De donkere zwaluwen
zullen wederkeeren.....
Becquer.1
Zooals Lucas had medegedeeld, kwam Ibarra den volgenden dag aan. Zijn eerste bezoek gold de familie van Capitán Tiago, met het doel om Maria Clara te zien, en haar te vertellen dat “Su Ilustrisima” de aartsbisschop hem reeds met den godsdienst verzoend had: hij had een aanbevelingsbrief aan den pastoor bij zich, eigenhandig geschreven door den aartsbisschop. Niet weinig verheugde zich daar tante Isabel over: zij hield van den jongeman, en zag met leede oogen de huwelijksplannen van Linares met haar nichtje aan. Capitán Tiago was niet thuis.
“Kom binnen,” zeide de tante in haar krom Spaansch.
“Maria, Don Crisóstomo is weer in Gods genade: de aartsbisschop heeft hem ‘geëxcomulgeerd.’”
Doch de jongeman kon niet naar haar toe komen. De glimlach bestierf op zijn lippen en de woorden vloden weg uit zijn geheugen. Bij ’t balkon stond naast Maria Clara Linares, bezig ruikertjes te maken van de bloemen en bladeren der klimplanten. Op den vloer lagen rozen en tjampaka’s verspreid. Maria Clara, half uitgestrekt op haar stoel, bleek, in gedachten, met droeven blik, speelde met een ivoren waaier, net zoo wit als haar fijne spitse vingers.
Op de verschijning van Ibarra verschoot Linares van kleur, en verfden Maria Clara’s wangen zich rood. Ze trachtte op te staan, doch, daar haar krachten haar begaven, sloeg ze de oogen neer, en liet haar waaier vallen.
Een stilzwijgen vol verlegenheid hield eenige oogenblikken aan. Ten slotte kon Ibarra vooruittreden, en met beverige stem mompelde hij:
“Ik ben net aangekomen, en ik heb me vreeselijk gehaast om je te komen zien...Ik zie dat je beter bent dan ik dacht.”
Maria Clara scheen stom geworden te zijn: ze bracht geen enkel woord uit, en bleef de oogen neergeslagen houden.
Ibarra keek Linares van hoofd tot voeten aan, een blik die het verlegen jongemensch met trots doorstond.
“Wel, ik merk dat mijn komst niet verwacht werd,” hervatte hij langzaam. “Maria, neem me niet kwalijk dat ik me niet heb laten aandienen. Op een anderen dag zal ik je uitleg kunnen geven van mijn gedrag...we zien elkaar nog... stellig.”
Deze laatste woorden vergezeld van een blik naar Linares. Het jongemeisje sloeg de schoone oogen, vol reinheid en weemoed tot hem op, zoo smeekend en welsprekend, dat Ibarra ontroerd bleef staan.
“Kan ik morgen komen?”
“Je weet dat je mij altijd welkom bent,” antwoordde ze nauw hoorbaar.
Ibarra verwijderde zich schijnbaar kalm, maar met een storm in zijn hoofd en koude in ’t hart. Wat hij daar gezien en gevoeld had, was onbegrijpelijk; wat was ’t: twijfel, verkoeling, verraad?
“O, een vrouw per slot van rekening!”
Zonder erbij te denken kwam hij aan de plaats waar de school gebouwd werd. Het werk was ver gevorderd.
Ñor Juan met zijn maatstok en zijn schietlood liep op en neer tusschen de talrijke arbeiders. Toen hij hem zag, liep hij hem tegemoet.
“Don Crisóstomo,” zeide hij, “bent u dan toch eindelijk gekomen. We wachtten u allen. Kijkt u ’s, hoe de muren zijn: ze zijn al één meter tien hoog, binnen twee dagen zijn ze op manshoogte. Ik heb alleen maar de beste houtsoorten gebruikt. Wenscht u de kelder-verdieping te zien?”
De werklieden groetten eerbiedig.
“Hier zijn de afvoer-leidingen, die ik me veroorloofd heb erbij te maken”, zeide Ñor Juan. “Deze onderaardsche kanaaltjes leiden naar een soort zinkput op dertig pas afstand. Die dient als mest-bewaarplaats voor den tuin. Dat stond niet in ’t plan. Staat het u niet aan?”
“Juist ’t tegendeel, ik keur ’t goed en wensch u geluk met uw denkbeeld. U bent een echte bouwmeester. Bij wien heeft u geleerd?”
“Bij mezelf, meneer,” antwoordde de oude man bescheiden.
“O, voordat ik ’t vergeet: laten den angstvalligen weten—voor ’t geval dat er ’s een niet met me zou durven praten—dat ik niet meer in de kerkelijke ban ben. De aartsbisschop heeft me ten eten gevraagd.”
“Och, meneer, we letten niet op de kerkelijke bans!
“We zijn allemaal geëxcomulgeerd. Zelfs Padre Dámaso is ’t, en toch blijft hij even dik.”
“Hoe zoo?”
“Nou dat geloof ik: voor een jaar heeft hij den ‘coadjutor’ een pak ransel gegeven, en de ‘coadjutor’ is net zoo goed priester als hij. Wie geeft er nu om een kerkelijke ban?”
Ibarra bespeurde Elias onder de werklieden. Deze groette hem evenals de anderen, doch met een blik gaf hij hem te kennen dat hij hem iets te zeggen had.
“Ñor Juan,” zeide Ibarra, “wilt u me ’s de lijst van de werklui brengen?”
Ñor Juan verdween, en Ibarra trad op Elias toe, die op zijn eentje een grooten steen optilde en op een kar laadde.
“Als u me eenige uren voor een gesprek kan toestaan, gaat u dan in den namiddag langs het meer wandelen en stap in mijn bangka, want ik heb u over gewichtige zaken te spreken”, zeide Elias zich verwijderend, nadat hij den hoofdknik van den jongeman gezien had.
Ñor Juan bracht de lijst, maar Ibarra las die tevergeefs: Elias’ naam kwam er niet op voor.
1 Gustavo Adolfo Bécquer, Spaans schrijver van post-moderne gedichten en korte verhalen.—J.H.
Voordat de zon onder was zette Ibarra den voet in Elias’ bangka, aan den oever van ’t meer. De jongeman scheen ontstemd.
