XXXVIII.

Recht en Macht.

’t Zal zoowat tien uur in den avond geweest zijn. De laatste vuurpijlen stegen lui op naar den donkere hemel, waar, als nieuwe sterren, eenige papieren ballons stonden te schitteren, die door middel van rook en verwarmde lucht opgezonden waren. Enkele, versierd met vuurwerk, raakten in brand en bedreigden het heele dorp. Daarom bleef men nog steeds mannen zien op de nokken der daken, gewapend met een lange bamboe, met een lap aan ’t uiteinde en voorzien van een emmer water. Hun zwarte silhouetten kwamen scherp uit tegen het flauwe licht der lucht, en ’t leken zoo spoken neergedaald uit hooger sfeeren, om de vreugden der menschen bij te wonen.

Er waren ook tal van raadjes, zonnen, stieren of karbouwen van vuurwerk afgestoken en ook een groote “vulkaan,” die in fraaiheid en grootschheid alles overtroffen had, wat de bewoners van San Diego ooit te voren hadden gezien.

Nu begaf zich de menigte in massa naar het dorpsplein, om voor de laatste maal den schouwburg te bezoeken. Op verschillende plaatsen zag men bengaalsch licht, dat op fantastische wijze de vroolijke groepjes bescheen. De kinderen bezigden fakkels, om in ’t gras mislukte “bommen” en andere overblijfselen te zoeken, die ze zouden kunnen benutten, doch de muziek gaf het teeken, en iedereen verliet de weide.

Het groote tooneel was schitterend geïllumineerd. Duizenden lichten omringden de stutten, hingen van het dak, en bezaaiden den grond in dichte groepen.

Een politie-agent hield er het toezicht op, en wanneer hij toetrad, om ze in orde te brengen, floot het publiek hem toe en schreeuwde, “’t Is al goed, ’t is al goed!”

Voor ’t eigenlijke tooneel stemde het orkest zijn instrumenten en preludieerde melodiën. Hierachter bevonden zich de zitplaatsen waarvan de correspondent in zijn brief sprak. De overheidspersonen van het dorp, de Spanjaarden en de rijke vreemdelingen bezetten allengs de rijen stoelen. Het volk, de menschen zonder titel of traktement, vulden het overige der ruimte. Sommigen sjouwden met een bank, meer om tegemoet te komen aan hun te kleine gestalte dan om erop te gaan zitten. Dit lokte heftig protest uit van de zijde der bankeloozen. Dan gingen ze onmiddellijk eraf, doch weldra stonden ze er weer op, alsof er niets gebeurd was.

Heen en weergeloop, kreten, uitroepen, schaterlachen, een verdwaalde voetzoeker, een zevenklapper hier en daar vermeerderden het gedruisch. Ginds brak er een poot van een bank en vielen tot vermaak der menigte, menschen op den grond, die van verre waren gekomen om te zien, en die nu zelf een schouwspel opleverden. Verderop werd er ruzie gemaakt om een zitplaats; iets meer op een afstand hoorde men het gedruisch van brekende glazen en flesschen: ’t was Andèng, die met ververschingen en dranken aankwam. Met beide handen hield ze het breede presenteerblad vast, doch ze ontmoette haar aanstaande, die van de eigenaardige toestand profiteeren wilde.

De onderburgemeester, de teniënte mayor Filipo, zat voor bij de tooneelvoorstelling; want de burgemeester zelf was een liefhebber van kaarten, van ’t stok spel. Don Filipo sprak met de oude Tasio:

“Wat moet ik doen?” zeide hij, “de alcalde heeft mijn ontslag aanvrage niet willen aannemen. ‘Voelt u zich niet krachtig genoeg, om uw plichten te doen?’ vroeg hij me.

“En wat heeft u hem geantwoord?”

“Meneer de Alcalde, heb ik hem geantwoord, de kracht van een teniënte mayor, hoe onbeteekenend ze ook mocht wezen, is als die van iedere overheid: ze komt van hoogere sfeeren. Zelfs de koning ontvangt ze van ’t volk, en het volk van God. Dit is juist wat ik mis, meneer de Alcalde. Maar de alcalde wilde niet naar me luisteren, en zei me dat we na de feesten daar nog wel over spreken zouden.”

“Moge God u dan helpen!” zeide de oude man en trachtte heen te gaan.

Wilt u de voorstelling niet zien?”

“Dank u! Om te droomen en nonsens uit te slaan heb ik aan mezelf genoeg,” antwoordde de filosoof met een sarkastische lach. “Maar ik herinner me nu: heeft het karakter van ons volk nooit uw aandacht getrokken? ’t Is vreedzaam en ’t houdt van krijgshaftige tooneelen, van bloedigen strijd; ’t is democratisch, en ’t aanbidt keizers, koningen en prinsen; ’t is ongodsdienstig, en ’t maakt zich arm aan allerlei praal voor den eeredienst; onze vrouwen hebben een zachtzinnige aard, en zijn er dol op dat een prinses een lans drilt... Weet u waaraan dit te wijten is? wel...”

De komst van Maria Clara en haar vriendinnen stoorde het gesprek. Don Filipo ontving ze, en geleidde ze naar haar plaatsen. Daarna kwam de pastoor, en er kwamen ook andere burgers wier taak het was de frailes te vergezellen. “God moge ze ook in ’t andere leven beloonen,” zeide de oude Tasio, terwijl hij zich verwijderde.

De voorstelling begon met Chananay en Marianito. Iedereen had alleen oogen en ooren voor ’t tooneel, behalve een: Padre Salvi. Hij scheen daar alleen gekomen te zijn, om Maria Clara gade te slaan, wier droefheid aan haar schoonheid iets zoo ideaals en belangwekkends gaf, dat ze er verrukkelijk uitzag. Doch de oogen van den Franciskaan, diep verscholen in de holle kassen, spraken niet van verrukking; in die sombere blik was iets wanhopig droevigs te lezen: met zulke oogen moet Kaïn van verre naar het paradijs gekeken hebben, welks genietingen zijn moeder hem geschilderd had!

Het bedrijf eindigde toen Ibarra binnentrad. Zijn verschijning wekte een gemompel: ieders aandacht vestigde zich op hem en op den pastoor.

Maar de jongeman scheen ’t niet te merken, want hij groette ongedwongen Maria Clara en haar vriendinnen, en zette zich naast ze neder. De eenige die sprak was Sinang.

“Ben je naar de ‘vulkaan’ gaan kijken?” vroeg ze.

“Nee, meiske, ik heb de Capitán general vergezeld.”

“Wel, da’s jammer! De pastoor is met ons meegegaan, en vertelde ons geschiedenissen van verdoemden. Hoe vind je dat? Om ons bang te maken, en zoo ons pleizier te bederven, geloof je ook niet?”

