De schuchtere Linares was ernstig gestemd en vol ongerustheid. Hij had daar juist een brief ontvangen van Doña Victorina, die in behoorlijke taal overgebracht, zoo luidde:
“Geachte Neef,
Binnen drie dagen hoop ik van u te vernemen of de alférez u reeds gedood heeft of gij hem.
Ik wil niet dat er nog een dag langer voorbijgaat, zonder dat die vlegel zijn straf krijgt. Als deze termijn verstreken is, en gij hem nog niet hebt uitgedaagd, zeg ik aan Don Santiago, dat ge nooit sekretaris geweest zijt, en evenmin jongeluis-partijtjes gegeven hebt aan Canovas of pret gemaakt hebt met generaal Don Arseno Martines. Dan zeg ik aan Clarita dat het alles praatjes geweest zijn. En ik geef je geen roode duit meer. Maar als gij hem uitdaagt, beloof ik u alles wat je wilt. Dus, zorgt er nu voor dat ge hem uitdaagt: ik zeg u vooruit dat ik niets weten wil van voorwendsels of uitvluchten,
Uw hartelijk liefhebbende nicht:
Victorina de los Reyes de Espadaña.
Sampalok, Maandag 7 uur ’s avonds.”
Het was een ernstig geval: Linares kende het karakter van Doña Victorina, en wist waartoe ze in staat was.
Met haar redelijk te praten, was net hetzelfde als van eerlijkheid en fatsoen te spreken tot een carabinero van de belasting, wanneer die ’t in zijn hoofd krijgt smokkelwaar te vinden waar die niet is. Smeken baatte niet, om den tuin leiden was nog erger. Er zat niets anders op dan de uitdaging te doen.
Maar hoe? dacht hij, alleen heen en weer stappend, als hij me royaal naar de maan laat loopen? Als ik ’s zijn vrouw tegenkom? Wie zal getuige willen wezen? De pastoor? Capitán Tiago? Verwenscht het oogenblik dat ik naar haar raad geluisterd heb! Beroerd wijf! Wie noodzaakte me om op te snijden, leugens te verkoopen, om met allerlei gezwets me in te dringen? Wat zal die jongedame nu van me zeggen?... Nu spijt het me dat ik secretaris bij alle ministers geweest ben!
In deze droeve overdenking was de goede Linares, toen Padre Salvi binnenkwam. De Franciskaan was werkelijk nog magerder en bleeker dan gewoonlijk, maar zijn oogen schitterden met een eigenaardigen glans, en op zijn lippen zweefde een vreemde glimlach.
“Zoo, meneer Linares, zoo alleen?” groette hij en richtte zich naar de zaal, door welker half-geopende deur eenige tonen van een piano naar buiten kwamen.
Linares wilde glimlachen.
“En Don Santiago?” liet de pastoor volgen.
Capitán Tiago verscheen juist, kuste den pastoor de hand, ontdeed hem van zijn hoed en stok, en lachte als een gelukzalige.
“Wel, wel!” zeide de pastoor de zaal binnentredend, gevolgd door Linares en Capitán Tiago. “Ik heb goed nieuws aan u allen te vertellen. Ik heb brieven uit Manila ontvangen, die me bevestigen wat meneer Ibarra me gisteren kwam meedeelen...dus, Don Santiago, ’t beletsel is vervallen.”
Maria Clara, die tusschen haar twee vriendinnen aan de piano zat, richtte zich half op, doch de krachten begaven haar, en ze ging weer zitten. Linares verbleekte, en keek Capitán Tiago aan. Deze sloeg de oogen neer.
“Dat jongemensch lijkt me per slot van rekening zeer sympathiek,” ging de pastoor voort, “eerst beoordeelde ik hem verkeerd...hij is wat driftig, maar daarna weet hij zijn fouten zoo goed te herstellen, dat men geen wrok tegen hem kan koesteren. Als Padre Dámaso niet...”
De pastoor wierp een snellen blik naar Maria Clara, die luisterde, maar zonder de oogen op te slaan van de muziek voor haar, in weerwil van de stille kneepjes die Sinang haar toediende. Zoo drukte deze haar vreugde uit. Als ze alleen was geweest, had ze gedanst.
“Padre Dámaso?” vroeg Linares.
“Ja, padre Dámaso heeft gezegd,” hervatte de pastoor zonder zijn blik van Maria Clara af te wenden, “dat hij als Maria’s peetvader niet kon veroorloven ...maar nu ja, ik geloof dat als meneer Ibarra hem vergiffenis vraagt, waar ik niet aan twijfel, alles weer in orde komt.”
Maria Clara stond op, verontschuldigde zich en ging vergezeld van Victoria, het vertrek uit.
“En als Padre Dámaso hem niet vergeeft?” vroeg Capitán Tiago zacht.
“Dan...moet Maria Clara ’t zelf weten ...Padre Dámaso is haar...geestelijke vader. Maar ik geloof dat ze ’t bij zullen leggen.”
Op dat oogenblik hoorde men schreden, en Ibarra vertoonde zich, gevolgd door tante Isabel. Zijn komst bracht een zeer verschillenden indruk te weeg. Hij groette Capitán Tiago vriendelijk—deze wist niet of hij lachen of schreien moest—en Linares met een diepe buiging met het hoofd. Fray Salvi stond op, en gaf hem zoo hartelijk de hand, dat Ibarra een blik van verbazing niet kon bedwingen.
“Verwonder u niet,” zeide Fray Salvi, “ik was net bezig u te prijzen.”
Ibarra dankte, en trad op Sinang toe.
“Waar ben je den heelen dag geweest?” vroeg deze met haar jongmeisjes praatlust. “We vroegen elkaar af: waar zou die uit het vagevuur losgekochte ziel toch wel heen zijn? En elk van ons meisjes zei iets.”
“En mag ik weten wat dat was?”