“Vergeeft u me, meneer,” zeide Elias met zekere droefheid, toen hij hem gewaar werd. “Vergeeft u me, dat ik me veroorloofd heb u hier te laten komen: ik wilde u in volle vrijheid spreken, en hier zullen we geen getuigen hebben.
“Binnen een uur kunnen we terug zijn.”
“U vergist u, vriend Elias,” antwoordde Ibarra en trachtte te glimlachen. “U zal me moeten brengen naar dat dorp daar, waarvan we hier den klokketoren kunnen zien. Het noodlot dwingt me ertoe.”
“Het noodlot?”
“Ja. Verbeeld u dat ik, hierheen komende, den alférez ontmoette, die met alle geweld me zijn gezelschap wilde aanbieden. Ik die aan u dacht, en wist dat hij u kende, heb, om hem weg te krijgen, gezegd dat ik naar dat dorp ging, waar ik den heelen dag zal moeten wezen, want de man wil me morgen middag daar komen halen.”
“Ik ben u erkentelijk voor die attentie, maar u had hem eenvoudig moeten uitnoodigen, om mee te gaan,” antwoordde Elias heel gewoontjes.
“Hoe zoo! En u dan?”
“Hij zou me niet herkend hebben, want den eenigen keer dat hij me gezien heeft, kon hij er niet aan denken om mijn persoonlijkheid vast te stellen.”
“Ik ben er ellendig aan toe!” zuchtte Ibarra, aan Maria Clara denkend. “En wat had u me te zeggen?”
Elias keek om zich heen. Ze waren reeds ver van den oever; de zon was ondergegaan, en, daar er op die breedte nauwelijks schemering is, begonnen de schaduwen zich uit te breiden, en deden den maneschijn in volle pracht schitteren.
“Meneer,” hervatte Elias op diep-ernstigen toon, “ik ben de drager van de wenschen van veel ongelukkigen.”
“Van ongelukkigen? Wat wilt u zeggen?”
Elias vertelde in enkele woorden het gesprek dat hij gehad had met het opperhoofd der toelisan’s, doch sloeg daarbij diens weifelingen en bedreigingen over. Ibarra luisterde aandachtig naar hem, en toen Elias zijn verhaal geëindigd had, heerschte er een lang stilzwijgen, dat Ibarra het eerst verbrak:
“Dus wenschen ze.....?”
“Radikale hervormingen in de gewapende macht, in de geestelijkheid, in de rechtsbedeeling, dat wil zeggen, ze vragen een vaderlijken blik van de zijde van ’t bestuur.”
“Hervormingen in welke beteekenis?”
“Bijvoorbeeld: meer eerbied voor de menschelijke waardigheid, meer veiligheid voor lijf en goed, minder macht bij de toch al gewapende macht, minder voorrechten voor zulk een lichaam, dat er gemakkelijk misbruik van maakt.”
“Elias,” antwoordde de jongeman, “ik weet niet wie u bent, maar ik raad dat u geen alledaagsch mensch bent. U denkt en werkt anders dan de andere menschen. U zult me begrijpen, als ik u zeg, dat, al is de tegenwoordige toestand ook gebrekkig, hij nog erger zou worden als hij veranderde. Ik zou de vrienden die ik in Madrid heb, kunnen laten spreken, ‘door ze te betalen,’ ik zou met den capitan general kunnen spreken, maar zij zouden niets bereiken, en de capitan general heeft niet zooveel macht om zooveel nieuwigheden in te voeren. En ik zou evenmin een stap in die richting doen, omdat ik heel goed begrijp dat, al is ’t waar dat die corporaties hun gebreken hebben, ze tegenwoordig noodig zijn: ze zijn wat men noemt een ‘noodzakelijk kwaad.’”
Elias hief het hoofd op, en keek hem verbaasd aan.
“Gelooft u ook al in ’t noodzakelijk kwaad, meneer?” vroeg hij met eenigszins bevende stem. “Gelooft u dat men, om goed te doen, ’t kwade moet doen?”
“Nee. Ik geloof erin als in een gewelddadig middel waarvan we ons bedienen, wanneer we een ziekte willen genezen. Nu goed, ’t land is een organisme dat aan een slepende ziekte lijdt, en om het te genezen, ziet het bestuur zich genoodzaakt van middelen gebruik te maken, die hard en gewelddadig mogen wezen, maar niettemin nuttig en noodzakelijk zijn.”
“’t Is een slechte dokter, meneer, die alleen maar tracht de verschijnselen te verbeteren en ze te onderdrukken, zonder dat hij de oorzaak van de kwaal tracht na te gaan, of, als hij die kent, bang is die aan te grijpen. De guardia civilheeft alleen maar dit eene doel: onderdrukking van de misdaad door schrik en geweld, een doel, dat alleen maar bij toeval bereikt wordt. En men moet zich wel bewust zijn, dat alleen die maatschappij streng mag wezen tegen de individuen, die haar de noodige middelen voor haar zedelijke verheffing gegeven heeft. Aangezien er in ons land geen maatschappij is—want volk en bestuur vormen geen eenheid—moet het bestuur toegevend zijn, niet alleen omdat het toegevendheid noodig heeft, maar omdat het lid van die maatschappij dat door ’t bestuur verwaarloosd en in den steek gelaten wordt, minder verlicht is. Bovendien, als men uw vergelijking volgt, is de behandeling die men op de kwalen van het land toepast zoo verwoestend, dat die zich alleen laat voelen in ’t gezonde gestel, waarvan het de levenskracht verzwakt en voor de kwaal vatbaar maakt. Zou het niet verstandiger wezen het zieke gestel te versterken, en de gewelddadigheid van het geneesmiddel wat te temperen?”
“De guardia civil verzwakken zou ’t zelfde wezen als de veiligheid in de dorpen in gevaar te brengen.”