De pastoor stond op, en trad op Don Filipo toe, met wien hij een levendig twistgesprek scheen te beginnen. De pastoor sprak opgewonden, Don Filipo bedaard en op gedempten toon.

“’t Spijt me, dat ik Uweleerwaarde niet naar den zin kan zijn,” zeide hij, “meneer Ibarra is een der grootste bijdragers voor ’t feest, en hij heeft ’t recht om hier te zijn, zoolang hij de orde niet verstoort.”

“Maar is ’t dan niet de orde verstoren, als men de goede Christenen schandalizeert? ’t Is of men een wolf binnenlaat in de schaapskooi! U zult u hiervoor moeten verantwoorden tegenover God en tegenover de autoriteiten!”

“Ik weet me altijd te verantwoorden voor de daden, die uit mijn eigen wil voortkomen, eerwaarde vader,” antwoordde Don Filipo, even buigend, “maar mijn klein gezag geeft me niet de bevoegdheid, me met godsdienstige zaken te bemoeien. Die aanraking met hem willen vermijden moeten maar niet met hem spreken: meneer Ibarra dwingt evenmin iemand.”

“Maar ’t is gelegenheid geven tot gevaar, en die ’t gevaar liefheeft, komt er in om.”

“Ik zie geen enkel gevaar, eerwaarde vader: meneer de alcalde en de gouverneur, mijn meerderen, hebben den heelen namiddag met hem gepraat, en ik hoef hun geen les te geven.”

“Als je hem er niet uitgooit, gaan wij heen.”

“Dat zou me zeer spijten, maar ik kan niemand eruit gooien.”

De pastoor had er berouw over, maar er was niets meer aan te doen. Hij gaf een teeken aan zijn metgezel, die met tegenzin opstond, en beiden gingen heen. Ze werden nagevolgd door hun trouwe lijftrawanten, niet zonder een blik van haat naar Ibarra te hebben geworpen.

Het gemompel en gefluister werden erger. Verscheidene personen kwamen daarop naar den jongeman toe, groetten hem, en zeiden:

“Wij zijn aan uw kant. U moet maar niet op die lui letten.”

“Wie zijn die lui?” vroeg hij verwonderd.

“De lui die heengegaan zijn om niet in aanraking met u te komen!”

“Ja, ze zeggen dat u in den kerkelijken ban is.”

Ibarra kon van verbazing niets zeggen, en keek om zich heen. Hij zag Maria Clara, die haar gelaat achter de waaier verborg.

“Maar is ’t mogelijk?” riep hij eindelijk uit. “Zijn we nog heelemaal in de middeleeuwen? Zoodat dus...

En op de jongemeisjes toetredende, en van toon veranderend zeide hij:

“Neemt me niet kwalijk, ik had vergeten dat ik een afspraak had. Ik voeg me straks weer bij jullie.”

“Blijf, zeg!” zeide Sinang. “Jejeng gaat straks dansen en die danst hemels.”

“Ik kan niet, lieve kind, maar ik kom terug.”

Het gepraat verdubbelde.

Juist toen de danseres opgetreden was, traden twee soldaten van den guardia civil op Don Filipo toe, en verzochten dat de voorstelling zou ophouden.

“En waarom?” vroeg deze verbaasd.

“Omdat de alférez en zijn vrouw met elkaar gevochten hebben en niet kunnen slapen.”

“Zeg aan den alférez dat we vergunning hebben. Niemand in ’t dorp is hier bevoegd, zelfs niet de burgemeester, die mijn eenige meerdere is.”

“Nu maar de voorstelling moet ophouden!” herhaalden de soldaten.

Don Filipo keerde hun den rug toe. De guardia’s gingen heen.

Om de rust niet te verstoren, zeide Don Filipo niemand iets van ’t gebeurde.

Na ’t stukje Zarzuela, dat zeer werd toegejuicht, vertoonde zich Prins Villardo, die al de Mooren ten strijd uitdaagde, welke zijn vader hadden gevangen genomen. De held dreigde ze, dat hij allen met een slag de hoofden zou afsnijden en die naar de maan zou zenden. Gelukkig voor de Mooren, die zich reeds ten strijd bereidden, ontstond er een tumult. De muzikanten van ’t orkest hielden plotseling op, sprongen op ’t tooneel, en wierpen hun instrumenten weg. De dappere Villardo, die ze niet verwachtte, en ze aanzag voor aanhangers van de Mooren, wierp ook zwaard en schild weg, en zette het op een loopen. De Mooren, die zagen dat zulk een vreeswekkende christen vluchtte, vonden het niet ongeschikt hem na te volgen. Men hoorde kreten, geweeklaag, vervloekingen, godlasteringen, de menschen liepen dooreen en tegen elkaar in, de lichten gingen uit, illuminatie-potjes werden de lucht in geslingerd en meer zoo. Toelisan! toelisan! (roovers) riepen sommigen. “Brand! Dieven!” anderen, vrouwen en kinderen schreiden, banken en toeschouwers rolden tegen den grond, te midden van de algemeene verwarring en ’t lawaai.

Wat was er voorgevallen?

Twee guardia civiles waren met een stok in de hand de muzikanten te lijf gegaan, om de voorstelling te doen eindigen. De teniente mayor met de burgerwacht, met oude sabels gewapend, slaagden erin ze aan te houden, in weerwil van hun tegenstand.

“Brengt ze naar ’t stadhuis!” riep Don Filipo.

“Voorzichtig, hoor, ze niet loslaten!”

Ibarra was teruggekomen, en zocht Maria Clara. De vreesbevangen jongemeisjes klampten zich bleek en bevend aan hem vast.

Tante Isabel bad de litanieën in ’t latijn.

Toen de menschen een weinig van den schrik bekomen waren en ze zich rekenschap hadden gegeven van ’t geen er gebeurd was, barstte de verontwaardiging overal los. Het regende steenen op de twee guardia’s, die door de burgerwacht werden weggevoerd. Er was er een die voorstelde de kazerne in brand te steken, en Doña Consolación samen met den alférez levend te braden.

“Daar dienen ze voor!” riep een vrouw, de mouwen opstroopend en de armen uitstrekkend, “om ’t volk in beroering te brengen. Ze hinderen alleen fatsoenlijke menschen. Daar staan de toelisan’s, de dobbelaars! Laten we de kazerne in brand steken!”