“Nee, dat ’s een geheim, maar ik zal ’t wel onder vier oogen zeggen. Zeg ons nu waar je geweest bent, om ’t te zien, wie er goed heeft kunnen raden.”
“Nee, dat ’s ook een geheim, maar ik zal ’t je wel onder vier oogen zeggen, als de heeren me veroorloven.”
“Wel, natuurlijk, natuurlijk! Dat ontbrak er nog maar aan!” zei padre Salvi.
Sinang nam Crisóstomo mee naar ’t eene uiteinde van de zaal: zij was in de wolken dat ze een geheim zou hooren.
“Zeg me nu ’s, vriendinnetje,” vroeg Ibarra, “is Maria boos op me?”
“Ik weet ’t niet, maar ze zegt dat het beter is dat je haar vergeet, en dan begint ze te schreien. Capitán Tiago wil dat ze trouwt met dien meneer, Padre Dámaso ook, maar zij zegt geen ja en geen nee. Van morgen toen we naar je vroegen en ik zei: Zou hij soms ’t hof zijn gaan maken aan ’t een of ander meisje?, antwoordde zij me: ‘God gave ’t!’ en barstte in schreien uit.”
Ibarra keek ernstig.
“Zeg Maria dat ik haar alleen wil spreken.”
“Alleen?” vroeg Sinang en fronste de wenkbrauwen.
“Heelemaal alleen, nee, maar die vent moet er niet bij wezen.”
“Dat ’s lastig. Maar wees maar gerust: ik zal ’t haar zeggen.”
“En wanneer zal ik ’t antwoord weten?”
“Morgen. Ga vroeg naar huis. Maria wil nooit alleen zijn. Wij zijn bij haar: Victoria slaapt de eene nacht naast haar, ik de andere. Morgen is ’t mijn beurt. Maar hoe is ’t nu met het geheim? Ga je heen zonder me ’t voornaamste gezegd te hebben?”
“Dat ’s waar ook! Ik ben in ’t dorp de los baños1 geweest. Ik ga de cokos-aanplantingen exploiteeren, want ik denk een fabriek op te richten met je vader als deelgenoot.”
“Niets anders dan dat? Nu, dat’s ook een geheim!” riep Sinang luid, op den toon van een opgelichte woekeraar. “Ik dacht...”
“Voorzichtig! Ik sta je niet toe dat je ’t vertelt!”
“Alsof ik daar lust in had!” antwoordde Sinang, en trok haar neusje op. “Als ’t nog ’s wat belangrijkers was, zou ik ’t aan mijn vriendinnen zeggen. Maar ’t koopen van klappers! Wie stelt nu belang in klappers?”
En als een pijl uit een boog ging ze weer naar haar vriendinnen.
Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, daar hij zag dat het samenzijn moeilijk anders dan gedwongen kon wezen. Capitán Tiago keek zuurzoet, Linares was stil en zat waar te nemen, de pastoor deed alsof hij vroolijk was en sprak over dingen die hem volmaakt onverschillig waren.
1 Van de baden, d. w. z. waar de badplaats is.
De bewolkte hemel verborg de maan. Een koude wind, voorbode van de naderende December-maand, blies wat dorre bladeren en stof weg op het smalle pad dat naar ’t kerkhof voert.
Drie schimmen spraken zacht tot elkaar onder de poort.
“Heb je Elias gesproken?” vroeg een stem.
“Nee, je weet toch dat hij erg vreemd en voorzichtig doet, maar hij moet een van de onzen zijn: Don Crisóstomo heeft hem ’t leven gered.”
“Daarom ook heb ik ’t aangenomen,” zeide de eerste stem. “Don Crisóstomo zorgt ervoor dat mijn vrouw genezen wordt bij een dokter in huis in Manila. Ik heb me belast met het ‘klooster,’ om mijn rekening met den pastoor te vereffenen.”
“En wij met de kazerne, om aan de civiles te zeggen dat onze vader zoons had.”
“Met hoevelen zullen jullie zijn?”
“Met ons vijven. Met vijf zijn er genoeg. De knecht van Don Crisóstomo zegt dat we met ons twintigen zullen wezen.”
“En als ’t jullie tegenloopt?”
“St!” zei er een, en allen zwegen.
Men zag bij de halve duisternis die er heerschte een schim aankomen, die langs de buitenmuur voortgleed. Van tijd tot tijd hield hij stil alsof hij ’t hoofd achterwaarts keerde.
En daar was wel reden voor. Achter hem aan, op zoowat twintig pas afstands, kwam een andere grootere schim, die nog meer schim scheen te wezen dan de eerste, zoo luchtig stapte hij over den grond, terwijl hij telkens wanneer de eerste stilstond en omkeek verdween, alsof de aarde hem verzwolg.
“Ik wordt achtervolgd!” mompelde de ander, “zou ’t de guardia civil wezen? Zou de hoofdkoster liegen?”
“Ze zeggen dat de samenkomst hier is,” zeide de tweede schim zacht. “’t Moet wel iets kwaads betreffen, wanneer de twee broers het voor me verborgen houden.”
De eerste schim kwam eindelijk aan de poort van het kerkhof. De drie eersten traden vooruit.
“Zijn jullie ’t?”
“Ben jij ’t?”
“We moeten uiteen gaan, want ik word achtervolgd!
“Morgen krijgen jullie de wapens en den nacht daarop zal ’t wezen. De kreet is ‘Leve Don Crisóstomo!’ Ga nu heen!”
De drie schimmen verdwenen achter de muren. De nieuw-aangekomene verschool zich in de holte van de poort en wachtte in stilte.
“Laten we ’s zien wie me daar volgde!” mompelde hij.
De tweede schim naderde met veel omzichtigheid, en stond stil, als om rond te kijken.
“Ik ben te laat gekomen!” zeide hij halfluid, “maar misschien komen ze terug.”
En daar er een fijne dichte regen begon te vallen, kwam hij op de gedachte onder de poort te gaan schuilen.
Natuurlijk ontmoette hij den ander.