“De veiligheid in de dorpen!” riep Elias op bitteren toon. “’t Zal gauw vijftien jaar zijn dat die dorpen hun guardia civil hebben. En zie nu ’s: we hebben nòg toelisan’s, nòg hooren we van plunderingen van dorpen, nòg komt struikrooverij voor. De diefstallen gaan voort, en de daders worden niet gevonden. De misdaad bestaat, en de echte misdadiger waart vrij rond; maar niet de vreedzame dorpeling. Vraagt u maar ’s aan ieder fatsoenlijk dorpsbewoner, of hij die instelling voor iets goeds houdt, een bescherming van ’t bestuur, en niet voor een opgelegd iets, een dwingelandij waarvan de buitensporigheden meer kwaad doen dan de gewelddaden van de misdadigers. Die laatste zijn werkelijk groot, maar ze zijn zeldzaam, en daarentegen is men gerechtigd zich te verdedigen. Tegen de knevelarijen van ’t wettig gezag wordt zelfs geen protest geduld, en al zijn ze niet zoo groot, ze zijn toch aanhoudend en gesanktioneerd.”
“Wat werkt die instelling uit in ’t leven op onze dorpen? Ze verlamt het verkeer, omdat iedereen bang is, om allerlei nietigheden te worden lastig gevallen. Ze is meer gevestigd op formaliteiten dan op ’t wezen van de zaken zelf, ’t eerste kenteeken van onmacht. Omdat iemand zijn pas niet bij zich heeft, moet hij gebonden en mishandeld worden. ’t Doet er niet toe, of het een fatsoenlijk en geacht man is. De chefs houden ’t voor hun eerste plicht zich te laten groeten, goedschiks of kwaadschiks, zelfs in ’t duister van den nacht, waarin ze nageaapt worden door de ondergeschikten, om de buitenmenschen te mishandelen en te berooven. En voorwendsels ontbreken hun niet. De onschendbaarheid van ’t eigen huis bestaat niet: onlangs nog overvielen ze te Kalamba door het raam het huis van een vreedzaam bewoner, aan wien de chef verplichting had. Veiligheid van persoon is er niet: wanneer ze de kazerne of hun huis moeten schoon hebben, gaan ze erop uit en houden iedereen die geen weerstand biedt aan, om hem den heele dag te laten werken. Wilt u meer? Nu dan, gedurende de feesten die we gehad hebben zijn de verboden spelen doorgegaan, maar de geoorloofde vermakelijkheden, die hebben ze onhebbelijk verstoord. U heeft gezien hoe ’t volk over hun dacht. Wat heeft het hun gebaat, dat ze hun drift bedwongen hebben, en op de rechtvaardigheid van de menschen hopen? Och, meneer, als u dat de orde handhaven noemt!...”
“Ik erken dat er misbruiken zijn,” hervatte Ibarra, “maar laten we die aanvaarden voor al ’t goede dat er ook is. Deze instelling mag gebrekkig wezen, maar, geloof me, ze belet door den schrik die ze inboezemt het toenemen van misdadigers.”
“Zegt u liever dat door dien schrik het aantal misdadigers vermeerdert,” verbeterde Elias. “Voor de instelling van dat lichaam waren bijna alle misdadigers—met zeer weinig uitzonderingen—boosdoeners door honger: ze plunderden en roofden om te kunnen leven. Maar nauwelijks was de duurte voorbij, of de wegen waren weer vrij van roovers. De arme, maar dappere dorpswachtlieden—de cuadrillero’s—met hun gebrekkige wapens, waren voldoende om ze op de vlucht te jagen. Toch zijn ze zoo belasterd door menschen die over ’t land geschreven hebben, de stumpers, die als recht hadden te mogen sterven, als plicht te vechten, en als belooning uitgelachen te worden. Nu zijn er toelisan’s, en die blijven ’t hun heele leven. Een misstap, een misdaad die op onmenschelijke wijze gestraft is, de weerstand tegen de buitensporigheden van die macht, vrees voor verschrikkelijke folteringen, dat drijft deze voor altijd uit de samenleving en veroordeelt ze om of te moorden of te sterven. Het schrikbewind van de guardia civil sluit hun de deur voor berouw. En aangezien een toelisan in de bergen beter vecht en zich verdedigt dan een soldaat, waar hij om lacht, volgt daaruit dat we niet in staat zijn het kwaad uit te roeien, dat we zelf in de wereld gebracht hebben. Denkt u, aan wat ’t wijs beleid van gouverneur de la Torre uitgewerkt heeft: de kwijtschelding van straf, die hij aan die ongelukkigen gegeven heeft, bewees dat er daar in die bergen nog een hart klopte in de menschen, dat ze alleen hoopten op vergiffenis. Zoo’n schrikbewind is nuttig, als het volk slaaf is, wanneer de bergen geen holen hebben, wanneer het gezag achter elke boom een schildwacht zet, en wanneer het lichaam van de slaaf alleen maar maag en ingewanden heeft. Maar wanneer zoo’n wanhopige, die vecht voor zijn leven, voelt dat zijn arm sterk is, zijn hart klopt en zijn heele wezen vol gal loopt, zou dan een schrikbewind den brand kunnen blusschen bij dengeen die zelf de brandstof levert?”
“U brengt me aan ’t wankelen, Elias. Ik zou waarlijk gaan gelooven dat u gelijk had, als ik niet mijn eigen overtuigingen had. Maar let op een feit—u hoeft dat niet kwalijk te nemen, want ik sluit u uit en beschouw u als een uitzondering: Wie zijn de menschen die zulke hervormingen wenschen? Bijna allemaal misdadigers of menschen die op ’t punt staan om ’t te worden!”
“Misdadigers of aanstaande misdadigers, maar waarom zijn ze ’t? Omdat men hun den vrede verstoord heeft, het geluk afgeroofd, hun gekwetst heeft in hun dierbaarste neigingen; en toen ze bescherming vroegen bij de justitie, hebben ze de overtuiging gekregen dat ze die alleen van zichzelf konden verwachten. Maar u vergist u, meneer, als u denkt dat alleen misdadigers die hervormingen vragen. Gaat u maar van dorp tot dorp, van huis tot huis, luistert u maar ’s naar de zuchten van de gezinnen, en u zal u overtuigen, dat de kwalen die de guardia civil herstelt, gelijk, zoo niet minder erg zijn, dan die ze voortdurend veroorzaakt. Moeten we daaruit besluiten, dat al de dorpsmenschen misdadigers zijn? Waartoe ze dan tegen de anderen te verdedigen? Waarom ze dan niet allemaal uitgeroeid?”
