andéng, haar zoogzuster. Haar vader had haar verboden met Ibarra te spreken, zoolang de geestelijken hem geen absolutie van den kerkelijken ban hadden gegeven.
Capitán Tiago, die het erg druk had met het in orde brengen van zijn huis voor de waardige “ontvangst” van den gouverneur, was naar het “klooster” opgeroepen.
“Schrei maar niet, kindje,” zeide tante Isabel onder ’t zemen der glimmende spiegelvlakken, “ze zullen den ban wel opgeheven krijgen, ze zullen wel aan zijn Heiligheid den Paus schrijven...we zullen een groote gift aan de armen doen...Padre Dámaso heeft alleen maar een flauwte gehad...hij is niet dood!”
“Schrei niet,” zei Andéng zacht tot haar, “ik zal wel zorgen, dat je met hem praten kunt: waartoe dienen anders biechtstoelen, als om te kunnen zondigen? Alles wordt vergeven, als je ’t maar aan den pastoor zegt.”
Eindelijk kwam Capitán Tiago! De vrouwen zochten in zijn gelaat het antwoord op veel vragen; doch ’t gelaat van Capitán Tiago verkondigde ontmoediging. De arme man transpireerde. Hij wreef zijn hand langs zijn voorhoofd, en kon geen woord uitbrengen.
“Wat is er, Santiago?” vroeg tante Isabel vol bezorgdheid.
Hij antwoordde met een zucht, en wischte zich een traan weg.
“Om Gods wil, spreek toch! Wat is er gebeurd?”
“Wat ik wel gevreesd had!” barstte hij eindelijk half schreiend los. “Alles is verloren! Padre Dámaso beveelt me de verloving af te breken; als ik ’t niet doe, ben ik verdoemd in dit leven en hier namaals! Ze zeggen allemaal ’t zelfde, zelfs Padre Sibyla! Ik moet de deur van mijn huis voor hem sluiten en...ik ben hem meer dan vijftig duizend peso’s schuldig! Dat heb ik ook aan de paters gezegd, maar ze gaven er niks om. Wat verlies je liever, zeiden ze, vijftig duizend peso’s of je leven en je ziel? Ach, San Antonio! als ik ’t geweten had, als ik ’t geweten had, als ik ’t geweten had!”
Maria Clara snikte.
“Schrei niet, mijn kindje,” hervatte hij, zich tot haar wendend. “Jij bent niet zooals je moeder: die schreide nooit... nooit anders dan om een grilletje...Padre Dámaso heeft me gezegd, dat er al een familielid van hem uit Spanje is aangekomen...die bestemt hij je tot aanstaande...”
Maria Clara hield de ooren dicht.
“Maar Santiago, ben je nu heelemaal gek?” riep tante Isabel. “Haar nu met een anderen vrijer aan boord te komen. Denk je dan dat je dochter zoo maar van aanstaande verwisselt, alsof ze een ander hemd aantrekt?”
“Dat heb ik ook niet gedacht, Isabel. Don Crisóstomo is rijk...Spanjaarden trouwen alleen om ’t geld...maar wat wil je dat ik eraan doen zal? Ze hebben me met nog een kerkban gedreigd... Ze zeggen, dat niet alleen mijn ziel groot gevaar loopt, maar ook mijn lichaam ... mijn lichaam, versta je wel, mijn lichaam!”
“Maar jij doet niet anders dan je dochter den moed benemen! Is de aartsbisschop niet een vriend van je? Waarom schrijf je dien niet?”
“De aartsbisschop is ook fraile, en de aartsbisschop doet niet anders dan wat de frailes hem zeggen. Maar Maria, je moet niet schreien: de gouverneur komt straks. Hij zal je willen zien, en je hebt roode oogen...Och, ik die gedacht had een gelukkigen avond te zullen doorbrengen... Zonder die groote tegenspoed zou ik de gelukkigste man op aarde wezen, en iedereen zou me benijd hebben...Bedaar wat mijn kind: ik ben ongelukkiger dan jij, en ik schrei niet! Jij kunt nog een beteren aanstaande krijgen. Maar ik, ik verlies vijftig duizend peso’s! Ach, Heilige Maagd van Antipolo, als ’t me vanavond ten minste maar wat meeliep!”
’t Knallen van schoten, rollen van rijtuigen, paardengetrappel, muziek die de koningsmarsch speelde, kondigden de komst van Z. E. den Gouverneur der Filippijnsche eilanden aan. Maria Clara liep weg, en verschool zich in haar slaapkamer... Arm meisje! Met haar hart speelden grove handen, die er de fijne vezelen niet van kenden!
Terwijl het huis vol menschen liep, en krachtige schreden, commando-stemmen, sabel-gerinkel en sporen-geklik overal weerklonken, lag het zwaarbezochte jonge meisje neergeknield voor een gravure van de Heilige Maagd. Deze was daar voorgesteld in die houding van smartelijke verlatenheid, welke alleen Delaroche doorvoeld heeft, als had hij haar verraste op ’t oogenblik, dat ze ’t graf van haar zoon verliet.
Maria Clara dacht niet aan de smart dier moeder, ze dacht aan haar eigen verdriet. Het hoofd op de borst gezonken en de handen op den grond gesteund, geleek ze den stengel eener lelie door den storm neergebogen. Een toekomstbeeld, waarvan ze jaren gedroomd, dat ze jaren gekoesterd had, welks illusies, opgekomen in de kindsheid en opgegroeid met de jeugd, vorm gaven aan de cellen van haar organisme, thans uit geest en hart te willen wegwisschen met een enkel woord! Dat is ’t zelfde als het kloppen van dat hart te doen ophouden, ’t licht te benemen aan dien geest!
Maria Clara was een even goed en vroom Christin, als een liefhebbende dochter. Niet alleen de kerkelijke ban over Ibarra vervulde haar met angst: het bevel en de bedreigde rust van haar vader eischten thans het offer harer liefde. Ze besefte nu de kracht dezer neiging meer dan ooit te voren. ’t Was een zachtkens voortglijdende rivier geweest, met geurige bloemtapijten aan haar oevers, en fijn zand op haar bedding. Haar water werd te nauwernood door den wind gerimpeld. ’t Was of de stroom allengs minder snel werd, zoo liet ze zich aanzien. Doch opeens vernauwen zich haar oevers, steile rotsen beletten haar den doortocht, eeuwenoude boomstammen liggen over elkaar als om een dam te vormen... O, dan loeit de rivier, dan rijst het water, dan zieden de golven, dan stuiven pluimen van schuim, dan beukt ze de rotsen en stort zich in den afgrond!
Maria Clara wilde bidden, maar wie bidt er in wanhoop? We bidden wanneer we hopen, en anders kunnen we, tot God gewend, slechts klachten uiten.