“O! Wie bent u?” vroeg de laatst gekomene met mannelijke stem.
“En wie bent u?” antwoordde de ander bedaard.
Een oogenblik stilte. Ze trachtten elkaar te herkennen aan den klank der stem en elkaars trekken te onderscheiden.
“Wat wacht u hier?” vroeg de mannelijke stem.
“Op ’t slaan van acht, om de kaart van de dooden te hebben. Ik wil van avond een som winnen,” antwoordde de ander op heel natuurlijken toon. “En u, waarvoor komt u?”
“Voor... ’t zelfde.”
“Awá!1 dat doet me plezier: dan heb ik gezelschap. Ik heb kaarten bij me. Bij de eerste klokslag zet ik albur, bij de tweede gallo; die dan bewegen zijn de kaarten van de dooden, en die moet je met geweld in handen zien te krijgen. Heeft u kaarten bij u?”
“Nee!”
“Wat dan?”
“Wel, heel eenvoudig: net zooals u voor hun ‘de bank’ houdt, hoop ik dat zij die voor mij zullen houden.”
“En als de dooden geen bank willen houden?”
“Wat is eraan te doen? ’t Spelen is nog niet verplicht gesteld onder de dooden...”
Er was een oogenblik stilte.
“Komt u gewapend? Hoe gaat u vechten met de dooden?”
“Met mijn vuisten,” antwoordde de grootste van de twee.
“Och, duivels, nu herinner ik me dat de dooden niet willen inzetten, als er meer dan een levende is. En we zijn met ons beiden...”
“Werkelijk? Nu, ik wil niet weggaan.”
“Ik ook niet, ik heb geld noodig,” antwoordde de kleinste.
“Maar laten we wat afspreken: laten we samen spelen, en die verliest moet heengaan.”
“Goed...” antwoordde de ander met eenigen tegenzin.
“Laten we dan naar binnen gaan. Heeft u lucifers?” Ze traden binnen, en zochten in de halve duisternis een geschikt plekje. Weldra ontwaarden ze een nis, waarop ze gingen zitten. De kleinste haalde uit zijn salakot een spel kaarten, en de ander stak een lucifer aan.
Bij ’t licht keken ze elkaar aan, maar, naar de uitdrukking van hun gezicht te oordeelen, kenden ze elkaar niet. De eene lange met de mannelijke stem was Elias, de kleinste Lucas met het litteeken op zijn wang.
“Coupeeren!” zeide deze, hem steeds gadeslaande.
Hij verwijderde eenige beenderen, die hij op de nis vond, en nam een aas en een vrouw uit. Elias stak telkens een nieuwe lucifer aan.
“Op de vrouw!” zeide hij, en om de kaart aan te wijzen, legde hij er een wervelbeen op.
“Goed!” zei Lucas, en na vier of vijf kaarten haalde hij een aas uit.
“U heeft ’t verloren,” voegde hij erbij. “Laat me nu alleen, om mijn kansje te wagen.”
Elias verwijderde zich zonder een woord, en verdween in de duisternis.
Eenige minuten later sloeg de kerkklok het uur der zielen. Maar Lucas noodigde niemand tot spelen: hij riep de dooden niet op, zooals het bijgeloof dat voorschrijft, maar hij ontblootte het hoofd, en prevelde eenige gebeden, onderwijl kruisen slaande met dezelfde vurigheid waarmee het hoofd van de broederschap der allerheiligste Rozenkrans het op dat oogenblik zou gedaan hebben.
De heele nacht bleef het motregenen. Om negen uur waren de straten reeds donker en verlaten. De olie-lantarens, die iedere bewoner moet ophangen, verlichtte nauw een kring van een meter straal: ze schenen aangestoken, om te laten zien dat het donker was.
Twee guardias civiles stapten in de straat op en neer, dicht bij de kerk.
“’t Is koud!” zei de een in ’t Tagaalsch, met een Wisajasche tongval.2 “We krijgen geen enkelen koster te pakken, om het kippenhok van den alférez te repareeren... Met den dood van dien eene hebben ze een lesje gekregen: dat ’s vervelend.”
“Dat vind ik ook,” antwoordde de ander. “Niemand steelt of maakt straatrumoer. Maar er wordt, Goddank, gezegd dat Elias in ’t dorp is. De alférez zegt dat hij die hem pakt in drie maanden geen ransel krijgt.”
“Zoo? Ken je z’n signalement uit je hoofd?” vroeg de Wisajer.
“Of ik! Lange gestalte volgens den alférez, middelmatig volgens Padre Dámaso; kleur bruin, oogen zwart, neus gewoon, mond gewoon, baard geen, haar zwart...”
“Zoo! En bijzondere kenteekenen?”
“Zwart hemd, zwarte broek, houthakker...”
“O, die zal niet ontsnappen: ’t is net of ik hem zie.”
“Ik verwar hem niet licht met een ander, al lijkt hij er ook op.”
De twee soldaten zetten hun ronde voort.
Bij ’t licht der lantarens zien we weer twee schimmen heel omzichtig de een achter den ander gaan. Een krachtig “Quien vive?” (Wie daar?) houdt beiden staande, en de eerste antwoordt met bevende stem: “España!”
De soldaten grijpen hem aan en slepen hem naar een lantaren, om hem te herkennen. ’t Was Lucas, doch de soldaten weifelen, en kijken elkaar aan, als om elkaar te raadplegen.
“De alférez heeft niet gezegd dat hij een litteeken had!” zegt de Wisajer zacht. “Waar ga je heen?”
“Om een mis voor morgen te bestellen.”
“Heb je Elias niet gezien?”
“Ik ken hem niet, meneer!” antwoordt Lucas.
“Ik vraag je niet of je hem kent, stommerik! Wij kennen ’m ook niet. Ik vraag je of ’m gezien hebt.”
“Nee, meneer.”