“Er is hier een misvatting, die me op ’t oogenblik ontgaat, de een of andere fout in de theorie die door de praktijk te niet gedaan wordt, want in Spanje, in ’t vaderland, bewijst dat korps goede diensten—heeft dat vroeger ook gedaan.”
“Ik twijfel er niet aan: misschien is ’t daar beter ingericht, het personeel beter gekozen. Misschien ook omdat Spanje het noodig heeft, de Filippijnen niet. Onze zeden, onze wijze van zijn, waar men zich altijd op beroept, wanneer men ons een recht wil ontzeggen, worden geheel uit ’t oog verloren, wanneer men ons iets wil opleggen. En zegt u me ’s, meneer: waarom hebben de andere volken deze instelling niet ingevoerd, die door hun naburigheid met Spanje er meer op moesten lijken dan de Filippijnen? Zou ’t daarom wezen dat ze minder diefstallen op hun spoorwegen, minder moorden hebben, en men elkaar op de groote hoofdplaatsen minder dolksteken geeft?”
Ibarra boog het hoofd als in gedachten, dan richtte hij het op en antwoordde:
“Dit vraagstuk, mijn vriend, eischt een ernstige studie. Als mijn nasporingen me zeggen dat die klachten gegrond zijn, zal ik aan mijn vrienden in Madrid schrijven, aangezien we geen afgevaardigden hebben. Geloof intusschen dat het bestuur een korps noodig heeft met een onbeperkte macht, om zich te doen eerbiedigen, en een gezag om den noodigen indruk te maken.”
“Dat moet zoo wezen, meneer, wanneer het bestuur in oorlog is met het land. Maar, ten bestwil van ’t bestuur, moeten we ’t volk niet doen gelooven dat het weerstand biedt aan ’t gezag. En al was ’t zoo, als we macht boven prestige verkozen, moesten we wel goed toezien, aan wie we die onbeperkte macht geven. Zooveel macht in handen van domme mannen, beheerscht door hartstochten zonder zedelijke opvoeding, zonder beproefde eerlijkheid, is een wapen in de handen van een gek onder een weerlooze menigte. Ik geef toe, en wil met u gelooven, dat het bestuur dien arm noodig heeft: nu, laat het dan dien arm goed kiezen, laat het de waardigsten ervoor uitkiezen. En aangezien het liever zichzelf gezag geeft dan dat het volk het dat zou toestaan, moet het ten minste toonen, dat het zich dat gezag weet te geven.”
Elias sprak hartstochtelijk, met geestdrift. Zijn oogen schitterden, en de klank van zijn stem had iets trillends. Er volgde een plechtige stilte: de bangka, niet door de riemen voortbewogen, scheen rustig op ’t water te blijven liggen. De maan scheen met heerlijken glans in een saffieren hemel. Enkele lichtjes ontvonkten in de verte op den oever.
“En wat vragen ze meer?” vroeg Ibarra.
“Hervorming van ’t priesterschap,” antwoordde Elias op ontmoedigden, droeven toon. “De ongelukkigen vragen meer bescherming tegen...”
“Tegen de geestelijke orden?”
“Tegen hun onderdrukkers, meneer.”
“Zouden de Filippijnen vergeten zijn wat ze aan die orden te danken hebben? Zouden ze de ontzaglijke schuld van dankbaarheid vergeten zijn aan degenen die ze onttrokken hebben aan de dwaling, om hun ’t geloof te geven, aan hen die ze hebben beschermd tegen de buitensporigheden van het burgerlijk bestuur? Dat komt ervan, als men de geschiedenis van zijn land niet kent!”
Elias was verbaasd, en kon nauwelijks geloof slaan aan wat hij hoorde.
“Meneer,” hervatte hij op ernstigen toon, “u beschuldigde het volk van ondankbaarheid: veroorlooft u mij, een uit dat volk, dat ik het verdedig. Gunsten die men aandoet, moeten, om recht op erkentelijkheid te hebben, belangeloos zijn. Laten we de zending erbuiten laten, ook de christelijke liefdadigheid, waar zoo mee gesold wordt. Laten we ook niet spreken van de geschiedenis, laten we niet vragen wat Spanje gedaan heeft met de Joden, het volk dat aan heel Europa een boek, een godsdienst en een God gegeven heeft. Wat heeft het met de Arabieren gedaan, het volk dat het een beschaving geschonken heeft, verdraagzaam is geweest met zijn godsdienst, en dat zijn nationaal bewustzijn heeft opgewekt, een bewustzijn dat onder de romeinsche en gotische overheersching ingeslapen, ja bijna dood was? U zegt dat ze ons het geloof gegeven en ons uit de dwaling hebben verlost. Noemt u die uiterlijke praktijken geloof, noemt u dien handel in riempjes en schapulieren godsdienst, of die wonderen en vertelsels, die we dagelijks te hooren krijgen, waarheid? Is dat de wet van Jezus Christus? Daarvoor hoefde een God zich niet te laten kruisigen, en wij ons niet te verplichten tot een eeuwige dankbaarheid: bijgeloof bestond lang te voren, ze hoefde alleen maar wat mooier gemaakt en de prijs van de koopwaar wat hooger gesteld te worden. U zult me zeggen, dat, hoe gebrekkig de godsdienst die we nu hebben ook moge wezen, hij toch te verkiezen is boven dien we hadden. Ik geloof het en ben ’t eens, maar hij is te duur gekocht, want daarvoor hebben we afstand gedaan van onze nationaliteit en onze onafhankelijkheid. Daarvoor hebben we aan zijn priesters onze beste dorpen gegeven, onze velden, en zelfs geven we onze spaarpenningen voor ’t aankoopen van godsdienstige voorwerpen. Men heeft bij ons een artikel van buitenlandsche nijverheid ingevoerd, we betalen er goed voor, en we leven in vrede. Als u me spreekt van de bescherming tegen de encomendero’s,1 zou ik u kunnen antwoorden dat we door hen juist onder de macht van die encomendero’s zijn gevallen. Maar nee, ik erken dat een waarachtig geloof en een waarachtige menschenliefde onze eerste zendelingen leidde, toen ze naar onze stranden kwamen. Ik erken de schuld van dankbaarheid jegens die edele harten. Ik weet dat het Spanje van toen overvloed van helden in alle standen telde, zoowel in ’t godsdienstige als in ’t politieke, in ’t burgerlijke en in ’t militaire. Maar omdat de voorouders deugdzaam waren, zouden we daarom nu misbruiken in hun ontaarde afstammelingen maar moeten dulden? Omdat men ons een groote weldaad heeft aangedaan, zouden we nu schuldig zijn, door te beletten, dat men ons kwaad doet? Het land vraagt geen afschaffing, ’t vraagt alleen hervormingen die de nieuwe omstandigheden en nieuwe behoeften vereischen.”