Een betastte zich de armen en vroeg om “bediend” te worden. Klagende kreten kwamen onder de omgevallen banken vandaan: ’t was een arme muzikant. Het tooneel stond vol akteurs en menschen uit het volk, die allen tegelijk spraken. Daar was Chananay, gekleed als Leonora in de Troubadour bezig in pasar-taal te praten met Ratia, die als schoolmeester uitgedost was. Jejeng gehuld in een zijden sjaal, met Prins Villaroo; Balbino en de Mooren deden hun best om de muzikanten te troosten, die min of meer beleedigd waren. Eenige Spanjaarden liepen van den eenen kant naar den andere, iedereen die ze tegenkwamen toesprekend.

Doch er had zich reeds een bende gevormd. Don Filipo, die begreep wat ze voorhadden, liep toe om hen tegen te houden.

“U moet de orde niet verstoren!” riep hij, “morgen zullen we voldoening vragen. Men zal ons recht laten wedervaren. Ik sta u ervoor in, dat men ons recht zal doen!”

“Nee!” antwoordden er enkelen, “’t was net zoo in Calamba.1 Men beloofde toen hetzelfde, maar de alcalde deed niets. We willen ons zelf recht verschaffen! Naar de kazerne!”

Tevergeefs sprak de onderburgemeester ze toe: de menschen volhardden bij hun houding. Don Filipo keek om zich heen naar hulp uit, en zag Ibarra.

“Meneer Ibarra, als ’t u belieft, houdt u ze tegen, onderwijl dat ik cuadrillero’s ga halen!”

“Wat kan ik nu doen?” vroeg de jongeman in verlegenheid. Maar de teniente mayor was al weg.

Ibarra keek op zijn beurt om zich heen, zoekende naar iemand, hij wist niet wie. Gelukkig meende hij Elias te bespeuren. Ibarra liep op hem toe, greep hem bij den arm en zeide in ’t Spaansch:

“Om Gods wil! Doet u iets, als u kan, ik kan niets doen!”

De “loods” had hem stellig begrepen; want hij verdween in de groep.

Men hoorde een levendige woordenwisseling, opgewonden uitroepen; daarna begon de bende langzaam-aan uiteen te gaan, en nam ieder een minder vijandelijke houding aan.

’t Was wel tijd, want de soldaten kwamen gewapend naar buiten, met de bajonet op.

Wat deed intusschen de pastoor?

Padre Salvi was niet naar bed gegaan. Staande, het voorhoofd steunend tegen de jaloezieën, keek hij naar het plein, onbeweeglijk, terwijl hij nu en dan een gesmoorde zucht slaakte. Als het licht van zijn lamp niet zoo schaarsch geweest was, zou men wellicht hebben kunnen zien, dat zijn oogen zich met tranen vulden. Zoo wachtte hij bijna een uur door.

Uit dezen toestand rukte hem het tumult op het plein. Hij volgde met verbaasden blik het verwarde heen- en weergeloop der menschen, wier uitroepen en geschreeuw flauwtjes tot hem doordrongen. Een der bedienden, die buiten adem aankwam, stelde hem op de hoogte van hetgeen er plaats had.

Een gedachte doorflitste zijn verbeelding. Midden in de verwarring en het tumult plegen de lichtmissen gebruik te maken van den schrik en de zwakheid der vrouw. Iedereen vlucht en stelt zich in veiligheid, niemand denkt aan een ander, schreeuwen wordt niet gehoord, de vrouwen bezwijmen, loopen elkaar omver, vallen; ontzetting en vrees luisteren niet naar de stem der kuischheid, en in ’t holle van den nacht..., en wanneer ze zich wapenen! ’t Was of hij Crisóstomo daar zag, de bezwijmde Maria Clara in zijn armen wegvoerende, om in de duisternis te verdwijnen.

Hij ijlde de trappen af, zonder hoed, zonder stok, en als een gek holde hij het plein op.

Daar ontmoette hij de Spanjaarden die de soldaten hadden terecht gewezen. Hij keek naar de plaatsen waar Maria Clara en haar vriendinnen gezeten hadden: ze waren ledig.

“Meneer de pastoor! Meneer de pastoor!” riepen hem de Spanjaarden toe, maar hij lette niet op hen, en liep voort in de richting van Capitán Tiago’s huis. Daar herademde hij; hij zag in ’t openstaande transparant van ’t venster een silhouet, het aanbiddelijke silhouet vol bevalligheid en zacht van omtrekken van Maria Clara, en dat van haar tante, die kopjes en glazen droeg.

“Komaan!” mompelde hij, “’t schijnt dat ze alleen maar ziek geworden is!” Tante Isabel sloot daarop de vensters, en het bevallige silhouet verdween.

De pastoor verwijderde zich van die plaats zonder de menigte te zien. Hij zag in zijn verbeelding een schoone maagde-boezem, die rustig sliep en zacht ademhaalde; de oogleden waren beschaduwd door lange wimpers, die sierlijke booglijnen beschreven als de Maagden van Rafaël, de kleine mond glimlachte; ’t geheele gelaat ademde maagdelijkheid, reinheid, onschuld; dat gezichtje was een lieflijke verschijning te midden der witheid van het bed, gelijk een cherubskopje tusschen wolken.

De verbeelding ging verder en zag nog andere dingen; doch wie schrijft al wat een vurig brein zich kan verbeelden?

Wellicht de correspondent van het blad, die zijn beschrijving van ’t feest en al het voorgevallene op deze wijze eindigde:

“Dank, duizendmaal dank aan de tijdige en werkdadige tusschenkomst van Zijn-Weleerwaarde Pater Bernardo Salvi, die ieder gevaar tartend, onder ’t verwoede volk, te midden van de dolle menigte zonder hoed, zonder stok, de ontketende hartstochten deed bedaren, enkel door zijn overtuigend woord, door de majesteit en het gezag die nooit ontbreken bij een priester van den Godsdienst des vredes. De deugdzame monnik heeft, met een zelfverloochening zonder wedergade, het genot van den slaap gederfd, dat ieder goed geweten als het zijne smaakt, om te beletten dat zijn kudde een klein ongeluk zou treffen. De bewoners van San Diego zullen zonder twijfel deze verheven daad van hun heldhaftigen zieleherder niet vergeten, en zullen hem voor alle eeuwigheid dankbaar weten te zijn.


1 In 1879.

XXXIX.

Twee bezoeken.

In den gemoedstoestand waarin Ibarra zich bevond, was het hem onmogelijk in slaap te komen, zoodat hij, om zijn geest af te leiden en de droevige gedachten, die ’s nachts nog pijnlijker werden van zich af te zetten, zich in zijn eenzame studeerkamer aan ’t werk zette. De dageraad verraste hem, toen hij nog bezig was met het maken van mengsels en verbindingen, aan welker werking hij stukjes riet en andere zelfstandigheden onderwierp, die hij daarna in genummerde en gelakte flakons wegborg.

Een bediende kwam binnen, en berichtte hem de komst van een boer.

