Bij het flauwe schijnsel dat de maan afzond door het dichte gebladerte der boomen dwaalde een man met langzame bedaarde schreden door het bosch. Van tijd tot tijd, en als om zich te oriënteeren, floot hij een bizonder wijsje, waarop in de verte dezelfde tonen plachten te antwoorden. De man luisterde aandachtig, en vervolgde dan zijn weg in de richting van ’t verwijderd geluid.
Ten slotte, na ’t doorworstelen van duizend moeilijkheden, die een maagdelijk woud ’s nachts aanbiedt, kwam hij aan een klein open terrein, hel beschenen door de maan in haar eerste kwartier. Hooge rotsen, gekroond door boomen, rezen rondom op en vormden een soort bouwvallig amfitheater. Vers omgehakte boomen, verkoolde stammen vulden ’t midden, waartusschendoor ontzaggelijke rotsblokken lagen, door de natuur gedeeltelijk met haar mantel van groen gebladerte bedekt.
Nauwelijks was de onbekende aangekomen, of een andere gestalte, plotseling voor den dag komende van achter een groot stuk rots, trad naar voren, en een revolver uit den gordel nemend, vroeg hij op bevelenden toon in ’t Tagaalsch terwijl hij de haan van ’t wapen overhaalde:
“Wie ben je?”
“Is de oude Pablo bij jullie?” vroeg de eerste bedaard en onverschrokken zonder zich te storen aan de vraag.
“Spreek je van den Capitán? ja die is er.”
“Zeg hem dan dat Elias hem hier zoekt,” zeide de man die niemand anders was dan onze geheimzinnige “loods”.
“Bent u ’t, Elias?” vroeg de onbekende met zekeren eerbied en naderbij komend, zonder nochthans zijn revolver weer bij zich te steken. “In dat geval gaat u maar mee.”
Elias volgde hem.
Ze gingen een soort hol binnen, dat diep in de aarde wegzonk. De gids, die den weg kende, waarschuwde de loods wanneer hij afdalen, zich bukken of kruipen moest. Evenwel duurde het niet lang, of ze kwamen in een soort zaal, armzalig verlicht door pek-toortsen, en waarin zich twaalf gewapende kerels bevonden met ongure gelaatstrekken en vuil gekleed. Sommigen zaten, anderen lagen op den grond, en er werd nauwelijks gesproken. Met de ellebogen op een steen geleund, die dienst deed als tafel, en peinzend het licht gadeslaande, dat zoo weinig klaarte verspreidde bij zooveel rook, zag men een oude man met een droef gelaat, het hoofd gewikkeld in een bebloede zwachtel. Niet wetende dat die spelonk de verblijfplaats van toelisan’s of roovers was, zou men de wanhoop lezend op ’t gelaat des ouden mans, zeggen dat het de Hongertoren was op den vooravond van de dag waarop Ugolino zijn kinderen zou verslinden.1
Bij de komst van Elias en zijn gids richtten de mannen zich half op, doch op een teeken van den laatste stelden ze zich gerust, en vergenoegden zich met de loods, die ongewapend kwam, nauwkeurig op te nemen.
De oude man wendde langzaam het hoofd om, en werd de ernstige verschijning van Elias gewaar. Deze sloeg hem onbevangen gade, vol droefheid en belangstelling.
“Ben jij het?” vroeg de oude, wiens gelaat, bij ’t herkennen van den jongen man, eenigszins opklaarde.
“In wat ’n toestand vind ik u!” mompelde Elias bij zichzelf, terwijl hij ’t hoofd schudde.
De oude man boog zwijgend het hoofd, gaf de mannen een teeken, waarop zij opstonden, en heengingen, niet zonder eerst met een blik de gestalte en de lichaamsbouw van den loods te meten.
“Ja!” zeide de grijsaard tot Elias, zoodra ze alleen waren: “zes maanden geleden, toen ik je een schuilplaats in mijn huis bood, was ik ’t die medelijden met jou had. Nu is ons lot veranderd, en ben jij ’t die medelijden met mij hebt. Maar ga zitten, en vertel me ’s, hoe je hier gekomen bent.”
“Zoo wat veertien dagen geleden hebben ze me van uw ongeluk gesproken,” antwoordde de jongeman langzaam en zacht, terwijl hij naar het licht keek; “ik ben dadelijk op weg gegaan, en heb u overal in de bergen gezocht; ik heb bijna twee provincies afgezocht.”
“om geen onschuldig bloed te vergieten, heb ik moeten vluchten. Mijn vijanden vreesden zich te vertoonen en stelden alleen eenige ongelukkigen tegenover me, die me niet het minste kwaad gedaan hebben.”
Na een kort stilzwijgen, dat hij benutte om de gedachten te lezen op het sombere gelaat van den grijsaard, hervatte Elias:
“Ik ben gekomen om u iets voor te stellen. Nadat ik tevergeefs gezocht had naar een of ander overblijfsel van de familie, die het ongeluk van de mijne veroorzaakt heeft, heb ik besloten de provincie waar ik woon te verlaten, om naar ’t noorden te verhuizen, onder de ongeloovige onafhankelijke stammen; wilt u het leven opgeven dat u nu leidt, en met mij meegaan? Ik zal uw zoon wezen, nu u de uwen verloren heeft. En ik die geen familie heb, zal in u een vader hebben.”