“Mijn God!” kreet haar hart, “waarom moet gij zoo een man uitstooten, hem de liefde zijner medemenschen ontzeggen? Gij onthoudt hem niet uw zon, noch uw lucht, gij verbergt hem evenmin het gezicht op uw hemel, waarom hem de liefde te weigeren, wanneer men leven kan zonder hemel, zonder lucht en zonder zon, maar nimmer zonder liefde?”
“Ik wensch dat jonge mensch te spreken!” zeide Zijne Excellentie tot een adjudant, “hij heeft bizonder mijn belangstelling opgewekt.”
“Er is al iemand gezonden, om hem te halen, Excellentie. Maar hier is een jongmensch uit Manila, dat met veel aandrang om gehoor bij u vraagt. We hebben hem gezegd dat u geen tijd had, en dat u niet gekomen waart, om audiënties te verleenen, maar om het dorp en de processie te zien; maar hij zegt dat Uwe Excellentie altijd tijd heeft om recht te doen...”
De gouverneur wendde zich verwonderd tot den alcalde.
“Als ik me niet vergis,” antwoordde deze met een lichte buiging, “is het dezelfde jonge man, die van morgen een kwestie met Padre Dámaso gehad heeft, ter zake van de preek.”
“Nogal een! Heeft die geestelijke ’t in zijn hoofd gezet de heele provincie in beroering te brengen, of gelooft hij, dat hij hier de baas is? Laat hem binnen!”
Zijne Excellentie stapte zenuwachtig op en neer, van ’t eene uiteinde der zaal naar ’t andere.
In de wachtkamer waren verscheidene Spanjaarden, samen met militairen en overheidspersonen van ’t dorp San Diego en naburige plaatsen. In groepjes verdeeld, waren ze druk aan ’t praten of redetwisten. Ook waren daar bijeen al de frailes, behalve Padre Dámaso, om hun opwachting te maken bij den gouverneur.
“Zijne Excellentie de ‘Capitán Generaal’ verzoekt uwe weleerwaarden een oogenblikje geduld te hebben!” zeide de adjudant. “Wilt u maar binnengaan, jongmensch?”
De bewuste Manileen, die Grieksch met Tagaalsch verwarde, trad bleek en bevend de zaal binnen.
Allen waren uiterst verbaasd; Zijne Excellentie moest wel zeer verstoord wezen, om de monniken te laten wachten. Padre Sibyla zeide:
“Ik heb hem niets te zeggen!...Ik vermors hier mijn tijd!”
“Dat zeg ik ook”, voegde een Augustijner eraan toe. “Zullen we maar heengaan?”
“Zou ’t niet beter zijn dat we ons eerst eens op de hoogte stelden, hoe hij denkt?” vroeg Padre Salvi, “dan vermijden we een schandaal...en...konden we hem eens herinneren... aan zijn verplichtingen jegens...den godsdienst...”
“Uwe weleerwaarden gelieven binnen te komen, als ’t u belieft!” zeide de adjudant. Het jongmensch, dat geen Grieksch verstond, werd door hem uitgeleid, en zijn gezicht straalde nu van voldoening.
Fray Sibyla ging ’t eerst binnen; daarna kwamen Padre Salvi, Padre Manuel Martin en de andere monniken. Ze groetten nederig, behalve Padre Sibyla, die zelfs in zijn buiging een zeker meerderheidsvertoon bewaarde.
Padre Salvi daarentegen boog als een knipmes.
“Wie van uwe weleerwaarden is Padre Dámaso?” vroeg Zijne Excellentie opeens, nog zonder dat hij hun een stoel geboden, of naar hun gezondheid gevraagd had, en zonder tot hen de vleiende complimenten te richten, waaraan zulke hooge personages gewoon waren.
“Padre Dámaso is hier niet, meneer!” antwoordde Padre Sibyla op bijna denzelfden drogen toon.
“Die dienaar van Uwe Excellentie ligt ziek te bed,” voegde Padre Salvi er nederig aan toe. “Na ’t genoegen gehad te hebben van u te begroeten en ons op de hoogte gesteld te hebben van den staat van uw gezondheid, zooals het aan alle goede onderdanen van den Koning en alle welopgevoede menschen betaamt, kwamen we ook uit naam van dien eerbiedigen dienaar van Uwe Excellentie, die ’t ongeluk gehad heeft...”
“O!” viel de Capitán Generaal in de rede, terwijl hij een stoel op een poot liet ronddraaien, en zenuwachtig lachte, “als alle dienaren van Mijne Excellentie zoo waren als de weleerwaarde Pater Dámaso, dan zou ik liever zelf Mijne Excellentie dienen!”
De weleerwaarden, die reeds lichamelijk stilstonden, stonden thans ook geestelijk stil bij dezen uitval.
“Gaat u zitten, weleerwaarden!” hervatte hij, na een oogenblik zwijgens en op ietwat vriendelijker toon.
Capitán Tiago kwam gerokt en op zijn teenen binnen. Hij leidde Maria Clara aan de hand, die met onzekere schreden en vol verlegenheid de zaal in kwam.
Desondanks maakte ze een bevallige en eerbiedige buiging.
“Is deze jonge dame een dochter van u?” vroeg de gouverneur verwonderd.
“En van Uwe Excellentie!” antwoordde Capitán Tiago hoog-plechtig.
De alcalde en de adjudanten zetten de oogen wijd open. Doch Zijne Excellentie vertrok geen spier van zijn gelaat op deze wat vergedreven Spaansche hoffelijkheid en stak het jonge meisje de hand toe. Op vriendelijken toon zeide hij:
“Gelukkig de vaders die dochters hebben zooals u, mejuffrouw! Ik heb met eerbied en bewondering over u hooren spreken...ik verlangde u eens te zien; om u dank te zeggen voor de schoone daad, die u vandaag heeft volbracht. Ik ben op de hoogte van ‘alles,’ en wanneer ik aan de hooge regeering schrijf, zal ik uw edelmoedig gedrag niet vergeten. Veroorloof me inmiddels, mejuffrouw, dat ik namens Zijne Majesteit den Koning, dien ik hier vertegenwoordig, en die ‘den vrede en rust’ van zijn trouwe onderdanen liefheeft, en in mijn eigen naam, in dien van een vader, die ook dochters heeft van uw leeftijd, u van harte dank te zeggen en voor te dragen voor een belooning!”
“Meneer!” ... antwoordde Maria Clara bevend.
Zijne Excellentie ried wat zij wilde zeggen en hervatte:
“’t Is heel goed, mejuffrouw, dat u zich tevreden stelt met de goedkeuring van uw eigen geweten en met de achting van uwe medeburgers: dat is ook werkelijk de beste belooning, en we moeten ook eigenlijk niet meer verlangen. Maar u moet me niet de mooie gelegenheid benemen, om te doen zien, dat, zoo de gerechtigheid kan straffen, ze ook weet te beloonen, en dat ze niet altijd ‘blind’ is.”