“Laat hem binnenkomen!” zeide hij, zonder zich zelfs om te keeren.

De binnentredende was Elias, die daarna zwijgend bleef staan.

“O, bent u ’t?” riep Ibarra in ’t Tagaalsch uit, toen hij hem herkende.

“Neem me niet kwalijk dat ik u heb laten wachten. Ik had het niet gemerkt: ik was bezig een belangwekkende proef te doen...”

“Ik wilt u niet storen!” antwoordde de jonge “loods.”

“Ik ben in de eerste plaats gekomen, om u te vragen, of u soms iets voor de provincie Batagas hebt: ik ga daar nu heen.

En ten tweede om u een slechte tijding te brengen...”

Ibarra keek den “loods” vragend aan.

“De dochter van Capitán Tiago is ziek,” hervatte Elias kalm, “maar niet ernstig.”

“Ik had het wel gevreesd!” riep Ibarra met zwakke stem uit. “Weet u wat haar scheelt?

“O koorts! Als u nu verder niets te bevelen heeft...”

“Dank u, mijn vriend. Ik wensch u een goede reis..., maar veroorloof me eerst een vraag te doen. Als u die onbescheiden vindt, antwoord dan maar niet.”

Elias boog.

“Hoe heeft u dat opstootje gisteravond kunnen bezweren?” vroeg Ibarra, hem strak aanziende.

“O heel eenvoudig!” antwoordde Elias met de grootste natuurlijkheid. “De leiders van de beweging waren twee broers, wier vader doodgeslagen is door de guardia civil. Eens op een dag had ik het geluk ze te redden uit dezelfde handen, waarin hun vader gevallen was, en beiden zijn me daar dankbaar voor. Ik heb me gisterenavond tot hen gewend, en zij hebben op zich genomen, de anderen van hun plan af te brengen.”

“En die twee broers wier vader doodgeslagen is?...”

“Die zullen wel net zoo eindigen als hun vader,” antwoordde Elias zacht; “wanneer ’t ongeluk ’t eenmaal op een familie heeft gemunt, moeten al de leden eraan gelooven. Wanneer de bliksem een boom treft, maakt hij hem heelemaal tot asch.”

En Elias, ziende dat Ibarra zweeg, nam afscheid. De laatste verloor, toen hij zich alleen zag, de kalme houding die hij in tegenwoordigheid van den “loods” had in acht genomen, en de smart vertoonde zich op zijn gelaat.

“Ik, ik heb haar zoo ellendig gemaakt!” mompelde hij.

Hij kleedde zich vlug aan, en ging de trap af.

Een klein mannetje, in de rouw, met een groot litteeken op de linkerwang, groette hem nederig, en hield hem onderweg aan.

“Wat wilt u?” vroeg Ibarra hem.

“Meneer, ik heet Lucas, ik ben de broer van den man die gisteren gestorven is.”

“Zoo! Ik betuig u wel mijn leedwezen... En?”

“Meneer, ik wou ’s weten, hoeveel u zal betalen aan de familie van mijn broer.”

“Betalen?” herhaalde de jongeman, zonder zijn ergernis te kunnen bedwingen. “Daar zullen we wel ’s over praten. Komt u vanavond maar terug; want ik heb nu geen tijd.”

“Zegt u alleen maar, hoeveel u betalen wilt!” hield Lucas aan.

“Ik heb u gezegd dat we daarover wel ’s een anderen keer spreken zullen, ik heb nu haast!” zeide Ibarra ongeduldig.

“Heeft u nu geen tijd, meneer?” vroeg Lucas met bitterheid, en ging vlak voor hem staan. Heeft u geen tijd, om u met de dooden bezig te houden?”

“Kom vanavond, m’n goeie man!” herhaalde Ibarra, zich bedwingende; “ik moet nu een zieke gaan opzoeken.”

“Zoo, en vergeet u om een zieke de dooden? Gelooft u dat we, omdat we arm zijn...?”

Ibarra keek hem aan en sneed hem het woord af.

“Stel mijn geduld niet op den proef!” zeide hij, en ging zijns weegs. Lucas bleef hem nastaren, met een glimlach vol haat.

“’t Is wel te merken dat je de kleinzoon bent van den man die mijn vader tot straf in de brandende zon heeft gezet!” mompelde hij binnensmonds. “Je hebt hetzelfde bloed!”

En, van toon veranderend, liet hij volgen:

“Maar, als je goed betaalt...goeie maatjes, hoor!

XL.

Dokter De Espadaña en zijn vrouw.

Het feest was voorbij. De dorpsbewoners vonden weder, evenals alle jaren, dat hun kas armer was geworden, dat ze veel gewerkt, gezweet en gezwoegd hadden, zonder zich vermaakt of nieuwe vrienden verkregen te hebben, in een woord, dat ze het lawaai en de hoofdpijn duur betaald hadden. Maar wat doet dat ertoe: ’t komende jaar zal men ’t zelfde doen, ’t zelfde in de volgende eeuw, want ’t is tot-nu-toe zoo de gewoonte geweest.

Ten huize van Capitán Tiago heerschte vrij groote droefenis; al de vensters zijn gesloten, de menschen loopen geruischloos rond, en alleen in de keuken durft men luide te spreken. Maria Clara, de ziel van ’t huis, ligt ziek te bed. Haar toestand is te lezen in ieders gelaat, zooals men het lijden des geestes leest in de trekken van een persoon.

“Wat dunkt je, Isabel, zal ik de offergave doen aan het Kruis van Toenasan of aan dat van Matahong?” vroeg de veelbeproefde vader zacht. “Het kruis van Toenasan groeit, maar dat van Matahong zweet. Welk van de twee hou jij voor wonderdadiger?”

Tante Isabel dacht na, schudde het hoofd en mompelde:

“Groeien...wel groeien is grooter wonder dan zweten: we zweten allemaal, maar groeien doen we niet allemaal.”

“Dat ’s waar, ja, Isabel, maar bedenk wel dat zweten, dat het zweten van hout dat voor de poot van een bank bestemd was, geen klein wonder is...Och ’t beste zal wezen, de offergave aan de beide kruisen aan te bieden. Zoo zijn beide partijen bevredigd, en zal Maria Clara spoediger beter worden. Zijn de kamers in orde? Je weet wel dat er met den dokter en zijn vrouw een nieuwe meneer meekomt, familie van Padre Dámaso. Er mag niets ontbreken.

Spoedig daarna reed er een rijtuig voor.

Capitán Tiago gevolgd door tante Isabel, liep ijlings de trap af, om de aankomenden te ontvangen. Dit waren Doctor Fiburcio de Espadaña, zijn wederhelft mevrouw Victorina de los Reyes de Espadaña en een jongmensch met een innemend gelaat en aangenaam voorkomen.