De oude man schudde het hoofd, en zeide: “Wanneer men op mijn leeftijd een wanhopig besluit neemt, dan is dat omdat er niets anders is. Een man die, als ik, zijn jeugd en zijn rijpere jaren heeft doorgebracht in arbeid voor zijn eigen toekomst en die van zijn kinderen; een man die zich onderworpen heeft getoond aan al de wilsuitingen van zijn meerderen, die gewetensvol moeilijke betrekkingen vervuld heeft, alles geleden heeft, om in vrede en in een zoo groot mogelijke rust te leven; wanneer die man, wiens bloed door ouderdom bekoeld is, afstand doet van zijn heele toekomst, aan den rand van ’t graf, dan is dat omdat hij rijpelijk overwogen heeft dat vrede niet bestaat en ook niet het hoogste goed is. Waartoe ellende lijden in een vreemd land? Ik had twee zoons, een dochter, een eigen huis, fortuin. Ik genoot achting en aanzien. Nu ben ik als een boom die van zijn takken beroofd is, nu dwaal ik rond als een vluchteling, opgejaagd als een wild dier in ’t bosch, en dat alles waarom? Omdat een man mijn dochter onteerd heeft, omdat haar broeders rekenschap vroegen over de schanddaad van dien man, en omdat die man met zijn waardigheid van geestelijke boven de gewone menschen verheven staat. Alles wel beschouwd heb ik, vader, onteerd in mijn ouderdom, de beleediging vergeven, ben ik toegevend geweest tegenover de hartstochten van de jeugd en de zwakheden van ’t vleesch. En wat moest ik doen tegenover een onherstelbaar kwaad, wat anders dan zwijgen en redden wat me nog restte? Maar de misdadiger was bang voor een wraak die hij min of meer nabij achtte, en zocht het ongeluk van mijn zoons. Weet je wat hij gedaan heeft? Nee? Weet je niet dat hij een diefstal in ’t klooster verzon, en dat onder de beschuldigden een van mijn zoons voorkwam? De ander kon hij er niet in betrekken, want die was afwezig. Weet je de martelingen waaraan hij onderworpen werd? Je kent ze, omdat ze in alle dorpen zoo toegepast worden! Ik, ik zag mijn zoon opgehangen aan zijn haren, ik hoorde zijn kreten, ik hoorde dat hij me riep, en ik, die laf was en aan vrede gewend, ik heb den moed niet gehad noch om te dooden, noch om te sterven! Weet je dat de diefstal niet bewezen kon worden, dat men inzag dat het laster was, en dat de pastoor voor straf naar een ander dorp werd overgeplaatst? En dat mijn zoon ten gevolge van de marteling gestorven is? De andere, die mij restte, was niet laf als zijn vader, en daar de beul vreesde dat hij misschien in hem zijn broer wreken zou, werd hij onder voorwendsel dat hij geen bewijs van vestiging had,—dat hij voor ’t oogenblik vergeten had—door de guardia civil opgepakt, mishandeld, geprikkeld en met scheldwoorden tot het uiterste gebracht zoo zelfs dat hij tot zelfmoord gedwongen werd. En ik, ik heb zooveel schande overleefd, maar al heb ik niet den moed als vader gehad om mijn kinderen te verdedigen, er blijft mij een hart voor de wraak, en ik zal me wreken! De ontevredenen gaan zich meer en meer onder mijn bevel vereenigen, mijn vijanden doen mijn troep toenemen, en op den dag dat ik mij sterk genoeg voel, zal ik naar de vlakte afdalen en mijn wraak en mijn eigen leven in ’t vuur uitdooven! En die dag zal komen, of er is geen God!”
En de oude man richtte zich zenuwachtig op, en met fonkelenden blik en een hol klinkende stem voegde hij eraan toe, terwijl hij aan zijn lange haren rukte:
“Vloek, vloek over mij, die de wrekende hand van mijn zoons heb tegengehouden: ik heb ze vermoord! Had ik toegelaten dat de schuldige stierf, had ik minder in Gods rechtvaardigheid en die van de menschen geloofd, dan had ik nu mijn kinderen, voortvluchtig misschien, maar zou ze hebben en ze zouden niet den marteldood gestorven zijn! Ik was niet geboren om vader te zijn! Daarom heb ik ze niet! Vloek over mij, die op mijn leeftijd nog niet geleerd had het midden te kennen waarin ik leefde! Maar in vuur en bloed en in mijn eigen dood, zal ik je weten te wreken!” De ongelukkige vader had zich ten toppunt van smart, het verband afgerukt, en nu vertoonde zich een breede wond aan zijn voorhoofd, waaruit bloeddruppels neervielen.
“Ik eerbiedig uw smart,” hervatte Elias, “en ik begrijp uw wraakbegeerte. Ik ben net als u, en toch, uit vrees om een onschuldige te treffen, vergeet ik liever mijn ellende.”
“Jij kunt vergeten, omdat je jong bent, en omdat je geen enkele zoon verloren hebt, geen enkele laatste hoop! Maar ik zweer ’t je: ik zal geen onschuldige doen lijden. Zie je deze wond? Om niet een arme wachtkerel die zijn plicht deed te dooden, heb ik me die laten toebrengen.”
“Maar bedenkt u niet,” zeide Elias na een oogenblik zwijgens, “bedenkt u niet in welk een schrikkelijke brand u ons arm volk zal werpen? Als u met eigen hand wraak neemt, zullen uw vijanden vreeselijke weerwraak nemen niet tegen u, maar tegen ’t volk, dat als naar gewoonte, beschuldigd wordt, en dan, wat ’n onrecht!”
“Laat het volk leeren zich te verdedigen, laat iedereen zich verdedigen!”
“Weet u wel dat zoo iets onmogelijk is! Meneer, ik heb u gekend in een anderen tijd, toen u nog gelukkig was. Toen gaf u me wijze raad. Staat u me toe?...”
De grijsaard kruiste de armen, en scheen vol aandacht.
“Meneer,” ging Elias voort, zijn woorden goed overwegend, “ik heb het geluk gehad, een dienst te kunnen bewijzen aan een rijken jongeman, iemand met een goed en edel hart en die zijn land liefheeft. Men zegt dat die jongeman vrienden in Madrid heeft. Ik weet het niet, maar wel kan ik u verzekeren dat hij op vriendschappelijken voet staat met den Capitán Generaal. Wat zou u ervan zeggen, als wij hem tot onzen aanklager maakten, als we hem belang deden stellen in de zaak van ons ongelukkige volk?”
De oude man schudde het hoofd.
“Zeg je dat hij rijk is? Rijke menschen denken aan niets anders dan hun rijkdom te vermeerderen: trots en praal verblinden ze en omdat ze gewoonlijk er zelf goed aan toe zijn, vooral wanneer ze machtige vrienden hebben, bekommert zich geen van hun om de ongelukkigen. Ik weet dat alles, omdat ik zelf rijk ben geweest!”
“Maar de man van wien ik spreek, is niet zooals anderen.
“’t Is een zoon die gehoond is geworden in de nagedachtenis van zijn vader. ’t Is een jongmensch dat, omdat hij spoedig een gezin zal hebben, aan de toekomst denkt, aan een goede toekomst voor zijn kinderen.”
“Dan is ’t een man die spoedig gelukkig zal wezen, en onze zaak is niet die van de gelukkige menschen.”
“Maar ’t is wel die van de mannen die een hart hebben!”