De woorden tusschen aanhalings-teekens waren op beteekenisvolle wijze, met verheffing van stem uitgesproken.
“De heer Don Juan Crisóstomo Ibarra wacht de orders van Uwe Excellentie!” zeide zijn adjudant met luider stem. Maria Clara huiverde.
“O!” riep de Capitán General, “veroorloof me, mejuffrouw, dat ik den wensch uitspreek, u terug te mogen zien, voordat ik de plaats verlaat: ik heb u nog zeer belangrijke dingen te zeggen. Meneer de alcalde, u zult me wel op de wandeling willen vergezellen—die doe ik te voet—nadat ik een onderhoud onder vier oogen met meneer Ibarra zal hebben gehad.”
“Uwe Excellentie zal ons veroorloven u te verwittigen,” zeide Padre Salvi nederig, “dat de heer Ibarra in de kerkelijke ban is...”
Zijne Excellentie viel hem in de rede:
“’t Verheugt me zeer, dat ik niet anders te betreuren heb, dan de ongesteldheid van Padre Dámaso, aan wien ik ‘oprecht’ een ‘volledig herstel’ toewensch; want op zijn leeftijd moet een ‘reis naar Spanje’ om gezondheidsredenen niet bizonder aangenaam wezen. Maar dat hangt van hem af... en intusschen wensch ik, dat God de gezondheid van uwe weleerwaarden moge behoeden!”
De geestelijken namen afscheid.
“Nu, of ’t van hem af zal hangen!” mompelde Padre Salvi onder ’t heengaan.
“We zullen ’s zien wie ’t eerst de reis zal maken!” voegde een andere Franciskaan er aan toe.
“Ik ga nu dadelijk weg!” zeide Padre Sibyla spijtig.
“En wij naar onze provincie!” zeiden de Augustijners.
Dezen konden het niet zetten dat, door de schuld van een Franciskaan de gouverneur hen koel ontvangen had.
In de wachtkamer ontmoetten ze Ibarra, hun gastheer van eenige uren te voren.
Ze wisselden geen enkelen groet met hem, wel blikken die heel veel zeiden.
De alcalde daarentegen groette hem, toen de monniken weg waren, en stak hem familiaar de hand toe. Doch de komst van den adjudant, die den jongen man zocht, belette dat het tot een gesprek kwam.
Bij den deur kwam hij Maria Clara tegen: ook hun blikken zeiden veel, al was ’t heel wat anders dan wat de oogen der frailes uitdrukten.
Ibarra was streng in den rouw. Bedaard trad hij binnen en groette diep, ofschoon het bezoek der monniken hem niet veel goeds scheen te voorspellen.
De Capitán Generaal trad hem eenige schreden tegemoet.
“’t Doet me recht veel genoegen, meneer Ibarra, u de hand te mogen drukken,” zeide hij. “Veroorloof me dat ik u hier op vertrouwelijken voet ontvang.”
Zijne Excellentie sloeg inderdaad den jongeman met blijkbare voldoening gade.
“Meneer...u bent wel goed!”
“Uw verwondering is niet vleiend, ’t is alsof u zegt dat u geen goede ontvangst van me verwachtte: dat is twijfelen aan mijn rechtvaardigheid!”
“Een vriendschappelijke ontvangst, meneer, is voor een onbeteekenend onderdaan van Zijne Majesteit als ik ben, geen rechtvaardigheid, maar een gunst.”
“Goed, goed!” zeide Zijne Excellentie en ging zitten, terwijl hij den ander een stoel aanwees, “laat u me een oogenblik vrij mijn hart uitspreken. Ik ben zeer voldaan over uw gedrag, en ik heb u al aan de regeering van Zijne Majesteit voorgedragen voor een decoratie, voor uw menschlievend denkbeeld om een school op te richten...Als u zich tot mij gewend had, zou ik met genoegen de openingsplechtigheid bijgewoond en u misschien een onaangenaamheid bespaard hebben.”
“’t Denkbeeld leek me zoo klein”, antwoordde de jongeman, “dat ik het niet waardig genoeg achtte, om uw aandacht af te roepen van uw talrijke bezigheden. Bovendien was het mijn plicht me eerst te richten tot de hoogste overheidspersoon in mijn provincie.”
Zijne Excellentie bewoog het hoofd met een uitdrukking van voldoening, en, steeds gemeenzamer toon aannemende, ging hij voort:
“Wat betreft het ongenoegen dat u met Padre Dámaso gehad heeft, moet u niet vreezen en ook geen wrok koesteren: zoolang ik ’t bestuur voer over deze eilanden zal geen haar op uw hoofd gekrenkt worden. En wat de kerkelijke ban aangaat, daar zal ik wel met de aartsbisschop over spreken, omdat het noodzakelijk is, ons naar de omstandigheden te voegen: hier zouden we niet, zooals in Spanje of daarbuiten in ’t verlichte Europa, openlijk kunnen lachen om zulke dingen. Toch moet u voortaan voorzichtiger wezen. U heeft u tegenover de geestelijke orden gesteld, die om hun beteekenis en hun rijkdom ontzien moeten worden. Maar ik zal u in bescherming nemen, omdat ik houd van goede zoons; ’t doet me goed te zien, dat men de nagedachtenis van zijn ouders eert. Ik heb de mijne ook liefgehad, en bij God! ik weet niet wat ik in uw plaats wel gedaan zou hebben...”
En, snel van gesprek veranderend, vroeg hij:
“Men heeft me gezegd, dat u pas uit Europa terug is. Bent u in Madrid geweest?”
“Jawel, meneer, eenige maanden.”
“Heeft u misschien van mijn familie gehoord?”
“U was juist vertrokken, toen ik de eer had met uw familie in kennis gebracht te worden.”
“En hoe komt het dan, dat u zonder eenige aanbeveling hier teruggekomen is?”
Ibarra boog en zeide: “Omdat ik niet rechtstreeks uit Spanje kom, meneer, en omdat ik wetende hoe uw karakter was, gemeend heb, dat een aanbeveling niet alleen onnut, maar zelfs beleedigend zou wezen; wij Filippijners zijn u allen goed aanbevolen.”