Zij droeg een zijden ochtendjapon, afgezet met bloemen, en een hoed met een groote papegaai erop, die half verdrukt zat tusschen blauwe en roode linten. Het stof van den weg, vermengd met het rijstpoeder op haar wangen, schenen haar rimpels te hebben vermeerderd. Evenals eertijds te Manila leidde ze nu ook haar manke man aan den arm.

“Ik heb ’t genoegen u voor te stellen onzen neef Don Alfonso Linares de Espadaña!” zeide Doña Victorina, op het jongemensch wijzende. Meneer is petekind van een familielid van Padre Dámaso, partikulier sekretaris van alle ministers...”

De jongeman groette hoffelijk; Capitán Tiago kuste hem bijna de hand.

De talrijke koffertjes en valiezen werden naar boven gebracht en Capitán Tiago geleidde zijn gasten naar hun logeerkamers.

Toen men bezig was het tweede ontbijt te gebruiken, kwam Padre Salvi, en het echtpaar, dat hem reeds kende, stelde hem den jongen Linares met al zijn titels voor, zoodat deze bloosde.

Men sprak natuurlijk over Maria Clara. Het jongemeisje rustte en sliep. Men sprak over de reis. Doña Victorina vierde haar praatlust bot, en kritizeerde de gewoonte der provinciemenschen, hun nipah-woningen, de bamboe bruggen, zonder te vergeten aan den pastoor mede te deelen, hoe wel ze was met allerlei groote lui.

“U moest twee dagen vroeger hier geweest zijn, Doña Victorina,” antwoordde Capitán Tiago, gedurende een korte tusschenpoos, “dan zou u den capitán general ontmoet hebben: die heeft daar gezeten.”

“Wat? Hoe? Is Zijne Excellentie hier geweest? En in uw huis? Och kom!”

“Ik zeg u dat hij daar gezeten heeft! Als u maar twee dagen eerder gekomen was...”

“Och! Hoe jammer dat Clarita niet eerder ziek geworden is!” riep zij met waarachtige spijt. En zich tot Lidares wendende, liet ze volgen:

“Hoor je dat, neef? Zijne Excellentie is hier geweest! Je ziet wel dat De Espadaña gelijk had, toen hij zeide dat je niet bij een armzalige inlander aan huis zou komen, want u moet weten, Don Santiago, dat onze neef in Madrid bevriend was met ministers en hertogen, en dat hij dineerde bij den graaf del Campanario.”

“Van den hertog de la Torre, Victorina,” verbeterde haar man.1

“Dat ’s net hetzelfde, wat woû je nou?”

“Zou ik vandaag ook Padre Dámaso in zijn dorp kunnen vinden?” viel Linares in de rede, zich tot Padre Salvi wendend. “Men heeft me gezegd dat het hier dicht-bij was.”

“Hij is juist hier, en zal heel gauw komen,” antwoordde de pastoor.

“Wat doet me dat genoegen! Ik heb een brief voor hem,” riep de jongeman uit, “en als ’t niet was door dit gelukkige toeval, dat me hier brengt, zou ik opzettelijk gekomen zijn, om hem op te zoeken.”

Het “gelukkige toeval” was intusschen wakker geworden.

“De Espadaña,” zei Doña Victorina, haar ontbijt beëindigend, “zullen we ’s naar Clarita gaan kijken?” En tot Capitán Tiago:

“Voor u alleen, Don Santiago, voor u alleen! Mijn man behandelt alleen voorname menschen, en dan nòg...! Mijn man is niet zooals die lui van hier... in Madrid bezocht hij uitsluitend menschen van hoog aanzien.”

Dat de groote geneesheer vroeger ambtenaartje bij de douane geweest was, en nooit eenige studie van geneeskunde gemaakt had, wist hier niemand. Zij evenmin.

Ze gingen naar de ziekekamer.

Het vertrek was bijna donker, de vensters waren gesloten uit vrees voor tocht, en het licht dat er scheen, kwam van de kaarsen, die stonden te branden voor het beeld der Heilige Maagd van Antipolo.

Het hoofd omwonden met een in eau de cologne geweekte doek, het lichaam zorgvuldig gewikkeld in witte lakens, met veel plooien erin, die haar maagdelijke vormen verheelden, lag het jonge meisje in haar ledikant van kamagon-hout, achter gordijnen van jusi en pina. Heur haar, als een lijst om haar ovaal gelaat, verhoogde de doorschijnende bleekheid, welke slechts verlevendigd werd door haar groote droefenisvolle oogen. Naast haar bed zaten de beide vriendinnen en Andeng met een ruiker leliën.

De Espadaña nam haar pols, onderzocht de tong, deed verschillende vragen, en zeide, terwijl hij het hoofd heen en weer bewoog:

“Wel...ze is ziek, maar ze kan genezen worden!”

Doña Victorina keek de omstanders fier aan.

“’s Morgens ijslands mos met melk, wat alteastroop, twee pillen van ‘hondetong’, schreef de Espadaña voor.

“Schep maar moed, Clarita,” zei Doña Victorina, naderbij komend, “we zijn gekomen om je beter te maken... Ik zal je mijn neef voorstellen.”

Linares was in gedachten verdiept, in stille beschouwing van die welsprekende oogen, welke iemand schenen te zoeken, en hoorde niet dat Doña Victorina hem riep.

“Meneer Linares”, zeide de pastoor tot hem, hem ontrukkend aan zijn geestvervoering, “daar komt Padre Dámaso.”

Inderdaad kwam de genoemde aan, bleek en eenigszins bedroefd. Toen hij het bed verliet, was zijn eerste bezoek voor Maria Clara. ’t Was niet meer de Padre Dámaso van voorheen, zoo sterk en spraakzaam; thans stapte hij zwijgend en eenigszins wankelend voort.


1 Campanario = klokketoren. Torre = toren; de dame vergiste zich dus door van de naam “Van de Toren” “Van de Klokketoren” te maken.

XLI.

Plannen.

Zonder zich aan iemand te storen, ging hij regelrecht naar het bed der zieke, en, haar bij de hand nemende, zeide hij met onzeggelijke teederheid, terwijl tranen in zijn oogen opwelden:

“Maria, Maria, mijn kindje, je moet niet doodgaan, hoor.”

Maria sloeg de oogen op en keek hem met eenige verwondering aan.

Niemand van hen die den Franciskaan kenden vermoedde in hem teedere gevoelens. Onder dat ruwe, grove uiterlijk geloofde niemand dat er een hart aanwezig was.

Padre Dámaso kon niet verder gaan, en verwijderde zich van het jongemeisje, schreiend als een kind. Hij ging naar de voorgalerij, om vrij te kunnen toegeven aan zijn smart, onder het lievelings-klimop van Maria Clara’s balkon.