“Laat ’t wezen!” hervatte de oude man, en ging weer zitten, “neem aan dat hij onze pleitbezorger is bij den opperlandvoogd, veronderstel dat hij op de hoofdplaats afgevaardigden vindt die voor ons willen opkomen, geloof je dan dat ons recht zal gedaan worden?”
“Laten we ’t probeeren, voordat we bloedige maatregelen nemen,” antwoordde Elias. “’t Moet u wel verbazen dat ik, een ander ongelukkige, jong en sterk als ik ben, u, een oud en zwak man, vreedzaam optreden aanraad. Maar dat komt omdat ik zooveel ellenden gezien heb door ons veroorzaakt, evenzeer als door de onderdrukkers: ’t is altijd de weerlooze die ’t gelag betaalt.”
“En als we toch niets bereiken?”
“Iets zal er bereikt worden, gelooft u me: niet alle bestuurders zijn onrechtvaardig. Als we niets gedaan krijgen, als ze onze klachten in den wind slaan, als de mensch doof geworden is voor de smartkreten van zijn evenmenschen, dan ben ik tot uw orders!”
De grijsaard omarmde vol geestdrift Elias.
“Ik neem je voorslag aan, Elias. Ik weet dat je je woord houdt. Je zult bij me komen, en ik zal je helpen, om je voorouders te wreken, jij zult mij helpen om mijn kinderen te wreken! Mijn zoons die zoo waren als jij!”
“Intusschen moet u iedere gewelddadigheid vermijden.”
“Jij moet de klachten van ’t volk blootleggen: je kent ze. Wanneer zal ik je antwoord vernemen?”
“Zend me over vier dagen een man naar het strand van San Diego, en ik zal hem het antwoord zeggen dat de man in wien ik mijn hoop stel me gegeven heeft. En zoo niet, dan ben ik de eerste die valt in den strijd, dien we samen ondernemen zullen.”
“Elias zal niet sterven, Elias zal de aanvoerder wezen, wanneer Capitán Pablo voldaan over zijn wraak gevallen is,” zeide de grijsaard.
En hij zelf vergezelde den jongeman tot buiten het hol.
1 Dante. Inferno 33.
Om den Zondag in eere te houden gaat men op de Filippijnen gewoonlijk naar het hanenperk. Het hanenvechten is een hartstocht die sinds een eeuw in ’t land ingevoerd en geëxploiteerd wordt, is een der volksondeugden, die meer op den voorgrond treedt dan het opium-schuiven bij de Chineezen. Daar gaat de arme heen om wat hij bezit op ’t spel te zetten, begeerig als hij is om geld te verdienen zonder te werken. Daar gaat ook de rijke heen, om verstrooiing te zoeken, het geld gebruikende, dat er overschiet van zijn festijnen en genade-missen; maar de som die verspeeld wordt is van hem, de haan is wellicht met meer zorg opgekweekt dan de zoon, opvolger van den vader in ’t hanenperk, en dit verontschuldigt de spelers.
Aangezien het bestuur het toestaat, en ’t zelfs bijna aanbeveelt—want het gelast dat het schouwspel alleen gegeven mag worden op “openbare pleinen,” op “feestdagen” (opdat iedereen het zien kunne en het voorbeeld moge aanmoedigen), “na de groote mis tot het donker” (acht uur), zullen we eens dit spel gaan bijwonen, om eenige kennissen op te zoeken.
Het hanenperk van San Diego onderscheidt zich slechts onbeduidend van die welke men op andere plaatsen vindt. Het bestaat uit drie afdeelingen: de eerste, die voor den ingang, is een groote rechthoek van zoowat twintig meter lengte bij veertien breedte; aan een der zijden opent een deur, waar gewoonlijk een vrouw bij waakt, die belast is met het innen van sa-pintoe of het toegangsgeld. Van dit geld ontvangt het gouvernement een gedeelte: eenige honderdduizenden peso’s jaarlijks. Men zegt dat voor dit geld, dat de ondeugd voor haar vrijheid betaalt, prachtige scholen worden opgericht, bruggen gebouwd en straatwegen aangelegd, dat men daarvoor prijzen uitlooft om landbouw en handel te bevorderen...Gezegend de ondeugd die zulk een goeden uitslag oplevert!1 In deze eerste afdeeling zijn de verkoopsters van sirih, sigaretten, lekkernijen en andere eetwaren enz. Daar krioelt het van jongens, die hun vaders en ooms vergezellen, welke hen zorgvuldig inwijden in de geheimen des levens.
Deze afdeeling staat in verbinding met een ander van ietwat grooter afmetingen, een soort “foyer”, waar het publiek zich vereenigt voor het “loslaten” der hanen.
In de foyer bevinden zich de meeste hanen, met een touw aan den grond vastgemaakt, door middel van een pen van been of wilde palm; daar zijn de beroepsspelers, de verslaafden, daar is de ervaren mesjes-bevestiger; daar wordt onderhandeld, overwogen, te leen gevraagd, verwenscht, gezworen en gevloekt, gelachen dat het davert. Ginds streelt er een zijn haan, hem de hand over de glanzende veeren strijkend; hier onderzoekt er een en telt de schubben der pooten; daar vertelt men de daden der helden; wat verder zult ge een troepje lieden zien, welke met pruilend gelaat een ontveerd hanelijk wegdragen: het dier dat maanden lang de lieveling geweest is, nacht en dag vertroeteld en verzorgd, en waarop ze streelende hoop-verwachtingen bouwden, is nu niet meer dan een lijk, en wordt straks verkocht voor een peseta, om met gember klaargemaakt dienzelfden avond gegeten te worden. Sic transit gloria mundi! De spelverliezer keert naar zijn huis terug, waar hem de ongeruste vrouw en de lompig-gekleede kinderen wachten, zonder ’t kapitaaltje en zonder de haan. Van dien heelen gulden droom, van al die zorgen maanden lang, van ’t morgenkrieken tot zonsondergang, van al die moeite en last, is niets dan een peseta het resultaat, de asch die gebleven is van zooveel rook.
In deze “foyer” redetwisten de domsten; de slimmeren onderzoeken gewetensvol de zaak, wegen, beschouwen, spreiden de vleugels uit, betasten de spieren der hanen! Sommigen gaan zeer goed gekleed, gevolgd en omringd door de aanhangers hunner dieren; anderen, vuil, met het stempel der ondeugd op hun gelaat geprent, volgen angstvallig de bewegingen der rijken, en letten aandachtig op de weddenschappen, want de beurs kan wel leegraken, maar de passie niet verzadigd worden: daar is geen enkel gezicht dat niet opgewonden is, daar vindt men niet de luie, apathische, stille Filippijner. Hij is nu een en al bewegelijkheid, hartstocht, vurig verlangen. Men zou zeggen dat ze de dorst hebben die het slijkwater opwekt.