“Ik heb mijn vaderland lief, zooals u ’t ook lief kan hebben, Elias. Ik begrijp eenigszins wat u verlangt. Ik heb met aandacht aangehoord wat u gezegd heeft, en alles wel beschouwd, geloof ik dat we de dingen met hartstocht-oogen zien. Hier minder dan elders zie ik de noodzakelijkheid van hervormingen in.”
“Is ’t mogelijk, meneer?” vroeg Elias, de handen ontmoedigd uitstrekkend. “Ziet u de noodzakelijkheid van hervormingen niet in, u wiens familie-rampen?...”
“O, ik vergeet mezelf en vergeet mijn eigen narigheid waar het de veiligheid in de Filippijnen, waar ’t de belangen van Spanje geldt!” viel Ibarra levendig in.
“Om de Filippijnen te behouden is het noodig dat de frailes voortgaan zooals ze nu doen, en in de vereeniging met Spanje ligt het heil voor ons land.”
Ibarra had uitgesproken, en Elias luisterde nog. Zijn gelaat stond droef, zijn oogen hadden hun glans verloren.
“De zendelingen hebben ’t land veroverd, dat is waar,” hervatte hij. “Gelooft u dat de Filippijnen door de frailes behouden zullen worden?”
“Ja, alleen door hen, zoo gelooft iedereen het die over de Filippijnen geschreven heeft.”
“O!” riep Elias uit, terwijl hij ontmoedigd de riem in de bangka neersmeet. “Ik dacht niet dat u zoo’n min idee had van ’t bestuur en van ’t land. Waarom veracht u allebei niet? Wat zou u zeggen van een gezin dat alleen in vrede leeft door tusschenkomst van een vreemde? Een land dat gehoorzaamt, omdat men het bedriegt, een bestuur dat gebiedt, omdat het gebruik maakt van dat bedrog, een bestuur dat zelf niet in staat is zich bemind te maken noch zich te doen eerbiedigen! Vergeeft u me meneer, maar ik geloof dat uw bestuur dom en zelfmoordend optreedt, als het werkelijk zich verheugt dat men zoo denkt. Ik dank u intusschen voor uw vriendelijkheid. Waar wilt u dat ik u heen zal brengen?”
“Nee,” hervatte Ibarra, “we zijn aan ’t redetwisten, we moeten weten wie er gelijk heeft in zulk een gewichtige aangelegenheid.”
“Verschoon me, meneer,” antwoordde Elias ’t hoofd schuddend, “ik ben niet welsprekend genoeg om u te overtuigen. Al heb ik wat opvoeding genoten, ik ben een inlander, mijn leven is voor u twijfelachtig, en mijn woorden zullen u altijd verdacht voorkomen. Zij die ’t tegenovergestelde beweerd hebben zijn Spanjaarden, en als zoodanig—al zeggen ze ook gemeenplaatsen of onnoozelheden—geven hun toon, hun titels en hun afkomst hun zooveel gezag, dat ik er voorgoed van moet afzien ze tegen te spreken. Bovendien, wanneer ik zie dat u, die uw land liefheeft, u, wiens vader rust onder deze kalme golven, u, die u hebt zien tarten, beleedigen en vervolgen, wanneer u nog zulke meeningen blijft aanhangen, in weerwil van alles en van uw hooge beschaving, dan begin ik te twijfelen aan mijn overtuigingen, en neem ik de mogelijkheid aan dat het volk zich vergist. Ik moet die ongelukkige menschen die hun vertrouwen op andere menschen gesteld hebben, nu zeggen dat ze alleen op God en hun eigen arm moeten bouwen. Ik dank u nog eens, en wacht uw order, waarheen ik u brengen moet.”
“Elias, uw bittere woorden gaan me ter harte, en brengen mij ook in twijfel. Wat zal ik u zeggen? Ik ben niet te midden van ’t volk opgevoed, en ik ken misschien zijn behoeften niet. Ik heb mijn jeugd in de Jezuïetenschool doorgebracht. Ik ben opgegroeid in Europa, ik heb me gevormd door boeken, en ik heb alleen kunnen lezen wat de menschen aan ’t licht hebben kunnen brengen: wat in ’t duister blijft, wat de schrijvers niet zeggen, dat is mij onbekend. En toch heb ik evenals u ons vaderland lief, niet alleen omdat het ieders plicht is het land lief te hebben waaraan hij zijn bestaan dankt, en waaraan hij misschien ook zijn laatste toevlucht zal verschuldigd zijn; niet alleen omdat mijn vader ’t me zoo geleerd heeft, omdat mijn moeder eene inlandsche was, en omdat al mijn mooiste herinneringen daar leven; ik heb ’t bovendien lief omdat ik daaraan mijn geluk dank en zal danken!”
“En ik omdat ik het mijn ongeluk dank!” mompelde Elias.
“Ja, vriend, ik weet dat u lijdt, u is ongelukkig, en dat doet u de toekomst donker inzien, en heeft invloed op uw manier van denken. Daarom luister ik met zeker voorbehoud naar uw klachten. Als ik de drijfveeren kon waardeeren, een deel van dat verleden...”