“Wat houdt hij veel van zijn petekind!” dachten allen. Fray Salvi sloeg hem roerloos en zwijgend gade, terwijl hij onmerkbaar op zijn lippen beet.

Toen Padre Dámaso wat bedaard was, stelde Doña Victorina hem den jongen Linares voor, die eerbiedig naar hem toe kwam.

De pater nam hem zwijgend op, van hoofd tot voeten, nam den brief aan, dien de ander hem reikte, en las dien naar ’t scheen zonder hem te begrijpen, want hij vroeg:

“En wie bent u?”

“Alfonso Linares, het petekind van uw zwager...” stamelde het jongemensch.

Padre Dámaso wierp het lichaam naar achteren, sloeg den jongen man nog eens met aandacht gade, en, terwijl zijn gelaat verhelderde, stond hij op.

“Dus jij bent het petekind van Carlicos!” riep hij uit, en omhelsde hem. “Kom, laat me je omhelzen... een paar dagen geleden heb ik een brief van hem gehad... dus dat ben jij! Ik kende je niet... trouwens, je was nog niet geboren, toen ik het land verliet. Ik kende je niet!”

En Padre Dámaso drukte het jongemensch in zijn stoere armen, dat hij er rood van zag—van verlegenheid of van gebrek aan lucht. Padre Dámaso scheen zijn verdriet geheel vergeten te zijn.

Toen de eerste oogenblikken van hartelijkheid voorbij waren, en hij de noodige vragen gedaan had naar Carlicos en naar Pepa, vroeg Padre Dámaso:

“En... komaan! Wat wil Carlicos nu dat ik voor je doen zal?”

“Ik geloof dat hij in den brief daar iets van zegt..,” stamelde Linares wederom.

“In den brief? Zoo? wel, dat ’s waar! En hij wil dat ik een baantje en een vrouw voor je zoek! Hm! Een baantje... een baantje, dat ’s makkelijk. Kun je lezen en schrijven?”

“Ik ben in de rechten gepromoveerd aan de universiteit van Madrid.”

Caramba! Dus je bent een rechtsverdraaier?

Nou, daar heb je geen snuit voor... je lijkt eer een jongejuffrouw, maar des te beter! Maar een vrouw voor je te vinden ... hm, hm! een vrouw...”

“Och, pater, dat heeft niets geen haast,” zeide Linares bedremmeld.

Doch de pater stapte van ’t eene eind van de voorgalerij naar ’t andere, en mompelde:

“Een vrouw, een vrouw!”

Zijn gelaat stond niet meer bedroefd of vroolijk; thans drukte het den grootsten ernst uit, en ’t scheen dat hij diep nadacht. Padre Salvi keek uit de verte naar dit heele tooneeltje.

“Ik dacht niet dat de zaak me zooveel narigheid zou bezorgen”, mompelde Padre Dámaso op huilerigen toon. “Maar van twee kwaden dan maar ’t minste.”

En zijn stem verheffende, trad hij op Linares toe, en zeide:

“Kom hier, m’n jongen, laten we ’s met Santiago gaan praten.”

Linares verbleekte, en liet zich door den geestelijke, die in gedachten verzonken voortliep, meetrekken.

Toen was het de beurt van Padre Salvi om, peinzend als altijd, heen en weer te gaan wandelen.

Een stem die hem goeden dag zeide ontrukte hem aan zijn peinzens-zware wandeling. Hij hief het hoofd op, en stond tegenover Lucas, die hem nederig groette.

Wat wil je?” vroegen ’s pastoors oogen.

“Pater, ik ben de broer van den man die op den dag van ’t feest gestorven is!” antwoordde Lucas op klagenden toon.

Padre Salvi trad een schrede terug.

“En wat zou dat?” mompelde hij nauw hoorbaar. Lucas deed zijn uiterste best om te schreien, en veegde zich de oogen met zijn zakdoek af.

“Pater,” zeide hij snotterend, “ik ben bij Don Crisóstomo aan huis geweest, om een schadevergoeding te vragen. Eerst ontving hij me met schoppen, en zei dat hij niets wou betalen, omdat zijn leven gevaar geloopen had door de schuld van mijn lieven en ongelukkigen broer. Gisteren ben ik weer bij hem geweest, om hem te spreken, maar hij was al naar Manila vertrokken. Hij had bij wijze van aalmoes vijfhonderd peso’s voor me achtergelaten, met de boodschap dat ik nooit meer terug moest komen. Och, pater, vijfhonderd peso’s voor mijn armen broer, vijfhonderd peso’s! Och pater!...

De pastoor hoorde hem in ’t begin met verbazing en aandacht aan, en allengs teekende zich op zijn lippen zulk een glimlach van minachting en spot tegenover zulk een komedie, dat, als Lucas dien had kunnen zien, hij hals over kop zou weggeloopen zijn.

“En wat wil jij nu van mij?” vroeg hij hem, terwijl hij hem den rug toekeerde.

“Och pater, zegt me om Gods wil wat ik doen moet: Uweleerwaarde heeft altijd goeden raad gegeven.”

“Wie heeft je dat gezegd? Jij bent niet van hier...”

“Iedereen in de provincie kent Uweleerwaarde.”

Padre Salvi trad met vertoornden blik op hem toe, en hem de straat wijzend, zeide hij tot den ontstelden Lucas:

“Ga naar je huis, en wees Don Crisóstomo dankbaar dat hij je niet in de gevangenis heeft laten zetten!”

Scheer je weg.”

Lucas vergat zijn aanstellerij, en mompelde:

“Wel, ik dacht...”

“Pak je weg,” schreeuwde Padre Salvi zenuwachtig.

“Ik zou Padre Dámaso wel ’s willen spreken..”

“Padre Dámaso heeft het druk... Pak je weg,” gelastte de pastoor nogmaals op strengen toon.

Lucas ging mopperend de trappen af.

“Nou, dat ’s er ook een...als hij ’s niet goed betaalt...

Die ’t beste betaalt...

Op ’t schreeuwen van den pastoor was iedereen komen toeloopen, zelfs Padre Dámaso, Capitán Tiago en Linares.

“Een onbeschaamde schooier, die om een aalmoes komt vragen, en niet werken wil,” zeide Padre Salvi terwijl hij zijn hoed en zijn stok greep, om naar het klooster te gaan.

XLII.

Gewetensonderzoek.