Van deze plaats komt men in ’t arena, dat rueda heet. De grond, omsloten door bamboe, is hier meestal hooger dan in de vorige afdeelingen. In ’t bovenste deel, en bijna aan de zoldering rakend, bevinden zich trapsgewijze geschikte zitplaatsen voor het publiek of voor de spelers, die per slot van rekening dezelfden zijn. Gedurende het gevecht vullen zich deze zitplaatsen met mannen en jongens, die schreeuwen, krijschen, zweten, ruzie maken en vloeken. Gelukkig komt bijna nooit een vrouw daar. In de rueda zijn de notabelen, de rijken, de befaamde beroepsspelers, de contractant en de spelrechter. Op den grond, die uitstekend vastgestampt is, vechten de dieren, en van daar-uit deelt het lot aan de huisgezinnen lach en traan, smulpartijen of honger uit.
Op ’t uur dat wij binnenkomen, zien we reeds de gobernadorcillo, Capitán Pablo, Capitán Basilio, Lucas, de man met het litteeken in zijn gezicht, die zooveel verdriet had over den dood van zijn broer.
Capitán Basilio treedt toe op iemand uit het volk en vraagt hem:
“Weet je ook welke haan Capitán Tiago meebrengt?”
“Ik weet het niet, meneer. Vanochtend zijn er twee van hem aangekomen, een ervan is de lasak (wit en rood), die de talisain (bonte) van den consul verslagen heeft. Gelooft u dat mijn boelik (wit en zwart) met hem zou kunnen vechten?”
“Ik geloof ’t zeker! Ik verwed er mijn huis en mijn hemd om!”
Op dat oogenblik kwam Capitán Tiago binnen. Hij ging gekleed als de groote spelers: een hemd van kanten-linnen, wollen pantalon en een grooten strooien flaphoed. Achter hem aan kwamen twee bedienden, de lasak en een witten haan van ontzaggelijke afmetingen dragend.
“Sinang heeft me gezegd dat Maria ’t iedere maand beter maakt!” zeide Capitán Basilio.
“Heeft u gisterenavond verloren?”
“Een beetje. Ik weet dat u gewonnen heeft... ik zal zien, of ik ’t goed maak.”
“Wilt u de lasak laten vechten?” vroeg Capitán Basilio, terwijl hij naar den haan keek, en hem van den bediende vroeg.
“Dat ligt eraan, als er op gewed wordt.”
“Minder dan twee laat ik hem niet gaan.”
“Heeft u mijn bulik gezien?” vroeg Capitán Basilio, en riep een man die een kleinen haan droeg.
Capitán Tiago onderzocht hem, en na hem gewogen en na zijn schubben betast te hebben, gaf hij hem terug.
“Hoeveel zet u op?” vroeg hij.
“Evenveel als u.”
“Twee en vijfhonderd?”
“Drie?”
“Drie!”
“Voor de volgende!”
De kring van nieuwsgierige spelers verbreidde het bericht dat twee beroemde hanen zouden vechten. Beiden hadden hun geschiedenis en hun gevestigde roep. Iedereen wilde de twee beroemdheden zien, ze onderzoeken. Men uitte meeningen, men deed voorspellingen.
Intusschen neemt het stemmengerucht toe, wordt de verwarring grooter, men dringt binnen de rueda en bestormt de zitplaatsen. De “loslaters” brengen twee hanen naar het strijdperk, de eene wit, de andere rood, reeds gewapend maar de mesjes zitten nog in de schede. Men hoort uitroepen “op de witte!” “op de witte!”, een enkele stem roept “op de roode!” De witte was de “beroepene,” de roode de “verlatene”, dat wil zeggen de verworpeling en de lieveling.
Onder de menigte loopen guardia civiles rond. Ze dragen niet de uniform van het welbeproefde korps, maar zijn ook niet in burgerkleeding. Een broek van ruw wollen stof met roode franje, een hemd met blauwe vlekken van de afgevende kiel, politie-muts, ziedaar de vermomming in overstemming met hun houding. Ze wedden en houden toezicht, ze verstoren de orde, terwijl ze zeggen die te handhaven.
Onder ’t geschreeuw door worden de handen uitgestrekt waarin men met geld zwaait en rinkelt, terwijl men in den zak het laatste geldstuk opzoekt, of, als dat er niet is, zijn woord wil verpanden, belovende dat men zijn karbouw, den aanstaanden oogst enz. wil verkoopen; twee jongelieden, blijkbaar broeders, volgen met jaloersche oogen de spelers, komen naar elkaar toe, mompelen schuchtere woorden waar niemand naar luistert, worden telkens somberder en kijken elkaar met ergernis en spijtigheid aan. Lucas neemt ze tersluiks op, glimlacht boosaardig, laat zilveren peso’s klinken, gaat vlak langs de beide broeders, en terwijl hij naar de rueda kijkt, roept hij:
“Ik betaal vijftig, vijftig tegen twintig op den witte!”
De twee broeders wisselen een blik.
“Ik heb ’t je wel gezegd,” mompelt de oudste, “dat je niet al het geld moest verwedden. Als je mijn raad gevolgd hadt, zouden we nu overhebben, om op den roode te zetten!”
De jongste van de twee trad schuchter op Lucas toe, en raakte even zijn arm aan.
“Ben jij ’t?” roept deze en keert zich om, net doende alsof hij verrast was, “neemt je broer mijn voorstel aan, of kom je om te wedden?”
“Hoe wil je dat we zullen wedden, als we alles verloren hebben?”
“Dus neem je ’t aan?”
“Hij wil niet! Als u ons wat kon leenen: u zegt immers dat u ons kent...”
Lucas krabde zich achter ’t oor, trok zijn hemd glad, en antwoordde:
“Ja zeker ken ik jullie. Jullie zijt Tarsilo en Bruno, jonge en sterke kerels. Ik weet dat je vader gestorven is tengevolge van de honderd geeselslagen daagsch, die deze soldaten hem gaven. Ik weet dat jullie er niet aan denkt om hem te wreken...”