“Mijn ongeluk erkent een anderen oorsprong. Als ik wist dat het verhaal ervan eenig nut kon aanbrengen, zou ik ’t u doen, want, daargelaten dat ik er heelemaal geen geheim van maak, is het ook wel bij vrij veel menschen bekend.”
“Misschien dat ik mijn oordeelvellingen zal wijzigen, wanneer ik het weet. Ik hoef u niet meer te zeggen dat ik meer op feiten dan op theorieën afga.”
Elias zweeg eenige oogenblikken.
“In dat geval, meneer,” hervatte hij, “zal ik u in ’t kort mijn geschiedenis vertellen.”
1 In vroeger tijd waren dit landheeren, die de inlanders tot werken op hun grond dwongen. Elias zinspeelde op den strijd tusschen de monniken en de eerste volksplanters.
“’t Zal zoowat zestig jaar geleden zijn dat mijn grootvader te Manila woonde, en als boekhouder in een Spaansch handelshuis werkzaam was. Hij was toen zeer jong, was getrouwd en had een zoon. Op een nacht, men weet niet hoe, brandde het magazijn af, de brand deelde zich mee aan ’t heele huis, en van dit aan andere gebouwen. De verliezen waren ontelbaar, men zocht naar een schuldige, en de koopman beschuldigde mijn grootvader. Tevergeefs kwam hij er tegen op, en, omdat hij arm was, en dus geen beroemde advocaten kon betalen, werd hij veroordeeld om in ’t openbaar gegeeseld en door de straten van Manila rondgeleid te worden.
“Nog niet lang geleden was deze onteerende straf nog in gebruik. ’t Volk noemde ze ‘paard en koe,’ en ze was duizendmaal erger dan de dood. Mijn grootvader van iedereen verlaten, behalve van zijn jonge vrouw, zag zich aan een paard vastgebonden, gevolgd door een wreede menigte menschen, gegeeseld op iederen hoek van een straat, ten aanzien van iedereen, van zijn broeders en in de nabijheid van de ontelbare tempels van een Vredegod. Toen de ongelukkige—al voor altijd onteerd—had voldaan aan de wraak van de menschen met zijn bloed, zijn martelingen en zijn gegil, moesten ze hem van ’t paard afhalen, want hij was flauw gevallen. En God gave dat hij toen gestorven was! Met een van die verfijnde wreedheden gaven ze hem de vrijheid. Zijn arme vrouw, die toen zwanger was, bedelde tevergeefs van deur tot deur, om werk of een aalmoes, om te kunnen zorgen voor haar zieken man of haar ongelukkig kind. Och, wie heeft eenig vertrouwen in de vrouw van een eerloozen brandstichter? Zijn vrouw moest zich dus aan de prostitutie overgeven!”
Ibarra stond op van zijn bank.
“O, maak u niet ongerust! Prostitutie was geen schande meer voor haar, evenmin voor baar man: eer en schaamte bestonden immers niet meer. De man herstelde van zijn wonden, en ging zich met zijn vrouw en kind verschuilen ergens in de bergen van deze provincie. Hier baarde zijn vrouw een misvormd kind met allerlei ziekten, dat gelukkig stierf. Hier woonden ze nog eenige maanden, ellendig, eenzaam, gehaat en gevreesd bij een ieder. Daar mijn grootvader zijn ellende niet verdragen kon, en hij minder moedig was dan zijn vrouw, hing hij zich op, wanhopig als hij was zijn vrouw ziek en verstoken van alle hulp en zorg te zien. Het lijk verging in ’t gezicht van den zoon, die zijn zieke moeder nauwelijks kon verzorgen, en de stank deed het gerecht erachter komen.
“Mijn grootmoeder werd beschuldigd en veroordeeld, omdat ze geen kennis had gegeven van ’t overlijden. Men legde haar den dood van haar man ten laste, en dit werd geloofd. Want, waartoe is niet de vrouw van een ellendeling in staat, die ook nog publieke vrouw geweest was? Als ze zweert, noemen ze haar meineedig, als ze schreit, zeggen ze dat ze liegt, en als ze God aanroept, dat ze God lastert. Toch hadden ze nog wat meegaandheid, en wachtten ze eerst haar bevalling af, om haar daarna te geeselen. U weet dat de monniken het geloof verbreiden, dat inlanders alleen met slaag kunnen behandeld worden: leest u maar wat Padre Gaspar de San Agustin zegt.
“Als de vrouw veroordeeld wordt, zal ze den dag vervloeken waarop haar kind geboren wordt, wat behalve het verlengen van de straf, een verkrachting van moederlijke gevoelens is. Ongelukkigerwijze had de vrouw een voorspoedige bevalling en kreeg ze—ook al een ongeluk—een flinke zoon. Twee maanden later werd het vonnis voltrokken, tot groote voldoening van de menschen, want zoo geloofden ze hun plicht te vervullen. Al niet meer met rust gelaten in deze bergen, vluchtte ze met haar twee zoons naar de naburige provincie. En daar leefden ze als wilde beesten: hatend en gehaat. De oudste van de twee broers, zich te midden van zooveel ellende zijn gelukkige kinderjaren herinnerend, werd toelisan, zoodra hij zich daartoe krachtig genoeg voelde. ’t Duurde niet lang, of de bloeddorstige naam van Balat verbreidde zich van provincie tot provincie; hij was de schrik van de dorpen, want in zijn wraak verdelgde hij alles te vuur en te zwaard. De jongste, die van nature een goed hart had, had zich bij zijn lot en schande neergelegd: hij leefde met zijn moeder van wat het bosch opleverde, ze kleedden zich van de lompen die de voorgangers hun toewierpen. Zij had haar naam verloren: men kende haar alleen bij de benamingen: ‘veroordeelde, hoer, gegeeselde.’ Hij was alleen bekend als de zoon van zijn moeder, want om de zachtheid van zijn karakter hielden ze hem niet voor een zoon van den brandstichter, en omdat men bij de inlanders in zake zedelijkheid alles in twijfel kan trekken. Eindelijk viel de beruchte Balat op ’n dag in handen van ’t gerecht, dat hem streng rekenschap vroeg van zijn misdaden—het had niets gedaan om hem ’t goede te leeren. En op een morgen, toen de jonge man zijn moeder zocht, die naar ’t bosch was gegaan om paddestoelen te zoeken, en nog niet terug was, vond hij haar lang uit op den grond, aan den kant van den weg liggen, met haar gezicht naar de lucht, de oogen wijd opengespalkt en strak, de vingers gekromd en in de aarde gewoeld, waar bloedvlekken te zien waren. De jonge man kwam op ’t idee zijn oogen op te slaan, en den blik van ’t lijk te volgen. En toen zag hij aan een tak een man hangen, en aan dien man ’t bloedige hoofd van zijn broer!”