Lange dagen en droeve nachten zijn voorbijgetrokken over de legerstede van Maria Clara. Ze was, enkele oogenblikken na dat ze “bediend” was, weer ingestort, en gedurende haar ijlen had ze maar steeds den naam van haar moeder uitgesproken, die ze nooit gekend had. Doch haar vriendinnen, haar vader en haar tante hadden gewaakt; ze hadden missen laten lezen en offergaven geschonken aan al de wonderdoende beelden. Capitán Tiago beloofde de Heilige Maagd van Antipolo een gouden stok ten geschenke te geven. En ten slotte begon de koorts allengs, maar geregeld af te nemen.

Doctor Espadaña was verbaasd over de geneeskracht van alteastroop en ijslands mos; want hij had verder niets voorgeschreven. Doña Victorina was zoo in haar schik over haar man, dat eens op een dag, toen deze haar op haar sleep trapte, zij niet haar gewone straf toepaste—hem zijn tanden af te nemen—maar zich vergenoegde met hem te zeggen:

“Als je niet toevallig mank was, zou je zelfs op mijn korset trappen.”

En zij droeg er geen!

Op een middag, terwijl Sinang en Victoria hun vriendin bezochten, waren in de eetkamer de pastoor, Capitán Tiago en de familie van Doña Victorina bezig wat te gebruiken en onderwijl te praten.

“Nu, ’t spijt me wel”, zeide de dokter, ’t zal Padre Dámaso ook erg spijten.”

“En waarheen zegt u dat ze hem overplaatsen?” vroeg Linares aan den pastoor.

“Naar de provincie Tabayas, antwoordde deze achteloos.

“Wie ’t ook erg spijten zal is Maria, wanneer ze ’t hoort”, zeide Capitán Tiago. “ze houdt van hem, alsof ’t haar vader was.”

Fray Salvi keek hem schuin aan.

“Ik geloof, pater”, ging Capitán Tiago voort, “dat deze heele ziekte komt van de narigheid die ze op den feestdag gehad heeft.”

“Ik ben van ’t zelfde gevoelen, en u heeft er goed aan gedaan, meneer Ibarra niet toe te staan met haar te spreken, ’t Zou haar verergerd hebben.”

“En als wij er niet geweest waren”, viel Doña Victorina in, “zou Clarita al in den hemel aan ’t lofzingen wezen.”

“Amen Jezus!” meende Capitán Tiago te moeten zeggen.

Gelukkig voor u dat mijn man niet juist een voornameren zieke onder handen had, want dan had u een ander moeten roepen, en hier zijn ’t allemaal domkoppen. Mijn man...”

“Ik geloof en blijf bij wat ik gezegd heb,” viel de pastoor op zijn beurt in, “de biecht die Maria Clara gedaan heeft, heeft de gunstige crisis teweeggebracht, die haar leven gered heeft. Een rein geweten is meer waard dan veel medicijnen, en, ’t zij verre van me dat ik de macht van de wetenschap ontken, vooral niet van de chirurgie, maar een rein geweten... u moet maar ’s de vrome boeken lezen, en u zult zien hoeveel genezingen bewerkt zijn, enkel door een goede biecht!”

“Neem me niet kwalijk,” bracht Doña Victorina gepikeerd hiertegen in, “die kracht van een biecht...nou geneest u de vrouw van den alférez maar eens met een biecht!”

“Een wond, mevrouw, is volstrekt geen ziekte waarop het geweten eenigen invloed kan hebben!” antwoordde Padre Salvi streng. “En toch zou een goede biecht haar behoeden voor herhalingen van zulke afranselingen als die van vanmorgen.”

“Ze verdient het!” ging Doña Victorina voort, alsof ze Padre Salvi niet gehoord had. “Die vrouw is erg onhebbelijk! In de kerk doet ze niet anders dan naar mij kijken. Natuurlijk, ’t is ook maar iemand van niets. Zondag wou ik haar vragen, of ik soms apen in mijn gezicht had; och maar wie wil zich bevuilen door te praten met menschen beneden zijn stand?”

Van zijn kant hervatte de pastoor, alsof hij evenmin deze heele tirade gehoord had:

“Geloof me, Don Santiago, om uw dochter heelemaal te genezen, is ’t noodig dat ze morgen een communie doet. Ik zal haar het viaticum brengen ...ik geloof dat ze niets zal hebben om te biechten. Maar, als ze van avond wil...”

“Ik weet niet,” voegde dadelijk Doña Victorina eraan toe, gebruik makende van een oogenblik stilte, “ik begrijp niet, dat er mannen in staat kunnen wezen met zulke vogelverschrikkers als die vrouwen te trouwen. Van verre zie je al vanwaar ze komt. ’t Is haar aan te zien dat ze vergaat van jaloezie. ’t Is te begrijpen! Wat verdient zoo’n alférez?

“Dus, Don Santiago, zegt u maar aan uw nicht dat ze de zieke moet voorbereiden op de communie van morgen. Ik kom vanavond om haar absolutie te geven voor haar zondetjes...”

En ziende dat tante Isabel uitging, zeide hij haar in ’t Tagaalsch:

“Bereidt u uw nichtje voor, dat ze vanavond moet biechten. Ik zal haar morgen het viaticum brengen, daar zal ze spoediger door herstellen.”

“Maar, pater,” waagde Linares schuchter tegen te werpen, “u moet nu niet gelooven dat ze in doodsgevaar is.”

Maakt u maar niets ongerust!” antwoordde hij, zonder hem aan te kijken, “ik weet heel goed wat ik doe. Ik ben al bij heel wat zieken geweest. Bovendien moet zij maar zelf zeggen, of ze de heilige communie wil doen, en u zult zien dat ze in alles toestemt.”

Voorloopig stemde Capitán Tiago in alles toe.

Tante Isabel trad de ziekenkamer binnen.

Maria Clara lag nog te bed, bleek, zeer bleek; naast haar zaten haar beide vriendinnen.

“Neem nog een korreltje,” zeide Sinang zacht, en bood haar een wit pilletje aan, dat ze uit een glazen buisje haalde, “hij zegt dat je met de medicijn moet ophouden, als je gegons in de ooren voelt.”

“Heeft hij je niet nog eens geschreven?” vroeg de zieke zacht.

“Nee. Hij moet het zeer druk hebben!”

“Heeft hij niets aan me laten zeggen?”

“Hij zegt alleen maar, dat hij zal trachten van den aartsbisschop kwijtschelding te krijgen van den kerkelijken ban, om dan...”

Het gesprek werd hier gestoord door de komst der tante.

“De pater zegt dat je je moet voorbereiden op biechten, mijn kindje,” zeide zij. “Laat haar nu alleen, dan kan ze haar gewetensonderzoek doen.”

“Maar ze heeft immers nog geen week geleden gebiecht!” protesteerde Sinang. “Ik ben niet ziek, en ik zondig niet zoo vaak als zij!”