“Luister goed, ik zal je zeggen hoe hij eruit ziet. Gestalte soms lang, soms gewoon, haar en oogen zwart, al ’t overige is gewoon,” zegt de Wisajer. “Zou je ’m nu kennen?”
“Nee, meneer!” antwoordde Lucas verbouwereerd.
“Schei dan uit, ezelskop!” En ze gaven hem een duw.
“Weet jij waarom Elias voor den alférez lang en voor den pastoor kort is?” vroeg de Tagaal diepzinnig aan den Wisajer.
“Nee.”
“Omdat de alférez in de modder gezakt was, toen hij hem waarnam en de pastoor behoorlijk op zijn voeten stond.”
“Dat ’s waar!” riep de Wisajer uit. “Je bent een slimmerd... Zeg, hoe ben jij zoo guardia civil geworden?”
“Ik ben ’t niet altijd geweest: eerst was ik smokkelaar,” antwoordde de Tagaal met fierheid.
Doch weder trok een schim hun aandacht: ze riepen weer: Quien vive? en brachten hem naar ’t licht.
Ditmaal was het Elias in eigen persoon, die zich aan hen voordeed.
“Waar ga je heen?”
“Ik ga een man achterna die mijn broer geslagen en gedreigd heeft. Hij heeft een litteeken op zijn gezicht en heet Elias,..”
“O!” riepen de twee, en keken elkaar ontzet aan. En onmiddellijk liepen ze hard in de richting van de kerk, waar eenige minuten te voren Lucas verdwenen was.
Reeds vroeg verspreidde zich in ’t dorp het gerucht dat er den vorigen nacht verscheidene lichtjes op ’t kerkhof gezien waren.
Het hoofd der broederschap van de Hermanos Ferceros sprak van aangestoken kaarsen, en beschreef den vorm en grootte ervan, maar hij kon niet bepaald het aantal noemen, want hij wist alleen dat hij er meer dan twintig had kunnen tellen.
Zuster Sipa, van de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans mocht niet dulden dat alleen iemand van de vijandelijke broederschap die “genade Gods” gezien had; zuster Sipa had, al woonde ze niet in de buurt, duidelijk geklaag en gekerm gehoord, en zelfs aan de stemmen zekere personen meenen te herkennen met wie zij vroeger... doch uit christelijke liefde, vergaf ze niet alleen, maar bad ze, en verzweeg ze hun namen. Om welke reden allen haar “incontinenti” heilig prezen.
Zuster Roefa had inderdaad niet zoo’n fijn gehoor, maar ze mocht niet dulden dat zuster Sipa het gehoord had en zij niet; daarom had zij een droom gehad, en veel zielen hadden zich aan haar vertoond, niet alleen van doode menschen, maar ook van levenden. De lijdende zielen vroegen een deel van haar “aflaten”, die ze keurig opgeteekend en opgespaard had. Zij zou de namen aan de belanghebbende families kunnen zeggen, en vroeg alleen een kleine aalmoes om den Paus in zijn behoeften bij te staan.
Een kleine jongen, die herder van beroep was, die het waagde te verzekeren dat hij maar één licht en twee mannen met een salakot op gezien had, ontkwam ternauwernood aan een afranseling en scheldwoorden. Tevergeefs zwoer hij: zijn karbouwen waren erbij geweest, die konden getuigen.
“Wou jij soms meer weten dan de celador van de broederschap en de zusters, vrijmetselaar, ketter?” zeiden ze tot hem en keken hem daarbij met booze oogen aan.
De pastoor besteeg den preekstoel, en preekte weer over het vagevuur, en de peso’s kwamen weer uit hun schuilhoekjes om een misje te winnen.
Doch laten we de gekwelde zielen voor wat ze zijn, en luisteren we naar het gesprek van Don Filipo en den ouden Tasio, die ziek lag in zijn eenzame woning. Reeds dagen lang had hij ’t bed niet verlaten, overmand door een zwakte die snel toenam.
Ik weet heusch niet of ik u geluk moet wenschen omdat ze uw ontslagaanvrage hebben aangenomen. Vroeger, toen de burgemeester zoo onbeschaamd de meening van de meerderheid opzij zette, toen was het gepast uw ontslag te nemen. Maar nu u in strijd is met de guardia civil is het niet behoorlijk. In oorlogstijd moet men op zijn post blijven.”
“Jawel, maar niet wanneer de generaal zich verkoopt,” antwoordde Don Filipo. “U weet immers dat de gobernadorcillo den volgenden ochtend de soldaten in vrijheid gesteld heeft, die ik had kunnen gevangen zetten, en dat hij geweigerd heeft een enkelen stap te doen. Zonder de toestemming van mijn meerdere kan ik niets.”
“U alleen niets, maar met de anderen samen veel. U had van deze gelegenheid moeten gebruik maken om een voorbeeld te geven aan de andere dorpen. Boven ’t belachelijk gezag van zoo’n gobernadorcillo staat het recht van ’t volk. ’t Was het begin van een goede les, en u heeft die verloren laten gaan.”
“En wat zou ik hebben kunnen doen tegenover den vertegenwoordiger van de vooroordeelden? Daar heb je nu meneer Ibarra, die heeft zich gebogen voor de geloofs-overtuigingen van de menigte. Denkt u soms dat hij gelooft in een kerkelijken ban?”
“U bent niet in dezelfde positie: meneer Ibarra wil zaaien, en om te zaaien, moet men bukken en aan de stof gehoorzamen. Uw zending was schudden, en om te schudden heb je kracht noodig en aandrift. Bovendien, de strijd moest niet aangebonden worden tegen den burgemeester, de leus moest wezen: tegen hem die misbruik maakt van zijn macht, tegen dengeen die de openbare rust verstoort, tegen dengeen die zijn plicht verzaakt. En u zou niet alleen gestaan hebben, want ’t land van nu is niet meer hetzelfde van twintig jaar geleden.”
“Gelooft u dat?” vroeg Don Filipo.