“Groote God!” riep Ibarra.
“Dat kon mijn vader roepen!” ging Elias koeltjes voort. “De menschen hadden den struikroover gevierendeeld, en de romp begraven, maar de ledematen werden verspreid en in verschillende dorpen opgehangen. Als u soms eens van Kalamba naar Santo Tomas gaat, zult u nog een armzalige lomboy-boom aantreffen, waar een been van mijn oom aan heeft gehangen: de natuur heeft hem vervloekt, en de boom groeit niet en geeft geen vrucht. Hetzelfde hebben ze met de andere ledematen gedaan, maar ’t hoofd als ’t beste van ’t individu, als wat men het makkelijkst herkent, dat hebben ze voor zijn moeders hut opgehangen!”
Ibarra boog het hoofd.
“De jonge man vluchtte als een gevloekte,” ging Elias voort. “Hij vluchtte van dorp tot dorp, over bergen en dalen, en toen hij zich al onbekend achtte, trad hij als daglooner in dienst bij een rijk man in de provincie Tabajas. Zijn werkzaamheid en de zachtheid van zijn karakter verschaften hem de achting van allen die zijn verleden niet kenden. Door hard werken en sparen kreeg hij een kapitaaltje bijeen, en omdat de ellende voorbij en hij jong was, dacht hij aan zijn geluk. Zijn aardig voorkomen, zijn jeugd en zijn eenigszins welgestelde positie deden hem de liefde winnen van een meisje van ’t dorp. Maar hij dorst haar hand niet te vragen, omdat hij bang was dat dan zijn verleden bekend zou worden. De liefde vermocht meer, en beiden vergaten zich. De man waagt er alles op om de eer van zijn meisje te redden: hij vraagt haar ten huwelijk, men brengt de papieren voor den dag, en alles komt uit. De vader van ’t meisje was rijk, en kreeg gedaan dat de man vervolgd werd. Hij trachtte zich niet te verdedigen, bekende alles en werd verbannen naar een presidio of dwangarbeiders-kolonie. Het jonge meisje bracht een jongen en een meisje ter wereld, die in ’t geheim werden gezoogd. Men liet ze gelooven dat hun vader dood was, wat niet moeilijk was, want hun moeder zagen ze ook, toen ze nog heel jong waren, heengaan, zoodat ze er niet aan konden denken hun afkomst na te gaan. Doordat onze grootvader rijk was, hadden we ’t als kinderen zeer goed. Mijn zuster en ik werden samen opgevoed. We hielden van elkaar, zooals alleen tweelingen dat kunnen, die geen andere liefde kennen. Toen ik nog heel jong was, ging ik op ’t Jezuïeten College leeren, en mijn zuster ging, om niet heelemaal van mij gescheiden te worden, naar de kostschool van La Concordia. Toen onze korte schooltijd om was—want we wilden niets anders zijn dan landbouwers—gingen we naar ’t dorp terug, om bezit te nemen van de erfenis van onzen grootvader. We leefden eenigen tijd gelukkig, de toekomst lachte ons toe, we hadden veel bedienden, onze velden gaven een goeden oogst, en mijn zuster was op ’t punt juist om te gaan trouwen met een jongmensch dat ze aanbad, en dat haar evenzeer lief had. Door geldkwesties, door mijn karakter, dat toen trotsch was, raakte ik in onmin wet een verren verwante, en eens op een dag slingerde hij mij mijn duistere geboorte en mijn eerloozen afkomst in ’t gezicht.
“Ik beweerde dat het laster was, en eischte voldoening. Het graf waarin zooveel rottenis sluimerde, opende zich weer, en de waarheid kwam voor den dag, om me te beschamen. Tot overmaat van ramp hadden we sinds jaren een ouden knecht, die al mijn grillen verdroeg zonder zich ooit te beklagen, en die zich vergenoegde met alleen maar te schreien en te kermen onder ’t gelach en den spot van de andere bedienden. Ik weet niet hoe dat familielid erachter kwam: een feit is ’t dat hij dien ouden knecht voor ’t gerecht liet dagen en hem de waarheid deed verklaren. De oude knecht was onze vader, die met hart en ziel verkleefd was aan zijn kinderen, en dien ik herhaalde malen mishandeld had. Ons geluk was weg, ik deed afstand van ons fortuin, mijn zuster verloor haar verloofde, en we vertrokken met onzen vader uit het dorp, om hier of daar elders heen te gaan. De gedachte dat hij tot ons ongeluk had bijgedragen verkortte het leven van den ouden man. Van zijn lippen vernam ik ’t heele droeve verleden.
“Mijn zuster en ik bleven alleen.
“Zij schreide veel, maar bij al de smart die over ons kwam, kon ze haar liefde niet vergeten. Zonder te klagen, zonder een woord te zeggen, zag ze haar vroegeren verloofde met een ander trouwen, en ik zag haar langzamerhand zieker worden, zonder haar te kunnen troosten. Op een dag verdween ze. Tevergeefs zocht ik haar overal, tevergeefs deed ik overal navraag, totdat ik zes maanden later vernam dat men in dien tijd, na een aanwas van ’t meer, op ’t strand van Kalamba tusschen het riet het lijk van een jongmeisje gevonden had. Ze had, naar men zeide, een mes in haar borst steken. De overheid van dat dorp liet de zaak in de naburige dorpen bekend maken. Niemand had zich aangemeld, om het lijk op te vragen, geen enkel jongmeisje zou er verdwenen zijn. Naar de gegevens die ik later kreeg, naar de kleeren, de sieraden, het mooie gezichtje, het zeer overvloedige haar, begreep ik dat het mijn arme zuster moest geweest zijn. Van dien tijd af dool ik van de eene provincie naar de andere. Mijn roep en mijn geschiedenis zijn in den mond van velen. Men vertelt allerlei dingen van me, die ik gedaan zou hebben; soms is ’t laster, maar ik stoor me weinig aan de menschen, en ga mijn gang.