“Bemoei u niet met onze zaken,” viel Tarsilo, de oudste, in, “dat brengt ongeluk. Als we geen zuster hadden, dan waren we al lang opgehangen!”
“Ophangen? Ze hangen alleen een lafaard op, iemand die geen geld en geen voorspraak heeft. En in allen gevalle is de wildernis dichtbij.”
“Honderd tegen twintig, ik zet op den witte!” riep er een onder ’t voorbijgaan.
“Leen ons vier peso’s ... drie ... twee,” smeekte de jongste. “We geven u later ’t dubbele terug. Ze laten meteen de hanen los.”
Lucas krabde zich nog eens achter ’t oor.
“Pst! Dit geld is niet van mij, Don Crisóstomo heeft het mij gegeven voor wie hem dienen willen. Maar ik zie wel dat jullie niet zijt zooals je vader. Die was wel moedig. Laat hij die ’t niet is geen pretjes zoeken.”
En hij verwijderde zich van hen, doch niet ver.
“Laten we ’t aannemen, wat geeft ’t?” zeide Bruno.
“’t Is toch een en ’t zelfde, of je opgehangen of gefusilleerd wordt: wij arme lui dienen nergens anders voor.”
“Je hebt gelijk, maar denk aan onze zuster.”
Onderwijl is het strijdperk ontruimd. De kampstrijd zal een aanvang nemen. Het geschreeuw bedaart allengs, en de twee “loslaters” en de “mesjes-vastmaker” blijven in ’t midden staan. Op een teeken van den spelrechter ontbloot de eerste de stalen navaja’s en de fijne lemmeten blinken dreigend, flikkerend.
De twee broeders gaan droevig en stil naar de omheining van het perk, en kijken toe, het voorhoofd tegen de bamboe aan. Een man treedt op hen toe, en zegt fluisterend:
“Zeg, man, honderd tegen tien. Ik ben voor den witte!”
Tarsilo kijkt hem verbouwereerd aan. Bruno geeft hem een stoot met de elleboog, waarop hij met een gegrom antwoordt.
De “loslaters” houden de hanen met meesterlijke zachtheid vast, zorgdragend zich niet te kwetsen. Er heerscht een plechtig stilzwijgen: men zou wanen dat de aanwezigen behalve de twee loslaters gruwelijke wassen poppen waren. De eene haan wordt bij den andere gebracht, terwijl men den kop van den eene vasthoudt, opdat hij door ’t krijgen van een pik van den ander toornig wordt, en omgekeerd: bij ieder doel moet gelijkheid wezen, zoowel tusschen Parijsche als tusschen Filippijnsche hanen. Daarna laat men ze elkaar in ’t gezicht kijken, waardoor de arme beestjes weten wie hun een veertje uitgerukt heeft en met wie ze moeten vechten. De halsveederen rijzen op, ze kijken elkaar strak aan, en toornflitsjes ontsnappen uit hun kleine ronde oogjes. Dan is het oogenblik gekomen. Men zet ze op den grond neer en laat hun verder vrij spel.
Langzaam treden ze vooruit. Men hoort hun schreden op den harden grond. Niemand kikt, in ademlooze spanning. De kop neerbuigend en opheffend, als meten ze elkaar met de blik, uiten de beide hanen geluiden, wellicht van bedreiging en minachting. Ze hebben het glanzend lemmet ontwaard, dat koude blauwige flikkeringen uitzendt. Het gevaar spoort hen aan, en ze gaan vastberaden op elkaar af; doch op een pas afstands staan ze stil, met strakken blik, ’t hoofd naar beneden, en weer gaan de halsvederen omhoog. Op dat oogenblik worden de hersentjes door bloed beloopen, de oogen flitsen, en met hun natuurlijken moed werpen ze zich onstuimig op elkaar: snavel stoot tegen snavel, borst tegen borst, staal tegen staal en vleugel tegen vleugel. De slagen zijn met meesterschap afgeweerd, en er zijn alleen enkele veeren gevallen. Ze meten zich opnieuw met elkaar. Plotseling vliegt de witte op, en zwaait het doodelijke staal, maar de roode is op zijn pooten doorgezakt, heeft den kop gebogen, en de witte heeft slechts in de lucht geschermd. Doch, bij ’t weer neerstrijken op den grond en verwonding van achteren ontwijkend, keert hij zich snel om, en maakt front. De roode valt hem met woede aan, doch hij verdedigt zich bedaard: niet voor niets is hij de lieveling van ’t publiek. Iedereen volgt bevend en in angstige spanning de wisselingen van ’t gevecht, terwijl men nu en dan een onwillekeurige kreet laat hooren. De grond raakt bedekt met roode en witte veeren, met bloed bespet. Maar ’t duel is niet op ’t eerste bloed. De Filippijnen, hier de wetten volgend door ’t bestuur gegeven, willen dat het op leven en dood zij, of totdat de eerste vlucht. Het bloed drenkt reeds overal den grond, de slagen komen korter op elkaar, doch de overwinning blijft onbeslist. Eindelijk, met een uiterste krachtsinspanning, stort de witte vooruit, om den genadeslag toe te brengen, steekt zijn mesje in den vleugel van den roode, en dit dringt tusschen de beenderen door. Doch de witte is in de borst gewond, en beiden, schier bloedeloos, uitgeput, hijgend, de een tegen den ander aangedrukt, blijven zoo roerloos staan, totdat de witte neervalt, bloed spuwt uit zijn snavel, met de pooten spartelt en zieltoogt. De roode vastgehouden aan den vleugel, blijft naast hem, zakt allengs op zijn pooten ineen en sluit langzaam de oogen.
Daarop verklaart de spelrechter, in overeenstemming met de voorschriften van ’t bestuur, dat de roode overwinnaar is. Een woest geschreeuw begroet deze uitspraak, een geschreeuw dat men in ’t heele dorp kan hooren, gerekt eentonig en een poos durend. Die het in de verte hoort begrijpt dan dat de “verlatene”—niet de “lieveling” overwinnaar is geweest. Anders zou het gejubel niet zoo lang geduurd hebben. ’t Is ermee als met de volken: als een klein volk erin slaagt de overwinning te behalen op een groot, wordt die bezongen, en door alle eeuwen heen verteld.
“Zie je wel?” zei Bruno spijtig tot zijn broeder. “Als je me hadt willen gelooven, zouden we nu honderd peso’s hebben: door jouw schuld zitten we zonder een cuarto.”