Een glimlach teekende zich op de lippen van den krijgsman. Langzaam, als wikte en woog hij zijn woorden, hervatte hij:
“Erg vleiend voor me dat u zoo denkt en...zoo moet het ook wezen! Niettemin zal ’t u, jongeman, niet onbekend zijn, welke zware lasten ons hier op de Filippijnen drukken. Hier moeten wij, oud-militairen, alles doen en alles zijn: koning, minister van buitenlandsche zaken, van oorlog, van binnenlandsche zaken, van financiën, van justitie enz. en ’t ergste is nog, dat we voor iedere zaak ’t verre moederland hebben te raadplegen. Dat keurt, al naar omstandigheden, goed of af, soms in den blinde, wat wij voorstellen of afraden. U weet hoe ’t gaat: wie te veel hooi op zijn vork neemt... We komen bovendien meestal met heel weinig kennis van het land, en we gaan weer heen, wanneer we ’t beginnen te leeren kennen. Tegenover u kan ik vrij-uit spreken, want ’t zou geen nut hebben, iets anders voor te wenden. Zoodat, als in Spanje waar iedere tak van dienst zijn minister heeft, geboren en getogen op de plaats zelf, waar een pers is en een openbare meening; waar de vrije oppositie het bestuur de oogen opent en het voorlicht, als daar alles onvolmaakt en gebrekkig gaat, is ’t wel een wonder dat hier niet alles een warboel is, waar we die voordeelen missen, en er in ’t verborgene een machtiger oppositie leeft en werkt.
“Ons bestuurders ontbreekt de goede wil niet, maar we zien ons gedwongen ons te bedienen van een andermans oogen en armen, die we gewoonlijk niet kennen, en die wellicht in plaats van hun land te dienen, alleen hun eigen belang dienen. Dat is onze schuld niet: dat ligt aan de omstandigheden. De monniken helpen ons niet weinig om uit de moeilijkheid te komen, maar dat is niet meer voldoende...u boezemt me belangstelling in, en ik wenschte wel dat de onvolmaaktheid van ons bestuurstelsel u in niets benadeelde...ik kan niet voor iedereen waken, en niet iedereen kan naar mij toekomen om hulp. Kan ik u van dienst zijn in ’t een of ander? Heeft u iets te verzoeken?”
Ibarra dacht even na.
“Meneer,” antwoordde hij, “mijn grootste wensch is ’t geluk van mijn land, een geluk dat ik zoo gaarne verschuldigd zou zien aan het moederland en aan de inspanning van mijn medeburgers: die zijn immers door eeuwige banden van gemeenschappelijke bedoelingen en belangen verbonden. Wat ik vraag kan het bestuur alleen geven na veel jaren van aanhoudenden arbeid en doeltreffende hervormingen.”
Zijne Excellentie keek hem eenige seconden aan met een blik, dien Ibarra ongedwongen teruggaf.
“U bent de eerste man met wien ik spreek in dit land,” riep hij uit, hem de hand toestekend.
“Uwe Excellentie heeft alleen maar de kruiperige stedelingen leeren kennen, u kent onze eenvoudige dorpelingen niet: anders had u wel echte mannen gezien, als een edelmoedig hart en een eenvoudige levenswijze voldoende zijn om iemand een echt man te doen noemen.”
De gouverneur stond op, en begon in de zaal heen en weer te stappen.
“Meneer Ibarra,” riep hij opeens stilstaande. De jongeman stond ook op. “Binnen een maand vertrek ik misschien. Uw opvoeding en uw denkbeelden zijn niet geschikt voor dit land. Verkoopt u alles wat u bezit, pak uw koffers, en ga met mij mee naar Europa: dat is een betere luchtstreek voor u.”
“Ik zal de herinnering aan uw goedheid steeds mijn leven lang bewaren!” antwoordde Ibarra eenigszins ontroerd, “maar ik moet blijven wonen in ’t land, waar mijn ouders geleefd hebben...”
“Waar ze gestorven zijn, zou juister gezegd zijn! Gelooft u me, misschien ken ik uw land nog beter dan u zelf...”
“Och! Nu herinner ik me!” riep hij uit, van toon veranderend, “u gaat trouwen met een allerliefst jongmeisje, en ik houd u maar op. Gaat u maar, gaat u maar naar haar toe, en stuur me haar vader maar, dan heeft u meer vrijheid”, voegde hij er lachend aan toe. “Maar u moet niet vergeten dat ik straks met u wandelen wil.”
Ibarra groette, en ging heen.
De gouverneur riep zijn adjudant.
“Ik ben voldaan!” zeide hij, en tikte hem met de vlakke hand op den schouder, “ik heb vandaag voor ’t eerst gezien, hoe men een goed Spanjaard kan wezen en tegelijkertijd een goed Filippijner, die zijn land liefheeft. Ik heb vandaag eindelijk eens die ‘weleerwaarden’ duidelijk gemaakt, dat we hier niet allemaal hun speeltuig zijn: dit jongemensch heeft me de gelegenheid verschaft en ik zal gauw met dien fraile afrekenen. Jammer dat die jongeman den een of anderen dag ... maar roept u ’s den alcalde!”
Deze verscheen onmiddellijk.
“Meneer de alcalde,” zeide hij hem dadelijk bij ’t binnentreden, “om te vermijden dat er weer zulke tooneelen komen als dat waar u bij is geweest, toonelen, die ik betreur, omdat ze ’t prestige van ’t bestuur en van alle Spanjaarden afbreuk doen, veroorloof ik me, u met grooten aandrang den heer Ibarra aan te bevelen, opdat u hem niet alleen de middelen verschaffe om zijn vaderlandslievende plannen uit te voeren, maar u ook vermijde, dat hem voortaan personen, van welken stand of onder welk voorwendsel ook, lastig vallen.”
De alcalde begreep de terechtwijzing, en boog, om zijn ontroering te verbergen.
“Laat u ’t zelfde aan den alférez zeggen die hier de sectie kommandeert. En gaat u ’s na, of het waar is, dat deze meneer op zijn eigen houtje handelt, buiten zijn reglementen om. Ik heb daarover meer dan één klacht gehad.”
Capitán Tiago verscheen, strak en glimmend van de stijfsel.
“Don Santiago,” zei Zijne Excellentie op vriendelijken toon tot hem, “kort geleden wenschte ik u geluk, omdat u een dochter heeft als mejuffrouw de los Santos. Nu feliciteer ik u met uw aanstaanden schoonzoon: de deugdzaamste onder de dochters is stellig waardig de vrouw te worden van den besten burger op de Filippijnen. Mag ik ook weten wanneer de bruiloft zal wezen?”
“Meneer!...” stamelde Capitán Tiago, en hij veegde het zweet af, dat hem over zijn voorhoofd liep.
“Komaan, ik zie dat er nog niets bepaald is! Als u soms nog een bruidsjonker noodig heeft, bied ik me met het grootste genoegen aan. Dat zou wezen om de nare nasmaak weg te maken van al de bruiloften waarop ik tot nu toe bruidsjonker geweest ben!” liet hij volgen, terwijl hij zich tot den alcalde wendde.
“Ja, meneer!” antwoordde Capitán Tiago met een glimlach, die hartroerend was.
Ibarra liep bijna hard, om naar Maria Clara toe te gaan: hij had haar zooveel te zeggen en te vertellen.
Hij hoorde vroolijke stemmen in een der kamers, en klopte zachtjes op de deur.
“Wie klopt daar?” vroeg Maria Clara.
“Ik!”