“Daar heeft u in ’t kort mijn geschiedenis, en de geschiedenis van een geval van menschenrecht.”
Elias zweeg, en ging voort met roeien.
“Ik begin te gelooven dat u geen ongelijk heeft,” zei Crisóstomo zacht, “wanneer u zegt dat de gerechtigheid het goede moest nastreven door de belooning van de deugd en de opvoeding van de misdadigers. Alleen maar... ’t is onmogelijk, ’t is een utopie; want waar moet al het geld vandaan komen? Al de nieuwe beambten?”
“En waarvoor zijn dan de priesters die hun zending van vrede en menschenliefde verkondigen? Zou ’t verdienstelijker wezen het hoofd van een kind met water te bevochtigen, het zout te eten te geven, dan in ’t verduisterde geweten van een misdadiger de vonk aan te blazen die God ieder mensch heeft gegeven om ’t goede te zoeken? Zou ’t menschelijker wezen, een veroordeelde naar ’t schavot te geleiden dan hem te leiden langs ’t moeilijke pad dat van de ondeugd naar de deugd gaat? Worden er niet al spionnen, beulen en guardias civiles betaald? Dat kost ook geld, en is nog smerig bovendien.”
“Vriend, noch u noch ik zullen ’t gedaan krijgen, al willen we ’t ook.”
“Alleen, ja, dan zijn we niets. Maar neem de zaak van ’t volk op, vereenig u met het volk, sla zijn klachten niet in den wind, geef het goede voorbeeld aan de anderen, geef een denkbeeld van wat een vaderland is!”
“Wat het volk vraagt, is een onmogelijkheid. We moeten afwachten.”
“Afwachten, afwachten staat gelijk met lijden!”
“Als ik ’t vroeg, zouden ze me uitlachen.”
“En als ’t volk u steunt?”
“Nooit! Ik zal nooit de man zijn die de menigte moet leiden om door geweld gedaan te krijgen wat het bestuur niet geschikt acht. Nee! En als ik eens die gewapende menigte zag, zou ik me aan de zijde van ’t bestuur scharen en ze bestrijden, want in die bende zou ik mijn volk niet zien. Ik wil hun heil: daarvoor richt ik een school op. Ik zoek ’t te bereiken door ’t onderwijs, door de trapsgewijze vooruitgang. Zonder licht is er geen weg te vinden.”
“Zonder strijd is er ook geen vrijheid!” antwoordde Elias.
“Maar zoo’n vrijheid wil ik niet!”
“Maar zonder vrijheid is er geen licht,” hervatte de loods levendig.
“U zegt dat u uw land weinig kent. Ik geloof ’t. U ziet de worsteling niet die voorbereid wordt, u ziet de wolk aan den horizon niet. De strijd begint in de sfeer van de denkbeelden, om dan naar de arena af te dalen, die met bloed geverfd zal worden. Ik hoor Gods stem: wee degenen die hem zullen tegenstreven! Voor hun is de geschiedenis niet geschreven!”
Elias scheen geheel veranderd: staande, met ontbloot hoofd, had zijn mannelijk gelaat, beschenen door de maan, iets buitengewoons. Hij schudde zijn overvloedig haar, en ging voort:
“Ziet u dan niet hoe alles ontwaakt? De slaap heeft eeuwen geduurd, maar eens viel de bliksemstraal, die vernielde, maar tot nieuw leven riep. Van toen af werken er nieuwe stroomingen in de geesten, en deze stroomingen, die nu gescheiden zijn, zullen zich eenmaal onder Gods leiding vereenigen. God heeft de andere volken niet verzaakt, hij zal evenmin ons verzaken: zijn zaak is de vrijheidszaak.”
Een plechtige stilte volgde op deze woorden. Intusschen naderde de bangka, onmerkbaar door de golven voortbewogen, den oever. Elias was de eerste die de stilte verbrak.
“Wat moet ik zeggen aan degenen die me zenden?” vroeg hij, van toon veranderend.
“Ik heb ’t u al gezegd: dat ik hun toestand ten zeerste betreur, maar dat ze moeten hopen en afwachten, want de misstanden worden niet genezen door ander kwaad, en in ons ongeluk hebben we allen mee schuld.”
Elias gaf verder geen antwoord. Hij boog het hoofd, en ging door met roeien. En aan den oever gekomen, nam hij afscheid van Ibarra, zeggende:
“Ik dank u, meneer, voor de welwillendheid waarmee u wel naar me heeft willen luisteren. In uw eigen belang verzoek ik u dat u voortaan mij vergeet, en dat u me niet herkent, in welken toestand u me ook mag aantreffen.”
En dit gezegd hebbende, bracht hij de bangka weer van den oever, roeiend naar een boschje aan ’t strand. Gedurende de lange overtocht bleef hij zwijgen. Hij scheen niet anders te zien dan de duizenden diamanten, die hij met zijn roeiriem uit het meer ophaalde en weer daaraan teruggaf, waar ze geheimzinnig verdwenen tusschen de donker-blauwe golven.
Eindelijk was hij aangekomen. Een man kwam te voorschijn uit het boschje en trad op hem toe.
“Wat zal ik aan onzen hoofdman zeggen?” vroeg hij.
“Zeg hem dat Elias, als hij niet eerder sterft, zijn woord zal nakomen,” antwoordde hij droevig.
“Wanneer zal je je dan bij ons voegen?”
“Wanneer onze hoofdman meent dat het uur van gevaar gekomen is.”
“Dat ’s goed, vaarwel!”