“En beseft u dat dan niet?” antwoordde de oude man, zich in bed half oprichtend. “Och, dat komt omdat u het verleden niet gezien heeft, u heeft de uitwerking van de Europeesche immigratie niet bestudeerd, van ’t komen van nieuwe boeken en van ’t naar Europa trekken van jonge menschen. U moet studeeren en vergelijken. ’t Is waar dat de koninklijke Pauselijke universiteit van Santo Tomas nog bestaat, met zijn zeer geleerd klooster, en dat nog eenige vernuften zich oefenen in ’t formuleeren van allerlei haarkloverijen der scholastiek, maar waar vindt men nu die metafysische jeugd van onze tijden, met archeologische geleerdheid, die met afgetobde hersens ergens in een uithoek van de provincie al spitsvondigheden uitpluizend stierf, zonder tot het volkomen begrijpen te komen van de eigenschappen van ’t ‘wezen’, zonder het vraagstuk opgelost te hebben van ‘wezen en bestaan,’ allerverhevenste begrippen, die ons het wezenlijke deden vergeten, ons bestaan en ons eigen wezen? Kijk nu eens naar de jeugd! Vol geestdrift bij ’t zien van ruimer horizonten, studeert ze geschiedenis, wiskunde, aardrijkskunde, litteratuur, natuurkunde, talen, allemaal vakken waarvan we vroeger met afschuw hoorden, alsof ’t ketterijen waren. De vrijzinnigste van mijn tijd verklaarde ze voor minderwaardig tegenover de ‘kategorieën’ van Aristoteles en de wetten van de sluitrede. De mensch heeft ten slotte geleerd mensch te zijn. Hij ziet af van de ontleding van zijn God, van ’t doordringen in ’t onvatbare, in dat wat hij niet gezien heeft, van ’t wetten geven aan zijn hersenschimmen. De mensch begrijpt dat zijn erfenis de uitgestrekte wereld is, waarvan de heerschappij in zijn bereik ligt. Vermoeid van zijn onnutten, aanmatigenden arbeid, buigt hij ’t hoofd, en onderzoekt wat hem omringt. Zie hoe nu onze dichters geboren worden. De muzen van de natuur openen ons langzamerhand haar schatten en beginnen ons toe te lachen, om ons op te wekken tot den arbeid. De proefondervindelijke wetenschappen hebben al hun eerste vruchten gegeven; er ontbreekt alleen nog aan dat de tijd ze volmaken zal. De nieuwe advocaten worden gevormd naar de nieuwe denkbeelden van de rechts-filosofie. Enkelen beginnen te schitteren te midden van de duisternis, die onze balie omringt, en bespeuren een verandering in den loop der tijden. Hoor hoe de jeugd spreekt, bezoek de centra van onderwijs, en er zullen andere namen klinken in de akademische gehoorzalen dan in de kloosters: daar hoorden we alleen die van Santo Tomas, Suarez, Amat, Sanchez en andere afgoden van mijn tijd. Tevergeefs jammeren de frailes van den preekstoel tegen den zedelijken achteruitgang, evenals de vischverkoopers jammeren over de schrielheid der koopers, zonder dat ze merken dat hun koopwaar oud en onbruikbaar is. Tevergeefs strekken de kloosters hun vangarmen en wortels naar de dorpen uit, om er den nieuwen stroom te verstikken. De goden gaan heen. De wortels van den boom kunnen de planten die erop steunen wel verzwakken, maar niet het leven benemen aan andere wezens, die als de vogels, omhoog stijgen naar den hemel.”
De filosoof sprak met vuur. Zijn oogen schitterden.
“En toch is de nieuwe kiem klein. Als iedereen zich tot taak maakt den vooruitgang tegen te werken, dien we zoo duur koopen kan hij verstikt worden,” bracht Don Filipo ongeloovig ertegen in.
“De kiem verstikken...wie zal dat doen? De mensch, die zieke dwerg, den vooruitgang verstikken, dien machtigen zoon van den tijd en de werkzaamheid? Wanneer heeft hij dat gekund? Het dogma, het schavot en de brandstapel, die hem trachten tegen te houden, brengen hem juist vooruit. ‘En toch beweegt ze zich,’ zeide Galilei, toen de Dominikanen hem dwongen om te verklaren dat de aarde zich niet bewoog; ’t zelfde kan men zeggen van den menschelijken vooruitgang. Er zullen eenige wilsuitingen met geweld worden onderdrukt, er zullen enkele individuen worden opgeofferd, maar wat geeft het: de vooruitgang zal zijn weg vervolgen, en uit het bloed van hen die vallen zullen nieuwe en krachtige loten opkomen. Zie hoe zelfs de pers, hoe reactionair ze ook zou willen wezen, mee een schrede vooruit doet. Zelfs de Dominikanen ontkomen niet aan deze wet, en ze doen de Jezuïeten, hun onverzoenlijke vijanden, na: ze geven feesten in hun kloosters, richten tooneeltjes op, maken gedichten, want, doordat het hun niet aan verstand ontbreekt, al wanen ze zich ook in de vijftiende eeuw, begrijpen ze dat de Jezuïeten gelijk hebben, en zullen ze zelfs deelnemen aan de toekomst van de jonge volken, die ze opgevoed hebben.”
“Volgens u gaan de Jezuïeten met den vooruitgang mee?” vroeg Don Filipo verwonderd. “Waarom bestrijdt men hen dan in Europa?”