De stemmen bij de deur zwegen, en de deur...ging niet open.
“Ik ben ’t, mag ik binnen?” vroeg de jongeman, wiens hart hevig klopte.
’t Bleef stil. Eenige oogenblikken later kwamen er lichte schreden naar de deur, en de vroolijke stem van Sinang zeide zacht door het sleutelgat:
“Crisóstomo, we gaan vanavond naar de comedie. Schrijf wat je Maria Clara te zeggen hebt.”
En de schreden verwijderden zich weer, even snel als ze gekomen waren.
“Wat moet dat nu beteekenen?” mompelde Ibarra in gepeins, terwijl hij langzaam heenging.
’s Avonds, toen al de lantarens der vensters reeds aangestoken waren, trok de processie voor de vierde maal uit, bij ’t luiden der klokken en het welbekende geknal en geschiet.
De gouverneur, die te voet uit was gegaan, vergezeld van zijn beide adjudanten, Capitán Tiago, den alcalde, den alférez en Ibarra, en voorafgegaan door guardias civiles en overheidspersonen die den weg open hielden, werd uitgenoodigd om de processie te zien voorbijgaan ten huize van den burgemeester. Deze had een plankier voor zijn huis laten aanbrengen, om daar een loa (loflied) ter eere van den schutsheilige te laten voordragen.
Ibarra zou met genoegen ervan afgezien hebben, dit dichtgewrocht te hooren, en liever de processie hebben zien voorbijgaan in ’t huis van Capitán Tiago, waar Maria Clara met haar vriendinnen zou gebleven zijn, doch Zijne Excellentie wenschte de loa te hooren, en er zat dus voor hem niets anders op, dan zich te troosten met de hoop, haar in de komedie te zien.
De processie begon met de zilveren kerkkandelabers, gedragen door drie gehandschoende kosters. Daarna volgden de schoolkinderen, vergezeld door hun meester; dan de jongens met de papieren lantarens van allerlei vorm en kleur aan een naar eigen smaak versierde bamboe vastgemaakt: deze illuminatie toch werd door de jeugd in iedere wijk zelf bekostigd.
In ’t midden liepen politie-mannen heen en weer, om de orde te handhaven, waarvoor ze zich van hun rotan-stokken bedienden.
Tegelijkertijd dat deze mannen gratis klappen uitdeelden, gaven anderen, als troost aan de slachtoffers, kaarsen van verschillende afmetingen, eveneens gratis.
“Meneer de alcalde”, zeide Ibarra zacht, “worden die klappen uitgedeeld als straf voor gedaan kwaad, of alleen voor plezier?”
“U heeft eigenlijk gelijk, meneer Ibarra!” antwoordde de gouverneur, die de vraag gehoord had. “Dat...barbaarsche gedoe verbaast iedereen die uit andere landen komt. ’t Moest verboden worden.”
Zonder dat men kon verklaren waarom, was de eerste heilige die verscheen Johannes de Dooper. Men zou zeggen, dat hij niet erg in aanzien was: zijn beenen en voeten waren als van een jongmeisje, zijn gelaat dat van een kluizenaar, maar hij werd gedragen op een oude houten baar, en een troepje jongens, met onaangestoken papieren lantarens, die heimelijk elkaar stompen gaven, verduisterden zijn glorie.
De heilige Franciskus, die volgde, werd op een prachtige kar vervoerd, die omringd was van lichtjes en glazen lantarens. Een muziekkorps vergezelde het schitterende voertuig.
Hierna kwam een vaandel, waarop dezelfde heilige was afgebeeld, maar met zeven vleugels. Het werd gedragen door de Hermanos Ferceros of “Derde broeders,” die in grauwe pijen gekleed waren en luide en klagend gebeden opdreunden. Op eveneens onverklaarbare wijze volgde Maria Magdalena, een zeer fraai beeld met overvloedig haar, een doorschijnend fijne geborduurde zakdoek tusschen de met ringen bedekte vingers, en in een zijden met gouden plaatjes versierd kleed. Lampen en wierookvaten omzwierden haar. Men zag haar glazen tranen de kleuren van ’t bengaalsch licht weerkaatsen, dat aan de processie een fantastisch aanzien gaf, zoodat de heilige zondares nu eens groen, dan rood, en andermaal blauw schreide. De huizen begonnen dit licht eerst af te steken toen de heilige Franciskus voorbijkwam; Johannes de Dooper genoot deze eer niet, en ging haastig voorbij, verlegen dat hij de eenige was die in dierenhuiden gekleed ging, onder zooveel met goud en edelgesteenten bedekte menschen.
“Daar komt onze heilige!” zeide de dochter van den burgemeester tot haar bezoeksters: “ik heb haar mijn ringen geleend, maar ’t is om den hemel te verdienen.”
De lichtdragers hielden stil rondom het plankier, om naar de loa te luisteren, de heiligen deden ’t zelfde. Zij, die Johannes den Dooper droegen, werden moe van ’t wachten, zetten zich op hun hurken, en vonden ’t goed hem op den grond te zetten.
“De politie zal aanmerking maken,” zei er een.
“En in de sakristie dan? Daar laten ze ’m in een hoek tusschen de spinnewebben!...”
En Sint Jan, eenmaal op den grond, werd nu geheel een man van ’t volk.
Na de Magdalena kwamen de vrouwen: alleen was hier de volgorde anders dan bij de mannen, want in plaats van met de jongen te beginnen kwamen hier eerst de oudjes terwijl de jonge meisjes de stoet afsloten tot de kar der Heilige Maagd, waarachter de pastoor onder zijn troonhemel liep. Deze gewoonte was overgenomen van Padre Dámaso, die zeide: De Heilige Maagd houdt van de jonge meisjes, niet van de oudjes. Iets dat veel vrome besjes lang niet prettig stemde, maar ’t was nu eenmaal de smaak van Onze Lieve Vrouw.
Sint Jakob (San Diego) volgde op Magdalena, ofschoon hij zich daarover niet scheen te verheugen, want hij bleef boetvaardig kijken evenals in den ochtend, toen hij achter Sint Franciskus aankwam. Zes “Derde-zusters” trokken zijn kar vooruit, om de een of andere gelofte of ziekte: een feit is ’t dat ze trokken, en met allen ijver. Sint Jakob hield stil voor ’t plankier, en wachtte tot men hem groette.
Doch er moest gewacht worden op de kar van de Heilige Maagd, voorafgegaan door als spoken gekleede menschen. De kinderen waren er bang voor, en daarom hoorde men een voortdurend geschrei en gegil. Evenwel zag men te midden van die donkere massa plechtgewaden, monniks- en nonnekappen en hoorde, bij ’t eentonig neusgeluid der gebeden, als witte jasmijnen, als frissche tjampaka’s tusschen oude vodden, twaalf meisjes met witte pakjes en bloemkransen op ’t hoofd, met krullend haar en stralenden blik. ’t Leken kleine lichtgeniën in gevangenschap van spoken. Ze hielden allen twee breede blauwe linten vast, die verbonden waren aan de kar van de Heilige Maagd, en deden denken aan de duiven die de kar der Lente voorttrekken.