Tarsilo antwoordde niet, maar keek met oogen half dicht om zich heen, als zocht hij iemand.
“Daar staat hij te praten met Pedro,” hervatte Bruno. “Hij geeft hem geld, wat ’n geld!”
Inderdaad telde Lucas in handen van Sisa’s man zilvermunten uit. Ze wisselden nog heimelijk eenige woorden, en gingen dan vaneen, naar ’t scheen voldaan.
“Pedro heeft zich zeker verbonden: nou, die weet ten minste wat hij doet!” zuchtte Bruno.
Tarsilo bleef somber en in gepeins voor zich staren. Met zijn hemdsmouw veegde hij zich ’t zweet af, dat langs zijn voorhoofd gutste.
“Broer,” zeide Bruno, “ik ga, als jij niet besluiten kunt. De partij gaat door: de lasak moet winnen en we mogen zoo’n mooie gelegenheid niet laten voorbijgaan.
“Ik wil wedden bij ’t volgende gevecht. Wat kan ’t me schelen? Zoo wreken we onzen vader.”
“Wacht!” zeide Tarsilo, en keek hem strak in de oogen: beiden waren bleek. “Ik ga met je mee. Je hebt gelijk: we zullen onzen vader wreken.”
Hij bleef echter stilstaan, en veegde zich weer ’t zweet van ’t voorhoofd.
“Waarom blijf je staan?” vroeg Bruno ongeduldig.
“Weet je welke hanen nu volgen? Zijn ze de moeite waard?...”
“Dat ’s ook wat moois! Heb je ’t niet gehoord? De boelik van Capitán Basilio tegen de lasak van Capitán Tiago. Volgens de regels van ’t spel moet de lasak het winnen.”
“O de lasak! Ik zou ook wel willen wedden...maar laten we ons eerst verzekeren.”
Bruno maakte een gebaar van ongeduld, maar volgde zijn broeder. Deze bekeek de haan goed, sloeg hem in de onderdeelen gade, wikte en woog, deed eenige vragen: de ongelukkige weifelde. Bruno was zenuwachtig, en keek hem vertoornd aan.
“Maar zie je dan die breede schub niet die hij daar, bij zijn spoor, heeft? Zie je die pooten niet? Wat wil je meer? Kijk die beenen ’s, spreid die vleugels ’s uit! En deze gespleten schub boven deze breede, en deze dubbele?”
Tarsilo hoorde niet naar hem, maar ging voort met het dier te onderzoeken: het gerinkel van goud en zilver drong tot zijn ooren door.
“Laten we nu naar den boelik gaan kijken,” zeide hij met gesmoorde stem.
Bruno stampvoette, knarsetandde, maar gehoorzaamde zijn broeder.
Ze traden op een andere groep toe. Daar was men bezig den haan te wapenen, men zocht navaja’s uit, de atador of mesjes-vastmaker maakte roode zijde klaar, smeerde hem met was in, en wreef hem verscheidene malen.
Tarsilo omvatte het dier in een somber-wezenloozen blik: ’t was alsof hij den haan niet zag, maar iets anders in de toekomst. Hij streek met de hand over ’t voorhoofd.
“Ben je genegen?” vroeg hij zijn broeder met doffe stem.
“Ik? Te voren al. Ik hoefde ze niet eerst te zien!”
“’t Is dat...onze arme zuster...”
“Och wat! Hebben ze je dan niet gezegd dan Don Crisóstomo aan ’t hoofd staat? Heb je hem niet zien wandelen met den gouverneur? Wat voor gevaar loopen we dan?”
“En als we dood gaan?”
“Wat zou dat nog? Onze vader is doodgeranseld.”
“Je hebt gelijk!”
Beide broeders zochten Lucas op tusschen de groepen.
Zoodra ze hem gewaar werden, stond Tarsilo stil.
“Nee, laten we weggaan van hier. We gaan ons ongeluk tegemoet!” riep hij.
“Ga jij weg, als je wil, ik neem ’t aan!”
“Bruno!”
Ongelukkigerwijze naderde een man, en zeide tot hen:
“Wed u mee? Ik ben voor de boelik.” De twee broeders antwoordden niet.
“Ik heb gewonnen!”
“Hoeveel?” vroeg Bruno.
De man begon zijn muntstukken van vier peso’s te tellen. Bruno keek hem ademloos aan.
“Ik heb twee honderd: vijftig tegen veertig!”
“Nee!” zeide Bruno beslist. “Zet...”
“Goed: vijftig tegen dertig!”
“Verdubbel als u wilt!”
“Goed! De boelik is van mijn baas, en ik heb net gewonnen: honderd tegen zestig.”
“Top! Wacht, ik zal even geld halen.”
“Maar ik zal ’t geld in bewaring nemen,” zeide de ander, die niet veel vertrouwen had in Bruno’s uiterlijk.
“’t Is me om ’t even!” antwoordde deze, die wel vertrouwen had in zijn eigen knuisten.
En zich tot zijn broeder wendend, zeide hij hem:
Tarsilo dacht even na: hij had zijn broeder lief, maar hield ook van ’t spel. Hij kon hem niet alleen laten, en mompelde: “Goed, ’t zij zoo!”
Ze traden op Lucas toe: deze zag hen aankomen, en glimlachte.
“Oom!” zei Tarsilo.
“Wat is er?”
“Hoeveel geeft u?” vroegen ze allebei.
“Ik heb ’t al gezegd: als jullie op je nemen, om anderen te zoeken voor ’t overvallen van de kazerne, geef ik je dertig peso’s, aan elk van jullie, en tien aan elken kameraad. Als alles goed afloopt, krijgt elk van den troep honderd, en jullie elk ’t dubbele: Don Crisóstomo is rijk.”
“Aangenomen!” riep Bruno. “Geef op ’t geld!”
“Ik wist wel dat jullie dapper waren evenals je vader! Kom mee, laten de lui die hem van kant gemaakt hebben, ons niet hooren!” zeide Lucas, en wees naar de guardias civiles.
En ze naar een hoek brengende, zei hij hun terwijl hij het geld uittelde:
“Morgen komt Don Crisóstomo en brengt wapens. Overmorgen avond, zoo tegen acht, moeten jullie naar het kerkhof gaan, en ik zal je zijn laatste beschikkingen zeggen.
“Jelui hebben tijd om deelnemers te zoeken.”