“Ik zal u als een oude scholasticus antwoorden,” hervatte de filosoof, terwijl hij weer ging liggen, en zijn spottende gelaatsuitdrukking herkreeg. “Op drie manieren kan men met den vooruitgang meegaan: aan de spits, opzij en erachter aan. De eersten zijn de leiders, de tweeden laten zich leiden, en de laatsten worden meegesleept, en tot dit soort behooren de Jezuïeten. Zij zouden hem wel willen leiden, maar omdat ze zien dat hij sterk is en andere neigingen heeft, kapituleeren ze, en willen ze liever volgen dan verpletterd te worden of midden op den weg in ’t donker achter te blijven. Nu goed, wij hier op de Filippijnen, loopen minstens op twee eeuwen afstand achter den wagen aan: we beginnen nauwelijks uit de middeleeuwen te komen. Daarom vertegenwoordigen de Jezuïeten, die in Europa reactionair zijn, van hier uit gezien de vooruitgang. De Filippijnen zijn aan hun ’t opkomend onderwijs, de natuurwetenschappen,—de ziel van de negentiende eeuw—verschuldigd, evenals aan de Dominikanen de scholastiek, die al dood was ten spijt van Leo de XIII: er is geen paus die weer op kan wekken wat het gezond verstand ten doode gedoemd heeft... Maar, waar zijn we beland?” vroeg hij van toon veranderend. “O ja, we spraken over den tegenwoordigen toestand van de Filippijnen... Ja, nu treden we in het tijdperk van strijd, ik bedoel jullie; ons geslacht behoort aan den nacht, wij gaan heen. De strijd gaat tusschen het verleden, dat zich met vervloekingen vastgrijpt en klampt aan ’t wankelend feodaal kasteel, en de toekomst, waarvan we de triomfzang in de verte hooren, bij den glans van een doorbrekenden dageraad, die de blijde boodschap van andere landen zal brengen... wie zullen er vallen en begraven worden in de bouwvallen?”
De grijsaard zweeg, en, ziende dat Don Filipo hem peinzend aankeek, lachte hij en hervatte:
“Ik kan haast raden wat u denkt.”
“Heusch?”
“U denkt dat ik me heel goed vergissen kan,” zeide hij met droeven lach. “Ik heb nu koorts, en ik ben niet onfeilbaar: homo sum, humani nil a me alienum puto,2 zeide Terentius; maar als hij zich soms veroorlooft te droomen, waarom dan niet aangenaam te droomen in de laatste levensuren? En dan, ik heb niet anders geleefd dan van droomen! U heeft gelijk: een droom! Onze jongelui denken aan niets anders dan aan liefdesavonturen en genoegens: ze verbruiken meer tijd en spannen zich meer in om een jongmeisje te misleiden en te onteeren, dan om aan ’t heil van hun land te denken. Onze vrouwen vergeten, om hun zorg voor Gods huis en Gods familie, hun eigen huis en familie. Onze mannen zijn alleen werkzaam voor ondeugd, ze zijn heldhaftig in schande. De kindschheid ontwaakt in duisternis en sleur. De jeugd leeft de beste jaren zonder ideaal, de rijpe leeftijd is onvruchtbaar, en leeft alleen maar om met zijn voorbeeld de jeugd te bederven... Ik ben blij dat ik dood ga... Claudite jam rivos, pueri.”3
“Wilt u de een of andere medicijn?” vroeg Don Filipo, om een andere wending aan ’t gesprek te geven, want hij zag dat het gelaat van den zieke versomberd was.
“Menschen die sterven, hebben geen medicijnen noodig. Jullie die blijven wel. Zeg aan Don Crisóstomo dat hij me morgen moet komen opzoeken, want ik heb hem heel belangrijke dingen te zeggen. Binnen enkele dagen ben ik er geweest. De Filippijnen liggen in ’t duister!”
Don Filipo verliet na nog eenige minuten gepraat te hebben, ernstig en in gepeins verzonken het huis van den zieke.
Quidquid latet apparebit,
Nil inultum remanebit.1
De klok kondigt het avondgebed aan. Bij ’t hooren van ’t vroom geluid staat iedereen stil, verlaat zijn werkzaamheden en ontbloot het hoofd; de landman die van ’t veld komt, houdt op met zijn zang, laat de gestadig voortstappende karbouw waar hij op zit stilstaan en bidt. De vrouwen slaan een kruis midden op straat, en bewegen opzichtig de lippen, opdat toch niemand twijfele aan hun godsvrucht. De man houdt op met het aaien van zijn haan, en bidt het angelus, opdat het lot hem gunstig moge wezen. In de huizen bidt men met luider stemme...ieder geluid dat niet dat van ’t avemaria is, verdwijnt, verstomt.
Niettemin gaat de pastoor, met een hoed op, haastig de straat over, en wekt de ergernis van veel oude vrouwtjes: en, nog schandelijker! hij gaat naar ’t huis van den alférez. De vrome vrouwen achten ’t oogenblik reeds gekomen, om hun lippenbeweegingen te staken, om ’s pastoors hand te kussen, maar Padre Salvi let niet op ze: vandaag heeft hij geen plezier in ’t leggen van zijn beenige hand op den christelijken neus, om ze van daar zachtjes te laten neerglijden (zooals Doña Consolación opgemerkt heeft) naar de boezem van een lieftallig jongmeisje, dat buigt om den zegen te vragen. Wel een zaak van gewicht moet zijn gedachten bezig houden om hem zoo zijn eigen belangen en die der kerk te doen vergeten!
Inderdaad loopt hij haastig de trap op, en klopt ongeduldig op de deur van den alférez, die met boos gezicht verschijnt, gevolgd door zijn wederhelft, die zuurzoet glimlacht.
“O, meneer de pastoor! Ik wou juist naar u toe: uw bok...”
“Ik heb iets van hoog belang...”
“Ik kan niet toelaten dat mijn schutting vernield wordt, ik schiet erop, als hij terugkomt!”
“Dat wil zeggen, als u tijd van leven heeft tot morgen!” zeide de pastoor hijgend, en zich naar het voorvertrek richtend.
“Wat? Gelooft u dat die lamstraal mij dood zal maken? Ik schop hem naar de andere wereld!”
Padre Salvi deinsde een schrede terug, en keek instinktmatig naar den voet van den alférez.
“Van wien spreekt u?” vroeg hij bevend.