Na lang wachten verscheen uit een gordijn een aardig kereltje met vleugels, rijlaarzen, een sjerp, een ceintuur en een hoed met pluimen.
De verzen die ’t ventje voordroeg waren in ’t Latijn, Tagaalsch en Spaansch, en oogstten veel bijval, al verstond men er weinig van.
Daarna zette de stoet zich weer in beweging: Sint Jan vervolgde zijn lijdensweg.
Toen ’t beeld der Maagd voorbij Capitán Tiago’s huis kwam, begroette een hemels gezang het met de woorden van den aartsengel. ’t Was een teedere melodieuze smeekende stem, die ’t “Ave Maria” van Gounod uitschreide, zich zelf begeleidend op de piano. De processiemuziek zweeg, het bid-gedreun verstomde, en zelfs Padre Salvi stond stil. De stem deed innig aan en ontrukte tranen: ze drukte meer uit dan een groet, ’t was een bede en een klacht tegelijk.
Ibarra hoorde de stem aan ’t venster waar hij zat, en ontzetting en weemoed daalden in zijn hart. Hij begreep wat die ziel leed en in een lied uitdrukte, en hij vreesde zichzelf naar de oorzaak van dat leed te vragen.
Somber en in gedachten verdiept vond hem de gouverneur: “u moet aan tafel bij me zitten,” zeide hij tot hem, “daar zullen we ’s spreken over die kinderen, die verdwenen zijn.”
“Zou ik de oorzaak wezen?” zeide de jonge man bij zich zelf en volgde met een leege blik werktuigelijk Zijne Excellentie.
Waarom zijn de vensters in ’t huis van den alférez gesloten? Waar waren, terwijl de processie voorbijtrok, het mannelijk gelaat en de flanellen blouse der Muze van de guardia Civiel? Zou Doña Consolación begrepen hebben, hoe onwelkom haar voorhoofd was, met de dikke aderen erop, die wel azijn en gal schenen te bevatten in plaats van bloed, en de dikke sigaar, waardig sieraad van haar roode lippen, en haar jaloersche blikken? En heeft ze, zwichtend voor een opwelling van edelmoedigheid met haar akelige verschijning de volksvreugde niet willen verstoren? Niet waarschijnlijk.
Het huis vertoont geen lantarens, noch vlaggen. Als de schildwacht niet voor de deur op en neer geloopen had, zou men gezegd hebben dat het huis onbewoond was.
Een zwak licht scheen in de ontredderde voorkamer, en maakte de vuile schelpen, die als ruiten dienst deden en vol met spinnewebben en stof zaten, doorschijnend. De vrouw des huizes, ouder gewoonte luierend, dommelde in een grooten leuningstoel. Ze was gekleed als alle dagen, dat wil zeggen: vreeselijk slordig; als eenige hoofdtooi een doekje, waaruit sprietige, korte, verwarde lokken te voorschijn kwamen; de blauwflanellen blouse, over een hemd dat wit moest geweest zijn, een verkleurde rok, gespannen over de magere platte dijen, die nu over elkaar geslagen waren en koortsachtig trilden. Uit haar mond kwamen van tijd tot tijd gulpen rook, die ze met verveling wegblies in de ruimte, waarin ze staarde, wanneer ze de oogen opendeed.
Die ochtend was onze dame niet naar de mis geweest; niet omdat ze niet gewild had, integendeel, ze had zich gaarne aan de menigte vertoond en de preek gehoord, maar haar man had het haar niet toegestaan. En, zooals altijd, was het verbod gepaard gegaan met een paar scheldwoorden, vloeken en schop-dreigementen. De alférez begreep dat zijn vrouw belachelijk gekleed ging, dat ze den indruk maakte van een soldaten-slet, en dat het niet te pas kwam, haar bloot te stellen aan de blikken van de hooge lui van de hoofdplaats of aan de vreemdelingen.
Doch zij vatte het anders op. Ze was overtuigd dat ze mooi was en aantrekkelijk, dat ze de voornaamheid van een koningin bezat, en dat ze veel beter en met meer weelde gekleed ging dan zelfs Maria Clara: deze droeg immers een gewone tapis (kain), zij een rok. ’t Was bepaald noodig dat de alférez haar zeide: “Hou nu je mond, of ik schop je naar je negerij terug!”
Doña Consolación had geen zin om naar haar negerij teruggeschopt te worden, maar zon op wraak.
’t Donkere gelaat onzer dame was nooit bizonder vertrouwenwekkend geweest, ook niet wanneer ze zich opverfde, maar dien morgen was ze zeer verontrustend, vooral toen men haar van den eenen kant van ’t huis naar de andere stil en, als overpeinsde ze iets schrikkelijks of kwaadaardigs, zag stappen. Haar blik had den weerschijn die uit de pupil van een slang licht, wanneer deze, gevangen, straks doodgetrapt zal worden: hij was koud, fel doordringend, en had iets weerzinwekkends wreeds.
Het kleinste vergrijp, het onbeteekenendste gedruisch ontrukten haar een schandelijk leelijk scheldwoord, dat tot in de ziel griefde, maar niemand antwoordde: zich verontschuldigen zou een nieuwe misdaad wezen.
Zoo ging de dag voorbij. Geen enkel verzet tegenover zich ziende—haar man was uitgevraagd—raakte ze vol gal: ’t was net of de cellen van haar organisme zich laadden met elektriciteit, en ieder oogenblik dreigden uit-een te barsten in een orkaan van straattaal. Alles om haar boog zich, als de korenaren bij ’t eerste blazen van den storm. Ze vond geen weerstand, ze trof geen enkel uitsteeksel, geen enkele verhevenheid om haar boos humeur op te kunnen uitstorten: soldaten en bedienden kropen langs en om haar.
Om het feestgedruisch niet te hooren, beval ze de ramen te sluiten, en droeg ze den schildwacht op, niemand te laten voorbijgaan. Ze bond zich een doekje om het hoofd, als om te beletten dat het uitelkaar zou springen, en, ofschoon de zon nog hoog aan den hemel stond, gaf ze bevel de lichten aan te steken.
Sisa werd, zooals we gezien hebben, als rustverstoorster opgepakt en naar de kazerne gebracht. De alférez was er toen niet, en de ongelukkige moest de nacht op een bank doorbrengen, waar ze met een strakken onverschilligen blik op neerzat. Den volgenden dag zag de alférez haar, en daar hij in die dagen van rumoer bang voor haar was, en geen onaangenaam schouwspel wilde geven, droeg hij de soldaten op, haar te bewaken, haar met medelijden te behandelen en haar eten te geven. Zoo bracht de waanzinnige twee dagen door.