“Och kom, weet je niet wat de pastoor zegt? De rechtvaardige zondigt zeven maal op een dag. Zeg, zal ik je het Anker, de Ruiker of de Rechte weg ten Hemel brengen?”

Maria Clara antwoordde niet.

“Nou, je moet je maar niet vermoeien,” voegde de goede tante eraan toe. Ik zelf zal je ’t gewetensonderzoek voorlezen, en dan moet jij maar alleen aan je zonden zien te denken.”

“Schrijf hem dat hij niet meer aan mij moet denken!” fluisterde Maria Clara Sinang in ’t oor, toen ze afscheid van haar nam.

“Hoe zoo?”

Doch de tante kwam binnen, en Sinang moest wel heengaan, zonder te begrijpen wat haar vriendin haar gezegd had.

De goede tante zette een stoel bij het licht, zette de bril op de punt van haar neus, en, een boekje openslaande, zeide ze:

“Let nu goed op, mijn kind. Ik zal beginnen met de geboden Gods. Ik zal langzaam lezen, dan kun je nadenken. Als je me niet goed verstaan hebt, moet je ’t me zeggen, dan zal ik ’t overdoen. Je weet wel dat ik, waar ’t je welzijn geldt, nooit moe word.”

Ze begon met eentonig neusgeluid de beschouwingen omtrent de zondegevallen voor te lezen. Na iedere paragraaf zweeg ze een heele poos, om het jonge meisje tijd te geven, zich haar zonden te herinneren en er berouw over te hebben.

Maria Clara keek starend voor zich uit. Toen het eerste gebod, “God lief te hebben boven alle dingen,” gelezen was, sloeg Tante Isabel haar boven haar bril even gade, en was tevreden over haar peinzend en droevig aanzien. Ze hoestte vroom, en begon, na een lange pauze, aan ’t tweede gebod. De goede oude las met zalving, en toen de beschouwingen gelezen waren keek ze weer eens naar haar nichtje, dat langzaam het hoofd naar den anderen kant wendde.

“Och!” zeide tante Isabel bij zichzelve, “dat van ’t ijdel gebruiken van zijn heiligen naam, daar heeft ’t arme schaap zich nooit aan schuldig gemaakt. Laten we ’t derde nemen.”

En het derde gebod werd ontleed en gecommentarieerd, en alle gevallen werden gelezen waarin men er tegen zondigt. Daarna wendde ze zich weer naar ’t bed. Doch deze keer bracht de tante de bril naar boven, en wreef zich de oogen uit: ze had gezien dat haar nichtje de zakdoek naar ’t gezicht bracht als om tranen af te drogen.

“Hm!” zei ze, “hm! hm! ’t Arme kind is zeker in slaap gevallen gedurende de preek.”

En haar bril weer op ’t puntje van haar neus zettend, zeide ze bij zichzelf:

“Laten we ’s zien, of ze net zoo als ze de feestdagen niet heeft geëerd, ook vader en moeder niet geëerd heeft.”

En ze las het vierde gebod, met nog zeuriger stem en nog meer door den neus, geloovende zoo meer plechtigheid aan de zaak bij te zetten, zooals ze dat veel geestelijken had hooren doen.

Het jonge meisje bracht intusschen verscheidene malen de zakdoek aan de oogen, en haar ademhaling werd hoorbaarder.

“Wat ’n goede ziel!” dacht het oudje; “zij die zoo gehoorzaam en zoo inschikkelijk tegenover iedereen is! Ik heb meer zonden gedaan, en ik heb nooit echt kunnen schreien.”

En ze begon aan ’t vijfde gebod, met nog meer zeurigheid en zoo mogelijk nog erger neusgeluid, en met zooveel geestdrift, dat ze ’t gesnik van haar nichtje niet hoorde. Alleen na een pauze die ze maakte, na de beschouwingen over doodslag met gewapende hand te hebben gelezen, bemerkte zij ’t gekreun der zondares. Toen steeg de toon boven ’t verhevene, ze las wat er nog stond op een toon die ze dreigend trachtte te maken, en ziende dat Maria nog steeds bleef schreien, zeide ze, terwijl ze dichter bij ’t bed kwam:

“Schrei maar, kind, schrei maar! Hoe meer je schreit, hoe eer God je vergeven zal. Wees maar zeker dat de smart van zondeinkeer beter is dan die van zelfverwijt! Geef je zelf ook slagen op de borst, maar niet hard, want je bent nog ziek.”

Doch, alsof de smart om toe te nemen verborgenheid en eenzaamheid behoefde, hield Maria Clara, toen ze zich verrast zag, langzaam op met zuchten, en droogde haar oogen, zonder een woord te zeggen, of haar tante te antwoorden.

Deze ging met lezen voort, maar omdat het schreien van haar publiek opgehouden was, verloor ze de geestdrift, en gaven de laatste geboden haar zelfs slaap, en deden haar geeuwen tot groot nadeel van het eentoonig neusgeluid, dat op die wijze afgebroken werd.

“Als ik ’t niet zag, zou ik ’t niet gelooven!” dacht de goede oude vrouw daarna. “Dit meisje zondigt als een soldaat tegen de vijf eerste geboden juist het omgekeerde van ons vroeger! Wat gaat het vreemd in de wereld tegenwoordig!”

En ze stak een groote kaars aan voor de Heilige Maagd van Antipolo, en nog twee kleinere voor onze Lieve Vrouw der Rozenkrans en Onze Lieve Vrouw van de Pilaar, terwijl ze er zorg voor droeg een ivoren kruisbeeldje te verwijderen en in een hoek te leggen, om daaraan toch vooral duidelijk te kennen te geven, dat de kaarsen niet voor dat beeldje waren aangestoken. De maagd van Delaroche kreeg ook niets: ’t was een onbekende vreemdelinge, en tante Isabel had nog nooit van een wonder van haar gehoord.

We weten niet wat er voorgevallen is bij de biecht van dien avond: wij eerbiedigen zulke geheimen. De biecht duurde lang, en de tante, die uit de verte haar nichtje in ’t oog hield, kon opmerken dat de pastoor, in plaats van ’t oor gekeerd te hebben naar den mond der zieke, integendeel het gezicht naar haar gewend had, en slechts in de schoone oogen van het jongemeisje scheen te willen lezen wat ze dacht, of er naar te gissen.

Bleek en met opeengeklemde lippen verliet Padre Salvi het slaapvertrek. Zijn somber en met zweet bedekt voorhoofd ziende, zou men gezegd hebben, dat hij biechteling was geweest en geen absolutie had kunnen krijgen.

“Jezus, Maria en Jozef!” zeide onze tante, en sloeg een kruis, om een slechte gedachte van zich te verjagen.

“Wie snapt nu de jonge meisjes van tegenwoordig?!”