“Van wien zou ik anders spreken dan van dat mispunt, dat me uitdaagt voor een duel op de revolver op honderd pas?”
“O!” riep de pastoor, die weer op adem kwam, en voegde eraan toe: “Ik kom u over een zeer dringende zaak spreken.”
“Valt u me toch niet lastig met zaken, ’t zal wel weer net zoo wezen als met die jongens!”
Als het licht niet van een olielamp en de ballon niet zoo smerig geweest was, zou de alférez kunnen zien, hoe bleek de pastoor eruit zag.
“’t Geldt vandaag in allen ernst ’t leven van ons allemaal!” hervatte deze halfluid.
“In allen ernst!” herhaalde de alférez verbleekend. “Schiet dat jongemensch goed?...”
“Ik spreek niet over hem.”
“Wat dan?”
De fraile wees hem naar de deur, die hij toen op zijn manier met een trap sloot. De alférez vond de handen overbodig, en zou er niets bij verloren hebben, als hij niet meer tot de “tweehandigen” behoord had. Een verwensching en een gebrul kwam als antwoord van buiten.
“Lomperd! Je hebt mijn voorhoofd kapot gegooid!” kreet zijn eega.
“Draai nu maar af!” zeide hij bedaard tot den pastoor.
Deze keek hem een heele poos aan, daarna vroeg hij met het eentonige neusgeluid van den prediker:
“Heeft u niet gezien, dat ik hard ben komen aanloopen?”
“Ja, ik mag verrekken, als ik niet dacht dat u diarree had!”
“Nu goed”, zei de pastoor zonder zich te storen aan de grofheid van den alférez, “wanneer ik zoo mijn plicht verzuim, is dat om ernstige redenen.”
“En wat verder?” vroeg de ander, en stampte op den grond.
“Bedaar!”
“Nu dan, waartoe dan al die haast?”
De pastoor kwam dicht bij hem en vroeg geheimzinnig:
“Weet u niets nieuws?”
De alférez trok de schouders op.
“U bekent dat u volstrekt niets weet.”
“Wilt u me over Elias spreken, die gisteren nacht door uw hoofdkoster verborgen is?” vroeg hij.
“Nee, nee, ik spreek nu niet over die praatjes,” antwoordde de pastoor uit zijn humeur. “Ik spreek over een groot gevaar.”
“Maar...wat dondersteen! Biecht u dan op!”
“Nou!” zeide de fraile langzaam en met zekere minachting, “u zult weer ’s een keer zien wat de invloed van ons geestelijken is: de minste lekebroeder gaat tegen een heel regiment op; dus een pastoor...”
En de stem latende zakken en erg geheimzinnig doende, liet hij volgen:
“Ik heb een groote samenzwering ontdekt!”
De alférez sprong op, en keek ontsteld naar den pastoor.
“Een verschrikkelijke en goed op touw gezette samenzwering, die vanavond moet uitbarsten.”
“Vanavond!” riep de alférez en vloog op den pastoor af.
En naar zijn revolver en zijn sabel die aan de wand hingen, toeloopend, riep hij:
“Wie zal ik gevangennemen? Wie zal ik gevangennemen?”
“Bedaar, er is nog tijd, dank zij de haast die ik gemaakt heb. Tot acht uur!”
“Ik fusilleer ze allemaal!”
“Luistert u toch! Vanavond is een vrouw, wier naam ik niet zeggen mag (’t is een biechtgeheim) bij me gekomen, en heeft me alles verteld. Om acht uur willen ze zich bij verrassing meester maken van de kazerne, dan gaan ze ’t klooster plunderen, nemen het politievaartuig en vermoorden al de Spanjaarden.”
De alférez stond verbouwereerd.
“De vrouw heeft me niets meer dan dat gezegd,” zeide de pastoor.
“Heeft ze niets meer gezegd? Nu, dan neem ik haar gevangen!”
“Dat kan ik niet toestaan: de biechtstoel is de troon van den God van barmhartigheid.”
“God en barmhartigheid kunnen mij niet schelen! Ik neem haar gevangen!”
“U verliest het hoofd. Wat u doen moet is u op alles voorbereiden: wapen stilletjes uw soldaten en leg ze in hinderlaag; stuur mij vier guardia’s voor ’t ‘klooster,’ en waarschuw de menschen van de politieprauw.”
“Die is er niet! Ik ga hulp vragen aan de andere sekties!”
“Nee, want dan wordt het gemerkt, en dan voeren ze niet uit wat ze op touw gezet hebben. ’t Komt erop aan ze op heeterdaad te betrappen, en dat we ze laten opbiechten, ik bedoel dat u ze zal laten opbiechten. Ik als priester mag me in zulke zaken niet mengen. Let op mijn woorden: hier valt voor u een ridderorde en promotie te halen; alleen vraag ik dat u laat uitkomen, dat ik u gewaarschuwd heb.”
“Dat doe ik vast, padre, en misschien wordt u bisschop!” antwoordde de alférez met een stralend gezicht, terwijl hij naar de mouwen van zijn uniformjas keek.
“Dus u stuurt me vier verkleede guardia’s, nietwaar? Opgepast! Vanavond om acht uur regent het luitenantssterretjes en ridderorden!”
Terwijl dit tooneeltje plaats had, liep er een man hard den weg over die naar Crisóstomo’s huis voerde, en besteeg haastig de trap.
“Is meneer thuis?” vroeg de stem van Elias aan den huisknecht.
“Meneer is aan ’t werk in zijn studeerkamer.”
Om zijn ongeduld af te leiden bij ’t wachten op ’t oogenblik dat hij tot een verklaring kon komen met Maria Clara, was Ibarra in zijn laboratorium aan ’t werk gegaan.
“Wel, bent u dat, Elias?” riep hij uit. “Ik dacht net aan u. Gisteren had ik verzuimd u te vragen naar den naam van den Spanjaard, in wiens huis uw grootvader woonde.”
“’t Is nu niet over mij, meneer, dat...”