Deze nacht, hetzij dat door de nabijheid van Capitán Tiago’s huis het droevige zingen van Maria Clara tot haar was doorgedrongen, hetzij dat andere muziek haar oude liederen wakker riepen, hoe ’t ook zij, Sisa begon ook met haar lieve weemoedige stem de koendiman (zangen) van haar jeugd te zingen. De soldaten hoorden haar en zwegen: och, die melodieën riepen oude herinneringen wakker, herinneringen uit den tijd toen ze nog onbedorven waren.
Doña Consolación hoorde haar ook in haar verveling, en toen ze vernam wie daar zong, beval ze na eenige oogenblikken nadenken:
“Laat haar dadelijk hier bovenkomen.” Iets als een glimlach vloog over haar dorre lippen.
Men bracht Sisa, die zonder eenige verlegenheid, verwondering of vrees te toonen, verscheen. ’t Was of ze onze dame in ’t geheel niet zag. Dit kwetste de ijdelheid onzer Muze, die eerbied en ontzag wenschte in te boezemen.
De alféreza kuchte, gaf den soldaten een teeken dat ze heen konden gaan, en de zweep van haar man van een spijker aan den wand nemende, zeide ze op onheilspellenden toon tot de krankzinnige:
“Kom, nu zingen!” Dit ging in dooreengehaspeld Tagaalsch en Spaansch. Sisa begreep haar natuurlijk niet, en deze onwetendheid bezwoer haar toorn.
Een van de schoone eigenschappen dezer dame was, dat ze deed alsof ze de landstaal niet kende, zoodat ze die zoo slecht mogelijk sprak: zoo meende ze den indruk te maken van een echte Europeesche. En daar deed ze goed aan, want, zoo ze al het Tagaalsch verminkte, het Spaansch kwam uit haar mond niet beter voor den dag, noch wat taalregels, noch wat uitspraak betrof. En toch had haar man alle mogelijke moeite gedaan om haar die te leeren. En menige kneep, menige stomp, menigen stokslag hadden de lessen haar gekost!
Tooneelen van ergernis over onbegrijpelijkheid der leerlinge kwamen telkens voor. Haar man, toen nog korporaal, terwijl zij waschvrouw was, berekende met smart dat zijn wederhelft na tien jaar het spreken geheel-en-al zou verleerd zijn. Toen ze trouwden, verstond zij nog Tagaalsch en kon zich verstaanbaar maken in ’t Spaansch, nu, in den tijd van ons verhaal, sprak ze geen van beide meer: ze had een groote liefhebberij opgevat voor gebarentaal, en daarbij bezigde ze de luidruchtigste en raakste.
Sisa trof het dus, dat ze haar niet begreep. Haar wenkbrauwen wat ontspannend, lachte ze even met voldoening: ongetwijfeld kende ze ’t Tagaalsch niet meer, was ze dus een Europeesche.
“Oppasser, zeg aan deze vrouw in ’t Tagaalsch, dat ze zingen moet. Ze verstaat me niet, ze kent geen Spaansch.”
De krankzinnige begreep den oppasser en zong het lied dat ze in den nacht gezongen had.
Doña Consolación luisterde eerst met een spotlachje op de lippen, doch dit verdween allengs, ze begon aandachtig te worden, daarna ernstig en eenigszins in gepeins verzonken. De stem, de zin der verzen en de zang zelf maakten indruk op haar: dat dorre, droge hart dorstte wellicht naar regen. Zij begreep het goed: “De droefheid, de koude en de vochtigheid, die uit den hemel nederdalen, gehuld in den mantel der nacht,” zooals de koendiman luidde, “’t scheen haar dat ze ook haar pracht tentoongespreid had, verlangend naar bijval en vol van ijdelheid, bij ’t vallen van den avond berouwvol en ontgoocheld, doet een poging om haar verwelkte bloemblaadjes op te heffen naar den hemel, vragend om een weinig schaduw, waar ze weg kan schuilen en sterven, zonder den spot van ’t licht dat haar zag in haar glorie, zonder de ijdelheid van haar trots te zien, en dat ook een weinig dauw moge schreien over haar. De nachtvogel verlaat zijn eenzaam schuil-oord, de holte in den ouden boomstam, en verstoort de weemoed der wouden...”
“Nee, niet zingen”, riep de vrouw van den alférez, nu in uitstekend Tagaalsch, terwijl ze zenuwachtig opstond. “Zing niet meer! Die woorden doen me pijn!”
De krankzinnige zweeg. De oppasser liet zich ontvallen: “Wel, ze kent waarachtig Tagaalsch!” en hij stond vol verbazing zijn meesteres aan te kijken.
Deze begreep dat ze zich verraden had. Ze schaamde zich, en daar haar aard onvrouwelijk was, nam de schaamte den vorm van woede en haat aan. Ze wees den onvoorzichtigen oppasser de deur, en sloot deze met een trap achter hem. Ze liep eenige malen door het vertrek heen en weer, terwijl ze de zweep in haar pezige handen verwrong. En op eens, stilstaande voor de krankzinnige, zeide ze in ’t Spaansch:
“Dans!”
Sisa verroerde zich niet.
“Dans! Dans!” herhaalde ze op dreigenden toon.
De krankzinnige keek haar aan met leege, zinlooze oogen.
De alféreza hief Sisa’s eenen arm op, daarna den andere en schudde dien heen en weer: ’t gaf niets, ze begreep ’t niet.
De andere begon te springen, zich te bewegen, terwijl ze de krankzinnige aanzette, om haar na te doen. Men hoorde uit de verte de processie-muziek een statigen ernstigen marsch spelen, maar onze dame maakte woeste sprongen op een andere maat, een andere muziek: die, welke in haar binnenste weerklonk. Sisa keek haar roerloos aan. Iets als nieuwsgierigheid teekende zich in haar oogen, en een zwakke glimlach bewoog haar bleeke lippen: ze vond het dansen van die dame wel leuk.
Deze hield als verlegen op, zwaaide de zweep, de vreeselijke zweep, zoo welbekend bij dieven en soldaten, te Aelongo gemaakt en door den alférez verbeterd met ingevlochten ijzerdraad, en zeide:
“Nu is ’t jouw beurt om te dansen—dans!”
En ze begon zachtjes op de bloote voeten der krankzinnige te slaan. Deze vertrok haar gezicht van pijn, en bracht de handen aan de voeten, om deze te beschermen.
“Aha! Je begint al!” riep de ander met woeste vreugde, en van ’t “lento” ging ze over in een “allegro vivace.”
De ongelukkige stiet een kreet van pijn uit, en hief levendig den voet op.
“Zul je dansen ... zwarte h...?” zeide onze dame, en de zweep zwierde en zwiepte door de lucht.