Ze gingen vaneen. De twee broeders schenen van rol verwisseld te hebben: Tarsilo was kalm, Bruno ongerust.
1 Ironie van den schrijver: het geld werd daar natuurlijk niet voor besteed.
Terwijl Capitán Tiago zijn lasak liet vechten, maakte Doña Victorina een wandeling door het dorp, met de bedoeling om te zien, hoe de luie inlanders hun huizen en zaaivelden hadden. Ze had zich zoo zwierig mogelijk aangekleed, en op haar zijden morgenjapon al haar linten en bloemen aangebracht, om de provinciemenschen te overbluffen en hun te laten zien, hoe groot de afstand was tusschen hen en haar hoogheilige persoon. En de arm gevende aan haar manken echtgenoot, liep ze te pronken door de straten van het dorp, te midden van de stomme verbazing der bewoners.
Neef Linares was thuis gebleven.
“Wat hebben die inlanders leelijke huizen!” begon Doña Victorina, terwijl ze een vies gezicht zette, “ik begrijp niet hoe ze erin leven kunnen, daar moet je toch een inlander voor wezen. En wat zijn ze slecht opgevoed en trotsch! Ze komen ons tegen, en nemen den hoed niet eens af! Sla ze op hun hoed zooals de pastoors en de luitenants van de guardia civil doen, leer hun manieren.”
“En als ze mij terugslaan?” vroeg dokter Espadaña.
“Daar ben je een man voor!”
“Maar...maar ik ben mank!”
Doña Victorina raakte uit haar humeur. De straten waren niet geplaveid, en de sleep van haar japon kwam vol stof. Ze ontmoette bovendien verscheidene jongemeisjes, die onder ’t voorbijgaan de oogen neersloegen, en niet, zooals ze behoorden, haar kostbaar kleed bewonderden. Sinang’s koetsier, die haar en haar nichtje in een smaakvolle “tres-por-ciento”1 rondreed, had de onhebbelijkheid, hun “tabik” toe te roepen, en dat met zulk een geweldige stem, dat zij op zij moest gaan en alleen maar kon protesteeren. “Hoor toch ’s dien lomperd van een koetsier! Ik zal z’n baas ’s zeggen, dat hij zijn bedienden een betere opvoeding moet geven.
“Laten we naar huis gaan!” beval ze aan haar man. Deze, die voor een onweer vreesde, draaide rond op zijn kruk, en gehoorzaamde het bevel.
Ze kwamen den alférez tegen. Men groette elkaar, en dit verergerde nog Doña Victorina’s ontevredenheid: de krijgsman maakte niet alleen geen compliment over haar kleeding, maar nam haar bijna spottend op.
“Jij moest zoo’n gewonen alférez geen hand geven,” zeide ze tot haar echtgenoot, toen de ander weg was. “Hij kwam nauwelijks even aan zijn pet, en jij hebt nog wel je hoed voor hem afgenomen. Je weet je afstand niet te bewaren!”
“Hij is hier de ...baas!”
“En wat kan ons dat schelen? Zijn wij soms inlanders?”
“Je hebt gelijk!” antwoordde hij, omdat hij geen ruzie wilde maken.
Ze kwamen voorbij het huis van onzen militair. Doña Consolación zat aan ’t raam, als naar gewoonte, gekleed in ’t flanel en haar stinkstok rookend. Daar het huis laag was, konden ze elkaar goed aankijken, en Doña Victorina haar duidelijk waarnemen. De Muze der guardia civil nam haar bedaard van hoofd tot voeten op, en, daarna de onderlip naar voren brengend spoog ze, en keerde ’t hoofd naar den anderen kant. Dit was te veel voor Doña Victorina’s geduld, en, haar man zonder armsteun latend, posteerde ze zich vlak voor de alféreza, bevend en sprakeloos.
Doña Consolación wendde langzaam ’t hoofd om, nam haar opnieuw kalmpjes op, en spoog nog eens, maar ditmaal met grooter minachting.
“Wat scheelt u, dame?” vroeg ze.
“Kunt u me ook zeggen, mevrouw, waarom u me zoo aankijkt? Bent u jaloersch?” brengt Doña Victorina er eindelijk uit.
“Ik jaloersch, ik? En op u?” zei de Medusa met een hoonlach. “Ja, ik ben jaloersch op de krullen!”
“Kom hier, vrouw!” zeide de dokter. Let toch niet op...op die vrouw!”
“Laat me die onbeschofte schooister eerst een les geven!” antwoordde de vrouw, terwijl ze haar man een duw gaf, die hem bijna tegen den grond deed vallen. En, zich weer tot Doña Consolación wendend, zei ze:
“Denk eraan met wie u te doen heeft! Ik ben geen provinciaal of een soldaten-slet! In mijn huis in Manila komen geen alféreces, die wachten daar aan de deur.”
“Hola, doorluchtige mevrouw Blaaskaak! De alféreces zullen er niet binnenkomen, maar wel de invaliden, zooals die daar. Ha, ha, ha!”
Als het blanketsel ’t niet belet had, dan had men Doña Victorina kunnen zien blozen. Ze wilde haar vijandin te lijf, doch de schildwacht hield haar tegen. Intusschen kwam de straat vol nieuwsgierigen.
“Zeg ’s, ik verlaag me door met u te spreken. Menschen van rang en stand... Wilt u mijn goed wasschen? Ik zal u goed betalen! Dacht u dat ik niet wist dat u waschvrouw geweest is?”
“Gelooft u dat we niet weten, wie u is, en wat voor volk u meebrengt? Och kom! M’n man heeft ’t me al gezegd! Mevrouw, ik heb ten minste niet aan meer dan aan één man toebehoord. Maar u? Je moet wel van honger op sterven liggen, om je zoo tevreden te stellen met het uitschot, de afval van de heele wereld!”
Deze slag was raak. Doña Victorina stroopte de mouwen op, balde de vuisten, en de tanden op elkaar klemmend, begon ze te zeggen:
“Kom naar beneden, oude zeug, en ik zal je je vuile mond kapot slaan! Slet van een heel bataljon, hoer van geboorte!”
De Medusa verdween snel van het venster, en weldra zag men haar naar beneden hollen, zwaaiend met haar mans zweep.
Smekend trachtte Don Tiburcio tusschenbeide te komen, maar ze zouden handgemeen geworden zijn, als de alférez niet gekomen was.
“Dames!... Don Tiburcio!” riep deze.