“Kijk ’s,” ging Ibarra voort, zonder de opgewondenheid te ontwaren, terwijl hij een stukje bamboe bij een vlam bracht: “Ik heb een groote ontdekking gedaan: deze bamboe is onbrandbaar.”
“’t Is nu geen tijd om over die bamboe te spreken, meneer, wel, dat u binnen een minuut uw papieren bijeenpakt en vlucht.”
Ibarra keek Elias verbaasd aan, en, ziende hoe ernstig zijn gelaat stond, viel het voorwerp dat hij in de hand hield op den grond.
“Verbrand alles wat u compromitteeren kan en zorg dat u binnen een uur op een veiliger plaats is.”
“En waarom?” vroeg hij ten slotte.
“Breng al de kostbaarste zaken die u bezit in veiligheid...”
“En waarom?”
“Verbrand alle papieren waarop iets door of voor u geschreven staat: ’t onschuldigste kan in uw nadeel gebruikt worden...”
“Maar waarom dan toch?”
“Waarom? Omdat ik daar juist een samenzwering heb ontdekt waarvan men u de schuld wil geven, om u in ’t ongeluk te storten.”
“Een samenzwering?... En wie zet die op touw?”
“’t Is me niet mogelijk geweest, er achter te komen, wie de aanlegger is. Ik heb zooeven gesproken met een van de stumpers die ervoor betaald worden, en die ik niet tot andere gedachten heb kunnen brengen.”
“En heeft die man u niet verteld wie hem betaalt?”
“Jawel, en hij eischte van me dat ik ’t geheim zou bewaren, hij zei me dat u het was.”
“Groote God!” riep Ibarra verplet.
“Meneer, twijfel er toch niet aan, laten we geen tijd verliezen, want de samenzwering barst misschien vanavond nog uit!”
Ibarra, de oogen wijd opengespalkt, en de handen aan ’t hoofd scheen hem niet te hooren.
“De slag is niet meer af te wenden,” ging Elias voort. “Ik ben te laat gekomen. Ik ken de raddraaiers niet... Red u, meneer, bewaar u zelf voor uw land!”
“Waar moet ik heen vluchten? Ik word van avond gewacht!” riep Ibarra aan Maria Clara denkend.
“Naar ’t een of ander dorp, naar Manila, naar ’t huis van de een of andere overheidspersoon, maar ergens anders, dan kan men niet zeggen dat u de beweging geleid heeft!”
“En als ik zelf eens de samenzwering aan ’t licht bracht?”
“U zelf!” riep Elias uit, hem aanstarende, terwijl hij terugdeinsde. “U zou voor verrader en lafaard doorgaan in de oogen van de samenzweerders, en voor kleinzielig in de oogen van de anderen. Men zou zeggen dat u hun een strik gespannen had om zelf verdienstelijk te schijnen, men zou zeggen...”
“Maar wat dan te doen?”
“Wat ik u al gezegd heb: alle papieren vernietigen die u heeft, en die betrekking hebben op uw persoon, vluchten en de gebeurtenissen afwachten.”
“En Maria Clara?” riep de jongeman. “Nee, liever sterven!”
Elias wrong zich de handen en zeide:
“Nu goed, vermijd dan ten minste de slag: bereid u voor tegen dat men u aanklaagt!”
Ibarra keek verbijsterd om zich heen.
“Help me dan. Daar in die portefeuilles heb ik de brieven van mijn familie. Zoek die van mijn vader uit, die kunnen me misschien compromitteeren. Lees de onderteekeningen.”
En ontzet, verbijsterd, opende en sloot de jonge man laadjes, haalde papieren bij elkaar, las haastig brieven, verscheurde er enkele, behield andere, nam boeken uit de kasten, bladerde erin en anderszins. Elias deed hetzelfde, maar geregelder, schoon met gelijken ijver. Doch op eens hield bij op, zijn oogen staarden, hij draaide een papier dat hij in de hand had om en om, en vroeg toen met bevende stem:
“Heeft uw familie Don Pedro Eibarramendia gekend?”
“Wel, dat geloof ik!” antwoordde Ibarra een lade opentrekkende, en er een pak papieren uitnemende. “’t Was mijn overgrootvader!”
“Uw overgrootvader Don Pedro Eibarramendia?” vroeg Elias wederom, lijkbleek en met verwrongen gelaatstrekken.
“Ja”, antwoordde Ibarra afgetrokken, “we hebben den naam, omdat die wat lang was, verkort.”
“Was ’t een Baskiër?” hervatte Elias en trad op hem toe.
“Ja, een Baskiër, maar wat scheelt u?” vroeg de ander verbaasd.
Elias balde de vuist, drukte die tegen zijn voorhoofd, en keek Crisóstomo aan. Deze deinsde een schrede terug, toen hij de uitdrukking van zijn gelaat zag.
“Weet u wie die Don Pedro Eibarramendia was?” vroeg Elias met opeen geklemde tanden. “Don Pedro Eibarramendia was de ellendeling, die mijn grootvader belasterde, en al onze rampen bewerkte...Ik zocht naar zijn naam, God brengt me bij u... Geef me rekenschap van al ons lijden!”
Crisóstomo keek hem verplet aan doch Elias schudde hem aan den arm, en zeide op bitteren toon, waarin haat loeide:
“Kijk me goed aan, kijk of ik geleden heb, en u leeft, u heeft lief, u heeft fortuin, een eigen huis, u wordt geacht en gezien, u leeft... u leeft!”
En buiten zichzelf liep hij toe op een kleine verzameling wapens, maar nauw had hij twee dolken eruit genomen, of hij liet ze vallen, en keek als verdwaasd Ibarra aan. Deze bleef roerloos staan.
“Wat ging ik daar doen?” stamelde hij. En hij vluchtte weg uit het huis.
1 Twee welbekende verzen van ’t Dies irae: “Al wat verborgen ligt zal geopenbaard worden, en niets zal ongestraft blijven.”