Sisa liet zich op den grond vallen, bracht beide handen aan haar beenen, en keek haar beul met uitpuilende oogen aan. Twee harde zweepslagen op den rug deden haar opstaan: ’t was geen kreet meer, ’t was een gehuil dat de ongelukkige uitstiet. Het dunne hemd scheurde, de huid ging stuk, en er vertoonde zich bloed.
Het gezicht van ’t bloed deed Doña Consolación’s opwinding nog toenemen.
“Dans, dans, vervloekte ellendeling! De moeder die je ter wereld bracht mag verdoemd zijn!” riep ze. “Dans of ik ransel je dood!”
En zij zelf, haar aanvattend met de eene hand en haar geeselend met de andere, begon te springen en te dansen.
De krankzinnige begreep haar ten slotte, en volgde, de armen ongeregeld heen en weer bewegend. Een glimlach van voldoening vertrok de lippen der leermeesteres, de glimlach van een vrouwelijke Mefisto, die erin slaagt een groote leerling te krijgen. Er lagen haat, minachting, spot en wreedheid in; een schaterlach had niet meer kunnen uitdrukken.
En, verdiept in ’t genieten van dit schouwspel, hoorde ze haar man niet aankomen, voordat de deur op luidruchtige wijze opengetrapt werd.
De alférez stond bleek en somber kijkend vóór haar. Hij zag wat er voorviel, en wierp zijn vrouw een vreeselijken blik toe. Deze verroerde zich niet van haar plaats en bleef cynisch lachen.
De alférez legde zoo zacht als hij kon de hand op den schouder der zonderlinge danseres, en deed haar stilhouden. De krankzinnige kwam op adem, en ging langzaam op den met bloed bevlekten grond zitten.
De stilte hield aan. De alférez ademde zwaar. Zijn vrouw, die hem met vragende oogen gadesloeg, raapte de zweep op en vroeg hem bedaard en langzaam:
“Wat overkomt je? Je hebt me niet eens nog gegroet!”
De alférez antwoordde niet, maar riep den oppasser.
“Neem deze vrouw mee,” zeide hij, “laat Marta haar een ander hemd geven, en haar behandelen! Jij moet haar goed te eten geven, en een bed... voorzichtig, als ze slecht behandeld wordt! Morgen moet ze naar ’t huis van meneer Ibarra gebracht worden.”
Daarna sloot hij zorgvuldig de deur, schoof er den grendel voor, en trad op zijn vrouw toe.
“Jij legt je erop toe dat ik je dood zal slaan!” zeide hij tot haar met gebalde vuisten.
“Wat scheelt je?” vroeg zij, opstaande en terugtredende.
“Wat me scheelt?” riep hij met donderende stem, vloekend, en, op een papier vol krabbels wijzend, ging hij voort: “Heb jij dezen brief niet aan den alcalde geschreven, en daarin gezegd dat ik me liet betalen, om ’t dobbelen toe te laten, vuile sl...? Ik weet niet wat me let om je te vermorzelen!”
“Komaan, waag dat ’s!” zeide zij spotachtig lachend. “Die mij vermorzelt, moet een andere kerel wezen dan jij!”
Hij hoorde de beleediging, maar hij zag de zweep. Hij greep een bord, dat op tafel stond, en smeet dat naar haar hoofd. De vrouw, gewend aan zulke ruzies, bukte snel, en het bord sloeg stuk tegen den muur. ’t Zelfde lot overkwam een kopje en een glas.
“Lafaard!” riep zij. “Je durft niet naderbij komen!”
En ze sprong naar hem, om hem nog razender te maken. De man werd nu geheel verblind, en brullend wierp hij zich op haar. Doch zij overstriemde hem met wonderlijke vlugheid het gelaat met de zweep en zette het daarna op een loopen.
Ze vluchtte in haar kamer, waarvan ze de deur ijlings op slot deed. Loeiend van woede en pijn, vervolgde de alférez haar, en kwam niet verder dan de deur. Daar braakte hij godslasteringen uit.
“Vervloekt varken, doe open! Doe open, h..., of ik sla je de hersens in!” brulde hij, de deur bewerkend met voeten en vuisten.
Doña Consolación gaf geen antwoord. Men hoorde een gedruisch van stoelen en koffers, alsof iemand een barrikade van huisraad wilde oprichten. Het huis daverde van ’t getrap en ’t gevloek van den echtgenoot.
“Kom niet binnen, kom niet binnen!” zeide de krijschende stem der vrouw. “Als je hier komt, schiet ik op je!”
Hij scheen langzamerhand te bedaren, en vergenoegde zich ermee, van ’t eene eind van ’t vertrek naar ’t andere te loopen, als een wild beest in zijn kooi.
“Ga de straat op, om je kop wat op te frisschen!” ging de vrouw voort met spotten. Ze scheen ondertusschen haar verdedigingstoebereidselen voltooid te hebben.
“Ik bezweer je dat, als ik je te pakken krijg, God je zelfs niet helpen kan, vuil kr...!”
“Jawel! Zeg jij maar wat je wil... je woû me niet naar de mis laten gaan! Je liet me niet afrekenen met onzen lieven Heer!” zeide ze met een sarkasme, waarvan zij alleen ’t geheim bezat.
De alférez greep zijn helm, verschikte zijn kleeren eenigzins en ging met groote stappen heen, maar na enkele oogenblikken keerde hij terug zonder ’t minste gedruisch te maken: hij had zijn laarzen uitgetrokken. De bedienden, gewend aan zulke tooneelen, plachten zich erbij te vervelen, doch de nieuwigheid met de laarzen trok hun aandacht, en de een gaf den ander beteekenisvolle oogknipjes.
De alférez ging op een stoel zitten, naast de onheilvolle deur, en had het geduld om meer dan een half uur te wachten.
“Ben je werkelijk weggegaan, of zit je daar, lamstraal?” vroeg de stem van tijd tot tijd, met wisselend epitheton, maar stijgend in toon.
Eindelijk begon ze stuk voor stuk de meubels weg te halen. Hij hoorde het gedruisch en lachte.
“Oppasser! Is meneer weggegaan?” schreeuwde Doña Consolación.
Op een teeken van den alférez, antwoordde de oppasser:
“Ja, mevrouw, hij is weggegaan.”
Men hoorde haar vroolijk lachen, en de grendel werd weggetrokken.
De echtgenoot stond zachtjes op. De deur ging op een kier... Een kreet, de val van een lichaam, vloeken, gehuil, verwenschingen, slagen, heesche uitroepen... Wie beschrijft wat er voorviel in de duisternis der slaapkamer?
De oppasser liep naar de keuken, en gaf een zeer welsprekend teeken aan den kok.
“En jij krijgt het op je kop!” zei deze.
“Ik? Dat is ook wat moois! Zij vroeg me of hij weggegaan was, niet, of hij teruggekomen was.”