“U moet uw vrouw beter opvoeden en haar betere kleeren koopen. Als u geen geld heeft, moet u de lui van ’t dorp maar berooven: daarvoor heeft u soldaten!” schreeuwde Doña Victorina.
“Hier ben ik, mevrouw! Waarom slaat Uwe Excellentie nu mijn mond niet kapot? U heeft niets meer dan tong en zwadder, juffrouw Groote Piet!”
“Meneer de alférez!” stamelde de echtgenoot.
“Och, loop heen, kwakzalver! Je draagt geen broek, sukkel!”
Er ontstond een twist met woorden en gebaren, met kreten, beleediging en scheldwoorden. Al ’t vuil dat ze in hun mars droegen werd voor den dag gehaald, en aangezien ze alle vier tegelijk spraken en elkaar zooveel dingen zeiden die zekere standen naar beneden halen, doordat ze veel waarheden helder deden uitkomen, zien we er van af al wat ze zeiden, neer te schrijven. De nieuwsgierigen, al hoorden ze ook niet alles wat ze elkaar zeiden, vermaakten zich niettemin kostelijk, en vlasten erop dat ze handgemeen zouden worden. Ongelukkigerwijze voor hen kwam de pastoor en maakte er een eind aan.
“Heeren, dames! Wat ’n schandaal! Meneer de alférez!”
“Wat heeft u hier te maken, huichelaar, groote Carlist!”
“Don Fiburcio, neem uw vrouw mee! Mevrouw, bedwing uw tong, als ’t u belieft!”
“Zegt u dat aan die bloedzuigers!”
Allengs raakte het woordenboek van scheldwoorden uitgeput, en eindigde deze aflezing van onhebbelijkheden bij de echtparen. Dreigend en elkaar na-jauwend, gingen ze ten slotte vaneen. Fray Salvi liep van de eene naar de andere zijde, en verlevendigde het tooneel. Als onze vriend de correspondent van Manila toch eens erbij geweest was...
“Vandaag nog gaan we naar Manila, en we vervoegen ons bij den gouverneur!” zeide Doña Victorina woedend tot haar man. “Jij bent geen man: ’t is jammer voor de broek die je draagt!”
“Ma ... maar, vrouw, en de guardias dan? Ik ben immers mank!”
“Je moet hem op ’t pistool of op de sabel uitdagen, of anders... of anders...”
En Doña Victorina keek hem in zijn tanden.
“M’n lieve mensch, ik heb nooit een pistool...”
Doña Victorina liet hem niet uitspreken: met een verheven gebaar rukte ze hem midden op de straat het gebit uit zijn mond en trapte erop. Hij, half schreiend, en zij vonken schietend, kwamen thuis.
Linares was op dat oogenblik aan ’t praten met Maria Clara, Sinang en Victoria, en daar hij niets van de oneenigheid wist, maakte hij zich niet weinig ongerust, toen hij zijn neef en nicht ontwaarde. Maria Clara, die tusschen kussens en dekens in een armstoel lag, was niet weinig verwonderd de nieuwe gelaatsuitdrukking van haar dokter te zien.
“Neef,” zeide Doña Victorina, “jij moet nu dadelijk den alférez gaan uitdagen, of anders...”
“En waarom?” vroeg Linares verbaasd.
“Je moet hem nu dadelijk gaan uitdagen, anders zeg ik hier aan iedereen wie je bent.”
“Maar Doña Victorina!”
De drie vriendinnen keken elkaar aan.
“Zoo, denk je dat? De alférez heeft ons beleedigd, en heeft er van alles uitgebraakt, gezegd dat jij was wat je was! De ouwe heks is naar beneden gekomen met een zweep, en deze hier, deze vent heeft zich laten uitschelden... een man!”
“Och!” zei Sinang, “ze hebben gevochten, en dat hebben wij niet gezien!”
“De alférez heeft de dokter z’n tanden uitgeslagen!” voegde Victorina erbij.
“Vandaag nog gaan we naar Manila. Jij blijft hier, om hem uit te dagen, of anders zeg ik aan Santiago dat het alles leugen is wat je hem verteld hebt, dan zeg ik hem...”
“Maar, Doña Victorina, Doña Victorina!” viel Linares haar bleek in de rede, terwijl hij op haar toetrad, “bedaart u toch. Doet u me niet herinneren, dat...” en hij zeide er zachtjes bij: “niet onvoorzichtig zijn, vooral nu niet.”
Toen dit juist plaats had, kwam Capitán Tiago van de hanegevechten thuis. Hij was bedroefd en zuchtte: hij had zijn lasak verloren, zijn wit-en-roode haan.
Doña Victorina gaf hem geen tijd om uit te blazen.
In weinig woorden en met veel gescheld erin vertelde ze hem al wat er gebeurd was, natuurlijk zichzelf in een gunstig daglicht plaatsend.
“Linares zal hem gaan uitdagen, hoort u? Zoo niet, dan moet u hem niet toestaan dat hij met uw dochter trouwt, dat moet u dan niet doen! Als hij geen moed heeft, verdient hij Clarita niet.”
“Dus je trouwt met dien meneer?” vroeg Sinang, wier vroolijke oogen zich met tranen vulden. “Ik wist dat je verstandig was, maar niet veranderlijk.”
Maria Clara, bleek als was, richtte zich half op, en keek met ontstelde oogen naar haar vader, naar Doña Victorina en naar Linares. Deze kreeg een kleur, Capitán Tiago sloeg de oogen neer, en de dame liet volgen:
“Clarita, denk daar steeds aan: trouw nooit met een man die geen broek aan heeft. Je loopt kans dat zelfs de honden je beleedigen.”
Doch het jongemeisje antwoordde niet, en zeide tot haar vriendinnen:
“Willen jullie me naar mijn kamer brengen, ik kan niet alleen.”
Ze hielpen haar opstaan, en het middel omvat door de ronde armen harer vriendinnen, het marmeren voorhoofd geleund tegen den schouder van Victoria, ging het jongmeisje haar slaapkamer in.
Dienzelfden avond haalden beide echtgenooten hun zaakjes bijeen, boden Capitán Tiago de rekening, die eenige duizenden beliep aan, en den volgenden dag heel vroeg vertrokken ze naar Manila in ’t rijtuig van hun gastheer. De schuchtere Linares was als wreker achtergebleven: die rol was hem althans toebedeeld.
1 lett. 3 percent, naam van een soort open rijtuig.